Some academics have speculated that former Erasmus students will prove to be a powerful force in creating a pan-European identity. The political scientist Stefan Wolff, for example, has argued that "Give it 15, 20 or 25 years, and Europe will be run by leaders with a completely different socialisation from those of today", referring to the so-called 'Erasmus generation'.[27] This term describes young Europeans who participate in Erasmus programme and are assumed to support European integration more actively when compared with their elder generations.[28] The assumption is that young Europeans, who enjoyed the benefits of European integration, think of themselves as European citizens, and therefore create a base of support for further European integration. However, questions are raised about whether there is positive correlation between the programme and pro-European integration.[29] According to the European Commissioner for Education, Culture, Youth and Sport, Tibor Navracsics, Erasmus programme is a soft power tool and it reflects the political motivation behind its creation,[30] including the task of legitimising the European institutions. This conception has already presented in the project of Sofia Corradi, an Italian educationalist creator of the Erasmus Program. She gives a particular attention to the need to activate an exchange between young people from all over Europe to contribute to the strengthening of its unity and integrity.[31]
—per, a. atstrooper; beroover. f —pingt (-piengz), pl. 'estate melt. to ver drijven; v. n. zich uitrekken; —uitstrek- !MTh* a (strajv') [strove striven (striv'nq, v. D. streven, trachten• (at); twisttn, strijden (for); ken; — inspannen; smoeven; prangen. —er, a. wedijveren. —er, s. strever, twister. —ingly, ad, spanner, rekker; voetblok, apoorstok; strekbank; am strijd. draagbaar. Strew (stroe, stro), v. a. strooien; bestrooien; Strobile (strob11), a. pijnappel. Stroke' (stro-kel), a. blaaspiip• bedekken. Stri ae (straj'i), a. pl. Kroefjes (op achelpen). Stroke (strook'(, a. slag, stout, houw; trek; streak; streep; aanval; kracht; werking. finishing —ate (-et; —aced (-ee-tid), a. gegroefd, geribd. laatste hand; genadeslag. voorroelStricken (etrik'n), 4 a. (by) smoorlijk verliefd op. er. —, v. a. streelen, eaten; melken. —r, s. — in years, bejaard. strijker; streeler. Strickle (strikikl), a. etrijkhout. Strict (strikt'), rt. —ly, ad. nauw; steak, geopan- Stroll Istrooll'), s. rondslentering; uitstapje. v. n. rondawerven; rondslentercn. —er, a. swaynen; nanwkeurig, atipt; etreng. —neon, a. nauw ver, landlooper; rondreizend tooneelspeler. keurigheid, stiptheid; strengheid. —are (-goer), (strong), a. —ly, ad. sterk; krachtig; f4.. trek, stag; samentrekking; kritische aanmer- Strong msthtig; zwaar; gewiehtig; hey ig. —haeked,breedking; zinspeiing; vonkje, hamerslag. geschouderd. —bodied, forsch. —box,tteren geldStride (strajd), a. groote stop. kist. —fisted, met sterke vuieten. —hand, gezag„ Strid e (strsjd') [strode, strid, stridden, surd], macht, sterke atm. —handed, sterk bemand. a. a. overschrij 'en; v. a. met groote steppen —hold, sterkte, vesting. —minded, met een' krachvaan; wijdbeens etaan. —istg/e, ad. schrijlings• tigen geest. —scented, sterkriekend. —set, gezet, Strid ass- (strai'dor), o. ethril gelvid. —water, sterke drank. stevig. a. ochril, knetterend. (stridejoe-lus), Strife (strain, s. twist, stri)di evedstrijd; tegen- Strop (strop), s. aanzetriem; strop.—, v. a. sari. v. a. spannen, ultrekken; uitstrekken, uttspreiden. (forth. out); inspannen; overspanuen,
Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.
s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.

cryptogeld xvg


Unbrald(un-breadi),v. a. loevlechten, loswinden. U nbreast (uu , b,eat'), v. a. Zie to Unbosom. Unbred (un-bred'), a. slecht opgevoed, nuomanterd, anbeechaAfd; on geoefend. lUnorewed (un-broed'), a. ongebrouwen; onveramengd. UnbrAbed (un-bra)bd'), ra. niet omgekocht. Unbridle (un - brard1), v. a. aftoomen. —d, a. atgetonmd; toomeloov. Unbroken (un-bro'kn), a. ongebroken, geheel; onverzwakt; ongedresseerd. Unlicrotherly (nu-bruth'ur-lkh), a. onbroederlijk. Unbrulsed (un-broezd'), a. ongekneusd; ongedeerd. Unbuckle (uu-buk'kt), v, a. losgespen, Unbui id (an-bild') [ter.), v. a. afbreken, sloopen. Uaibulit (un•bilt'). a. ongebonw d. Unhursir (un-bung'), v. a. ven le spon ontdoen. Unburden (un-bnedn), v. a. ontlaaten, vertichten. Unburied (un-ber'id), a. onbegraven. CJaburnt (tin 1,1.110, a. ongebrand, ORNerbrand. Unburthen (un-bur)tbn), v. a. Zie to Unburden. Unbury (un-beeth), v. a. opgraven. Unbos led (un-bietd), —y, a. Diet bezig, werke-

BOV —BRA Bovenate, bv. uppermost. o. uppermost pert, top, summit. Hoven steal, v. treble, distant; soprano. Boventaand, m. upper-tooth. Boventoon, in. high tone. den — singes, to assums an air of superority. Bovenvereilepttag, v. upper-story. Itovescwoning, v. iodgiug above stairs. Bovenzaal, v. upper-hail. liovenzUde, v. Zie Bovenkant. le ovenztnneakjk, by. metaphysical. Bread anal, m. spitch-cock. —appel, m. roasted apple. —haring, rn. herzing for broiling. —Vv.?, —rooster, o. gridiron. —oven, m. frying-oven. —pan, v. frying-pan. —nail, o. windlass, capstan. —spit, o. spit, broach; rapier. —spittlraater, m. turn-spit. o. meat to be roasted, roastbeef —vet, o. dripping. —worst. v. !sewage. Iliraaf, by. & bw. honest (-1y), virtuous (-1y), upright (-1y), just (-Iy); brave (-1y), gallant (-1y); a good deal. —held, v. honesty, upriehtnees, integrity; bravery, valor. Break, v. breaking, burglary; breach, brake —, by. fallow, waste. —drank, emetic, vomit., vomitory. braking-iron. —jaar, year in which a piece of ground lies fallow. —land, fallowground. —lust, ounces, qualm. —middel, use Braakdrank. --xi*, emetic wine. —te(insteen, emetic tartar. —world, ipecaeuanha. —eel, o. vomit. Bream, v. black-berry, bramble. —bezie, blackberry. —back, bramble, brake, blackberry-bush; burning bush. — struik, bramble, blackberry-hush. Brabbel ear, .—carater, v. jebberer. —en, ov. & on. w. to jabber. —fetal, gibberish, jabber. —ing, v. jabbering. Brad en, or. w. to roast, to fry, to broil, to bake; to bream. gebenden vleeseh, roast meat. —er, m. roaster; cook. —erij, Y. cook's shop. Beak, na. setting-dog, setter, beagle. —, by. brackish, briny. —held, v. brackishness. Brak en, ov. w. to vomit; to brake. —er, m. vomiter. beaker. —ing, v. vomiting; braking. Brattier*, on. w. to brag, to boast. Bram, m. lord. den — uithangen, to lord it. — toeren,to set the top-sails. —ra, top-gallant-yarde, —steep, top-gallant-mast. --eon, top-gallant-xeilvkoelte, top-gallant-sail's breeze, fresh gale. Brand, in. fire, burning, conflagration; fuel, firewood; . blight, blast, mild. w; inliammatioe, erupgeraken, to cateh (to take) lire. in — tion. in me,oure. steken, to set fire to, etaan, to he on fire. in Boyenineester, rn. heact.ne ester, to set on fi:e. in den — titter, to be in a scrape. sit den — helloes, to help out of a scrape. Adder Baveremeneehei Uk, be. superhuman. ale ern —, quite clean, without the least spot 114,vectinntleetr 'rude, v. metaphysics. —kun. be. supe-natural. or stain. —brief, incendiary letter- —emitter. liredig, be. metaphysical. bucket. —helder, ate Brandsritsoistan. --bout. fireBovenop, bw, on the top (or), er /comes, to wood, fuel. —has. —kart, lire-proof gain the better, to restore one's self. box. —klok, fire-bell. — koren, blighted corn. lic.v,, ett morn, o. upper-casew.eet. —kraal, amber-bead. —kruid, mullein. —ladder, Boveatreend, m. uppermost border. fire-ladder. —latuto, colt'a-foot. —ltin, caustic Bovenrapg, tea. precedency, superiori ty. curve. —lucid, tie Brandrenk, —trees, coalBow 1,t.rok, us. upper-coat; upper-petticoat. mouse, —wester, chief fire-man, stperintendant lloveirseli o. upper-works. dead-woiks. of the fire-brigade. --neck, burnt-mark; stigma, Illowetastrantsd, be. above-mentioned. stain. —marten, or. w. to mark wit a red-hot 31c:evens tad, v. upper-town.
in; Catching, — en; or. w. to fasten (to fix, to prick) to; to pot (on); to kindle, to light, to rat fire to, to net on fire; to broach, to tap; to infect, to catch; on. w. to begin to rot. —end, by. Zie AanstekelUk. —er,m.kindler,lighter;broacher. —ing, V. kindling, lighting; broaching. Aanstell en, ov. w. to place —.to put (against), to appoint, to nominate. tick —, t. w. to behave; (ale) to play —er, an. appointer. —ing, v. appointment, nomination. Anneterken, on. V. to improve, to strengthen. Aanstevenen, on. w. komen—, to sail hither. Aanstikken, or, w. to stitch to. AanstIpp en,ov.w. to mark; to jot down ; to touch upos,to hintet.—ing,Y.tOrieh,ninntiou,hinting Aanstollien,ov. w. to dust —, to sweep (out). Aanstok en, or. w. to kindle, to stir (up), to poke, to feed; to stir up, to incite, to foment. —er, m. stirrer np, inciter, fomenter, —ing, feeding; stirring up, incitation. Aanstommelen, on. w. komen —, to approach
(-keet-id), a. .gaffelvorFtiren to (fur'ket), mig. —tion (-kee'sjun), s. gevorkthe!d. Furfur (furlor), a. sehim, schilfer (op het hoofd). —aceous (-fjoe-ree'sjus), a. sehilferend. Furious (fjoe'ri-u9, a. —ly, ad. woedend; weanzinnig; onstuimig. —ness, a. verwoedheid, razernij. Furl (furl'), v. a. (a sail) beslaan. —ing-lines, beslaglijuen. Furlong (furlung), s. 1j8 engelsche mij1 (220 yards). Furlough (fur'lo), a. verlof. —, v. a. verlof geven
0. Obadith (oh-e-dare), m. (ibadjo. Oberon (ob'or•un)., my. Oberon. g. Ocettni. Oceania Octets I a (ok-tee'vi-e), w. Octavia, —us, in Octavio, Odin (o'dln), my, Odin, Wodan. Odysri ca (od-is sfe), —ey (od'is-sih), 1. the —, de Odyeeea. tEdipus (ed'i pus), my. Edipos. Ohio (o-:tern), g. Ohio. Oily er (oPi.our), m. Olivier. --ia (a-liv 1 e), —y (-iv- ih), w. Glivta. g. Olympia. —us, g. Olysnp is Olympus. On -tart." (un.tee'ri-o), p. Ontario. ODIC o'pi), Tn. ()pie. Orange (or'endzi), g. °rani,
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.

soda. schuit, bark; gebird; peruvian kinabaat. —, v. a. ontbasten v. n. blaffen (at). —er, s.blaffer.—ing, a. geblaf. —y, a. bastachtig. Barley Ibaarlih), a. gerat. peeled —, gepelde gerst. —bread, geretebrood. —cake, gerstekoek. —corn, gerstekorrel. —water, gerstewater. Barns (baarm), a. gist. —y, a. gistachtig. Barn kbtotrn), a. nchuur. —floor, dorschvIoer. —burners, schuurverbranders (scheldnaam anon de democraten).
Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.
11 teronautreekesbw. he.-aabouts. 1111eromtrent, bw. about (concerning) this. 111eronder, bw. herebeneath, under here, below; here among, among these. llierop, bw. upon this, hereupon. 11114eiaeer, hw. at, (about, over) thin; hereabout, hereupon, on thin subject; over here, opposite. Illortegen, bw. against thin., in return. —over, bw. opposite. Illertoe, bw. for this purpose. Illertusechen, bw. between these. bw. hence; hereby, by (from) this. bw. of (from) thin, hereof. 11 lerve or, bw. for this, herefore. III), vow. he. 11113g en, on. w. to pant; (moor) to long far. . venter. — ing, v. panting. 111,111k, o. marriage, —maker, match-maker; bride-cake. v. piece of sinoke-dried meat. 1111Jrnelt en. ov. w. to hoist up, to raise. — Mk, paPey, tackle block. —louw, tackle-rope. 111k, in, hiccough, hiccup. den — hcbben, to have the hieeough. —ken, on. vr. so hiccough. 1111111 ,vtie,o. clapper scar pump• box. 11111t1k, to. truckle-bone, cockal. —ken, on. w. to play at cockals. Kind., v. doz, bind. —half, fawn. Mader, m. hinderance, inconeenienee, harm, prejudice. —laag, ambush. —pull, obstacle, impediment. —en, ov. w, to hinder, to impede, to incommodate, to trouble, to disturb. —ing, v. hluderance. — l(jk, be. & hw. ioconventent —ale, v. hinderanee. (-1y), annoying en, on. w. to hop; to halt; to limp. —perk, hop :scotch. — ape,: hoppers. —chews, hop-scotch. —epink, limper, cripple. —ing, v. hopping; halting, limping. Illnnaken, on. w. to neigh. Illppelen,o. w. Zie Miekepellexe. 111ppoca'rrss, rn. hip poems. IlIntor le, v. history; story; — Wad, history; echilder, historical painter; —fichrifver. historian, historiographer; —auk, historical piece. —-leek, bv. & bw. historical (-1y). 1111, m. gooey, nag, tit. lilts est, ov. w. to excite; to incite; to instigate. hot; lewd, lecherous; eager. — ig, bv. heated. —igheid, v. hotness; lewdness, lecherousness; eagerness,. be. & bw. hot (-Iy); fervent v. heat. llitt a, ( - ly). — ioheid, v. hoiitese; fervency. llo, tow. hol atop! llobbel, to. knob; inegolity. —Irk, stammerer, atutterer. —paard, rocking-horse. —en, on. w. to tons, to ride on s racking-horse; to stammer, to stutter; to waver. be. rugged, uneven. —igheid, v. ruggedness, unevenness. — ing, a, tossing, hoobling. Hobbes), on.w. to toss; to toil, to struggle. Hobo, v. hautboy. lot, rn. hautboy. hover, the sooner the DOS., bw. how. — eer better. — lunge • — seer, more an d more. — hanger ook, however, erger, worte and w orse. howsoever. — het ook zit, be that as it may. Hoed, m. hat; bonnet; chaidron. —land, hat-baud.
829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.
tjoed . a. breedte, ruimte; vrijEattitud e held, hemelsbreedte. —anal (-tjoe'di-nelr, a. van de breedte. —inarian (-di-nee'ri-en), a. vrij; vrijdenkend; a. vrijdenker. —inarianism en-izm), a. vrijdenkerij. Latrant (lee'trent), a. blaffend, lLatten (let'tr), s. blik, gee) koper. —braes, toperhlik. —wire, koperdraad. Latter (let'tur), a. laatst, jonger. —crop, naoogst. —frail, late vrucht. —math, etgroeu, nahooi. Lattice (letlis), a. traliewerk; tralievenster. , —work. traliewerk. , v. a. van tralien voorzien. —d, a. getralied. v. a. 'oven, prijLaud (laod'), s. lof, prijs. nen. —able, a. —ably, ad. lofwaardig, prijseli;k. —ablenese„ a. lofwaardigheid. —otory (-e-tur-rih), a. pitzend; s. lorspraak, loftuttirg. —or, a. lover, prijzer. Laudanum (lao'do-num), a. laudanum. v. a. uftlaLaugh (lean, a. loch, gelach. chen; v. n. lachen (at, om); (at) uitlachen. to — in one's sloere, in zijn vlustje lachen. —able, a. —ably, ad. bJlachelijk, bespottelijk. —or, a. lather. —ingly, ad. lachend. —ing-stock, voorwerp van bespotting. —ter, a. gelach, Launch (laantsj'), e. (het) van stapel laten; large boot. v. a. to water laten; werpen, achieten; v. n. van stapel loopen; rich storten; (into) zich overgeven aan. (out into) zich verdiepen in, uitweiden over. out of) nfdwalen van. —ing-anchor, enter bij het afloopen gebrutkt. —block, hellingblok. Launder (laan'dur), a. waschvrouw; waschkuip. —. v. a. wasschen. —er, a. wasscher. Eassndr can (laan'drees), a. waschvrouw. —y, a. waschhuis, wrIescherlj. Lauren to (lao'ri-et), a. gelauwerd, bekroond; s. gelauwerd dichter. hofdichter.—tion (-ee'ejun), a. bekrooning. Laurel (lao'ril), a. laurler, lan.rierboom; lauwer. —fed (Old), a. met lauweren gekroond. Lava (lee've, la've), a. lava. Lavat ion (le-vee'sjun). a. wamsching. —ory (ley' e-tur.rih), a. wesehmiddel; waechplaats. Lave (leev), v. a. wasschen, bespoelen; v. n. zich wasachen, baden. Coveer (le-vies-1. v. n. laveeren. Lavender (lev'endur), s. iovendel. Laver (lee"vur), a. wasscher; waschkom. Lavish (lev'isj), a. —ly, ad. kwistig, verspillend. —, v. a. verkwisten (on, upon). —er, s. verspiller. —meat, —nese, a. kwistigheid; verspilling. Law (lao'), a. wet; rechtsgeleerdheid; (de) rechten. doctor at —, doctor in de rechten. to be at —, in procea liggcn. to go to —, tea proces beginnen. to study —, to follow the —. in de rechten studeeren. —breaker, overtreder der wet. —day, gerechtsdag. —giver, wetgever. —giving, a. wetgevend. —maker, wettenmaker. —suit, rechtegeding.—ful, n• —fully, ad. wett!g, wetteiijk; geeorloofd. —fi,/nese, s. wettigheid. — lees, a. —leerily, ad. onwettig; wetteloos. —lateness, 8. wetteloonhei'l; wanorde. Lawn (laon), a. opens grasvlakte; kamerdoek. Lawyer (lao'jur)„ s. rechtsgeleerde; n1eitbezorger . Lax (leks'), a. —ly, ad. 1,,o, Oar; onnauwkeu-
—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.

Hoeveel Bitcoins worden ontgonnen per dag


satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •
Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.

On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]
INI .—INS. 480 Integer ea, ov. w. to lay in garnison, to quarter. dial (-1y), fervent ( ly). —heid, v. siererity, cor—log, v. quartering. diality,fervor. lining gen, or. w. to lay (to put) in; to lay up; Inning, v. receiving, collection.1 to narrow; to pickle, to preserve; to inlay; to Inoogat en, ov. w. to reap, to gather (in). —ing, contribute, to stake; (met) to reap of, to gain v. leaping, gathering (in). by. —ger, m. preserver; inlayer; contributor. Inpakk en, or. w. to pack (up), to embale. —ging, v. laying in, — up; narrowing;picking, —er, m. pocker.—ing,v. packing (up). preserving; inlaying; contribution. —set, o. in- Inpallon an, or. w. to tuck in; to engross; to laid work, marquetry. receive by instalments. —lag, v. enrossing. Inlaid en, or. tr. to lead In, — into; to intro- Inpreseen, or. w. to try; on. w. to fit in. duce, to usher tn. —er, nr. introducer. —ing, v. Inpeperen, or. w. to season with pepper; to introduction. requite, to make smart for. Inlever en, or. w. to deliver, to preeent. —lap, v. Inperson, or. w. to press in, — into. delivery, presentation. Inplant ow ) or. w. to implant; to inculcate. Ifullehe nem, ov. W. to inform, to explain to. — lag, v. implantation; inculcation. —lag. v. information. Imployien, ev. w. to groave, to channel. Inliggeu, on. w. to be quartered. Ives% iemaed Inprofiren, or. & on. w. to hurl in, — into. —, to cross a. o. 's designs —el, by. inclos- Inplukken, ov. w. to pluck (to pull) in. ed. Inponspeu, or. w. to pump in; to infuse. ov. w. to put into a frame; to place Inpoten, ov. w. to plant in. on a list. Inprangen,ov. w. to cram in, — into. lialijv en, or. w. to incorporate. —lag, v. incor- Impraten, or. w. to persuade (to engage) to. poration. Inpreekell. or. w. to exhort to, to preach up. belokkesz, ov. w. to entice (to deco!) in. Inprent en, or. w. to imprint —, to laminate Inlooda ell, or. W. to pilot in. —bog, Y. pilot(on, upon), to impress (on. with(, to instill (Into). ing in. —ing, v. imprinting, impression, inculcation. baloop, m. running in, entrance. —en, ow. W. Inprappen, or. w. to cram in, — into. to overtake; on. w. to run into, to enter, to Lupo:liken, on. w. to rink, drop in; to take up less space; (egos elhander —, Inrskelen, or. w. to cover with ashes. to be inconsistent, to clash.. lnraken, on. w. to get in. Infuse en, uv. w. to ransom, to redeem. —or, In iregenen, onp. w. to rein in. m. ransomer, redeemer. —tog, v. redemption. Incekenen, or. w. to cover with ashes; to take Inluition, or, w, to announce the beginning in; to catch, to apprehend. of.... by ringing the town-bells. Irarnunen, on. w. to enter at fall gallop. Ininnak, v. Zee Inenaking. o. pickles, Inrichtt en, or. w. to dispose, to arrange, to preserves. nettle, to adapt. —ing. v, disposition, arrangeInnutk en, ov, w. to pickle, to preserve. —ing, ment; institution. v. pickling, preserving. InrUden, ov. w. to overtake; to break by riding Inman en, ov. w. to demand, to get by dauagainst; on. w. to ride In, to enter on horseback. nting. —er, m. demander, dun. —ing, v. demanding, InrUg en, or. w. to lace. —ing, v. lacing. dunning. InrUten, ov. & on. w. Zielnscheuran. lunteng en, or. w. to intermix, to infuse; via Cairn, m. riding in, entrance on horseback. t. w. to meddle (wick). —ing, v. intermixt- Inroolen, or. & on. w. to overtake; to row in, ton; meddltng. —set, o. intermixture, ingredient. — into. Inuaet.tn, on. w. to b3 lessened in measuring, to Inroep en, or. w. to sail in, to summon; to diminish by being measured. invoke. —ing, v, summoning; invocation. Inmetaeltn 4 ov. w. to fix into a wall, to im- Inroer en, or. or. to mix, to intermix, to minmure, to surround with a wall, gle. —lag, v. intermixtion, mingling. Inusiddels, bw. in the mean time. Introeaten, on. w. to rust. Inankinen, ov. w. to call in at an auction). Inrollen, or. & on. w. to roll in, — into. uneuffelion, or. w. to muftis, — up. Iurond, o. interior circular opening. Inuiond en, on. ;w. to discharge, tonmpiy into. Inrull on,or. w. to barter, to truck, to exchange. —ing, v. discharging, junction. —ing, v. barter, truck, exchange. Innreal en, or. to new (up), to stitch; to :Make 'lamina en, or. w. to yield, to give up,to etch' „ shorter. to concede, to grant; to evacuate. —lap, v. Innen' en, or. w. to take (iv); to conquer; to yielding, conceding; evacuation. load, to take on board; to lodge; to make nar- Inrukk en, ov. w. to pull in; on. w. to march rower; to take up, to occupy, to fill; to charm, into, to invade. --ing, v. entrance, irruption, to captivate; on. w. to take phyinc. —end, by. inroad, invasion. charming, lovely. —endheut, v. charmingnees, Inachenk en, or. w, to pour out, to flit. —ing, lovelinest. —er en. taker, captor, conqueror. v. pouring oat, filling. —kg, v. taking tin), reception, capture.! Inechop en, or. w. to chip, to embark; tick —, Innen. ov.w. to receive, to collect. t. w. to embark. —log, v. shipping, embarkment. InnariUk, hr. inner, inward, internalaintrinsic. Inseheppen, ov. w. to put in (with a ladle, ate.). —, law. inwardly, internally. Inecherp en, or. w. to imprint —, to inculcate Innig, by. & bw. sincere (-Iy ► , earnest (-13, ), cur- (on, upon), to instill (into). —lag, r. inculcation.
No interference in internal management or with customer relationships: Many business leaders wish to be able to make their sales ledger secure whilst retaining control of their commercial management and continuing to handle their non-payment risk autonomously, just as they have always been accustomed to doing : without externally imposed credit limits and without [...] tc-re.com
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
Cynosure (saj'no-sjoer), a. noordster; kleine Beer; leidster, baken. Cypress (earpress), a. cipres. Cyprus (saj'prus), e. krip; wiin van Cyprus. Cyst (siat'), s. etterzak; zakgezwel. —ic, a. in een' zak bevat. —ocele (-to-siel), a. waterbreuk. —otomy (-tot'um-mih), a. opening van zakgezwellen. s. goudenregen. CytIsus Czar (vier), a. Czar, keizer van Rutland. —ins (za-ri'ne), s. Czarin, keizerin van Rutland. (zaar'o-wits), a. oudste noon des Czaars, erfgrootvorst van Rusiand.
Narcissus (ner sis sue), a. narc s. Narcotic (ner-kot'ik), a. Zit s. bedweimend, bleep verwekkend (middel). Nerd (naerd), a. nardua, nardusolie. Ware (leer), a. neasgat. Narra hie (neertb1), a. vertelbaar. —te (-reetl, v. a. verbalen. —nos (-ree'ajug), a. verhaal. —tire (-re-tiv), a. verhalend; e.verhael.—tively ad. verhalenderwUze. —tor (ree'tur), a. verhaler. Narrow (ner'ro), a. engte. —, a. nauw, eng; mai; nauwkeurig; bekrompen, karig. to make a — escape, te nauwernood ontkomen. to bring into a — compass, beknoptelijk namenvatten. —breasted,met eene smalls borst• gierig.—hearted, kleinmoedig. —heeled, met smalls hielen of hoeveu. —minded, kleingeestig. —spirited, van een bekrompen veratand. —, v. a. vernauwen, he. perken; v. n. nauw (amal) worden; inkrimpen. —iv, ad. nauwelijits; te nauwernood; van nabij. —nets, a. nauwhetd; smalheid; kleingeeatigheid; karigheid. Narwhal ( near' wel), s. narwal; zeeeenhoorn. Nasal (nee'zel), a. van den nrus; a. snuifmiddel; newsletter; neusklank. Nascen cy (neesin•sih), a. ontataan. —t, a. ontutaand, wordend, wassend. Newt Ivens (naaleti-ness', a. vuilbeid,morsigheid, —ily, ad. — y, a. null, moraig. Natal (nee'tel), a. van de geboorte; geboorte-. —Mat —itious (nete-Berns), a. van den geboortedag. Nat a nt (neelent), a. drijvend. —tion(ne tee'e)un). a. (het) zwemmen. —tory (-te-tur-rih), a. tot zwemr,aen dienend. (lintels (n , taj), 3. kruia (van een rund); knoopegatechroef. 7
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.
Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.

Afwerken, ov. w. to work off, to finish. ziels —„ to spend one's se,f with working. Afwerp on, or. w. to east (to throw) off, — down; to shed. voordesl —, to turn to advantage, to leave a profit, to yield. — leg, v. casting (throwing) off, — down. Afweven, on. w. to weave off, to finish. Afevez ass, o. absence. —ig, bv. absent. —igheid, v. absence. AfwUk en. on. w. to turn off, — from, to give way. to deviate, to swerve, to depart, (from); to deflect, to decline, to diverge; to differ, to vary. --end, nv. devious, declining, discrepant. 11,4War. —lag, v. deviation, departure, deflection, declination, diver,;ence; difference. Afwit)z en, on. w. to chow away, — out; to deny entrance; to decline, t3 reject, to non .suit; beat back. —ing, v. refusal, declination, Af minden. ov. w. to wind (to reel) off, Alm/Innen, ov. w. to win (to gain) from. het iesnaud —, to g't the start of, to outdo. Afwippen, ov. & on. w. to slip off, — dawn Afvvisachen, ov w. to wipe off, to thy up. Afwilssel en, ov. & on w. to change, to vary, to relieve, to alternate. —end, be. changeable, variable, alternative ; bw, alternately. —jog, v. change, variety; variatio.,, alternation. Afverlijven, ov. w. to rub (off). Afwringen„ ov. w. to wring off; to wrest (to extort, from. Alfzadelen, or. w. to unsaddle. Afzagen, or. w. to saw off; to hackney. Afzekk en, or. w. to sack; on. w. to sink (to drop) down; to descend, to go down; to retreat, to steal away. —crtje, o. dram, parting-glass —kg, v. Sinking (dropping) down; descent; .tealing away. Afzeepen, ov. w. to clean with soap. Afzegg en, ov. w. to countermand, to disinvite, to send as excuse for. '-er, m. conterwander. (betty/ter. —ing, v, countermand, counter order, countermanding. Afzellen, or w. to break off (by sailing against4 on. w. to set sail. Mend en, ov. w. to send (off), to deepateb —er, m. despatcher —ing, v. despatch; shipment. Afeet eel, o. layer. -, ster, v. Zie Afzetter. —ten, ov. w. to put (to set, to take) down, — off, to set out; to depose; to foot ;;arras); to cry down; to abate; to dismiss, to cashier, to remove, to dethrone; to dispose of, to sell; to cut off, to amputate; to lay, to set; to set off- to rob of, to swindle out of. —tend, by. purgative, aperient. —ter, in. eearper, swindler. --Jeri), v. sharping, sharking trick. —ting, v. dismissal; amputation. Afeleht ell.Jk, —Ig bv. & bw. unsightly, hideous (.1y, --igheid, v. ugliness, hideousnes.. Afzleat, so. w. to see to the end of; to expect; to wait for; to make shift wkth; to learn by looking at ; on. w. to took about, to see ; (van) to give up, to waive, to desist from. Afeilltineno on. w. to alight, to dismount. Afzetrken, ov. w. to pick off. Afzoenen, ov. w. Zie At ku eaten. Monder en, as. w. to separate, to isolate; to


T1P.—TON. Tipsy (tip'elh), a. dronken, besehonken. Tire (tab.), s. tool, opechik; gewsad; velg van een rad); gereedschap. —woman, hoeden-, mutmenmaaketer; kamenier. toolen, opsehikken; yermoeten, afmatten, vervelen, (out); v. 11. moede worden. —d (tajrd), a. moede; (of. with) zat. —does. (tajrdc), s. vermetelhed; zatheid. —some, a. vermoeien 4 ; vervelend. —somenele, a. vermoeldheld; verveling. Tiring (taj'rieng), e. bet opschikken; het vermoeien. —house, —room, kleedkamer. Tirwit (tuewit),.. kievit. Tisane (ti-zaan'), e. geretewater. 'Tick (tiz'ik), s. —al, a. Zie Phthisic. Tissue (tieroe), s, good., zliverlaken; we efsel. —, v. a. weven,doorweven. Tit (tit' ► , a. wijrje, vrouwmenech; klein nest; moos. —for that, leer om leer. —bit, lekkor beetje. — lark, veidieettweelk. —mouse, meee. Tit h chic (tejth'1131), a. tiendplichtig. Tith e a. timid; tiende gedeelte; — collector, —gatherer. —proctor, tiendheffer; —free, tiendvrij. —e v. a. It n. vertienden; tienden geven. —er, s. tiendheffer. —ing, s. verttending; tiered; aantul van tien huiegezinnen; —man, headmen van eon Centel Easi n nen, Titilia te (tit'll-feet), v. n. kittelen. —lion (-lee , 'dun), s, kitteling. Title (tart)), s. titel; aanspraak, reeht. —dead, bewije van eigendom. —leaf, —page, titelblad. - v. a. betitelen, noemen. —d, a. gettteld. a. condor titel, naamloos. Titter (tit'tur), s, geg!chel. —, v. n. gichelen. Tittle (tit11), e. stipje, tIttel, jots. te a —, tip eon hair, ten stiptste. —tattle (-tot-Mt e.gebabbel, gekleta; v. n. babbelen. TItubnaora (tit jee-bee'ejun), e. wankeling, ntrulkeling. Titular (tit'joe-ler), a. —ly, ad. slechts den titel voeread, titulair. (-le-rib), a. in een' titel beetaand; s, die een' titel (een reeht) heeft; titularis. ast, anti. Thy (ttelh), ad. met groote To (toe), ad. tk prp. near; tot; te, ter, ten; aan; op; jegene; tegen; bpi; In vergelijking van; om te. brother — the king, brooder des konings. as — that, wet dat aengaat.— andfro,— and again, heen en weer, over on weer. —day (-dee"), ad. heden. —do (-doe'), s. beweging, drakte, ophef. —morrow (-mor'ro), ad, morgen. —night (-najt), ad. van avoid; dozen nacht. Toed (toad'), a. pad. —eater, dte genadebrood eel; vleler. fish, zeepadde. —flax, viaskruld. gate waterlelie. —rash,paddenbies. madder. —stone, paddensteen. —stool, paddenstool. —ish, a. pedachtig, vergiftig. —let (-lit), s. kleine padde. —y, s. tafelschuimer. Tenet (toost' ► , a. geroosterd aneedje brood; feestdronk, toast. —, v. a. roosten, roosteren; op de gezondheid drinken van. —er, a. die coostart; rooster; die fen' toast tnstelt. Tobacco (to-bek'ko), e. tabak. —box, tebakedoes. —pipe, tabakeinjp. --pipe-jowl, pijpekop. —pouch, tabakazsk. —stopper, pfjpetoppertje. —Met, s, tabaksverkooper. Tocsin (toit'slu), B. alarmklok.

127 hop, bezinksel. back—, achtergrond.fore—, yourgrond. — ash, geitevoet (plant). —bait, ace (voor visechen). —beetle, lo,pkever. —flea, aagdvloo. —floor, --story, gelijkeloer8-verdieping. —ivy, aardveil. —mutt, sporting van rnont. —nut, aard• noot. jonge elk. —pine, veldcipres. —plate, —sill, drempelstuk. —plot, grond; plattegrond; erf. --rent, grondpacht. —room, benedenkamer. --set, beneden-timmerwerk; kruiswortel. —shores, pastweek. —squirrel,swijn (op schepen). —stone, hoek steen. —tackle, grondtakel (om to ankeren). —tier, onderate laag. —toes, snuit, bed() (van hennep). —ways, stapelblokken. —work. grondslag. —worm, regenworm. • Ground (greaund'), v. a. gronden, grondvesten, (on, upon); onderwijzen fin , ; afzetten (het geweer). —., v. n. aan den grand loopen. —age, s. havengeld. —ed, a. -edlY, ad. gegrond. —less, a .—lessly, ad. ongegrond. —lessness, s. ongegrondheid.--ling, a. grondeling; geringe man. Group (groep'), a. *ellen, hoop. —, v. a. groepeeren. —ing, s. eroepeering. Grouse (gram), A. korhaau; hazelhoen. Grout (grout), s. grofmeel, gort; donne kalk (urn to voegen); bezinksel; ongegist bier. —, v. n. voegen. Grove (groov), rts. boschje; loon. Strove' (grov'vl), v. n. kruipen. --ler, a, kruiper; loge ziel. —ling, a. kruipend; laag, gemeen. Grow (gro) [grew (groe). grown (groon)], v. a. doen gronien, telen; v. n. groeien, wassen; toenemen (in); entstaan (out of); worden. (up) ontetaan; opgroeien. (uon) to machtig warden. — short, aloe men. — into fashion, mode worden. — into favor with, in gunst komen bij. —out of fashion,uit de mode geraken. -- out of use, in onbruik komen. —er, s. die of tat groeit; teler, bouwer. v. a. door geknor Growl (grool'(, 8. geknor. ultdrukken; v. n. knorren, grommen. —er, a. grommer; knorrepot. Grown Igroon), a. begroeid; volwassen. —sea, hooge zee. Growth (grooth), a. groei, weadom; gewes. Grub (grub"), a. made; dream.. —s, a. mulzenissen. —, v. a. nitgraven, rooien, uitroelen (up). —, v. n. graven; re oegen. —ber, 8. grave7; zwoeger. —street, s. slecht geachrijf; a. prullig (near eene strata in Londen, wear weleer vele broodschrljvers woonden;. Grudge (grudzy), s. wrok; nijd, wangunst; knaging. to bear a —, wrok voeden. —, v. a. mi.gunnen; met tegenzin geven, nemen of toelaten; a. n. morren (of); ouwillig zijn. —r, s. murder, nijdigsard. Grudgeons (grudzj'unz), 8. zemelen, grint. Grudging (grudzyieng), o. afgunrt; wrok; tegenzin. —ly, ad. met weerzin. Genet (groe'il), e. haven-gortpap; meelbrij. (grull'i, a. —ly, ad.lituursch, norech. —nes*, G a. stuuvechheid. Ga- nan (gram'), a. —ly, ad. gemelijk, stuurseb, bench. Grumble (grum'Id), v. n. morren., knorren (at); rommelen. —r, 8. knorrepot. Grumbling (grum'blieng), 8. gemor; gerommel. —ly, ad. morrend, grommend.
Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.

soda. schuit, bark; gebird; peruvian kinabaat. —, v. a. ontbasten v. n. blaffen (at). —er, s.blaffer.—ing, a. geblaf. —y, a. bastachtig. Barley Ibaarlih), a. gerat. peeled —, gepelde gerst. —bread, geretebrood. —cake, gerstekoek. —corn, gerstekorrel. —water, gerstewater. Barns (baarm), a. gist. —y, a. gistachtig. Barn kbtotrn), a. nchuur. —floor, dorschvIoer. —burners, schuurverbranders (scheldnaam anon de democraten).
529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.
nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.
juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.

Wat is de prijs van Zcash

×