DIetteolioni, v. diagonal. Makes, rn. deacon. —schap, o. deaconship, deaconry. Diakonee, v. deaconess. Dianaant, joa. & o, diamond. —gnat, --porter, diamond-duet, -powder. —atimer, diamond•Cutter. —of, by, diamond, adamantine. Diannseter, in. diameter. Dintrhee, v. Zie Dieht, o. poetry; poem, verses. —adv., pgettell vein. —kundig, poetical. —kunst, (art of) poetry. —hare, poetical whim. —mast, metre. —repel, line of a poem, sterile; —sink, —work, poem. —vane, poetize' rapture, ecstasy. —en, or. w• to •ersity, to compose; to invent, to contrive; on. w. to versify, to write poetry. —er, rn poet. —errs, v. poetess —esprit, be. & bw. poetic, 'poetical (-1y). —erlOkheid, v. Poetic/11nmDicht, by. shut; tight; thick; dense, compact, solid; close. —, bw. tight (-iv; compactly, close. — bit, bard by, close by, near. —en, ov. w. to close, to make close; to mend. —heid, v. tightness; density, compactness, solidity; closeness. vnw. who, which, that, those. DIsset,o. diet, regimen. Dtecf , m. thief. —.hag, bv. & bw. thievish (-ly). --achtigheid, v. thtevishness, m. theft, robbery, larceny; fetterkundio —, plagiarism. Disgene, vnw, Zie Decent.. 11)14init,o. dimity. —an, be. of dimity. Dienftestrunttude, bw. with respect to that. Dien star, m. servant; een — makes, to how. —arts, v. servant; erne makes, to make a courtesy. —der,rn. Zie Gerochtsdienoar.—ea, ov. it on. w. to serve, to be in service; to be of service (use), to suit; to answer. neaten, Monet, m. service, nee, favor, office. to go into the arrx► y, to enlist. een soeken., to look out for a place. — does, to be of service; to be on duty. het is tot uto —, it is at your service, you are welcome to it. de erne. — is de andere werard, one good turn deserves another. —aanbieding, offer of service. —betoon, service. —bode., servant, domestic. — Axis, house of bondage. —Aker—, professional zeal. —jaar, year of service. —kneeht. man servant, footman. -400,,, wage., hire. —niaagd, —add, maid-servant, band-maid. —sickle, risryant.gtrl. —pito/slip, liable to service, bound to serve. —Aid, time of service. —vaardig, by. & bw. ready to serve, officious (-1y). —vaardigheid, readiness to serve, offisioninees. —trii, free from service. obedient. —soak, official (ex officio) buolness. —boar, be. serving, in service; ministering; useful; — makes aan, to make serve. —boarlaid. v. being in service; usefulness; bondage, thraldom. —ire, by. ueeful, serviceable, suitable, pro; ee. —igheid, v. usefulness, serviceableness, suitableness. Dlesafengovolfge, Dienvolgensf, bw. comequently, accordingly. Diet), by. & bw. deep (-ly); profound (•1y), low 1-iyi; far. — gaan, to draw water.—indetkitia, a good deal past fifty. — in seAuldes steken, to be over head and ears in debt. in —e gedachten,

Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-
Coinbase has two core products: a Global Digital Asset Exchange (GDAX) for trading a variety of digital assets on its professional asset trading platform, and a user-facing retail broker of Bitcoin, Bitcoin Cash, Ether, Ethereum Classic, and Litecoin for fiat currency.[24] It also offers an API for developers and merchants to build applications and accept payments in both digital currencies. As of 2018, the company offered buy/sell trading functionality in 32 countries,[42] while the cryptocurrency wallet was available in 190 countries worldwide.[43] On March 26, 2018, Coinbase announced their intention to add support for ERC-20 tokens.[44]
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Hoe kan ik ruilen cryptogeld voor contant geld


- 433 belly, paunch-belly, gorbellied person. —bastig, —kuidig, —vellig, thick-skinned, thick coated. thick-shelled. —bek, chub•faced person. —bekkly, —koonig,—wangig, eh ub.cheaked,ohn b-fac ed. —bladerig, thick-leave& —bloedig,thick-blooded.—kop„ jolt-head , numskull , thick-skull, blockhead. —koppig, thick-headed, thick-skulled, chubby. —lijvig, thick-bodied, thick-set, corpulent. —lippig, blubber-lipped. —nekkig , thick-necked . —neuzig, thick-nosed. —acidly, be. rather thick. —Arid. v. thickness; deepness. —ken, or. & on. w. to thicken; to grow thick; to curdle, to clot, —herd, m. fat (plump) fellow, —te, v. thickness, bigness. Dikniaals, Dlkwerl, bw. often, often times, frequently. Dille, v. dill. 'thing, o. thing. MUnheer. -.11, Mr. Thingum. Ding on, on. w. to bargain, to cheapen; to aspire (tot, to strive (for). —er, m. —stir, v. bargainer; st river. Diostaal, v. solid arguments. by spreekt —, he speaks to the purpose. Diusdag, m. Tuesday. Diplom a, o. diploma. —aat, m. diplomatist. Dircant, in. descant, treble. Mach, .n. table. —yenoot, fellow-boarder, messmate; guest, Discosee seven, or. w. to discount. —o, o. discount. Diesel, m. thin, beam; adze, aldice. —b000r,thill, beam. —paard, thill-horse, wheeler. Distal, m. thistle. —bloom, thistle-flower. —rink, thistle-finch. —ig,by chietly. Distill ateur, m. distiller. —mile, v. distillation. —germ ov. w. to distill. —eerglas, —kolf, retort, still. Dit, yaw. Ohio. DU°, bw. dtto. Dobbs', tn. game at dice. een pities — hebben, to hove a lucky throw at dice. —biker, —hares, —hroes, dice-box. —epel, dice-playing; gams at dice. —steen, die; square; cube. —ziek, given to dicing (gambling). —suet, fondness of dicing (gambling). —aar, dice-player, gambler. —mil., v. dicing, dice-playing, gambling. —en, on. w. to play at dice, to gamble; tepee twaal f ooges —, to play a desperate game, to be in a hopeiesa state. Dubber, m. float, quill, cork; small boat; buoy; bunch of bulrushes. —on, on. w. to float; to fluctuate, to waver. —ing, v. fluctuation. Duch, vw. but, yet, however. Doehter, v. daughter; girl. jonge —, girl. trodden. spinste.i. —skied, grauct - child.—aman, son in-law, Doctor, m. doctor. — in de letteren. doctor of letters. —eat, o. doctorate, doctorahip. —eerie, on. w. to be admitted a doctor. Dodderig, be. drowsy. —held, v. drowsiness. Dodo!, o. foul egg. Dodoor, m, & v. humdrum, drone. Doedninak, tn. bag-pipe. —speler, bag-piper. Dock. in. eloat, towel; swaddling-band; shawl. —, o. cloth, linen, cane ase. —maker, cloth-maker. —veld, brooch. —acheerder, cloth-shesdier. -en, ay. w. to cozeu, to take in, to impose upon; to
319 Unconsidered (un-kun-sid'urd) ,ft onbeechouwa, Uselinet.(nn-kilnta)'), v. a. openen (de vufat). ouoveriegd. Unclipped (un-klipt'), a. ongeanoeld. Unconstitutional (nn-Iron-sti-tjoe'ejun e1), a. Unclog (un- klog'), v. a. ontlaitten, bevrijden. —ly, ad, etrbdig met de etaateregeling Unclose (un-klooe), v. a. openen, ontaluiton. Uncon strain/Ibis (un-kun-striten'Ibl), a. onUnclothe (an-klootle), v. a. ontkleeden. bedwingbaar. —strained ( etreend'), n.—strarnedly Unelhentd (nn-klaud'), v. a. ophelderen. —.ed. —y, s, onbewolktheld. (-atreen'id .),ad.ougedwongen.—etraist (atreenti, a. onbewolkt, helder. Um:locked (un-koltt'), a. onopgetoomd; islet ge- a. ongedwongenheid. —named (-ajoentd"). a. on'teetered. —summate (-eum'met), a. onvolbracht. apannen. —teminated (-temn-nee•tid), a. onbezoedeld. Uncofflued (un-kortInd), a. Louder doodkiat. Unroll (un-koje), a. a. van de muts ontdoen. —temved(-temd!),couveracht. —teneed(-tend'id), —tested (-teet'id), a. onbetwi at. —ttadieted (-kon—ed ( kojtV), a. zonder mute. tee -1tItt'ld), a. niet tegengesproken —trite (-Yon% v. a. loswlkkelen, -winden. Uncolf Uncesined (un-kojnd'), a. ongemunt. traj'), a. onboetvaardig. —trollable (-trool'ibl), Uncollected (un-ttol-lekt'id), a. islet verzameld, a. onbedwingbaar; onweerstaanbaar; onwederWet geind; Wet beiaard. legbaar. —trolled (-troold"), a. onbedwongent onwederlegd. —troverted (-kon'tro-vnrt-id), a. onUncoloimd (un-kut'urd), a. ongekleut d. Uncom bed (un-koomd') a. ongekamd. —biped betwixt. —versant ( -kon'7ura-ent), a. (its. with) (-kum-bajner), a. ntet verbonden. Wet seamen in, niet vertrouwd met. —verted Uncover/lel 'newt (un-ktun'11-neee), a. onbevallig- (-vortld), a onbekeerd. —victed (-vikVid), — reseed hetd. —y, a. onbevallig. -vinat'), a. ntet oveetulgd. Uncomforta ble (un-kum'furt-ibl), a. —bly, Uozord (un- kord'), v. a. loemaken. ad . ongemakkeltilt; onaangenaam; troostelooe Uncork (un-kork'), v. a. ontkurken. —blows*, a. oneangenaamheid; trooateloosheid. Uncor reefed (un-kur-rekt'id), e. onverbeterd. Uncom mandrel (un-kum-rnaand'Id), a. Inlet —rupted (-rupVid), a. onvervataeht,onbedorven. bevolen. —mendable (-mendl.b1), a. ntet prijzens- Uncount able (un- kaaunt'ibl), a. ontelbaar. waardig. —mended (-mendlet), a. ongeprezen. —erfeit (-ur-fit), a. Met nsgemaakt. —missioned (-miertind), a. van geene larageving Uncoople(un-kup'pl), v. a. loskoppeten. Uncourteous (un-kuetj-us, -koortlua), a. —ly, voorzien. Uncommon (nn-kom'mun), A. --ty, ad. onge- ad. onbeieefd, onwellevend. — noes, a. onbeleefdongewoonhetd, zeld- held. meen, ongewoon. Uncourt liness (uu-ko ort'llAtesa), a. onhoffelijkzoom held. Uncorn numb, Uwe (un-knm-mjoe'nt-ke-tiv), held, lompheid.—ly, onhoffelijk, lamp. a. onapraakzaamotehterkoudend. —velled(-geld'), Uncouth (un-koethl, a. —op, ad. zonderling; row, lamp. —near, a. eonderlinghetd; ruwheid, a. Diet gedwongen. —pensated (-pen'see-tid), a. lompheid. (-pleen'teag), onvergoed, onbeloond. (-pla)'ieng), a. niet Uncover (un-kuv'ur), v. a. ontblooteu. a. Diet klagend. ineehlkkelijk. —pounded (-pasundld), a. ntet Uncrente (un-kri-eet,') v. o. vernletigen. —d, a. ongesehapen. eamengesteld. Usecon celted (un-kun-ziet'id), a. nlet verwartnd, Uncredltable (an-kred'i-tibl), A. onvermaard, (-eurn'), a. onvereehtllig- Diet vereerend. —.eos i n. onvermaardheid. — ingebeeld. Uncropped (un kropt"), a. ongeooget. heid. —eerned (-eurnd'), a. —eernedly ad. on.versehtIlig (about. at. for). —meted (-koktgld), Uncrossed (un-kroat'), a. zonder kettle, Met doorgehaald, niet gedwareboornd. a. onverteerd; onbekookt. —donned (•demdl, a onveroordeeld. —ditiosal, a —ditionatilhad.(-dinr- Uncrowded (un-krandld), a. niet gedrongen. un-el ), onvoorwaardelijk. —leased (-feat'), a. Uncrown (us-krasun'), v. a. van de kroon bertha bekend, niet gebteeht; sonder bieeht. moven. —fined (-Iejnd') a. onbeperkt. —firmed n -f,rnurt, Unct ion (ungk'sjun). a. salving; balsam: a. onbeyeetigd. —formable (-formlb1), a. onge—ussity (-00e-05'U-till), —women (-t)oe-us-) R. zalfachtigheid, Yettigheld, —sous (.t.; oe-us) a. lijkvormig. —fortuity (-form-it-tih), s. onge- itikvormighetd. —fused (-fjoezd'), a. —fusedly zalfaehtig, amerig, vet. bebouw(..fjoe'sitt-), ad. ntet verward, dutdelijk. —futabte Uncultiva bite (urn-kurti-vib1), a. boar. —ted (-see. ttd), a. onbebouwd, cub whited. (-fjoe-tibl ), a. onwederlegbaar. —pealed 1-dzjield'), a. ongeetold, onbevroreu. —neeted (-nekt'id), a. Unctunbered (un-kum'burd), a. nnbezwaard, on belemmerd. onverhonden. Unconquer able (un-kong'kur-ibl), a. —ably, Uncurb (un-kurb . ), v. a. van den klnketting out. ad . onverwinnelijk. —ed(-kurdhconoverwonnen. doen; bevtijden. —ed (-karbd'), a. ongetemd; Unconsclona ble (un-kon'a)un-ibl), a. —bly, toomeloon. ad. onredelijk; l'uitenaporlg; gewetenlooa; out- Uncured (un-kjoerd'), e.ongenezen; enverholpen. saggelek. —Glenne, a. onredelijkheld; buiten- Uncurl (un-kurP), v. a. & n. (doh) ontkrullen, sporigheld; gewetenloosheld. Uncur rent (unkur'rent), a. ongangbaue. —tailed verminde ed. Unconneloue (un-kon'ejus), a. —1y, ad. cube- (teeld), a. Wet Yerkort, wunt, onkundlg (of). —wets, s. onbewuatheid, Uncoistomary (un-kuet'um-e-rib), a ongewoon. ongebrulkelkik. onkundlgheid. Unconsecrated (un-kon'se-kree-tid), a. onge- Uncut (un'kut), a. ongesneden, ona - ngleneden. Undamaged (un-dem'idajd), a, onbes,hadtgd. wijd, oningewf(jd.
—sekrOvers, or. & on. w. to Write close. —sehroe• ven, or. w. to screw to —.Mules*, ov. w. to shove (to push) into. —1/aan, ov. w. to strike togetber,to join; de handen —, to act of one accord, to make common cause. —slititen, on. wr. to be fit, to fit in (with), to sntt. —ssit,lten, on. w. to melt, to mingle. —inserting. v. melting, mingling. —vloeien, on. w. to flow together, to meet. —rloeiing, v. conflux, confluence. —voegen, ov. w, to join, to adjust, to dove-tail (with). —voeging, v. joining. Itnent en, or. we to graft. to ingraft. to inoculate; to vaccinate. —er, m. inoculator:vaccinator. —ing, V. grafting, ingritfting, inoculation; vaccination. Inetsen, or. w. to etch in. w. to fester, to grow deeper by Inetterais, suppuration. Infanterle,s. foot, infantry. In finnsen, or. w to throw in carelessly. Intflutt,teran, ov. w. to whisper, to prompt, to suggest. Infreni, by. very fine. Imgaan, on. w, to enter, to go (to walk,to step) in, — into; to begin. Ingnarder, m. collector. Ingaeler en, or. NV. to gather, to collect. —ing, v. gathering, collection. Itagnaig, an. entrance, entry, ingress. —rinden,to take. Ingebseld, bv. Imaginary; self- conseited. Itageboren, by. innate; native, born. Ingeeride, m. & v. landholder. Ingcest en, or. w. to inspire. —kg, v. inspiration. Ingekankerd, hr. inveterate. Ingeleand,m. landholder, freeholder. Ingelegd, hr. laid (put) in; pickled, preserved; inlaid, tessellated, mosaic. I ugenteur, m, engineer. lagenonsen, hr. taken; captivated, prepossessed. —he;d, v. prepossession, affection. Ingeschapen,bv. innate, inborn. Ingesloten„ by. enclosed; inclosive,incl tided. Ingetogein, hr. & bw. continent (.13y); modest (-13, ), composed (.;y), sedate (•1y) —he d, v. continence; roodesty,andateness. Ingevni, vw. in case. loge-v en, or. w. to give in, to adminieter; to present; to prompt, to suggest, to inspire. —ing, v. suggest Ion, inspiration. Ingevolge, bw. pursuant (agreeably) to, in consequence of, in compliance with. 110401,17nntc9, o. entrails, bowels. I,,gewelde,o.intestinee. IngewUde, s. adept, initiated. Ingewikkeld, be. intricate. —held, v. Intricatenese, intricacy. Ingovvorteld„ bv. inveterate. Ingezetene, m. &v. inhabitant. Itasslertg, by, very covetous. Inglet en, or. w. to pour in, to infuse. —ing,v. infusion. lisgUts.nt, ov w. to reeve in. InglUden, on. w. to slide in, — into. InglIppen, on. w to slip in, into.
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Hoe kan ik bitcoins in Australie kopen


-TitE Trier, overvoring; verbanning; verrukking. —edly, ad. in vervoering. —edniss, s. verrukking. —er, a. vervoerder, overbrenger; transporteur. Transpos al (trens-po'eell, s. verplaataing. —e (-pooz'), v. a. verplaatsin, omzetten, --Mon (-zisy on), a. verplaatsing, °matting. —itive a. vane omzetting vatbaar. Transship (trens-sjtp'), v. a. verchepen, overladen. —meat, s. veracheping, overt:Idiot!. Transubstantin te (tren-sub-sten'eji-eet), v. a. in een ander wezen veranderen. —tion(-eu'ajun), a. verandering in eon ander wezen, trauseubatantiatie. Tkansud atton (tress-joe.dee'sjun), a. door. zweeting. —atory (-joe'de-tur-rih), a. doorzweetend. —e (-joed'), v. n. doortwesten. Trans vacation (tress-ve.zee'ejun), a. overgieting. —vection (-vek'njun), ri. over. voer. Transvers a1 (treats-vurs'el), —e, a. —eiy, ad. dwarsloopend, overdwars. —al, transvereaal. Trent (trentl, v. n. rondventen (viach). —er, a. vischventer. Trap (trete), s. val, atrik; hlnderlaag; esker balspel. —door, valdeur, luik. —slick, balstok. v. a. vangen,veretrikken; tooien, opsieren. Trepan (tee-pen'), a. vat, valstrik. --, v. A. vangen, verstrikken. —ner, a. strikkenspanuer; ver. leider. Trapes (creeps), a. along, morsebel. Trapealrara (tre pPti-um),s. trapezium, Trapp er (trep'per), a. strikkenspanner. —lays (-plenge), pl. eereierasien, tool; paardentutg. Trash (treen, a. afval, uitectiot, vodlegoed, bocht; prul; anoelhout. —, v. a. ....lien; ondr. drukken; belemmeren, tegenhouden. —y, a. sleeht, lorotg, onbruikbaar. Traumatic (trap-met'lk), a, & a. wondheelend (mtddel). Travail (trev'il), a. motite, arbeid; barensno0. —, v. a. atmatten; v. n. twoegen, cloven; in barenenood Trave (treev), a. dwarabalk, flood-, hoefatal. Travel, (trev'ti), a. (het) reiten; refs. —, v. a. berelten; v. n. releen. —led (-lid), a. bereled. —ler, a. relziger; beugel von den kluiver, —ling, a. (het) reizen; —bag, reiszak, -Web; —carriage, reiskoete; —charges, —expewses, —fees, pl relekoeten; —clerk, reiabediende; —kitchen, reiskeuken; —map, reieka.art; --trunk, reiskoffer. —s. pl. rel. zen; rehnesehritiving. Traverse (trev'urs), a. & ad. dwars, overkruis. —board, uurbord, koppelkompaa. —horse, ver• pelloop van den bezaansehout. —sailing, kep koers. —table, log-. streektafel. s. dwarehout, -balk, -moor; middelsebot: wederwaardIgheld, hindernit; kunstgreep, aitvlucht. —, v. a. kruiten; doorkrnlaen; dwerebournen; tich verzetten tegen; onderzoaken; v. n. zieh te weer stollen; travorteeren. —r. a. besehuldigd.e, wederlegger. Travesty (ttev'es-1,11), a. getravesteerd. —, a. traveetie, parodie. —, v. a. traveatearen, Tarodleeren. Travis (trev'la), a. Zie Trave. Tray (tree), s. houten bak; kalkbak; bleadje. Treacher ous (trleisrur-ns), a. —ously, ad. ver-

Wat is een Bitcoin halvering


Faeultelt, v. faculty. Fagot, v. bassoon. —blazer, basal:Wet. Fail' ems, on. w. to fall, to break, to become a bankrupt. —let, hr. Insolvent, broken, bankrupt. —let, —iseement,o. failure, insolvency, bankruptcy. Fakkell. inc. torch, link; luminary. —draper, torch-bearer, link-man. —hicht, torca light. Falhala, v. furbelow. Fallen, on. w. to miss, to fail. Palle, v, mantle, veil. Fattekant, by. & bw. otherwise, wrong, false ( - 13r , , deceitful (-ly), treacherous Or. Fali,..evouvv en, on. w. to coax, to wheedle. to dissemble. —er, m. —ster, v. coaxer, wheedler, dissembler. Falkonet, o. falconet. Faienelle, m, forger; cheat, impostor. Fantlillie, v. family, relation.; tribe. —betrekking, relationship, kindred. —gek, —ziek,fond of one's relations. —goed, faml!y-estate. —graf, faml lyvault. —heefd, head of a family. —kring, domestic circle. —kwaal, family-vault; hereditary disorder. —leven, family-life —noon*, family• came. —rand, family-council. ---,auk, family . piece. —tree,family-feature;etraracteristic.—trett,
a. • Oif,4, hii. ,erloos, meltandelijk. —ousness, —y,s. eerloosheid, sehandelijkheid. Infancy (in'fen-sih), a. kindsheid; minderjarigheid. Infant (inIent), a. jong, jeugdig. s. Jong kind, onrnoudige. —school, kleia-kinderachool. —icide (-fen'ti-sajd), a. kindermoord; kindermoorder, -moordster. —ile (-tajl), —ine (-ajn), —like, —ly, a. kinderlijk; kinderachtig. —ry, a. voetvolk, infanterie. In fatigable (in-fetTgibl), a. onvermoeid. intratu ate (in-fet'joe-eet), v. a. verz©t waken, voorinnemen (with). —lion (-ee'sjun), a. verzotmaking; verblinding. In fens& isle (in-fie'zibl), a. ondoenlijk. —bility — bleness, a. ondoenlijkheid. Infect (in-fekti, v. a. besmetten, annateken. —ion (-fek'ajun), a. besmetting. —mous (-fek's)us), — ice, a. — jaunty, ad. beamettelijk. —iousness(-fek'sjus.), s. besmettelijkheid. Inlet. ad (in-fek'und), a, onvruchtbaar. — ity ), a. onvruehtbaarheiti. Infelicity (ln-fe-lis'it-tih), s. ongelu.,, rampspoed. Infer (in-fur'), v. a- afleiden; opmaken (from). —able, a. Zie Inferrib!e. —ence (in'fur-ena), a. g,volgtrekkine,.. Inferior (in-frri-ur), a, minder, lager, ondergeschikt (to). —, R. mindere, ondergesehikte. —ity (-or'it-tib), a. minderheid. ', uremia! (in-furinel), a. hell.), —, a. heibewonor, hetache geegt. laferrible (in-fueribl), a. op te waken, of te Iciden. infertil e (in-fur'til), a. onvruchtbaar. —ity (-fer-til'it-tih), a, onvruchtbaarheid. Infest (in-faX), v. a. verontrusten,kwellen, onveilig maken (with). --alien (-tee'sjun) a. verontrusting, —need (-urd), a. aterend; ingekankend. Infest- Iv a (in-fes'tiv), a. treurig. —ity(-tiv'it-tih), treurigheld. Infeudailon (in-fjoe-dPo'sjur), a. inbezitatei, ling (van een infidel (in'fi - del), R. onry loovig. —, a. ongelooOg,—itp (-dent- tih), a. ongelduf; tr. onweloosbeid. O .:. (111'ie

(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

Hoe krijg ik een Bitcoin-account


Unsight 1 int.► (tin sejt'li-ness), ra. onoogetijkneld.—y, a. onoogelijk. Unalivered (..-eilv i ttrd), a. onverstiverd. Unglues's/ (uu-sinlae), v. a. ontzennwen. Utketnscd (uu-sindsjdn, a. onvt.tzengd, ongeeehroeid. Unstnning (un-hitenieng), a. onzondlg. Uncial rsal (un-ekil'foel), a. —Pasty, ad. onbedreven, onervaren. —feat es., a. onbedrevenheid, onervaren held. —led (-Wald). a. onbe.treven. Unsinthed (•u-slekt'), a. on.veralapt. Uneltsin (uu-sleen), a. niet gedool, onverelageu. Uuslaked (un-eleekt'), a. ongelescht; ongebluseht Unsling (un-rating') iirr.3 v. a. van de atroppan (lengen) ontdcen. Unelipping (un-alip'pteng), a. Islet glUdend, 'act. 

Hoe werkt de Blockchain werk


Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​


benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.

Louder bewijs. —tory (-1e-tur-rih), a. verzoekende Portress (poort'reso), a. portierater. Pory (po'rih), a. poreux, sponsachtig. gesteld, aangenomen. —turn (-lee'tuat), s. Zi; Pose (pooz'), v. a. verlegen maken, pal zetten. Postulate. Posture (post'joer), s. toestand; houding, ge—r, s. s. ondervrager, palzetter. Position tpo-zisrun), s.ligging, stand; toestand, atalte. —master, postuurmeester. gesteldheid; stelling. —al, a. betrekkelijk he Posy (po'zih),.s. zinapreuk; ruiker. stalling of gesteldheid, l Pot (pot'), s. pot, kan. —ash, potasch. —bellied, ad. stellig, bepaald; Positive (poz'i-tiv), a. dikbutizig• —b elly, dikbuik. —boiler, hnisvader. volstrekt; wezenlijk; setter; bevesttgend. —ness, —boy, knecht in eene gelalatuntner. —butter, pots. stelligheid, zekerheid. jesboter. —companion, drinkSbroer. —fta, pot-, kanvol. —girl, dienstmeisje in eene gelagkamer. Posnet (poz'nit), a. kommetje bakie. om. FOGS (pass), a. waterval; apoelk —hanger, schoorsteenhaak. —herb, moeskruid, Posse (potezel, a. gewapende macht; gepeupel. groente, —hook, pothengsel; hanepoot. —house, Possess (puz-zess'), v. a. bezitten; (of; in het bierhuis, kroeg. —ladle, polle:vel. —lid. potbezit stellen van. —ed (-zest"), a. bezeten; (of) deksel. —luck, gewone pat of kost. —man, kroegin het bezit van; (with) overladen; begaafd, voor- looper; zie rot-boy. —metal, mengsel van lood zien. —ion (-zesfun), a. bezitting, bezit, eigen- en koper. —pan, kook-, stoofpan. —proof, sterk don, —iz'e, a. bezittend; ease, tweede naamval; drinkend. —sherd, potscherf. —, v. a. in potten — pronoun, bezittelijk voornaamwoord. —or, a. zetten of bewaren; inmaken. hezitter, eigenaar. —ory (ook: poz'zis-sur-rib), a. Potable (po'tibl), a. drinkbaar. —ness,s. drinkbezittend; van het bezit, baarheid. Posnet (pos'eit), s. door wijn gesiremde melk. Potato (po-tee'to), a. aardappel. Poten cy (po'ten-sih), a. macht, vermogen. —t, P0.81 bie (pos'sibl), a. mogelfjk. —bly,ad. a. —tly, ad. machtig. —tate (•test), s. vorst, pogelij k, misschien. —bility (431-bil'it-tib),s.moge- , tentaat. —tial. a. —Nally, ad.(-ten'ajel mogelijkheid. s. mopPost (poost'), a. post; postbode; ambt; peal. to lijk; vermogend. —tiality per post reizen. —boy, postrijder,pos; li.jkhcid; vermogendheid. travel tilion. —chaise, postkoeta.—day,poatdag.—doetor, Pother (potieur), a. gewoel, rumoer. —, v. a. kwatzalver. —haste, groote spoed. —horse, post- kwellen, lastig vallen; v. n. tieren; levenmaken. paa-d. —house, posthuis. —man, potaboae; brie- Potion (po'sjun), a. drank, drankje. venbeateller. —mark, postmerk. —master, post- Pott age (pot'tidsj), s. vleeschsoep,gekookte spijsmeester. —note, postwissel. —office, postkantoor. Potter (pot'tur), a. pottenbakker. —'s-clay, pot-paid, gefrankeerd. —road,rtj- ,03 treat w eg. —stage, aarde,leem. —'s-ore, verglaamsel. —'s.ware, aarde. 1)ostatation werk. —y, a. pottenbakkerij; aardewerk. Post (poost'), v, a. eanplakken (up); op post zet- Pottle (pot'tl), s. kan; vochtmaat van 4 pint. ten; op de post doen; orerboeken; v. n.per post Potulent (pot'joe-lent), a. beneveld, dronken; drinkbaar. reizen. —rye, a. briefport; —stamp, postzegel. Post date (pooat'deet), v. a later dagteekenen. Pouch ;pautsj),s. zak; pens,dikke buik.birding—, —dilution (-di-ljoe'vi-en),a. van na den zondvloed. weitasch. —, v. a. in den zlk steken; opslokPoster (poost'ur), e. renbode, koerier; aanplak- ' ken; v. n. pruilen. Poult (pooh'', a. hoen, kuiken. —erer (-ur-ur), billet. Poster' or (pus-trri-ur), .later, volgend.—ority a. poelier. —ice i-is), s. pappleister; v. a. pappen. s. (het) later zijn. —ors (-urz), pl. —ry,s.tamgevogelte; —house,hoenderhok;—yard, achterste —ty (-ter'it-tih), s. nakomelingschap. hoenderhof. Pounce (paauns'), s. klauw (van een' roofvoPostern (pooetur.), s. achterdeur, poortje. a. grljpen; Postexietence (poost-egz-ietens), e. ,toekom- gel); puimsteenpoeder; sandrak. dcorboren; bestrooien; glad wrijven; v. n. (on) stig bestaar. Postilx (poosefiks), s. aehtervoepel. neerschieten op. —box, —than, stroolbus; sanv. a. achtervoegen. ' drakbusje. —d (paannet), a. met klauwen. Posthumous (post'jo,mus), a, nagelaten. —1Y, Pound (paaund'), a. pond; pond sterling; schutad. na den dood. v. a. lljnstampen; opsluiten (up). —age, hok. PoNtil (posetil), s kantteekening. v. a. van a. pondgeld. —er, a. stamper; ponder;pondepeer. kantteekeningen voorzien; v. n. kantteekeningen Poop eton (poe'pe-ton), s. popje. —ics, pl. ge• mak:In (upon , . —ier, s. uitlegger, acbriiver van recta van reepies kalfa-, schapen- en varkensk,ntteekeningen• eerseh. Postilion (pens trnjun), s. voorrij der, postilion. pvolu (poor',, v. a. gieten- schenken;uitstorten; (in upon. out upon) overfdelpen met; v. n. atrooPost log ,poostleng), s. het reizen per post. —bill, aanplekbitjet. men, vloeien, etorten; (doten) stortregenen; (upon) Postmerldigin (pooet-me neer8chteten op. —er, s. gieter; inschenker. Postpone (poost-p , on'), v. 11, uitstellen, ver poor 'attic (poor-kut't1), a. inktvisch.—pa , ty setiujven; achtermtellen. —meat, s. uttstel. (.paar'tih), s. verdeeling eener erfents. lamprei; steenbolk; berit-, hazelPostacript (pooerskript) a. nasehrift. Pout (pant), Postuin nt (post'ioe-lent), E. aanzoeker, (linger. ' boon; kwade luim. —, v. n. pruilen; vooruitste(-let), s. vereischte; aangenornen staling. ken. —to ( 'Pet,, v. a. varderen, aanzoek doen am; Poverty (pov'ur•tih), a. armoede. stellen —Pion (-lee'sion), o. aanzoek; stealing Powder (pau'dur), a. poeder, poeder, stof; bus-
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den 

Kunt u verkoopt cryptogeld op Robinhood

×