—fellow, slampmakker. —grass, — weed, hands. gram. —, v. a. nederleggen; verberpen; insluiten; yeller, to — an eye, de sitar lighten. to — in writing, in genchrift brengen. v. n. liggen; ken. —ant a. liggend. — ee (koe'sji), s. slaaptijd; last bezoek. —er, a. °ogees; klapper (register); staande bond. — ing - needle, staarnaald. Cough (kof'), s. hoent. —, v. n. hoesten. — er,s. hoester. —ing, a. (het) hoesten. Coulter (koortur), a. kouter. Council (kaaun'sil), s. raadsvergadering. — common — , gemeenteraad. privy —, staatsraad. —board, (de) read. — tor, a. lid eener raadavergadering. Counsel (kaaun'sil), s. rand; overleg; raadsman. to keep —, geheim houden. to take — , rand inwinnen. --keeper, vertrouweling. —keeping, a. geheimhoudend. —, v. R. raden, rand geven. — Sable, a. randzaam. — lor, a. raadsman; randsbeer. — lorship, a. raadsheerschap. Count (kaaunt'), s. graaf; rekening; getal. —, v. a. rekenen, tellen. (up) optellen. (for) houden v. n. rekenen. (on. voor. (to) aanrekenen. upon) staat maken op. —able, a. telbaar. Countenance (knaun'te-nens), s. gelaat, voorkomen; bescherming, ondersteuning. —, v. a. begunstigen, ondersteunen. —r, s. begunatiger. rekenCounter (kaaun'tur), a. toonbank; penning; geld; rekenaar; alt; waif. Counter (kaaun'tur), ad. tegen, verkeerd, (in same natel I ingen). —act, tegenwerken, verijdelen. —action, tegenwerking. —balance, a. tegenwicht; v. a. opwegen tegen. —bass, contra-ban. —battery, s. tegenbatterkj. —bond, tegencontract; renversaal. —buff, s. tegenstoot; v. a. terugstoo—caster,rekeninghouder. — change, ten. —cast] tegenrufl; v. R. ruilen. —charm, s. tegenbetoo• verieg; v. a. onttooveren. —check, a. tegenbeleteel; v. a. verhinderen. — cunning, tegenlist. —carrent, tegenstroom. — deed, tegenbewijs. —draw, nasehetsen (door doorschijnend papier). —evidence, tegengetuigenis. —feit (-$t), a. nagemnakt, valsch; s. namaakeel; bedrog; bedrieger; v. a. namaken; vervalschen; v. n. huichelen, velnzen. —feiter, namaker; vervaischer; nadrukker. —fart, schoor, beer. —guard, bolwerkawering. —lath, dakspar. —light, tegenlicht. —mand, a. tegenbevet; v. R. afzeggen, herroepen. —march, a. terugmarmch; v. n. terug marcheeren,—mark, a. tegenmeek; v. R. van een tegenmerk voorzien. —mine, a. tegenmijn; v. a eene tegenmijn makes; verijdelen. — motion, tegenbeweging. — movement, tegenbeweging. — more, tegenmuvr, atutmuur. —natural, tegennatuurlijk. — order, tegenbevel. —pare,tegetimnatregel. —pane, beddesprei. — part, tegenstuk; duplikaat; tegenstem. —petition, tegenadres. —plea, wederantwoord, repliek. — plot, a. tegenlist; v. R. verijdelen, tegenwerken; v. n. lint net lint te keer gaan. — point, contreptint; gestikte beddedeken. — poise, R. tegenwicht; a. a. opwegen tegen, evenaren. — poison, tegengif. —practice, tegenovergestelde verrichting; heimelijke tegenwerking. — pressure, tegendrukking. —project, tegenontwerp. — reckoning, tegenrekesing. —revolution, tegenomwenteling. —salient, tegennitspringend. — scarp, tegenwal, horatwe-


Kanaster, m. canister. Krindael, v. candle. —moat, gossip's feast. —rot, candle-pot. Kandeleer, m. candlestick. —sp(ip, socket of a candlestick. KandU,v candy. —Weep, syrup of candy. —miser, sugar-candy. Renee!, o. cinnamon. —boat, bark of the chinamon-tree, cinnamon. —bloc m, cinnamon-flow sr. —boom, cinnamon•tree. —knurly, cinnamon-colored. —koekje. cinnamon-cake. —elie, cinnamonoil. pipelroll) of cinnamon. —water, cinnamon-water. cinnamon-arine, hippoera.. Kanetas, o. cantata. Kant& by. having graves. Hanker, In. canker, cancer, gangrene. —61oem, corn-rose, wild poppy. —kruid, shave-grass. —acAtig, by. cankerous, cancerous. —en, on. w, to inveterate, to grow inveterate. Kano, v. canoe. Kanon, o. cannon, gun. —schot, cannon•shot. —skoget, cannon ball. —flier, m caunonnier, gunner, artillery-man. Kane, v. e.hance, hazard, prospect, opportunity. de — is verkeken. the opportunity be lost. —biljet, chance-bill. —rekaaing, calculation of chancre. Hammel, m. pulpit. —cede, e/rmon., homily. —redenaar, preacher. — st01, style of the pulpit. —welopreketoiheid, eloquence of the pulpit. K.1.8•1 1. 0,1, v. chancery. —ier, ta. chancelor. Kenide, o. god-send, luck. Jo• Kant, in. edge, side, border, margin, brink. aan — does, to arrange, to put in order. van — waken, to kill, to make away with. var. — ruses, to pariah. —beitel, iron crow. —hosteen, to square. —Answer, squarer. —teekening, marginal note, gloss. —shaak, grappling-iron. HAW, v. lees; point. —beerelsel, lace-edging. —does, lace-box. —work, lace-work. —werker, —werkster, Dace-maker„ lace-man (-woman). —enstopeter, lace-mender. Kant, by. well-squared; neat; clever; not full; tasting of the cask. — en kiaar, quite ready. Kanteet ,m. battlement. Kentelev, ov. & on. w. to overturn, to topple, to fall over. K anten, by. laco. Karat yea, or. w. to square. Kanterstok, in. whipstsff (of a helm). Kantlg, by. angular, edged; crasty; tasting of the cask. Kenton, o. canton. —gerecht, district-court. —tee/ter, justice of the peace. linsatioor, o, counting-house, office; commercial eetahlishmeut, factory. —bediende, —*chi-Over, clerk (in a counting-housft). —behoeften, notes • aerie& of r counting-house, mtationry. —inlet, double-ink. —knecht servant ilia countiug•house. —werk, writing- ve ork. Kanunnik, In. canon, prebendary. Kap, v. cap, hood, cowl; top (eener tears); teeter, roof: coping; head-piece (van can ache() atom). —taken, hat-money, primage. —strider, periwi stock. —stole, portmanteau, row of pegs, cloy peat. —ponnsoakster, milliner.


aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.

Geld en, or. w. to concern., to regard; on, w. to cost, to be worth, to bear a price; to prevail, to be valid. by. monied, dear, costly; valid. v. costliness; vaiidi y. Goleden, by. past. bw. ego, 6111CO, ling —, long since. GeirdIng, v, articulation. G aired, by. articulate, jointed. Grleerd, be. & bw. learned (-1y). de —e wereld, the republic of irttere. —e, m. & v. scholar, learned rear, -- woman. —keld, v. learning, erudition. G,Irgyee, by. situated; convenle»t. er is reel aan —, it in of much importance. er is niet cars —, it is of no consequenee. to, conyenlent (due) time. Gelegenheld, v., siteattou,state; seat, positron; occasion,opportuntiy.—sgedieht,occetional poem. —spreek, 0i:castanet sermon. —srede, occasional speech. Gelid!, v.jolly. Gale t , o. Zie Gelrlde. —brief, ease-port, pass, safe. conduct. —Gals, conduit-pipe. —geest, tutelar genies. e, o. atteudAnce; guidance; guard, escort, convoy. —elijk, by. & bw. orderly, regular (-Or), motto:1.4feet (-lye. v, orderliness, regularity, metbodicaluens. —en, or. w. to lead, to conduct; to attend, to eccoraparty; to escort, to convoy. —er, m• leeder, guide; conductor. —ing, v. leading, guiding, attendance. Galen, ay. w. to make (to die) yellow; on. w. to grow yellow. Gelep. Gollepper, o. sipping. Goirtirrd, by. lettered, literary. —held, v. learning, erudition. tielealf sr, o. loiterieg, wavering, trifling.. o. joint; reek, file. —Ancor, vertebre. —stutter, bringer-up, last man of a file. Gell*fd, by. dear, beloved. —e, err. & v. lover, lady, sweet-heart; love, beloved, tenetu. Gallefkonad, by. ferorite. GeDsven, m, my. lovers. —, se. & on. w. to pirate. by. similar, alike, equal, same, even, smooth, level, strAight. to to —er to, at the same time. kij heefl skins —e niet, he has not


road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
CIEL. --kilt, money-chest. —lade, till. —Iscning, loan. —ssakelnar, money-broker. —markt, money-market. —asiddeles, fiancee. —saunter, coiner. —nood, distress for money. —owner, money-borrower. —plakkaat, money-edict. —riem, belt (girth) for yin o ney.--tehaal, money- balance. --achiefer. moneylender. —slaan, o. coining. —anoeien, o. moneyclipping. —snoeier, money•clipper. --eonr,eum of money. —stuk, piece of money. —tafet, moneybosrd, counter. —trots, purse , pride. —rerlegenhes:d, pecuniary erobaeraroeient; in -- eijn, to be hard (,reared for money, to be hard pushed, to be bard no. —terties, loon of money. —winning, money-rnekieg, —zaak, money-matter. —.eat, love of money, coretoueneee. —zuchttg, greedy of money, covetoua- —eon-Lk/op, circulation of money. —sumanie, money's wort h. Getilde Mk, by. pecuniary. —loot, by. moneylean.

0. Obadith (oh-e-dare), m. (ibadjo. Oberon (ob'or•un)., my. Oberon. g. Ocettni. Oceania Octets I a (ok-tee'vi-e), w. Octavia, —us, in Octavio, Odin (o'dln), my, Odin, Wodan. Odysri ca (od-is sfe), —ey (od'is-sih), 1. the —, de Odyeeea. tEdipus (ed'i pus), my. Edipos. Ohio (o-:tern), g. Ohio. Oily er (oPi.our), m. Olivier. --ia (a-liv 1 e), —y (-iv- ih), w. Glivta. g. Olympia. —us, g. Olysnp is Olympus. On -tart." (un.tee'ri-o), p. Ontario. ODIC o'pi), Tn. ()pie. Orange (or'endzi), g. °rani,
23 Betake (be-teer) [betook, betaken], v, a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot. Beteem (be-tiem'), v. a. voortbrengen; verschaffen. Betel (bie't1), s. betel. Bethink (be-think') [bethought], v. a. bedenken. — one's self (of I zich te binnen brengen. Bethlehem-star (bethli-em-staar)., s. sterrebloem. Bethump (be-thump'), v. a. afrossen. Betide (be-tajd') [betid], v. a. wedervaren; v. u. uitvallen; (to) overkomen; (of) worden. Betime (be-tajrni, Betimes (-tajmz"), ad. bij tijde. Betoken (besto'hi), v. a. beduiden, voorapellen. Betony (bet'o-nib), s. betonie. Betoss (be-tos'). v. a. schudden) verontrusten. Betray (be-tree'), v. a. verraden. —er, s. verrader. Betrim (be-trim'). v. a. optcoien. Betroth (be-troth'), v. a. verloven. Betrust (be-trust'), v. a. toebetrouweu. Better (bet'tur), a. & ad. beter, meer. 4 —than a year, langer dan een jeer. so much the —, dee te beter. my — half, mijne wederhelft. a. betere; meerderheid. to get the — of one, he overhand over iemand krijgen. —s, s. meerderen. —, v. a. verbeteren, overtreffen. 4 —most, ad. ellerbest. Bettor (bet'tur), s. wedder. Betty (beetih), a. breekijzer. Between (be-twien'), prp. tusschen. Betwixt (be-twiksti, prp. Zie Between. Bevel (bev'il), a. acheef, schuin. hoekmeter. Beverage (bev'ur-idzj), s. drank. Bevy tbev'ih), a. vlucht, troep; kransje. Bewail (be-weal'), v. a. betreuren. Beware (be-weer'), v. n. (of) zich in acht nemen voor, paesen op. Bewilder (be-wil'dur), v. a. verwarren, verbijsteren. Bewitch (be-wits)'), v. a. betooveren. —ery, —ment, a. betoovering. —ing, a. —ingly, ad. betooverend. Beyond (be-jond'), ad. ginds; prp. boven, over, buiten, boorbij. to go —, bedriegen. Bezel (beeil), a. kas van ten' ring. Diemen fated (baj-en'gjoe-lee-tid ► , —bow, a. tweehoekig. Bias n bares), s. overhelling, neiging; vooroor deel. to put one out of one's —, iemand van zijn ;Auk brengen, v. a. doen overhellen, bevooroordeeld maken. —ad (barest), a. bevooroordeeld. Bib (bib), s. slabbetje. —, v. a. slurpen, drinkeu. aeiou8 (bai-bee'sjus), a. eau den drank verslaafd. —ber, a. drinkebrotr. Bibi e (barb1), s. bijbel. —ical (biblikl), a. bijbel , ch. Bibilograph er (bib-li-og're-fur), a. boekenkenner. —ical (-o-grerikl), a. bibliographisch. —y (-fih), s. boekenkunde. a. boekhandelaar. Bibliopolist s. boekverzameBibilotheca ling. —1, a. tot eene boekerij behoorend. —ry ke-rih), 8. bibliothekarts. Biblist (bib'list), a. btlbelkenner. Bibulous (bib'joe-ius),Leponeachttg,opalorpend

Misfortune (mis-for'tjoen), a. ongeluk. Niggly e (rnis-giv") [ire.], v. a. met twijfel (arg11.118.11, bezorgdheid) vervullen. —tag, 8. twijfel, bezorgdheid; roorg8voel. Misgotten (mia-got'tn), a. onrechtvaardig vie' kregen. Misgovern (mis - guv'urn), v. a. slecht besturen. —ed (-urnd), a. ruw, nnbeschaafd. —ment, a. wanbestuur; waugedrag. Misgraft (mis-graaft'1, v. a. verkeerd eaten. Mlsgrouud (rnis-graaund'), v. a. verkeerd (ten onrechte) gronden. Misguld e (mis-gajd') v. a. verkeerd leiden. —acre, s. verkeerde leiding; richting. Mishap (mishap'), s. ongeval, ongeluk. Mishear (mis-hier'), v. n. gebrekkig hooren. Itiiiohmash (misrmesj), s. mengelmoes. Misi ► prove (mis-im-proev'), v. a. misbruiken. — meat, a. verkeerd gebruik. MIsinfer (mis-in-fur`), v. a. ten onrechte afleiden. Misinform (mis-in -form'), v. a. verkeerd ten. —ation (-fur-lnee'sjun), a. °ululate inlichting; valsch beric-bt. Mistnstruct (mis-in-strukt'), v. a. verkeerd onderrichten. —ion (-struk'sjun), a. verkeerd onderricht. Misintelligence (mis-in-tel'ii-dzjens), a. mi.verstand; valsch bericht. Misinterpret Imie-in-tur'prit), v. a. verkeerd saltleggen. — ation (•ee'sjun), s. verkeerde tick legging. MIK; oin (mix -clzj oin'),v. a. verkeerd aaneen voegen. Misjudge (mts-tizjudzji, v. a. verkeerd -oeoordeelen. v. n. onjuist oordcelen. Miskin (miekin), s. kieine zakpijp. Miskindie (mis-kajn'd1), v. a. opruien. Mislay (min-lee') Lirr.], v. a. verleggen. Mislead (ants-lied') [yr.], v. a. Intaleiden; verleiden. —er, a. misleider; verleider. Mislike (mis-lajk'), a. afkeuring; efkeer. v. a. & n. atkeerig zijn van; mishagen. Misltve (mia-livi, v. n. slecht Leven. Misluck (mis-luk 1 ), s. ongeluk. Mismanage (mis-men'idzj), v. a. siecht besturen. —meat, 8. slecht bestuur. (mis-maark'), v. a. verkeerd merken. Mismatch (mis-meesj'), v. a, verkeerd pares. Ilillaymeasu (mia-mezroer, -ur), v. a. onjuist Met.. itliS1► .111MIC
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat is Ozo Crypto


Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,
Unea ily (un-ie'zt1-1110, ad. —y, a. ongemakke- Unfailing (un•feeneng), a. onfellbaar, zeker. :ijki ongerugt; gedwongen. —incas ( zi-nees), a. Unfair (un-feet'), a. —ly, ad. ieetijk; onhenach; ongemakkeltjtcheld; betwaar; ongeruatbaid. onbIllijk; onopreeht. —nese, a. onbIlltjkheid; onUnent able (un-let'Ibil, a. oneetbaar. —en (-iet'n), oprechtheid. a. ongegeten. Unfaithful (un- feeth'foel), a. --:y, ad. onstrouw; Unedtf led (un-ed't-fajd), a. ongeaticht. ongeloovig. —nest, a. engetronwheld; ..attlowlig (-faj-ieng), a. onattebtelijk. held. Uneducated tun-edloe•kee-tid), a. zonder op- Unfat lowed (nu-1%1'1°0d', a. enbaplorgd. voeding; onervaren. —sifted (-faol'at-fajd), a. onvervalacht. —tering Unelected (un-ef•fekt'id), a. onuitgevoerd. (-faoPtur-ieng), a, Wet wankelend, weifelend; Unel acted (un-e•lekeld), a. onverkoren. —igible atotterend. (-ei'i-dzjibl), a. onveIkies bear. Uurainitiar (tm-Se-miller), a. niet gemeenzaam; Unem barrassed (on ens-ber'rest), a. °libel' m- onbekend. (-fens-il-jer'it-tth) a. °ligamentmerd; stet verlegen; Met gEwikkeld in. zaamheid; onbekendheid. —p/oyed (-plojd'), a. ongebruikt; werkalooe. Uniashion able (un-fearun-ibll, a. —ably, ad. Unen cumber i(on-en-kum'bur), v. a. ontlaaten. onfataoenlijk; niet volgent de mode. —ableness, a. —datold (-daud'), a. niet begaafd (with). —gaged onfateoenlijkbetd; afwijking van de made. —ed (-geedajd"), a. nits vet bonden, vrij, niet bezig. (-feerund), a. ongefateoeneerd. —gagiag (-gee'dzjleng), a. Islet uitlokkend. — , toyed Unfasten (un-faaa'n), v. a. loamaken. (.clajojd'), a. ongenoten. —urged (-1aardzjd"). a. Unfathoin able (un-feth'um-ibl), a —ably, ad. onsergroot, —lightened (-lajt'ind), a. maser- or.peilbaar; ondoorgrondelkik. —ad (-feth'umd), —slaved (-steevd'), a. onafhankelijk, vrij. a ongepetld; ondoorgrond. —terAaining (-tur-teen'teng), a. niet onderhou- Unfatigued (un-fe-tfegd'), a. onvermoetd. houdend, very elend. — tAralled (-thraold'). a. Unfavor able (un-fee'vur-ibt), a. —ably,ad. onniet ono, 't juk gebraoht. —lambed (.toenvd'), a. gunattg ( for do). —ablenees, a. ongunotigheid. —ed onbegraven. —vied (-en'otd), a. onbantd. (-surd), a. onbegunatigd. U largo able (utt telovibl), a. ongelijk; ongeltik- Unfea red (on nerd'), a. ongemead. —Bible vormig. —al, a, —ally, ad. (-kwel.), ongelijk; aibt), a. ondoenlijk. —thered (-fetienrd), a. onpartijdig; (to) ouberekend voor. —ailed (-kwetd), gevederd. a. ongeevenaard. —alneas (-kwel-), a. on gelijkheid. United 1nn-fece ►, a. ongevoed, ongevocderd. Unequivccni (un-e-kwiv'o.kell, a. —1y, ad. on- Unfeeling (un-ttelleng), a. —ly, ad. ongevoelig. dub belzinnig, duideltk. —mess, a. ongevoellgiteid. Unerring (an-er'rleng), a. —1y, ad. onfeilbaar, Unfeigned (un.feend'). a. —ly (-feen'id.), ed. onether. geveined. —nese (-feen'id-), a. ongevelnadhetd. Uneasentlal (un-ea-sen'ajel), a. Diet wezenitjk. Unfellowed (un-fti'lood), a. ongepaard, niet Uneatablished (un-ea-tebniolt), a. ongeveattgd; bij elkander paaneud. stet vaetgesteld. Unfelt (un-felt'), a. ongxvoeld. Uneven (an-ie'vn), a. —ly, ad. uneven, oneffen, Unfenced (un-fenstl, a. onombeind, onbesebut. ongetijk. —nest a. oneffenheid, ongelijkheid. Unfermented (un-fur-ment'id), a. ongegtat. ' Unexam load (un-egz-em'ind), a. niet onder- Unfetter (un.fet'tur), v. a. (van boeien) bevrilden. anent. —pled (• ern' old), a. onvoorbeeldig. Unti Hal (un-fille1), a. onkinderlijk. Unexceptioneg ble(nn-eke-sep'sjan.ibl),a.-61y, Unfilled (an-fild'), a. ongesuld; onbezet. tip. onverwerpeltk„ onberlopelijk. Unfinished (un-fin'tgjt). a. onvoltoold. Unex cited (un-eki-aajzd'), a. vrij van ae- Unfit (un-fit'), a. —/y. ad. ongeachikt; ongepaat, CiOns. —eauted 1-ektee-kjoe.tid), a. onuitgevoerd. I for. —, v. a. ongesehlkt makes. —nese, a, on• —ercised (-eki.'ar-sajad), a. ongeoefend. —cried gtn.ehiktheid (for). —ting,a. onbetame (-egz-urt'id), a. ongebruikt; werkeloos. —haksted Unfit (un-flks'), v. a. loemaken; vioeibaer ma( - eAz-baabt'id), a. onuttgeput. —Went (-egz -tat% ken —ed (-11Letn, a. los; onbeatendig; onbepaatd; eat', a. niet boataand. —panded (.pend'(d), a. bealultelooe. —ednera (-1,1-), a. 'Wield; onbenlet nitgespreld. atendigheid; bealuttelooeheid. UnCALpeci.d (un.ekg.pekt,',A), a. —1y, ad. onver- Unfledged (un-fIedzjd'), a. nog niet vinge, kaal; wacht. —seas, a. onset. waehthetd. jong, onervaren. onafgerioht (van jachtUnex pensive (on-eka-peng'iv), a. niet verkwls• Unfleshed (a n-fleajn, tend; onkoatbaar. —persenced (-prri•enet), a. on- honden. ervaren. —pert, a. —pertly, ad. (-purt%), onbe- Unfolled (un-fojld'), a. niet tileurge•teld; ohbedrev'en. —pired (-pajrd'), a. niet versehenen. dwongen; onverzwakt. —pfainatfeepteenabikconverklaarblar.—plained Unfold (un-foold'), v. a. ontvouwen, ontploolen, (-pleend'), a. onverklaard. --plored (-ploord , ), a. ninspreiden; blootleggen, onthulten, verklaren. ondoorzcoht. —posed (.poozd'), a niet Moot- Unload (un-foel' ► , v. a. van dwaashaid genezen. geateld. —pressed (-preet'), a. onuttgedrukt. Unfor bidden (un-for-bid'dn6 a. ntet verbeden. —pressings (-pregalv). a. zauder uttdrukkIng. —eed (-foorat"). a. —cedly (-foora'ld-), ad. tinge—fended (.tend'id), a. 'Ant ultgeatrekt. —a nguished I dwongen. —cible (-fooreibl), a. krae.bteloos. (-ttnegaviejt), a. onuttgehtumcht. —tirpated( Aim , Unforeseen (un.foor-tden'(, a. onvaorsten. ee-tie), a. onuitgegroeid. Unfor felted (an-M.:lit-id). a °overboard. U nfnd ad (un-fee'did), a. onverwelkt. a.1 —giving (-gts'ieng), a. cnverzoenlijk• —Patten onverwelkelijk. ; (-got'tn), a. niet tergeten. —med (-formal'), a.
made. keen, — toupee, Lunt ertu, o. lanteraloo, lanterloo. etaan, — varen, — Lap, m. patch, shred; clout; remnant; rag, tatter; weten,— aim ale de t'erschillende werkwoorden. drunkard; slap, box on the ear. —pen, ov. w. to Lallerbuona, m. bar, beam. patch, to botch; to mend. —ent)der, botching LatIlJaa,o Latin. —ack,bv. Latin. tailor, botcher. •—teerk, patch-work. —woord, Loathes, v. bleeding. botch. —calf, bad delve; stuff. --eetieen, to quack; Laasinlet,tn.latiniat. to botch up, to repair roughly; to refit; to pal- Latoeu,o. orichalch, latten. Bate, to disguise. —salver, ignorant phy.iclau„ lLats, v. flap. quack: botcher. —zulverij, quackery; botching. Latter, or. w. to cover with 1 dile. —pedeken, patch-work quilt. —penseand, basket Late', v. letLiCe. fOrrOrd.RIIte,Ishread,ete —lienntarkt,rag-market, Laurier, m. -tree. —bee, laurel-berry. —bla4, laurel-leaf. —boons, laurel. -, here, laurelold-clothes market. lbszpie,, a. Zie Leap. roar het koaden, to make cherry. —teak, laurel-branch. —en, on. w. to crown with laurel. a fool of, to cheat. IT.tapper, na. Fetcher, botcher; mender; cobbler. 11A/twee, by. & bw. lukewarm (-17), tepid HY). —en, ov. & on, w. to make (to grow) lukewarm. v. patching, botching. Lardeer en, ov. w. to lard. —priem, larding- Lauwer, m. laurel, —krona, crown of laurel, pin. —speetje, [titre of bacon. —epek, —eel, o. laurel-wreath. —tak, twig of laurel. ov. w. lard, fat pork. to laurel, to laureate. Lurie, v. fudge.. fiddle-stick. —nicer, trithng Lauw held, v. —te, v. lukewarmness, lukewoman, gossip. warmth, tepidity. 1.arlan, on. w. to trifle. Lava, v. lava, —atrostn, torrent of lava. lLarliksboornt, m. larch. Eaves, v. lovage,loyage-brandy. Coach, v. piece; elect; jointur•, ream, scarf; Laveeren, on. w. to Javeer, to tack about; to notch; groin. —titer, —na s'el, two-inches nail, reel, to stagger. rotching-knife. double deck-naii. Level; v. leave. —es, on. W. to loiter, to keep Lasech en, ov. w, to join, to scarf. —lug, v. holiday. Leven, ov. w. to refresh, to comfort; to quench. joining, scariing. Lost, m. load, burden, weight; cargo; order, Eaveariel, v. lavender. mandate; charge; duty, tax; grievance, annoy- Lawaal. o. noise, hubbub. to ba ordered, ten Lawine, v. avalanche. arse, trouble. —in -- kebben, —e leggen. to charge with. —, 0. la't (two tuns). Cesar et, o. lazaretto. —if, v. leprosy. een eckp run 100 —, a ship of 200 tuns. —breken, Lazarus, m. I vsar„ leper. —huis, spite!, lazaretto break bulk. —balken, orlop•beams. —beest, to. —klep,leper's clicket. —dier, beast of burden. —brief, mandate. —dr.- Easureu,bw. azure, of lapis lazuli. gend, bearing a burden. —dreger„ porter. —geld, IL azuur„ o. azure, lapis tonnage, laatage. —giver, constituent, principal. Leh. Cobbs, •. rennet, rennet. —paard,pick-hoiee,aumpter horse.--poet,burden. Lebbig, be. tasting ' of rennet; spiteful, malici. —whip, transport, -ship. —*Dagen, waggon. 'v. taste of rennet; spitefulness, ous. La stage, • wharf. animosity. Lectuur, v. reading, perusal. 1Lasteloos, bv. without a mandate. Casten, or. w. to ..rder, to decree. Lade break. v. hard (painful) labor. —brakes, lLaster, on calumny, ',lender. —daad, Albany. ov. w. to overtire, to torment. —brakig, by. —dieht. slar.deroue poem, lamf oan.—mond,—fong, painful, toilsome. —breath, v. fracture of a limb. slanderous tongue, slanderer, detractor. —pen, Ledekant, o. bedstead. slandering pen. —cede, ea)uannlatirg defainatorY) Ledensan, re. lie Leenean —malen, uay. Zie speech. —aehrift„ libel, liMp0,11. -t 4e1, calum- Lidnattat. —nutter, m. bone-setter, surgeon. slander, abusive language, blasphemy,.—ziek, —pop, v. puppet; lay-figure. slanderous. - zeckt, slanderousness, pronenees to Leader, o. leather. —bereider, ler.ther-dresser, calumny. —aar, gin. —aa , eter, v. calumniator, currier. —goal, leather things. —kor,per, skinner, plunderer, defamer, detractor. —.lastly, cv. ca- fell-monger, leather-dealer. —achtig, hv. like lumnions, slancieroue. ov. w. to calumniate. leather, leathery. en, bv. leather. to slander, to derame, to blaspheme. —lug, a. Ledsivratter,o. Pynovia. slander, 'slandering, detraction; blaeplaemy. Ledifi, by. empty, void, spare; unoccupied, bv. & bw. caluinniatury, slanderous (-1y), Was- to idle. to be out of —e tijd, leisure. — phernous ( , 1y), work. —, bw. idly, without employment. —gang, Lostlfg, hr. troublesome, burdensome. — vaiten, idleness, ditemp,nynnent. —ganger, idler. —mato trouble (urn, tor). —held, v. troublesome- ken, —en, on. w. to empty. —head, v. emptiness; idleness. —ing, v. emptying. Cat, r. lath. —Icerk, lath-work. o. Lead, by. ,net —e oogen, with regret. T. ntafel, v. cheat of drawe , s wrong, hurt, harm, grief, injury. —let duet ov. w, to let, ‘e leave; to allow —, to —, I am sorry for it. —dragead, by. mounting. permit to 'lifer to; to leave off; to bid, to —wesen, o. regret. order, to command; to bleed, to let blood; to Loaf regal, m regimen, diet. life•time, heave (een zucht); (era wind) to break wind. — age. —toekt, provialons, victuals. waken, to get made, to cause (to order) to be Leog, be. Zie Ledis. —loopen, to empty one 'a

a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.
(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5

A. A, v. A. H(j kent Been A voor eenB„ he knows not A from B; he is a met, ignoramus. trekken, shutAnisela, bv. awkward, clumsy. —hands, bw. awk•yardly, prefling tricks. posterously. Angt , 7. —appel, short shank apple. cApender. Anien, or. w. to ,tare., to stroke. Atilt, v. boat, long boat, flat-bottomed boat. Anks, v. axe, hatchet. Aral, m. eel. -- , tusk, weir, near, bownet. --peer, ale Eiger. —kaar, eel cant, eel-trunk. --her!. West. —rijk, abounding w ith eels. —schaar, —ipeer, —etcher, eel-spear. —.Auld, —stel,eel- skin —seep, eel-soup. —sleek, eel-fibbing, right of fishing for --riivar„ eel-pond. Aalbett,v.curiant.—eetioom,currant , tree.—sestrnik, currant-bush. —seenat, —icecap, currant-juice. —sesrist, —reetros, bunch of currant.. —sentoUtt, currant-wine. Aslant, en, y. aims, charity. Anlintoenenier, In. almoner. —*hula, almonry, alms-house, asylum for the poor. —.kind, charity-child, foul:edit:4. o. totum. Anna, o. acm, acme. hemorrhoids. Aambeien, v. mv. Aamborstig, bv,astnmatic,short-breathed,sb ortwinded. —held, Y. aathrna, shortness of breath. Ananechtiog, bv. Zie Ansechtlg. Ann, v., Cl; on, upon; to; near, next to; of arrived, burning, lighted (ran your of licht); upon a jar, a-jar (van eene deur), het is — u, it is your turn. er — (berig) Ain, to be at it, van den beginne —, from the beginning. Annotated en, ov, w. to earth up. —ing, v. earthing up. Aanedenten, ov. w. to breathe on (upon). Aanbatiren, or. w.Zie Annbinfiren. Aanbak ken, on. w. to stick (to remain sticking) to the pan, to scorch. --eel, o. what sticks (remains sticking) to the pan. Annbalken, ov.w. to bray at. Aanbaren, on. w. Zie Aanberen. Aanbannen, ov.w. Zie Aanblesffen. Annbedenien, ov. w. to allot, to assign (to). Aanbeelti„ o. anvil, stake. —Wok, anvil-block, anvil-sto zk. Aanbeenen, on. w. to walk at a pretty rate.
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.

Kan cryptogeld worden geregeld


BAL,—BAR. (baol',;ur-desj), a. mengelmoes; wertaal. —, v. a. vervaleche, BaldrIck (baold'rik), a. gor lel; dierenriem. Bale (heel), a. beat; elle, de. —, v. a. in Wen darn; lout) uithozen. —ful, a. —fully, ad. droevig. Balk (bask), a. balk; braakgrond; telenratelling. —, v. a. teleuratellen (of). —cr, s. teleursteller; haringaan wijzer. Ball (baol), s. bal, bol. 'cage':; danspartij. Ballad (bel'led), a. ballade. —singer, liedjeszanger. Ballast (bellest), a. ballast. —, v. a. ballaaten. —shot, a. scheef geballast. Ballet lbel'lit (, s. ballet , danaspel. Balloon (bel-loen"), s. bol, luchtbol. Ballot (bel'lut), a. stemballetje; geheime stemming. —, a. n. balloteeren. —ation, (-tee'ejun), a. stemming met balletjes. Balm (beam.), a. balaem; citroenkruid. —, v. a. balsemen; verzaehten. —y, a. bfilneMaChtig. Balsam (baol'sem), a. leniging, troost. —ic, —ical (-sem'ikl), a. balsamiek. —ine (-min), balsamine. Baluster (bel'us-tor), a. atijltje. Balustrade 0,0'ns-treed), a. leuninghek, Bamboo (bem-boe'), a. bamboesriet. Bamboozle (bem-boe'zlI, v. a. bedotten. Ban (ben), a. huwelijksafkondiging; ban. —, v. a, vervloeken„ in den ban daen. Banane (be nee'ne), a. pisangboom. Band (bend), a. bet; band, lint; bende, troeP; plat deketuk. —, v. a. verbinden, vereenigen. —age Ibend'idsj), a. verband. —box, lintdoos, hoededoos. —dog, a. kettinghond. Bandit (ben'dlt), a. bandiet. Bandiet (bend-lit), a. bandje; amulet. Bam:og (ben'dog), a. kettinghond. Bandoleer (ben-do-Tier'), s. bandelier, patroonteach. Bamiroll (bend-roof), a. vaantje, wimpel. Bandy (ben'dih), a. kolfstok. — a. g,ekromd. —leg, krombeen. —legged, krombeen ig. —, v. a. over en weer alms; wiaselen; v. a. wedijveren. Bane (been'(, a. verderf; vergift. v. a. vergifOgee. —ful, a. vergiftig; verderfelijk. fulness a. verderfelijkheid. —wort (-wart), a. nachtsehade. Bang (beng), a. klap, slag. —, v. a.. Mean, atompen; § overtreffen. Bangle (ben'gl(, v. a. (away) verspillen, yeakw isten. Banian (benlen), a. indische ochtendjapon; indieche vijgeboom. Banish (ben'iaj), v. a. verbannen. —er, a. verbanner. —meat, a. verbanning. Bank (beak'), a. never, dam; sandbank; rroeibank; apeelbank; wiseelbank. —, v. a. indarnmen; v. n. bankzaken drijven. § —able, a. gangbear (van banknoten). —er, a. bankler; 4 vieschersvaartuig. —bill, —note, banknoot. —rupt, a. bankroetier; a. bankroet. —ruptcy (-rup-sih), a. bankroet. Banner (ben'nur), s. banter, vaan. —et (-it), a. vaantje; baanderheer. —ol a. vaantje; wimpel. Bannock (ben'nuk), a. haverkoek. Balderdagh
—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.
Mutual (mjoa'tjoc el), a. —ly, ad. wederkeerlg; onderling. —sty s. wederkeerigheld. Muzzle (muz'zl), a. snoet, snuit, bek; muilband; trompatuk; opening, mond. —, v. a, muilbanden; v. n. ruiken. anuffelen. —r,s. slag op de bovenlip (in het boksen). Muzzy (muz'zils ► , a. beneveld, verstrootd. My (map, pr. mijn, mijne, mijnen. Mynheer (min-Kier'), s. Hollander. Myo graphy (maj-og're.fib), s. spierbeschrAlving. —logy (-ol'ud•zjih) s. leer der spieren. Myop e (maj'oop), —8 (-ups), e. bijziende. —y (-up-pih), a. bijziendheid. Myriad (rair'i-ed), a. tienduizendtal; groote menigte. Myrmidon (mur'sni- don), a. ruwe vlegel; dwerg. Myropolist (m!-rop'o-list), a, koopman in reukwaren. Myrrh (mur), a. mirre. • Myrtiform (mueti-form), a. mirtvormig. Myrtle (mur'tl), a. mirt. —tree, mirtestruik,
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.

Iufold (In-foold'), v. a. inwikkelen. Infollate (in-fo'll-eet), v. a. bebladeren. Inform (in-form'), v. a. onderrirhten; verwittigen, beriehten (of); v. n. heriehtgeven;(afretinst) aangeven. —al, a. —ally, ad. onregelmatig. —ality (-fur-niel'it-tih), a. onregelmatigheid. —ant, aberiehtgever, zegsman. —ation (-fur-mee'sjun), a. berichtgever, zegsman. —ation (-fur , mee'ajnn), 8. berieht; ondereicht; aanklacht. —alive, a. bezielend. —er, s. aanbrenger, verhlikker. —idable (4.-dibl), a. niet, te vreezen, ongeducht. —ity, a. wanstaltigheid. —ous, a. wanstaltig. Infrrict (in-frekt'), v. a. breken,overtreden. —ion (-frek' sjun), a. schending, oveareding. —or, a. schender, overtreder. Intrapaibie (in-fren'dziibl), a. onschendbaar. Infrequen ce (in-fri'kwens), —cy, s. zeldzaamheld. —t, a. zeldzaam. infrigida to (in-friclzri-deet), v. a. koud maken. —lion (dee'sjrua), a. verkoeling. Infringe (in-frindzr), v. a. achendon, overtreden. —meet, e. sehennts, overt*.edin4 s. sehender, ov.Tertre der.
Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Waarom doet Bitcoin zo lang om te bevestigen


(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-
EST.—EVI. lEatrapatle (as-tre.perr), a. kromme 'prong. Retreat (es-triet'), s. afsehrift. —, v. a. nittrekken, afsehrift waken. Retrepement (es-triep'ment), s.uitputting (verwuesting) van landerijen. Eatriela (eetrit, , j), a. strulavogeldons. Estua ry (estioe-e-rih), s. monding; zeearm; dampbad. —te (.eeti, v. n. opbruisen, koken. —lion (-ee'ejun), a. opbruising, koking. Etch (star), v. a. etsen. —ins, a. (het) etsen; etsplaat. —ing-needle, etsnaald. Etern at (e-tur'nel). a. —ally, ad. eeuwig. —at, a. ( de) Eeuwige. —alive (•ale), —ixe (-najz), v.','a. a. eeuwiyheid. vereeawigen. —ity Etesian (e-trzji-en), a. op bepialde tijden waaiend. —winds, peeseatwinden. Ether (ie'thur), a. ether. —eat, —eous (e-thicr-i), a. ethertach, hemelach. Ethic (eth'ik), —a/, a. —ally, ad. zedenkundlg, sedelljk. —a, s. zedeuleer, nedenkunde.1 Ethnic (eth'nik), —al, a. heldenach. Ethno graph y (eth-nog're-11 , 1), a. besehqving tier rasaen. —Logy (-nol'ud-ajih), a. menschenraaknnde. Ethology (a- thol'ud-zjih), a. verhandeling over de zeden. Etiolate (ie . ti-o-leet), v. a. bleek maken; v. n. Week worden. —lion (-lee'ejun), a. bleekmaking. Etiology (ie-ti-ol'ud-zjih), a. oorzaken- leer (van zlekten) Etiquette (et-i-ket'), s. ,tiquette. Etui (ee-twi'), a. foedraal. koker. Etymolog Ica, (et-i-mo-lod'ajikl), R. woordvorachend, etyrnologisch. —CO (-mol'ad.zjiat), a. woordafleider. —y (-rnol'ad•zjih), a. woordafleiding; woordgronding. Etyanon iet'i-mon),.. groudwoord, wortelwoord. Eucharist (joe'ke•rist), a. Avondmaal; Cornmanic. —ie., —teal, (-riettk.), a. bet Avondmaal betreitend. EutIrasy (joe'kre-eih), a. gezonde toestand (des llchaarns). Eudionieter (joe-di-om'i-tur), e. luchtweger. Eulog 1st (josnud-zjist), a. lorredenaar. —inn (.zjajz ►, v. a. priizen, verheffen. —y, a. lofspraak, lofrede. Eunuch (joe'nuk), a. gesnedene. Eupepsy ijoe'pep-sih), a. goede eptjeverte;ing. Euphemism (joe'fe-miarn), a. verzachtende uitdrukking. Euphon la (joe-fon'ik), —teal, a. welluidend. —y (joe'fun-nih), a. welluidendheid. Eupleraey ijoe'fre-ally, e. oogenklaar (plant). Euroclydon (joe-rok'li-don), a. noordoostenwind (in de Middellandsche zee). Eurus (joe'rus), a. oostenwind. Eurythmy (joe'rith-mih), a. joists overeenstemmilitC, evenredigheid. Eutbanaay (joe-then'e-sih), a. zechte dead. Evaeua nt te-velejoe-eat), a. buikzuiverend middel. —te (-eet), v. a. loozen, ultdrgven, ledigen, ontruirnen.—tion (-ee'sjun),.. loosing; outlasting, stoelgatig; opheffing. —tire (-e-tiv), a. atdrtjvend, zutverend. Evade (e-veed'), v a. it rt. ontwijken, vermijdeu; ontsnappen.
D. Hand, v. dead, act, action. achievement. op hector betrappen, to take in the very act (deed). —cook, v. Zie Felt. Hangs, by. a day; on the day. des —, by day, by the day. — te voren, the day before. —daarna, the following day. Daagsackker, o. kedze-oucher. 'Meow/3h, by. doily, every-day.. Daagstsr, v. Zie Hager. Deal, v. pump-dale. [Molder, m. dollar, Dater, bw. there. vw. as, since, because, whereas. Dearaau, bw. at (on, to, about) :it, thereat, thereon, thereto. nonreader, bw. behind it, there bellnd. Demirel, be. of that, thereof. Doarbeueden, bw. down (below) there, beneath that, therebeneatb. Daarbenevena, by. betides (that). DaarbU,bw. thereat, thereto; isbr sides. DnerbInusn. bw . within there. Deerboven, bw. up (above) there. Daarbuiten, by. without (there); besides. Daardoor, bw. by (through) it, thereby. Daerenboven, bw. moreover, besides.
Thorough (thur'o) a. -ly, ad. geheel. volledig, volkomen, door en door. -base, generale bait. - bred, wel opgeaoed; volbloed. -fare, doorgang; doorvaart. doortiatend, recht door zee. -paced, -sped, volkomen, doorkneed. -stitch, Ad. door en door, geheel en al. -toll, doorgangtol (voor yea). -wax, hazenoor (plant). -wort. leverkruld. Those (thooz). pr. pl. van That. Thou (thou), pr. glt. v. a. op gemeenzamen Loon spreken tot; v. n. to thee and -, jijen en jouen. Though (Cho), conj. ofechoon, hoewei; tech; tamer, as -, aloof. Thought (thaotn, a. bet denken, gedaehte; nadenken, overlegging; meaning, oognzerk; beaargdheid; welnigje. to take -, draergeeetig wordeo, bebumnierd Oa. mijmerend. -jut, a. -fully, ad. peinnend; bedachtzaara; opmerk. zaam; bezorgd. -fulness, a. nadenken' bedaehtzaantheid; bezorgdheii. - lea., a. -lessiy, ad. onbedachtzaaeo, zorgeloos. -lemon., a. onbedecks aa mheld, gedaehtelooaheld. Thousand (ihan'zen.d), a. dnizend. e. duizendtal. -th, a. duizendete. Thowl (than!), a. Zie Thole. Thraldom (thraordum), a. elavernij. Thrall (thraoll), a. elaaf; elavernij. -, v. a. tot deaf maker. Thrapple (threp'pl), a. etrot itichtptip. Thrash (threaj'). v. a. doreehen; afroasen; v. n. dorschen; awoegen, slab aftobben. -er, e. dorseher. dorsehvioer. Tbrasonleal (thre.scn'iki)„ a. -1y, ad. snoevend, zwetsend. Throve (three‘'), a. kudde, drift. Thread (threC) a. dread; gluten. -tare, keelgee;eten. -bareness, kaalheld, -bobbin, goresklas -housewife, garenzakje. -lace, garenkant. -paper, papteren garenkloeje. -shaped,. druidVOtalig, -tape, garenband. -, v. a. (een' draad) lasteken; aanrijgen; doorgaan. (threern), a. van dread. -y, a. dradig; tenger. Threat (tbret;'), a. bedreiging. Threaten (thret'n), v. a. dreigen, bedreigen. -er, s. dreiger. -lag, a. dreigend; e. het dreigen, bNlreiging. Throe (thri'), a. & -cornered, driekant. --decker, driedekker. -edged, driekantig. -fold, drlevoudig. -.footed, drievoatig. -forked, gedrietend. -Aeculea.. driehootallg. -leek, -inched, driedub.• ; nietig, onbedaidend. leaved, drlebladerig. -legged, driebeenig. -.nerved, drleribbig. -pence, driestuiversetukje. -pennorth, year drie etuivers. -penny, drie etutvera wattni; gemen... gering. -sccre, zeatig. -sided, drleztldig. -square, driekant. -tailed van drie imardetaarten. -valved, driekleppig. Threnody (thren'ad-dih), a. klaagzang. Thresh (three)), v. & n. Zie 'annals. Threshold (threaruld), a. drempel. v, Thrino (thraja), ad. driemaal. (theid), v. a. doorsinipen, duortrekken. die to Thread. Thrlfallow (thrarfel-lo)„ v. a. driebraken. Thrift (thrift'), a. geluk, voorepoed; voorda*J;
v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.

Kan Bitcoin gehackt


Geoffry (dzjiefIrlh), f. voor Godfrey. Georg • (dzjordzr), in. George, J orig. —ha ( i-e), g. Georgie. —iaa (-i'ae), w. Georgina. Ger aid (dzjer'uld), m. Gerald. —ard ( urd), m. Gerard. German (dzjur-msn), a. Duitsch; I. Duitscher. —in (-mee'nt-e), g. Germania. —ices (-men'i-kus). m. Germanieus. —y (-me-nth), g. Dultash• land. G•r trude (gur'troed), v. Gtertraida. —vat (dzjur'ves), m, Servaas. Gethsemane (gith-sem'e-ni),g. Gethseiane. Ghent (gent),;'. Gent. Gilt (gib), f. voor Gilbert; Govert. —ion (gib'bn), in. Gibbon. Gibraltar (dzjib-reoPtur), g. Gibraltar.
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Hoe kan ik bitcoins in Australie kopen


Grecian (grie'ejen), a. Griekecht 1, Griek. Greece (grAer),g. Griekenland. Greek (crick), a grieksch; i. Grtek. Green land (griennend), g. Greenland. —Lander, t. Greenlander. --oak (-uk), g. Greenock. —Leitch (-it,)), g. Greenwich. Gregor Ian (gre-go'ri en), A. Gregorlaansch. —y (grrg'ar-lh), m Gregoor, Jordan. Grenada (gre.na'del, g. Grenada. Grey (gree), m. Grey. Grtir (Vitr). —Oh (-ith), M. Ruffin's. Grisone (gri"zuns,-noon'), g. the —, Grauwbunderiand; 1. de Grauwbunders. Grosvenor (gra'vn-ur), g. Grosvenor. Guatemala (gwa-te-rnele), g. Guatemala. Guelders Igei'darz), g. Gelderland; Gelder, Guelph (go el f), m. & h. Guelf. Guernsey (gurn'elh), h. Guernsey. Guiana (gi-a'ne), g. Gcyena. Guido (gwi'de), in. Guido. g. Guildhall. Gnaltdb all Guinea ((gin'le), g. Guinea. Gulliver gurli-vur),m. Gulliver. Gustavus (gun - tes'aus), m. Gaetavut. Guy (gen, f. roar Guido; Gay, Velt.

In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.


wood-louse. —moat, wood-measure, —magoe(in, Dais, o. house; home; dwelling, lodging; family; magazine of timber, — of wood, —snarkt, wood- household. near —. home. le—, at home. in-sand market. —ntijt, wood-pile. —rijk, wooded, aboundto brengen, to see (to conduct) a. o. home. Aet ing in wood. —Wald, porter. —*chip, wood-ship, — houden, to keep at home. met de deur in Aet —snede, —once, wood-cut. --ent(ider , cutter In — vane*, to blurt out a thing. to — silts in, to be versed (skilled) in, to be conversant with. wood. —stiff kunst, engraving in wood. —snktwerk, ten liaise van, at the house of. van goeden huice, carved work. —snip, wood-cock, snipe. —snort, wood-sort, —spaander, wood-chip. —stapel, pile of gentle birth. —apotheek, hours-dispensary, —armen, shame-faced poor, poor people that live of wood. —tuin, —werf, wood-. timber-yard. —rester, —wechter, rorester, wood-reeve,' --riot, in private dwellings. —arrest, confinement at raft, float of wood, catamaran. —vlotter, ratt'e- one "ti house. --arts, —dotter, family physician, man, river-driver. —waren, timber, wooden wares. doctor. —boat, —Meer, landlord. —bakken, home-baked, househoid, —bediende, servant, domestic. —teerk, wooden work, wainscot. —warns. wood—bestuur, domestic economy, houseworm, wood-fretter. —raagniolen, sea ins-mill. —roger, wood-sawyer. —colder, wood-loft.--akool, keeping, family concern, —bewaarder, —beseaarcharcoal. —aehtig, by. woody. —en, by. wooden; *ter, house-keeper. —becoek, pastoral visit. —bi;bel, — homer, mallet ; — blues, clumsy (awkward) family-bible. —bled, isinglass. —bond, sign. fellow ; — vogel, show-fowl, pigeon. —ig, by. —brook, burglary. —deur, street-door. —dtef, woody; awkward, dry. —je, o. op c(in tigers —, of thief within doors, domestic thief. —diefstal, theft committed in the home. —die, domestic one 'a own head (accord). Houvnet, o. cramp-iron. animal. —drop, eaves. —duiva, domestic devil, m. cut, gash ; felling. shrew. —geld, house-tax. —gemak, conveniencies lioseweesi, o. mattock, pick-axe. of a house. —genoot, inmate. —genooten, family. Ilutaw an, oil. & on. W. to hew, to cut, to hack; —gewead, undress, dishabille. —geain, famtly, to fell. —Nil, axe, hatchet. —41ok,choopinie-block. household. —goden, household-gods. Lazes, Pe• —degen, broad-sword, cutler's. —dames-, iron nates. —hen, good housekeeper, thrifty housewife. trimmer. —met, chopping-knife. —er, hewer, —howl, house-dog. —hoop. as high at a house. cutter; broad-sword ; cant'. --ins, v. hewing, cut—houdboek,' book of household-accounts. —houting; felling, deliik, domestic, home-; local. private ; eeonomHouwitser, m. howitzer. teal, notable, thrifty. —houdeliikkeid, economy, Hovellitg, m. courtier. notableness, thriftiness. —hoyden, o. household, Hoventer, m. gardener. —saltnanak, gardener's family; house-keeping; crj is seer handtg in het —, ealender. —sleek, gardener 'a manual. —*kunst, she is very handy about the house. — houden, gardening, horticulture. — en, on. w. to garden. on. w. to keep house; to live, to behave, —header, house-keeper, householder. —hooding, house—.ter, v. gardener 's wife; gardener. Hozeband, Zie Hesotsbfinel. keeping; homehold, family. --hondkasseer, sittinglihrigenoot, s. ceiviniet. huguenot. room. --hnudkunde, economy, husbandry. --Auer, Hui, v. whey. —achtig, by. wheyesh. house-rent. —jar', undress, chamber-cloak. —holinichel mar, m —aartter, v. hypocrite. —achfig, mer, prrior, sitting-room. —kvel, private chapel. be. & bw. hypocritical (-ly). —ar(i, v. hypocrisy—Meet!, undress, dishabille, morning-gown. —blob, - ex, or. & on. w, to diseemble, to feign ; to house-clock. —kneeht, domestic, servant, footplay the hypocrite. man. —krakeel, domestic quarrel. —bruit, —ver. vexation, familylintel, v. skin, hide; (van sex *chip) sheathing. driet, domestic affliction distress ; housewife. —lam, house-lamb, pet. — spier, cutaneous muscle. —uitslag, eruption. —mitten, to tan. to curry, to dress leather, —look, house-leek. —man. husbandman. peasant, carrier, tanner. —rettert , tannery. tan-; farmer. —meeeter, —voogd, master of the house. yard. —worm, dracunculus. —zenuw, cutaneous , intendant. —meld. house-braid. —middel, domesnerve. —sickle tic remedy, household-medicine. —moeder, mat, cutaneous disease. —enkooper , fell-monger. trees of the house, matron, mother of the family. Iluldig, by. present, modern. de —8 dag, the —mulch, house-sparrow. —onderte(ts, private inpresent day, this vary day. structioa. —onderw(ieer, private teacher, familyHuff, v. coif, hood ; ass- lug, tilt. —bar, coeered tutor. —road, household-goods, furniture. —sehater. —slab, shell-snail. —sleutel, der, hou3e-pnir. cart . domestic spider. —vader, street- door-kry. Iluig, v. uvula ; Fore throat. de — hebben, to have master of the home, father (head) of the family. the palate of the mouth down. le land de — liehten, to ease a. o, of his money, to drain —neaten, to lodge. —vesting, lodging ; lodgings. --eriend., friend of the family, intimate friend. a. o. 's purse. Hulk., v. ceosk, riding-hood, de — noon den wind —croon ; housewife, landlady. —waard, landlord, matter of the hoese. waardin, landlady, mishangers, to verve the time, to shift with the timee. tress of the horse. —tverb, houee-work. —zittend, to be a time-server. sedentary ; —e artnen, sic iltztunernen. ltittlk ass, on. w. to squat; to furl the sails. —er, king,. searching of a house, domiciliary visit; m equetter. m. & v. rnourner;weeper; blubberer. — does, to meareh a honor. —zwalaw, houseswallow. mertimet. - en, on. w. to blubber. lessit tit, on. w. to how;;t whic, to weep., to lisitsellek, by. domestical ; ecotioatical, thrifty. cry. --er: rri, ---atcr, v. howler, whiner, crier, i —Acid, v. economy, thriftiness.

Fancy (fen'mib), a. verbeeldiug; verbeeldings, Farcic In ltes'sik1). a. bundel, tuiltje. —taar (-sik'joe-ler), a. hundelvormig. kracht; inval; neigmg; smaak; grit. to take a (to), last krijgen in. —articles, —goods, rac•e- Fuss-in ate (tes'ai-neet), v. a. betooveren, boeien. artikelen; galanterisin. —ball gemaskerd bal. —ation (-nee'ajun), a. betoovcring. --e (-aims'), —framed, ingebeeld. —monger, grilziek mensch. a. takkenbos. —sick, ingeheeld ziek. —, v. a. zich verbeelden; Fash (fesj), v. a. & a. kwellen, vertoornen. !Louden van, liefuebben; v. n. zich verbeeiden; Fashion (fesrun), a, fatsoen, vorm„ maaksel; mode, smaak, manier, draeht. people.of —, menmeenen, hasten vow.. achen van stand. —monger, modegek, —pieces, Fitne (feen), s. tempel; weerha ►n. s.trompetgeschal.—on (-on) s. rantsoenhou.ten. —, v. a. vormen; geachikt maFautir snowier. —onade (-un-seed'), E. pocher(,,snoeverij. kesa. —able, a. —ably, act. fatsoenlijk, smaakvol. a. fatsoeneerder. —ist, s. modegek. (fengd), Fang Ifeng'), a. klauw, slagtand. a. met tanden (halsen, enz.) voorzien. —less, a. Fast (feast"), s. (het) vast.; vastentijd. to break one's —, ontblten. —day, vastendag. — v. n. vas• zonder tanden Utak., eon.). —er, s. vaster. —ing, a. (het) vasten; —dog, Fungl ► (feng'gl), s. dwaze :paging. — d, a. op- ten. vastendag. —ing, a. nuchter. ziehtig, ljdot getooid; uitgedacht.'netv-fanglert, Fast,(faast'), a. !mei; vast, hecht; 'tan 4 'costly. —and niestwbakken. loose, veranderlijk; bedriegelij, to play — and Faugot (feng'(ut), a. haat. loose, veranderlijk zijn; to kwad.cr tranw handeFanion (fen'jun), a. !mantle. len. —, ad. vast; one, vlug; dikw)jls. — by, il roan (fen'nil), —so (-sus), s. arrnsjerp (eens -- beside, dieht bij. —handed, gierig. —en (faas'n), mispriestere). v. a. vastmaken, hnchten; v. n. zich bechten. Fantasied (fen'te•sid), a. grillig. Fantastic (fen-tes'tik), —al, a. —ally, ad. her- —ener (faas'nur), a. vasthechter. —ening (faaa'nsenschimmig i wand:1.10k, grillig. --atares, s. ieng), a. vastbinding; band. —ness, a. vastheid,
CIEL. --kilt, money-chest. —lade, till. —Iscning, loan. —ssakelnar, money-broker. —markt, money-market. —asiddeles, fiancee. —saunter, coiner. —nood, distress for money. —owner, money-borrower. —plakkaat, money-edict. —riem, belt (girth) for yin o ney.--tehaal, money- balance. --achiefer. moneylender. —slaan, o. coining. —anoeien, o. moneyclipping. —snoeier, money•clipper. --eonr,eum of money. —stuk, piece of money. —tafet, moneybosrd, counter. —trots, purse , pride. —rerlegenhes:d, pecuniary erobaeraroeient; in -- eijn, to be hard (,reared for money, to be hard pushed, to be bard no. —terties, loon of money. —winning, money-rnekieg, —zaak, money-matter. —.eat, love of money, coretoueneee. —zuchttg, greedy of money, covetoua- —eon-Lk/op, circulation of money. —sumanie, money's wort h. Getilde Mk, by. pecuniary. —loot, by. moneylean.
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.

—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet

Waar kan ik verkoop BTC voor contant geld


More than 9 million people have participated to the Erasmus program since its creation. The number of young participants has increased significantly since 1987. Nearly 300,000 a year for only 3,244 in 1987. Spain is the country that allowed most people to participate to Erasmus with more than 40,000 per year, ahead of France, Germany and Italy. The countries receiving the most students are Spain with more than 39,000 students and then Germany.[16] There are currently more than 4,000 higher institutions participating in Erasmus across the 37 countries. In 2012-13 alone, 270,000 took part, the most popular destinations being Spain, Germany, Italy and France.[17] Erasmus students represented 5 percent of European graduates as of 2012.[18]
Furnace (for'nes), s. fornuie; smeltoven. Furnish (fnenisj), v. a. versehaffen; voorzlen (with!; stoffeeren. —ed lodgings, gemeubeleerde kamers. —er, a. verseheffer; leverancier. Furniture (fur'n1 tjoer), a. meubelen; gereed achap; tutgnge; sieraad. Furrier (fueri-ur), s. bontwerker. —y, a. pelswerk, pelterijhandel. Furrow (fuero), a. voor, groef. —faced, met .eon rimpelig gelaat. —weed, kweekgras, hondagraw. —, v. a. in voren beploegen; groeven. Furry (fuerilx), a. van (met) boot. ad. verder. Further (for'thmr), a. v. a. beverder, buitendien. —most, a. verst. vorderen. --ante, a. bevordering. —er, a. havocdenier. ad. vent. at the —, Furthest (furThest), a. ten langste. Furtive (fuetiv), a, —ly, ad. gestolen, steelsw ijze. Furuncle (fje 3'runkl), e. bloedvin. Fury (fjoe'rill), a. woode, razernij; forte. Furze (fan), a. brem, prteuakruid.
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

cryptogeld India nieuws


Sarmatia (saar-znee'sji-e), g. Sarmatiö. —n, I. Sarmsat. Saturn (set'urn), my. Saturnus. Satyrs (set'irz), my. Saters. haul m. Saul. Savannah (se-ven'na), g. Savanna. Savoy (sev'oj. se-von. g. Savoy.. —rod (leT .0jaard'), I. Savoyaard. Saxon (iseks'un), a. Saksiech; i. Saks. —y, g. Ssksen. Scandinavia (sken-di-nee'vi-e),g. Scandinavia. —n, at. Scandinavisch; J. Scandinavian. Scheldt (skelt, ojelt). g. the —, de Schelde. Scilly Mande g. (de) Sorlinge : '. Scinde (*bad), g. Scinclq. Scipio (stei-o), m. Scipio. Scot (chat'), i. Schot. —eh (skotaj), a. Sehotaah; i. the —, de Schutten; —man. i. Sehot. —land, g. Sthotland. —t (skot), m, Scott. —dish, a. Schotsch. Scylla (ail'le). g. Scylla. Scyth es (sarthiez), I. Scythen. —La (sitlei-e), g. Scythie. Sebastian (ae-bes'ii-en), m. Sebastiaan, Segovia (se-go'vi•e), g. Segovia. de Seine. Seine (seen, ten), g. the Sy:tenet's (se ljoe'kus), in, Selman'.
w. to prepare, to drees; nick —, t. w. to prepare one 'a self, to snake one 'a self ready. -or, m. —liter, v. preparer, dresser. —ing, v. preparation, dressing. 11,erelde, bw. already. Bereld eel, o. thifig prepared; 'single.. —vaardig,—willig, tcv. tlti bw. ready (•fly), —vaardigheid, —willigheid, v. rex-mese, Weroalk, o. reach; power. binnen fonder) het —, within t; e reach. buiten het —, beyond (out of) the reach. borers taiyn , beyond say sphere. —haar, by. attainable. —en, ON NV, to Moth, to attain Ito) to come to; tijn duet —, to get one 's aim. Beret/ ad, be. travelled. ov. w. to travel over, to frequent. Bes•.ken war, m. calculator, computer. —baar, b7. calculable. —en, ov. w. to celculete, to compute; to charge; to put to ova 's aerouut. —ing, v. calculotion, computettoo ; charging in sicconet. Bes-en kleauvw, TH. acanthus, beer's-foot. —huid, v. bear 's-sitin. —leider, to bear-ward. —oor, 0. . ouricela, bear's-ear —vet, o bear's-gresse Berecass en, ov. w. to invest, to block up, to blockade. —or, sn. b'vieger. —mg, v. investment, blocking up, blockade. Berg , rat. mountain, mount ; ditflcrllty. to — e rijnen, to stand on ,nd, to 'start up. gouden —en helocen, to promise wonders. —aarde, mountaine .rth. —bewoner , niountaineor highlander. —blauw, ultraruarine, mountain-blue. —eagle, parse, neck. --peel, yellow ochre. —peel, mountain-goblin, gnome. --pelt, chamois, wild goat. —gereoht, bergrnote, court of minas —gevaarte, huge mountain. —glee , sock-cristal. —god, mountain-deity. —podia, oread. —grace. moantain- green, chryso.colla —hart, bitumen. —belling, elope of a mountain — liven, ood-cork, inane-cook, wild hen. --hat, ocelo t.. —keten, range of mountains. —kloo f, charm eough, um:Intern-rift. —land, highlatid, upland. —man, mountaineer, highlander, miner. --mule, lemming, dorroo,e. — oZie, petroleum. —pad, mountain-oath. —rat, —rot, mountain-rot, marmot. —eerie, sermon on the mountain. —rug, ridge of a hill. —schot, Highlander. —spits, peek. —stet, miners!. —storting, land slide. —alcoves, moontoiu-stream. —lop. mountain-top —weg, mountain-rood. —werk, mine. —werker, miner. —east, rock-salt. —achtig, be. rnountaduous, hilly. —af, bw. down hill. Bergamot, v. bergamot. —boons, bergamot-tree. bergamot essence. Berg en, ov. w. to sieve; to put by, to lock no, to secure; nick t. w. to wage, to abscond. to get out of the way, berg ye, beware ! take care! —hout, wale, a at — loon, salvage. —pleats, depotitory, store-houee, magazine; refuge. —er, tn. salvor. —lag, v. salvage. bw, up hill. Bericht, o. account, report, Intelligence, notice. information; advice; aevertistment. —veer; sic Beriehter. —schrift, report. —en, ov. w. to let know, to send word to report, to cernmunteate,

Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
Dibble (dib'bi). a. spade; pootstok. —, '_v. a. epijavertering. poten (met eeu pootijzer). Digg er (dig'gur), a. graver, delver. 4 —jags, a. Hibstone !dib'stoon), a. werpsteentje. Dice (data'), s. dobbelsteenen. —, v. n. dobbe- opgravingen; goudveiden; verblijf. len. —box, dobbelbeker. —player, dobbelaar. Dight (dajt), v. a. ultdossen; tooien. Digit (did%jit), a. drie vierden van een' doim; -2', a. do)itelaar. een twaalfde van de middellIjn van son of Dickens (diVenz), int. drommels! maan); getalmerk, cijfer. —al, a. de vingera beDicker (dik'ur), a. tiental (by. huiden). —, v. a. treffend. —eted, a. gevingerd. § ruilen, verruilen.
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

Wat zijn de beste Blockchain bedrijven


rechtvaardigen. —able, a. beweerbaar. —er, a. getuige; bewija. Avow (e-vaau'), v. a. bekennen, erkennen. —able, ts. erkenbaar. a. bekentenis. —edly, ad, onbewirnpeld. —ry, s. verdediging, pleitachrift. AVIIISIOD (e-vul'ajun), a. afrukking. v. a. verwachAwait (e-weet), a. hinderlaag. ten. Awake (u-week'), [awoke, awaked], v. a. wekken; v. n. ontwaken. —, a. wakker. v. a. Award (e-waord'(. S. vonnia, uitspraak. toewijzen; v. n. beslissen, uitspraak doen. Aware (e-weer), a. onderricht, bedacht, ornzichtig, (of;. int. voort Away (e-wee"), ad. weg. Awe (now), 8. ontzag, eerbtedige vrees. —struck, a. met ontzag vervuld. —, v. a. ontzag taboozemen (into). Awful (aow'foel), a. —ly, ad. ontzagwekkend; 4 buitengewoon. —nest, a. ontzaglijkheid. Awhile (e-wajl'), ad. eene pool.


kerkban. -.tory (-ne-tur-rib , , a. donderend; verFry (fraj'), a. school jouge vis..sehen; zwerm, echri kkelij k. troop; baksel; zeef. —, v. a. & n. braden. —ingFulmin a (foel'min), v. a. werpen; v. n. dondepan, braadpan. ren. —ie (-min'ik), a. knellene. Flange (fjoe'idzi). a. haardgeld. v. a. bedriegen. (off) Fulness (foerness), a. Nolte; solkomehheidTub (tab), a. dikkert. Fulsome (foel'aum, fureum), a. —ly, ad. waluitstollen. Zie to Fob. -ness, s. walgelijkheid. Fueate (fjoe'ket), —d (-keet-id), a. geblsnket; Ful rid (ful'vid), —cons, a. donkergeel. vermomd. Fumado (fjoe-mee'do), s. gerookte vise.h. Fiscus (fjoe'kus), a. blanketsel; vermonaming. Fumago (fjoe'snidzj), s. schoorsteengeld. v. a. drunken maker'; v. n. itch Fuddle (fud'd!), Futnbl a (fum'bi), v. a. onhaedig belottidelen, bedrinken. —r, s. dronkaard. fommelen; (up) samenfommeten. —, v. n. friemeFudge (fudzj), s. bluf; onwaarheid. —, v. n. len, tasten (for, noar); sensation; onhandigomfat! onzin! bluffen. Fuel (fjoe'il), s. brandstof. —, v. a. van brand- gsan (with). —er, s. fommelaar, onhandig menech. —ingly, ad. lomp. etof voorzieu, cordon. —ler, a. etoker. Tunnel ous (fjoe-gee'sjus),a. vluchtig. —nuances, Fume (fjoetn'), a. rook, damp) toorn. —, v. a. rooken; berooken; v. n. rooken; toornig zijn, —ty (-ges'it,tih), s. vluchtigheid. razen; (away) verdampen —t (-it), 8. wildreuk; Fugitive (fjoe'dzjit-tiv), a. vluchtig, onbestendig. wilddrek. a. vluchtigheld. a. vluchteling. Funild (fjoe'mid), a rookerig. —ity it-tih), Fugue (fjoog). s. fuge. a. rookerigheid. (fesibll, a, stutbaar. Tolerate (furkret), a. met op den grond han- Futniga to (fjoe'mi.geet), v. a. berooken. —lion (-gee'sjun), s. berooking. gende takken. Fumingly (fioe'mieng-!ih), a. wooden& Fulcrum (ful'krum), a. stet; eteunnunt. IP unit (foci-fir), v. a. vervullen. —ler, a. volbren- FUnAltiti (fjoe'misj), a. rookerig; driftig. Funslt er (fjoe'mi-tur), —nry, a. aardrook. ger. —ntent, a. vervulling. Fuse ous (fjoe'mus), —y, a. dampig, rookerig; Fulirauglit (foel'fraot), sa. ruim voorzicn. ( hoPPig• Fagg envy Fun (fun), a. boert, jok,grap.for (in) —,uit kortsa. glans. —ent, —id, a. blinkend. wijl. to make a — of, voor don gek houden. Tselgur (furgor), a. glans, schittering. Fulgura to (fol'gjoe-reet), v. n. schitteren, stra- Funambulist (fjoe-nem Woe-list), a. koorddanaer. len echieten. —tion (-ree'ajun), a. schittering; Function (funk'sjun), a. beroep,embtsverrichting. —ary, a. ambtenaar. blikseming. Fund (fund), a. fonds; kapitaal. public —s,staatsFoligleions (fjoe-lid'zji-nus), a. roetachtig. sehulden. sinking —, delgingsfonds. —, v. a. in Fullinart, sic Foumart. fondsen beleggen. (fell'), a. vol.; verzadigd; geheel; volkomen. —, a. voile meat; toppunt; geheel. —. ad, ten voile; Fundament (fun'de-ment), a. grondstag; achtervolkomen; zeer. —scorned, met eikels gemest. ate. --al, a. —ally, ad. (-ment'el-), oorapronke-blood, volbloed. —blown, in vollen bloesem; ink; grand-. gezwollen (door den wind). —bodied, lijvig (van Fuser sl (tjoe'nur-el), a. eene begrafenis betref• fend; a. begrafenss; lijkplechtigheid. —cal wijn). —bottomed, ruim. —butt, ad. regelreeht, ri-el), a. tot eene begrafenis be.hoorend; akelig, climb tegen; a. § botsing. —cry, in vollen ren. treurig. —dress, gala•kleeding. —dressed, in groat koatuum. —drive, in vollen ren. —eyed, met groote, nit- Fungic (fun'd.zjik), a. van paddenstoelen. — acid, pssitende oogen. —faced, met eon vol gelaat. kampernoolje-zunr. —fed, doorvoed, vetgemest. —fraught, ruin voor- Fong oslty (fun-gos'it-tih), a. sponsaehtigheid; zien. —grown, volwassen. —hearted, vol mood week uitwas. -0U8 (fun'gus), a. eponsactitig; nitgroeieud. -us (fun'gus), s. paddenstoel; uitwas; (hoop). —hot, gloelend heet. —manned, geheel wild vlee..(ch. bemand. —moon, voile maan. —mouthed, vol (zwaar) van stern. —orbed, met geheel verlichte Funlc le (fjoe'nikl, a. anoer; vezel. —slat (-nib' joe-ler), a. vezelig. Bes(ir. —power, volmacht. —speed, met den mees- ten apoed; in vollen galop; vol werk (van eon Funk (funk). s. stank; groote verlegenheid. —, v. a met stank vervullen; v. n. stinken; bang zijn. stoomwerktuig). —spread, bree. uitgespreid. — summed, volsedig, § —swing, overwicht; yolk°. Funnel (fun'fli1), s. trechter, Piiin hap op eene mane bebeeraching. — winged, met aterke vleu- echoorateenpijp. Fuun lay (fan'ai(-111), ad. —y, a. grappig, kluch• gels; ijverig. tir. —y, veerpont. (toell"), v. a. vollen. —age, a. volderalaon. te. pelterij, bont; beslag —er, a. lakenvolder. —er's-earth, vol-garde. Fur (file), a. bouten. (op de tong). —cap, pelsmuts. —cloak, mantel —cr's thistle, kaardedistel. —ing-mill, volmolen. met bont. —, v. a, met bout bekleeden; doen Fully (foellih). ad. ten voile. (ful'mi-nent.), a. donderend. —te bealaan; dubbelen (een schiP). Fulminn rat (-fleet), v. a. doen ontploffen; uitwerpen; ver- Furael ous (fjoe-ree'sjus), a. diefachtig. —ly oordeelen; uitbulderen; v. n. ,londervn; ontplof- 1 (-realt-tih), a. diefachtigheid. fen; den banblikaem sltngeren; razes, bulderen.; Furbelow (for'be-lo), s. falbala, strode. — ling - powder, donderpoeder. --lion (-nee'sjun),' 11 , ssrbtsslis (fuebiej), v. a. polijsten, bruineeren. e. brisineevder, zw serdveger. er.fineter; costploftlne'; ,4, cendig)ng van st,
Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de

on. wa to dream; to be absent (in mind). —er, m. —ster, v. dreamer, visionary; dotard. —erig, by • & bw. dreaming (-1y), sleepy (41 y), drowsy (.ily), dull (-y). —erij, v. reverie, vision, fancy. Droop en, ov. w. to baste. —ing, v basting. Drop, on. drop, eaves; disorder in the breast of a o. Spanish licorice. —stun, suckling woman. m. & o. Zie Druipste on. on. W. Droppel, m. drop. —pia, strangury. — 8 soijze, to drop, to trip. to trickle. —Inge, bw, by drops. Droackenrd, m. bailie. —schap, o. bailiff's office, bailiwick. Droetten, on. w. goals —.to run away, to make off. Drtist in. bailiff. — (teat, —.chap, o. Zie Prospoordsehe p. —endienst,ssessigeDruide,m. druid. Druif. v. grape; head (knob) of a lighterman 'a pole; easeabel. —geneel, grape.sweliing. ambrosia. —on. vintager's knife. —vlies, oyes. —earwig- grape-like, uveoun. m & v. Zie Drultoor. Drull, ne. —en, on. w. to loiter; to slumber; to Temp.—oar, mope. mopue. ooren, on, w. to mope. —oorig, mnpish, sullen. —oorigheid, moplehuess, sullenness. —er, m. —ster., v. loiterer; drowsy head, mope. rnopus. Drosip, a,. mrop, eaves. — en, on. w. to drop, to drip, to trickle; to run; to be cast (op een exams.). —had, shower - bath. —nat, wet all over, throughwet. —netts, sniveling nose, sniveler.—oog„running eye, blear-eye. —oogig a bleare eyed.— staart.person (dog) that steals away. —.tearles s to sneak away. —atoartend, sneakingly. —steen, stalactite. —er, —srd, m. gonorrhoea. —use, v. dropping. Denison. on, w. Zie Aandrutsen. Druir eblead, o. vine-leaf. — aeons, vine-tree. —epit, atone of grapes. —eadit, shin of grapes. —Meet, grape stalk—enbloed, —mot, —onto, juice of peps., wine. —enhorf,—enmand, dorm. —enlezer, vintager. —entesing,—enoogst, vintage. —snmoer, dreg* of grapes. —enpers, wine-press. —enperser, wine-presser. —enrank, branch of a vine. —intro., bunch of grapes. Druk, by. very busy, full of (crowded with) business, much occupied; bustling. m. pressurn; dietreete oppression, affliction; print, printing, impression; edition. —ken, ov. w. to press, to squeeze, to pinch; to oppress, to afflict; to print; iemand in sijne amen —, to clasp a. o. In one re arm. op cone lettergreep —, to lay a !stress upon a syllable. kV liegt aloof het gedrukt I., he lies impudently. —bal, printer's ball. —doeh, pressing-cloth; compress. —fell, —foot, error of the press, typographical error, erratum; printing-fault. —inlet, printing-ink. —hasten, cost of printing. —kunst, art of printing, typography. —letter, type. —loon, printing-charges. —paper, printing-paper. —pers, printing - press; press. —perevrifhesd, liberty of the press. —proof, proof, proof-sheet. —echrift. printed paper, — book. types. —week, press work. —load, by. & bw. exceedingly heavy, excessive (-1y), grievous (-Iy), oppressive . (-1y I.—ken, m. primmer; printer, pressman; —sjangen, printer's devil; —epee, case. —ahneeht, journeyman printer; tympani


Splend cut laplea'dent), 0. II:taken& schitteresd. —ter, a. 4ikkelaor; bevlekker. —id, a. —idly, ad. praclitig, kostelijk —or, a. a. gevloktheid. —ly, a. gevlekt; gespikkeld; tepracht,lniater,glans. zoedeld. Splen elle(aplen'e-tik),—ish, a. Zie Spleenful. Spoon al (spaiezel), a bruilofts-; echtelbk. —ic, a. van de milt, milt•. s. brunt:in; huwelijk; bruiloftslied. Splent Isplent), s. splinter: spat, overbear, echtge000t, —e (spa.), v. a. 'Lie to Espouse. Splice (*pimp), a. spiitsing. —, v. a, splitsen. —less, a. ongAinwd. Splint (splint'), —er, a. splinter,spaander; spalk. S,pcsiat (spout'), s. pijp, Wit; gust; waterstraal; —er, v. a. doen splinteren, splijtenispalken; waterhoos; wolkbreuk. —hole, eguitgat. —, v. a. v. n. aplinteren, splijten• & n. spuiten; hoogdravend spreken, declamee. Split (split') [split], v. a. aplij ten, klooven; sebeu- sen. —er, a. declamat eve. ran; verbrijgeien; v. n. splijten; bereten;springen; Sprain (sprees,, a. verrekking, verstuiking. vergaan. --cauoc, advoksat. —stun, dubbele ode- v. a. verrekken, verstuil.en. lame. —fig, kruidenier.—ring, gesp)eten ring. —ter, Sprat I spret), a. sprat. —barley, baardgerst. o Sprawl w (spraol) V. n. srtelen. Splt a. itlitir'l° eterIskp1:e tv'.U. r), a. gerons, rumoer. —, v. n. Spray (spree), a. rijaje, tilde; schuim. ran:me:en, onversiatinbaar spreken. Spread (speed), s. uitgebrridhetd, omvang. Spoil (spop.), a. butt, roof; verwoesting; 00 , Spread (spred') [spread], v. a. & n. Ppreiden; worpen huid, uitbreiden, nitstrekken, verspreiden. —the v. a. rooven; beroo,n iol , ; bederven, verweesten; v. n, ror,v,,v ; bederven• cloth, de tafel dekken..(abroad) verbreiden. (out) —er, s. beroover; bedrever, ven.voester. vorsprePier; verbreider. uitspreiden. —cc, Spoke (spook), a. apauk, speck; sport. Sprig ieprig')., a. r ikje, apruide; atiftje. —bolt. 011p,,kessisan (spooluimen), a. woorcivoerder. V. a. met takbout. —crysta?, bergkrislal. Spolla sae v. a. bereoven, plunderer. tairjes tedrenen; met stiftjes vastruaken. —gy —lion ( ee'sjun), a. beroovi ► g, plundering. (-0,; ► , a. vol. rijsjes. Spun dee (spou'di), s. spondeus, ,rsvoet you spright (aprajt , , 8 spook, geeet. fiat, —/y, a. twee lange lettergrepen —dyl (-dil), a. leveedig, vro ►ltjk, —fulneatt, (-Itwerveibeen. Spong a (spundzj'), spons; wisncher. —e, v. a. Igt:s' t 'eloa.f.1.7tro1;1, '1'; h t' 'd ..K. ' i"°11ikh6d. — le", a. sponmen; bitwiescheu; v. n. inzulgen; tafel- Spring (spring), a. bran; eprong; veer, springschuimen (on, upon,. — er, a. tatetacbuimer. veer; oorsprong; veerkrachi; lente., voorjaar; (-1-neas), 8 sp ► nsschtigheid. —ing•house, acheur, barrt; lek; spring. —arbor, entl. (in can zomt.rgerst. —barrel, rolgorhorlogiel. a. aroneachtig; irdzeling. —soon zutgend, reha --box, tom k, rg rretid bolt„ e) :ve—e ba Spo t. al (epcua'el , , a, brullofis-; eehtelijk. apringbr;k. —shape, ee, d l, ue: inv ae el —ion (-ajun,a. borgtocht, ..... or, a. burg; doop- Petrel. veer. —dividers. pl. veerpasser.—CLg getuige, doopheffer. treehter. —grass, rekkgras. —gun, donderbua. Spr.ontane ous (spun-tee'ni-us), a. —ously, al. —halt, hanespat. —head, bran; oorsprohg. —hook, veerdekvrijwill:g; van zelf; wilt. —ity (spon-te-nl'it-tilt), veerklink. —lid, karabijnhask. —latch, -nuances, a. veil wil I igheld. eel. --lock, springslot. —quarter, tijd der langste Spontoon ispon-loon'), a. boric pick, dagen. -saw, beugrOzsag. —snuffers, pl. patentSpool (spel', a. spool. —, v. n. spoelen(opwiu- anniter. —steel, elastiek staal. —steel-yard, veerden), —ing-wheel, spuelrad. taotoeir „Te r t asipl,..aearr.d v to;ee.-6 at e, oaupwriknxplopeet Spoon) Impoein'), V. n. anal (vane den wind) u_ri 1en Lenten. zeolloenn;1, p ot ,en),—drif a. iet,pes ichu zomertarwe.—worm, binits iie le,epderill . —water, Spoon (een) lapel-vol. —hand, rechterhan ► . —meat, la- Spring (spring) [sprung], v. a. doen springen: pelkost. —shell, strande ► uisel. —wort,lepellolad. opjagen; aan den dog brengen. — a leak. een n. springer; ontepringen; —, v. n. Zie to Spoons. Lek ketjgen. v. Sporadic (spo-red'ik), —al, a. verstloold. uttapruiten; voortkomen, entstaan, zijn' oorSport (spaortir, a. ape1; lichens, kortswiTh veld- sprang kebben. (forth) nitspruiten, opschieten; verinstak ;jagen, visschen, vogelen, psardrijden. Noortkomen; nitspringen. ( forward) V.0 1,VaartS enz.)..tonzake—with,voor don gek houden.—'s-man, sprineen, zich atorten. (up) op , pringetll —saran, licihebber von veldverrnaken. —, v. a. schieten; ontstaan; itch verheffen. v. a. vern. (itch) vermaken, verlustigen; spelen;achert- Springe (sprindz,j), a. strik, knip. sen; (with) den gels ocheren met. --cr, rt. achert- strikken. see, spotvogel. -lye, a. --fully, —ively, Spring er (epring'ur), s. drijver; spruit. —inc.a a. veerkrachtig; ad. vionitk, giapptg, echertsend. —fulnebe, (-I neqi), a, veerkracht. s. vroolijkheid, clartelheid, kortawi,j1, bronrijk. Belem. —lees, a. treurig. —v,le (-Joel), 8. a. gesprenkel; Ritter, Sprinkl e mom fool. watersproeier. e, v. a. brsprenkelen; v.n.stofSpot (spot'), a. vlek; schandviek; pleats, plekje. regenen. —er, F4. hesprenkelear. —ing,B. besprenon (upon) the —, aanatonds; op stnande voet.—, keliug; weinigje. v. a. beslekken, bezoedelen; benpikkelen. —tetra, Sprit (sprit'), a. sprutt. epriet. --sail, sprietzeil. a. onbavlekt, suiver, vlekkeloos. —lcesnese, a. —. v. n. spruiten. vlekkalooshaid. —ted, a. gevlett; gespikkeld. Sprite (aprajt), a. Pie Sprlght.
(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
tNR.-1/NS Unronted (un-raztt'id), a. ulet in wanorde gebraeht. Unroyal (un-roj'el), a onkoninklijk. VeroMe (un -rura), v. n. kalm (atil) worden. —d, a. kalm, stil; ongeplooid, Uncut ed a. niet bestuurd. —Lip, ad. —y, a. ouregeerbaar; weerepannig; toomeloos. —mess (-1-ness), a. onhandelbaarheid„ o atembaarheld, weerspannigheid. Unrunspie (en-rum'pl), v. a ontriml.,1 en. Unsaddle (un-eaci'd1), v. a. ontzadelen. —d, a. ongersdeld. Unsafe (an-seet') a. —ly, ad. onveilig. a. onvellIgheld. Unsold (nn-sed'), a. ongezegd. Unsalable (un-seell el), a onveirkoopbaar. Unsalted Inn•saolt'id), a. ongezouten. ongegroet. Unsalutad Uneenet1 lied (ttu-aengk'ti-fajri), a. ongehdligd„ ongea kid. —oned (-ejund), R. outtekrachUgd. En/Anted (un neelid), a. onverzadixd. Unsatisfuot lore (un-set-is -fek'sj an), a. ontevredenheld. —orily (-tur-114111), —ory (-tur-rib), a. onvoldoend —orinees (-tur-i-1, a. onvoldoenditeid. lineation labia (un•set'is-faj-t5i), a. onverzade113k. (•fajd), a. onvoldatm, ontevredigd. —ping (-faj-leng), A. onvoldoend. Unsaturated (un-set'Joe-ree-tid), a. onverzadigd. Usasavor ily (un-,ee'vur-11-lib), ad. —y, a. onsmakeltjk. —iness (4- nees). e. onsartkelijkheid. Unsay (un-see') [lm], v. a. herroepen. UnSCRII able (uu-Akee'llb)), a. onbeatijgbaar, —e (-skeel'), r. a. van eahubben (rfehlitere) ontdoen. —y, a. niet schilferig. Unscanned (un-aftend'), a. ondoorzocht; onov erlegd. Unscared (ue-skeerd') a onver schrikt. Unecarred (ups-Outerd'), a, zonder I Meek... Uneonthed (an-skeet kV), a. ongedeerd, onbesehadigd. Unscattered (un-aket'turd), a. niet verstrooid. Unscholastic (un-ako-les'tik), a. niet hoolseh; ongentudeerd. Unschooled (un- skeeld'), a. net onderwezen, ongeleerd. Unselentific (un-sat-en-tirik), a. —ally, ad. onwetensehappelij k. Unscorched (un-skorlait'), a. onverzengd, ongesuhroe td. Unseoured (un-skaurd'), a. ongesehuurd. Unseratehed (nu-skretsW), a. ongekrabd; ongeschamperd. Unsoreened (un-skriend'), a. onbesehut. Unscrew (on skroen, v. a. lossehroeven. UnacrIptural (un.skrIptloa 111), a. onaeltrittnurlijk, Uneccupuloue(un•skroe'ploe-lus),a niet nauwgezet. Unseal (un-sie2), v. A. ontzegelen. —ed (•sield') a. ongezeeld. Uneenus (dun-stem'), a. a. lostoroen. —ed (-81eme), a. ongezoomd. Uneentreh able (un-surtsribl). a. —ably, ad. on. doorgrondeltjk. —ableneas, a. ondoorgrondelkik —ed(•atirtaje), a. niet onderzocht.
zellende vertuien. —age, a. ankerplaats. —togs Morplon (mor'pl•un), a. platluis. (-iengz), pl. havenankers, rneertouwen. Morris (mor'ris), a, —dance, moorsche dan*, heti Moose Imes), s. eland. tendons. Moot Itnoet'), a. oefenpleidnot. —case. —point, Morrow (mor'ro), a. morgen. to —, morgen, after opgeworpen reWsvraak. —hall, —house, dispu- to —, overmorgen. to — morning, morgen ochtend. teerzaal, roadhuis. v, a. & n. hepleiten, plei- Morse (moral, s. zeekoe, walrus. ten, disputeeren (tot oefening(. —ed, a. net den Mz)esel (rnor's11), a. beet, hap, brokje. wortel uitgerukt. a. redetwister; nagel. Mort (mort'), s. hallalt (der jagers), both, romp. Mope stomp; driejarige zalm. —al, a. sterfelijk, men. Mop (mop), a. stokdweil; teerkwast; scheef ge- ' schelbk; doodeltik. — enemy, doodvijand. —al, a. zioht. —, v. a. dweilen; v. r.. ern scheggezicht sterveling. —a/ity r. sterfellak. trekken. held; &011ie; bill of —, sterffilst. —ally. ad . doo. Mop e (moop'), R. droomer, druiloor. —e, v. n.
-seroeder,, (wife 's) brother-in-law. -Shand, man 's hand. - shemd, shirt. -shoog, high as a lull grown man. -skoagte, tallness of a man. -sklred, man 'a coat. -skleeding, man 's dress, male apparel. -ekracht, man 's force. -slengte, ma.l'a length, -. size. -smoeder, (wife 'a) motherin-law. -air. male issue. - soar. colts-foot, asarum, -epersoon, man, male. -mit, man 'a coot. --evader, (wife 'e) father-in law. -exacter, (wife 'a) slater-in-law. - aektig, be. mannish„ manlike, strong-featured, masculine. bv. marriageable, nubile. -held, v. rearrtageableneee, puberty. Mond, v. basket, hamper. door de -rattles, i o confess, to avow. -vol, I seketful. -ewagen, basket-eurringe. -emetic, wicker - work. -ewerker, basket-maker. -enact/cm -enmakerV, basket. making. -otmaker, basket-maker. -enwinkel, basket chop. -en, or. w. to basket. Itinudnat, o. mandate. Inatodei•kruld, o. germander. o. little `racket. ---skoop„ basket-seller. Masses, v. mu. mane.
CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.
MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


boos. —inetslike (-bisliese-lajk), a. niet gasehikt voor zaken, etrijdig net den kooproansgeest. Unbutton (nn-but'tn), v. a. loskoopen. Uneage (an-keed3r), v. a. nit de kooi laten. Uncial clued (un-kel'eind), a. onverkalkt.—culeted (-kjoe-lee-tid). a onberekend. Uncalled (un-kaold'i, a. ongeroepen. — for, on • no odig, noodeloos. Unean tolled (un-ken'aild), a. niet opgeheven, niet verntetigd. —did, a. onoprecht. —anical (-kenon'iki), a. ntet kenontek. Unwired (un-keer0) a. — for, enbehartigd, veronachtzaamd. Unease Inn-keeal, v. a. uit den koker (de keg, de scheede) nerneu; afstroopen.. Uncaught (un-kaoti a. ongevanirfn. Uncaused (un-kaozd'). a. onveroerzaakt. Unceasing inn-siezleng), a. —ly, ad. onophou• elndelooa, Uncelebrated (un-sel'e-hree-tid), a. ongevierd, ongepresen. Uncansuretil(un-sen'sjoerd), a. onberispt. Unceremonious (uu-eer-e•mo'nk-us), a. —1y, ad. :cinderplichtplegingen, ongedwongen. Uncertain (an-sar't1u), a —/y, ad. onzeker. —ty, a. onzekerheid. Unchain (un•tsjeert'), v. a. van ketenen ontdoen. 'Unchang cable (un-tsjeendkribl). a. —eably, ad. onveranderlijk.—eableness„s. onverandertijkheid. —ed (-tsjeendzidl, a. onvcranderd. —lag, a. onveranderltik. Uncharged (un-tejaardajd'), a. onbeladen; abet aangevallen. Uncharita Lie (an tsjer'ittble). a. —bly, ad. liefdelons. --6/euess, s. liefdeloosheid. Uneharm (un- tejaarm"), v. a. onttooveren. Unchast a (un-tajeeat'). a. —ely, ad. onkuisch. —iced (-tejes-tajzd'), a. ongestraft. —icy (-Wes , tit-ih), a. onkuisehheil. Unchecated (un-tsjekt . ), a. onbelemmerd, onbetenge'd; niet gecol.ationeerd. Unekeerful (un-tsjterloel), a. neerslachtig, bedrnkt. -1.14, a neersiechtigbeid. Unehrist sued (un-kriend), a. ongedoopt. —ian, a. —iaray. ad. (-kristlen-), onchristelijk. Unehron toted (un-kron'i kid), a. on vermeld.. Unchtireh (un-tajurts,r), v. a. uit de kerk (ge, meente) atooten. Uncial (un'ajel), a. & a. — let:er, groote letter. Uneireurn Oiled lun-aur'ku ► i-evjzdj, a. onbe • sneden. —ciao* (aizYun), a. onbesnedenhapi. —scribed (skrajbd), a. onbepsald. —spect, a. —spectly, ad. (-spekt.), onbedachtzaam, onvoorzichttg. Uncivil (un-eivs11), a. —ly, ad. onbeleefd. —iced (-ejsd), a. onbeachaard. Unclad lan-kledl. a. onsekleed. Unclaimed (un-kleema' 1. a. ongedtacht. Unclarilled lun , e lerl.fajd), a. ongeklaard. Unclasp lun-klaaap'), v. a. locheken. Unclassical on kles'eikl),a.niet klasalsk. Uncle (unrk1), a. oom. Unclean (un-klten'). a. —ly, ad. amain, anti. —knots (-11- nese), -AM, a. onreinbeid; onkuischheld. —sed (-klensd.), a. ougentiverd. Unclew (un • kljoe'), v. a. los-, arwinden.
VOlgend. —lively ad. aohtereenvolgeue.—iveness peed. —an, s. wiNseehop. (-geet), v. n. a. on , 00repoedig, misiukt. stenimen; (with) tnstemmen met. —e ( trid.j), —or, a. opvolger; nazaat. stem,goedkeuring; voor beds. Sucelduous (auk.sidlne-ut), a. wagerieud. Suiffuntists to (eaf-fjos'inl.geet), v. a. berooken. Succiferoue )auk-alf'ur.us), a. saprijk. —tion a. berooking. Succinct (auk elugke), a. —4, ad. bekuopt. Saints a (suf.fjoez'), v. a. overgieten, oveedeks. beknoptheld. ken (wit/a). —ion (-tjos'aiun), a. overgieting„ overSuccor (euk'kur), a. hulp. bijstand. —, v. a. dekkiug; waas, schaaturood. helpen, bjjataan. —er, s. helper, —is a. hub- Suga- (sjoe'gur). a — of lead ,lboclauiktr. pelooe. —y, elehoree. baker, suikerbakker. —barley, aerate:mike, Stsece.bus (euk'kjoe-bus), a. dronnbee nacht. —basin, sulkerpot. —boiler. eulkorketel. —box, merrie. —dieh, enikerdoos. --candy, kaudijaulker. —cane, Succalen ce (suk'kjoe-leng), --cy, a. a. pigheid. autPerrlet. —house, suikerkokerti. —ladle, schen-t, a. eappig. lepel. —loaf, snikerbrood. —maple, auiker aStaeeumb (suk-kumb'), v. n. bezwijken .). horn. —mill, euikerinolen. sulkervorm. Succueva Lion (auk.kus-see'Njun), a. d at. —ion —nipper., —tongs, pl. Nuikertang. —pan, sulker(-kuerun), echudding, eehok. pan. —pea, suikererwt. —plum, Mein sulkergeSuch (anttj), a. & pr. sulk, zoo, — a ball (mutejes, bruidaulkers, one, die en die. — an, zij die. — are, bijcoor- riet. —refiner, suikerralinadadr. —refinery, mutbeeld. — like, dergelijke. kereatinadertj. —shell, yrouwentnunt. —sifter, Suck (euk'), a. (het) zutgen; zog, itnik. to give sulkeratr-offer. —trade, suikerhandel. —works, —, de burnt seven. —fiek„ zutgvisen. —, v. a. pl, suikerfabriek. —, v. a. suikeren, —y, a. suizuigen, inzulgen. —er, a. zuiger: zulgpijp; kerachtig, euikerzoet; van sulker houdend. viseh; echent, ultspruktael; onervarene, coon; Suggest (ang-dzjen'), v. a. ingeven, aangeven, suiplap. —er. v. n. van scheutjes ontdoen. —et Inblazen, aan de hand geven, vooralaan. —er, a. (.1t), a. bulletin, klontje (van saluerwerk). — jag. ingever, inblazer, aanrader. (-fun), a. ins• het zalgen; —bop, zulgpopje; —bottle, :tag- blazing, wenk. —ive, a. (of) inblazend, eon' wenk iiesch; —pig, speenvarken; inhoudend. zubCP..P• Sueki a (suk'kl), v. a. zogen. —lag, a. zuigeting; tataleld 1.11 (sjoe-i-eafdel), a. van den selfinoord. znigendiong. —e (sjoe'i said), a. zelftnoordizelfmoordenaar. Suction (suk'ejun),a. untiring. Stilt (sioet)), a. stel; pak kleeren; reeks; kleur, Sudat ion (tine-dee'ajun), a. zweetinst. —ory roam (In 't kaertepell; gevoig, Wet; verzoek, (siotede-tur•rih), a. zweetend; meet•; s. zn- set- verzoekachrift; aanzoek; recbtsgedlrg, prates, bad; broeikas. —, v. a. (doen) pawn; kleeden; voegen, betaSudden (and'dn), a. plotaeling, onverwacht. —, men; gelegen komew inrIchten, schikken, (to); a. on (of) a —, ploteeling. eenaklapN. —1y, ad. v. n. overeenkomen, panen (fo);overeehatemmen plotsellng. eensklaps. --neat, a. (het) ploteelinge, (with). —able, a. —ably, ad. paseend, voegzaana; on verwachte. overeenkometig, (to). —Ableness, a. gepaetheid, geSudorific (sjoe•dur-it'lk), a. zweetdrijvend. schiktheid. a. zweetmiddel. Suite (ewiet), a. gevoig,stoet; reeks, rtj. Scads (eadz),.. pl. zeepeop. in the —, in do klem, Suit or (sioet'ur), a. Nerzoeker; vrijer. —rena in het nauw. (-resal,s. verzoeltster. Sue (ajoe'), v. a. in reehten vervolgen; (out) uit Sulcate (eul'ket), (-kee-tid), a. net 'loran, werken, verkrkjgen; v. n. verzoeken, aauhouden gsgroefd. (for, ow). Sulk (sulk'). v. n. mokken, pruilen. —ily, ad. Suet (sjoe'it)„ a. niervet, reuzel, talk. —y, a. reu- —y, a, ge,eelijk, pruilend, mokkend. -tacos (-Izelig, tilkachtig. noun), a. gemeltjlcheid, pruiling, mokking. —e, pl. Suffer (armor), v. a. lijden (§y. from. with); uit- kwade luim. staan, dalden, verdragen, toelecan; v. r Itiden; Sullen (sul'In), a. --ty, ad. gernelijk, kuorrig, (for) boeten 'tool% —able, a. — ably, ad. dratel(jk, norech; boosaardIg; somber; treurig. droevig; —ablenese, a. lfjdelijkheid. ---ance, s. weerbarstig. —nest, a. knorrigheld, norschheld; Iiiden; geduld; toelating. — er,e, ilider; gedonger. eomberneid; weerbaretigheid. —1 (eul'inz), pl. toelater. — lag, e. Alden, pUn; Ilidtaamheid; toe - gemelkjkheld., kwadeluira. bating. Sally (suriih), a. smut, vlek. v. 8,. bevlekken, Suffice ieuf-fajz), v. a. voldoen, bevredtgen; (with) besoedelen. verechaffen; v. n. voldoende(toerelkend) zij a ( for) Sulphate (turret), a. zwavelzuur zout, Sufilletera Cy Ieuftisr-en-sib,, a. genoegzeateheld, Sulphur (sullur), a. aware!. —ate (-eat), v. a. toereikendheid; geachlittheid; eigenwaau. —t, a zwavelen. --ution (-ee'Njun), a. zeaveling. —eoue —fly, ad. genoegzaam, toereikend (for); geAchikt. (-fioe'ri-us), —one, —y, a. zwAvelig; zwavelachtig. bevcegd (for. to). —soueaese (•fjoel-ri-ue.), e. zwaveligheid; zwaStafflx (Nutlike), a. achtervoegsel. (-tike'), v. a. vrlachtigheid. —e (•fjoar), —et (-fjoe.ret),s. zwaachter aanhechteu. Tel verbinding. —is acid, z wavalrener. Sultana t• (autlo.keet), v. a, doen stikken.rno , Sultan (toti'teu), a. sultan. —a (-tee'ne), —ach e. ran. —lion (-kee'ejun), a. veratikking. —five, a eultane. veratikkend. loess (turtri-neaa), a. zwosIbeld; moor. einerrag am (3yr/re gen), A. ondergeschihi, he Suite. hitte. —y, a. renal, brandend heat. a. opvolging. —lets,
wakker, op zOne hoede. —ly, ad, wijd; in de Wimple (wim'pl), a. kap, an der; wimpel. v, e , eluieren; onndoen; neertrekken. verte; (seer) ver; veal. —a, v. a. & n. (zich) verwOden, uitzetten. s. breedte; wijd te; nit- Will (win) [won (wun)], v. a. winnen, verkrijgen; geetrektheid. veroveren; overhalen. overreden (to); (over) overWidgeon (wid'ojun(, s. spekeend, taling. haien; v. n. zegevieren; vorderen. 'idow (wid'o), s. weduere. —bench, weduwen- Wince (wins), v. te, eehoppen, trappen; achteraandeel. —hunter, weduwenjager. —wail, dwergnit slean; -- denizen; wOken; Cell wringer, olijfboom. —, v. s. tot weduwe maken; (of) be- Winch (winttP, s. schop; hanpel; handvateel. .rooven van. —ed (•ood), a. tot den weduwstaat kruk. —, v. n. Zie to Wince. gebraeht; beroofd. --er, s. weduwnaar. —hood, s. Wind (wind'), s. wind; nicht; adem. in the —, weduwttsat. op tit, gaanda. upon a—, ashen) bij den wind. Width (width)• s. hreedte, wijdte. to get (take) —, in vernal geraken. to have in Wield (wield'), v. a. hanteeren, zwaeien; bego down the —, uniekken, ruehtbaar warden. to heerachen —able, —y, a. te hanteeren, the —, in den noun hebben, de lutist hebben van. Wile (wajf') s. vrouw. huievronw. —hood,a. staat to take the — of, de loaf krijgen op; afateken. van getrouwde vrouw. —less, a. mender vrouw. — beam, wind-, kielbalk. —bound, deer tegen—ly, a. van eene vrouw. wind opgehouden. —Irroken, kortademig. —cheat, Wig (wiz'), a. pruik. —stoker, pruikmaker. —truck, windlade, blaasbalg. —egg, windei. —fall. efgewaald ooft; buitenkaneje. —fallen, Wight (waft), s. keret. vent, wczen. § Wigwam (wig'wem), a. but (der indienen). afgewaaid. —flower. anemoon. —gage, windmeter. —gall, gal (Ai paarden). —gun, •indroer. (wajl V), a wildernie, woestenkj. —, a. —Cy, —harp, Loins-harp. --instrument, bl eas-inetruad. wild; woest; onstuimig; woedeud; dot, onmeat. —lass, hempen braadsptl. —mill, zinnig; zonderling; losbandig, buiteneporig; verwindmolen. —month, windmaand (November). anderlijk. —boor. everzwijn. —briar hondsrooe. —pipe, luchtptjp. tuchtpomp. —row, ge(--eat bank, oneolide bank. --fire, griekseh vane, spreid gram. —sail, koci)zetl e —shock, windseheur. darewworm, coos. —fowl. wild gevogelte. —goat, —swift. noel ale de wind. —thrush, zingneeerle. gems. —goose, wilds gans; —chase, wilde-trantight, Ineht&ichtt tegen den wind besehut. —, zenjaeht; ijdele poging. —parsnip, suikerwortel. —plum, eleepruirn. —radish, wilde mosterd. v. a. inchten, sass den wind blootstellen; buiten (wild'ur). v. a, verwairen, verbijeteren. adem brengen; de lucht hebben van, op den reek volgen. --nen, s. wildernis, woettenij. Wild ing (wajld'iang), a. haogappel. —nese, s. Wind (wajnd) [wound (waaund)], v. a. winden; wildheid, woestheid; onquimigheid, onzinnigdraftier', wenden; wikkelen; omeiniten; indringen (into); veranderext; blazes. (off) afwinden, atheld; zonderlingheith lortbandigheid. haspelen. (out) loswinden, lestvikkelen. (up) opWile (wail), a. list, kunetereep, bedrog• winden; in orde brengen; bestutten, afsiniten; Wilful (wil'foel), a. —ly, ad. gewillie; eigen§ tot reijgen brengen. —, v. n. slob winder], — zinnig, halmetarrig; opzettelijk. —netts, e- gewitkronkeien draaien. (out) slob lotwinden, — losligheid; eigenzinnigheld; helestarrigheid; opzet• wikkelen. telijkheid. Will ly (wartil-lih), ad. Zie Wily. —nest (-li- Windage ,wind'INI„ a. speetruimte, meeting.. Winder (wajnd'ur), s. winder, opwinder; haspen ne., a. lietigheld, sluwheid. Wilk (wilk), e. trompetiehelp, -slak. winde, elingerplant. willekenr; veriangen; testa- Windiness (wind'l-ness),e. winderigheid; windWill (will), s. near btlieren. to open a --, een nicht; opgeblazenireld. ment. at testament openen. good—, toenenegenheid; no- Winding lwajnd'ieng), s. kromming, kronkelieg. —, a. draalend, kronkelend. —butt, boeghont. ring, klandizie. ill—, afkeer. wrok; kwasiwil—curve, golvende lijn. —horn, waldhoren. —sheet. Beheld. —, v. a. wilier': wseeseben; bevelen; lijkkleed. —staircase, —stairs, pl. wenteltrap. vermaken; bij testament bepalen; v. n. een tes—tackle, zOgijn. tament mitten; bepalen, Will (will') [would (weed)], v. n. wilien, zulle.n. 'mud le (vvind'i), s. haspel, Moe, —less, a. stil, sander wind, ademloos. — he nill he, of bij wit of niet. —ed (wild), a. Winslow (win'do), s. vertster, raam; opening. geneied, genind. —er, s. wilier. Willing (will'ieng), a. gewillir, vrijwillig, be—bench, —8111, v enete thank . onnebli d, seherm. —frame, vensterraem, kezijn, —clutter, reidwillig; genelgd, veriangend. — or unwilling. willens of onwillems. God —, zoo God wit. —/y, vensterlutk, -blind. —tax, velietergeld. —, v. a. ad. vrijwillig; gaerne. —neas, a. gewilligheid; van venatore (openIngen) voorzien; Kan bast veinier plastics. —ed (-flood), a. met venstere; met s. wily, to wear the —, een oPent.gen• —Y, a. ale een venater; met knitsblanwtje loopen, —gall, wiigenroos. —herb, weeg- fitrepen, netvormig. brae. - -plot, wilgenbos, hie. —shavings, pl. wit- Wind ward (wind'ward ► , a. near de wlndzijde eelegen; ad, near den wind, loefwaarte; e, wind, esspanes- —sheets, pl. vleehtwerk van wilgenast ( voor hoeden —weed, vlooikruid. —ed (-load), loefzijde; —to —, bovenwinds, te bearer. —y, a. —y, a. vol wilgen. —CM, a. wiigaehtig. wtntierig; ijdel, nietig; opgeblazen. Wily (warliii), a. list*, loos, eluw. Wine (wajn'), st, wijn. —libber,wijnzuiper. —bottle, fretboor. —, v. a Wirnble (wim'bi), a. wijnfieseh. —broker, makelaar in wijnen. —cask, boron. wijnvat. —cellar, —vault, wOnkeider. —eonner,
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.
Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.


ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111. 

v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e
EJ U. --EMS . uiteturting. —dtent, a. uitstootingbrief; uitwerUlulation (ed-zjoe-lee'sjun), s. jammerkreet; gehuil. Eke (ielc,, ad. ook, insgelijks, —, v. a. vermeerderen; uittrekken; uitspinnen. Eking (iek'ieng), s. grooter- (langer•) wording. —piece, verlengatuk. Elabora te (e-leb'ur-ret), a. —tely, ad. doorwrocht. —te (-reel), v. a. met zorg bewerken. s. doorwrochtheid. —tion (-ree'ejun), a. zorgvu!dige bewerking. Elapse (e-leps'). v. n. verloopen, voorbijgaau. Elastic (e-les'tik), —al, a. veerkr achtig. —ity (i-les-tis'it-tih), s. veerkracht. Elat e (c-lest'), a. opgeblazen, trotach. —ed, a. opgeblazen (with). —e, v. a. opgeblazen maken; verheffen. —ion (-lee'sjun), s. opgeblezentkeid. Elbow (el'bo), a. elleboog; bocht. at —, bij de hand. to be always at one's —, steeds om en bi.j iemand —chair, armstoel. —room, ruimte, speling. —scraper, speelman. —shaker, dobbelaar. —, v. a. met den elleboog srootee; (out) uitstooten, V. .n. uitspringen (met een' hoelr). Elder (el'dur), a. ouder. a. ouder persoon; soonest; ouderling; vlierboom. —berry, vlierbe, —ly, a. bejaard. —e, s. oudsten (des yolks). s. ouderlingsehap; eerstgeboorte. Eldest (el'dist), a. oudste. Elecampane (el-e-kem-peen'), s. ala,ntswortel. Elect (e-lekt,'), a. verkozen; uitverkoren. —, v. a. verkiezen. —ion (-lek'ejun), s. verkieziug; voorverkiezing; —law, kieswet. --ioneering (-lek. sjun-ier'ieng), s. stemrnenwerving. —ive, a. —ively, ad. verkiezend; kiesgerechtigd. —or, skiezer; keurvorst. --oral, a. eeue verkiezing betreffend; keurvorstelijk. —orate (-ur- et), s. keurvorstendom. --cress. a. keurvorstin. —orship, s. kiezersehap. Electric (e-lek'trik), —al, a. electrisch, aantrekkend. —ity a. electriciteit. Electrification (e-lek-tri-fl-kee'sjun)," a. electriseering. Electri liable (e-lek'tri.faj-ibl), a. electriseerbear. —fy (-faj), —trite (-trajz), v. a. electriseeren. —fy:mg-machine, electriseer-machine. Elect rometer (i.lek- trourk'i-tur), s. elestrorneter. Electuary (e-lekt'joe-e-rih), s. slikartsen'.j. Eleemosynary (el-i-enoz'i-ne-rili), a. els aalrnoes gegeven. a. the van ealmoezen leeft. Ela.gan cc (el'e gens), —cy, s. sierlijkheid, netheid. —t, a. —tly, ad. sierlijk, keurig. Eleg lac (el-e.cizarek), a, klagend, treurig, elegisch; —poem, treurzang. —last (-est)r —ist (el' e-dzjist), s. treurzangdichter. —y (el'e-dzjih), s. treurzang. Element (el'e-ment), s. hoofdstof; bestanddeel. —at, —ary, (-ment'-), a. hoofdstoffelijk; oorspronkelijk; enkelvoudig; aanvankelijk. Elench (e-lengk', e-lentsy), s. drogrede. Elephant (el'e-Pent), a. olifant; ivoor. —driver, kornak. —iasis (-taj'e-sis), s. schurft. —.ins (-fen' tin), a. olifantachtig; ivoren. Eleva te (el'e-vet), a. verheven. —te (-vest),
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.

Kan Blockchain bestaan ​​zonder Bitcoin

×