,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


Bury (ber'ih), a. begraven. —ing, a. begrafenis. —log-place, begraafplaats. Bush (boesj), a. atruik; kreupelbosch. —el, a. achepel. s. lommerigheid. —y, a. struikig; mtg. Bus lly (bit'i-Ilh), ad. tjverig, bezig. —iness (bieness), a. bezigheid; berocp; aangelegenheid, zaken; to net up in —, eene sank beginnen. Busk (busk), a. planchet. —et, a. bosachage. —in, a. tooneellaars; tooneelspel. Buss (buss), a. bus; haringbuts. —, v. a. kussen. Bust (bust), a. boratbeeld. § —, v. n. bankroet gaan, —ard (bust'ard), a. trapgans. —er, a. gevaarte; acherts. Bustle (basil), a. rumoer, gewoel. —, v. n. woelen, veel beweging maken. (about) heen en weer dribbelen. (away) nigh wegapoeden. —r, a. bedrijvig mensch. Busy (biz'ih), a. bezig, onruatig. —, v. a. bin* houcien. —body, albe , chik. prp. behalve. But (but), conj. natter, doch. —, ad. slechts. — for, zonder; ware het niet om. But (but), a. grens; ulteinde. —, v. n. aanraken. —sling, topreep. Butcher (boetarur), a. vleeschhonwer. —, v. a. slachten; vermoorden. —bird, negendooder. —row, vleeschbank. —ly, ad. moorddadig. —y,s. vleeschhouwer(j; slachting. Butler (but'iur), a. bottelier, keldermeester. —ship, a. bottelierachap. Butment lbut-ment), a. gedeelte van een gewelf. Butt (but), a. doelwit, mikpunt; stout; vat. —end, stomp einde; geweerkolf. —, v. a. atooten. Butte (but), a. verhevenheld, heuvel. Butter (burtur), s. boter. —, v. a. boteren; den inzet verdubbelen. —bump, roerdomp. —bur, paardeklauw. —crock, boterpot. —cup, kraatevoet. —flower, boterbloem. —fly, vlinder. —milk, karnemelk. —nut, olienoot. 7-pear, boterpeer. —print, boterspaan. —tooth, entjtand. —tub, hoterton, botervlootje. —y, a. aptjakast; a. balerachtig. Buttock (but'tuk), a. bil; spiegel (van een sehipl; kruie (van sett paard). Button (burtn), a. knoop; knop; zee-egel. —, v. a. knoopen. —hole, knoopsgat. 5 --wood,wilde vijgeboom. Buttress (but'tress)„ a. beer; stutmuur; ateun, —, v. a. onderetutten, sehragen. Butwink (burwinkl, a. kievit. Butyraceous (bjoe-ti-ree'sjus), a. boterachtlg. Butyrous (bjoe'tt-rue), a. Zie Butyraceous. Buxom (buks'um), a. —ly, ad. vrooltjk, dartel. —nets, a. vroolijkheid. a. Buy (baj):[bought (baot)], v. a. itoopen.• kooper. Buzz (bun), a. gegons. —, v. a. toefinisteren; in bet geheim verapreiden; v. n. gonzen; fluisteren. —er, a. oorblazer. Buzzard (burzurd), a. havik; domkop. By (baj), prp. door; naast; bij, met; om; voor. —, ad. nabij; tegenwoordig; voorblj; langs. 'Araks. — the —, wat ik zeggen wil. — and dicht bij. — the way, in bet voorbtjgaan. hard to get — heart, van batten leeren. — the boat, per boot. — sea, over zee. —far, varreweg. —bidder,

Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.
krult. —bag, poeierzak. —barrel, kruitvaatje. Frailty (prev'it-till), s. bedorvenheid. —box, poeierdoes. —cart, kruitwagen. —case, Prawn (preen), a. garnaal. kruitboren. —chest, kruitkiat. —horn, kruttharen, Praxis (preks'is), a, oefening, praktijk. —ink, inktpoeier. —magazine, kruit magazbn; Pray (pree'i, v. a. & n. bidden; verzoeken. — kruitkamer. —mitt, kruitmolen. —monkey, ge- int. ell-level poelerde lakei; kruidjongen. —moos, stuifmos. Prayer (pree'ur), a. gebedi yersoek; bidder; verseeker. the Lord's —, het Onto Vader. ge• —puff, poelerkwast. —room, krultkamer. —sugar, bedenboek. —Jul, a. — fully. ad. godsdienstig, fijne (geraspte) sucker. vroom. —less, a. onigodechenstig. Powder (pau'dur), v. a. vergrutzen; poeieren; beetroolen; v. n. tot genie morden; komen aan- Preach (prietsj5, v. a. & n. prediken; (down) sterk afkeuren, bveren tegen : (up) aanprbzen, et uiven, overvellen (upon). —ing-tub,vleeschkuip; roemen. —er, a. prediker. —ership, s. prediketoombad. —y, a. atoflig; kruimelig. Power (pauw'ur), a. macht, vermogen; aanz,len, ambt. —ing, a. predikatie, presk, —man, s. preeker; zwartrok. —meat, a. gepreek, preekerbinvloed; rnogendheid; volmacht. s.stoomweefgetouw. —press, snelpers. —ful, a. —fully, Preacquaintanee (prl-ek-kweent'ens), s. voorlooplge (vroegere) kennia. ad. machtig; krachtig. —fullness, a. macht, Preadannte (pri-ed'em.ajt), a. menech v66r eterkte. —less, a. machteloos, zwak. Adam; pre-adamiet. P ► wldron (paul'drun), e. schouderplaat. Preadmoni sh (pri•ed-mon'isj), R. vooraf verPowder (pau'turi, s. kropduif. Pox (poke), a. pokken. chicken—, windpokken. manen. — lion (-mo-nisrun),s.voorafgaande wearSehuwing. French spaansche pokken. small —, kinder Pream ble (pri'embi), a. inleiding. —ble, v. e. pokken. van eene Wielding voorzien. —bulatory (-em' Woe(poj), a. balanceeretok. le-tur-rih), a. voorafgaand. Practic able (prek'ti-kibl), a. —ably, ad. uitvoerbasr, doenibk. —ability (-ke-bil'it-tih), Preapprehenetion (pri-ep-pri-hen'ejun),s.voor, —ableness, a. uitvoerbaarheid, d ,enlbkheid; toe- oordeel. passelbkheid. —a/, a. —ally, ad. werkdadig,uit- Preaudience (pri-ao'di-ens:, a. (recht op) voorafgaand verhoor. vefenend, praktisch. —alness, s. (bet)praktische. —e (-tie), a. uitoefening; praktijk; verrich Hug; Prebend ( pre b'ind), a. prebende,domheersplaats. —al (pre-ben'del), a. van eene prebende. —ary toepassIng; gewoonte; gebruik; wbze; bedreven- 1-de-rth), s. domheer. held; kunstgreep. Praonsant (prek'ti.zeat), s. helper; zaakgelas- Precarious (pre-kee'ri us), a. —ly, ad. otaeker, wisaelvallig. —ness, s. onzekerheid. tigde. Practise (prek'tis), v. a. uttoefenen, verrialten; Precut lye (prek'e-tiv), —ory, a. smeekend, biddend. in toepassing brengen; v. n. practlseeren; work- zaam zijn; etch oefeuen; in het geheim onder- Precaution (pre-kao'sjun), a. voorzorg. —, v, a. hsndelen; (on. upon) overhalen, een' aanslag me- vooraf wearschuwen. —al, —ary, a. voorbehoeIs en op —r, a. uitoefenaar; zaakkundlge, ervaren deed; van voorzorg . mensch; , praktizijn; practiseerend geneeeheer; in• Priced e (pre-sled'), v. a. voorgaan, voerafgaan. —tare, —ency, a. voorrang. —ent,—ing, a. —eaty, t rIgaut. Practitioner(prek-tisrun-ur),a.Zie.Practiser. ad . voorafgeaud, vroeger. —eat (pres'e-dent), a. Pragmatic (preg-met'ik), —at, s. —ally, ad. al- voorbeeld, dergelijk gemeen nuttig, leerrtjk, pragmatiseh; bemoei• Precentor (pre-sen'tur), a. voorzanger. ziek, neuswbs. —alncss, s. bemoeizwht; neus- Precept (pri'rept), a. voorscbrift, bevel. wbeheid. Precept ive (pre•sept'iv), --ory (pres'ip-tur-rih., Prairie (pree'ri), a. grasvlakte, prairie. —dog, a. voorschrijvend; onderrichtend. —or, a. leermormeldier. —lien, hazelhoen. meester. —rest, a. leernieesteres. Praise (preen'), a. to!, roam, lofspraak. —, v. a. Precession (pre-Besrun), a. (het) voorgaan. loven, prtjzen. —fug, a. loffelijk. —lens, a. on- Precinct (pri'eingkt), e. grew distrikt. loffelijk. —r, s. prbzer, loftuiter. —worthy, a Precioso (p.reaj'us), a. —1y, ad. kostbaar, koslofwaardig. —worthiness, a. lofeltardigkeid. telijk. — stone, edelgeeteente. —nest, s. kostbaarPrance (praans'), v. n, steigeren, springen; held. pronken; eene hooge borat zetten. —r. s. pare- Precipice (pres'l-pie), a. afgrond, stellte. depaard. Preciplt ance (pre-sipl-tens), —ancy, a. overPrank (prenxr), a. guitenatreek, schalkerii. —ant, a. —antly, ad. nederstortend; haas v. a. opachikken, oppronken. —er, a. pronker. big , overbid. —ant, a. neerslaand middel. —ate, —ing, a. opsehik. —ish, e.schalksch, enaaksch, a. —ately, ad. (-tet.), steil; haastig, overbid. —ate ( tet), a. nederplofsel. —ate (-teat), v. a. Prase (preen), a. chrysopras (mineraal), & n. (doen) nederitorten; (doen) nederploffen; Prat a (preet'), a. geproat, gesnap. — e, vV. tt.tt n. (zich) overhassten. —ation ( tee'sjun), a. nedernabbelen, snappen, —er, a. snapper. —ing, a. starting; overijling; nederploffing; bezinksel. praatztek; a. het praten; gepraat (-tee-tur), a. bespoediger, overhaaster, Francine (pret'ik), e. bewhs van volbrachte qua- —out, a. —ously, ad. steil; overijld; vuorbarig. rantaine. —ousness, a. overtjling. Itrattle (pret'tl), a. gewavirel, geanap. v. n. Precis e (pre sajs'), a. —ely, ad. eilpt; juist; wawelen, snappen. —r, e. wnwelaar, snapper. nauwkeurig; overdreven nauwgezet. —cocas, a.
Equanim ity i(iekwe-nirn'it-tih), a. gelijkmoedigheid. —out' (-kwen'i-mus), a. geltjkmoedig. Equation (e-kwee'sjun), a. vergelijking; equatie. Equator (e-kwee'tur), a. evenaar, evennachtslijn. —ial (i-kwe-to'ri-e1), a. tot den crooner behoorend. Equerry (ek'wer-rila), a. stalmeester. Equestrian (e-kwes'tri-en), a. to paard zittend; . ridderlijk. —atatue, ruiterstandbeeld. Equiangular (1-kwi-eng'gjoe-ler), ti.gelijkhoekig. Equicrural (i-kwi-kroe'rel), a. geltjkbeenig. Equidistan ce(i-kwi. d Wiens 1,.. gelijke afatand, a. —tip, ad. op gelijken Ostend. Equifortnity (i-kwi-forneit-tih), a. geltjkvormigheid. Equilateral (Pkwilet'ur-e1), a. gelijkadig. Equilibr ate t(i-kwi-lArbreet), v. a. in evenwicht brengen. —ation (-1i-bree'ejun), —ium (-lib' ri-um), a. evenwicht. —ioua (-lib'ri•us), a. evenwichtig. —let, (e-kwil'i-briat), s. balanseerder; koorddenser. —ity (-lib'rit-tih), a. gelijkheid van gewicht. Equin eel (e-kwaj'nel), —e (i'kwajn), a. paarden bet reffend. Equi noctial (i-kwi-nok'ejel), a. de nachteve• ning betreffend; s. evennechtsltjn. —nox (i'kwinoks), a. nachtevening. Equinumerant (i-kwi-njoe'mur-eat), a. gelijktallig. Equip (e-kwip'), v. a. uitrusten. —age (ek'svipidij), s. uitrusting; kleeding; reisgoed; gevolg; rijtuig; acheepabemanning. —aged (ek'wi-pidejd), a. wel uitgerust. —meat, a. nitrusting. Equipoise (Pkwi-pojz), a. evenwicht. Equipollen ce (i-kwi-porlens), a. gelijklield von macht (kracht). —t, a. gelijk van macht (kracht). Equiponder ance (1-kwi-pon'dur•ens), s. ge• lijkheid van gewicht. —ant, —oua, a. gelijkwiehtig. —ate, (-eat), v. n. even zwaar wegen. Equit able (ek'wi-tibl), a. —ably, ad. rechtschapen; onpartijdig. —abl oleos, e. held; rechtachapenheid; onpartijdigheid. —alien (-tee'sjun), 5. rijkunst; (het) paardrilden. —y, s. Zie Equitableness. Equivalen ce (e-kwiv'e-lens), a. geltjkheid van waarde. —t, a. van gelijke waarde (kracht, be teekenis); a. tegenwaarde; vergoeding; equivalent. Equivoc al (e-kwiv'o-kel), a. —ally, ad.dubbelzinnig. —alneaa, s. dubbelzinnigheid. —ate (-keet). v. n. dubbelzinnig speeken. —ation (-keesjun), a. (het) dubbelzinnig tontwijkend) spreken.—ator (-keetur), a, dubbeizinnig spreker. Equivoke (ek'wi-vook, a. dubbelzinnige uitdrukking. Era (ie're), s. jaartelling. Eradia te (e.ree'di-eet), v. n. stralen schieten. —lion (-ee'sjun), a. straling. Eradica tc (e-red'i-keet), v. R. ontwortelen. —lion (-kee'sjun), a. ontworteling; uitroeiing. —live (-ke-tiv), a. ultroeiend; in den grond genezend; s. middel, dat in den grond geneest. Eras a (e-reel'), v. a. ultkrabben, doorhalen; slechten. —ement, a. uitwisschlag, doorschrapping; sleehting. —ion (e•ree'zjun), —ure, (e-ree' zjoer), e. ultkrabbing, dcorhaling; slechting. Ere (ear), ad. err, vroeger den. —long, ad. eer-
(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at
Abeeedar ian lee-bi- si-dee'ri-en), a. a-b-c-onderwljzer; a-b-c-scholier. —y (-si'de-rih); a. a-b- book; a. tot het alphabet behoorend. Abed (e-bed'), ad. te bed. Abele le-biel'I, s. abeel, witte populien Abel tree (ee'bl-trie), a. Zie Abele. Aberdeen (eb-ur-dien'), —fah, labberdaan. Aberrn nee (eb-er'rens), —tion t-ree'ajun), a. afwijking, afdwaling Aberuncate (eb-i-run'keet), v. a. ontwortelen; uttroeien. Abet (e-bet'), v. R. aanhttsen, opstokea; bijstaan. —meat, a. opstoking; hull, —tor, a. aNnhitser; medeplichtige; valsche beschuldigerAbeyance (e-bee'ens), a. toekomstig bezit.in—, onbeheerd. Abhor (eb-horl, v. a. verafschuwen, gruwen van. —rence (-rena), a. verfoeiing, afsehuw (from. of). —rent, a. gruwend; (from. to) mtrijdig met. Abid e (e-bajd') [abode (e-hood')], v. a. verwachten; dulden, bijstaan. —, v. n, vertoeven, wonen (at. in. with); (by) volharden bij. —er, a. 1nwoner. —ing, a. verblijf, duur. —ing-place, a. verblijfplasts. Abigail (eb"-i-Reel), a. kamenier. Ability (e-btrit-tih), s. bekwaamheid. —ies (-tiez), 5. begaafdheden. Abintestate teb-in-tea'ret), a. zonder testament. —, a. erfeenaam volgens de wet. Abject (eb'dzjekt), a. — ly, ad. verachtelijk, gemeen, snood. —, a. verworpeling. Abject (eb-dzjekt'), v. a. verwerpen, verfoeien. —edness, a. verworpenheld. —ion (-dzjek'sjun), (eb'dzjekt-nese), a. anoodheid; verootmoedicing. Abiludleat e (eb-dzjoe'dl-keet), v, a. bij vonnis aan een ander toewijzen. —ion ( kee'sjun), gerechtelbke ontzegging. Alklugate (eb'dzjoe-geet), v. a. bevrijden van het juk. Abjur ation (eb-dzjoe-ree'sjun), a. afzwering. —e (-dzjoer'), v. a. afzweren. Ablactat e (eb-lerteet), v. a. spenen; op-enters. —ion (-tee'sjun), a. spening; op-eating. Abinquention (eb-lee-kwi-ee'sjun), s. blootlegging der wortela. Abintl on (eb-lee'sjuo); s. wegneming. —re lebne-tiv), a. ablativus; a. wegnemend. Ablaze le-bleez"), a. vurig, in vlam. Able tee'b11, a. bekwaam; vermogend. to be —, in staat zijn, vermogen. —bodied (-bod'did), aterk; atevig gebouwd. —ness, 5. bekwaamheid; vermogen. Ably (ee'blih) ad. handig.
(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den
GnE;,xy (eel' eke lit), a. Melkweg.; schitte•ende ver. G ailltWOH (getramun), a, gam; triktrak; bedrog; reniging. ( zwetterij. —, v. a. tot ham maken; vastzetteu ; Gailtbanum (gel'be-num), s. zekere barssoort. bedriegen. —ing, S. woeling (van den boegspriet). (geel), a. koelte, windylftag. fresh —,stijie —ing-stole, woelingsgat. koelte. fainting —, ongestadige wind, Gamut (gem'ut), s. toonladder. Gale. (gee'li-e) a. helm; geslacht van zeeligels. Gander (gen'dur), a. gent. —goose, knaapjeskrulta Galess (geenes), a. galja, Gang (geng'), a. bende; ploeg. —board, gangbool d; Galleated (gee'li-eet-id), a. met een' helm gedeki. loopplank. —days, omgangsdagen. —way, gang(infests" (ge-li'ne), s. loodzwavel. board; valreep. —week, omgangoweek. Galiot (geljut), a. galjoot. Ganglion (gen'gli-an), a. peeeknoop. Gall (gaoll'a a. gal; galnoota wrok, kwaadaardia- Gnawer" e (geug'grien), a, kood your. —e, v, a. held; rauwe plek. —bladder, galblaas. —nut, gal invreten; v. a. hood state krijgen. —ous (-gre-nus), noot. —, v, a, afsehaven (de huid); kweilen; Nan. a, ingevreten, rottend. sehrijnen;schuren, achaveelen; zich ergeren. Gant ;et (gentlit), —lope (-loop), a. (het) spitsGallant (gel'ient), a. —ly, ad. braaf, dapperesder- rob loopen, lijk. —, s. dapper man; bezaanavlag. --,,e88, a. GlikillZa (gen'ze), a. wilds Bans (verdieht). braafbeid; dapperheid, —ry, s. braafheid;dagper- Gaol (dzjeel'), a, gevangenita —, v. a. kerkeren. held; zwierigheid; galanterie. —bird, gevangene. —er, a. eipier. bisaliont (gel-laant'a a. —1y,"ad. hoffelijk, plant. Gap (gets'), a. gaping, leenrte; opening; brew; • —, a, . minnaar, vrouwertgek. —, v. n. galani zijn. sehaard. —toothed, met openingen tusaehen de Galleon (gel'li - un), a. galjoeu. tandem Gallery igelle - rthI, a. galerij. —ladder, stereo- Gape (geep'), v. n. geeuwen; gapen. (at) aangaladder. —;.am, baklijst der galerlij. stern—, wester- I pen. (for) hunkeren naar. —r, s. gaper. gang. 1 Garb (gaarb), a. gewaad, kleedine,a uiterlijk; garf. Galliey (gel'lih), s. gale); kombuis; zetplankje, Garbage (gaar'bidzj), a. ingewanden (van een —aline, galeiboef. I beest), afval. Gallifee (ga'sll'ik), a. galachtig. ; Garbel (gaar'bil), a. bodemp!ank. ((ionic (genik), a. gallisch. --an (-ken), R. gal-, Garble (gaar'b1)., v. a. uitziften; vermlatten. —r, likaanseh. —is a (-1i-sizm) , s. fransehe spreek-; a. sifter, uitzoeker. —a, a. otitschot (van het wilze. I gezifte). Gaill gaskins (gel li-ges'kinz), a. wijde brook. Garboserd (gaar'boord), a. kielplank. —matte (-reee'sji-e), a. wartaal. —ntaufry I.MPO' Garbo!! (gaar'bejla a. opsehudding. Cribs), s. hutspot; mengelmoes. —naccous (-nee' Garden (gaar'dn;, a. tutu. —creases, tuinkera. sjua), a. fezantaelitig. —pot, apothekers-potje.. —frame, ream van een' broeibak. —house, . tuinGalion (gel'lun), a. gallon (voehomnat). ; huieje. —mould, tuinaarde. —plot, perk. —tal/age, Galtloont (gel-losn'), a. galon. n tuinbolow. —staff, —ware, tuingroenten. —, v. a. Gallop (gellup). s. galop. —, v. n. galoppeeren. tot thin aanleggen; v.n. tuinieren. —er,s. tuin-er, a. renner; OUR. ; man. —ing , s. tuinbouw, hovenierskunst. Gmlleiway (writ:I-wee), klepper. ' Gargarlstn (gaar'ge-rizna), a. gorgeldrank. Gallows (gel'itte), fs. galg; bretele. —, --bird, Gargle (gaaegl), a. gorgeldrank. —, v. a. gor-clapper, galgebroli. —free, awn d.e galg ontko- gelen. men. —tree, gaighout. , Gargol (gaar'got;), a. gortigheid (der varkene)• Golly (gao'iliha, R. galachtig. —worm, duizena- Garish (geer'isj), a. kie Galrish. poot. i Garland (gaar'lend), a, bloemenkrans. —, v. R. Galocbe (ge-looej'), s. overschoen. I bt kransen. , Garlic (ganelik)„ a, knofionk. —eater, g•rneene Galore (ge-)oar'), a. overyloed. Galva ale (gel-ven'ik), a. galyaniseh. I vent. Glii.Vall. ism (gel'yen-izrn), a, galvanism.. —are' Garment (gaaernent), a. kleedingstuk. (ajz), v. a. galveniqeeren. Garner (gaar'nur), a, korensehuur. —, v. a. in Gambadoes (gam-bee'dooz), s. rij-slopkousen.i de scLnur (op zolder) bergen. Gamble (gem'bl), a. a. ern geld spelen, (away)I Garnet (gaar'nit), a. granaat; taket. yerepelen. —r, e. dabbelaar. Garni,lts (gaar'niaja, 8. garneerael; boeien; wel,LItemboge (gem - boedzj'), a. goottegom, komst. —, v. R. garneeren; boeien; waassettuwen. —er, a. versterder. —went, a. versiersel; wearGambol (garn'bul), z. bokkesprong. --.., v n, huppelen, spring en. schuwirm. Gambrel (gem'brila a. achterpoot van een paavd; Garniture (goiar'ni tjoer), a. verelerael. spanhout. —, v. a. she pooten !Auden; nit- Garret (aer'rit), a. vliering; zolderkameetje. —eer (-ier'), a. vlieringbewoner. spanueu. Game (geem'), a. spot; veldvermaak; wild; jaeht; Garrison (ger'rosn), R. garuizoen. —, v. a. met boert; spat. —cock, keainhaan. —keeper, wild- bezetting voorzien. octal, koddebeier. —pouch, weitaach- —, v. n. Garrot (ger'rut), v, a. knevelen as berooven. am ge ld a p e ie, --sense, a. --comely, ad. dartel, Garrul lily (gee-roe'lit-tih), a. praataelitigheid. spee(ech. —someness, a. dartelheid, speelsaheid. —out; (ger'roe-lus), a. anapaehti•. Garter (gaar'tur), s. kouleband. —, v. a. met —ster (•slur), a. speleie grappenmaker. een' kouseband binden. d'hming (geenfieng), a. (het) spelen. --house, speelbnis. --table, apeeltafea Garth (gaarth), a. kamp, perk; viseltareer; gordel. Gale
De verzekerde wil het beveiligingsbeleid toepassen dat voor de groep besloten werd met behoud van de specifieke behoeften en de autonomie van het beheer in elk filiaal op basis van het bijzondere profiel van de debiteurenportefeuille (franchise, verzekerd bedrag) van elkeen en het financiële vermogen om deel te nemen aan het programma (premie). tc-re.com
Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,
,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,

EJ U. --EMS . uiteturting. —dtent, a. uitstootingbrief; uitwerUlulation (ed-zjoe-lee'sjun), s. jammerkreet; gehuil. Eke (ielc,, ad. ook, insgelijks, —, v. a. vermeerderen; uittrekken; uitspinnen. Eking (iek'ieng), s. grooter- (langer•) wording. —piece, verlengatuk. Elabora te (e-leb'ur-ret), a. —tely, ad. doorwrocht. —te (-reel), v. a. met zorg bewerken. s. doorwrochtheid. —tion (-ree'ejun), a. zorgvu!dige bewerking. Elapse (e-leps'). v. n. verloopen, voorbijgaau. Elastic (e-les'tik), —al, a. veerkr achtig. —ity (i-les-tis'it-tih), s. veerkracht. Elat e (c-lest'), a. opgeblazen, trotach. —ed, a. opgeblazen (with). —e, v. a. opgeblazen maken; verheffen. —ion (-lee'sjun), s. opgeblezentkeid. Elbow (el'bo), a. elleboog; bocht. at —, bij de hand. to be always at one's —, steeds om en bi.j iemand —chair, armstoel. —room, ruimte, speling. —scraper, speelman. —shaker, dobbelaar. —, v. a. met den elleboog srootee; (out) uitstooten, V. .n. uitspringen (met een' hoelr). Elder (el'dur), a. ouder. a. ouder persoon; soonest; ouderling; vlierboom. —berry, vlierbe, —ly, a. bejaard. —e, s. oudsten (des yolks). s. ouderlingsehap; eerstgeboorte. Eldest (el'dist), a. oudste. Elecampane (el-e-kem-peen'), s. ala,ntswortel. Elect (e-lekt,'), a. verkozen; uitverkoren. —, v. a. verkiezen. —ion (-lek'ejun), s. verkieziug; voorverkiezing; —law, kieswet. --ioneering (-lek. sjun-ier'ieng), s. stemrnenwerving. —ive, a. —ively, ad. verkiezend; kiesgerechtigd. —or, skiezer; keurvorst. --oral, a. eeue verkiezing betreffend; keurvorstelijk. —orate (-ur- et), s. keurvorstendom. --cress. a. keurvorstin. —orship, s. kiezersehap. Electric (e-lek'trik), —al, a. electrisch, aantrekkend. —ity a. electriciteit. Electrification (e-lek-tri-fl-kee'sjun)," a. electriseering. Electri liable (e-lek'tri.faj-ibl), a. electriseerbear. —fy (-faj), —trite (-trajz), v. a. electriseeren. —fy:mg-machine, electriseer-machine. Elect rometer (i.lek- trourk'i-tur), s. elestrorneter. Electuary (e-lekt'joe-e-rih), s. slikartsen'.j. Eleemosynary (el-i-enoz'i-ne-rili), a. els aalrnoes gegeven. a. the van ealmoezen leeft. Ela.gan cc (el'e gens), —cy, s. sierlijkheid, netheid. —t, a. —tly, ad. sierlijk, keurig. Eleg lac (el-e.cizarek), a, klagend, treurig, elegisch; —poem, treurzang. —last (-est)r —ist (el' e-dzjist), s. treurzangdichter. —y (el'e-dzjih), s. treurzang. Element (el'e-ment), s. hoofdstof; bestanddeel. —at, —ary, (-ment'-), a. hoofdstoffelijk; oorspronkelijk; enkelvoudig; aanvankelijk. Elench (e-lengk', e-lentsy), s. drogrede. Elephant (el'e-Pent), a. olifant; ivoor. —driver, kornak. —iasis (-taj'e-sis), s. schurft. —.ins (-fen' tin), a. olifantachtig; ivoren. Eleva te (el'e-vet), a. verheven. —te (-vest),


143 a. on—iblettese, a. ongevoeligheld, onvatbaarheld voor limperspicu it y (im-par-spik-joe'it-tih), aandoening. a. Zie Impassible. duidelijkheid. -one (-apik'joe-us), a. onduidelijk. te Impassion (im-pesfun), —ate, v. a. achokken, Impersuasible (im-pur-swee'zibl), a. net sterk aandoen. —ate (-et), a. hevig aangedaan; overreden. Impertinen ce (im-pur'ti-nens), — cy, C. (mitegevoelloos. —ed, (-and), a. hartstochtelUk. limpets* atlon (im-pea-tee'sjun), a. plelaterdeeg. pastheid ; onvoegzaamheid ; onbeschaamdheid —e (-peest'), v. a. tot deeg kneden; disc (Tame- ruwheid; nietigheid. —t, a. —tly, ad. vreemd aan de zaak; indringend, onbeschaamd; raw; ren (kleuren). onbeteekenend. —t, a. indringer. onbeschaamde. Impatible (im-pet'ile1), R. onlipelijk. Impatlen ce (im-pee'sjens), a. ongeduld; het- Imperturba bile (inn-per-turb'ibi ,, a. onvertigheia. —t, a. —tly, ad. ongeduldig (at. of): stoorbaar.—tion(-bee'sjun),s.kalmte,bedaardheid. y, ad. ondoorItayervions (im-pur'vi- us),a. —1 Of) moede; (for) gretlg naar. Impatroniae (im-pet'run-ajz), v, a. in het be-i dr ngbaar; ontoegankelijk. —nets, a. ondooreid, ontoegankeibkheld. t dringbaat zit stellen. Impetiginous (int-pe-tidzri-nus), a. schurftig. Impawn (im•paon'), v. a. verpanden. —be Impeach (im-pietsj'), v. a. aanklagen (of); ver- Impetra ble (im'pe-tribl), a. verwerfbaar. (-treat), v. a. verwerven, erlangen. —tion (tree' able, a. beschuldigbaar; laakbaar. hinderen. Con), a. verwerving. —er, a. beachuldiger. —meat, a. beschuldiging; Impetu ous (im-pet'joe-us), a. —.ay, ad. on. verhindering. etuirn ig, driftig, hevig. eas, Impeari (im-purP), v. a. met paarlen tooien. a. onstuimigheid, heftigheid. —s (im'pe-tun), a. (im-pek-ke-bil'it-tih), a. °monImpecca dreng, aandrift; veart, kracht. digheid, onvatbaarheld voor zonde. —ble (-pek' Implerce (im-piers'), v. a. doorboren. —able, a. kibl), a. onzondig, onvatbaar voor zonde. ondoorboorbaar. (im-pied'), v. a. beletten, verhinderen; Imped belemmeren. —iment (-ped'i-ment), s. beletsel; Impiety (im-paj'e-tili), a. goddelooeheid. belemmering. —imenta/ (-ped-i-ment'el), —Wye Impinge (im.pindzj"), v. n. atooten, baleen (on). (-ped'i-ti.v), a. verhinderend, hinderlijk; helm- Impious (im'pi-us), a. —/y, ad. goddeloos. —nese, a. goddeloosheid. merend. (im-plee'kibl), a. —bly, ad. onverImpel (im-pel'), v. a. aaudrijven. —lent, a. Ran- Implaca ble zoeulkjk. —bility —bleness, a. ondrijvend; a. aandrijvende krncht. verzoenlijkheid. Itupen (im-pen'), v. a. opalniten. Impend (im-pend'), v. n. boven het hoofd han- Implant (im-plent'), v. a. Inplanten; inprenten. —ation (-tee'sjun), a. inplanting; inprenting. gen, naken, —once, —ency, a. overhanging; naImplausible (irn-plao'zIbl), a.oriwaarschVinlijk. bijheid. —eat. —ing, a. dreigend, nakend. Impenetra flinty (im-pen-e-tre,bil'it-tik), a. Impiead, (im-plied'), v. a. in cochlea) very& gen ondoorgrondeltjkheid. maple anent (im'pl-ment), s. Verktulg, gereed. ondoordringhaarheld , sch.P. —tion (-pli'ejun), a. nulling; volbeid. —ble, a. —bly, ad. (-pen'e-tribl.), ondoordringlmplex (im'pleks), a. ingewikkeld. beer; ondoorgrondelijk. v. a. inwikkelen; beImpenIten ce (im-pen'i-tens), —cy, a. onboet- Ianplice te trekken; in alch sluiten. —tion (-kee'ejuni, C. vaardigheid. —t, a. —tly, ad. onboetvaardig. in verwikkeling; stilzwijgend gevolg. Impenn ate (im-pen'net), a. vederloos. —ous, g ge n. d at to leiden. —tively, ad. bkj geva o. iagttiylezkwkijin a. ongevleugeld. Imperative ()m-rer'e-tiv), a. —1y, ad. gebiedenth beImplicit (irn-plis'it), a. —ly. ad. daaronderstil- a. gebiedende wija. grepen; onvoorwaardelk, blind. —ness, a. Imperceptible (im-per-Qeplibl), a. oninert.baar. zwinend gevolg; blind geloof, — vertrouweu. —nes', a. onmerkbaarheid. Imperfect (im•purlekl), a. --ly, ad. onvol- Impiledly (im-plarid-11h), ad. door atilzwij. gende gevolgtrekking. maakt, onvolkomen. —ion (-per•fek'sjun). —nest, Implore (im-ploor'), v. a. ameeken, afsmeeken, a. onvolmaaktheid; onvolkomenheid. —r, a. bidder, meeker. Imperfora ble (im-puefur-ibl), a. ondoorboorImplunt ed (im-ploemd'), —one (-ploe'mus), a. bear. —ted (-reet-id), a. ondoorboord. vederloos. Imperial (im-pPri-e1), a. —ly, ad. ketzerlijk, Imply (im.piar), v. a. in zich sluiten, behelzen. Read van —chamber, vorstelijk; opperrnachtig. a. onstaatkundigheid; state. —city, rijkastad. --section, keizeranede. Impoli cy (im•pol'is-si:1), ), onvoorzichtigheid. —te, a. —tely, ad. (•po-lait'—tea, keizerathee. —let, a. keizeragezinde. —ity ), a. onwellevend, onbeleefd. —teams (-po•lajt,tidy, (-el'it-tih), s. keizerschap. onwellevendheid, onbeleefabeid. —tic, a. — Imperil (im-pir'il), v. a. in gevaar brengen. ad. (-it-tik-). onetaatkundig; onvoorztebtig. Imperious (im-pl'ri-us), a. —1y. ad. gebiedend. Imponder able (1m-pon'dur-ibi), a. onweeg• heerschzuchtig. —aces, a. heerschzucht. briar. —out, a. onwichtig. licht. Imperishable (im-per'isj-ibl), a. onvergankelijk. Imperman cnce am-pueme-neas), a. onbe- Impor osity (im-po-ros'it-t111). a. dicbtheid. —ous (-po'rue), a. dicht, solider por1en. stendigheid. —eat, a. onbeetendig. Impernseability (im-pur.r.i-e-bil'it-tih), s. on- Import (im'poort), a. belang,fgewicht; strekking; invoer, invoer.artikel. doordrIngbaarheld. Import (im-poort'), v. a. in zich aluiten, met Impersonal (lea-pur'snn•e1), a. —ly, ad. onperzich brengen; bedniden; van belting zijn; Woesoonlijk, —ity (-el'it-tih), 8. onpersoonlijkheid.
E Fat ling (fetlieng), s. jong —ly, ad. Feat:weft (fiet'neee), , behendOteid, knaplieid; vet. —ness, N. vetheid; vettigheid; vrachthaar•1 aardigheid, netheid. held. —ten (fet'tn), v. a. vetmesten; v. n. vet Feature (flet'joeri, 0. gelaatstrek, gelaat; trek. worden (on. upon. with). —tener (fet'tz,ur), a. —d, a. gevormd; met schoone trekker, vetmaker; meat. —ty, a. vettig, olieachtig, F enze (flea), v. a. uitrafelen, rossen, elaan. smerig. (fe-bririk), a. !root teverwekkend. —foge FebTI Fatty lty (fe-tjoa'it-tih), a. dwaaasiteid, onnoozel- (feb'ri•fioedzj), a. koortsverditivend middel. — le held. —ons (fet'joe-us), R. dwaas, dam; —tire. (fi'bril, feb'ril., a. koortsig. dwaallicht.. a. Februari, sprokFebruft ry Faucet (fao'sit), a. zwikje, tap. kelmaand. —tion (-ee's)an), a. reinigingsfeest, l'augh (fao), int. bah! Fecal )fle'kel), a. drab-, drekachtig. — matter, dreketof. Fault (faolt'), s. font, fell; phrek; misslag; achuld. at —, verlegen. to find — with, berispen; Feces (fle'sies), a. droesem, drab; ultwerpaelen. vitten op. —finder, berisper, vitter. —finding, Feculen cc (felejoe-lens), a. drabbighed, mod• berieping. —ily, ad. —y, a. gobrekkig; verkeerd, derigheid. —4, a. drabbig, rnodderig. berispelijk, schuldig. —inese, s. gebrekkighdid; Fecund (felt'und;, a. vruchtbaar. —ate (ook: verkeerdhetd; scbuldigheid. —less, a. zonder feel- fe-kun'dest), v. a. vruchtbaar maken. —otion (-dee'sjun), a. vruchtbaarmaking. ge.kun' len. —iciness, s. feilloosbeid. Faun (faon'), a. faun, eater, boschgod. —itt, c. dl-fajl„ v. a. vruchtbaar maken. —tip (fe-kun' dit-tih), a. vruchtbaarheid. natuuronderzaeker. —a, a. dierbesehrijving. Federa 1 (fed'ur-e1), a. eenen bond betreffend. Fautor (fao'tur), a' begunetlger. lonvIllotre (fe-vinue), a. van aach. —hien:, a. beginselen der federaiisten. —list, n. Favor (fee'vur), a. gunet; ganstbewijs; genegen- lid (vooratnnder) Vain een hondge ► ootschap. —te held; begunstiging; teeken, lens. in — of, ten (-et), A. verbonden. —tion ( ee'sjun).. a. verbond. behoeve van. under —, order verbetering. under —tine ( e•tiv). a. itch vereenigend, verbindend. your —, met uw welmeenen. your —, uwegeeerde Fee (fle'), a. loon; fool; leen. —farm, erfpachtleen. letteren. —. v. a. begunstigen; gelijken op. —able, —simple, vrij leen. —tail, beperkt leen. —. v. n. a. —ably, ad. gunstig. bevorderlijk. —ablenes, beloonen; lbezoldigen; omkoopeai; huren. a. goedgunatigheid. —ed (-vurd), a. begunstigd, Fee ble (ile'h1), u. —bly, ad. zwak. —bleness, a. bedeeld; well—, bevallig; ill—, leelijk. —er, a. ervalcheid. begunetiger. —ite (-it), fl. geliefkoosd; a. gun• Feed (fled), a. voeder, voelsel; maalttid; ateling. —less, a. onbegunatigd. Feed (lied') [fed], v. a. vcederen; onderhouden; koesteren; paaien (with). —, v. n. weiden; zich Fawn (faon'), a, jong hert; pluirnstrijkerij. v. n. image herten werpen, (on. upon) pluirnstrij- voeden met, leven van (on upon). —er, s. voeder, ken; atreelen. —er, a. pluimstrijker; etreeler. pluimgraaf; eter. Feel (tier) a. gevoel. —ing„ a. krniperij. —ingly, ad. flikflooiend. Fay (fee), a. toovernirnf; trouw. —, v. a. voegen, Feel (flel) [felt], v. a. & n. sevoelen, voelen; paaaend maken; v, n. in elkander sluiten, passer. (for) medelijden hebben met. —er, s. voeler; Feaberry (iPber-rih), a. doornbes. voelhoren. —ing. a. —ingly, ad. geroelig. —iny, Weague (flag), v. a. sloan, geeselen. a. gevoel. Fealty (frel-tih), a. hulde, getronwheid (aan Feet (flat'), voeten. --leas, a, condor voeten. den leenheer). Feign (feen'), v. a. veinzen, vuorwenden; re-Fear (tier'), a. \Trees; vogelschrik. --, v. a. & n. zinnen, uitdenken; v. n. veinzen, —ed. a. —ally, vreezen. —fad, a. —fully, ad. bev,reesd; vreese• ad. verdicht, geveinsd. —er,s. veiezer; yerdichter. lijk. —fulness, a. be,reesdheid. —less, R. —lessly, Feint (feent). a. liat; flat; Inane stont; halve toon. ad . unberreesd, onverschrokken. —Letteneu, a. Fellcit ate Ife lien-teet), v. a. g,elukkig waken; stoutmoedigheid. ge:uk wenschen (on). —ation (-tee'sjun). y. eFens! hi/My —bleness (ti'zibl- lukwensching. —ous, a. —ously, ad." voorspoedig; zeer gelokkIte. —y, a. gelukzaligheid. ness), s. doenlijkheid. —ble, a. —bly, ad. doenlijk. Feast (fleet'), s. feast, gastmaal. —day, feeatdag. Feline (felajn), a, katachtig. —family, katien-, v. a. onthalen; v. n. an.ullen. —er, a. gest• geslacht. lacer; gnat, smaller. —ful, a. feestelijk; weelde- Fell (fell'), a. —ly, ad, woest, wreed. —nest, a. rig, braaaend —ing, s. feestelijk onthaal; —money. woestheid, wreedheid. —, a. rel, fluid; heuvel; foettje; —rite, feestgebruik. gal, zwaarmoedigheid. —monger, huidenkeoper. —wort, gentiaan (plant). —, . a. yeller', nederFeat (Bet), a. felt, dead; grail. —, a. behendig, aellen. s. nederveller.'houthakker.' knap; eardig, net. Feather (feth'ur), a. veder, pitiful; snort, slag; Celiac (fello), a. Zie Feily. sieraad; ijdele titel; blew. birdu of a — flock Fallow (ferlo), s. kameraad, mast; vennoot; together, snort zoeht soar!. —bed, veerenbed. lid, rnedelid; weergade; kerel, kwant. to be —, —broom, —duster, vederbezem. —driver, zuiveraar bt,(een behooren, van tin poor sun. —eititen, van bedveeren. —edge, dunne kant eener plank. rnedeburger. —commoner, deelgenoot; student der —edged, dun Han de eene zijde. —grass, veder- hoogere klasse (Cambridge). —creature, modegras. —, v. a. met vederen vullen (tooien); tre• menech. —feeling,, medelijden; gerreenschappe• den. to— one's nest, zijne seltaapjes acheren. —eel, lijk belong, — izar, reede-erfgenaam. —helper, a, gevederd; gevieugeld. ....lean, a. vederlooe- —y, medehelper. —laborer, medearbeider, medewer• a. gevederd. leer. —lodrper, buisgenoot. —maiden, ePe,,,Igenoot.
I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.

Is Blockchain legaal in India


Geld en, or. w. to concern., to regard; on, w. to cost, to be worth, to bear a price; to prevail, to be valid. by. monied, dear, costly; valid. v. costliness; vaiidi y. Goleden, by. past. bw. ego, 6111CO, ling —, long since. GeirdIng, v, articulation. G aired, by. articulate, jointed. Grleerd, be. & bw. learned (-1y). de —e wereld, the republic of irttere. —e, m. & v. scholar, learned rear, -- woman. —keld, v. learning, erudition. G,Irgyee, by. situated; convenle»t. er is reel aan —, it in of much importance. er is niet cars —, it is of no consequenee. to, conyenlent (due) time. Gelegenheld, v., siteattou,state; seat, positron; occasion,opportuntiy.—sgedieht,occetional poem. —spreek, 0i:castanet sermon. —srede, occasional speech. Gelid!, v.jolly. Gale t , o. Zie Gelrlde. —brief, ease-port, pass, safe. conduct. —Gals, conduit-pipe. —geest, tutelar genies. e, o. atteudAnce; guidance; guard, escort, convoy. —elijk, by. & bw. orderly, regular (-Or), motto:1.4feet (-lye. v, orderliness, regularity, metbodicaluens. —en, or. w. to lead, to conduct; to attend, to eccoraparty; to escort, to convoy. —er, m• leeder, guide; conductor. —ing, v. leading, guiding, attendance. Galen, ay. w. to make (to die) yellow; on. w. to grow yellow. Gelep. Gollepper, o. sipping. Goirtirrd, by. lettered, literary. —held, v. learning, erudition. tielealf sr, o. loiterieg, wavering, trifling.. o. joint; reek, file. —Ancor, vertebre. —stutter, bringer-up, last man of a file. Gell*fd, by. dear, beloved. —e, err. & v. lover, lady, sweet-heart; love, beloved, tenetu. Gallefkonad, by. ferorite. GeDsven, m, my. lovers. —, se. & on. w. to pirate. by. similar, alike, equal, same, even, smooth, level, strAight. to to —er to, at the same time. kij heefl skins —e niet, he has not
111 FOY. FOR. Foreby (foor-bari, ad. dicht bij. (-kaast"), v. a, & a Foreeatit, s. vooroverleg. vooraf overleggen, beramen. Fore castle, s. voorplecht; bak, vooronder. —channel, s. fokkeruat. Fore chosen (-teju'ln), a. uttveritoren. —cited (•saj'tid), a. voorgemeld. Fore close (-klooz . ), v. a. uiteluiten; beletten; —a mortgage, eene hypotheek vastzetten.—closure ( klo'zjoer, -zjur), a. vastzettlng. —date (-deetr9 v. a. een vroegeren datum geven. Foreeeek, s. voordek. Feredesign (-de-sajn'), v. a. vcornf beramen. Foredo, (foor-doe' ► [eigenlijk Fordo] [irr.], v. a. afxnatten; verdelgen, verdoen. Foredoom, s. voorhesehikking. (-doem'i, v. a voorbeschikken. Fore-drift-rails (foor'drift-reele, s. gen. Fore door, s. voordeur. —end, a. vooreinde. —father, a. voorvader. Forefend (-fend"), v. a. verhoeden• afwendee. a. voorpoot. Fore linger, s. wijevinger. —front, s. voorgevel;Voornjde; voorhoofd. —game, s. vourspel. —gears, a. fokke-kerdeelen. Forego (-go') [im], v. a. opgeven, afstand doen van. —er (-go'ur),. a. voorganger. —ers (-eceure), s. veorvaderen, —my (-goleng), a. vourgaaud. Fore ground, s. voorgrond. —hand, s. gedeeite van het paard v66r den ruiter; voornaamete deal; a. te vroeg gedaan. —handed, a. vroegtijdig; § Welgesteld. —hatchway, s. voorluik. Forehead, s.voorhoofd;onbeschaamiheid. —clot a. voorhoofdbaud. Forehold, a. waterruim. Foreholdings (-hoold'ieng.), a. voorapellingen, Fore hooks, a. boegbanden. —horse, a. voorpaard. Foreign (for'in), a. vreemd, uitheemech. —er,s. vreemdeling, buitenlander. n. vreerndheid; verwijderdheid. Fore imagine (.1m-ed'zjin), v. a. zich voeraf verbeelden. —judge (..dzjudzy), v. a. voorat (te vroeg) oordeelen. —judgment 1• dzjudzY v oorcordeel. Foreknow (-no') [in.] v. a. vooruitweten. —able. (-no'ibl), a. vooraf kenbaar. —ledge (-nol'idzj, s. voorwetenschap. Forel (for'il), boekbinders-perkament. Foreland, a. voorgebergte; kaap. Foreloy ( -lee")[irr.] ,v.a.b elagen; veoruit beramen Foreleech (foor'lietz;,), a. voorlijk. Forelend (-lend') [irr.], v, a. vooruit gevero. Fore hilts, a. fokke-toppenante. —16ck, a. voorate haarlok; to take lime by the —, van de gelegenheid gebruik waken. Forelook (-look'), v. a. vooruit aim Fore magazine, a. voorkruitkamer. —man, s. voorzitter; meeaterknecht; ploegbaas, voorman. —mast, a. fokkemast. Forementioned (-men'ejund), a. voormeld. Fore most, a. voorete; voornaamste. —mother, a. vrouwelijke voorzaat. —named, a. voornoemd. —noon, s. voormiddag,. Forenotlee (-nolis), a. voorafgaande kenni.
Pituit nry (pi - tioe'i - te nit), a. slijmleidend; — gland, slijmklier; — membrane, tdijmviie —e (pitejoe-ajt), s. slijm. —ous, a. olijmlg, alijmerig. Pity (pit'ih), a. medelijden. it is a —, het is jam.mer. for — 's sake, in 'a homely imam. —, v. a. medelijden hebbeu met; v. n; medeliidend Pivot (piv'ut,), a. spit, tap. Pix. (pike), s.lcastje, muntkiotje; hostie,altaarkas. Zie PyYt. Plzzlar (piet1), , Pezerik. Placa ble, {plee'llibl), a. verzoetilijk. —bility ( - be 1ai1'it tie). — bleness, a. verzoenlijkheid. Placard iple - kaard'), a. piakaat; verordening. — , v. a. door een plakaat bckend maker; aanplak-
Pervestiga te (pur-veeti-geet, v. a. nasporen. Petulan ce (pet'joe-lens), —cy, a. dartelheid, (gee'sjun, s. nasporing. uitgelatenheid; onbeschaamdheid. —t, a. —tly, --tion Pervicacl ous (pur-vi•kee'sjusi, a. —ously, ad. ad. liana, uitgelaten, brooddroziken, baldadig; halse,tarrig. —ty (-kes'it-tth), s. halastarrigheid. onbesehaamd. 8. kerkbank; uier. —fellow, kerkPcrwtou. (Pueri-11,), a. doordringbtar, toegan- Pew (pjoe"), buurtnan. —keeper, bezitter eener vaste plasts. kelijk (to). —ness, a. doordringbearheid. bankers —opener, bankontsluiter. —, v. a.a.van Pesade (pa zaad"), a. steigering. stovenzet1Pessintis in (pes'si•mizm), a. pessimiAnus. —t of kerkstoelen voorzien. —woman, ater. (-misV, a. pessimist. (pi'wit), a. kievit, hop. pewet P Pest (pest"), a. pest. —h ouse, pesthuis. Pewter (pjoe'tur), a. tin, spiauter; tinuen hubsPester (pes'tur), v. a. verontrusten, verwarren; re ad. —er, s. tinnegteer. kwellen. —er, s. kweller, plaaggeest. -out, a. alt nop (op taken). P euity hinderlijk, lastig.
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

In preparing this little work for the press I have contemplated the supplying a want sensibly felt by our young students of English, especially by those who have no daily opportunity of eon. suiting a master. It has been my design to adopt this hook not only to the use of beginners bet also to that at the higher schools in our country. By a judicious use of the scope allotted to me I have endeavored to render this Dictionary as comprehensive as possible, and have exerted myself to give the greatest quantity of useful matter in the most condensed form. Therefore I trust it will be found to contain more words, Anglicisms and prepositions than any Dictionary of equal compass. Muth care has been taken in exhibiting the pronunciation of the English part. To those who are no strangers to this department of literature I need scarcely observe that my task was rather difficult, the more so as there is much diversity with respect to the pronuncletionofmany words. For this part I have had recourse principally to the Dictionaries of Worcester and Webster. Respecting words of various or disputed pronunciation 1 have either indicated the different modes or given that which is in accordance with the best usage, as far as it is possible to know this from personal observation. Much attention has been bestowed on the insertion of numerous prepositions that govern. and pronouns. They have been carefully compiled and arranged from the newest and best Mstionaries, Grammars and Manuals and will be found to take up no small portion of the work; and as the verbs active and neuter are easefully distinguished this point may be deemed a material end valuable improvement and one well calculated to enhance the usefulness of this Dictionary. Though having bestowed upon this book a great deal of labor, research and care I am well aware that it is in various respects defective. Apologizing for the typographical errors which, despite every effort to be accurate, may no doubt be detected in it, I venture to hope that it will receive an equitable judgment. How far I have euceeeded I humbly leave to others to decide, but if to all that are engaged in acquiring or teaching the English language this Dictionary shall prove an acceptable and useful assistant, I shall not regret having devoted my leisure hours to its preparation. T . P.
Veen ble (vo'kibl), a. wooed. —Gulary (-Irelfjoele rib), woordenlij at. - bock. Vocal (vo'kel), a. —ly, ad. met eene item begaafd; rsondeling, in woorden. —ic (-kel'ik), a. ass de klinkers. —jet, a zanger; zangerea. —ity (-kel'it-tih), a. verrnogen der stem, uitspraak. (-ajz), v. a. dcen hooren, tot een geluid /01 d ken. Woe/. Con (so ket'sjun), a. roeping; berosp. —live (vok'•tIv), a. vocatives. Vocifer ate (vo.eif'ur-set), v. n. Behreenwen, bulderen. —ation (-ee'sjun), a. gesehreeuw; gebolder. —cue, a. sehreenwend, bulderand. Vogue (voog), a, zvs ang, trek mode. Voice (voje'), a. stem; gelnid; apraak ; vorm (van teen wtrkweord). —, v. a. stemtnen; verkondi-d (vojat), e. met eene... stem. —lees, a. sprn Void (void'), a. ledig, onbezet; nietig, niet geldIg; (of) outbloot van. —, a. ledige rulmte. —, v. a. ledigen; ruimen; loses; uitschieten; verlaten; roernietigeli; v. n. ledig warden. —able, a. to ledig,n; to vernietlgen. —ance, a. lediging, antruining; lazing; nitatoating; openataande post. —er, a. lediger; tuhruimer; vernietiger; tafelmandje. —nest, e. ledigheid; niatigheid; angeldighet Volatile (vol'e-till, a. vitegend; sing; vluehtig; waft. —mess, —ity a. vinehtigheid; wurtheid: —Italian (-i-zce'ajun;, a. (het) vinehtig rnaken. (-ajz), v. A. vluchtig maken. Wean lc (vol ken'ik), a. valkauisch. —o (-kee'. no), a. vulkaao, vnurspnwande berg. oie (soot), a. elle alagen (in 't kaartspel). Vol cry (val'ur , rih), vlueht. (-I-tee, Olin), a, (het) dadderen, alleges.
CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,
WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

his equal, he is not equalled. —, o. right. — Ashbee, to be (in the) right. — genes, in Aet — stollen, to agree with, to decide in favor of. — met - rergeiden, to render like Co: like. — zoekt birds of a feather flock ogcher.—.bw. equally. even; without odds.vw. se . GelUkeordig, be. similar, homogeneous. — Acid, v. sim ilarity, homogeneousness. (iel ljlabernt a. isoceles. Gel Ukbln terkenend, be. synonymous. GelkikblIjcen, on, w. to keep pace —, to keep t with up (with). sick selves —, to be consisten one 's self. bw. eqrally. (lolUken, on w. to be Ito took) like, to renew.ble, to have a likeness (resemblance) to. Getlikenle, v. likeness, renosmblance; picture, image. comparison; simile, parable, allegory. teleitiksrvelJet, few. :in the same way (manner). ' likewise. Gotejkkeid, v. ;similarity, likeness, equality, sameneem ; evenness, smoothness, leveleees , sttaightnes, Gel kik hoe klg;bv. equiangular. — e figour, isogon. GelijkJarig, by. of the same age, equal in .sera. Golkikluldend, by. of tke same tenor, true; 11111F0130118; homonymous. --held, N. conformity, similarity ; unisonance. GeRiktrack en, ov. w. to equalize; to make even, to level. —er, En. eptator,evener, leveler. GelUknzatig, be. & bw. proportionable (-hly), proporticnal (-1y), proportioned, regular (.4). —held, a. propo , tionality, regularity. Gel Uktoorcillig, by. de bw.equanInlous(-4).— held, v. equanimity. Geltilananalg. by. homonymous. —held, v. homonymy. G.1111kelachtig, by. homogenial, homogeneous; of the same gender. —held, v. homogeneousness; sameneee of gender. Gotta keoerf Ig, by. similar, homogeneous.-- held, v. tomilarity, bomogeneouoness. (i elUkstntan, on. w. to be equal (met, to). Gelkikalaltig, be. of the same form. —held, v. semeneee of form. GrifjlAstandlg, be. of the same rank. —held, v. sameness of rank. GelUkatall eta, or. w. to equalize. —lag, v. equalization. synbv. & bw. simultaneous chronous, contemporary (-ily), at the same time. —Acid, v. simultaneoueness, synchronism, contemperarinees. Gelkilveloters, bw. level with the ground. (atillIjkvornaig, be. & bee. conformable I-biy), equable (-bly). —held, v. conformity, equableness. G el eliceteanrdlg, be. equivalent. —heid,v.equivalance. GelUkzetten, ov. w, to set (ter uurwerk). G ellikzkirlig, by. equilateral. —heid, y. equilatereineea. Geltikzinnig, be. eynonymous. —keid, v. synonymy. think, o. licking.

Hoeveel geld kan je terug te trekken uit Coinbase


eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.
Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase.
Marmot (maar'mut), a> marmot., bergrat. Maroon (me--roen'1, a. boschneger. —, v. a. op eene onbewoonde )(tat aan land zetten. rlarplot (maar'plot), a. spelbreker. Marque i(rnaark), a. kaperechip; -brief. letters of —, kaperbrieven. Marquee (mer-;fie'), a. velcItent. Martiraess (maar-kwis), a. markies. Mavtguetry (maar'ke-trib ► , a. ingelegd week. Marquasate (maar'kwie-et), s. markiezaat. Marrer (maaernr). a. bederver. Marriage (meeridzj), a. huwaijk. —articles, huwelijksvoorwaardert. —bed, huwelijksbed. —day, trouwdag. —dress, trouwkleed. — favors, brul• loftsruikers, -strikjes. —.portion., huwelijkagoed. —song, bruiloftelied. —supper, bruiloftamaal, tie, huwelijksband. —able, a. huwbaar.

I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...


road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with
Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.

Wat beinvloedt cryptogeld prijs


Dibble (dib'bi). a. spade; pootstok. —, '_v. a. epijavertering. poten (met eeu pootijzer). Digg er (dig'gur), a. graver, delver. 4 —jags, a. Hibstone !dib'stoon), a. werpsteentje. Dice (data'), s. dobbelsteenen. —, v. n. dobbe- opgravingen; goudveiden; verblijf. len. —box, dobbelbeker. —player, dobbelaar. Dight (dajt), v. a. ultdossen; tooien. Digit (did%jit), a. drie vierden van een' doim; -2', a. do)itelaar. een twaalfde van de middellIjn van son of Dickens (diVenz), int. drommels! maan); getalmerk, cijfer. —al, a. de vingera beDicker (dik'ur), a. tiental (by. huiden). —, v. a. treffend. —eted, a. gevingerd. § ruilen, verruilen.

diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.


Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

cryptogeld veiligheid


Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk. 

Heeft RBI verboden cryptogeld


liggenci, that draws much water. —gang, draught. —grondig, deep, profound. —lood,plu mmet,so an d• ing-line. —peintend, meditating, pensive. —sinnig. be . & bw. profound ebetruee (-ly). abstrueeness. —achtig. bv. rather deep. --en, ov. w. to deepen; to shade. —er, m. deepener; sbader. -in!, v. deepening, shading. —eel, o. shade. —te, v. depth; deepnege, profoundness. Dior, o. animal, beast. redeioos —, brute. —oarde, zoological garden, menagerie. —kunde, zoology. —homily, zoological. —kuadige, zoologist. —reenacts, brute. —plant, zoophyte. —soart, speales or animals, —onaaabidrieng, zoolatry. —enbeschliver, zoographer. —enbesclarijoing, zoography. —engevecht, combat of beasts. —enhuid, --onset, hide, skin. —enkweller, torturer of animals. —.lien, socilao. —enr(Pc„animal kingdom. —entemmer, tamer of animals. —enwereld. animal world. —aye, o. vixen, ?threw, (she-) devil. —144, be. animal; beastly, bestial. —ltjhheid, v. animality; beastliness, bestiality. —tje, o. little animal, animalcule. Mar, be. Vs Dlorlintir & Dsau ^. —boar, Irv. dear, beloved, precious. —kaarheid, v. dearness. Dierreitik be. Zie Dergelkik. Dies, vw. therefore. consequently. Diets, bw. — reek., to make believe, to persuade to. Dievegge, v. thief. Dleven, ov. & on. w. to thieve, to crib, to pilfer. —betide, —rot, gene (band) of thieves. dog-whistle. —gezicht, hanging face. —lantaren, dark lantern. —leider, thief-catcher. —Carl, cant, slang, gibberish. DieverU, v. theft, robbery, felony. D gel , v. potsherd. DU, v. thigh. —been, thigh-bens, —harst, leg, buttock. —*antes, —etuk,cuieh. —oak, breech. es-pocket, fob. Mien, on. w. to swell, to puff up. DUk, m. dam, dike, bank. clan den — jagen, to turn out of doors, to put out of employment. —boat, undertaker of dikes. —bestwur, —stoel, board of inspection of the dikes. —oreuk, rupture (breach) of a dam. —geld, —fasten, dike-tax, dikeretie. —graaf, —wester, dilee-grave, dike-reeve, —graafschap, office of a dike-reeve. —plichtig, obliged to keep a dike in repair. —recht, regulations relating to dikes. —school°, inspection of a dike. —scent, dike-work. —worker, dikeworkier. —secure, (the) dikes. —age, v. dike-work ,—en„ ov. & ore vv. to dike (to fence) in; to raise a —er, m. dike-worker. DiJals, be. foggy, hazy. —Arid, v. fogginess, haSOMA.

satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •
tone, sound of the harp. —en, ov. w. to riddle, to sift. —enaar, m. Zie 111111,pti , v. harpy, vixen, shrew., scold. Ilse lssio, o. tow. Illerpoen, m. harpoon. —en, °v. gyp'. to harpoon. —ier, to. harpooner. Ilwrpni a;, o. stuff to pay a thip'e bottom, resin. —eon ov. w. to pay, to great. lilikarreveAr der, m. wrangler. --ran, on. w. to weaegle ; to squabble. —reril, v. wrangle, wrangling, jarring. Hare, v. & a. resin. —boom, pine-tree. —achtig, by. eeeinous. Inered, m. loin of beef, .sirloin. o. heart; breast, boeolc; mind, spirit, c ourage, mettle; affection, core: dead, midst. het — hebben, to dare. can het — (ler —e) 9,..an, to give concern, to have at heart. ter —e ',cozen, to take to heart. van — e, sincerely. von ganecher —e, with all one 'a heart. —ader, great artery, aorta; nerve. —brekend, heart-breaking. —grondig, be. heart-felt, sincere; be. !coin the bottom of the heart, sincerely. —learner, ventricle. —klopping, palpitation, heart-beating. — kolk, —putjr, pit of the heart. —kruid, nrther-wort. —humid disease of the heart. —lap. darling. —coerced, affecting, pathetic. —sterkend, —eterking, cardiac/O., cordial. —yang, fainting-fit, qualm,syncope. --ye ...hefted. heart-stirring. --verseheuren,d, heartrending. —vinger, middle. finger. —sakje, heart'spurse, perizardium. —seer, ;;clef, sorrow, heartache. —.senate, heart-ntri ► g. —ebloed, heart'ablood. —edief, darling. —eleed, heart-break, sorrow. —elect. heart's desire; near to heart's —evlies, pericardium. —ep(in, coutent. heart-ache. grief. —etaal, WOM8 from the hart. — evrienci, bosoms-friend. —ewer, grief, Borrow. —eweneeh, heart's dee:re. —eyeheim, secret of the heart. lone-secret. --stotht, nasaiori. —stoehtelijk, & bw. paaoloncte (-Iy). --stochtelijkheid, pessionate... —manger, hanger, dagger. —avriendin. eiveet•heart. etbk, by. aL bw. hearty (-ily), cordial (-ly), —elijitheid, v. heartinrea, cordiality. —eloos, be. & heartleea (-ly). —el000livid, v. heartieseeesa. Herten, o. me. heart, -- seven, sevea of heerts. —arts, ace of hearts. —boar, knave of hearts. —beer, Ides of heavta. —vrouw, quota of hearts. linpttsg, be. stout, robust, hearty; saeory, reiish-laid, v. heartiness; savorinees. o. heart, middle; dear. --snag, day for rabbit- hunting. Hasped, na. reel, windie; wir dim; turn-atile; eound-post; entangler, dolt. --oar, en. —.refer, tr, reeler, eoinaer, benglar, dolt. -en, 0, & on. c. to reel, to wind; to eheille, to bunale; to wrangle (over, on). --comae, roe!. —werk, bungling, bungle. —ling., v. reeling; wrangling. Illeasetattes en, on. w. to wrangle, to jangle, (on). eri,;', v. wrangling„ jangling. bv. & ow. hateful (-1y), odioue (-1y). —held, ;:aterulness, odionenems. lint eta, sac. w. to hate. —er, en hater. lints, v. good, property, fortune. varende (tilbare) —, reoveelea, pereonat property. levende rattle. --love, be. & bw. indigent; ragged (-Iy),
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
occupy; de plaats — van, to supply the place of, —er, m. ()Winner; ratifler. rind, v. confirmation ratification, sanction. to re; relent. —or, tn. dother, dre, sir; inverter; holder. —ing, v. clothing, aliening, arrayment; likekrealuseera, or. w. to crown with a garland, to wreathe. O. cover, wain.eottwf'; lining; inveetment. Illekrneseisiov. w. to cover with scratchee. covering, tegument. Beklern el, be. oppressed, anxious. —dheid, v. Bekreten,be. all in tears, bedewed with tears. Betereunen (akin), t. w. (am; to care for. oppreusion, anxiety. —men, ov. w. to pinch; to oppress, to afflict. —ming, v. pincbing, pressure; Bekrinsp en (zilelt), t. w. to retrench (upon), to reduce one's expenses. —ing, v. retrenchleave difficulty of breathing. scent. lliefetkiestes, on. w. to cleave, to stick; to prosper, Bekrompen., by. narrow (-Iy); straitened; scanto thrive., ty (441, niggard (-1y), shallow, narrow-minded; Beklirern en, or. w. to climb upon, to mount, to ascend, to scale. — er, err. climber, scaler. —ing, sparingly, poorly. —held, v. narrownessoscauttnetts, shallowness. v. mounting, *scaling; ascent, escalade. lielleAttattere, ov. 'se. to rivet; to armire, to settle. Bekro Iktitk, 07. W. to crown; to award s prize to. —ner, m. crowner. —sing, v. crowning. Itekl.nterece, ov. w. to bemire, to bedaggie. Bekroond„ by. crowned. — warden, to obtain the Bektantilbefeet, ov. W. to ',Wale at. prize. dichter, poet laureate. eletenersavera, os. w. to gnaw at. Bekrozen, bv. Booted. oe. w. to pinch, to perplex. Ilektilltebeeem, ov. w. to ittggle (to higgle, to Bekroiden, or, w. to season, to spice. Bekrnipen, ov. w. to creep upon, — to, to steal chaffer) with. into, to eurprise. de lust bekroop hem, be felt inRI keljpree, or. w. to pinch. clined, de angst bekroop hem, ha was seized with by. & 'ow. concise (-ly a succinct (-1y), fee, compeudious (-ly). —heid, v. eonciseneas, litekrctisen, or. w. to sign (to mark) with a cross, cross teers. to cross. 111.ekestrerere, ov. w to chide, to rebuke. Bekuip en, ov. w. to coop up; to intrigue to ztjn, to be take. in, to be bv. canvass for. —er,m. intriguer.—ing, v. intriguing, cheated, to have paid too dear ceuvassing (for). Reelect. en, ov. w. to cool, to refrigerate; on. clever, fit, proper, w. to grow cold; to abate, to relent, to subside. Belitwasuna, bv. able, capable, apt; sober. — ntaken,t o qualify. —heid,v. ability, --ing, v. refrieeretion. capableness, fitness. —heden, env. talents, part.. Bek,ken, ov. w. to cook for; to deliberate, to Bekwamen, or. w. to qualify, to capacitate. coneert. eicla t. w. to make one'oteelf convenient (with), nektetrase.a, or. w. to eat, to obtain; o, w. to recover (from). goed —, to Agree with one's to prepare (for). shay stomach. wel triage het a —, much good it do 13014,willen, or. w. to cover with slaver, to beupawl. you. to —, to be hal. hat 'cal hem uiecht —, be will Bel, v. bell; bubble. •—hanvel, bell-wether; ringrepent of it, he will coma off badly. leader. —root!, erysipelas. Bekonknxer d. by. concerned, uneasy,solicitous, anxiou..—dheid, v. e o ace ru, uneasiness, anxiety. Belengster, v. Zie Deluges. . —en, or. w. to trouble, to vex, to make uneasy; Beiabbered, by. bz bw. uilserable (-bly). —held, v. miserableness. zich t. w (over) to trouble one's head to be Bausch ell jk, br. &bw. ridiculous (-1y); —makes, anitheus) about, to feel concerned for; (am) to care, to ridicule. —el(ildssid, v. ridiculousness. —en, or. to meddle with , ine, v. —nis, v. trouble, sorrow, w. to laugh at, to deride. —er, m. —ster, v. grief, cure, uneasiness, solicitude. —ing, v. derision. derider. to have aljne hebben, Bekosnst, v. satiety, till. Bcledder en, or. w. to scale. —ing, v. scaling, to be sick (of) enough, to have one's real ado. alskotaileoriltest, or. w. to coecoct, to mechinate. Holed an, or. w. to load, to charge; to freight. flekoopeirt, or. w. to pay for. —ing, v. loading; freighting, shipping. Illekoor deer, no.. charmer, tempter. —/alitc, bw. charming lly), alluring (-1y),'delightful (-Iy). Being en, ov. w. to way-lay, to lay snares for. —er, m. way-layer, toe, —bag, v. way-laying. —kikheld, v. charm, charming..., grace, allureBelek ken, or. w, to seal; to blander. —Won. ment. —aver, v. Zie Ilekcatordoee —star, v. defamer, slanderer. —king, r. defamaticker tees , ov. w. to cher,u, to tempt, to allure, tion, slander. to delight, to captivate. —ivg,v. eltarn.teg; tempBehind eon, on. NV. to land; to arrive. taaar is hij tation, allurement. beland, what has become of him ? v. landing, leekoreten, ov. w. to elicruei, to cover with a arrival. crest. o. importance, weight, consequence; Ilitekrart seas, ov. av, to shorten; to abridge; to curinterest, concern. — hebben bij, to have an interest tell, to prejudice. --ivy, v. shortening; abridg(to be concerned) in. — etellen in, to take an inment; curtailmeat. egotist; selfish person. —sucht, in. —zoeher, terest jeleitteetig eat, o r. w. to defray, to bear the expertselfishness. —suchtig, selfish. —eloos, h•. & bw. sea of. —er. m. defrayer. —brag, v. defrayment. dieinteretted (-1y). —eloosheid, v. disinterestedISekrah beleti, or. w. —ben or. W. to ness. —en, or. w. to concern, to regard. teat... ecratch. helangt, zie Belengende. —ende, rt. as to, he Bekrrtchtlg was, or. w. to confirm; to ratify.
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i 

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


smettelijk. joe-us-), s. helderheid, duidelijkheid, klaarheid. Pestillen ce (peeti-lens), a. pestziekte, pest. —t, —ou, a, —ously, ad. espik'joe-1,heider, duidelijk, —tial (-len'sjel), a. pestaardig; verpestend, beklaar. (pur-spajeibl), a. uitwasembaar; smettelijk, boonaardig, verderfelijk. Pernbir able a. uitwa- Peatillation (pee-til-lee'sjun), a. lijnstamping, (-e uitwasemend. Pestle (pes'elr, a. vijzelstamper. sembaarheld. —anion (-spi-ree i ejun;, a. uttwatte- Pet (pee). a. gemelijkheid, kwade hula-, —utory ( e-tur-rih), a. de ming. — afire lieveling, troetelkind. —, v. a. vertroele pp uitwaseming bevorderend. —e, v. a. & n. nit- t. lam; elen wasetnen; zweeten. a. verbanning (pet'el), a. bloemblad. Persian dable (per-swee'dibl), a. overreedbaar. Petal (in het oude Syracuse). —aus, a. hiaderig. (to); —de (sweed'), v. a. overredea, overhalen (-at- petard (pe-taard'), a. springbus. overtuigen (of I. —der, a. overreder. —aibility breedgerande hoed; Marc a. (pet'e-sue), petasits bil'it-tih), s. overreedbaarheid; lichtgeloovigheid. eius-hoed; (boort van) koepel. (-sibl),a.overreedbaar;lichtgeloovig.—sion —fever, slakLeitte;s.overreding;overtutging.—streaa.—szte y, Petechial (pe-tVki-e1), a. gevlekt. koorts. ed. (-siv-), —sory, a. overredend; overtulgeimPeter (pi tar), a. Petru Pieter; mantelzak. --boat, —sivenees 1-siv-}, s. overredingskracht gevat; visscher8boot. —man, visacher op den Teems. Pert (purl', a. —4, , ad. wakker, levendik, Wij! ,- —pence, St. Pieterspenning. —wort, peterkruid. neuswijs; vrijpostig, onbeschaamd. a. Peti, air (pet'i-o-ler), a. van den bladateel. —ate Petrol urns; onbeschaam (-let), a nit den bladateel groeiend. —e (-oo1), v. n. behooren, aangoan. Pertain (pur-teeu"), ad. e. bladateel. Pertlnaci sans (pur-ti-nee'sjus), a. —.sly, (pet'ih), a. klein, Bering, halastarrig, hardnekkig. —ousness, a. — ty (-nes' Petit Petition (pe-tisj'un), a. verzoekschrift; verzoek. it-t1h), a. haisstarrigheid, hardnekkitheid. v. a. verzoeken, meek., —are, a. verzotie. geechiktheid, —cy, (pueti-nens), Pertinen re —er, a. verzoeker; adreasant. tend, smeekend. dienatig, paaeend., —tly, ad. a. gepa,theid. —t. Petre (prturl, s. Lie Nitre. gepast. --torso, a. Lie Pertinence. S. raking , —t, rettrei (pet'ril, pi'trill, s. stormvogel. Pertingen cy (pe-tres'sent), a. versteenend. Petrescent a. raliend. action (pe-tri-fek'sjun), —ication Pertness (purt'neW, a. wakkeeheid, gevatheid, petril kee'ejun), s. eteenwording; venteening. —active, neuewijsheid; driestheid, (pe-tririk), a. versteenend. —y (pet'ri-faj), Perturb (pur-turb'), —ate (-eel), v. a. store,', v. a. & u. vereteen.n. verontrusten. —ation (-bee'ejun),s.verontrusting; stoornis; verwarrink • —.ter (puetur- bes-tur), Petrol (pi'trol), —eunt(pe-tro'li-um), s. steenolie. Petrottel (peeruu-uel), a. ruiterpistool. —er, s. versteorder; verontruster. Petticoat (pet'ti-koot), a. vrouwenrok. —governBat• Pertuallou (pur-tjoe'zjun), 8. doorboring, pruikmaker. meld, vrouwenregeering. —ho/d.konkelleen.—penu. pruik. —maker, Peruke (per'oek). .ianer, galant, die onderhouden wordt. (pe-roe'zel), a. do,rbladering, doortePerils til m. den advokaat epelen, zing. —e, v. a doorbladereu, doorlezen; onder - Pettifog (pet-ti'fog), v. beunhazen. —per, a. slecht advokaat, rechtsver zoeken. —er, s. lezer; onderzoeker. Pern'eltsobark (pi-roe'vjen-baark). a. kinabast. draaier.—gery,s.rechtsverdraaiing,haarklooverii. petti 'sees ( et'ti-ness), a. kleinheid, geringheid . Perva de (pur-veed'), v. a. doordringer.—eiOn ty, ad. gemelijk; korzelig. —tallness, —ish, a. g —ire (-vee (vee'zjun), a. doordringin. s. gemelijkhe(d. —Roes (-tooz), pl. pooten van doordringend, ad. verkeer i; een speenvarken. —aely, se (puevurte), a. Perver Petty (peetih), a. klein, kering, onbeduidend. o halestarrig,8tug;verdorvennood.—seness,--sitar, -dip. (-vur'sjun), —chaps, brotaardnachtegaal. —coy, gemeerfroers. verkeerdheid; verdorvenheid. —gods, ondergoden. — jury, kleinet jury. 8. ornkeerIng; bederving. —sive, a. omkeerend; kruid. — madder, kruisblad. verdraaien; be- — ledger, briefportenboek. bedervend. v. a. oYnkeeren, walatroo. — mullein, wolkruid. — pan, derven, verleiden. —ter, a. verdraaier; bederver. — muguet, —tible (-vurt'ibl), a. te verdraaien; te beder- taartpan. —Rhine,beneden-Rn. — sparge,'wolfsven. melk. — tally, seheepsportie. — whin, atalkruid.
HEA. HEM. 133 v. a. heat melon; verldtten; aanvuren. —er, achterlappen; v. a. dansen; overhellen. —a-port, heater; ijzeren bout. near bakboord overhellen. — a stroke, een' gang Heath (hieth'), a. heidekruid; heide. —cock, koroverwinden. — er, a. bean, die goed met de spobean. —hen, korhoen. —pea, vogelwikke. —pout, ren werkt. —ing, s. (het) overhellea; hitting. berkbaan. —rose, heidcroosje. —y, a. met beide- Ilea (heft), s. hecht, handvatsel; gewicht; inbraid begroeld. spanning. § a. a. oplichten, tillen. Heathen (hie'thn), a. heidensch. a. heiden. Hegira (he-dzjarre), a. Hegira (tijdrekening der —ish, a. —ishly, ad. heidenech ; ruw., —ism, a. Mohatnmedanen). heidendom. Sheller (hew), a. veers. Heave (hiev') 0. opheffing, -lichti.g; zwelling; Heigh - ho (haj'ho), int. add hallo! achok ; poging tot broken. —raring, hefuffer. Sleight (hajt), a. hoagie, verhevenheid; toppunt; Heave (Mev) [hone.. haven'], v. a. opheffen tap)) hoogate grand; crials. werpen ; doen zweilen, rijzen; lozen. (down) Heighten (haj'tn), v. a. verhoogen; vermeerdekielbalen. (out) bijzetten. v. n. hijgen; rijzen; ren; verfraaien. —er, a. verhooger. a. koken, misselijk zijn. (to) bijdraaien. in sight, verhooging; 'tented. in 't gezicht komen. Heinous iliee'nus), a. —1y, ad. afschuwelijk, Heaven (Liev'n), a. hemel. —born, van den hemel snood. —ness, s. snoodheld. neergedaald. —inspired, door den hemel bezield. Heir (see), a. erfgenaam. —apparent. zekere erf—linen, a. goddelijkheid. —1y. a. & ad. hemelsch. gonaam. —presumptive, vermoedelijke erfgenaarn. —ward, ad. hemelwaarts. —, v. a. erven. —dont, a. ertgoed. —ass, a. eelHefty er lii.ev'ur), a. oplichter, hefboom. —ing, gename. —less, a. zonder erfgenaam. —loom, a. e. (het) wind. ; zwellinb , rijeing. erfatuk. —ship, a. erfgeneumschap. Ileav y (hev'ih), a. —ity, ad. zwaar ; zwaarmoe- lletical (hel'ikl(, a. schroefvormig, spiraal. —line, dig; vervelend; loom. —y-headed, dom, onbevatschroef-, spiraallijn. telijk. —iness; s. zwaarte; zwaarrnoedigheid ; Hello meter (hi-li-orn'i-tur), m. zonnemeter. trnagheid. —scope (hi'li-o-ekoop), a. zonnekijker. —trope Ilebdomad nl (heb-dom'e-del), —ary, a. wake(hi'li-o-troop), a. eonnebloein. lijksch. Helix (hi'liks), a. Rchroet-, spiraallijn. Ilebet ate (heb'e-teet), v. a. verstompen.—ation Igen (hell'), a. Lel. —black, helsch-. pikdonker„ (-tee'sjun), a. verstornping ; stonapheid. —ude —bred, in de hel geteeld, holsch. —broth. hese). (-tjoed), a. stomp-, dornhaid. kooksel. —cat, heka. —doomed, ter belle geHebraic (he-bree'ilt).. a. hebreeuwsch. doemd. —hound. helhond. —kite, hellegier. ilebr. Inca (Li'bre•izmI, a. hebreeuwsch teal- Hellebore (helle-boor), a. nieskruid. eigen. —ist, 8. kenner der hebreenwasehe teal. Hellen lam ,herle-nizm), a. grieksch taaleigen. Hebrew (hroroe), a. hebreeuvvoch. —, a. Hebreer; —ist, a. kenner van het Griekeeh; grieksche Jood. Hebreettwsch. —era, a. Jodin. —ice (-neje), v. n. Griekach ap.rekcn. Hecatomb (hek'e - toera), 8, hecatombs, offer Helller (helni-ur), rz, leidekker. vrn houderd ossen. h elfish (herliej), a. —/y, ad. heiach, snood. Sleek (h.ek), a. ruff; deurklink; net. —ness, a. snoodheid, afschuwelijkheid. Heckle (hek'kl), zie Hackle. Helm (helm'), a. race; helm. —sman, man aan Hectic (liek'tik), a. teringkoorts. —at, a. 't roer. v. a. sturen, besturen. teringechtig, kwijuend. Helmet (hel'mit), s. helm, stormhoed. —flower. Hector (Itek'tur), a. bloaakaak, enoever, —, helmvormige bloem. —pigeon, kappertje (duifi. v. a. & n. enoeven, zwetsen ; dreigen. —/y, ad. —shell, zeehelm. saoevend, zwetaend. Helmintlite (hel-min'thik), a. wormen heti, (Sledge (hedzj'), s. beg, haag. snoeimes. fend. —, a, middel tegen de wormen. deugniet. —born, laaggeboren. —creeper, Helot lhel'ut), a. Heloot; landlooper. —hog. atekelvarkan, egel. —marriage, Help (help'), a. help; behulp ; helper, helpater. heimelijk huwelijk. —note, atrilatdeun. —pig, —. a. a. & n, helpen, bijataan, ondersteune, jong atekelvarken. —row, haag. —sparrow, boomnalaten. (on) voorthelpen. (over) doorhelpen. Ito( musch. aanretken, dienen. —mate, helper; helpater. lIedg e (hedzj'), v. a. omheinen; v. n. wegkruia. helper, noodhulp. —ful, a. behulpzaam; hellpen. —er, a. haagmaker.—iny-bill,zieilledge-16111. zaam; dionsttg. —less, a. —lessly, ad. hulpelooa. Heed (bled'), a. oplettendheid, behoedzaamheid. —/essness, a. hulpeloosheld. to give opletten (to). to take —, op alias boede Ilelter - skelter (hertur-skel-tur), ad. in 't honzijn; oppassen, (of. to). —, v. a. acht geven op ; deed, overhoop. v. n. bedenken; oppassen. a. —fully, ad. Helve (helv), o. steel, hecht. v, a. met ecri% oplettend, behoedzaam; zorgyuldig. —fulness, e. steel voorzien. hehoedzaamheid, oplettendheld. —less, a. —lessly, Hem (hem), a. zoom; hem (buck). —, v. A. zoead. onachtzeam, zorgeloos. —tessness, a. onachtmen, ern boorden; (in) oursingel en; v. n. hamar li, zaamheld. kuehen. —, int. hem! ton ! Heel (hien, a. hiel; ha i r; spoor; afvalling; hie- Hematite (hem'e-tajt), a, ble,edsteen. ling; ondereind. to take to once —s, het hazenpad Hentleyele (hem'i-eajkl), a. halve clrkel. kiezen. —piece, 0. aehterlap; v. a. achterlappen Ilentisplae• e thenCt - stier), a. 11 4/frolul. ic, (schoenen). — ieal ( - afeetk - ), a. halftone.. Heel (hien, v. a. v,i1 kuustaporen voorhien; (hein'i,tilV, a. hall vers.
Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt

Wat zal Bitcoin de moeite waard zijn in 2020


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Welke cryptogeld wordt het meest gebruikt


11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,
ter. — carFenter, scheepstimmerrnan. — chandler, ken Liman in acheepibehoeften. — la',Ach, (het) afloopen von een achip. — master, scheepsgezagvoerder. — owner, reader. — pound, echippond — shape, sr. & a4. naar scheepagebrulk. behoorlift. — worm, pentwortn, — wreck, a. ,chipbreuk; -wrak; v. a. & n. (dora) stranden. —, v. a. inschePen; vtrechepen (away). — ment, 8. verecheping. --per, a. verscheper, hevrachter. - - ping, a. hen ,nsenepen, veracheping; vioot; — b.sinfes, charges, — concerns, schetweaangelegenheden; — ve , seheping8icosten. Shtre (stair., sjier), s. district, graafechap. Shirt (sjurt'), a, manshernd. — front, holfherodje. — pin, borettspeld. —, v. a. hedekken; een bemd aentrobben, — ing, a. lieuidelinnen. —leas, a. zooder hemd. Skive (aja)vl, a. anode, echijf; tichcef 'van vise). Shiver (8iivitiv, a stukje, scherf; huivering. —y • a. huiverig. rillend; brokkelig, brans. Shoat (spool'), a. ondie,p. tact 1,11km* . .--, a. zwerm, school, inenigte; ondiepte, zqrolh,ik. —, v. v. sanier,choien, wo,Plen; rondglenteren; ondiap warden. — iness (-t-Hens), s, ondi,pte, verza , ding- — it, a, ondtep, wercr,od. Shock (sjok"), s. schok, basing; aanv.e.1, strijd; walging; hoop ochoovon; ruige bond. —, v. a. echokken, beieedigen, ergeren; v. Ti. botsen; hoop , . zetion. — ing, a. — ingly, ad. aan,tootelijk, ergerlijk, stnitend. Shoe (sine . ), a. schoen; hoeiljzer. --bill, — tack, sehoensOker. — black, — toy, schoenpoetser; schoenhorstel. — blacking, schoensmeer. — brush, —horn, scho,nhorcntje. —leather. schoenleder. —maker, echoenmaber. —strap, —string, —tie, seboenband. Shoe isjoe') [shod], v. a. sehocian; beslaau. —log, a. bet schoeten, healaan; — hammer, klinkechoeultore,tje; — pincers, pl. hamer, hoeftang. Shook tsjoek), s. duig, plank. Shoot (riser)), s. sehot, sehent, seruit; Shoot (Ajoet') [shot], v. a. schieten, afschieten; doodschieteo; verpe,u; tretietn enel doorvitegen; af,chsonn; 1;itstorten. (forth. out) schieten; weepea; uitstorten. (qt) afschieten. —. v. n. echie• ten; istoken; vitegen, voo•tsnelien; uitloopen, uitbotten; uitstcken. (oil schieten near. (forth) uitloopen; melt Ititstrekken. (oat) ui.mhieten, (opt opechieten; eparceten. schieter, schutter. .--ing, 8, het schietco., — ing - star, verschietende wee. — ing stiek, sattihout. Shop !sjop'), s. Winkel — board, workbook. —Gook, winkenooc. --keeper, wink- eller, — lifter, wmketdiet — lifting, winkeldiefetai. — maid, wankel' Jury , . . — man, winkelieroc intelknecht.—mate, v. cc. tie winkels atioopeu. winkelhediende. — ping, s. het :vflool,eri der wenkele. Shore ,8loor'), a. strand. sever; sisal, greppel; stut, echo°, —. v. a. Lchoren, etuiten ;up), --anchor. loedanker. — land, oeverlan't. — less, a. oeverloos, onbegrenmd, Short (sjorl') s. sehorl. — ing, a. geschoren schaap; echape,acht. Short (sjort'), a. ulttreksel, kort 1,grip. in —, a. & ad- kort; sehraal, kortom, in 't kort.
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Zal Bitcoin maken een comeback


Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]
319 Unconsidered (un-kun-sid'urd) ,ft onbeechouwa, Uselinet.(nn-kilnta)'), v. a. openen (de vufat). ouoveriegd. Unclipped (un-klipt'), a. ongeanoeld. Unconstitutional (nn-Iron-sti-tjoe'ejun e1), a. Unclog (un- klog'), v. a. ontlaitten, bevrijden. —ly, ad, etrbdig met de etaateregeling Unclose (un-klooe), v. a. openen, ontaluiton. Uncon strain/Ibis (un-kun-striten'Ibl), a. onUnclothe (an-klootle), v. a. ontkleeden. bedwingbaar. —strained ( etreend'), n.—strarnedly Unelhentd (nn-klaud'), v. a. ophelderen. —.ed. —y, s, onbewolktheld. (-atreen'id .),ad.ougedwongen.—etraist (atreenti, a. onbewolkt, helder. Um:locked (un-koltt'), a. onopgetoomd; islet ge- a. ongedwongenheid. —named (-ajoentd"). a. on'teetered. —summate (-eum'met), a. onvolbracht. apannen. —teminated (-temn-nee•tid), a. onbezoedeld. Uncofflued (un-kortInd), a. Louder doodkiat. Unroll (un-koje), a. a. van de muts ontdoen. —temved(-temd!),couveracht. —teneed(-tend'id), —tested (-teet'id), a. onbetwi at. —ttadieted (-kon—ed ( kojtV), a. zonder mute. tee -1tItt'ld), a. niet tegengesproken —trite (-Yon% v. a. loswlkkelen, -winden. Uncolf Uncesined (un-kojnd'), a. ongemunt. traj'), a. onboetvaardig. —trollable (-trool'ibl), Uncollected (un-ttol-lekt'id), a. islet verzameld, a. onbedwingbaar; onweerstaanbaar; onwederWet geind; Wet beiaard. legbaar. —trolled (-troold"), a. onbedwongent onwederlegd. —troverted (-kon'tro-vnrt-id), a. onUncoloimd (un-kut'urd), a. ongekleut d. Uncom bed (un-koomd') a. ongekamd. —biped betwixt. —versant ( -kon'7ura-ent), a. (its. with) (-kum-bajner), a. ntet verbonden. Wet seamen in, niet vertrouwd met. —verted Uncover/lel 'newt (un-ktun'11-neee), a. onbevallig- (-vortld), a onbekeerd. —victed (-vikVid), — reseed hetd. —y, a. onbevallig. -vinat'), a. ntet oveetulgd. Uncomforta ble (un-kum'furt-ibl), a. —bly, Uozord (un- kord'), v. a. loemaken. ad . ongemakkeltilt; onaangenaam; troostelooe Uncork (un-kork'), v. a. ontkurken. —blows*, a. oneangenaamheid; trooateloosheid. Uncor reefed (un-kur-rekt'id), e. onverbeterd. Uncom mandrel (un-kum-rnaand'Id), a. Inlet —rupted (-rupVid), a. onvervataeht,onbedorven. bevolen. —mendable (-mendl.b1), a. ntet prijzens- Uncount able (un- kaaunt'ibl), a. ontelbaar. waardig. —mended (-mendlet), a. ongeprezen. —erfeit (-ur-fit), a. Met nsgemaakt. —missioned (-miertind), a. van geene larageving Uncoople(un-kup'pl), v. a. loskoppeten. Uncourteous (un-kuetj-us, -koortlua), a. —ly, voorzien. Uncommon (nn-kom'mun), A. --ty, ad. onge- ad. onbeieefd, onwellevend. — noes, a. onbeleefdongewoonhetd, zeld- held. meen, ongewoon. Uncourt liness (uu-ko ort'llAtesa), a. onhoffelijkzoom held. Uncorn numb, Uwe (un-knm-mjoe'nt-ke-tiv), held, lompheid.—ly, onhoffelijk, lamp. a. onapraakzaamotehterkoudend. —velled(-geld'), Uncouth (un-koethl, a. —op, ad. zonderling; row, lamp. —near, a. eonderlinghetd; ruwheid, a. Diet gedwongen. —pensated (-pen'see-tid), a. lompheid. (-pleen'teag), onvergoed, onbeloond. (-pla)'ieng), a. niet Uncover (un-kuv'ur), v. a. ontblooteu. a. Diet klagend. ineehlkkelijk. —pounded (-pasundld), a. ntet Uncrente (un-kri-eet,') v. o. vernletigen. —d, a. ongesehapen. eamengesteld. Usecon celted (un-kun-ziet'id), a. nlet verwartnd, Uncredltable (an-kred'i-tibl), A. onvermaard, (-eurn'), a. onvereehtllig- Diet vereerend. —.eos i n. onvermaardheid. — ingebeeld. Uncropped (un kropt"), a. ongeooget. heid. —eerned (-eurnd'), a. —eernedly ad. on.versehtIlig (about. at. for). —meted (-koktgld), Uncrossed (un-kroat'), a. zonder kettle, Met doorgehaald, niet gedwareboornd. a. onverteerd; onbekookt. —donned (•demdl, a onveroordeeld. —ditiosal, a —ditionatilhad.(-dinr- Uncrowded (un-krandld), a. niet gedrongen. un-el ), onvoorwaardelijk. —leased (-feat'), a. Uncrown (us-krasun'), v. a. van de kroon bertha bekend, niet gebteeht; sonder bieeht. moven. —fined (-Iejnd') a. onbeperkt. —firmed n -f,rnurt, Unct ion (ungk'sjun). a. salving; balsam: a. onbeyeetigd. —formable (-formlb1), a. onge—ussity (-00e-05'U-till), —women (-t)oe-us-) R. zalfachtigheid, Yettigheld, —sous (.t.; oe-us) a. lijkvormig. —fortuity (-form-it-tih), s. onge- itikvormighetd. —fused (-fjoezd'), a. —fusedly zalfaehtig, amerig, vet. bebouw(..fjoe'sitt-), ad. ntet verward, dutdelijk. —futabte Uncultiva bite (urn-kurti-vib1), a. boar. —ted (-see. ttd), a. onbebouwd, cub whited. (-fjoe-tibl ), a. onwederlegbaar. —pealed 1-dzjield'), a. ongeetold, onbevroreu. —neeted (-nekt'id), a. Unctunbered (un-kum'burd), a. nnbezwaard, on belemmerd. onverhonden. Unconquer able (un-kong'kur-ibl), a. —ably, Uncurb (un-kurb . ), v. a. van den klnketting out. ad . onverwinnelijk. —ed(-kurdhconoverwonnen. doen; bevtijden. —ed (-karbd'), a. ongetemd; Unconsclona ble (un-kon'a)un-ibl), a. —bly, toomeloon. ad. onredelijk; l'uitenaporlg; gewetenlooa; out- Uncured (un-kjoerd'), e.ongenezen; enverholpen. saggelek. —Glenne, a. onredelijkheld; buiten- Uncurl (un-kurP), v. a. & n. (doh) ontkrullen, sporigheld; gewetenloosheld. Uncur rent (unkur'rent), a. ongangbaue. —tailed verminde ed. Unconneloue (un-kon'ejus), a. —1y, ad. cube- (teeld), a. Wet Yerkort, wunt, onkundlg (of). —wets, s. onbewuatheid, Uncoistomary (un-kuet'um-e-rib), a ongewoon. ongebrulkelkik. onkundlgheid. Unconsecrated (un-kon'se-kree-tid), a. onge- Uncut (un'kut), a. ongesneden, ona - ngleneden. Undamaged (un-dem'idajd), a, onbes,hadtgd. wijd, oningewf(jd.
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.
nt, a. opEdema loos (e-dem'e-tua), - lose, a. gezwollen, len. —nee (-lens), a. opbruitiet. bruisend; ziedend. zuchtig. Effete (ef-ilet")., a. afgeleefd; onvruchtbaar. Eden (le'dn), e. Eden. lusthof. ad. kracht—ly. Efficacious lef-fi.kee'sjus), a. (-te—ions (-test-id), Edenta te (e- den'tet), —led dadig; afdoend. —near, a. krachtdadigheid. lus). a. tancleloos. —tion (i-den-tee'sjun), s. nitEfficacy (efli-ke-ath), a. krachtdadigheid; aftrekking der tendril. doendheid. Edge (edzj'), a. scberpe kant, rand, zoom: anede; hevig verlangen; vinnigheid. to set the teeth on —, Efficien ce (ef-ffsrens), —cy, a. werking, krachtdadigheid; werkende kn.cht. —t, a. —tly, ad. de tanden eggig maken. to put to the — of the uitwerkend. —t, a. uitwerker; werkende oorzaak. sword, over de kling jagen. —tool, snijdend werktuig. v. a. acherpen; women, omboorden; Effigy (ef-fld-zjth), s. beeltenis; afbeeldsel. aanzetten. (in) Ineehuiven. (off) den acherpen Efflate (ef-fleet'), v. a. ophlazen. kant benemen. (on) ophitsen. v. n. zijdelinge Ellioroncen ce (ef-flo.res'sene), a. uitbotting, bloeiing; huidontsteking. —t, a. bloeiend; uitvoortdringen. (assay. off) afhouden. (in) with a bottend. ship, langzaam afvaren op. (over) to shore, de knot volgen. —d. a. acherp; gerand. a. Efllueu ce (al:toe-ens), a. uitvloeiing; voortvloeiing. —t, a. uitvloeiend; voortvloeiend. sot. —long, —ways, —wise, ad. op den kant Effluvium (ef-floe'vi-um ► . a. uitvloetael. *chub.; van ter zijde. Edging (edzjleng), s. zoom, boordsel. —skirt, Efflux ‘ef'fluks), a. —ion (fluktejun), a. uitvloeilag; uitwatteming. zoom van een zeal. — of the land, kromming Effort lef'foott), a. poging; inapanning. der kust. Effossion (ef-fosj . ua), a. uitgraving. Edible (ed'ibl), a. eetbaar. Effrontery (ef frun'te-rih), a. onbeschaamdbeid. Edict (i'dikt), a. gebod, atkondiging, edict. Edification (ed-i..fl-kee'sjwa), a. stichtiug; onder- Effulge(ef-fuldzy), v. n. glinsteren.—nce (.dzjena), s. glinatering. —nt (-dzjent), a. glinsterend, richting. blinkend Edif icatory (ed'i-fl-ke-tur-rih), a. stichtend. (410'6), a. tot Effus e (ef-fjoezi, v. a. uitgieten, uitstorten . —ice (-lis), s. gebouw. —ion (-zjua), a. ultatorting; kwietigheid; onteen gebouw behoorend. —ier (-faj•ur), s. boobumming. —ire (-sty), a. uitetortend. wer; stickler. —y (-faj), v. a. opbouwen; stichten. —ying, a. atichting, onderrichting; —ying, a. Eft (eft'), a. hagedia. —, ad. vervolgena. —soont, ad. spoedtg daarna. —yingly, ad. stachtelijk, leerrijk. Egad (e-ged'!, int. zeker! Edile (Pdajl), s. bouv,Iteer; aedilis. Edit (ed'it), v. a. uitgeven (boekworken), —ion Eger (ie'gur), a. springvloed. Egestion (e-dzjea'tj , in), a. uitwerping; lazing. —or, s. uitgever. (e-disrun), a. uitgave; druk. —shell, eier—octal (-to'ri-e1). a. eene uitgave (een' uitgever) Egg (egg') a. ei. —cup, eierdopje. oud el. wind —, schaal. addle —, vuil ei. stale betreffend- —orship, a. uitgeversehap. windel. —, v. a. aanzetten, ophitsen. Educat e (edloe-keet), v. a. opvoeden. —ion (-kee'sjun), a. opvoeding. —ional (-kee'sjun-e1), Eglantine (eg'len-tajn), a. egelantier. Ego tism (ie'go-tizm), a. zelaucht, eigenbaat. a. opvoeding betreffend. —or, a. opvoeder. —list, a. zelfzuchtige. —tiatic, —tistical, (-list' Educ e (e-djoes'1, v. a. uitbrengen; uittrekkeu ik-I, a. zelfzuchtig. —list (-tajz), v. n. veel van (from). —tion (-duk'sjun), a. uitbrenging; uitzich zelven apreken. trekking. Edulcora te (e- durkur-reet), v. a. zoet maken; Egregious (e-gri'dzjue), a. —4, ad. voortreffelijk; ongemeen. —nest, N. uitnemendheid; ongezuiveren. —lion (-ree'sjan), a. zoetmaking; zuimeenheid. vering. Eel (tel') a. aal. § —grass, zeegras. —pie, aal- Egress (Pgrese, e-green'), —ion (e-gresrun), a. uitgang. putt. —pout, puitaal. —spear. elger. Egret (Pgrit), a. reiger; reigerveer; dons (van Elfable (erlibl), a, ultsprekelijk. diatels). Efface (ef-feet'), v. a. ultwleschen; wegvagen. Effect (ef-fekt"), a. uitwerksel, gevolg; bedoe- Egriot (i'gri-ut), 3. morel. ling; wezenlijkheid. in —, inderdaad. of no —, Eider (ardur), a. —duck, eidergans. —down, eiderdons. zonder gevolg. to take —, slagen, werking doen. to this —, tot dit einde, —a, s. goederen. —, Eigh (eej), int. he! hal v. a. bewerken, te weeg brengen. —isle, a. nit- Eight leet'), a. acht, —een (ee'tien), a. achttien. eenth (-tienth), a. achttiende. —fold, a. achtvoerbaar. —ion (-feleelun), a. gevolgtrekking; voudig. —h (eettfo), a. achtste. —hly, ad. ten probleem. —ire, a. —irely, ad. krachtdadig; achtste. —ieth (-ti-ith), a. tachtigatc. —y, a. werkelijk; bruikbpar. —less, a. zonder uitwertachtig. king; krachteloos. —or, a. bewerker. —ual. a. —ashy, ad. (-tjoe-e1), krachtdadig; afdoend. Either li'thur, arthur), pr. een van beide; ieder. - conj. — ..., or..., Of.— Of.... —uate (-tjoe-set), v. a. uitvoeren, te weeg E.lacula to (e-dzjek'joe-leet), v. a. ttitstooten; brengen. plotseling uitroepen. —lion (-lee'sjuni, a. Effemlna cy (ef-fem'i-ne-siii), a. verwtjfdheid. —te, a. —tely, ad. (-net-), verwijfd. —te (-fleet), val, uitroep; schietgebedje. —tory (.1e-tue.rili), v. a. at n. verwijfd maken (warden). — tenets a. uitroepend; plotseling. Eject (e-dzjekt') v. a. ttitwerpen, ultstooten, (-net.), •st verwfjfdheid. (from. out of). —ion (•cizjersjuu), a. uitwerping, Effervesce (et-fur-veal, v. n. glaten; opbrul-

Is Coinbase een geld zakelijke dienstverlening


71 trekken. (from) afwijken, laten varon. (with atstand doen. —meat, a. gewest. departement; werkkring. —ure (-Joer), a. vertrek, area; overlijden; afatand; afwijking. Depasture (de-paast'joer), v. n. afweiden. Depauperate (de-pao'pur-eet), v. a. verarmen. Depend (de-pond';, v. n. afhangen (on); vertrottwen (on, upon). —ant, a. afhangeling. —core, —ency, a. betrekking; afhankelijkheid; vertronwen; ondergeschikten. —eat, a. neerhangend; afhankelijk. Deperditlon (dep-ur-die'sjun), a. verlies. Depict (de-pikt'), —ure (-joer), v. a. afmalen. Depll ate (dep'i-lest), v. a. ontharen. —ation (-lee'sjun), s, ontharing; uitvallen der heron. —atory (de-pire•tur-rik, a. het uitvallen der harem ibevorderend; a. middel om het hoar te doen uitvallen. —one, a. haarlooa. Deplantation (dep-len-tee'sjun), s. verplan• Deplor able
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.
COB —I/A.D. 429 Contra! a, v. control. —eeren, ov .w . to co ntro1.1C onisis, v. Brougham, coupt; coupee. —eur, m. controller. Coupeeren, 0V. W. to cut. Conyers att., v. conversation; circle of acquaint. Couplet, o. couplet, stanza. a -ace. —earen, on. w. to converse. Coupon, v. coupon, dividend; cut. COUVOtS10, v. conversion. Courant, by. current. —, v. newspaper, gazette; emperor. by. coquet, coquettish. —te, v. coquette. cu :trency; zit Kraut. —ter, m. gazetteer. —erie. v. coquetry. —.leaven, on. w. to coquet. Courtage, v. brokerage. Cordaat, by. & by. resolute (-1y). —held, v. Couvert, o. cover. resoluteness. Credit, by. & o. credit; Cr. (creditor). in het — Corporals', o. corporal. brengen, to pass (to place) into the credit. —ziide, Corporal'', v. corporation. credit. —egrets, ov. w. to credit, to give credit (met, for). —ear, Dr, creditor. Corpulent, by. corpulent. —ie, v. corpulence. Correct le, v. correction, revbion. by. Creooi, m. creole. corrective, relative to miedemeenors. --or, m. Crimlneel, by. & bw. criminal (-Iyi. rf;rit, caiine , v. crinoline, corrector, reviser. Correspond eeren, on.fe. to correspond. —cot, Criodo, v. crisis. m. & v. correspondent. —entie, v. correspondence. Crit sous, m. eritlte. —iek, v. erit!que; criticism. Corridor, o. corridor. --itch, bY. & bw. critical (-ly), —iaeeren, ov. w. Corrigeeren, ov. w. to correct, to revise. to criticise, to review. Cortes, m. mv. Cortes. Cabo.. m. cube. Coryphee, 02. coryphens, Cuitour,v. culture. Coaneetleik, v. co , Tnetic. Coral eels, v. guardianship; order — steals, to Cosine graphic, v. cosmography, —logie, v. have a guardian. —or, m. guardian, curator; assignee, trustee. cosmology. —pallet, m. cosmopolitan, cosmopolite. —ratite, o. cosmorema. —a, Di. COSMOS. Cornier, by. italic. —,o. italics. b w. in italles. Curios, m. course. Cost) (ft), bw. of (at) your place. Cosios, Oporter; catchword. Costumes. o. costume, dress. Cycloop,rn. Cyclops. Coteiet, Y. cutlet, chop, eteak. Csaar, tr. czar. Coterie, v. coterie, clan, set, circle. CotIllon, ra. cotillon. C earfu, v. czarina. Coollose, v. movable scene, side-scene.
mestbaar. —e (-njoer"), N. meat; v. a. bemesten, bebouwen. —enient, a. bemeeting, bebou wing. —er, a. beraester. 1Planuseript (men'joe-skript), a. in handschrift. —, a. handmehrift. menigeen. many (men'ih), a. rneuig, veel. — a one, —cornered, s. menigte. —colored, veelkleurig. veelhoektg. —headed, veelhoofdig. —sided, veelz'jdig. —times (-taj:n7), ad. dikwijla. Map (men,'), a. kaart, landkaart. —, v. a. in kaart bren gen.
prenten. Ingelable (in-dzjel'ibl), a. onbevriesbaar. Inflame (in-flecm'), v. a. doen ontvlammen; ver- Ingemina to (In-dzjero'i-net), a. verdubbeld. —te (-neet), v. a. verdubbelen, herhalen. —lion (-nee , hi t ter, verbitteren, (with); v. n. ontvlammen;vunr sjun), s. yerdubbeling, herhaling. vatten. —r, s. aanhitser; drijfvetlr. Inlilamma hie (in-flem'inibl), a. ontvlarnbaar. Ingenern isle (in-dzjen'ut-ibl), a. onteelbaar. --bility (-me-bil'it-tih), —bleneas, a. ontvlambaar—te (-at), a. aangeboren, ongeboten. —te (eat), v. held. —lion (-mee'sjun), s. ontvlarriming; notateR, verwekk'a, telen.
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!

Is het legaal om de mijne voor Bitcoins

×