bewaarder; meat, gest. — of the hotel, kabelgast. Yoke (jook'), a. juk; span, koppel. —elm, hugebeuk. —fellow, —mate, makker, lotganoot; eeht—ly, a. van (ale) een yeoman. —ry, a. idt)klelne v. a. in het juk epannen; vereenigen, grondbezttters; ligtrawanten; bereden genoot. koppelen (to. with); ouder het juk torengen. York (jerk), e. rule r slag, stoot. —, v. a. & n. Yolk (junk), a. dooler. Vain (Jon'), Yond. Yonder, a. glndoch; ad, rukken, stun, stooten; springan. Rinds, ginder. Yes (jet),, ad. ja. Yore (ioor), ed. of — in days of — eertijda, veerVest (jest), s. Zia Yeast. been, in nude tijden. Yeutter ljes'tur), a. van &toren. —day, a. de dog van gisteren; ad. &tem. —night, a. de avond You (jue! pr, gij, u Young 'Wing.), a. Jong; ouwetend, (naeht) van giateren; ad. giateren avond (t teht) o. Jong. —ilk, a. nen. —man jongeling. Yesty (jelit'lh). a. Zie Yeasty. jengdlg. —ling, a. Jong. —/y, a. jangdig; ad. in Yet (jet), ad. nog, alanog; bovondien; sells. as voor alenog, tot dueverre. not —, nog Met. —, de jeugd. —eter, s. Jongeling; melkmull; Jong matrons. conj. nogtane, torh, echter. Yew (Joe"), a. —tree, taxieboom. —en (•in), a. van Younker (jungk'ur), a. Zie Youngster. Your ijoer), pr. ow, uwe, uwen. i.i0Prz), yr. texiehout. de (het) uwe. —self (-mei ► , pr. — selres (-Itelve), Yield liteld'), a. ophrenget. —, v. a. voortbrengen, set ten. pr. pl. ti, 'gij) tell, opleveren, atwerpen; toeataan, tt,elaten, tvege), a. jeugd; jongeling, joug rnensch. yen; overlaten. *lateen, opge ;en, tote,, varen, Youth (joeth , —ful, a. —fully, ad, jeugdtg -fulness, a. joug. overgeven (over. up); v. n, toegeven, zich tr.er;oven, — echikken, — onderwerpen; onde, doen, digheld. lY —y, a. Zie Youthful. swiehten, wijken, (to); nitslaan. —er, a. toegever; Ytteltin (joek'ke), e. yucca, adamanaald, broodworts) . Inwilliger. —ing, a. —inyly, ad. wiostgevend; toegevend, inerhikkelijk. a. het toegeven; Yule (Joel'), a. keretmie. --block, —clog, —log, houtblok voor het karetvuur. opbrengat, overgaaf. —ingnest, a. toegevendheid. Inachlkkelijklteld.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.
v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -

821 —erased (-kW), a. niet behandeld, Met beeproken. —guieed (-gajzd'), a. niet vermomd; onverbloerr.S. —honored (-dia-on'urd). a. nlet onteerd. —stayed (-diz-mead'), a. onvertehrokken, onvervaard. —persed (-punt), a. niet verstroold. —posed (-pooscl'), a. niet geregeld; (of) Wet 'Woven; onverkocht. —poted (-pjoelld), a. onbetwiat. —scalded (-sene.'hld), —ambling (-sem'biteng), a. ongevetned; opreeht. —sipated (•dis'el•pee•td), a. "tuft verstroold; niet verspild.—solved( . dis-zolvd',„ o. onopgelost. —caving (-din zotv'teng), a. onoploabanr, onarneltbaar. Undlatinguish able (un•die.ting'gwisj-Ibl). —at/y, ad. ntet to onderseheiden, onduideltik. —ed (•gwleJt), a. niet ondersahelden, onduidelljk; ntet uttetekend. —log, a. niet onderscheidend. Unclistracted (un-die-trekt'id), a. —1y, ad. ongestoord, niet veretrooid. —nest, a. onKeatoordheld, onafgetrokkenhetd. Uncliatur bed (un-die-turbd'), a. —ly (-Id.), ad. ongeatoord. —nest s. ongeetoordheid. Undl versed I un-dt-vurt'id), a. onafgewend. —ridable (-vajd'thl), a. onverdeelbaar. —vided (-vardid), a. onverdeeld. —voiced (-voorst'), a. ongeschetden. —vulged (-vuldzjd), a. Met ruchtbear gemaakt, gehetm. Undo (un-doe') [irr.], v. a. losmaken, nit elkander anemen; to niet does; in 't verderf atorten. —er, a. verwoester. —ing, a. verderfelijk, scorn oestend; e. verntettging; verderf, ondergang. —ne ( dun'), a. ongedaan; vernietigd, verloren. Undoubt ed (un.daut'id), a. —edly, ad. nagetwijfeld. —fat, a. Met twijfelaohtig. —lag, a. vertrouwend, niet twijfelend. Undraln able (un-dreen'ibl), a. onnitdroogbear; onnitputtelijk. —ed( -dreend'). a niet drooggelegd, Undramatic (un-dre-met'llc), a. ongeachikt near het teoneel. Undraped (un•dreept'), a. ongedrapeerd, aaakt. Undvavvn (un-draonl, a. ntet getrokken; nlet geteekend. Undreaded (nn-dred'Id), a. ongevreeed. Undre ► .med (urt-driemdl, a. nlet gedroomd, ongedacht. Undress (un'drees), s. hutsgewaad; klein tenue. (dress'). v. a. ontkleeden; - a. alledaagsch. van steraad ontdoen. —ed (dreet'), a. ongekleed; onbewerkt; onbereld. Undeled (un-dratd'), a. ongedroogd. Undrinkable (un-dringletb1), a. ondrinkbaar. Undriven (un.driv'n), a. niet gedreven. Undrooping (un-droep'leng), a. niet verflauwend; Diet verelagen. Undue (un.djoe'), a. onbehoornik; niet Nersehe• nen. —neer, a. onbehoorlijkheid. Undula ry (un'djoe-le-rib), a. golvand. —te •eat), v. a. & n, doen golven. --lion (-iee'sjun), e. golving. —tam a. golvend. elinger!md. Unduly (un-djoe'llh), ad. onbehoorlijk. Undutiful (un-Coe'ti-foel), a. —1y, ad. wigshoorzaam; oneerbiedig. —nets. a. ongehoorzaarnhet d; oneerbiedigheid. Undying (undarieng), a. onvergenkelijk, oneterfeltjk. Unearned (un-urnd'), a. niet verdtend. Unearthly (un-urth'Ith), a. bovenaardech.


eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.

Hoe financier ik mijn Bitcoin portemonnee


KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

cryptogeld debit card


loosely; carelessly ; wantonly. —bandit', by. &I time of unloading. —ter, in. unloads,. lighterbw. disorderly, (limonite (-Iy), licentioue (-ly). man ; redeemer. —sing, v. unloading, discharge. —bandigheid, dissolutanese, licentioueness, —bar- redemption. rtes, to burst, to break out. —barsting. explo- Lot, o. fate, destiny; lot; chance; ticket. sehot en sion. —betten, to loosen by bathing. —bitten, to —, scot and lot, —genteen, Involved hi the same untie to undo) with one 's teeth. — binder, to fate: —genoot, companion In distress) adventure. —spat, frame at hazard, lottery. —auntie, to undo, to loosen. —bol, wild spark, —branden, to fire bedeeling,--sbestel, destiny. —overtetseeling, vicis libertine. —bollerU, mitade. off, to discharge. —branding, tiring, diocitarge. —brekett, to break lone, —l.reking, breaking loose. Lotellug, ea. conscript . --(lawmen, to undam. —dunien, to got loose by Lot en, on. w. to draw (to east) lots. —er, m. thawing. —draaien, to untwist, to Iwist off, to one that draws lots. Loteirell , v. lottery. --Lrieffe, lottery-ticket. turn loore.—drulreen,ele loosebrnewoor, --kontoor, lottery-office. —man, dealer in lotteryto get loose, to loosen, to unloose; lop) to fall upon, to attack. —gropes, to unbuckle. —grende- tickets lea, to unbolt. —haken, to unhook —hasten, to Tooting, v. drawing of (casting) lots; conseription. hang loose, to flee to dangle. — helpen, to fission in getting boor —hoofd, wild follow, giddy Looter. bv. pare, fine, massy; mere, bare. —, headed person. —hoofing, by. & b oo thoughtless bw. merely, barely. —aar, m. refiner. —es, ov, (-)y), giddy headed, githoly.—hoofdigheid,thouR,ht- w. to purify, to refine. --pan, clarifying-pan. knoopen., to —stat, etrangcry in horses, difficulty of staling. leseneso. —tionimen, to comb out. —heid, v. purity, flneress, maesiness, —lag, v. unbutton, to untie. —konten, to get boons, to be purifying, refining. released. —hoopen, to boy off. to ransom. to 11..ouw, a, Ze Zeiat. redeem. —looping. ransoming redemption. nen, to get tease; to release. --Eaten, to let loose; La•nvwl...11 4, s. January. to let alone, to let go; to release. —toting, release Low en. us. w. to praise, to commend, to glorify; to ask; — en bieden, to bargain. —er, m. praises; —twig, loose, lax. —!ijvioheid, looseness, laxity. walk loose, to be at liberty. —makes, one that asks a price. —loosen, to make loose, to b000en; to open, to untie; to Lub. Lubbe, v, cuff, ruff. deliver, to enfranchise. --makino, loosening Lubb on, ov. w. to geld, to castrate. —er, In. seller. —ing, v. gelding, castrations. opening, untying; liberation. —panken, to unpack. —protein to release (to liberaie) by erguing, — Lucht, v. air ; sky ; atinosphere ; wind, breeze; germ* aan, to give vent; tnnell, iment; match. by persuasion, —rakes, to set loose, to unloose, to open, to get off; to be released. —rijgen, to vent (relief) to. stta hart — peren, to open (to disclose) one 'a heart. de — hebben (kr(fgen) ran, unlace. —rijten, tie Longo/so:trots. —rotten, to unroll. —rukken, to pull loose, — open; ,rieh — to have in the wind, to get titan; (wind) of, to aounnige sam.), aerial. ethereal. smell out. — van, to disengage one 'n self by force. — orhero. case•inot. —scheuren, to tear off; .3 beck off; —oder, artery. —beachrtivinv.aerograg14. —bleatsick — van, to ;separate from. —.hearing ,t4, ariaa je, bubble, —bol, balloon, —rolis, air-pipe —dieht, (breaking) off ; separation. —schieten, sic Los- air-tight: be, & bw, hermetic (-ally). —dichtheid, sprIngen. —aehroeven, to unscrew. —sloe., to air-tightness. —got, air-hole, spiracle, —gesteldstrike off. --tosiiden, to cut loose, aeunder, held, climate, temperature of the air. — mita. off. —opelden, to unpin. —ispringen, to spring aerial spirit, sylph. —gesicht., slew of the air. (to get) loose, to unloose,. —otaan, to stand loose. --hartig, light-beerted, jolly. —hartigheid, lightstokes, to cut (to dig) off —tomes, to unsew, heartcdnees, jollity. —kastrel, castle in the alr; to unetiteh, to rip (opera;, to undo. —topnlig, —kande, pneumatics. —Odic, by. void of air ; o. ens Zie Los000ndiet, ea, —trekken, to pull vacuum. —leer, aerology. —meetkntide, aeroone(to tear) loose, —woaten, to blow (to be blown) try. —meter, aerometer. —pomp, air-pump• —An, off —weeken, to loosen by soakint. —weaken, to wind-pipe. —reit, aero•tatic voyage. —reiriger, —.hipper, aeronso.t. atmospheres. —sprinwork off, to mAke loose, to untie; rich —, to get ger, vaulter, tumbler, ceperer —sprung, caper, loose. —teinden, to untwist, to wrench off, to gambol. —etreek, climate, zone. —rerheeeling, urovrap.•to wring (to 'wrest, to wrench) --terschiinsel, troteor, phenomenon. —rormio, off. --xinnil, ent. Zie lotreboofeng. ens. —sit- aeriform —weegkoncle, oero4tatics. —wey,, glottis. ten, to be loose, —twacatelen, to unewaddle, to —welter, barometer. —en, ov, vv. to air; to match; unowethe. to bear, to suffer ; on, w. to ornell, to scent the 7, ,oetstonr, by. redeemable, game. —ig, by. & bw. airy (-Lyn light (-13"), clear iLorshold, v. looseness; uncertainty fickleness, inconstancy ; carelessness ; freeneso, easiness; (-Iy), thin (-1y); careless (-1y), jolly (-11y). —igArid, v. airiness, ilehtoese„ cleerness, thinness; dissoluteness. ILossies, bw. loosely, (molly; lightly, cursorily. carelessness, jollity. o. soft gale; can — Los son, ov. w. to loose, to loosen, to slacken; *chirps., to take the air, to air one 's self; on to release, to unload; to discharge, (to fire (A), ems gaan, to perish, to be lost. socket. —dug, day Lucifer, m. (phosphorisal) match. —ordoogie, Lox to redeem, to ransom. —prils, ransom. —ploate, for matches. for unloading. place for unloading, wharf; destination. —resale, Lull, by. & by. lazy (-ily), sluggish (.1y), idle, redeemable rent. —rentebrief, obligation. —10, idly, slothful (-1y). —aard, —bak —buff, —seem'
HEE.—HEL Iiiirettets,bv. & bw. hoarse (-1y). —achtly,bv. someIleelial,o. universe. what hoarse, --Acid, v. hoareeness. Heel bane, be. curable,healable. —en, ov. & on. w. to cure, to heal. —kracht, sanative (healing) Ilieeater, m. shrub. —geteae, shrub. —achtig, be. power. —foetid. medicinal herb. el —kunde, shrubby. (ran koortel; batty, surgery. —kundig. surgical. —kundige, —.eater, Sleet, ha. hot, sultry, burning irritable, testy; lewd (op) eager after, fond of. surgeon. —ssiddel, healing-remedy. —pleieter, op —er daad, in the very act. —etranen ac*reicn, healing-plaster. —tleeich, flesh easily healing. bw. hotly, warmly; eagerly, to weep bitterly. Reel held, v. wholeness, entireness; reservedness, toe, there Wes hot work briskly. het sing er —big, v. curing, healing. von de noald, new off the irons. —hoofd, hotHee/star, v. Zie Melee. & bw. hat-headed, littera, o. farm. —raad, dike-reeve. —raadschap, braille.' person. —hoofdig, be—hoofdigheid, v. hothasty ( - fly), passionate (-ly). office of a dike-reeve. —stede, farm. —stederld, headedneee, hastiness, paettionateness. —en, ov. tax upon farm, —ewortel, marsh-mallows, to heat, to orate hut, to chafe. w. glean, bw. away. -- en weer, to and fro. bid; II"congas's, on. w. to go away. dot goat nog al iliveteen, ov. w. to call, to name; to ordereto liegen, to on. w. to be called, to be carved. keen, that will do. give the Ile. hoe heet gij? what is your name? itieettkomen, on. w. to get away. o. escape. Ileetheld, v. hotness; hestinese, irritableness; een goed — tcehen, to make ones eacepe. lewdness. II eenloopeta, on. w. to run away. tarp get you gone! — over, to do carelessly, to bungle Clefs hiniwe, v. dregs, leer, sediment. — dee Yolks, (the) rabble. (to botch) up. icera, ov. w. to lift, to heave; to roles, to levy. Ileensnoatan„ on. w. to be obliged to go. wear --boom, lever. —deeg, leaven. —offer,heeve offerreactdat keen? what will it come to? ing. fee, m. —ster, v. colour. —ling, v. raising; linen refs, v. de -arture; voyage out. —reizen, on. tax. w. to set out, to depart. Halt. o. Zie Hecht. IlleenrUden, on. w. to ride (to drive) away. & bw. Ziellewtg. Illemnsleepen,ov. w. to drag along. garden. shears. )Flies , tingle, v. ireege. feechaar, ilieensluipen, on. w. to steal (to sneak) /nitay. — geyser, firing by platoons. lifeenallappen, on. w. to mar ch off. If es, tsw. ho I hone ! Ifeentoeht, no, departure, marching oil. net, v. heath; broom. —bezen,, broom. —Noon, II veontriekketr, on. w. to set (to march off. wild teyine. —boender, broom. —brand, heathIleenvaren, on. w. to net sail, to eat off. fire. —damp, —rook. heath smeke. —krskel, heath.Ilfeenvileden, pn, W. to fly, to escape. cricket. Zie ook Heide. ileen.ellen, on. w .to salt sway. Del, v. beetle, rammer. —baas, ram-master. —blok, neenzUts, on. w. to be gone, to be far off. rammer. —petal, pile. —atel:ing, ramming-frame. lleep,v.ohopping-knife. —week, piling, pile-work. m, master, lord; Lord (God, Christ); gentleman, air; king (in 't kaartspe!). de groote —, the Heide, v. heath; broom. —Wens, wild thyme, heath. flower. — grond, —Nod, —veld, heath. Grand Seignor. den yr. 00ten sitkangen (epee.), —krutcl, —plant, heather. to lord it. nt(ine —en, gentlemen. de — A, Mr. A. —dom, de — A en B, Messrs A. and B. —, o. Zie illeir. hi eideca, m. heathen, pagan, gentile; gipey. o. heathenism, paganism. —ash, be. & ha. —gemaad, feudal gift. —ova, your (his) rev crence. heathen, heathenish (-ly), pagan; terrible (- hip), endtenst, statute-labor. —enexia, manor-house, annoying. mansion; gentleman's house. enkneeht, footman., servant. —enlogement, hotel for gentleteer. —en- Iieldin, v. gipsy. to pile; on. w. to loon, high wages. —tenstraat, public street. f. - Itch en, or. w. to ram (in), draw a great deal of water, to go very deep . to weg, high-way. --alhtig, be. gent!emaniike. pitch, to plunge. —er, xri, rammer. —ing,v . rembe. manorial, belonging to a lord; lev & bw . mleg. grand (-Iy), magnificent (Ay), delicious (-1y), delightful (-Iy). —1(ikheid, v.:eeigniorage.zeigniory, lie-il, o. heppiness ; prosperity; bliss, saleetion. —belle, good wish. •—beelerio,demiroutt after bliss, manor; lordship; grandeur, magnificence, delight—bron, —font ein, source eat (salv att.), fulness; eternal, bliss. fountain (of bliss. — drank, toast, health. --rVic, v. imIltersehaehlig, be. imperious. ralutary, t'teelul. —wensch, felicitation. periousness. d, xnn. Sevior. Illeerselanp, e. master, lord, gentleman; fellow. v. dominion, power, (Rove ...sign) authority, latrilhoit, v. halibut; brill. bw. holy (-11y), carrel (-Iy). verequig, be. role, sway, empire. —one; en, to rule, to bear, been, to eationiZe., ter saiLt, —arond„ eve, klaren, sway. os aecruna. — bitter, bitter. holy. —makend. sanctiIllearech en, on. w. to rule, to reign, V; coverer; to domineer; to rage, to prevail. —eueet, ambi- fying. — maker, sanctifier. —makinp, eauctiflcatton. —scherder, secrilegist. — sehesedig, — schention, despotism. —etteetig, be. & So'. ambitioue wend, eet,rileg , otia. —schennis, sacrIlisge. —erre(-1y), imperious (-ly). —zuchtigheid, ambition. kend, —yerklaring, cenonleation. --gout, o. sancimperiousnees. end, be. reigeing, domirant, tuary; relic; —shui4je, eepository of :sacred thing, prevailing; —c godsdienet, established religion. Act —er, m. ruler, governor. es, v. governess. hte'iIlg a, m. & v. saint; patron, patrounta. —e der —en, the Holy of ilolits. —enbeeld, image —lag, a. reign, dominion.
Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet

Visor (viz'or), a. vizier; masker. ed (-tut!), a. gemaakerd. `Vista ( vis'ta), a. gezicbt., ultzicht. Viavvett (viejoe-e1)., a. gezichts . — angle, gezichtshnek.— nerve, gezieaszennw. Vital (vitytell, a. --ly ad. levees-; levend; wesenlijk.—itp(-tent-tih), a levenskracht; levers. —.a tali); pi, leveusdeelen. Vitt rile (tisri-eet), v. a, bederven; schenden; ongeldig matte:, --ation (-ee'sjun), a. bederving; sehendtng. —oaily i os'it,t1h), a. verdorverbeld, gebrfkkigheid.—owt, a. verdorven, gebrekklg. Vitreous (vit'ri a. glaz..n; glszachtig. —nese, glaRtichtigheid. Witreacen ce (vi-treesent), s. glaswording. —t, a. glaswordend. Vitrit action (vit-rl-fek'sjun), a. glamaking, verglasing. —idle abaar. —teatime (-elf-i-ke .'sow, a. Zle Vitrifaction. —y (vit'rl. VW, v. a. & v.. in glee aceanderen. Vitriol (vit'ri-ul).. s. vitriool. —ate -eel). —ice (-aJz), v. a. in vitrioolzuur veranderen. —ic (-or:k), a. vitrioolachtig; —acid, itrfoolzuur, Vituline (vit'joe-lajn), a. kalfs-, kalver-, Vitupern to (vi-tjoe'pur-eet), v. a. lakert, berispen. —lion (•ee'sjurt)., a. berieping. —live (-eels), a.lakenti,berispend. Vivael otos (vi-vetemjus), a. levendig, vroolijk; langlevend, s. levendigheid,,roolijkheld. Via- say (verve-rib), s. diergaardo; vischvijv er. Vivid (viv'td), a. —ly,, ad. levendig; hetde r. —neat, a.levendigheld. Vivific (vaj-virik). —al, a. levendmakend; healslend. —ate (-ikeet), v. a. levend makes; bezielen. —alias (viv-if-1-kee'aittn), a. levendmaking; bezieling. k,e-tiv), R. levendmakend. VivI ller (71,1-faj or), a. levendtnaker; bezieler. fy ( - r.3), v. a. loveld waken; bezielen. —parous (vaj-vip'e eta), a. lemidejongra werpend. —tee.
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×