Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond- 

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×