bee in een" gemeentegrond; student van den Compass (kum'pes), a. omtrek, kring, omvang; rnimte; bereik; kompas. to keep within —, binnen tweeden rang (te Oxford). —ly, ad. gemeenlijk. —ness, s. gerneenheid. de palen houden. —blijven. corrected —, reehtwij Commons (kom'munz), s. de mindere man; (het) tend kompas. dipping miswijzend kompas. —box, kompasdoos„ —card, kompamroos. —needle, Lagerlatis; dagelijksche pot. ce (kom'mo-rens), a. verblijf, wo- kompasnaald. —saw, iijneznag. —stuff, boeghout. Co ► mor kromhout. —timber, —es, s, passer. a pair of —es, ning. — t, R. *woonhchtig. Commotion (kum-mo'sjun), a. beweging, op- een passer. schudding; ontroering. —er, s. onrustzaaier, Compass (kum'pes), v. a. omvatten, insluiten; beoogen; erlangen, bereiken. rustverstoorder. Commove (kum-moer), v. a. beroeren, veront- Compassion (kum-pes'ajun), a.inedelijden. —ate, a. —ately, ad. medelijdend. —ate, v, n. beklagen, rusten. deernis hebben met. COMID111/111 e (kum-mjoert'), v. n. zich onderhou- ke- tin), Compatibility kum-pet-i-bil'it-tih),a.bestaan-den, overleggen baarheid, vereenigbaarheid. s. mededeelbaarheid. —icabt e, a. mededeelbaar (to). --cant, s. A von d maalg anger ; Communi- Compatibl e(kurn-pet'ibi), a. bestaanbaar, atrookend. —eness, a. bestaanbaarheid; vereenigbaarcant. —irate. v, R. mededeelen (to); v. n. ge- heid. —, ad. gepast. meenschap hebben (will); ten Avondmaal, ter Cornmunie gum —ication (-ni kee'sjun), s. me- Compatriot (kum-pee'tri-ut), a. landgenoot, — , a. van hetzelfde land. detecting; beraad3laging; verkeer, gemeenschap. s. makker. —,v.a.evenaren. —icative ( ni-ke-tiv), a. mededeelzaam, spraak- Corapeer(kum• mina. —icativenesi (-ni-ke-tiv' ness), a, mededeel- Compel (knm-pel'). v. a. noodzaken; afdwingen onderwerpen. —lable, a. dwingbaar. —lation (lee' zaamheid, spraakzaamheid. —icatory, a. merle- sjun), a. wijze van aanspreken. —ler, s. dwinger. deelzaam. —ion (-njun). s. gemeenschap: A•ond- maal. —ion-cup, Avondmaelsbeker. —ion-table, Compered (kom'pend), a. kort begrip. (kom'mjoe-nizm), R. ge- Compendi ems (kum-peredi-usl, R. —ously, ad. Avondmaalstafel. beknopt, bekort. —ousness, a. bekuoptheid. —um, meenschap van eigendona. —ist (koni'mjoe•nist), s. kort begrip. a. communist. --ity, a. rnaatschappij; vereeniging; Comperes ate (kum-pen'seet), v. a vergoeden; (het) volk; gemeenschap. vergelden. —ation (kom-pen•see'ejun), R. vergoeCommutability (kurn•mjoe-te-bil'it-tih), a. vat- ding; vergelding. —ative, —story, a. vergoedend. baarheid om veranderd to worden. Commut aisle (lcum-mjoe'tibl), a. verwisselbanr. Compete (kum-plet'), v. n. mededingen; werlijveren (with). -ation (-teeajtin), s. verwisseling, verandering. —ative, a. verwisseling hetreffend. —e, v. a. ver- Compet enee (kom'pi-tens). —ency, a. genoegzaamheid; bevoegdheid; toereikend inkomen.—ent, wisselen, veranderen: afkoopen; v. n. boeten. a, —catty, ad, voegzaam, gepast; toerelkende be(-4joe el), a. wederzijdsch. voegd. —ition (kom-pe•ti•sjun), a. mededi ❑ ging Compact (kom'pekt), R. —/g, ad. dlcht, vast, a. verdreg, bedieg. saamgedrongen. Compact (kum-pekt'), v. R. nauw verbinden, Conpeti for (kum-pet'i-tirr), s. mededinger. s eni e nvoegee; v. e. etch snow verbinden. —edness„ —tress, —trix, a. mededingster. —ness, s. dichtheid, vastheid. —ure (-tjoer), a. Compilation (kom-pi-lee-sjun,) s. verzameling; samenflansing. bouw, samenstel, weefsel. Compile (kum-pajl'), v. a. verzamelen. —r, s. (bum. pee•dzjiz), a. samenstel uit Compages verzamelaar; opsteller. onderscheidene deeien. Companion (kum•pen'jtin), s. metgezel, mak- Coanpiacen ce (kum-plee'sens). — cy. a. voldoening, genoegen; inschikkelijkbeid; heuschker, here'. kaplutk; Bettor Itij den kajuitstrap; heid. —t. a. —tly, ad. aangenaam; vriendelijk; lantaarn. boon —, vroolijke kwant. —able, a, inschikkelijk. —ably, ad. gezellig. —ob/enees, s. gezenigheid. Complain (kum-pleen'), v. a. betreuren; v. n. —ship. s. vereettiging: kameraadschap. (of) klagen over. —able, a. beklagenswaard. —ant, Company (kum'pe-eih)), s. gezelschap, genoot- a. eischer, eischeres, —er. s. klager, klaagster, schen, maatechsppij, venpootschap; gilde; corn- pagnie; troep. to bear —, gezeischap houden, Complaint (kum•pleent.), s. klacht; beklag; kweal; ongesteldheid. to keep —, gezelschappen bezooken. —, v. a. ver- Co ► plaisan ce (kurn-ple-tens'), R. gedienstiggrueller; v. n. omgang hebben (with). heid; beleefdheid; heusch held. —t a. —tly, ad. Compara ble (kom'pe-rib'), a, vergelijkbaar (to) gedienstig; voorkome ❑ d, beleefd. —tness, a. wel—bly, ad. vergeliiketiderivijze. levendlieid; gedienetigheid, beleefdheid. Comp ► rative (kum-per'e-tiv), a. vergeliikend. s. vergrootende trap. —ly, ad. in vergelijkieg. Complain site (kum- plee'neet). —e, v. a. gelijk (effen, vlak) maken. (kum-peer ). s. vergelnking; gelnkents. Compare —, v. a. vergelijken (to. with). —, v. n. (with) Complement (kom'ple-ment), s. aanvulling; vol getal; volkomenbeid; voorr.d. —al (lcom-plewedijveren. ment'el), a. aanvullend. Comparison (ktim-perl sun), a. vergelijking; Complete (kum-pliet'), a. —1y, ad. volledig, vol. verhouding. gelijkenis. Compart (kern-pearl), v. a. afdeelee,verdeelen. homes. —, v. a. volledig, volkomen maken. —nets, a. volkomenheld, volledigheid. —intent, —meat, a, afdeeling., yak. —ition, (kom- Comple tion (kum-plesjun), a. voltooling; per-tis'sjun), s. afdeeling, afperking.
STE.—STI. 287 ter sluik. —ily, ad. eteelswjjze. —y, a. heimelijk. caste letter last; v. R. stereotypeeren, met vekte Steam (atiemi), a. stoom, damp. —bath, damp- druk en. bad. —boat, atoomboot. —boiler, stoomketel. Stern (stWII), a. onvruchtbaar. —ity (ete-r11 9 ,1t-earriage,stoomwagen.—enetneottoomweretnig. tih),, s. onvruchtbaarheid. —ire ajz), v. a. on-navigation, ttoomvaert. —racket, stoompeket- vruchtbaar meken. boot. —press, snalpers. —snip, —vessel, atoom- Sterling istuelieng)., a. eeht,proefhoudand,Wiehtig. 'whip. —tug, sleepboot. —valve, stoomk Lep, —whistle, etoemflnitje. —, v. a. uitstoornen; v. Stern (sturn'), a. eehtersclatp,, -eteven. —chases n. etoomen, dampen; — with heat, mien, tieren pl. jagers aehtemit. booteleper. —frame, (van toorn). —er, s, stoornhoot. —y, a. dam- I achterwerk. —gallery, weetergang. —part, achterpig, vol etoom of wasem. poort. —post, achtersteven. —seats, pl. doften, Stearine kajuit. —sheets. roertalies, etuurrepen. —sidea. etearine. talkstof. Stesinte (sti'e-tajt), 8- spekateen. timber, windveer. —timber, hekettjl. —transom, Steed katied), a. etrijdros, her.gmt, bekbalk. —way, 'heti deinzen. hielen. Steel (mien, a. staler,, van steal. —, a. staid; Stern (scum'), a. —ly. ad. strong; stroef; hard; onstaalmidde.). —yard, nosier. v. R. harden, verleuttrzaam. —most, a. achterate. —ness, s. strengstalen; (against) verharden; ophitsen. —er, bed; etroetheld; hardvochtigheid. —on, —ton a. boratheen. , spatgang. —Y., R. ataien, bard; hardnekkig. Steep (ettep'), ad. steti. a. eteilte. Sternuta lion (etur-njoe tee'ejun), a. (het) nte—, v. a. indoopen; weaken- reuten. sen. —live, —tory 1.ejoe'tst-,, a. bet niezen bevor• Steepl e Istle'pl), a. toren, ktokketoren. —chase, derend of verwekkend. —tory (.njoe'te-), s. wedren met hindernissen. --d, a. van torens voormiddel , nieskrutd. ales, Stew (stjee'e s. bedstoof, geatoofd vIeesch; visehvit jver; bordee ; ; °artist, verwareing. —panottoof.. Steep nee% (attep'ness), s. stellte. —y, a. stet'. Steer (shire), P. jonge atter. v. a. & n. etapm, —, v. a. & n. stoves. ren. —age, a. (het( sturen; beatuur, beheer; tug- Steward (stjoe'tirdl, a. opziehter ; rerttmeester; echen• de ktevooronder —er, —sman (stierz'men), a. hofmeesr. er. —ship, a. opzichterschap; eentmeemettrarman. —ing, a. het sturen; — wheel, etnurrad. terschap; hormeesterschap Steeve (stiev), v. a. (den boegspriet platen mprin- Sties ∎ staj'ent, a. otrontje teas het ongitd). gen. ten . zekeren hoek raven; peraen (kateen); v.n. SOliti sal istib'i-ei), R. spiesg .anettehtig. . stall stean. (.piesglans. Siegonography (steg.e-nog're-fihl, a. gehetm- Stich (atilt), s. vers (van den BiJbel). schrijfkunet. Stick (ntik), a. stok; etaafje, POP. str (stellar), —Cry, a. aterre, —ate (-let), Stick (stilt') [stuck], v. a. stelten; besteken; coata. atervormig, els etrelen. —iter—ated, steken; plekken, (on) aanetelter; aanp'akken; v. D. ates P -!lf'ur-ua), R. met sterren hezet. (-jun), s. sinker, hlijven sicken; kleven, zich hechten. (at) sterhagedis. zilch bekteunen otn, ontzten. (by, bijetaen; bij hitt. Stelography (ate-lc/ere-1'1h), s. pilaer,chrift. ven. (out) niteteken; Melt onttregken. (to) eanhar, Stens (stem'), s. atom; stance!; voorste en. —, v. a, ge.n, aankleven; vol harden in. ,upferl de partij opstutter, tegenhouden. the tide, het tij dead. zelnemen van. (up.) b(ijven h&j, stain op. —Incas len. —less,a. stengel loos. et-ness), a. kleverigheid. Stench (sterns), a, stank. Stickle (atik'kl), v. n pang) trekker (for); liveren Stencil (sten'ell), s, petroon (tear bebangeelpafor. in); hardnekkig tvvisten; (between) wenkelert pier); merkplaet. —, v. a. met een patroon (eene tusechen. —back, stekel hears. —r, s. getuige, ijver. merkplsat) drukken. aer; voorvechter. St,nogropla er (ate-nog're-fur), —jet, a. anel- Sticky (stilethi, a. klevertg. sehriper. —y, a. anelechrijfkunet. Still (star!. a —ly, ad. stijf; sterk; hardnekkig; onStentorian (sten-to'ri-en), a. atentora-, luidklinbuigzaam. —hearted, —necked, halestarrlg. kend. Stiffen (stirrn), v. R. & u. (doen, veretijven; (rich) Step (step'), a. step, teed; trade, trap; etoep; epori; vetharden. —er, a. kravatje. maatspoor; e noorstak; vordering. —brother, stieflinens( (etiff'nesel a ettifheid; hardnekkigheid. hroeder. —child, stiefkind. —dame, —mother,stief- Stifle (Stmrtil., kIllefithijf (van een peard). v. monder. —daughter, stteidochter. —father, atiefR. verstikken,emoren; onderdrukken. under. —sister. etiefzueter. —soft, etiefzoort, v. St inane (atig•rne), a. brandmerk, schandvlek.—ttc, a. met stappen nieten; spores; v. n. etappen, lea—Heal (..ntet'ilt1, R. genisndmerkt; geschandvlekt. den; (after) nagaan; (asp to) toetre.len op. —ping—tire )-tojz), v R. brandmerken; echandvlekken. alone, treeeteer; middel. —s, pl. stappen ;flight of Stile (etajli, a. hek, overloop; st41; naald (van een' —, hordes, hooge stoep. ronner Stereoru crons (atur-ko-ree'ajna), a. drekbig; Stiletto (sti-let'tol, a. stilet, dolk. meat-. —ry (stueko-re- eih), a. mestvealt. —lion Still iatill'i, a. st(lte, rout; distilleerkolf.--6em, 1-sjun). a. harvesting. v. a. yerbranden (door distillatie). —house,stokerij. Stereo graphy i-og're-flh), a. afbeeldtng —, a. —ly, ad. cot;; halm. —horn, doodgeboren, van saute lichemen op een slat, —metry (-om'e—life, stillever. —stood, stilstand. —, v. a. etillen; trib), a. meting van caste licharven. distilleeren. ad, nog, steeds; toeh. —aficions Stereo 'mope (et - W• o•skoop(, a, steroescoop. (-e-ttarne), a. druppelend. —atory (-e-tur-rih), s. —type (•ta)p), a, geetereetypeerd; a. stereotype, dietilleerkolf; et nkerij, —er,a. stiller; distill atell r.
Weal (wiel), a. welzijn. welvaitrt; striern, atreep. I nvre-it'h''')!Inat.erVkbdeil; welvaart. —ily. ad. Wealth o acltro —y, a. rift, vermogend. —mess (-1-neal), a, Welgesteldbeid. Wean (mien'), C. a. spenen; afwennen. —el (-id), —nag, a. geepeend kind; — dier. Weapon (wep'n), a. wapen. —ed (-and), a. gewalkend. —less, a. ongewepend, weerl000. Wear (weer), a. (bet) dragen, dracht; alk)tinX, (wier), dam, bade, waterkeering; elljtaadje. vischfaik. — and tear, het verelijten; rampen an wederwaardighoden. Wear (weer') [wore, worn, (woorn)]. v. a. dragen, aanhebben; afdragen, afalljten; verteren; efenattan; gewennen. (away) veislijten. (of. out) atellkjten, afdragan. (out) uttputten: ten elide brengen. —, v. n. zleh houden (In het dragen ► , duren. (away. off) verslijten; vervallen (on) verstrijken. (out) afelijten; &firemen. —aide, a_ dranbehr. —er, as. drager; verelijter. —ing, s. bet dragen! —app, b(w leteedArde17 .11. vermoeid. —!new(.1-11e.S), reraineldhatd; verveling. —isms, a. —isomely, ad. (-1-sum.), vermosiend; lastig ; vervelend. —isomeness (-i.aurn-)„ a. lautlglield; verveling. --y, ave. rvpasol-la. (of) ; (of) nat. —y, v. a. venmoelan; Wectaand (wle'ind), a. luehtpkip. Wencel (wi'zl). a. wezel. —fared, sthrad van aslaat. —gutted, mager. Weathe., (wetteur), a. wader. stress of swain. wear. —beaten, door etormen getetaterd ; errweerd; bevaren. —bit, slag van het alikertonw om den boy van het braadapil. —board, loefzii de; waterbord. —bound, door het wader opgehouden. —braces, pl. loefbrassen. —rock, wearitaau. - coal, v. a. onder het bij!eggen over ern' anderen boeg wenden. —driven, door den storm gedresen. —gage, wterwilzer ; loot —pieces , wearglee. —headed, ongeatadig, wirpelturtg. —leech, lostlijk, —line. windsteek. —moot, dtcht wader den wind liggend. —proof, legen het wader beatand. —quarter, windviering op de loafzijde. —sail, geteerd reit, presenning. —sheet, loefachoot. —shore, loef-, opperwal. —shrouds, pl. loetw ant . —side, loefzij de. —spy, wetrprofeet. —tack, loefhalo webrkundig. Weather (weth'ur), v. a. eau de lucht bloat stellen. luchtee; te loevert (te borer ► ) zetlen; met moeite omzetlen; uttetaan, detonation, te boven komen (out). —1y, a. te )never; eh1P, eehip, dot gord hij den wind zellt.

Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.


de West —, to use the West-India trade. —, bv. expert, hardened to the sea. — matrons, veteran sailor. Hewett *Wk.. be. & bee% intelligent, comprehensi7e; intelligible (-Wy), —elijkheid„ v. intelligence, comprehensiveness; intelligiblenes. —en, op. w. to contain; to conceive, to comprehend, to underatand. —ing, v. conception, comprehe n sism, understanding. Ileveeht en, ov. w. to fight, to combat; de sege —, to obtain the victory; to carry (to win) the day. —er, an. fighter, combatant. —lag, v. fighting; fight, combat. Beveling en, on. -97. to shelter —, to shield (from), to secure —, to defend —, to protect (against, from). —fag, v. sheltering, securing, protection. Bevel, o. command, commandment, order, injunction, instruction, mandate. het roeren, to command. —hebber, —toerder s commander., —hebberschap, o. command. —schrift, mandate. —en, ov. w. to command, to order, to eejoin, to bid, to direct; to recommend, to commit. Haven, on. w. to shake, to tremble, to quake, to shiver, to quiver. Bever, m. beaver, castor —geii,castareurn.—hear, beaver-bair. —hoed, beaver hat, beaver. —eel, v. 'hornet, saxifrage. —Irk, be. beaver. Revealing en, ov. w. to fasten; to fortify; to affirm, to confirm; to invest. —end, be. & bw. affirmative (-13), confirmatory; in the affirmative. —er, m. continuer. —lag, v. fastening; fortification; confirmation; investiture. BevUllen, ov. vo, to file at. BevInd, o. nair — van taken, atcordleg to the circumstance., — to ',,the state of things. —en, ov. w. to find, to experience; zith t. w. to be, to feel. —ing, v. experience; result; etate; situation. Beving, v. r.haking, trembling, quakin0C. Bevingeren, ov. w. to finger, to touch with the fingers. lliovtakken, ov. w. to stain, to beepet. Bevlekk en, ov. w. to stain, to spot; to sully, to defile, to pollute. —ing, v. staining; defilement, pollution. Revlieufgasien, w. to wing, to furnish with wing, BevlUtlig scan (MOO, t. w. to exert (to apply) one's sell. —ing,v. exertion; application. Bevicter en, ov. w. to floor, to pane. —.lag, v. flooring, paving; floor, pavement. Bevoehtlig on, ov. w. to wet, to moisten, to water, to irrigate. —log, v. moistening, humectation, watering, 'irrigation. Bevoegd, he. competent, (mantled. — *taken, to qualify (for), to Raltil0 riz a . —held, v. competence; authority. Bevoel ov. w. to feel, to handle, to fumble. Bevoik en, ov. w. to people, to populate. —fag, v. peopling; copulation —t, be. peopled, popu• s ous. —theid, v. popuionenessBevoordeek en, ov. w. to advantage, to benefit, to favor. —tag, v. advantage, benefit. Bevooroordeeld, bv. pvepossessed(for), prejudiced (against). —, hw. prejudicially. —held, v. prejudicialness.
MEI) —MEI. 531 Medewandelon, on. w. to walk along with, to —schuim, Turkish slay. —spin, sea-spider. —visch, accompany. fish living in lakes. —worts!, sea-holly, --etejin, Medevreek en, on. w. to cooperate, to concur, sea-hog. to contribute. —end, by. cooperative. —or, m. Meerboet, v. mooring-buoy. cooperator, contributor. —kg, v. cooperation, Meerder, be. more, superior. —jarig, of age; — concurrence. warden, to come to age; —verklaring, emancipaMedeivet en, o. privity, consciousness ; condor tion. —jarigheid, majority, full age. —e, m. & v. aijn witkout his knowledge, unknown to better, superior. —en, ov. & on. w. to augment, htm. —mishap, v. privity, joint knowledge. to increase. —held, v. plurality; superiority. —leg, —er, en. one that is privy to a thing, knower, v. increasing. colluder. Meerendeel, o greater part, most part. —4, MedewIllten, on. w. to be willing to go along bw. for the greater (moat) part. with; to prove kind, to favor. Meerle, v. blackbird. Medezenden, ov. w. to bend along with, to *tree peal, m. mooring pile, bollard. —tower, enclose. mooring-rope, headfaet. MedezIngen, ov. & on. w. to sin; with, to join Meee, v. titmouse. voices, to join in a song. Meesmoll en, on. w. to smile, to sneer; to Mediation, by. median, middling. o. middlepout. —er, m. —ater. v. smaller, sneerer. sized paper. —ader, blank vein. —letter, pica. Meast, by. & bw. most ; greates.. —bisdende, —papier, median-paper; (groot) medium, (Mein) highest bidder. —al, bw. moot often, moot times, demy. almost always, mostly, generally. —eedeele, bw. Medlekin, v. medicine, physic. —drank, potion. for the greeter part. —entjids, bw. Pie .fteetat—kW, medicine-chest. —muter, physician. nt. Medletnerren, on. w. to take medicines, to Meeoter, m. master; owner; teacher. ribs -- tin • physic. den, to find one match. etch — make!► van, to MedIseb, be. medicinal, medical. make one 'a self mister of. — worden, to mater, Mee, v. Sic Made. —aloof, garancine-manufac- to get the mastery over, —hand, rooster-hand, tory. —, by. & vs. Pie Made. skilful hand. —kneclit, foreman, bead-journeyman, Meedoogvn d, be, compassionate. —dheid, v. —stuk, meater-piece. —worts!, master-wort —achtig, by. & bw. mnsterly, imperioua (-Iy), magiscompassionateness. —loos, by. pitiless, incom passionate, terial (-Iy). —achtigheid, v. ma:iterlinees; imperiMeegannd, by. compassionate, indulgent. —held, ouenesi, commanding tone. —en,ov, w. to masv. compassionateness. ter, to subdue; to treat; on. w. to cure (to dress) inaekrap, v. madder. wonuds, to play the surgeon. —en, v. mietrees. Meet, o. meal, float. —bale, meal-trough. —bloem, —/(ht, by. & bw. masterly. —1(ikheid, masterHoe., —Zoos, by. masterle s. —schap, v. floor; wild vine. —boom, meal-tree. —buil, bolter. o. master—gevend, farinaceous. --kaik, powder-lime. ship, mastery; freedom. meal-ehest. meal-cake. —kooper, flour- Meet, v. mark, line. ran — arm, from the chandler, meal man. — pap, thick milk, mealbeginning, anew. —bear, by. measurable —hoar • porridge. --eglje, spoon-meat. —slot, meal-dust. held, v. measurableness. m. bill of tun—suiker, powder-sugar. —fon, meal-tub, -cask. nage. —yea, o. metage, m surveyor's —tray, kneading-trough. — worm, mite. --sok, chain. —kunde, —.kunst, v. geometry. —kundig, —kunstig, by. & bw. geometrical (-iy). —kundige, meal-bag. — reef, meal-eive. —achtig, by. mealy, m. & v. geometrician. v. —saver, o. plumbfarinsceoue. line. —loud, o. plummet. —loon, o. money paid Meeloceper, m. Pie Meevaller. for measuring. —roede, v. —stow, m. measuringitf nen en, ov. w. to mean, to think, to believe. to opine ; to intend, to porpose; het good met rod, surveyor's staff. —ster, v. measurer, —tafellje, iemand —, to wish a. o. well. — Ing, v. meaning; o. surveying-board. Meettew, v, mew, gull. opinion; intention, mind. Meepeatee, m. complier, man that has never an Meevalle•, m. —ije, o. tiod-send, windfall. opinion of his own. Macewnrig, kv. & bw. compassionate, tenderMeepich, be. weak, sickly, won. --hed, v. weak- hearted. —heid, v. compaseionateness, compasoion, tender-heartedners. nese, sickiteens , wannees, Meer, be. & bw. more; better (then) niet —, no Mel, m. Bae• May-branch, green bough. —avond, May-eve. — toes, May-flower. —boom. May-pole. more, no longer. te the more rio. den te no much the more. hoe —, the more. hoe longer —baler, May-butte• —4ag, May-day —doom, hoe —.more and more. mat — is, nay, more-over. hawthorn. —drank, May drink. —hoot, wood cut in the month of May. —kers, May-cherry. —hover, —gemeld,—genomnd, above-mentioned. said, aforesaid. — malen, bw. more than once, often, May -hug.— *wand, m onth of May. —merges, Maymorn;ng. —jerk, alay-braneh, — ON. May-time. frequently. —stachtig, heterogeneous, —slacktigheid, heterogeneity. —road, plural. —voudig, Meld, v. girl. !ass; (maid-) servant. —ettkanisr, plural. maid-servants' room. Meer. o. lake. —ual, conger. —kat, baboon, Meter, na. mayor, sheriff; farmer. —0, vimanor; marmoset. —koet, coot, moorhen. —kol, jay, farming- tract, jack-dnw. —krab, sea-srab. —Inas, merman, Melneed, M. perjury. —ig, by perjured, fortriton. -.min, mermaid. —racks, horse-radish. sworn, perfidious; bw. with perjury, perfidiously
oak Cotter en Cottle, a. katoen. —gin, Cotton (kortn), a. katoenen. katoeuzurveringswerktuig. —spun, katoenen ren. —thistle. katoendistel. —tree, katnenboom. —weed, katoenkntid. —y, tt. katoenachtig; vol katoen. —, v. a. met katoen voeren; v. n. ring (pluizigi warden; ziell verdragen (with); § to — to one, behagen in iemand vinden. Conch (kant:D, m. rustbed; ;Rag, nchicht.
529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com
BOV —BRA Bovenate, bv. uppermost. o. uppermost pert, top, summit. Hoven steal, v. treble, distant; soprano. Boventaand, m. upper-tooth. Boventoon, in. high tone. den — singes, to assums an air of superority. Bovenvereilepttag, v. upper-story. Itovescwoning, v. iodgiug above stairs. Bovenzaal, v. upper-hail. liovenzUde, v. Zie Bovenkant. le ovenztnneakjk, by. metaphysical. Bread anal, m. spitch-cock. —appel, m. roasted apple. —haring, rn. herzing for broiling. —Vv.?, —rooster, o. gridiron. —oven, m. frying-oven. —pan, v. frying-pan. —nail, o. windlass, capstan. —spit, o. spit, broach; rapier. —spittlraater, m. turn-spit. o. meat to be roasted, roastbeef —vet, o. dripping. —worst. v. !sewage. Iliraaf, by. & bw. honest (-1y), virtuous (-1y), upright (-1y), just (-Iy); brave (-1y), gallant (-1y); a good deal. —held, v. honesty, upriehtnees, integrity; bravery, valor. Break, v. breaking, burglary; breach, brake —, by. fallow, waste. —drank, emetic, vomit., vomitory. braking-iron. —jaar, year in which a piece of ground lies fallow. —land, fallowground. —lust, ounces, qualm. —middel, use Braakdrank. --xi*, emetic wine. —te(insteen, emetic tartar. —world, ipecaeuanha. —eel, o. vomit. Bream, v. black-berry, bramble. —bezie, blackberry. —back, bramble, brake, blackberry-bush; burning bush. — struik, bramble, blackberry-hush. Brabbel ear, .—carater, v. jebberer. —en, ov. & on. w. to jabber. —fetal, gibberish, jabber. —ing, v. jabbering. Brad en, or. w. to roast, to fry, to broil, to bake; to bream. gebenden vleeseh, roast meat. —er, m. roaster; cook. —erij, Y. cook's shop. Beak, na. setting-dog, setter, beagle. —, by. brackish, briny. —held, v. brackishness. Brak en, ov. w. to vomit; to brake. —er, m. vomiter. beaker. —ing, v. vomiting; braking. Brattier*, on. w. to brag, to boast. Bram, m. lord. den — uithangen, to lord it. — toeren,to set the top-sails. —ra, top-gallant-yarde, —steep, top-gallant-mast. --eon, top-gallant-xeilvkoelte, top-gallant-sail's breeze, fresh gale. Brand, in. fire, burning, conflagration; fuel, firewood; . blight, blast, mild. w; inliammatioe, erupgeraken, to cateh (to take) lire. in — tion. in me,oure. steken, to set fire to, etaan, to he on fire. in Boyenineester, rn. heact.ne ester, to set on fi:e. in den — titter, to be in a scrape. sit den — helloes, to help out of a scrape. Adder Baveremeneehei Uk, be. superhuman. ale ern —, quite clean, without the least spot 114,vectinntleetr 'rude, v. metaphysics. —kun. be. supe-natural. or stain. —brief, incendiary letter- —emitter. liredig, be. metaphysical. bucket. —helder, ate Brandsritsoistan. --bout. fireBovenop, bw, on the top (or), er /comes, to wood, fuel. —has. —kart, lire-proof gain the better, to restore one's self. box. —klok, fire-bell. — koren, blighted corn. lic.v,, ett morn, o. upper-casew.eet. —kraal, amber-bead. —kruid, mullein. —ladder, Boveatreend, m. uppermost border. fire-ladder. —latuto, colt'a-foot. —ltin, caustic Bovenrapg, tea. precedency, superiori ty. curve. —lucid, tie Brandrenk, —trees, coalBow 1,t.rok, us. upper-coat; upper-petticoat. mouse, —wester, chief fire-man, stperintendant lloveirseli o. upper-works. dead-woiks. of the fire-brigade. --neck, burnt-mark; stigma, Illowetastrantsd, be. above-mentioned. stain. —marten, or. w. to mark wit a red-hot 31c:evens tad, v. upper-town.
Tynapase (tim'pen), a. trornme1; trommelvliea; timpaan; paneel. —tat, v. paukalager. (-40, v. a. opapannen; v. n. trammels'''. —um, C. trammainline. —y, a. trovamelzucht. Type (tajp'), a. zinnebeeld; voorbeeld, model; atempel; denkletter. —fonndinv, het lattergieten. —meta, a. letterspijs. -Matta. Typh non (taj-foenn, a. typhon (orkaan). —us (taftus), a. typhue (zeauwkourta). Typi a (tip'ik), —cal, a. —catty, ad. voorbeeldend; zinnebeeldig, liguurlijk. —camera, a. (het) voorbeeldende; ztnuebeeldige. —fy (.1.taj), v. a. nunneheeldig vooratellen. Typograph er (taj-porre-fur), a. boakdrukker. —ic, —ical„ a. —lenity, ad. (tip-o-grel'ik-), van de boekdrukkunst; druk-; zinnebealdig. —y, a. Tyrratatt is (taj-ren'nikh —ical, a. ad, despotiach, tiranniach, gewelddadig. (-INajd), a. ttranuenmoord; -moorder. --ice (sleet, najz)„ v. n. ate titan heersehen —y (tir'ennth), a. dwingelandij, gaweidanaoj. Tyr neat (tarrent), a. dwingeland, gaweldenaar. Oran. —a., a. beginner. uteuweling. Tythe (tajth), a. Zia Tltha.
ART.—ASS. 14 Articula r (er-tik'joe-ler), a. tot de gewrichten *slope (e-sloop'), ad. hellend. behoorend. —te, a. —tely, ad. (-let-) gewrichten Asp (Rasp), —it (aas'pik), s. adder. hebbend; duidelijk. —te (•leet), v. a. duideli)k Asp (aesp), a. —tree, eel), eepenboom. uitspreken, uiteenzetten; bepalen; v. n. duide- Asparagus (es-per's-gus), a. asperge. lijk spreken. —tion (•lee'sjun), a. geleding; dui- Aspect (es'pekt), a. voorkomen, gezicht, bedelij_ke uitspraak. schouwing. Artille a (aar'ti-fia), s. kunstgreep; list. —er Aspen (es'pn), s. esp.. —, a. espen. (aar-tiri-sur), a. handwerksman, werkmeester. Asper ily (es-per'it-tih), s. oneffenheid, row-ial (-fis'sjel), a. —tally, ad. kunstig;gekunsteld. heid. —oua (es'pur-us), a. oneffen, row. —iality (-sji-el'it-tili), s. kunetigheid; sluwheid. Aspers a (es-pure'), v. a. besprenketen; belasArtillery ler-tilne-rih), s. grof geschut. terra. —ion (-sjute), a. bespreekelingi belastering. Artisan (aar'ti-zen), a. handwerksman. Asphalt (es-felt'), s. asphalt. —ic, a. asphaltiech. Artist (aart'istl, a. kunstenaar. Aspira nt (es'pi-rent), s. singer (near een' post. Artless (aart'less), a. klinlite1008 ; ongekunateld. enz.) —te (-ret), a. aangeblazen; a. teeken van —nest. 0 kunsteloosheid; eenvoudigheid. aanblazing. —te (-rest), v. a. net aanblazing Arundin aceous (e-run-di-see'ejus,„ a. riet- uitspreken. —tion (-ree'sjun), a. aanblazing; achtig. —emu ler-un-din'i-us), a. rietrijk. vurig verlangen. Aruspex (e-rue'peks). a. waarzegger. Aspir e (es-paje), v. n. streven, haken, (after. 4 Ary (ee'riii), a. pr. & conj. Lie Either. for, to). -er (es-pajeur), a. atrever, trachter. As (ez), ad. & coni. als, even als; naardien; bi ) - , —ing (es-pajOieng), a. atrevend, jagend. voorbeeld. — for, — to, wat aangaat. — if Asquint (e-skwint'), ad. schuins; loensch, scheel. — though, a'sof. — it were, om zoo te zeggen. Ass (aas), s. ezel. she —, eselin. —soon —, zoo dra als — yet, nog. Assafoetida (es-se-fet'i-de), a. duivelatrek. Asbest Inc (es-bes'tin), a. onverbraudbaar. Assail (es-seel'), v. a. aanvallen. —able, a. aau- us, s. steenvlas. randbaar. —ant, a. aanvallend. —ant, —er, s. Ascend (en-send'), v. a. beklimmen; v. n. opstij- aanvaller. gen. —able, a. beklimbaar. —ant, a. opklim- Assassin (es.sea'sin), s. sluiprnoordenaar. —ate mend; overwegend, a. hoogte; overwicht; tan- (-neet), v. a. vermoorden. —ation (-nee'sjun), s. zien; voorvader. —ency (-den-sih), s. overwicht; sluipmoord. —ator, a. sluipmoordenaar. invloed. Assault (es-saolt'l s. aanval; bestorming. —, Ascension lea-sen'sjim). a. opsttjging. —day, v. a. aanvallen; bestormera. timely aartsdag. Assay (es-seen, a. proefueming; torts. —, v. a. Ascent (es-sent'), a. opgang; opgaande hoogte; beproeven: toetaen. —cr., —master, a. eesayeur. stijging. Assenabi age (es-sem'blidzjt, a. verzameling; Ascertain (es eur-teen'), v. a. vaatstellen; be- vergadering. —e, v. a. verzamelen; v. n. bijeen vestiges. —able, a. vastgesteld. bevestigd kun- komen. —y 1-blih). a. vergadering. nende worden. —merit, s. vaetstelling; bevesti- Assent (es•aent'), a. toestemming. —, v. n. toeging. atemmen; (to) instemmen met. —ation (-tee'ejunl, Ascetic (es-set'ik), a. boeteplegend. —, a. klui- a. toestemming. —ator (-tee'tur), a. jabrobr. zenaar, boeteling. —er, a. toestemmer. Asehms les'al-ens), a. onschaduwigen. Assert (es-surt'), v. a. beweren; bevestigen; vorAscitic (es-sit'ik), —al, a. waterzuchtig. deren. —ion (sur'ejun), a. bewering: bevestiging. Aserib able les-krarbibl), a. toe te schrijven. —ire (-tiv), a. atellig. —or (-tur), a. beweerder; —e, v. a. toeschrijven, verdediger. —ory (es'aur-tur-rih), a. bewerend; Ascrip tion lea-krip'sjun). a. toeechrijving. bevestigend. —tittous -tia'sjual, a. toegeachreven. , Assess (es-sea'), v. a. belasten. —able, a. belaatAsh (ear). a. each. —en, a. van esechenhout. i boar. —ment, a. belasting. —or (-sur), a. bijzitAshamed (e-s)eemd'), a. beschaamd (of )• 1 ter; belastingmeester. Asheolor (e.j'knl-ur), a. —ed, a. aischgrauw. Assets (es'seta), a. boedel, masma, nalatenseliap. Ash ery (ekre-rih), s. aschbelt. 4 —hopper, loog- Assever (ea-sev'ur), —ate (-sev'ur-eet), v. a. plechvat. —hole. —pit, aachput. tig verzekeren. —ation (-ee'ajun), a. plechtigc Ashes (eajiz), a. each. verzekering. Ashler (esj'lur), s. hardateen. Assiduity (es-si-djoenit-tih), a. gestadige ijver; Ashore (e-sjoorl, ad. tan wal, tan strand. volhouden. Ash-wednesday (esj-oe-enrdee), a. aschdag. Assiduous (es-sidloe-us), a. —ly, ad. naarstig Ashy (espiiiL a. aschachtig. onverdroten. —ness, a. naarstigheid; volharding. Aside le-sajd"), ad. ter zijde. Assign (en-sajn'), v. a. aanwijzen; aanstellen; Asinine (es'i-najn), a. ezelachtig. bepaleu; overdragen. —able, a. be aalbaar. Ask (aask).' v. a. & n. vragen, verzoeken, vorde- —Own (es-sig-nee'sjuu), a. aanwijzing; bepaling. ren. -- after, for. from, of, to; vragen Haar, om, ren-dez-vous. —ee (es si-nie'), s. gemachtigde, van, a., op. — a question, erne vraag doen. —er, s. aanwijzer. —meat, a, aanwijzing; be-er, s. vrager, verzotger. stemming. Askan ce (e-skaana'), —t, ad. schuins. Assinallat a lea-sim'i-leet) v. a,gelijk maken Askew (e-skjoe"), ad. schuins; met verachting. (to); v. n. gelijk worden. —ion (-/ee'rjun), a. Aslant (e-alaant'), ad. schuins. gelijkmaking. Asleep (e-sliep'), ad. in sleep. Assist (es-sise), v. a. helpen, bijstaan; v. a. (at

cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.
505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,

cryptogeld xyo


Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Waarom doet Bitcoin zo lang om te bevestigen


Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.
Aombegin,o. beginning. Ann!. boo/rep, on. w. to belong ta. Aftobelanden, on. w. Zie Belanden. A alb belong, o. importance, consequence, weight, moment. ---en, ov. t v. to regard, to coucern. Annb ellen , on. w. toying. Amber en, on, w. to crowd aail, to clap on all the sails; to come on board; to land. —ing. v. clapping on all the sails; landing. Aenbe steden, ov. w. to mak, a contract (to m. contract) for; to let (to farm) cut. contractor, bargainer. —sterling, v. contract, bargain, agreement. —steed, by. contracted for. --steedster s v. contractress, bargainer. Aaubtstervere, on. vv. to devolve upon (by succession). Aanbetrouwen, on. w. to give in trust, to con lids to, to commit to the care of. Aanitteveit en, or. w. to recommend; to commend, to commit. —enstoaardig,bv. recommendable. —er, m. recommender. —tag, v. recommendation. —ingeerief, m. letter of recommendation. Aftrobtd dellik, hr. & bw. adorable (-bly). —delijkhtid. v. adorableness. —den, or w. to worship; to adore. —denswaardig, by. Lie Annbidde —der, m. —ster, v. worshipper; adorer. —ding, v. orship, worshipping; adoration. Annbled en, or. w, to offer, to proffer, to tender, to present. —er, rn. —seer, v. rreeenter. —ing, v. offering, presenting; sie Aenbod. Annbliten, or. a . to bite at, to take a bit of; on. w. to take the bait. Aanbind en, or. w. to tie on, to bind (to fasten) to; to tether; to moor; to promote, to urge. —er, en. —ster, v. binder, fastener; promoter. —isp, v. tying to, binding, fastening. —set, a. binding. Aanblaantoter, v. Zie Aanblazer. Aanbiaffen, ov.w. to bark (to yelp) at; to bay. Aanblaten, or. w. to bleat at.) Annibilan en, ov. Iv. to blow at; to blow up, to kindle by blowing; to incite; to inspire. —et', m. blower, kin dler; inciter, incendtary,firv-brand. ing, v. blowing, kindling; incitement; inspiration. AanblUven, on. w. to remain, to stay, to continue. —d, by. remaining.: m. glance, sight, aspect. —ken. or. w .
onvermidcluk. a. —ately, (214..8 o. omerzadelukheid. --ety Insaturabie (in - sei.'joe - ribl), a. onverzadeliik, Inscribe (in - skrajb'), v. a. in-, opschrijven (in. on. with); opdragen Ito). loseript ion (in - skrip'sjun), s. opsehrift; titel; opdracht. —ire, a. met ten opschrift. Inscroll (in-skrool'), v. a. op eene rot zetten. Inscruta ble an - skroe'tibl), a. — bly, ad. ondoorgrondelijk —bility —bleness, a. ondoorgroiadelijkheid. Insculp (in - skulp'), v. a. insnijden, graveeren. —ture (-tjoer), a. ingesneden schrift, anijwerk. Inseam (in-aiem"1„ v. a. merken (mot een' naad of lltteeken). Insect (in'sekt), s. insect. —ile (-sek'till, a. inaectachtig. —ion •sek'sjun), a. insnljding. —ivoroue (-iv'ur-us), a. lnsectenetend. lnsecur a (in - se - kjoer'), a. --ely, ad, ouzeker, onveilig. —ity, s. onzekerheid, onveiligheid. Insemina te (in-semi-neet), v. a. bezaaien. (-nee'sjun), a. bezaaiing. Insensate (in-sen'set), a. zinnekpa, stomp. lessens& ble (in-sen'sibl), a. —bly. ad. oagevoelig, gevottioos (of. to). —bility —bleness, a. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (in - sen'sjent), a. gevoelloos. Insepara ble (in-aep'e-ribl), a. —bly, ad. onseheidbaar. —6itiiy —bleneu, onscheidbaarheid. Insert (in-curt' ► , v. a. inplaatsen, inlasschen. —ion (-sur'sjun), a. invoeging, inlassching; invoegsel. Inshnded (in - sjeed'id), a. geschaduwd. Insheil (in-sjell"), v. a, in eene achaal of schelp sluiten. InNhei:er (in- sjel'tur), v. a. beschutten. Insh•ine (in - sjraln' ►, v, a. Lie to Enshrine. s.binInside (in'esajel!, a. inwendig, binnen-. nenzijde. luridi ate (in - sid'i - eet), v. a. belagen, beloereu. ously. ad . arglisa. — a. belager. —ona, —ator, tig, belageud. —ousness, s. arglistigheid, verraderlijkheid. Insight (in'sajt), a. insicht. Insigssit. (in-sig'ui-e), pl. eere-, onderscheidingsteekenen. Insignifica nee (in-Sig - niPi - keno), — ey, a. onbeduidendheid. —t, a. —tly, ad. onbeduidend, nietig. Insincer e (in-ein-sier'), a. —ely, ad. onoprecht. a. oprechtheid. —ity Int;inew (in-sin'(oe), v. a. 7ersterken. Insinua nt (in-sin'joe-ent), a. indringend. — le 1-net), v. a. in-, opdringen, ingang verschaffen, (into); te verstaan geven; v. n. rich indringen; CCU' weak geven —'ion (-ee'sjun), a. bud-ringing; overreding; wenk. —tire (-e tiv), a. indringend; overhalend. Iublpld (in-cip'id), a. — ly, ad. smakeloos. laf. s. smakeloosheid. —ity (-si-pid'it-tih), lafheid. Insipl•nce (in-sip't-ens), s. yerstandeloosheid. Insist tin-sist'), v. a. aanhouden, aandringen, ataan op. (on. upon). — ent. a. our into rustend. —urn (-joer), a. standvaatigheid.
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager. 

Gekorcela, by. notched, jagged. — diertfe,tasect . Gekout, o, talk, chitchat. o. crowing, boasting. Gskroak, o. cracking. G ekrabbel, o. scratching. scribbling. ekrae, o. !scratching fi idling; croaking. Gekreun, 5. groaning, moan. Gekriebel, o. itching, tingling, tickling, scribbling. Gakele10 swarming, crowding. Gokrienwel, o. Z:e Gekal. o. babbling, jabberment. Gekantd,bv. combed; crested. GekrUsch, o,, shriek, shrieking, screeching. Gokatnerd, by. kept in a chamber. — meicje, Gekrtjt, 0, weeping. kept mistress. ekrioef ,o. swarming, crowding, throng. Gekef, o. barking, yelpin. T . Gellironad, by. crisp,crispy, frizzled, woolly. Gokoperd, by. twilled. Gekrol, o. caterwaul. Get/Arm, o lamentation, groaning. Gekronkel,o. coiling. rum piing , wrinkl ing. Gekrookt, he. bruited, broken. Gekenvoll, o. chitchat. G ekheid, v. folly, foolishness', madness. Gekrinfirnel, o. crumbling. Gekibbel,o.quareelling, b. , kering. ekuch, o. coughing. Gekleskauw, o. G ektufid,bv. crested, tutted. wrangle. GekUlt, o squabble, scolding, tiekuip, o. intriguing; intrigues. elklik, c . looking, gazing, gaping. Gekuischt, by. pure, piirirind. Gektr, o. cooing. akunateldi s by. studied, affected, formal, stiff. Gekittel,o. tickling, titillation. 46,ekua, o kissing. Gekje, o. fop. Gekwaak, Gekwak, o. croaking; Cackling. Gekkeiljk, be. & bw. foolish (-1y), silly (-ily). Gekwallster, o. spawling. —heid, v. fonliahness, Gekwanteell.o. bartering, truck. Gekk en, on. w. to :lest. to banter; yonder —, Gekwittoil, o. warbling, singing. In good earnest, seriously. —er, m. jsater, joker. Gekwell,o. vexation. — ernii, v. joke, jest, —in, v. fool, foolish woman. G.kwezel, o. telling, iol.te,Ing; playing the Geklasag, o. complaints, lamentation. hypocrite. Gokind,o. dtubing, blurring; scribbling. ekw1,21, o. drl telling, salivation. Gekwiepea, o. wagging. Geklom,o. Zie Gekleax. Geklarik,o. sounding,clang. bv. boot,d. staseklap, o. prattle, tattle; clapping; cracking. Galant, o. iface, countenance. — kenner„—kuodige, smacking; banging. physiognomist. —kunde, physiognomy. —kundig, Geklapper, o. rattling; banging; clack. physiogaosical. —akleur, complexion. —atrek, Gaklator, o. clatter,rettling. feature. Geklautar.o. clambering. Gelarfa, o. laughter, laughing. Gakiep, o. tuning; peal of bells; clang. Gelag, o. club, drinking - bout; share, score, scot. clack; call (of storks). Geklopper, o. —en zetten, to keep a tavern. het — betaten, to Goklets, o smacking, clashing; chatter. he the sufferer. era hard —, a hard pinch. Gekletter, o clang, clash, clattering. litsittoA, o. near — ran, in proportion to, accordGeklikklak, o. clashing (clang) of arms. ing to. Geinot en, or. w, to order, to commend„ to GeklIngel, 0. tinkling, ringing. Gatii,tsk,o. chink, clink„jingle. charge. —igde, m. & v. mandatory, delegate, Gokiok, o. clucking. proxy, agent . GciAtea4 (itch), t. w. to feign, to pretend, to Geklop,o. knocking.' seem, to do as if. Galt I ots, o. beating (of the waves). Geklowen, by. cloven. met — vocten, cloven- Gelsateas, bv. & bw. calm ( - ly), resigned ( - 1y). — held, v . resignation. footed., bisulcnns. ready money, cash. Geid, o, money. gereed Geknabbel, o. nibbling, munching. prof — , large money. klein —, small money, Gel, mars. o. grIndnzig,gnashingnthriekincja.rring, change. siecht —, base coin. to —e waken, to Geknotter, o crackling. make money of, to turn Into cash. — bki be Gekcibbei,o. bargainirtn, higgling. reach germ, to pay down upon the nail. — tdoknlete, o. fretting. to coin, to stamp coin. —aristocratic, moneyed Geknilk, o.nodding, nod. interest. —beers, purse. —boete, tins, mulct. —MUCloknoel,o. bungling, botching; intrigues. det, — tak,money - bag. — bus, money•box. — aorta, Geknor, o. grumbling, scolding. thirst for money. — gebrek, want of money, penufiokauffel, o. puckering. ry. — gierig . covetous, scraping. — gierigheid, G veknntoef, o. trifl ng. covetousness, avarice. —kat, strong-box, safe. Gekocter, o. jabber, gibberish.
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica
Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts
Fabrile (feb'ril), a, van timmcrman, metselaar Facillt ate (fe-sil'i-teet), v. a. gemakkelijk maken. —ation (-tee'sjun),verliehting,,, bevordering. of amid. —y, s. gemakkelijkheid, vaardigheid,; heusehheid ; labial tat (feb'joe-list), a. fabeldiehter. —osity insehikkelijkheid. (-los'it-tih), —ousress, s. fabelaehtigheid. —ous. Facing (fee'sieng), s. voorzijde; belegsel; ornboord a. --(may, ad. fabelachtig. sel; sieraad. Façade (fe-seed'), 8. voorgevel. Face (fees'), 8. gelaat, aangezieht: voorkomen, Facinorous (fe-sin'o-rus). a. aehurkachtig, snood. —ness, a. snoodheid. nitzieht; toeetand; voorzijde; stoutmoedtgbeid. inderdaad, werunder vier sages. to laugh in one's —, Fact (fekt), s. dead, felt. in keltjk. matter of —, wezenlijke zaak. temand in zijn geziela nitlachen. brazen —, onherehaanid re en seh. sour zuur gezieht. to make Faction, (fek'sjun), s. part;j; partijschap, arr. deeldheid. —ist, s. onruststoker, partijman. —s, geziebten trekken. —ague, aangeziehtspijn. —cloth, lijkdoek. —less, a. zonder geleat; onbe- Factious (fek'aju8), a. —1y, ad. partijznehtig; arnststokend.—ness,a partijzucht; oproerigheid. schemed. —painter, portretsebilder. Face (fees), v. a. in het gelaat zien; gekeerd zijn Factitious, (fek-lisfus), a. nagemaakt. 'mar; ceder de oegen sten; omboorden„ omslaan; Factor, (fek'tur), a. agent; factor. —age, a. coiny, a, faemiesie-loon. —ship, s. faetorsehop. versieren, bekieeden. (down) overbluffen, cubetorie; fabriek. seheamd siteende houden. (out) onbesehaamd
Duleteen, 'm. tuff. tuft, tophus, Duld "'Wk. be & bw. clear (-1y), plain (-ly), evident (-1y). distinct (-ly). —eli.itcheid, v. clearness, plaitinesii, evidence. —en. ov. w. to show, to explain; ten kwade to take amiss, — 111. --ing, v. explication, interpretationDull, v. dace, pigeon. —hale, pigeon-house. —fatten, sic Dufateen, —je, o. innocent girl. callers, to stave to pieces; Dulg, v. 'sieve• in to miscarry. in —en gooien, to stave; to overturn, to spoil, to mar. —flout, stave-wood. Dulkel ear, m• tumbler; diver, plucger, plungeoa. —en, on. w. to tumble: to dive, to plunge. —ing, v. tumbling; diving, plunging. Da1k all, on. w. to stoop, to yield; to dive, to lunge. —er, en. diver; plunyton; flood-gate; ( kind of) nail with a email head; —iclok, divingell. Duane, en. thumb; inch; hinge. onder den —, secretly, privately. order den — howlers, to keep a. eti. short, nit s n — zu:gen, to forge, to trump up. —handschoen, mitten. --(per, hinge; thumb-screw. —kleppers. castanets. — kruici, cash, ready money. —schroef, thumb-screw. —atak, carpenter's measure, rule. —glen, or. w. to thumb; to get, to pocket. —cling, in. thuleb; thumb-stall. —pje„ o. op zOn kiMilen, to have at one 's fingereends. Duke, v. down, sand-hill. o. (the) downs. —aardappel, potage gro wing in the downs.—helm. sedge, broom. —Agnt, side of the downs. —/conijn, down-rabbit, rabbit bred in the sand-bills. —maniac, game-keeper of the down. —rove, rose growing on sand-hills, Scotch ruse. —strand, sea-shore covered with sand•hils. —teed, sand of the ,low-so. —achtig, be. resembling !;owns. Desist, o. meal-dust; husks of buck-wheat.
juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

cryptogeld zcash


Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.

Welke cryptogeld is het beste om nu te investeren


Wk. keertg; niet etrijdig. Ito). —quested (-kweet-1d), (-kaol'ibl), a. onberroepeliik- --ceived (-eletd'), a. onverzoebt. —quitable (-kwartIbl)„ a. niet te a. ntet ontvvngen, niet aangenomen. vergelden. —quited (-kwartld), a. onvetgolden. Unrecitened (un-rek'und), a. ongerekend. —aembling (-zein'blleng), a. ongelbkend (to). Corte claimed (ue-re-kleertid''), a. niet opge- etecht; onverbeterd; ongetemd. —compensed (rek , - cenled (-zent'td), a. zonder wrok. (rek-unUnresery a (un-re.zurr), a. openhartighetd. —ed um-genet), a. onbeloond. —concileable a. onverznenlijk; onvereentgbaer. —eon- (-zurvd'). a. —erlly, ad, onvocabehouden; zonder yoorbehoud: epenharttg; vrijmoedig, ailed (-rek'un-sajld), a. onoarzoend. —corded a. ntet, wederetaan; ( kord'td), a. onverrneld, niet to boek ;meted. U.resist ed (iin-re-ziat'id), —lug, a. geen weerat4nd bie—covered (-kuY'rird), a. nlet terug bekomen; niet onweeretaenbaar. dead (to); lijdeltjk. Irredeezn- bereteld. —deenable(-diem'ibl),a. (an-re-zoleibl), a. onogtoabaar. able —deemed (-diemd'), a. niet vrijgekoeht. Unresolw able beelotteloos. —dressed (-dreet') a. onverholpen. —dared —ed (-maul% a. onopgelost; a. niet oploesend; beeluiteloos. (-djoeet'), a. ntet herleid; onverminderd; untie- Unrespeet ed (un-re-spektnd), a. ongaerd, ondwongen. geaeht. —Ad, a. —fully, ad. oneerbiedtg. —fulness, Urireeve (un-riey') v. a. utterheren, Unre lined (-rn-re-fajnd'), a. ongezuiverd; onba- a. oneerbiedigheid. a. onttitgesteld; Reheard. —fleeting (-flekt'leng), a. onbedachtz Ram. Unre spited (nu-rea'pit-id). (-re-sponeibl), a. —forirabie ( torm'I',1), a. ntet te hervormen. zonder verpoozing. —sponsible —formed (-forced'), a. onhervormd. —fr,eted niet Yerantwoordelijk. a. onrunt. —icy, a. ruetelooe. (-freajtl, a. Unrest (un-reat'), (-frektitd), a. ongebroken. —freaked (un-re-atoord% a. niet hersteld; enverkwikt. —gareed (-gaerd'id)... a. niet genteht, Unro stored teruggegeven. —strained (-streend'), a. on.yeronallitzaamd. —generate (-dejen'ar-et), a. niet niet beperkt,onbetemmerd: teugellooe.—tentive (-ten' wedergeboren. --giolered (-red'ajte-turd), a. niet zwak (van het geheuaangeteekend. —gulated (-reg'joe-lee-tid), a. on- tin), a. niet onthoudend, gen. —tracted (-trekt'id), a. niet herroepen. geregeld. —vealed (-yield% a. ongeopenbaard. —venged UnreIgned (un-emend'). a. leugeliooe. Unre levied (un-re-tWekt'id), a. onverworpen. (-vendzjd'), a, ongewroken. —vengeful (-vender , - eted) —joieing (-dzjoy,ieng), a niet verblijdend, droe- foci), a. niet wraakraehtig.—verendf(rev'ur (-vurst'), nlet eere aardlg; oneerbiedig. —verged vig —toted (-lee'tid,, a. onvermeld; onverw ant a.a. niet argesehaft, herroepen, — vernietlgd. (to). —/axing (-19kOteng), a. oncermoeti. —letting —warded (.1ent'leng), a. onbutgzeam, onverbiddalijk; niet —robed (•yookt% a. niet herroepen. verflauwend, (-11ev'tbt), a. niet te ver- (-waord'id). a. onbeloond. (-(teed'), a. Wet geholpen,— vet, Unriddle (un-rid'd1), v. a. ontraadeelen; ophelpen. enteet; ntet at geloet.—etorkable (-neaark'- town. ,b1), a. onmerkbaar; ntet metkwaerdtg. —medied Unrifled (an•rarftd), a. ongeplunderd; ntet trokken (van geweren). niet verhol pen. (-rem'e-dtd)., --geed Unremember ed (-un-rereern'burd), a niet her- Unrig (un-rig'), v. a. onttakelen, aftulgen. (-rigd'), a. ongetakeld; afgantgi. Innerd —ing, a. niet indsebtig. Unresnett ed (yin-re-mit'tid), a. nnovergegeven; Unrighteous (un-yart,jus), a. —1y, ad. onreehtougereehtigheld. —mesa,.. veardtg, goddeloon. xenhandend; ntet overgemaakt. —ing, a. —ia'ly, Unriert ful (un-raWfoel), a. onreetstmattg. ad, onophoudelijk. Unremovable (un-re-rnorn tb1), a. —ably, ad. Unring (un-nine), v. a van riagen ontdoen. (un-rip'„ v. a ZIe to Rip. onverplqatebaar, onwriktntar. —ed (.moevd'), UK), verplaatet; onbewegelijk. Unripe (un-rejp'), a. onvijp. —nese, a. onrijpheld. R. ntet weggeruimd, Uttre nelved (un-re njoedi, a. nlet vernienwd. Unrivalled (un-raj'veld), a. zonder mededinger; weergaloos, niet geevenatird. (-peed'), a. nlet terugbetaald, onvergoi- —fed, a. onden. —p,irable (-peer'in1), a. onherstelbaar. Unrivet (un- rty'llt), v. a. loeslaan. gektonken. paired (-peerd'), a ntet hersteld. —pealable a. ontkleeden (-pield'), Unrobe (un-roobl,v. —pealed (-piel'ib:), a. onherroepelbk• Unroll (an-roof'), v. a. ontrollen. a Met h,roepen. —pealed (-plet td), a. . nlet Unroof (un-roet% v. a. van het dak berooven. herhaeld. v. a. van den roeatjagen. Unrepent ant (an-re-pent'ent), —ing, a. on- Unroost (un-roest% Unroot !un-ro et'), v. a. ontwortelen, u itroeien. be etyeardig. —ed, a. enl,erousvd. a. glad, baareleloos. Unrepinfng (nn-re.),,rning), a. —/y, hd. ge- Unrough (tan-run, (un-reaundld), a. niet gerond. Unrounded di:dtg, gelaten.
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

Wat is rimpel crypto munt


Dore, en. thirst (rear, after, for, of). — hebben, Doorwroeten,or.w. to root up; to rummage. to be thirsty. —ex, on. w. to thirst, to be thirst Doorzanlen, or. w, to intermix, to intersperse. (nate, after, for). —ig, by. thirsty; dry; —maker', Donrzagen, ov. w. to saw through. to excite thirst. —tr gheid, v. thirstineas; drought.; Doorzeakken, on. w. to sink through, to give Doe, nt. dress, attire, array. —sen, or. w. to dress, way. to Attire, to array. Doomslien, or. w. to break by sailing against; to sail over, to pass sailing; on. w. to sail Dot, v. twirled knot, clew. Donarilire, v. dowager. through. Doorzenden, ov.w. to send through, to forward. Dotaw, tn. push, jog. —en, ov. w. to push, to press; 'in inn-Inds hand —, to slip into a. o. 'a Doorzetten, or. w. to push, to go through with, to set to; on. w. to persevere, to make haste. iitso. dozen. —deafer, bad poet, poetaster. Doorztebt, o. perspective, prospect, perusal, Dhoazinl. —schilder, dauber, sign-post-painter. --worker, inspection; penetration, sagacity, kunde, dioptries. —fg, hr. transparent. diaphanous. —igheid, sorry workman, bungler. Dra, bw. soon. a. transparency, diaphaneity. Doorzlen, ov. w. to see to.rourh, to look over; Dread, no. thread; fibre, filament; grain (van hout); wiry edge (van een me.); o. wire, can ;mite. to peruse, to review; to renetrato, to see (to go) ken, to thread a needle. roor den —tamest, to to the bottom of. appear; to say one's mind. —bus, —User, drawDoorzliften, ov. w. to sift. ing-plate. —koget, cross-bar-shot. —navel, wire. Doorzltjg en, or. w. to strain, to filter, to perpin, wire task. —pep, poppet. —tang, wire-pliers. colate. —kg, Y. straining, filtration, percolation. —trekken (het) wire-drawing. —trekker, wire•oorzitten, or. w. to wear out (to gall, to wound) with sitting. drawer. —trekkerif, wire-drawing; wire-drawingmill. —vorinig, filiform. —work, wire-work, flitDoorzoak en, or. w. to search, to examine, to scrutinize, to explore. —ing, v. search, examina- grane. filigree. Draag boar, bv. portable. —bear, bier, litter, tion, perquisition. hand-barrow. —bat, hod; trough. —balk, beam; Doorgondligen, on. w. to to on sinning. girder. —band, belt; strap, suspender; tines. Doorzulten, or. w. to pickle; to intersperse. —boom, —stok, shaft, carrying-pole; litter-bar. Doorzweet an, or. w. to sweat through, to per--korf, hamper, dosser. —loon, porterage. —rim, spire. Doorzwelg en, or. w. to swallow; to spend, to ridge-band; main-braces. —stoel, sedan-chair, palanquin. —lijk, by. & bw. supportable ; tolerable waste. —er, m. spendthrift. —lijkheid, v. 'supportableness, tolerableDoorzwerven, ov. & on. w. to range (to ramble) ness. through. Dread, in. turn, twirl, twist; turning, winding; Doom, v. box, case. tlikken —, grape shot. wat slap, blow, box on the ear. —bank, lathe, turnstint — tube., to be a knowing (skilful) man. bench. —bat, swivel-gun. —beatel, gouge. —boom, Doov e, m. & v. deaf person. —en, ov. w. to put out, to extinguish; on. w. to go out. —Weld. turn-stile,turn pike.—bord,rafAing-board.—brasg, turn-bridge, owing-bridge. —hot*. —stroont,whifiv. deafness. —tug, v, extinguishment. pool. —loot, turning-cage, —kunst, art of turnnooks') febriek, v. box-manufactory, —Cream, ing, turnery. —orget. barrel organ —rerp, stay, v. box-shop. —maker, m. box maker. tie. —eekilf, potter's wheel, fusee; turn-rail, Dop, m. shell, hunk, cover. pas tat den — homes, switch. —spil, spindle, capstan. —spit, jack. to he very e young. —ersot, green-pea. —jet, o. my. spectacles, barnacles; — =don, to spend, to diesi- —scot, turning-staff. —tot, whirl Tgig. —seer*, turner's wares. —wind, whirlwind. —en, os. & pate.—Jesspet.juggle.—pen .ov. w. to shell, to husk; on. w. to turn, to twirl, to twist, to 'Mid; to to measure, to gage (een sekip). —per, m. gager. lathe; to roll; to coil; to change, to prevaricate; Dor, be. dry, withered, barren, arid; tedious. to shuffle, to use tricks; imand can red vow' do Doren, m.Zie Doom. popes —, to east a mist before a. o.'s eyes; sink. Dorbeid, v. dryness, witheredness, barrenness, jos —, to play the truant. —es. m. turner; shutaridity. fier, trimmer. —er(, v. turning; shuffling. —ing, Don.. o. village. —sgeistelOke,—eeerato,—spredikant,lcountry-parson,village parson. —sherbet's', v. turn, twist; giddiness, swimming. country-inn. —shale, village-hall, common-hall. Drank, m. dragon; kite; vixen. den— states met, to banter, to deride. sougd, country-youth. —sicermi e, country-fair. —asekeoi,country.school.—seekont,country judge, Drool titer, r.Zie Droller. Drab, v. dregs, lees, grounds, sediment. —big, by, bead-borough. —aehtig, by. rural, rustic. thick, dreggish, dreggy. —bigheid, v. dregginess. Dorpel, m. threshold. Dorp snag, m. & v. —er, m. villager. —set, Dracbt, v. load, burden; garb, dress, costume, fashion; pregnancy; litter; suppuration, matter; by. rural, rustic. gumminess (van de °open). —.loge's, sound thrashDoer en, on. w. to wither, to fade. —ing, T. ing, — drubbing. —ig, by. with young; suppufading. hesd, v. pregnancy. rating, running. —ig Dornela, m. thrashing. —.Amur, thrashing-barn. Dradig, hr. thready; stringy, fibrous, filamentous. —ttici, thrashing-time. —vlegel, flail. —vloer, thrashing floor. —ea, or. w. to thrash; tool —, —held, v. stringiness, tougnness. to pluck a crow. —er, ni. —ster, v. thrasher. Drat, m. trot, trotting-pace; ground-malt, hoeswash, swill. op ten —le loopen, to run fast. ' —sing, v. Unlashing.
—, v. a. & n. lovers, Hymn (him'), s. lofzingen. —ic (-nik), a. lofzangen betretTend. Ilyp (hip), s. zwaftrinoedigheid. --. v. a. zwaarmoedig maken. Hyper bolo (hai-pur'bo-le), s.hyperbool. —bole. (-1111), a. overdrijving. —bolie,—bolieal. a. —Wisely, ad. (-per•bol'llt-). overdraven, overdrkjvend, —bolize (-lajz). v. a. overdrijven; v. a. bij vergrooting apreken. —borean (-per-bo'ri-en), a. van het hooge Noorden; streng koud . —critic (-per-krit'ik). a. streng km,strechter, letterzifter. —critic, —ethical (-per-kriVik-), a. overdreven atreng, bedilzuchtig, Hyphen (haffin), s.. koppelteeken. Hypnotic (hip-not'ik), s. slaapmiddel. Hypochondria (hip-o-kou'dri•e), a. miltzucht, zwaarmoedigheid, hypochondria. —c, —cal (-dray'. a. miltzuchtig, zwasrmoedig. a. huichelarij, ge• ilypascri sy veinsdheid. —te (hip'o-krit), a. huiehel Aar, sebtinheilige. —tic, —tical. a. —tically, ad, (hiphuiehelachtig, schijnbeilie. Ilyposta sis (haj-pmete-sis), s. zelfstandig wezen, persoonlijkheid; nrine , bezinkmel. —tecal (•1,0-qteVikl), R. wezenlijk, persoonlijk. iiypothe cute (haj-pottei-keet), v. a. verpanden. —cation ( kee'sjun), a, verpanding. — sic, a- voorouderstelling, stelling. —tic, —gee, a. —tically, ad. (-po-thet'ik-), vooronderstellend. Hyssop (hiz'zup), a. hijaop. Hysteric (his-ter'ik), — al, a. van de moederkwaal; met zenuwthevallen beh,bt. —8, pl. moederkwaal; zenuwtoevallen. Ilysterotomy (hia - te-roeuni - mth)„ a. keizersuede.

Wat is 0x relayer


07 Exereitation (egz•ur-si-tee's)un), P. ultoefening; gebruik. Exergue (eg•urg'), a. ruimte (voor jaartal, enz.) op munten. Exert (egz-urt'), v. a. inapannen, aanwenden, verrichten. —ion(-ur'sjun), a. inspanning, poging. Exestuation (egz-es•tjoe-ee'sjun), 8. kokiny, gisting. lExennt, meerv. van Exit. IZie Exit. Exfolia te (eks-foli-eet), v.n. afochilferen. —lion (-ee'sjun), e. afschilfering. —five (-e-tiv), a. afachilferend. Exhal able (egz-heel'ibl), a. uitdampbaar, vlu c tig. —stnt (-lent), a. uitdampend, uitwasemend. —ation (eks-he-lee'sjun), a. uttwaseming, uitdamping. —e (-heel'), v. a. uitdampen; v. n. verdampen. —ement (-heei'ment), a. uitwaeeming, pe n (egz-haoW), v. a. uitputten. —ible, a. uitputbaar. —ion (-jun), e, uitputting. —leas, a. onuitputtelijk. Exheredu te (egz-her'e-deet), v. a. onterven. tion (-dee'sjun i, a. onterving. v. a. Exhibit (egz-biblt), a. ingediend stub. vertoonen, ten toon spreiden, overleggen, nen. —er, a. vertooner; indiener. —ion (eks-hibikrun), s. vertooning; tentoonstelling; indieur), ning; jaargeld, beura. —ioner a. student, die op eene beura studeert. —ire,—ory, a. —ively, ad. vertoonend, voorstellend. Exhilara te (ego -hil'e-reet), v. a. vroolijk oaken. —Lion (-ree'sjun), s. vervroolijking. Exhort (egz-tort'), v. a. aannaanen, aansporen. —ation (eks-hut- tee'sjun), a. vermaning; read. —atire(-te-tiv),—atory(-te-tur , r1h), a, v erm mien d —er, a. vermaner. Exhum ation (sks-joe-mee'sjun), a. opgraving. —e (egz-joem'), v. a. opgraven. Exig once (eks'i-dzjenS), —envy, 5. drang; vereischte; behoefte. —ent, a. dringend, noodzakehie; s. dringend geval;noodmiddel; dagvaarding; ulterste. —tele, a. vorderbaar, elschbaar. Exigu ity (eke-i-gjoe'it-tih), a. kleinheid, goring(egz-irjoc-us), a. klein, gering. held. verExile (egz-ajl), a. klein, dun, tIjn. —, hannen. —(eks'ajl), a. verbanning, banIngschap; Ex Ility (egz-il'it-tih), a. kleinheid, tengerheid. Exlmious (egz-iml-us), a. voortreitelijk, stekend. Exinanit Ion (egz-in-e-nisruu), a. lediging; berooving; verzwakking. —e (-In'e-najt), a. ledigen; berooven; verzwakken. Exist (egz-ist), v. n. bestaan. —care, a. ,mnztin, hestaan. —ent, —ing, a. bestaand; loorhanden. Exit (eke'it), 8. uittocht, uitgang; of (in tooneelsterven. —Cal (egzstukken). to make one '8 isj'el), —ious (egz•isrue), a. verderfelijk. Exode (eks'ood), a. naspel. Exodus (eks'o•dus), 8. rittocht; tweede bock van Moves. Exomphalos (egz-omle-los), a. navelbreuk. Exonera to (ego-on'ur-eet), v. A. ontlasten outheffen. —tion (-ee'ajun), a. ontheffing, bevrtildIng. (-e-tiv), a. ontiastend, ontheffiend. Exoptable (egz•oVtibil, a. wenschelijk. 4


mestbaar. —e (-njoer"), N. meat; v. a. bemesten, bebouwen. —enient, a. bemeeting, bebou wing. —er, a. beraester. 1Planuseript (men'joe-skript), a. in handschrift. —, a. handmehrift. menigeen. many (men'ih), a. rneuig, veel. — a one, —cornered, s. menigte. —colored, veelkleurig. veelhoektg. —headed, veelhoofdig. —sided, veelz'jdig. —times (-taj:n7), ad. dikwijla. Map (men,'), a. kaart, landkaart. —, v. a. in kaart bren gen.
CIEL. --kilt, money-chest. —lade, till. —Iscning, loan. —ssakelnar, money-broker. —markt, money-market. —asiddeles, fiancee. —saunter, coiner. —nood, distress for money. —owner, money-borrower. —plakkaat, money-edict. —riem, belt (girth) for yin o ney.--tehaal, money- balance. --achiefer. moneylender. —slaan, o. coining. —anoeien, o. moneyclipping. —snoeier, money•clipper. --eonr,eum of money. —stuk, piece of money. —tafet, moneybosrd, counter. —trots, purse , pride. —rerlegenhes:d, pecuniary erobaeraroeient; in -- eijn, to be hard (,reared for money, to be hard pushed, to be bard no. —terties, loon of money. —winning, money-rnekieg, —zaak, money-matter. —.eat, love of money, coretoueneee. —zuchttg, greedy of money, covetoua- —eon-Lk/op, circulation of money. —sumanie, money's wort h. Getilde Mk, by. pecuniary. —loot, by. moneylean.
COB —I/A.D. 429 Contra! a, v. control. —eeren, ov .w . to co ntro1.1C onisis, v. Brougham, coupt; coupee. —eur, m. controller. Coupeeren, 0V. W. to cut. Conyers att., v. conversation; circle of acquaint. Couplet, o. couplet, stanza. a -ace. —earen, on. w. to converse. Coupon, v. coupon, dividend; cut. COUVOtS10, v. conversion. Courant, by. current. —, v. newspaper, gazette; emperor. by. coquet, coquettish. —te, v. coquette. cu :trency; zit Kraut. —ter, m. gazetteer. —erie. v. coquetry. —.leaven, on. w. to coquet. Courtage, v. brokerage. Cordaat, by. & by. resolute (-1y). —held, v. Couvert, o. cover. resoluteness. Credit, by. & o. credit; Cr. (creditor). in het — Corporals', o. corporal. brengen, to pass (to place) into the credit. —ziide, Corporal'', v. corporation. credit. —egrets, ov. w. to credit, to give credit (met, for). —ear, Dr, creditor. Corpulent, by. corpulent. —ie, v. corpulence. Correct le, v. correction, revbion. by. Creooi, m. creole. corrective, relative to miedemeenors. --or, m. Crimlneel, by. & bw. criminal (-Iyi. rf;rit, caiine , v. crinoline, corrector, reviser. Correspond eeren, on.fe. to correspond. —cot, Criodo, v. crisis. m. & v. correspondent. —entie, v. correspondence. Crit sous, m. eritlte. —iek, v. erit!que; criticism. Corridor, o. corridor. --itch, bY. & bw. critical (-ly), —iaeeren, ov. w. Corrigeeren, ov. w. to correct, to revise. to criticise, to review. Cortes, m. mv. Cortes. Cabo.. m. cube. Coryphee, 02. coryphens, Cuitour,v. culture. Coaneetleik, v. co , Tnetic. Coral eels, v. guardianship; order — steals, to Cosine graphic, v. cosmography, —logie, v. have a guardian. —or, m. guardian, curator; assignee, trustee. cosmology. —pallet, m. cosmopolitan, cosmopolite. —ratite, o. cosmorema. —a, Di. COSMOS. Cornier, by. italic. —,o. italics. b w. in italles. Curios, m. course. Cost) (ft), bw. of (at) your place. Cosios, Oporter; catchword. Costumes. o. costume, dress. Cycloop,rn. Cyclops. Coteiet, Y. cutlet, chop, eteak. Csaar, tr. czar. Coterie, v. coterie, clan, set, circle. CotIllon, ra. cotillon. C earfu, v. czarina. Coollose, v. movable scene, side-scene.
Z7.3 Shrew (sjroe), a. feeka, helleveeg. —, —mouse, Shuttle (ejut't1), e. achietspoel. —cock, pluimbal. s. —1y, ad. schuw, beschroontd, be• spitsmuis. Sh}' .1; ft hterhoudend; achterdoehtig; onnichtig. d Shrewd (ejeced.), a. —1y, ad. slues, listig, loos, v. n. chlchtig zijn (worden). —tires, schuw—nem. e. sluvrheld, lnosheid. achterhoudendheld; beachroomdheld; held, Shrewigh (ajroe'nj), a. —ly, ad.twistziek, snib re.hichtigheid. big. heftig. —ness, a. twistzucht, heftigheid. Shriek (ajriek), s. gii. —, v. n. gillen,achreeuwen. Siblin nt (sin'i-lent), a. sirsend; s, sisletter. 1-leo'ajuu), a. closing. Shrleval (sjrie'vel), a. van eels.' sheriff. —ty, Sibyl (etb'il), a, atbylle, waaraegater.;—lice (-lajn), sheriffschap. a. eibyllijnach; voorapeliend. Shrift (ejrift), e. biecht. Sive ate (sikikpet), v. a. drngen. —alive ( ke-tivl, Shrike (sjr)k), a. steenvalk, sperwer. a, & a. opdroogend (middel). —ity (-sit , tih), a. Shrill (airiil'). a. —y, ad. achel, aehrii. —, v. a. drropte, mat eene sehelle stem zingen of uitspreken; (forth) uttgillen; v. n. gitlen. —ing, a. gillende Sick laik'), a. ziek; mtsFelijk; (of) moede. —.en taik'Ic ► l, v. a. & n. ziek waken (worden). —ish, toot, —nese, a. schelheid, actirithetit, a. ziekelijk; misselijk. —liness 1 1 1- noes). a. . 1 . Shrimp (ajrimp), a. garnaal, dreumes, kelkjkheid. --ly a. & ad. zie4elijg. —ness, a. Shrine (sjrajni, reltquientaitje; aitaar. tinkle; mimaelijkheid. Shrink (sjrink), a. krimeing, rimrel; huivering. a. Nikkei. Shrink )ajrink I [shrunkj,v • a- then sanientrekken Sickle (krimpen); (up) °p ► ilter]. (de schnudera); v. a. Side isajd'i, a. zUdeltugsch; zij-. —, a. Ode., karat; part'). —by —, naast elkand.er. —arms, pl. zijdkrimpen, 'neon krimpen; sidderen. (at) zich opt- geweer, —blow,. clog van ter aijde, —board, hut. mitten over. (from) terugdeinzen your. (under) bezwijken onder (up) ineen krimpen. duig. —box, zij-loge. —counter, windveer. profiel. fish. @cheat, %yang (v.n eel , ' CaArore, ahriv,zn tsjriv'n)], v. a. & Shrive mast). —glance, zijdelingische bilk. —lantern, biechten. —r, s. bieehtvader. a)agianiaarn. —lays, p1. verache jachthomden. Shrivel (ajriv 1 11, v. a. & to rinapelen; krimpen. Shroud (mica. d'),e.dood kl eel; bemehuttl ng. —cleat, —notes, k ant tep,kenibgen. —rope. viclreep.— saddle, teoneelscherm, couitsze. Trouc•enl3del. wanthiamp. hook, wantiaaak. —knot, w:tntknoop. titan, helper (tan den. Boater); —shoot, zijloot. —stopper, wantsto p per. —taek/e, wanttaice. partkjaihn. —stick, bindsteeg. —taking, het kit —truck, wontk)oot. —. v. a. bekieeden, :Len tan partij. —treed. p1. zijstukken (yen eon' ken; verbergen; beechutten; v, a. zic ► verbergen; voetgeziehr van ter :dia.,. mart). beachutting zoeken. --a, pl. want., hoofdtouwen. elui- ►neur. — wind, zilpad voetstraat. Shrove (ejroov'), a. Vacten. —nundag, eerste urn- wind. —, v. a. vierkant snakes; ondereteunen, ch); In 'de Vasten. --tide, —tuesdag, dog v(56r de kiezen; t; v. n. overhellen; part',) hr t houden Varsten, vastenavond, yaw—Zing. (with , partij iciezen voor; op de zijde Shrub (mirub'), a. attnik, heez ter: drew., (Noon a. zij waartsch, Odeft. iteltend, schutia. van) punch. —, v. a. van arraiken zuiveren; af- lingsch; ad. zkjwitart.m., ail aelings. —ways (-weed, cameos. —berg(-bur-rih), a. hers ,. erplantsc..n. i-wajz), ad. van i,er zijde, —wise a. atruikachaig; vol struiken oaf heesters. Sider at (eid'ur-el), —col (-Vri-e1), a. sterren-. Shruff (Oreff),•s, metaalachuim. —aced, a. verweerd, verzengl. —corophy (-ug're& n. Shrug isjruga, a. schouderophaling. fili), a. ataaigraveerkunst. (de ac)touders) °Otten. Shudder lajud'dur)... rillinhr, siddering. —, v. n, Sidle leardlt, v. n. zildelings loopen. Siege (siedzj), a. beteg; belegering; aetei. huiveren, sidderen (at. with). a. door8chtubtirg, liat, kunst- Sieve (sir), e, seer. ShssM e v. a. sitters; onderzoehen. uitpluizen; grcep. —e, v, a. dooreen echudden; verwatren. Sift poleen; (Gut uitvorachen. —er, a. titter; uttplui(away) heimelijk wegmaken. (in) op eene lintfge zee; meeibuil. wijze inbrengen. (off`) van tick afschuiven, tick (saj), a. zuclat. —, v. u. zuehten ?at, over); v. n. het- —e, armaken van. (up) samendansen. (after. for) haters► aelen; de koarten doorschieten; wa;rgelen; ducal- op richt. by--, en, uitviuchten znekeit. (off') zieh wegpakken. Sight kaajt!), a. geziehti vizier. a t vat, aenzien.. —'s-man, die van het bled ziugt of (through) doarheen slaan,—woratelen. (up) oproe- s; eelt. —less, a. blind; --live. rig lkjeenkomen. —er, s. deorschudder, heart- a. bekoorlijk, --ly, neon), a. bekoorlijkheld. bedrieger. —ing, a. —ingly, ad. Hotly, be- oogelijk. driegelijk, op eane mlinksche wijze; waggelend. Sigh (ard'zjil), s. zegel. —ing, a. ultvlucht, draaierij. Shun (,.fun'), v. a. verreijden; vlieden, schuaven. Sign is,j1.0)„ s. teeken, merk; went.; uiti► angbord; hainctteekening. —post, onite ► leeliening. —less, a. onverrnijdelijk. v. a. mijipaal; post van can uithangbord. 'Aiwa (njunt), v. a. op Pen an.ler spoor brengen. te,konen, merke ► ; ondertee)ienen; aantoonen. s. Shast Wet), a- ges.loten; vrij, bevrijd. Signal tsig'nel), a. teeken, nein. —, o. —tit, ad. tang; deksel, klep; deurtje. uitstekerni. --ize (-ajz), v. a. doeu ultblinken; Shut (siut 3 ) [shut], a. a- aluitea, dichtmaken; be- onderscheiden. aluiten; lasschen. (from) utteluiten van, (in) in- eluiten. (out) uitsluiten. (up) opslui ten; dieht- Signature (si,ene-tjonr), a. handteekening. v. n. zieh aluiten., dichtgaan. —ter, Signer (aajteur), s. onderteekenlar. eluiten. Signet (aig'ult), a. zegei. —ring, zegelring. a. eluiter; veneteriulk, Wind.

Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.


Klatt. V. lump., clad. an On —en glwassen, tall, Kn.', v. gin, spring, snare; pinch, scrape. spanking. —bong, sling-bow. —achtii„ — 'g, by. Or. w. to pinch. to squeeze; to oppreas. —len, cloddy. v. pinch, squeezing. 114.9ulv en, ov. to pick, to gnaw, to nibble. —er, Kmiec:run, on. w. eon. Zie Knarsen, in. picker; —, —boom, jib, jib-town. —ing, V. Knetter en, en. w. to crackle. —tag, v. crackpicking, gnawing, ntboltng. ling. on. w. Co live nolltariiy, — like a her- Knent, v. linnet. —beam sparing-puree. —*sat, mit; to run hollow. —oar, m. herwit ; —eleven, linnet ''s'nest; hoard of money. —penning, hoardlife of a hermit ; solitary life. ed money. FiZungesii, v. slut, aloven; rag; trifle. —en, on. w. Kneukett, m. ens. Zie KisokliCer, enz. to tulle, to idle; to bungle; (end) to throw awry Kneuter, v. linnet. —oar, in. '-aarster, v. stamm. cudgel., clun. —en, on w. to cudgel. merer; mutterer. —en, on. w. to chirp, to war—horn, gingerbread. —vet, game of cudgelling. hie; to stammer; to mutter, to grumble. —ig,bv. —men, doggerel. muttering, grumbling; ruffled. --ing, v. chirping, Kissta, v. de — kwijt zUn, to be at olio '8 wit 'a warbling; stammering; muttering. end, to be out or acme. —en, ov. w. to beat up. Knells en, on. w. to bruise. —tag, v. bruise, —ei, battered cog. contuslc... K.111,11 C:12, o. clew. —en, ov. w. to wind on (to Knievel, m. cudgel; lever; toggle; paoking.stiek; make into) clews. gag ; mustachio; whisker (van ern (liar); droll; Knaeg dice, O. rodent. —ster. v. Zie Kneger. blade. Kehep, m. boy, lad, youth, yoLngscer; fellow, Knrvei oar, m. —aareter; v. extortioner. —ar(), chop; jack. —jeskruid, orchis. v. extortion. —en, ay. w. to bind, to pinion; llinabbell ear, in. —aarster, v. nibbler. —en, or. to extort, to exact ; to oppress. —board, true& on. w. to nibble. --ing, v. nibbling. tat...hes; whisker, —band, fetter; muzzle. —kg, v. lkirtftir en, ov. en. w. to gnaw, to fret. —er, m. binding; extort.. —ing, V. gnawing; remorse. rangs. Knibliel ease', m. —.rater, v. caviller; haggler, it;. crack, snap; injury, damage. --, be, higgler. —achtig, —ig, --air/c, be. captious, given offended, angry, (at). —, taw. crack I —ken, ov. to cavilling; hard in a bargain. —aektiAkeid, w. to crack ; to ininre. to impair; on. w. to enap. —.Mt, v. caption...8; being hard in a bargain. crecking-hamater. --king, v. cracking, —or;), v. cavilling; haggilng, higgling. —en,on. snapping; injuring, impairing, w. to cavil ; to haggle, to higgle. —ipel, bones. kernel, m. clap; detonation, report. --/en, on. w. --ing, V. Zie Knikbbelarkl• to clap, to thunder, to give a report. Knit, v. knee. —band, knes•string. —bank, has. m. crack; reap ; eating, sock. —bong, ham. gennftexion. —host, Komi), by. St bw. stnatt, clone; handaorne (-1y) ; knee. —lap, leather to keel upon. —achy!, kneesmart (-1y), dec'nt I-1y); clever Hy), able, ably, pan. —sink, pulley-piece; balf-length-pieture. nimble (-WY). —handig, he. & bw. handy ;-ityi, Kniei en, on. w. to kneel. —er, m. kneeler. dexterouo (Ay , . nimble bly). —handigheid, hand—ing, v. kneeling. inegs„ dexterity. —held, v. clevernesa, ability, ifin;ettoor, m.. & v. (ratter. abilities. —fey, bw. Zie Kum, Kolez en, on. w. to fret. to pins. —er, m. Keznp pen, ov. w. to awry; to catch; to crush, by. fretful. —lap. Y. fretting. to kill to pick, to munch; on. w. tin snap, to KnUlf, o. —nos, clasp-knife. clack. —bus, pop gun. —kers, hard cheery. --koek, Kni,lp, V. pinch. —en, ov. w. to pinch, to nip; to crisp gingerbread. —ail, fib, —sok, knapsack, oppress; or. w. to trim sharp. —rok, tight coat. —per, M. crisp gingerbread; lib. —perd, m. clever —tong, (a pair of) pincers. —er, m. pincher; fellow. claw; pinch-penny. —ing, V. pincher, nipping. Known en, on. w. to gnash —been, —clean, gris—ster, v, pincher; Plaoh - OanitY• tle, carttlare. —beenig, gristly, cartilaginous. Knilten., on. w. enz. Zie Knaexen, ens. —etanden, to gnarl, (to grind) one 'a teeth. —ing, Knik, nt. nod; crack. —stag, stay of the topv. gnashing. gallant-mast. —ken, on. w. to nod; to crack, to Kiss,ater, m. caniaier. snap. —kebsenen, to walk with bent knees. —keKnauw, na. gnaw, bite. —en, on. w. to gnaw, tones, to not with dozinetis. to enew, to munch. —or, In, gnawer, chewer, Knikker, m. entire; marble. —en, on. sr. to v, goawlot, chewing, munching. —eel, o. ploy at marbles; van de boon —, to supplant. any thing gnawed, — chewed. —spel, marbles. Knecht. ni. (man-) tern/ml, man, footman, wait- Knip, in fillip, tint; clip, cut. —, V. trap, gin, er ; asaistant, joarneymau. —skamer, servants' snare; hpring, wisp; bawdy. house. o. purse halL —slim-ei, servant'a livery. —Orion, servant's with a snap). —pen, ov. w. to fillip; to clip, to war;ea. —seh, by, bw. servile (-1y). eut ; to entrap, to catch ; to erect, to kill; on. o. little bry. —se/tap, o. servitude. w. to spring, to wrap., —betigel, snap (spring) of karol en, ov. w. to knead. —er, in. kneader. a purse —bears,. piece (with a allap), ciasp—ing. v. kneading. knife. —mats, xie Knoacepnanis. —nog, m. V. Kneesisiter, v. Ituerder. blinkatd, blinker. —angers, to blink, to twinkle. ilisseiris, V. pint,h, nip fold, plait ; waist ; trick. —oogje, blink ; twinkle. —sekoar, sciators. —slay. —mute, cap with a folded lace. fillip. —clot, lock with a spring (snap), spring. Knekeihuis, o. charnel-hou:e. latch. —per, m clipper, cotter; catcher; cracker.
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.
Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.

nummer 2 cryptogeld


s. wan- Farther (faarlisur), a. ttr ail. veruer. Fartriest (faar'thest), a. & ad. verrt. Her; wain. (faar'khieng), a. penning, oortje, een Fanatic (fe-net'ik), --al, a. —ally, ad. dwees- Varna geen dolt waard. s. dweller, gee.stdrijver. j vierde penny. not worth a ziek, gecstdrijveni. greetFftrthingale (faar'thin-Keel), s. hoepelrok. —vine., —ism (-i-sizm), s. dweepzuclit. Fasces (fes'slez), a. bijbelbundel. drljverii. venster (la:en eene dem). —ner
maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.

121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v


wakker, op zOne hoede. —ly, ad, wijd; in de Wimple (wim'pl), a. kap, an der; wimpel. v, e , eluieren; onndoen; neertrekken. verte; (seer) ver; veal. —a, v. a. & n. (zich) verwOden, uitzetten. s. breedte; wijd te; nit- Will (win) [won (wun)], v. a. winnen, verkrijgen; geetrektheid. veroveren; overhalen. overreden (to); (over) overWidgeon (wid'ojun(, s. spekeend, taling. haien; v. n. zegevieren; vorderen. 'idow (wid'o), s. weduere. —bench, weduwen- Wince (wins), v. te, eehoppen, trappen; achteraandeel. —hunter, weduwenjager. —wail, dwergnit slean; -- denizen; wOken; Cell wringer, olijfboom. —, v. s. tot weduwe maken; (of) be- Winch (winttP, s. schop; hanpel; handvateel. .rooven van. —ed (•ood), a. tot den weduwstaat kruk. —, v. n. Zie to Wince. gebraeht; beroofd. --er, s. weduwnaar. —hood, s. Wind (wind'), s. wind; nicht; adem. in the —, weduwttsat. op tit, gaanda. upon a—, ashen) bij den wind. Width (width)• s. hreedte, wijdte. to get (take) —, in vernal geraken. to have in Wield (wield'), v. a. hanteeren, zwaeien; bego down the —, uniekken, ruehtbaar warden. to heerachen —able, —y, a. te hanteeren, the —, in den noun hebben, de lutist hebben van. Wile (wajf') s. vrouw. huievronw. —hood,a. staat to take the — of, de loaf krijgen op; afateken. van getrouwde vrouw. —less, a. mender vrouw. — beam, wind-, kielbalk. —bound, deer tegen—ly, a. van eene vrouw. wind opgehouden. —Irroken, kortademig. —cheat, Wig (wiz'), a. pruik. —stoker, pruikmaker. —truck, windlade, blaasbalg. —egg, windei. —fall. efgewaald ooft; buitenkaneje. —fallen, Wight (waft), s. keret. vent, wczen. § Wigwam (wig'wem), a. but (der indienen). afgewaaid. —flower. anemoon. —gage, windmeter. —gall, gal (Ai paarden). —gun, •indroer. (wajl V), a wildernie, woestenkj. —, a. —Cy, —harp, Loins-harp. --instrument, bl eas-inetruad. wild; woest; onstuimig; woedeud; dot, onmeat. —lass, hempen braadsptl. —mill, zinnig; zonderling; losbandig, buiteneporig; verwindmolen. —month, windmaand (November). anderlijk. —boor. everzwijn. —briar hondsrooe. —pipe, luchtptjp. tuchtpomp. —row, ge(--eat bank, oneolide bank. --fire, griekseh vane, spreid gram. —sail, koci)zetl e —shock, windseheur. darewworm, coos. —fowl. wild gevogelte. —goat, —swift. noel ale de wind. —thrush, zingneeerle. gems. —goose, wilds gans; —chase, wilde-trantight, Ineht&ichtt tegen den wind besehut. —, zenjaeht; ijdele poging. —parsnip, suikerwortel. —plum, eleepruirn. —radish, wilde mosterd. v. a. inchten, sass den wind blootstellen; buiten (wild'ur). v. a, verwairen, verbijeteren. adem brengen; de lucht hebben van, op den reek volgen. --nen, s. wildernis, woettenij. Wild ing (wajld'iang), a. haogappel. —nese, s. Wind (wajnd) [wound (waaund)], v. a. winden; wildheid, woestheid; onquimigheid, onzinnigdraftier', wenden; wikkelen; omeiniten; indringen (into); veranderext; blazes. (off) afwinden, atheld; zonderlingheith lortbandigheid. haspelen. (out) loswinden, lestvikkelen. (up) opWile (wail), a. list, kunetereep, bedrog• winden; in orde brengen; bestutten, afsiniten; Wilful (wil'foel), a. —ly, ad. gewillie; eigen§ tot reijgen brengen. —, v. n. slob winder], — zinnig, halmetarrig; opzettelijk. —netts, e- gewitkronkeien draaien. (out) slob lotwinden, — losligheid; eigenzinnigheld; helestarrigheid; opzet• wikkelen. telijkheid. Will ly (wartil-lih), ad. Zie Wily. —nest (-li- Windage ,wind'INI„ a. speetruimte, meeting.. Winder (wajnd'ur), s. winder, opwinder; haspen ne., a. lietigheld, sluwheid. Wilk (wilk), e. trompetiehelp, -slak. winde, elingerplant. willekenr; veriangen; testa- Windiness (wind'l-ness),e. winderigheid; windWill (will), s. near btlieren. to open a --, een nicht; opgeblazenireld. ment. at testament openen. good—, toenenegenheid; no- Winding lwajnd'ieng), s. kromming, kronkelieg. —, a. draalend, kronkelend. —butt, boeghont. ring, klandizie. ill—, afkeer. wrok; kwasiwil—curve, golvende lijn. —horn, waldhoren. —sheet. Beheld. —, v. a. wilier': wseeseben; bevelen; lijkkleed. —staircase, —stairs, pl. wenteltrap. vermaken; bij testament bepalen; v. n. een tes—tackle, zOgijn. tament mitten; bepalen, Will (will') [would (weed)], v. n. wilien, zulle.n. 'mud le (vvind'i), s. haspel, Moe, —less, a. stil, sander wind, ademloos. — he nill he, of bij wit of niet. —ed (wild), a. Winslow (win'do), s. vertster, raam; opening. geneied, genind. —er, s. wilier. Willing (will'ieng), a. gewillir, vrijwillig, be—bench, —8111, v enete thank . onnebli d, seherm. —frame, vensterraem, kezijn, —clutter, reidwillig; genelgd, veriangend. — or unwilling. willens of onwillems. God —, zoo God wit. —/y, vensterlutk, -blind. —tax, velietergeld. —, v. a. ad. vrijwillig; gaerne. —neas, a. gewilligheid; van venatore (openIngen) voorzien; Kan bast veinier plastics. —ed (-flood), a. met venstere; met s. wily, to wear the —, een oPent.gen• —Y, a. ale een venater; met knitsblanwtje loopen, —gall, wiigenroos. —herb, weeg- fitrepen, netvormig. brae. - -plot, wilgenbos, hie. —shavings, pl. wit- Wind ward (wind'ward ► , a. near de wlndzijde eelegen; ad, near den wind, loefwaarte; e, wind, esspanes- —sheets, pl. vleehtwerk van wilgenast ( voor hoeden —weed, vlooikruid. —ed (-load), loefzijde; —to —, bovenwinds, te bearer. —y, a. —y, a. vol wilgen. —CM, a. wiigaehtig. wtntierig; ijdel, nietig; opgeblazen. Wily (warliii), a. list*, loos, eluw. Wine (wajn'), st, wijn. —libber,wijnzuiper. —bottle, fretboor. —, v. a Wirnble (wim'bi), a. wijnfieseh. —broker, makelaar in wijnen. —cask, boron. wijnvat. —cellar, —vault, wOnkeider. —eonner,
—, v. a. & n. lovers, Hymn (him'), s. lofzingen. —ic (-nik), a. lofzangen betretTend. Ilyp (hip), s. zwaftrinoedigheid. --. v. a. zwaarmoedig maken. Hyper bolo (hai-pur'bo-le), s.hyperbool. —bole. (-1111), a. overdrijving. —bolie,—bolieal. a. —Wisely, ad. (-per•bol'llt-). overdraven, overdrkjvend, —bolize (-lajz). v. a. overdrijven; v. a. bij vergrooting apreken. —borean (-per-bo'ri-en), a. van het hooge Noorden; streng koud . —critic (-per-krit'ik). a. streng km,strechter, letterzifter. —critic, —ethical (-per-kriVik-), a. overdreven atreng, bedilzuchtig, Hyphen (haffin), s.. koppelteeken. Hypnotic (hip-not'ik), s. slaapmiddel. Hypochondria (hip-o-kou'dri•e), a. miltzucht, zwaarmoedigheid, hypochondria. —c, —cal (-dray'. a. miltzuchtig, zwasrmoedig. a. huichelarij, ge• ilypascri sy veinsdheid. —te (hip'o-krit), a. huiehel Aar, sebtinheilige. —tic, —tical. a. —tically, ad, (hiphuiehelachtig, schijnbeilie. Ilyposta sis (haj-pmete-sis), s. zelfstandig wezen, persoonlijkheid; nrine , bezinkmel. —tecal (•1,0-qteVikl), R. wezenlijk, persoonlijk. iiypothe cute (haj-pottei-keet), v. a. verpanden. —cation ( kee'sjun), a, verpanding. — sic, a- voorouderstelling, stelling. —tic, —gee, a. —tically, ad. (-po-thet'ik-), vooronderstellend. Hyssop (hiz'zup), a. hijaop. Hysteric (his-ter'ik), — al, a. van de moederkwaal; met zenuwthevallen beh,bt. —8, pl. moederkwaal; zenuwtoevallen. Ilysterotomy (hia - te-roeuni - mth)„ a. keizersuede.
Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.

Hoeveel waren Bitcoins in 2009


Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.
splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord. 

Hoe lang duurt het voordat Blockchain om de transactie te bevestigen


cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.

W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.


Jesus (dzji'sus). m Jens. Jewry (dzjoe'r1h), (r. (hut) Joodsche land. Jezabel (dzjez'e-bel), w. Jrzabsl. Jin ((Win"), - ny, f. voor Jane. Joan (dzjoon), v.. Johanna. Job (dzjoob)., m. Job. Joceiln (Jzjoslin),m. Justus, Joost. Joe idujo). f. voor Joseph. John Onion'), m. Jobannec, Jan. —ny, f. tour John; Jamie. —son (-en), m. Johnson. —.ton (• sin), m. Johnston. Jan all (dzka'ne), —as, m. Jona. Jones. Joraathau (dzjon",then), m. J onathan. Jordan (dzIor'drn), g. Jordaan. Joseph (dzjo'zif), m. Joust. Joshua (dzjotroa-e), in. Josua. Jove (dzjoos), my. Jupiter, Juititin. Jud a (dzjoe'del, —ah, m. Juda. ( lz ;.), r. Jodendom. —as, on. Judas. —ea (- di'e), 5. Judea. —ith (-nth). w. Judith. Jug (dzj ugh f. toot Joan; Jans. Jail a (dzjoe'll e), v. Julia. —an, no Julianus. ook —era (-ee'ne), w. Juliana. —era (• g. Gulik. —et (-et), w, Julia, Juliet. m.
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Wat is de beste site om Bitcoins kopen


maid -servant. —orde, order of architecture, style. —stern, stone for building. —stoffen, materials. —tifd, plough-season. —trant, style of building, arceitteeture. —cal, ruin, ruins. —tea/ig, ruinous, decayed, era ey., worn out with age. —valligheid, decayed state, decay, craziness. —woe —zurht, rage (maids) for building. —en, ov. w. to till, to grow; to build, to erect, to raise; de zee —, to use the see, to navigate; — op. to depend (to rely) upon. —er,m. tiller; grower; builder. v, egricult ure„ husbandry. —ing, v. tilling; building. —eel, o. building. Burlap, bw. aloft, on high, up-stairs. ale ut supra. vz. above, over, upon. — den wind zijn, to have the weather-gage. le gaan, to excel, to surpass to — loosen, to get the better of, to surmount. eene karp to — alien, to weather a cape. ilovenann, bw. at the head, — top, the first. Illtevversatnrdsch, by. tuperterrestrial. Bovenall, bw. above all, especially. !lovterlibrarketeng, in. topgallent-reyal-mast, ►ltevezabroek, v. nantaloone; over-alle. avenbuur, m. & v. upstairs -neighbor. Howendertr, v. upper-door. ficsversdken, bw. bNides, moreover. Boveladoepell, rn. Bovondeliven, on. w. to fiott on the surface; to prevail. --d, by. ouperfluita ,t; preponderant, victorious. noveneinde, o. ripper-end. Bovengeirneltd, ilikesengerioetted, be. abovementioned, aforeseld. 11 owettgevell, m. ridge, top, gable. Ilowesegoed. o upper-dress, upper-clothes. no -venhertrid, o. upper-sbirt. iflovetatrc is, o. upper-part of a house. If teverskatiaer, v. upper-room. Bovenkrent, in. upper-side, right side. litteverukne, v. upper-case. Boveinkisederers, o. my. uppe. -clothes, uppergarment. Bervenk ore!, v. upper-crust. Bovenin ad, o. high country, upland. —er, highlander. rent :1st, upper-cargo; top. hamper. Illowenleder, o.upper-leather; vamp. • Bovereiljf, o. upper-part of the body. Boveleirp, v. upper-lip. How extivicitt, v. high-air, sky. Hovers's. t e, bw. extremely, exceedingly, exeessive!y. —ig, be. extreme, ..xceseive, beyond
EXO.•-EXP. den. -te (-eel), v. a. bueten, verzoeuen, *wetter Env...MAE (ekt,Thr-rill), a. verbiddelijk. -nees, s. goed maken. -tion (ee'sjun). a. boeting, ververbiddelijkheid. buiten- zoening. -tory (-e-tur• rill), a. boetedoende, booExorbitan cc (egz-orthi-tens), tend, -aa,rifice, zoenoffer. sporigheid, verregaandhehi. -1, a. -fly. ad . butExpilation, (eks-pi-lee'sjun), a. plundering; vertenaporig, Nerregaand, sehreenwend. waarloazing van den eigendo:n van ininderjartgen. Exorc lee (eks'or-sajz), v. a. bezweren, nitbann en . -jet, a. duivelbanner. a. gees- Expla' action (eks-pi-ree'sjun), a. uttademing; lactate ademtoeht,overlijden;nitwasemtng;affoop, tenbezwering. elude; vervaltijd. -e (-pair'), v. a. uitademen; nitExordit at (egz-or'di-e1). a. inleidend, aanhef , wasemen; v. n. ten etude loopen, vervallen; den inleiding, aanbef. -urn. a. fend. geese geven. Exottive (egz•or'civ), a. opgaand, oostelijk. Explain (eks-pleen"), a. a. verklaren, uttleggen. Exosseoun (eaz-os'st-us), a. beenderloos. -able, a. verklaarbaar. -er, a. verklaarder, toeExostosis leks-os-to's(s), a. beenuitwas. Lxotcr lc (eks.o-ter'ik), a. openbaar. -y liehter. Explanat Ion (eks-ple-nee'sjun), a. verilaring, s. duidelijke (algerneene) zaak. ieks , nitlegging. -ory (-plen'e-tur•rib), a. verklarend, Exotic (C1,7.-ot'ik), a. uitheemsch nitheeraseh ophelderend. gewas. Expao al (cks-pond'), v. a. uitzetten; uitspreiden; Explei lye (ektip(e tin), -ory, a. aanvullend. nithreidem v. n, zwellen; zich opene ► . -se (-pens'), -eve a. nanvallend woord, etopwoorci. m.uitgestrektheid; -ofhearen, nitsp.sel. -aitility Explica bin (eks'plt-kibl), a. vcrklaarbaar. --to (-beet), v. a. ont ,:ouwen, uttleggen, verklaren. s. nitzetbaarheid. -aiole (-pen' -tion (-kee'sjun).,s. entvouwing, uttlegging, vernib)), a. nitcetbaar. -aeon (-pen'sjun), a. uitzetting,nitspreiding; ultgebreidbeid. -sive (•pen's ►v), klaring. -tine (-kee•tiv), -tory (kee-tur-rih), a. verklarend. -tor (kee'tur), a. uttlegger. a. nitzettend; uitspreidend. Expatiate (eks-pee'sji•eet), v. u. rondwandelen; Explicit (.10 - nlieit), a, -ly, ad. dutdelijk, holduidelijkheid,bepnaidheid. der, bepaald. inn. upon) uitweideri over. e (eka-plood'), v. a. uttdrijven,doen nitExpatria te (eks•peetri•eet), v. a. verbannen. Explod baraten; Wide atkenren; uitjouwen; v. n. -lion (-ee'sjun), a. verbanning; ultwijkinK. barateu, ontploffen. Expect' (eks-pekt . ), v. a. verwaaten.§veronder• (eke-plait:), a. bedrijlc heldendt ad. stel3en, meenen. -able, a. to verwachten. --ante, Exploit a. onderzoe--anry, a. verwa, chting, hoop. -ant, a. verwaelt- Explor ation (eks'plur-reesjun), king, navoraching. -ator (eks'pltYr-ree-tur), a. ontend, s. verwachter. -ation (-tee'sjun), a. varderzoeker, navorseher. -atory (-plor'e-tur-rth), wachtiug, -er, a. verwachter. Expeetora nt (aka-pek'tur-rent), a. oplossend, R. onderzoekend, -e (-ploor'), v. a. onderzoeken, navorschen, nasporen. opgevend; slijmoplossend rniddei. -te (-reet), Explo aloe (eks•plo'zjun), a. uitbarating, ontv. a. ophoesten, opgeven; v. n. alijm opgeven. plofting. -sive (-sin) a. ontploffend, uttbarstend. -lion (-ree'sjun), s. aphoesting, opgeving. -tine Exponent (eka-po'nent), a. machtswijzer, expo(-se eiv), u. opgeving, bevorderend. nent. -ial (-nen'ejel), a. exponenten betrefExpedien ce (eks-pi'di-ens), -cy,s.geschiktheid, fend. dienstigheid, doelmatigheid; spoed. -t, a. -tly, Export (ekepoort), a. uitvoer; uttvoer-artikel. ad. geschikt, passend, dienstig; raadzaam. -t, Export (eks-poort'), v. a. uitvoeren. -able. a. a. nitwewttulpmiddel. dat uitgevoerd kau worden. -ation (-par-tee' Exped It e(eks'pe-dajt), a. -ely, ad. anti, vaardig, sjun), s. uitvoer. a. uitvoerder. vlug, g.makkelijk. -c, v. a. bespoedigen; bevor (term afienden. -ion (-disrun), s. snelheid, Expos a (eks-pooz 1 ), v. a. blootleggen; blootmpoed; afzending; zending,tucht.-iona,a. -loudly, etellen; to koon zetten (for sale); can de kaak Ptellen. -ition (-ztayurt), a. blootlegging; verad. ,,,tisj'us-), *lug, vaardig, suel. Expel (eks-pen,v. a. uitdrijven, vitwerpen. -ler, klariug; tentoonstelling. -itive, -itory, a. blootleggend, verklarend. -itor(pnz't. ), a. verdrijv tr. s. ver. klaarder, uitlegger, Expend eks-pend'), v. a. uitgeven, beateden; verExpostulft te (ekes-post'joe-het), v. n. vertu°. k*visten. (-di-tjoer), s. uitgaaf; kosten. gen doen (upon); zich vrijmoedig beklagen (for --es, Expeos e leks•pens'), s3, nitgaaf, with). -lion (-lee'sjun), a. vertoog, erriattge beonkostcn. -ire, a. kostbaar, &Inv; verkwistend. apreking beklag. -tor, a. redetwister, klager. -inept, ad. verkwistend. -ivenees, s. kostbaar-tory (-1e-tar-), a. eerie klacht...(een vertoog) be• held; helzend. Experience (eks-pi'ri-ens). a. ervaring, ondervinding; proet. -, v. a. ondervinden; beproeven. Exposure (eks-po'zjoer), r,. blootstelling; ten(-cur), s. pruefnemer. toonstelling, blootgesteldbeld. ervaren, bedreven. d, a. Experiment (eks•per'i-ment), s. prod, proefne- Expound (eIN-paarnd'). v. a. outvouwen, ver- er, a. utelegger, verklaarder. klaren. ming. -, v. a. beproeven, onderzoehen; onder- (elia-pres'), a. -Rj., ad. joist gelijkend; vinden; v. n. proeven nemen. --al. a. -ally, ad, Express ultdrukkelijk, bepaald; dutdeltik. -, a. tjthode; (-men'tel-),proefondervindelijk.-alist (-men'tel-), v, a. nitdrukken. -11.1e, a. uitboodschap. --er, s. proefnemer. -ion (preaj'un), a. uitdrukking. -inc. Expert (eks-port'), a. -iy, ad. ervaren,bedreven., drukleaar. a. -ively, ad. ultdrukkeltjk. -iventss, a. nadruk, a. bedrevenheid. A. pelmet kunneude wor- , klem. • Vxpitt hie (eits'pi
pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.

Is bat een cryptogeld

×