VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
Medelleitink, m. consonance. ItliedekiPnk en, on. w. to sound with; to touch glasses with others. —er, rat. consonant. lttedeksatseht, m. fellow-servant. Medskomen, on. w. to come also, — along with a. o. ItliedekrUsen, or. w. to persuade (to prevail upon) to go with; to have for a portion. Medekridgeenan, tn. fellow-soldier. Itlisdaskuteren, on. w. to go (to walk) along with, to accompany. Medelachen, on. w. to join in a laughter. Bledeleur star, m. fellow-teacher, colleague. —ling, m, & v. school-fellow. Medidt-ten, ov. & no W. to read with a. o. Riedel td., o. fellow-member. Riledlelkiden, or. w. to suffer with a. o.; on. w. to partake of a. o. 'es suffering. —, o. compassion, pity. —d, by, compasaionate. —dheid, v. compassionateness. m. fellow-sufferer. Medeloopen, on. w. to run along with a. o. ; to meat with unexpected succea. Mede mast, m. —maker, m. companion, copartner. 1li edenaeensch, m. fellow-creature. Iriedesnlinn sear, m. —area, v. rival. Itiedenemen, ov. w. to take along with; to take in, to cheat. Medenorzank, v. concurring cause, concomitant motive. fricadeptschter, m. joint tenant. itiedepitichstig, by. accessory —, privy —, instrumental (to). —e,m. & v. accomplice, compile e, abettor, accessory. — heist, v. complicity. itiedepraten, on. w. to join in others talk, to put in one 'a word. Ittedersehter, m. fellow-judge. M ederoeder,m. part-owner. M edeeregent, tn. coregeut. Mederetzen, on. w. to travel with a. o. rtlederekenen, ov. w. to include in the reckoning.
Unbrald(un-breadi),v. a. loevlechten, loswinden. U nbreast (uu , b,eat'), v. a. Zie to Unbosom. Unbred (un-bred'), a. slecht opgevoed, nuomanterd, anbeechaAfd; on geoefend. lUnorewed (un-broed'), a. ongebrouwen; onveramengd. UnbrAbed (un-bra)bd'), ra. niet omgekocht. Unbridle (un - brard1), v. a. aftoomen. —d, a. atgetonmd; toomeloov. Unbroken (un-bro'kn), a. ongebroken, geheel; onverzwakt; ongedresseerd. Unlicrotherly (nu-bruth'ur-lkh), a. onbroederlijk. Unbrulsed (un-broezd'), a. ongekneusd; ongedeerd. Unbuckle (uu-buk'kt), v, a. losgespen, Unbui id (an-bild') [ter.), v. a. afbreken, sloopen. Uaibulit (un•bilt'). a. ongebonw d. Unhursir (un-bung'), v. a. ven le spon ontdoen. Unburden (un-bnedn), v. a. ontlaaten, vertichten. Unburied (un-ber'id), a. onbegraven. CJaburnt (tin 1,1.110, a. ongebrand, ORNerbrand. Unburthen (un-bur)tbn), v. a. Zie to Unburden. Unbury (un-beeth), v. a. opgraven. Unbos led (un-bietd), —y, a. Diet bezig, werke-
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Is cryptogeld legaal in Kenia


413 Dezviadderen, ov. w. Zie Bezoedelen. Mimeo, bit. made of bill:malice. ov. w. to dull, to tarnish; to biota, Blg,v. pig, gruntling, porkline. lieuwalk to defile, to cast A blemish upon. —er, m. --titer, Bliggoleck, on. w. to trickle (down), v. tarnisher, stainer; defiler. —ing, v. tarnishing; BU, v.. near, at, with, about, in, of, to, by, defilement, contamination. upon. ik teas er —, I was present. —aldien,vw. Illazwanger en, ov. w to get with child ; to if, in case. impregnate, to saturate. —d, by, impregne,i, BU. v. hes., —enanget. sting of a bee. —etablad, fraught. —ing, v. getting with child; impreg- balm-mint. —enttroedeel,brood of bees —eneelletje, bee-cell. —eneter„ —enwolf, bee-eater.— engetiaeht, nation. Illezwnr en, ov. w. to burden, to charge, to bee-kind. —enheuder.hiver, bee-master. —enkuif., overcharge, to clog, to oppress ; to Accuse; to —enkorf, bee-hive, —enkeningin, mother-bee, beelay taxes upon, to overrate; to mortgage; zie4 queen. —ent telt, rearing of bees. —mem, bees' — over, to he uneasy about. —end, by. ewe- wax. —enzwerm,swarm of bees. lithbantt,•. branch-honk. ',rating, onerous; oppressive; indig.stible. v. charge; encumbrance, opereasion, grievance. Mlbrdo.lIng, v. by-end. subordinate aim. 13e,weer der, m. —ater, v. swearer; conjurer, 13Ubstgelp,o. accessory notion. exorcist 'Whet, rt.- Bible. —beaky, clasps of a bible. Ilimareet, by. sweating, in a sweat. --And, leaf of a bible; Bible. —hock, book 01 13,,wernnaen, ov. w. to reach (by swimming . the Bible; Bible. —genootsehap, bible-society. iitezwer en, ov. w, to swear to, to confitm by —hernia, biblical knowledge. —leer, scriptural oath; to exorcise, to lay; to conjure; to entreat, doctriee. —deter, reader of the Scripture —ntatig -- ivy, v. confirmation by oath; exorcism ; con- ecripturel; conformable to the Bible. —plants, juration ; —aboek, conjuriog-hook , —sforotulier, scriptural passage. —sprenk, scriptural sentence, spell, magic sentence. --IOW, biblical .;tale. —clef, —tekst, scriptural Ileztvkiken, on. w. to sink, to g,ve way, to he I text. —rust. well-read In (conversant with) the overcome (by), to succumo (to); to die. Scripture, scripture-proof. —rerhlaarder, exn on• w. to Rwoon, to faint (a ay). pounder ,interpreter of the Holy Writ. —ver-sag, v ewoon, fainting tit.; ,kloring, exegesis —zero, verse of the Bible. —verfibber..., on. w, to elitver (van konda, with co , d). I rpretd , ng, propagation of the Bible. —rerfraing, Bibila fla.ecrarleon. librarian. —theek, v. library. translatton (version) of the Bible. —werk, bible Bld den, ov, Sr. on w. to pray, to say one's prayers, I with a commentary; commentary on the Bible. to say grace. to bless the table; to beg, to , —tvoord, Holy Scripture. —sch, by. biblical, beseech, to entreat —bank, pew, Paid- stool, scriptural. or the Bible httesoch. —dog, day of publt, prayer. —plqate, IlUbotoll en, ov w. to pay in addition. —lag, oratory, chapel. --stand, prayer-reeting. —ltur, a. additional payment, addition. hour of prayer. —der, m. prayer; undertaker's itlUbeteekenitts, r, secondary meaning. man mute, --titer, v. prayer. I BUbitucl en, ov. w. to bind (to tie) to. —ing, v. flecibt, v. confession. to — goon, to go 0, con-, binding (tying) to. feteston. de — ofsemen, to confess. —geld, eon- 11311Jbled, o. supplementary sheet c supplement. feasor'e fee, —kind, courevant.. —stool, coulee- en, on. w. to walk as fast As, to keep atonal. —veder, confeeenr. —eling, m, & v. con- up with; not to abandon, to adhere (to stick) fieittaut, penitent, — en, on' & .arc. W. to conies.. to, —end, be, remaining with; adhering (stick-cc, m. titer, • . Zie ing ► to; continued. —ing, v. continuance; adfled en, ov„ w. to offer; to tender. to bid (for). Bering (etickinr) to. to bargain; het hoed— aun, to make head against, lilijboek, a. additional book. —eie, ay. w. to dan, to resist; meer outlitd. west —ende, book up to the day. tiktbreng en, °v. w. to bring nears to allege, highest bidder. —er. rn. —eter, v. bidder, War, o. beer, al.. swear —, strong beer. dun —, to quote; to contribute, to avail; to afford. —er, small beer. —asijn, ;item, —boon, ale-porter 's rot —ster, v, alleger, quoter, contributor. —ing, yoke.. —broutver, brewer. --brouwer(j, brewery, a. allegation; contribution. strew-house. —bulk, tippler; paunch, big-belly, illidebandoeh. bv. under the hand,near-horse. —draper, ale-porter. —fetch. ale. bottle, beer- IlSkidenklbeeld, o. by-thought. bottle. --geld, beer-tax, -money. —glad, beer- Illidleht,o. episode. glass, numb'er. --,kroeg . ale-house, —ken, HU ov. w. to add, to subjoin. tankard, ale-pot. —kelder„ vault for beer, Me. litlidenagiV4er, v. Zie BUdenger. cellar. —kruik, pitcher. tankard. —soer, BUdraaiern, on. w. to heave to, to Come to, beer-soup. —atelier, firkin-men, —atelling, beer- -- up; to yield, to come round, stand. —rapper, efehou?e-keeeer, retailer of litter. BUdirolge, v. contribution; article. —n, or. w. to —ton, —rat, beer-cask, -berry). —tvagen, dray.I evntrabute. r,rrt. contributor. —enbreod, beer-soup, ale-berry. —echtig. be. like Illieen,bw. together. beer, 11111Jaenlheengen, ov. w. to bring together, to Bias, v. ru,b, bulrush; edging. rijne bleats pakken, gather up; to assemble, to collect, to combine. to pack off. —botch, runny place. —look, chives, BUeendreg•n, or. w. to carry together. liPjeendeUven, ov. w. to drive together. Blest, v. biestinge. BUeenhoten„ or. w. to fetch together. Bletolosuavv, m. bag-bear, snare-crow. BUeenhou d ov. w. to keep together.
Aehtergebanw, o. back-house, out-house: Aehtergevel, m. back , iront. Aehtergraeht, tr. back-canal, back-moat. Achtergrond, m. back-brounde deepening (in eene achilderi)); Bat scene (van het tooneell. Aehterbal sell, ov. w. to overtake, to reach, to Come op with; to discover, to catch; to overreach. —er,, m. overtaken —ing, v. overtaking; catching. Aehterls ale. tn. nape of the neck . Aehterkand, v. back of the bend; hind-quarters (van een petard); yonngeet hand (it, let kaartspel). Aebtarboeds, v, rear. Aehterboofd, o. occIput. Aehterboud en, ov. w. to keep back, to lay aside; to withhold; to conceal; to spare. —end, be. reserved, close. —endheid, v. reserve, resery. y. withholding, concealment. edne4e. Achterhuls,o. beck-house, out-house. iikehtorbut, a. stern•cabin. Aehtertjaer, o hind-elioe. Achterto,bw. behind. Aehterkabel., en. stern•cable. Achtorkasisor. a. back-room. Achterkasteell, o. stern, poop; bum.
(ren-diel'un), a. overgave. Reneged e (ren'e-geed), —o (-gee'do), a. afvellige, renegaat. Renew (re-njoel, v. a. vernieuwen. —able, a. vernieuwhaar. —al, e. vernteuwing. —edly, ad. op —er, a. vernieuwer. Reniten ce (re-nartens), —cvj, a. tegenetand. —t a. tegenstandbiedend. Rennet (ren'nit), a. renee; kaaaleb. Renounce (re-naanns'), v. a. verloochenen; afstand doen van, laten varen; verzaken. --r, a. verloorbenanr; verzaker. Renown te (ren'o-veet), v. a. vernleawen. --tion ( vee'ejun , , a. vernienwing. —tor, a. vernieuwer. Renown (re-nanun'), a. vermaardheid, team. —ed —edly (-naaund'), a. vermaard, beroemd ad. met roem. —leas, a. roereloos. Rent (rent'), s. huur, pachtv, rente; aeheur. —charge, erfpacht. —roll, renteboek. —service, leendienst. —stock, pacht in nature. —warden, rentmeester. —, v. a. verhnren, verpechten; • pachten; v. n. verhuurd (verpacht) worden. —able, R. vorbuurbear, verpachtbaar. —al, a. rentenboek. —er, a. huurder; pachter; rentenier. Renter (ren'tur), v. a. uiteren (een' nand). —(np, a. ulternaad. Ren un ciation (re-nun.sji-ee'sjun),s. verzaking, afstand. Renbtain (ri ob teen'), v. n. weder verkrtigen. —able, a. weder to verkrijgen. Ileord tan (ri-or-deen ► , v. a. op nieuw wijden. —ination (-di-nee'sjun), a. wederinwijding. Ileorgan faction (ri-or-gen-i-zee'ajun), a. vernieuwde inricht ing,hervorming.—ize (-or'gen-ajz), v. a. op nieuw fnrichten. Repacify (ri-pea'i-faj), v. a. weder be7redigen. Hepatic (ri-pek'), v. a. vermeken. R•pandous (ri-pend'us), a. gekruld, gebogen. Repair (re-peer';, a. verstelling, herateiling, reperatie; verblijfplaats, leger, hol. out of —, v. a. verstellen, heretellen; v. a. bouvrvellig. rich begeven; etch vervoegen. (to). — able, a. Zie Reparable. —er, a. eerateller. Repnre bit (rep's-ribl), a. herstelbaar. (-ree'ejun), a. herstelang: vergoeding. —tine (reper'e-tiv), a. heratellend; vergoedend; a. her' telling; vergoeding. e. tnedig antwoord. Re ► art ee —ation (tisrun), a. verdeeling. Repass (r1-paas'), v. a. & n. weder voorbijkomen. — voorbtjgaan, overateken. Repast (re-paast'), a. maaltUd.
In August 2019, Coinbase announced that it was targeted by a sophisticated hacking attack attempt in mid-June. This reported attack used spear-phishing and social engineering tactics (including sending fake e-mails from compromised email accounts and created a landing page at the University of Cambridge) and two Firefox browser zero-day vulnerabilities. One of the Firefox vulnerabilities could allow an attacker to escalate privileges from JavaScript on a browser page (CVE-2019–11707) and the second one could allow the attacker to escape the browser sandbox and execute code on the host computer (CVE-2019–11708). Coinbase's security team detected and blocked the attack, the network was not compromised, and no cryptocurrency was stolen.[39][40][41]

404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
Foote (foot), m. Foute. Foreland (foor'lend), g. Voorland. Forth (North), g. the de Forth. Fortuna (for- tjoe'ne), my. Fortuna. France (fraane), g. Frankrijk. Isle of —, Mauritius. Fran cos (fren'siez), w. Francisca. —cis (-sin), m. Francisens. Franconia (fren-ko'ni-e), g. F ran kenland. Frank (frank'), f. soor Francis; Frank, Frans; i. Frank. —fort (-retort), g. Frankfort, —lie (-lin), m. Franklin. Fret (fret). g. the—, de Euphraat. Fred ((red"), —dy, f. voor Frederik; Freek, Frits. —crick (-ur-ik), rn. Frederik. de Fran French (frentsj'), a. Franech; 1, the sr hen. —man,i. Frans,hmen. Frihurg (fri'burg), g. Freiburg. Friesland (frlez'lend), g. Friesland, —er, s. Friel. Fuld (told), (foerds), g. Fulda. Fuller (fui'lor), tn. Fuller. Fallon (fooPtun), g. Fulton. Funen (foe'nin), g. Funen.
Bois-le-Doc (bat ah-!e-doek'), g. 's Hertogenbosch. Bologn a (bo-loon'ja), g. Boulogne. —ear (-jtez'), i. the —, de Bolognaezen. Bombay (bum-bee'),g, Bombay. Boniface (bon-i-fes'), m. Bonifacius, Boreas(bo'ri-ea), my. Boreas. Bosnia (boeni-e.), rt. Bosnie. Bosphorus (bos'fo-rus), g. the —, de Botphorus, Boston (bos'tun), g. Boston. Botany (bot'e-nih) Bay. g. Botany-baai. Bothnia (bath'ili et. g. Bothnie. Bouillon (boel-jong'), g. Bourbon (boer'hong, -bun), g. Bourbon. Brabant (breb'ent), g. Brabant. Brazil (bre-zIer), g. Brazilie, —ion (-zillen), a. Brazilisch. Bridget (brithrit), w. ;irigitta. Brighton (brajt'n), g. Brighton. Briagau g. Breiegau. Bristol (brislul), g. Bristol. Brit ain (brit'n).k. Brittanje. (-ten'ni-e), K. Brittannie. —annic (-en'nik), —isle, a. Brittannisch, Britsch; — Sea, Noordzee. —on ( - on), i. Brit. —tany (-to-nth), g. Bretagne. Brough (brut), g.Bcough. Brougham (broom, broom), m. Brougham. Bruges (hyoe'dzjIz), fr, Brugge. Brunawlek (brunewik), g. Brunswijk. Brussels (brus'idlz), g. Brusael. Brutus (broe'tus), m. Brutus. Buccieugh m. ljuccleugh. Buchanan (bjoe-ken'en), m. Buchanan. Bucharest (boe-ke-rest'), g. Bucharest. Buenos-Ayres (bwee'nus-arris), g. BuenosAyres. Bulgaria (bul-gee'ri-e). g, Bulgarije. Buivver (hoer w ttr), m. Bulwer. Bur gund lass (bur-gun'di.-en), a. Bourgondisch; I. Bourgondier. —y (buegun-dih), g. Bourgondie. Dural& bufsji-e), g. Bulgarkje. Byron (baj'urn), ut. Byron. By zanti an (biz en'sji-en), —ne (-lain), a. Byzan• g. Byzantium. tisch.
BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.
(ren-diel'un), a. overgave. Reneged e (ren'e-geed), —o (-gee'do), a. afvellige, renegaat. Renew (re-njoel, v. a. vernieuwen. —able, a. vernieuwhaar. —al, e. vernteuwing. —edly, ad. op —er, a. vernieuwer. Reniten ce (re-nartens), —cvj, a. tegenetand. —t a. tegenstandbiedend. Rennet (ren'nit), a. renee; kaaaleb. Renounce (re-naanns'), v. a. verloochenen; afstand doen van, laten varen; verzaken. --r, a. verloorbenanr; verzaker. Renown te (ren'o-veet), v. a. vernleawen. --tion ( vee'ejun , , a. vernienwing. —tor, a. vernieuwer. Renown (re-nanun'), a. vermaardheid, team. —ed —edly (-naaund'), a. vermaard, beroemd ad. met roem. —leas, a. roereloos. Rent (rent'), s. huur, pachtv, rente; aeheur. —charge, erfpacht. —roll, renteboek. —service, leendienst. —stock, pacht in nature. —warden, rentmeester. —, v. a. verhnren, verpechten; • pachten; v. n. verhuurd (verpacht) worden. —able, R. vorbuurbear, verpachtbaar. —al, a. rentenboek. —er, a. huurder; pachter; rentenier. Renter (ren'tur), v. a. uiteren (een' nand). —(np, a. ulternaad. Ren un ciation (re-nun.sji-ee'sjun),s. verzaking, afstand. Renbtain (ri ob teen'), v. n. weder verkrtigen. —able, a. weder to verkrijgen. Ileord tan (ri-or-deen ► , v. a. op nieuw wijden. —ination (-di-nee'sjun), a. wederinwijding. Ileorgan faction (ri-or-gen-i-zee'ajun), a. vernieuwde inricht ing,hervorming.—ize (-or'gen-ajz), v. a. op nieuw fnrichten. Repacify (ri-pea'i-faj), v. a. weder be7redigen. Hepatic (ri-pek'), v. a. vermeken. R•pandous (ri-pend'us), a. gekruld, gebogen. Repair (re-peer';, a. verstelling, herateiling, reperatie; verblijfplaats, leger, hol. out of —, v. a. verstellen, heretellen; v. a. bouvrvellig. rich begeven; etch vervoegen. (to). — able, a. Zie Reparable. —er, a. eerateller. Repnre bit (rep's-ribl), a. herstelbaar. (-ree'ejun), a. herstelang: vergoeding. —tine (reper'e-tiv), a. heratellend; vergoedend; a. her' telling; vergoeding. e. tnedig antwoord. Re ► art ee —ation (tisrun), a. verdeeling. Repass (r1-paas'), v. a. & n. weder voorbijkomen. — voorbtjgaan, overateken. Repast (re-paast'), a. maaltUd.
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity

nano s cryptogeld wallet


road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Wat zijn de voorwaarden voor het leren Blockchain


EST.—EVI. lEatrapatle (as-tre.perr), a. kromme 'prong. Retreat (es-triet'), s. afsehrift. —, v. a. nittrekken, afsehrift waken. Retrepement (es-triep'ment), s.uitputting (verwuesting) van landerijen. Eatriela (eetrit, , j), a. strulavogeldons. Estua ry (estioe-e-rih), s. monding; zeearm; dampbad. —te (.eeti, v. n. opbruisen, koken. —lion (-ee'ejun), a. opbruising, koking. Etch (star), v. a. etsen. —ins, a. (het) etsen; etsplaat. —ing-needle, etsnaald. Etern at (e-tur'nel). a. —ally, ad. eeuwig. —at, a. ( de) Eeuwige. —alive (•ale), —ixe (-najz), v.','a. a. eeuwiyheid. vereeawigen. —ity Etesian (e-trzji-en), a. op bepialde tijden waaiend. —winds, peeseatwinden. Ether (ie'thur), a. ether. —eat, —eous (e-thicr-i), a. ethertach, hemelach. Ethic (eth'ik), —a/, a. —ally, ad. zedenkundlg, sedelljk. —a, s. zedeuleer, nedenkunde.1 Ethnic (eth'nik), —al, a. heldenach. Ethno graph y (eth-nog're-11 , 1), a. besehqving tier rasaen. —Logy (-nol'ud-ajih), a. menschenraaknnde. Ethology (a- thol'ud-zjih), a. verhandeling over de zeden. Etiolate (ie . ti-o-leet), v. a. bleek maken; v. n. Week worden. —lion (-lee'ejun), a. bleekmaking. Etiology (ie-ti-ol'ud-zjih), a. oorzaken- leer (van zlekten) Etiquette (et-i-ket'), s. ,tiquette. Etui (ee-twi'), a. foedraal. koker. Etymolog Ica, (et-i-mo-lod'ajikl), R. woordvorachend, etyrnologisch. —CO (-mol'ad.zjiat), a. woordafleider. —y (-rnol'ad•zjih), a. woordafleiding; woordgronding. Etyanon iet'i-mon),.. groudwoord, wortelwoord. Eucharist (joe'ke•rist), a. Avondmaal; Cornmanic. —ie., —teal, (-riettk.), a. bet Avondmaal betreitend. EutIrasy (joe'kre-eih), a. gezonde toestand (des llchaarns). Eudionieter (joe-di-om'i-tur), e. luchtweger. Eulog 1st (josnud-zjist), a. lorredenaar. —inn (.zjajz ►, v. a. priizen, verheffen. —y, a. lofspraak, lofrede. Eunuch (joe'nuk), a. gesnedene. Eupepsy ijoe'pep-sih), a. goede eptjeverte;ing. Euphemism (joe'fe-miarn), a. verzachtende uitdrukking. Euphon la (joe-fon'ik), —teal, a. welluidend. —y (joe'fun-nih), a. welluidendheid. Eupleraey ijoe'fre-ally, e. oogenklaar (plant). Euroclydon (joe-rok'li-don), a. noordoostenwind (in de Middellandsche zee). Eurus (joe'rus), a. oostenwind. Eurythmy (joe'rith-mih), a. joists overeenstemmilitC, evenredigheid. Eutbanaay (joe-then'e-sih), a. zechte dead. Evaeua nt te-velejoe-eat), a. buikzuiverend middel. —te (-eet), v. a. loozen, ultdrgven, ledigen, ontruirnen.—tion (-ee'sjun),.. loosing; outlasting, stoelgatig; opheffing. —tire (-e-tiv), a. atdrtjvend, zutverend. Evade (e-veed'), v a. it rt. ontwijken, vermijdeu; ontsnappen.

821 —erased (-kW), a. niet behandeld, Met beeproken. —guieed (-gajzd'), a. niet vermomd; onverbloerr.S. —honored (-dia-on'urd). a. nlet onteerd. —stayed (-diz-mead'), a. onvertehrokken, onvervaard. —persed (-punt), a. niet verstroold. —posed (-pooscl'), a. niet geregeld; (of) Wet 'Woven; onverkocht. —poted (-pjoelld), a. onbetwiat. —scalded (-sene.'hld), —ambling (-sem'biteng), a. ongevetned; opreeht. —sipated (•dis'el•pee•td), a. "tuft verstroold; niet verspild.—solved( . dis-zolvd',„ o. onopgelost. —caving (-din zotv'teng), a. onoploabanr, onarneltbaar. Undlatinguish able (un•die.ting'gwisj-Ibl). —at/y, ad. ntet to onderseheiden, onduideltik. —ed (•gwleJt), a. niet ondersahelden, onduidelljk; ntet uttetekend. —log, a. niet onderscheidend. Unclistracted (un-die-trekt'id), a. —1y, ad. ongestoord, niet veretrooid. —nest, a. onKeatoordheld, onafgetrokkenhetd. Uncliatur bed (un-die-turbd'), a. —ly (-Id.), ad. ongeatoord. —nest s. ongeetoordheid. Undl versed I un-dt-vurt'id), a. onafgewend. —ridable (-vajd'thl), a. onverdeelbaar. —vided (-vardid), a. onverdeeld. —voiced (-voorst'), a. ongeschetden. —vulged (-vuldzjd), a. Met ruchtbear gemaakt, gehetm. Undo (un-doe') [irr.], v. a. losmaken, nit elkander anemen; to niet does; in 't verderf atorten. —er, a. verwoester. —ing, a. verderfelijk, scorn oestend; e. verntettging; verderf, ondergang. —ne ( dun'), a. ongedaan; vernietigd, verloren. Undoubt ed (un.daut'id), a. —edly, ad. nagetwijfeld. —fat, a. Met twijfelaohtig. —lag, a. vertrouwend, niet twijfelend. Undraln able (un-dreen'ibl), a. onnitdroogbear; onnitputtelijk. —ed( -dreend'). a niet drooggelegd, Undramatic (un-dre-met'llc), a. ongeachikt near het teoneel. Undraped (un•dreept'), a. ongedrapeerd, aaakt. Undvavvn (un-draonl, a. ntet getrokken; nlet geteekend. Undreaded (nn-dred'Id), a. ongevreeed. Undre ► .med (urt-driemdl, a. nlet gedroomd, ongedacht. Undress (un'drees), s. hutsgewaad; klein tenue. (dress'). v. a. ontkleeden; - a. alledaagsch. van steraad ontdoen. —ed (dreet'), a. ongekleed; onbewerkt; onbereld. Undeled (un-dratd'), a. ongedroogd. Undrinkable (un-dringletb1), a. ondrinkbaar. Undriven (un.driv'n), a. niet gedreven. Undrooping (un-droep'leng), a. niet verflauwend; Diet verelagen. Undue (un.djoe'), a. onbehoornik; niet Nersehe• nen. —neer, a. onbehoorlijkheid. Undula ry (un'djoe-le-rib), a. golvand. —te •eat), v. a. & n, doen golven. --lion (-iee'sjun), e. golving. —tam a. golvend. elinger!md. Unduly (un-djoe'llh), ad. onbehoorlijk. Undutiful (un-Coe'ti-foel), a. —1y, ad. wigshoorzaam; oneerbiedig. —nets. a. ongehoorzaarnhet d; oneerbiedigheid. Undying (undarieng), a. onvergenkelijk, oneterfeltjk. Unearned (un-urnd'), a. niet verdtend. Unearthly (un-urth'Ith), a. bovenaardech.


W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

Hoe kan ik XRP met GBP kopen


REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.

Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc

sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.


(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at
Orpine (or'pin), s. rozenworte1. Orrach of Orach (orik), s. melde. Orrery (or're-rih), s. planetarium. Ores (or'ris), s. zwaardlelie; goudgalon. Orb (ort), a. lie Orts. Orthodox (or'tho-doks), a. —ly, ad. rechtzinnig. —y, s. rechtzinnigheid, Orthodrom lea (or-tho-drom'iks), p1. kunst van rechtuit zeilen. —y (or'tho•drom-ih), s. rechte koers, het reohtuit zeilen. Qrthoep 1st (or'tho-e-pist) s. uitspraakkundige. —y, s. uitspraakleer. Orthogon (or'tho-gan), B. rechthoek. —a/ (-thog'un-nel), a. reehthoekig. Orthograph er (or-tkog're-fur), s. spelkunste n naar. —ic, —ical, a. —ically, ad. (-tho-grerik-), spelling-, volgens de s elregels; van de loodrechte doorsnede. —y, s. spelling; spelkunst; loodreehte doorsnede. Orthology (or-thol'ud-zjih), s. juiste beschrijving. Orthopedy (or-thop'e-dih),..kunst om lichaams• gebreken te genezen. Ortive (orttiv), a. opgaand, oostelijk. Ortolan (or'to-len), s. ortolaan. Orts (ortz), pl. afeal, overschot, brokken. Orval (or'vel), a. scharlei. OrvIetan (or•vi-i'ten), s. tegengif. Orycto grophy (o-rik-tog're-tih), s. beschrijving der delfstoffen, — der versteeningen. —logy (-tol'ud-zjih), s. leer der delfstoffen, — der versteeniugen. Oscilla te (os'ail-leet), v. n. slingeren. —tion ( lee'sjun), a. slingering. —tory (-1e-tur•rih, le-Mr-rib), a slingerend. Oscit ancy (os'si-ten-sih), —ation tee'sjun), a. geeuwing: slaperigheid, loomheid. —ant, a. geeuwend; elaapoironken; loom. a. waterwilg. Oiler (o'zjur), a. teenen. Osmund (oz'inund), s. watervaren. Osprey (oa'pree), a. zee-, vischarend. Ogre eons (os'si-us), a. beenig, beenaehtig. Os.,1 cle (os'eiki), s.beentje. —fic (-sink), a. beenvermend, -wordend. —fication (-sit-i-kee'sjun), s. beenwording, verharding. —frage (-si-freedzj), a. Zie Osprey. fy (-sf-faj), v. a. in been ver• anderen; v. n. tot been worden. —voroue (-siv'o• rue), a beenderen etend. Ossuary (osyjoe•e-rih), a. knekelhuis. Osten' lble (os-ten'eibl), a. —ibly, ad. vertoonbear; schijnbarr; klaarblijkelijk. —lee, a. vertoonend; pronkend, pralend. Ostent (os-tent'), e. schtjn, voorkomen; voortee ken. —ation (-tee'sjun), s. vertoonmaking, pron • keit. praalvertooning. —atious, a. —atieusly, ad. (,tee'ejus.), pronkziek, pralend. —ative (-e-tiv), a. Zie Ostentatious. Osteo collo (os-ti-o kol' le), s.beenderlijm.—cope (osni-o-koop), a. pijn in de beenderen. —logist (-ol'ud-zjist), a. beenderkenner. —logy (-01 ad OHO, s. beenderleer, -beschrijving. s. mond (eener rivierj. Ontlary Ostier (os'lur), s. etalknecht,• huiskneeht. —y, s. herberg; pleisterplaats; stalling. Ogtra clam (os'tre -ohm), a. achervengerieht, verbanning —cite (-sajt), s. verateende oestersehelp.

121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v
a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.
76 Dirk (dark) a. dolk. —, a. donker. —, v. a. doorboren (met een' dolk). Dirt (dart'), s. vuil, modder, slijk. —, v. a. bevuilen, bealijken. —iness, s. vuilheid, moraigheld. —ily, ad. —y, a. vuil, morsig; laag. —y, v. a. bevuilen; verlagen. Diruption (di-rup'sjun), a. vaneenbers!ing. s. onbekwaamheid; Dis ability onvermwen. — able (diz-ee'bi), v. a. onbekwaam (ongeschikt) maken; ontramponeeren. Disabgise (dis-e-bjoez'), v. a. uit den drown (nit eene dwaling) helpen. Disaccommoda to (dis-ek-kom'mod-eet), v. a. in ongelegenheid brengen. —tion, (dee'sjun), a. ongereedheid. Disaccustom (dis-ek-kus'tum), v. a. afwennen. Disacknowledge (dis-ek-nol'iidzj), v. a. niet erkeunen. Disacquaintance (dis-ek-kween'tens), a. onbeken b eid. Disadorn (dis-e-dorn'), v. a. ontsieren. 'Disadvantage (dis-ed-vaan'tidzj), a. nadeel. —, v. a. benadeelen. —ous, a. —ously, ad. (ven-tee'd2,jua-), nadeelig. —nuances, (ven-tee'djus-ness), s. nadeeligheid. Disaffect (dis-ef-fekt"), v. a. afkeerig maken. —ed, a. —edly, ad. ongenegen; mianoegd. —ton (-fek'sjun), a. ongenegenheid; mianoe;dheld. Disaffirtnance (dis-ef-furm'ens), s. ontkenning. "Disagree (dis-e•grie'), v. n. verarhillen, oneens zijn. —able, a. —ably, ad. niet strookend; onaangenaam. —ableness, R. onaaugenaamheid. —meat, a. verschif; oneenieheid. Disallow (cits-el-lau'), v. a. & n. weigeren; afkeuren. —able, a. onaannemelijk; onvergunbaar. —ance, s. verbod. Disaniniate (diz-en'i-meet), v. a. ontzielen ontmoedigen. Msann I (dis-en-nul'l v. a. vernietigen. (Disappear (dia-ep-pier'). v. n. verdwijnen. —ance, a. verriwijuing. P.Sisappoint (dis-ep-pojnt') v. a. to leur (of), meat, s. teleurstelling. Oisappreciate (die ap-pri - sji-eet), v. a. minachten, Bering nhqtten. p pro bat ion (dis-ep-pro-bee'sjun), s. afkeuDiS ring. —nry ( en'pro-bee-tur-rile), a. aticeurend. Disapprov ai (dis-ep-proev'el), a. afkeuring. --e, v. R. afkeuren (of). Disarm idiz.aarm'), v. a. ontwaperten. Disarrange (dis-er-reendzy), v. a. verwarren. —ment, s. verwarring. Disarray (dis-er-rue'), a. wanorde. —, v. a. ontkleeden; in wanorde brengen. Disas ter (diz-aas'tur), a. ramp, ongeluk. —trous, R. —trously, ad. rampspoedig. Dtsavougli (dis-e.vautsj'), v. a. herroepen. Disavow (dis-e-vauw"), v. a. loochenen; niet erkennen. —al, a. loochening. Disband (diz-bend')„ v. a. afdanken, ontbin.den; v. n. uiteen gaan. Disbark (diz-baark'), v. a. ontschepen• afschillen. Diebe lief (dis-be-lief"), a. ongeloof. —liere (-lieu'), v. a. your onwaar henden. —Never, (-lieuttr), a.
hongerig. graag (no). —shooter, srherpschutter. —witted, schraider, seberpzin nig. —, v. a. Behars. kro,a'asar; pluis, duffel; zcerahr,, pen; v. n. hedriegen, afzetten, —en (ajaarp'n), Shag g melon; out v, a. slOpPn; scherp (puntig, eche!, levendlg) v. A. apiltkelan; rut kro,shond. sieren. yin/ (-gid), —try (gih), a. rnig, hrcezig., maken: v. v. scherp worden. —er, a. lie Sherker. —nets, acherpheid; puntigbeid; kronigheid. s. —giness bitsheid; strongheld; felheid; scherpzinnigheid; Sh.arr., cat (tjet - griell'i, s. pegiljnleer. . sluwbe.d; schelheid; granule. Starke (sje,k'), a Echudding, schol ,.; triller. beroering Shark e (sleek') rahaok (tloF.k). shaken aleekn)],, Shatter (siet'turl, v. F. verbrijzeien; n. breken. —brained, schudden, ,hoklren; trillen; (doen)i brengen, neratrooien; v.a.& er, schunder..hener;hwaker. —ing,1 —paled, verstroold; onhezonnen. —a (-turn), pl. war wrak,h,,, ,, 117. ar. cb da er m 1 :tun,k),Ireat1 (9e 1, n...7 . ,8 fi —y, gehdraten (van hoot). sh brii:?!. s chwiding; t disa0,1 ,,com, —bar, diaselboora.

Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.


don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
382 Annvilegen, or. yr. to fly at, to rush upon; on. w. to fly (against). !contest , to fly (to ruehi hither. Annvioelen,on.sv to flow hither; (tegen) to wash. Annvoeg en, ov. w. to join, to annex; coder —, to subjoin. —end° 100, subjunctive mood. —lug, v. jointng, annexation. —sel, o. addition, appendix, supplement. etnnvner, m. arrival, enpoly,importation. —der, m. —ster, v. importer; commander, chief, leader, gui , e. --en, ov. w. to hr:ng hither, to import; to command, to head, to lead (on); to allege, to quote. —ing, v. importation; command, lead; allegation. Aanvrn sg, v. demand, order, application. Annveng vet, or. w. to order; to collcit, to request, to ask for. —er, n. requester. .trerevrlez en , on. w. to freeze to. Annvul ten, or. w. to fill up, to replenish; to eupply, to complete. ---iing, v. fi(lIng (op); completion. —eel, o. complement, supplement. A an -eur en, CY. w. to stimulate, to incite, to in • flame, to excite. —ing ,v. rettenutation a inciternent, excitation. Annwn mien, ov. w. to blow hither; to blow at, — upon; to blow (against!.; on. w. to come unawares; to set intuitively. Annevekker en, ov. w. to animate, to enliven, to cheer up; on. w. to increase„ to grow brisker. —ing, v. animation; increase.; Anne-vas, in. growth, iliCYPANO, accretion. —sett, on.w.to grow (to); to increase, to Augment; to rise. Anowellen, or. w., to weldto. Annwend en, or. w. to employ, to use, to bestow, to apply (to); cites —, to use all one's endeavors. —ing, v. application. Annwen nen, ov. V7. to accustom (to inure) to, —swig, v. accustoming. —eel, o. habit. Annwentelen, ov. w. to roll (against`,; to roll hither. Annwerken,ov.w.to join cl oseonew.towork hard, Annwerpen, ov. w. to throw (against); to throw hither; to slip on. Annwery en, 07. IV. to engage; to levy, to en list, to recruit. —er, tn. recruiter. —ing, v. re. erasing, enlistment. Ann wee en, ov, w. to weave to. Annwex en, o. being, existence, presence. —end, by. exietent; in office; present. —ig, be. meant. —igheid, v. presence. AnnwUseter, v. Zie Annwtjeer. Anyawken en, ov. w. to indicate, to point Oct; to assign; to demonstrate. —end, hr. demonstrative. —er, m. indicator; essignerOnformrr, index. —ing, v. indication, pointing out; aesignatioa; information. Annex I n den, ov. w. to wind hither. — close. Annwin nen, or. w. to gain, to win; on. w. to improve. —et, v. gain, profit; improvement. Annwtp pen, on. w. to totter (against). honsen to approach skipping. Annwitten,ov. w. to white-wash. Annwriav en, or. w. to rub (st. itgainst); to impute to —ing, v. rubbing again,t; imputation. A tanzanden, or. to cans. Annzeg gen, oe. w. to announce, to signify, to notify, to glee notice of; Wen —,to sent. word men toe het hens niet —, he does not look like it.

Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
VOL.— —owl, a. —misty, ad. wellustig. —mimes, a. wet. inetigbeid. V olu te (vo-ijoetn, a. krul. —lion (-.)joe'Fjun), 4. spiraalvormige omloop. Vona° (voneik), a. — nut, kraaienoog, brasknoot. -a (-1-ke), a. longsweer. Vomit (voinfit), a. braakael; braakrniddel. black —, gale koorts. —, v. a. & n. braken, overgevan (out. up). —ion (To-intorno), a. braking. —ire, —ory, a. braking yerooraakend; —potion, braakdrank. —ory, a. breakeatddel; uitgang. Voraci one (vo-ree'ejus), a. —oualy, ad. guizig, verslindend. —ounieree, -ty (-res'elt-tih), a. gulzigheld, vraateucht. Voraginous (vo-yed'Iji-nun), a. vol kolken. Vort ex (vort'eks), s. draalkolk; dwarlwind. —teal, a. draaiend, dwarroiend. Voter ess (vole-rem), a. ordezuster; aanbangater, vereerater. —y, a, ten gevolge saner gelofte; tewijd; a. ordebroeder; aanhanger, voreerder. Vote (voot'), a. atom. to put to the —, in stemming brengen. —. v. a. & a. stemmen 07000; — by ballot, balleteeren. —r, a. eteram3r. Votive (voliv), a 'Lie Votary. Vouch (vantaj'), a. getuigente, biwijo. —. v. a. & n. tot getuige roapen; bevestigen, bekrashtigen; getnigen, getulgenta afieggen; (for) inataan (borg blijven) vont. —ec (-je'), a. in vrijwarlag opgeroepene. —er, n. oproeping (oprorper in vrijwaring; getuige; getulgente; bewijeette.k.
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

Wat zijn de beste Blockchain bedrijven


lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Hoe bereken je cryptogeld winst


-root, holalook. —vinegar, rozenazljn. —water, BOTP,Oicre (ro-mess'), a. roman; romance; var.. diratki.)• --, v. r. ,erdienten; opaulden. —r, rozenwater. —window, rond venster. --wood, TOzeuhout. a. romsnachrilver; opsnijder. nom,trr ism (ro'iren•lzm),s.roorna,h-katholleke Roe eate (ro'zji.et), a. vol rozan; roosklenrig. —et (-zit), rozerood. —We (-net'). e. rozet. godadienat. —LI, a. comnachgezinde.—ize (-air.), 'Pitman (roz'in); s. hare. —, v. a 'met bars ba• v. rt, roomsch make, atrijken. —est (ro'zt-nets), a. rozerooda Mem, 1Ronts ► ttatt (rn-iren'tikl, —al, a. —ally, ad. en- —y, a. hnraachtig. mantisch, vrrdient; romanesk; onwaarschijolijk. ir,,dre7en. —iani(-ti-k.i .zol,,a.romantiek. —nem, Ito51and (roe'lend), R. haide, drasland. rt Ross Iroas), a. buitenbast (van boomer). s, (her; romautt,he, Hostel (roalil,, a. snaveitje. 11. 0',Tlittj;, a. roornach. Romp -1 -,mp'), s, wide meld; wild anal. —, v. n. Roster rroetur), a. rooster. ish, a, dnrtel, uitgelaten. Rostra-Id (ros'trel), a. annvelaehtig. —ate (-trot), mtoeien, molten. oran.ito',, a. rondeAu, rondgezang. —ated (-tree tie), a. gesnaveld. —um, s. swivel; a, rondeet. spreekgestoelte; kromme achaar; ptjp (van een' 5ton),, o (run'jun), a, ',Mae, vette arouw; arhorf- helm). rig. die, Rosy (ro'zih), a. rozerood; blozend. —bosomed, tillom! (road"), s, recite (vlaktemaat); under rozen verborgen. —colored, r000kteurig. kruisdagen, —loft, kruisgaterij. —crowned, met cozen bekranst. —red, rozerood. dak; verhernelte. —work, .!ak- Rot (rot), R. verrotting; seburft (bij achapen). V. R. & n. ((tom) rotten; verrottsta. week. —, v. a. vao rear dak voorzien. —fag, S. dakwerk. —fete, a. zonder dak; zonder hula- Roth ry (ro'te-rih), R. ronddrartiend, -wentevemting, —let (-lit), a d ► kje. —y, a. met een lend. —te (-tet), a. radvormig. —tion (-tee'sjun), a. ronddrnaiing; afwisseling. —tory, a. rooddraaiend, -wentelend. (roerl, a. kauw, kraal; bedrieger; kasteel (In '0 schaakspol). --, v. a. & n. verschalken, Rote (root), a. gebruik, slag, sleur. by —, door oefening; van button. —ery, a. kauwcvl rent. !room'), s. Ways, rulmte; kamer; gele- Rotten (rot'tn), a. verrot. —neat, a. verrotheid. genneid, reiten. intro a. ruimte. —y, Rotund fra-tund'). a. rond. —ity, a. rondheid, —a, a. rotunde. ronel getrouw, a, raft,,. Roost (run t'), a. roest, rek, —, v. n. roesten Rouge (roezj), a. erode verf; blanketed. —, v. a. & n. (Men) blankettru. (van vortels, --er, a. ;lean; nutshell. R n,ot wortel; ooTaprong; eers'A oorzank; Rough (rut') a. ad. ruw, oneffen; wrarg; borsch, hard. —cost, tt, ruwe ischets; vtam'v'oord. to take —, wortel sehieten. —bound, pleistertogeworteld„•,ortelblad..--pednne/e,bloem- kalli; v. a. in 't ruw ontverpen; row aanstrijv. a. doen wortelen; lien. —draw [im], schetsen. —hew, raw behouwee) nit den worte). wen. —heron, raw; onbehouwen; vluchttg ontworproote ❑ ; (out up) ontworta:ett; uireiroolen; op- ► en. —murie,ketelmuziek.—rider,paard.enafrichwroeten; uit,oe)ert. • -, v. n. wartelen, wortel srhieten (in); wroeten. —eel, a. —rely, ad. inge- ter. —shad, sckerp bealagen. —work, ten TUWate tt,eht, uttroeier. bewerken. —en (rut's), v. a. & n. row maken —let worteld. (warden). —ness, ruwbeld; oneffenheld; nrang(-lit), a. wortelvezel. —p, a. vol worlds. held; bnrsehheid, haraheid; onctuimigheid. Roue coop', a. touw, hoard) gals; riot, reep; want. -8, pl, ingew Roden (van vogels). —hand, ROUTBC. (canons), a. perontok, -boom. raband. —barrel, —roll, trommel. —bears., —mats, Round (rataun'd)„ a. rondte ctrkel, bring; ronde; vo,.t ,,,attea can cod bona, —dancer, koorddan• Itranaje; voile laag. —, a. road, vol; rondborstig. err. —104,1er, touw)adder. —maker, touwslager. —hand, nt,aand schrift. —head, rondkop,ppritein. —ripe, CO vane de rstlg. —top. huofd. —trick, —house. wachthuis; hut. —top, mastkorr. —, v. sehip-kenal reek —walk, —yard, lijnbaan. —weed, a. rond maken, afronden; omringen; rondloopen. ah'Aerw:ude. —yore, t-abeigarm. --, v. n. dra- —, ad. Sz prp. in 't rend; random. —about, a. wijdlooptg; onoprecht; way, omweg; a. ..• e. lijmerigheid. —y, a . weg; draaimaehine, schuitje; spencer, jakjead. rondoto. —ci (•il), —elay (-de-lee), a. rondeel; kleveri,r, reismantel. rondedans; rnndgezang. —ids, a. rondachtig. Rogoetaure (rob-e-loor"). —let (-lit;, s. kleine brine;, —/y, ad. rood; onIlloriferoott (co rtrue-us), a. dauwend. bewimpeid, ronduit. —nese. a. rondheid; roodInt ► ika ceons (ro-zee'slus), a. roosachtig. —ry borstigbetd.. (ro'ze•rili), 8, rozenhed; rozenbrans. throat' (toom'1. R. roan. —hay, —laurel, oleander. Rouge (rain"), s. opwekking. —, v. R. wakker (soort van) kever. —bush, maken (from); cPjagen; opwekken, nanaporen (to); rozeknop. v. n. ontwaken; opspring,,n; n',oed scheppen. —r, rozemte,i), —eanrrion, nigelle, holder. —chafer, gondkever. —e , ecked, met blozende wangen. a. opwekker; aanspoorder. —chestnut, kastanjeroos. —colored, rooskleurig. Rout. (taut), a. oploop, samenscholing; getier; gezellige krirg; nederlaeg. —, v. a. in verwar—diamond, rozet (ede)steen). poll, hondsrozen- ring brengen; op de vlucht slam); v, n. same, r , pors. --por/ie,rozentook.—knot,turkscheknoop. seholen; woelen, anorken. to,,n!ak. —lipped, met rozeroodelippen. roosumatrw, angry (-me-rife), S. rune• Route (root), a. weg; rely; righting. ---noble, rozelowter. —quartz, melkkwartm. Hontirte (roe-ties'), A. gewoonte, slag.
a. bepaaldheid. —tion (niebjun), a. bepaling; v erkl firing. Definitive (de-ftn'i-tiv), a. —ly, ad. beslissend, bepaald. —, a. bepalingswoord. —neat, a. bestissendheid; bepaaldheid. Deflagra billty (def-le.gre-bil'it-tih), a, verbrandbaarheid. —ble (de-flee'gribli, A. verbrandboar. —te (derie•greet), v. A. in brand stekeu; v. n. in brand vlitgen. —tion (.gree'sjun),s. verbranding. Deflect (de-flekt'). v. a. doen afwijken; v. n. wijken. —ion (flek'sjun), a. afwijking, afwending. Deflexuee (de.fleks'joer), s. afwijking. Deliora te (de•flo'reet), a. tutgebloeid. —tion (def-lo-ree'sjun),s. maagdenschennis; bloemlezing. Deflour (de-flauwe), v. a. ontoieren; onteeren. —er, a. maagdenschender. Delia ous (de/4.-us), a. afvloetend. —xion (deIlakelun), a. afvloeiing; lazing. Defoedation Idef-e•dee'tlun , , a. bezoedeling. Defoliation (de-fo-li-ee'sjun), a. (l;at) afvallen der biaderen. Deforce (de-loon"), v. a. met geweld onthouden. —meet, e. gesvelddadige onthouding. Deform (de-form'), v, A. misvormen, schenden, — ation (def.ur-mee'ejun), s. mismaking. —ed. a. —edly, ad. miamaakt, wanstaltig, — ity, a. mismaaktheid; wanstaltigheid. Defraud (de-frond') v. a. bedriegen; berooven; ontfutaelen. — ation (lef-rao-dee'sjun), a. bedrog; berooving. —or, a. bedrieger; ontfutselaar. Defray (de-free"), v. a. bestrijden (kosten).—er, a. bekoatiger. —ment, e. bestrijcling (der koaten). Deft (deft'), a. —ly, ad. aardig; vlug: knap. Defunct (de-funkt'), a. overieden. —, a, over. ledene. Defy (defer), v. a. tarten; uitdagen. Degarnish (di-gaaentsj), v. a. ontsieren, ont. . blooten, ontdoen van hezetting. Deeper acy (de-dzjen'ur-e-sih), a. ontaarding, vw.bastering. —ate, a. — ately, ad. ontaard. —ate, v. n. ontaarden, verbaoteren. — ateneos, — ation ( - ee'sjun), s. ontaarding. — one, e. — ously, ad. verbasterd. Degluti nate (de-gloe'ti•neet), v. a. von de lijm ion makers; ontwarren. —lion (deg-loe-tie'ajun), s. inzweiging. Dcgrad ation (deg.re.dee'sjun), e. verlaging; ontaarding; verdorvenheid. —e (de-greed'), v. a. verlegen; vernederen. — ing, a. — ingly, ad. (degreed'ieng - 1, onteerend; vernederend. Degree (de-griel, a. grand; trap; rang. by —a, trapawijze. 4 to a —, in groote mate. Degustation (deg-us•tee'sjun), a. proeving. Dehisce (de-his'), v, n. —nee, s. opengaan,gapen (van planten). Dehorta tion (di-hor.ioe'sjun), a. afrading. —tory (de-hor'te-tur-rib), a. afradend. Del chic (dils-said), a. godsmoord; godsmoorder. —fication (if-fi.keesjun), a. vergoding. —fier (-if- fej- ur), a. vergoder. —fY (if-fail, a. a. vorgoden• Deign (deep), v. a. vergunnen; v. n. itch varwaardigen. De loon (di'izm), s. godisterij. —tot, a. godiat. — istic, — istical,a. (-is'tilt-), godistisch. —JO a, ,C;Odbeid.
This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.
DRO..-DRU. on. w. to drink; to be given (addicted) to &linking. —Oak, watering-trough. —bakje, (bird's) trough. —baker, sup, goblet. —vela", drinkingbout, company of tipplers; —en retest, to keep an ale-house. —geld. —penning, drink-money, vails. —gesel, pot-companion. -seas, drinkingglass, tumbler. —*ore*, drinking.horn. —Auto, ale-house, gin-shop. —ken, jug, tankard. —lied, catch,drinking-song —schael,drinking cup, bowl. —vat, drinking-vessel. --seater, drinkable water. —sea, tap-room. —eOroer. pot-companion; toper, tippler. —er, m. —.ter, v. drinker; toper, tippler. v drinking. Drool', by. sad, afflicted. — te ssoede, sad, cast down, in low spirits. —enis. v. Zie Drotellteld. —geestig, by. & bw. sorrowful (-1y), depreased, dejected., gloomy 1-fly), melancholic. —geestighid, v. sorrowfulness, dejectedness, gloorninese, melancholy, —heed, v. sadness, morrow, affliction. Droes, m. strangles; deuce, devil. de —, the deuce I Droneene, m. dregs i lees.—ig,137.dreggish,dretgy. Drosvit4, by. & bw.;sad (-ly),affileted,Porrowful (-1y); gloomy (-11y), dismal (-1y); pitiful miserable (-bly). Droesig, by. having the strangles, glanderea, —Acid, v. strangles, glanders. Dross a, o. dry land, z(jae schaapos op het he3ben, to have a retiracy, to have feathered one'. nest. —en, ov. & on. w. t o dry; to wipe. —eriJ, v. drying-place. —erOen, v. my. drugs. —Art, m. druggist. Drogreden, v. sophism. —aar,m. sophist. Dr ok, bv. ens. Zie Druk, ens. Droll, M. turd; fun, drollery, droll, merry Andrew; thick-est fellow. —lig, by. funny; droll (-iegfy), drollich, merry (-ily), fecetioue (-1y). —ligheid, v. humor, merriment, facetiousness. Dram, m. troop, crowd, throng; woof. Dromodarts„ m. dromedary. Dromtuel, m. deuce, devil. wat the deuce at den —, all, the whole load. ores den — niet, by no means. —a, tow. the deuce! dickens! —sch, by. & bw. devilish (Ay). Dronk, m.draught; drinking. eenktnoulen— *ebbs*, to be quarrelsome to one 's cups. —card, m. drunkard, toper. —en, by. drunk, drunken, fuddled, tipsy. intoxitated (van, with), — waken, to wake drank, to intoxicate; — soorden,to get drunk —enacktig, by. half-seas-over. —enschap, v. drunk entitles, inebriety. Droog, bv. dry, arid; dull. —dock, towel. —korner, drying-room. —tat —stole, drying•itick. —oaten, to drain. —legging, —making, draining. —1(in, drying-rope. —pleat., drying-place. —ream, eiothes-horse, drying-frame. —seheerder, clot ki-sbearer. —ochre's, cloth-shearing. —rehuur, drying-shed. —roots, dryerhod. —solder, dryingloft, garret. — aehtig, by. rather dry. —kerb, v. dryness, aridity; dullness. —ing, v. drying. —je, o. op see sitten, to have nothing to drink. —08, bw. dryly. —te, v. dryness; drought, dry weather, shoal, shallow. Droom, m. dream. tit den — *elven, to undeceive. —beeld, vision, chimera. —gespuis, visions, phantoms, spectres. —gesicht, vision. —uitleggcr, oneirooritic. oneirocrities. —en, ov. &
A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
sterkte; vesting. zonderlingheid, we.nderlijkheid, grilligheid. FesWasy(fen't , -sih),s.inbeelding;vesbeelding,gril. Fastidious (fes-tid'i-us), a. -'ly, ad. minach. tend; trotsch; kieskeurig; waigelijk. —ness, a. ad. ver. afaelegen; aanmerkelijk, Far (fear'', a. veel. by —, op verre na. — and near, naar alle minachting, trotachheid; kieskeurigheid. hasten. — and wide, wijd en zijd. —about, ad. Fastiginted (fes-ti-dzji-eet'id), a. spits, puntig. tangs ee,' osnweg; a. omweg; wijdloopigheid. Fastnous (fest'joe-us). a. trotseh; hoovaardig. —fetch, kunstgreep. —fetched, vergezocht. — in Fat (fee), s. vet: vleezig; dik, vruehtbaar. —brained. years, op j men. — off, ver-af. —most, a. verst. —witted, dom. —, v. a. vetmesten; v. u. vet wordon. a. vat, Itaip. -neon, a. verte, afgelegenheid. Fare c (Nara), s. klueht; kluchtspel; v. a. op- Fatal (tee'tel), a. —ly, ad. onvermijdelijh; nooda. lottig. —sisters; schikgodinnen. vullen, stoppen. —ical, a. —ically, ad, (-ikla), leer des noodlots. —lot, a. voorstander dier leer. kiaehtig, grappig. —y, s. paardenschurft. --itY (fe-terit-tils), —ness, a. noodlottigheid, Vard (faard), v. a. hl :nketten. onvermijdelijkheid. Fordell (faar'dil), a. bundeltje, pakje. Fare (feer), s. vraebt. voerloon; spija, host. bill Fate (feet'), a. noodlot; verderf, dood. —s, a. (de) echikgodinnen. —d, (-id), a. voorbesebikt. spijsdijst. —, v. n. varen, gran, reizen; of schoonva. Father (fallour), a. vader. etas, zich voeden; gebenren; zich bevisiden. vaderland. der. —hood, s. vaderachap. VoweaveGI (feer'well). s. afscheid, vaarwel. —lather, zaeschorpioen. —less, a. vaderloosto bid —, afscheid siemens. —, irt. vaarwel! Farinaceous (fer-inee'sjus), a. meelachtig. —lineas. a. vaderlijkheid. —ly, a. & ad. vader—, v. a. als kind aannemen, (on upon) toeFesimm (fawns"), a. beerderij; pao,hthoeve. —dog, boerensvoning —, v. a. schrijven ann. boerenhoad. verpsahten, pachten; bebouwen. —able. R. pacht- Fathom (feth'um), s. vadem; berelk; begrip. —, pochter. —ery, a. hoer- v. L. omvademen; pellen; doorgronden. —able, )car, bouwhaar. —er, a. peilbaar; doorgrondelijk. —er, s. pellet. —less, Jeri). •-ing, s. landbouw, akkerbouw. a.. grondeloos. VarratCh80;114 (fesared'zji-nus), a. gemergd. Fatielleal (fe-tid'ikl), a. voorzeggend, voorspelFarrago (fer-reeigo), a. nsengelmoes. Farrier, (fer'ri-ur), s. haefsmid; paardenarts. lend. s.beroep van hoef,sid; paardenart,seniikunst. Fattferous (fe•tit'ur-us), a. doodelijk. Fars wav (fer*ro), s. jeng varken; worp bigger. Fatigable (fet'i-gib!), a. vermoeibaar. Fatigue (fe•tieg'), a. vermoeidheid; moeite ;arn. higgan, —, v. a. held. —, v. a. vermocien, afmatten. Fart (fnart), o. wind. -, v. n. arinden laten.
ScoVel (skuvq), a. ovendweil. Scrotum (skro'tum), a. balhak. Scowl lakaaul'i, a. miur gezicht. —, v. u. aunt Scrub (skrub'), s. schrobber; sukkel, tobber, prul, vod. —, v. a. schrobben, schuren; v. n. zien. —4 .0Y , ad. met een zuur gezicht. Scrabble (skreb'b1), a. gekrabael; gegrabbel. zwoegen, ploeteren ( for). —by, a. sleeht, army. n. krabbelen; grabbelen, z Scrag (8.kreg'), a. dun stuk; scherminkel. —ged Scruple (skroe'pl), a. b eawaar, bedenking, wetfeting; acrupel; klelnIgheid —, v. n. bezwaar . ( - Kid ), — tip ( - git), a. mager; ruw, oneffen. vinden, bedenking hebben (at); aarrelen. —gedneas. pisses (-gi-ness), a, magerheid; ruw- bezwaarmaker • herd, oneffenheid. Scramble (akrem'b11, a. gegrabbel. —, v. n. Seratpul ous tekroe'pjoe-lus), a. —ously, ad. nauweezet; schroomvallig. Mfg (•los'it•tih), grabbelen f at. far); klauteren. —r, a. grabbelaar. Scrauch (.kraantaj), v. n. hoarser, kraken. —oesnese, e. nauwgezetbeid; achroornvalligheid. Scraunel (akren'nt1), a. alecht, ellendig. Serial able lakroe'tibll, a. nit. to vorachen. —ation (•tee^ajun• a. nit•, navoraching.—ator (-tee'tur), Scrap Iskrep'), e. brokje,stukje, anlpper. —book, album, anippertoek. —ineer (-ti•nierl„ a. nit-, navorscher. navorschen. —tacos (-ti najz), v. a. & n. Scrape (akreep'), z. gekrob, gekras; strijkveetje; (- ti-nus,, a, navorschen uitpluizend. —iny (-tinklem, verleeen !(eid. —penny, schraper, vrek. nib), a. navorscbing, ondersoek, atemopneming. y. a. afschrappen, afkrabben; krassen. — a top, een strijkvoenie maken. — acquaintance with, Scrotoira (skroe-twor'), e. echrijfater. kennis trachten to molten met. afkrabbcn. Scrum. (ekroez). v. a drukken, knellen;kneuzen. (out) ultkrabben. (oplopkrabben; bison schrapen. Scud (skud). a, regenvlsag: vliegende walk; overhassle vluobt. v. a. dourloopen; v. n. loopen, -, v. n. krabben, kraaaen. —r, 8. krabber; ochre- enellen lawo); lenzen. — under bare poles, voor per; vioolkrasser. top to takel lenzen. Scratch (akretsr), a. krab, schram; pruik. —back, rugkrabber. —brush, bras-, draadborstel. Scuddle fakust'd1), v. n. wegiflen, dribbelen. v. a. krabben, ashram- Scoftle (skuffi), a. kloppartij; geharrewar, go. —weed, kliskruid. v n. plukharen. wool. men; krabbelen. —er, a. krabber; krabbelaar; krablizer; krashorstel. achnilhouden; sluipen . Sees lk (skulk'), v. n. Scrawl (skrann, a. gekrabhel. -. v. a. & n. er, 0. schuller; eluiper; mall( rger. krabbelen, kladden. —er, a. krabbelaar. Scull (16kIlii'), a. schedel; achoel, menu; hulk; wrikriem. —, v. n. wrikk, ti. —er, a. roeleehuitje; Stray ,skree), a, zeezwaluw. wrikker. —ery (-ui . -ih), a. schuurplaate, vat.Screnk, (ekriek) a. gekrijech; gekras, geknars. waascherij. v. n. krtschen; krasseu, knarsen. Scullion (annuli), a. keukeujongen; vatenScreens (skriem), a. gil. —, v. n. waschster. Screech (akrietej'), a. gil, angatkreet gekrijsch, Sculpt lie (ekulpt'il), a. gebeeldhouwd. —or,s . - v. n. gillen, krijscben. —owl, nachtull. beenthouwer —ural(-ine-rel), a beeldhouw-.—ure Screen (skrien), a. scherm, schen; zandzeef. (-joer),a. beeldhouw-, graveerkanat; v. a. beachutten, beschermen 'front); alit., Screw (ekroe') a. achroef. —chase, achroenraam. anilwerk; gravure; v. a. beeldhouweu; anijden. graveeren. —driver, acbroefdraaier. —hook, sehreefhask. v a. afsehuimen. —jack, dommekrrcht. —knob,ichroefint.op. —nut, Scans (skum'), a. achuim. bee, s voasendrek. —nee;, a. echuirrispaan. mob-Nehmen —propeller, achroef; schroefboot. --worm, schroefdraad. —tap.schroefboor. —tree, Scupper (ekup'por), s bpie, apt). —holes, Plapijgaten. —hose, mam.iering voor de epljgaten. echroetboom. —, v. a. ecbroeven. vastschroeven; —nails, pl. mamieringspijkers,platkoppen. —plug. drukken, knellen, spai.nen, rotten; verdraaieu. eptjgatprop. —pumpdale, stortkoker. -- one 'a self into, zich deluges in. (down) toe achroeven. ir., i lotoehroeven. (out)afpersen. (out Scurf (abort'), a. korai, roof; echurft; oppervlakte. —iness (-1-mess), a. achurftigheid. --11, a. of) nntlokken. (up) opsch•oeven; opviJtelen. schurftig. Scribble (eltrib'b1), a. krabbel-, prulnchrift. v. a, & n. krabbelen, bladder,. —r, a. krabbelaar; Scurril e(skueril), —oat, a. —oualy, ad. gemeen, —oneness, a. gemeenheid, plat. —ity prulachrifver. platheid. schrbver; nntaris; rtchriftge- Scribe (akrajb), Settee, fly Iskuevi1-1111), ad. —y, a acbeurbuikig; leerde• —,, v. a. met den passer teekenen. schurftig; laag. gemeen. sieeht. —inns vrek. Scrimp (art.: tort, bekrompen. e. echurftigheid; laagheid, gemeenheid. —y, a. —, v. a. tort (oekrompen) maken; bekrimpen. scheurbuit; —grass. lepelblad. Scrip iskrip'), a. zakje, taschje; note; ben ifs van snorting, voorloopige oblig•ie. —page (Oda), Scant (skirt), a. torte 'quit, stornpje. Scotch (skuter) v. a. hehelen (vlaa). —eon(-un), a. (seal zak-vol. —tory, a. sehrifteltik. a. wavenechtld. P3 - criptur at (skriprjoe-reel, a. schriffnuritik, btjbel-. —e; s. achriftuur; de Heilige Schrift. Cr utiform (skoelti-form), a. achnidvormig. Scuttle (eltut'll), a. mend; koleubah; luik; —ist, a. achriftgeleerde• treehter; dribbelgang. —, v. a. let maken, doer Scrtvosaer (skriv'n-ur., a, notaris; geldmakelaar. Milken; v. n. snel loopen; dribbelen, Scroful r (skrorjoe•le), a. koningezeer, trop- Scythe (eajtb), a. anis. v. a. nnaaien. geewel. —one, a. nlierachtig. Sea (ale'), a. see; golf. bear; roenigte. at —, ter Scroll (eltrooll), a. rot, lijet; patroon. see. by —, over see. half —4 over, half besohonSorotocele.(skroeo-siel), s. 7.slcbreuk. 

Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.
bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility
Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling
ISED.— BedrInken,' or. w, to fuddle, to make tipcy• rich t. w. to toddle, to get tipsy, — drunk. Bedreastd, bv. & bw. afflicted, said (-1y), sorry (-fly), sorrowful (At ►, pitiful (-ly). het is —, it is a pity. —hid, v. afiliction, sadness, grief, nor. towfulnese, Bedroew en, ov. w. to afflict, to grieve; rich —, to grieve (for), to be grieved (at). —ing, v. grieving, dejecting. Bedrog, o. cheat, deceit, fraud, trick. Bedruppalen, C.V. W. to bedrop. alederAlo, en, ov. w. to drip upon, (met boterj to baste; sick kennen ,to have a competency. —ing, v. dripping; basting. llotirukketa, ov. w. to otiut upon. Bedrukt, by. dejected low-spirited. —Arid, v. lejectednems, dejection. 113f:duellit, by. afraid, apprehensive. —held, v. fear, apprehensiou. ildieduld en, or. w. to moan, to signify, to imply; to explain; to show, to betoken, to porteudi het heeft niets to never mind, it is uu natter. —esti,. v. meaning, significatioo. —ing, v. explication. Beduluael en, or wo to thumb. —lag, v. thurebiug. BeduIvel en, or. W. to confound, to perplex. —ing, v. perplexing. Bedunkese, o. opinion, luting --a, in my opinion, Beduur. tn. b-sharp. —aleutel, b sharp-chff. Bedwang, o. restraint, subjection. Bedwelni d, by. stunned, benumbed. —Wield, giddiness, numbueso. —en, ov. w. to stun, to benumb. -- tog, v. benumbneent, tainting, numbnese. BedwIng Wilier, by. w. restrainable. —en, or. w. to constrain, to restrain, to subdue; to check, to curb. --er, m. —ger, v. constrainer, subduer. Baaedlg d, by. sworn; upon an oath. —en, ov. w. to swear, to put to an oath; to swear to, to confirm by oath. —mg, v. swearing, confirming by oath. Reiernak so. torpedo, cramp-fish. Beek. v. brook, rill, rivulet. —je, o brooklet. Be.id, o. image, figure, statue; type; vision; metaphor; beauty. --vieter„ etatue-founder. —houteen, or. w. to sculpture, to carve. --houwer, Kcal: tor, statuary, —Aonwerie, ecolpture; statuary 'is workshop. —houtalcuttet, sculpture. —hautetverk, sculpture. —rijk, flowery. —roikheid, flowerloose. —echoon, most beautiful. —schrift, hieroglyphics. snijder, carver. —spraak. metaphorical style, figurative lengrage. —eprakig, teetspborical, —stormier, iconoclast. —stornier(i, imagebreaking. —tverk, Imagery. —endienaar, worshipper of idols, iconolater. —endienst, image-worship, iconolatry. —enetorm, image-breakiug, —elUlc, hr. & bw. figurative (-1y). metaphorical ( iy). —en, or. w. to form, to ohape, to fashion —rotor, m. draught, representation. —end, hr. imitative, plastic. —erig, —ig, bye beautiful (-1y), nit*, (-4). —jeskoop. seller of statues. BamItonli i v. image, effigi, portrait. mead, lea, field. skin and Beals, o. bone; leg; shank, eel over bone. gent — tinden in, not to scruple at, op de

Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.

453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne


The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age
tend. —cloak, sluitjls. —cropt, kaal gesehoren. Cluck (kink), v. a. & n. klokken. —handed, karig. —jest, sehampere scherts. —man, Clownp (klurnp), s. klomp; groep (bowmen). achterhoudend man. —pent, dicht opgesloten. Clams Incas (klum'zi-ness), a. lompheid, on-stool, nachtstoel. —weather, drukkend wader. handigheid. —ily, ad. —y, a. lomp, plump, on- , —ly, ad. dicht; nauw; tank; oplettend. to handig. live —, zuinig leven. to study —, steak studeeren. Chinch (kluntsj), 8. verharde —ness, 8. dichtheid, engheid; gedrongenheid; Cluster (klut'tur), a. troy, hos, menigte, zwerm. achterhoudendheid; karigheid; verband. —, v. a. , erzamelen, bijeenbinden; v. n. in trosClose (klooz), v. a. sluiten; besluiten, eind'gen; sen groeien, rich opeenpakken. —y, a. in trosinsluiten; vereenigen, samenvoegen. (in) inslui- sen groeiend. ten; eindigen. (up) wegsluiten. —, v. n. zich slut- Clutch (klutsj), 8. groep; klauw. —, v. a. grijten, dichtgaan; overeenstemmen. (in) aanbreken. pen, omkuellen. (upon) overeenkomen wegens; naderen. (with. in Clutter (klut'tur), 8..verwarring, geraas, v. n. with)zich vereenigen met ; handgemeen warden met. geraas, rumoer makes. Closet (kloz'it), a. kabinet; bijzonder vertrek; Clyster (klie'tnr), a. klisteer. —pipe, klisteerkast. —, v. a. opsluiten; in het geheim verhan. spuit. delen. —reasoner, kamergeleerde. —sin, geheime Coacervatlon (ko-es-sur-vee'sjnn), a. samenzonde. hooping. Closing (klooz'ieng), a. einde, besluit. Coach (kootsj'), e. koets. 'v. a. & n. rijden Closure (klo'zjoer), a. singing; slot; omheining. (in eene koets). —box, koetsiersbok. —fare, v. n. klon- vracht. —hire, koetshuur. —horse, koetspaard. Clot (klot), 8. klonter; botterik. —house, koetshuis. —man, koetsier. teren. Cloth (kloth'); s. lakes; linnen; dock; kleeding. Cone Hon (ko-ek'sjun), a. dwang. —five, a. stof; tafellaken. to wear the —, het geestel0 dwingend, samenwerkend. gewaad, de uniform dwell. list of —, zelfkant. CoadJu taut (ko-ed'zjoe tent), a. helpend; me-beam, weversboom. —merchant, lakenkooper. dewerkend. —tor (-zjoe'tur), s. medehelper. —trix —shearer, lakenscheerder. —trade, lakenhandel. (•zjoe'triks), a. medehelpster. —weaver. lakenwever. —worker, lakenbereider. Coagent (ko-ee'dzjint), a. helper. Clothe (klooth), v. a. klerden, bekleeden; v. n. Coagula hie (ko-egjoe-libl), a. strembaar. —te, gekleed zijn. v. a. & n. doen stremmen; stollen. —tion (-lee' Clothes (kloothz), a. kleederen; gewaad; bedde- sjun), s. stoiling. —five (-le-tin), a. stremmend. —tor ( lee cur), s. stremmend middel. goed. —brush, kleerborstel. —horse, droogrek. —line, drooglijn. —man, kleerkooper. —peg, Coal s. kool. - —, v. a. tot kolen branden; met houtskool schetsen. burning —, gloeiende droogstok. Clothier (klootlejur), s. lakenkooper; voider. kool. dead —, drove kool, pit—, steenkool. Clothing (klooth'reng), s. bleeding. —basket. kolenmand. —box, —scuttle, kolenemClot ter (klut'tur), v. n. kionteren. —ty, a, klon- mer. —black, koolzwart. —heaver, kolendrager. —hod, kolenbak. —house, kolenschnur. —merterig. Cloud (kland'), a. wolk; donkerheid; gedrang. chant, kolenkooper. —mine, —pit, kolenmijn. v. a. bewolken; verditisteren; bedroeven; v. n. —mouse, koolmee8. —work, koolbergwerk. —cry, betrekken; treurig worden. —rapt, met wolken a. kolengroef. —34 a. koolaehtig. bedekt. —topt, de kruin net wolken bedekt. Coolest:, e v. n. samengroelen, zich vereenigen. —ence (-sens), a. samenvieeiing, ver—ily (it-lih), ad. met wolken. —less, a. onbe- wolkt. —ness, s. betrokkenheid. —y, a. betrok- eeniging. ken, bewolkt; somber. Coalition (ko-e-lis'sjun), vereeniging, verbond. Clough (klof), a. klip, steilte; goedgewicht. Coamings (koom'iengz), a. luikhoofden. Clout (klan;'), a. dwell, lap; stop; Inter. —nail, Coaptation (ko-ep•tee'sjun), a. juiste bijeenschoenspijker. —, v. a. happen, optlikken. —ed, schtkking van deelen. Coarse (koors'), a. —ly, ad. gaol, row, gemeen. a. geklonterd. —ed cream, dikke room. Clove (kloov'). s. kruidnagel. — of garlic, look- —neu, a. grofheid, ruwheid; gemeenheid. kruidnagelbloem. nolletje. Coast (koost), s. kust, never. —, v. a. dicht vaClove. (kloo'vn), a. gekloofd. —footed, met ge- ren langs; v. n. longs de knot saves. —er, knotvaarder. —ing, s. kustvaart. —ing-pilot, knot- spleten hoeven. Clover (klo'vur), klaver; overvioed, —ed., a. met loods. —ing-trade, kusthandel. klaver begroeid. Coast (knot), s. jao, rok; pets, yacht; vile,. hold, Clown (kIaaitn'), s. kinkel; hansworst. —iRb, a. schors; hag; stand. close —, slnitjas. dress —, gekleedo rok. great —, overjas. — of arms, vt a—ishly, ad. ongerranie,rd, !only. —ishness, s, on- peeschrld. — of mail, pant,er, —card, prentje gemani erdheid, lompheid. Cloy (kloy), .v. a. oververzadigen, volproppen; (in 't kmartspel). —, v. a. bedekketi, bekleeden. Coax (kooks'), v, a. pluimstrijken, vernagelen. —less, a. onverzadigend. Club (klub), o, knuppel; klub; aandeel, gelar.),.; vIcler, pluimstrijker. klaveren. —, v. a. zijo aandeel bijdragen; v. it. Cob (kob'), m kop, top; teelbal; vrek ; klophengst; pootig. —foot, zeemeeuw; spin; piaster, —coals, groote ronde medewerken, bijdra,,en. yacht van horreivoet, —he a ded, dikkoppig. ko i en. —iron, haardijzer. —nut, kinderspel (met noten). —web, a. sprnneweb: sulk; n. fijn, dun. den sterlote. —roan, klubliarn , . --hist. a lid —bp, a. sleek, kraehtig. Penes
honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.
set apart; tick t. w. to withdraw, to retire. —inn. v. separation, isolation; retirement, bv. & bw. separate (-1y); private (-1y). Afzoonaen, or. w. to seam entirely. Afzulg en, or. w. to tuck off, to ablectate. —ing, v. ablactation Afzweepera, on. w to whip off. Afzweerder, m. abjurer. Afzweir en, ov. w. to abjure, to forswear; on. w. to fester away, to fall off by ulceration. —sag. v. abjuration; felling off by ulceration. Aftwoogen (zlch), ti,. w. to drudge, to toil and moil, to overlaeor one 'e self. Agent, in. & o. agate. —steels, agate(-stone). Agaten, be. agate. Agent, m. agent. — van policie, police-man —schap, o, agency . Agurk, v. —fie, o. gherkin. Ahem', us. —loons, maple, maple-tree. &lulu, in onion. Akaost, In. acanthus. Akelet, v. Zie Akolei. Akellg, bv. & bw. dreary (-ily), dismal ( - 134, gloomy ( - UV, dull ( - yi, sat ( ly'. —held, v. dreariness, &online., dulness, sadness. Aker, in. acorn; bucket, pail. Akker, tn. field. —boxes, tillage, agriculture. --bresss. dyer 's weed. —vereedschap. implements of husbandry, farming-utensils. —honeroet, crowfoot. — kruld, dwarf-elder, dane-wort. —land, arable land. —nsaalsboseh, copse. —maalshont, copse-wood. —man, husbandman. —week, tillage, husbandry. —wet. agrarian law. —co, on. & on. w. to plough, to till. Akolel. s. columbine. Akonlet o. aconite. Akte, v. document, deed, instrument, bill. Al, o all, whole, universe. —, be. all. every. —, bw. already; rather; — te, too. —, vw. though, although, even if. Aleut. m. elecampene, horse-heel. —ste(in, elecempane-wine. —swortel, elecampantowort, +starwort. Maine. 0. alarm. —kink, alarm-bell. —kreet, cry of alarm. Albeit, o. alabaster. —en, bv. alabaster. Alb* dli, m. & v. fault-finder, caviller. —drij) —dril, —schsk, m. & v. busy-body. Aldear, bw. there, of (at) that place. Aldus, bw. thus, this way, in this manner. Aleer, bw. before. near —, before. Algebra, v. algeors. --WA, by. algebraical. Algeancen, bv. & bw. universal (-1y), general (-1y), common (-1y), o, public. in (over) het —, general, in general. —head, r. universality, generality. A Igenowgzaarn, bv. all-sufficient. —held, v. all/sufficiency AlgssdetrU, v. pantheism. Algoe4, by. most-bountiful. —e, in. (the) Mostbountiful. —heid, v. supreme goodness. Albler, bw. here, of this place. Alhoewal, vw. although. Altkrulk, v. periwinkle, cockle. Alkoof, T. alcove. Alledasweb, by. daily, quotidian ;ordinary, in-
hoer), —grain, paradijskoreu. —hen, flare) ten. —pepper, apaanvehe peper. —pig, guineesch var. ken; kadet (op Oostindie-vaarders). —wheat, t urkeehe tarwe, mays. Guise (gajz'), s. wijze, manier; voorkomen; kleeding. —r„ s. vermomde. Guitar (gih-taar'), a. guitar. Gulch (gultcj'), —in, s. guisigaard. Gules (gjoelz), a. rood (in 't wapenachild). G sal (gulr), s. zeeboezem, golf; draatkolk; afgrond. —Y, a. vol zeeboezems; vol draaikolken. Gull (gull'), s. zeemecuw; streek, bedrog; onnootele hats. —catcher, hedrieger. —, v. a. bedriegen, beet nemen. —er, m. bedrieger. —ery, a. bedrog, verschalking. Gullet (gullit), m. keel, alokdarm, halo (toner flesc h). Gull' bIlity (gul-li-bil'It-tih), s. lichtgeleovig he'd. (guPlibl), a. liehtgeloovig. Guinea' (rullisj), a. onnoozel, dam. --nen, s• onnoozelheid, domheid. Gully (gul'ith), s. gout; goat, riool. —hole, Boot-, rioolgat. —, v. a. geulen waken, wegspoelen; v. n. ruischend vl:eten. Guloalty a. gulzigheid. Gulp (gulp), s. sink. —, v. a. inzwelgen, inslokken; v. n. kloppen (van het hart). Guns (gum'), a. gom; tandvleesch; dracht (van de oogen). —arable, arabische gom. —elastic, gomelastiek. —boil, gezwel aan het tandvieesch. —lac, gomlak. —resin, gomharm. v, a, gommen. —miness, —mosity ( mos'it-tili), s. gommigheid; kleverighed. —mous (-mus), R. gomachtix; kle. verig; drachtig. Gossip (camp), s. onnoozele bleed; zot. Gumption (gump'sjun), s. verstand, kennis. Gun (gun') s. geweer; kanon; atuk geschut. —boat, kanonneerboot. —cotton, achietkatoen. —deck, geschutdek. —evening-watch, nachtschot —flint, vuursteen. —gear, geschutgbn. —ladle, laadlepel. atukgoed (geschutmetaal). —morning-watch, dagschot. —port, geschutpoort. —powder , s. buskruit; a. Joosjes (thee). —rack, geweerrel. —rod, laadatok. —room, konstabels-, kruitkamer. —shot, schot; dracht van ten schot. —side-tackle,siitalie. --sling, geschutleLg.—smith, geweermaker. —stick, laadatok. —stock, lade. —stone, steepen kogel.--strappling,geschsttstrop. —swivel, steenmortier. —tackle, geschuttalie. —tackle.purchase, benoodigdheden voor het geschut. —train-tackle, inhaaltalie. —vessel, kanonneersloep. —vice, staartschroef. —wale, potdeksel; dolboord. Gun (gun') v. n. schieten. —eel (-nil), s. lie Gunwale. —ner, s. kanonnier, konstabel. —nerp, s. geschutkunst, artillerie. Gurge (gurdsj ► , o. drasikolk. —, v. a. vervwelgen; inslokIcen. Gurgle (guegl), v. n. klokken (els uit eene tlesch).
we bear. — eon denken, one would think. — worden, to break one 'e oath, to perjure one's heeft het nkij gezegd, I was told so. — lee!t dear self, —se.e, tr. & v. perjurer. — igheid, v. perjury. seer goedkonr, life is very cheap there. o. girl; sweetheart. — .sok, foe, spark, fiZengbanr, he. Feist:Ile. --held, v. miscibility. beau. --ektoefing, girl's dreen.—eleeftijd, girlhood. Mengel, o. two pints' measure; two pints. --seehooi, echcol for girle —raters, female (eirlieli) Illietsgell en, ov. w. to mingle, to nn.x. — dichten, voice. - eachtig, by totecelleneene poems —blimp, chine. — meet, idle' tFer, Pialarirroetev, v. mien; Mr3. mixture, med:ey, en!sh math, bodge-;lodge. —.tofees; Mi.; Madam, fee, roiscellanies — week, miscellany. --log, v. itlielnettech, by. leprous. — e, tree & v, leper. mineling, mixing; mixture. — ingen, Y. Mr. MIII— held, v, leprosy. c4flantem. Meld', v. oract, Metal ese., ov. w, to mention, to Wrenn to make Meng en. ov. w. to MIX, to allay, to dilute, to temper; to blend; tick — in, to meddle with. meetton) of. — entioaardig, worth mentioning. . —er, m. mixer. —lug, v. "nixing, nitztIon. — Jet, mentioner, —ing. v. mention. o. mixture. — stet, v. mixer. litelitge, by. mealy. —heid, v. mealiuese. Ififeirson, v. red lead, minium. Melte, v. — sulker. loaf-eugay. many a /Kellar/tie, v. balm, -mint, -gentle. --1,1ed„ bairn- Itlenig, be. many, several. —een, vim. man, many a one. —erhande, —erlei, be. several, leaf. — truing, balm. --water, belm-water. various. —meat, —were", bw. merry (several) times, v. mil k. --, be. — warden, to calve. — zien, often, — te, v. matt:rade, large quantity, abunto hove calved. — oder, --bait, —rat, lacteal vein. dance, great number, great heel; mate; crowd. beardlee youth. :relit-sop, greeno. multiple. --vosdig, — euld;g, by & bw. — boerin„ horn. — boo., — verkooper, manifold (.1y), frequent (-1y), abundant (-1y), — mace. — meld, milk - maid. deiry - maid meNple. vananifoldrisonfrequency, - porrideee — balk,---oak, in. & --eme, ablindance, multiplicity. v. one that is fond of milk, —dial, large white lieterist, m. Mennontie. — cottony, azure — enmeth, butterfly. — distel, white thistle, beck, Mentontte church. thistle. -- enetner, milk-pail. — fleaeh, milk-bottle Mann en, ov. w. to dr:Ye, to manage, to guide. lectiferous. — geld, Mile scare. — amend, — er, m. driver. —hoar, wielder', beard. —huts, milk-house, deity. m. man; pe,sen, soul. geese — , nobody. — kan, milk- Monte — bees, cheese. --t.;elf, euclot-ig celf. knowledge of hum. nature. — kundig, kunde, milk cel— jug, milk-•ot. --tarn, chime. — keider, founded on the knowledge of human nataie. klier, lacteal gland. — free, rniWt cowl lar. — fleeced, be. & uw. humene (.1y), charitable 'oat, mi)k-food, milk-COW. — kom, (-big), ehil metro pica' (-1y). — lievendheld, humaneteed. eeoen-tneet. — kruid, chnrttableuese, philanthropy. —paesrd, ten. lamb. lam, Rucking diet. — — beer, milk. cure, • tear. —untrdieg, incarnation. —markt, totek-market, — moat, milk - mcasure. people, persons. alle — molly, milk-tray: Hens thee, in. inv. men, --, every body, sail the world. — behcver, manel, —poi, te ilk-eheen• — pot. sielttle kidnapper, , . — biota, human blood. — dief, - enure , milk please sour, — tennet. cancel, — tat, n-,,tc — dram, crowd of men. — dark. excrements of men. --eekeit, milk-boat —canner, auger of milk. human —eter s men-eater, cannibal. — gedaante, inlikieg•time. — vat, —tend, MA-tooth. — fiestacht, man. memory of geheugen, enope. — milk-eetdee. milk-mb. -vat, ale Mci mankind, human species, hamankind,generation. ratek-woeine. — weg, t:e. — verknopster, haat, misan— —ganef', favor or the rnaItttnde. nillity Neter. --enei, seltee --wit, be. milk-white. throphy.. — hater,man - hater,mieenthropiete — ken io dish. —eieitte, milk—reef, milk-etreieee, eer, one that cat; judge of human natare. —hen. nieknees. --tsar, by. Iecttc; o. lactic acid; — — kind, child of man, man. nie, knowledge of men. toot, lactate. —aehtje, by milky, lacteal. --(even, human life. — liefde, —snip, love of man—er, m. mike, —erij, ltetk eta, ov w. to kind, humanity, philenthropy. — moorder, man. v. la:Vietog — eel', hy. milky, deiry. slayer. --offer, human sacrifice. — poor. pair (of v. milker, nitik•rr aid. eas, men). — plieht, duty of a human being —ran, — melon bed. beef, 11. 1c11 ,mete, m. recluse. — rece of :teen, human race. — reekt, right of human --kink, meion-gla$ R. melon -eover. — kern, --xand, nature. right of man. — roof, kidnappirg, menmeleu-eeed. — sehil, melon-peel. — eerkooper, steal i ng. sch4w,ehunning mankind, tat eociable, melon-man. mteanthropie. —slag, race of man. — stem, human , ter. — erij, malt -tray, —er, m. nealt sk, M. lle eft ft common sense. — roleesch, human v&ce.—ve:st.nd. v. mait-fioor. — vrees, tear of men.—reiend,phil.anthropiet. nitevrtelfg, be. realty. man. — teerk. woe); of in.. — waarde, dignity of o waste-book, deyboolt. — el(jk, by. human; Alleereorlte, v. memory: motional, memoir, inem- Menge, dom., o. mankind. & bre. humane ( lye, kind (.1y). — elijkheid, be. ieemoratteinnaehook, pocketboet, orandutn. — v. neture of men, humenity. — held, a, hillMittil book. — week, memory-work, what le learned by nature, humnekind, mankind. —je, 0. little heart;onnemenic operation. man. divert. shrimp. rd.lintroPlam.reo, nv.ev. to memorize, to memory. Itimmater, v. driver. to learn by heart. —pen, ov. w. .7teett, vow. one, they, we, people, a man, men. filep, v. blow, slap, box on the ear. to strike, to bent. — zegt, eeeeie soy, they ssy, it is said. — knort,
spraak. —ful, a. twistziek; strijdig. Stefan., (airaj-goos'), a. borstelig. Strike (tstrailt), s. strilkhout; schepel; staking vas work, sameneparming van werklieden. Sink a (strait")) [struck], v. a. siaan; strijken; afstrijken; treffen; stooten; verbazen; neerlaten; bewerken; mantes; sluiten (eta' koop). —battle slag leveren. —dumb, does verstommen. — root, wortel schieten. —work, het werk stakes. — up one 'a heels, iernand den voet lichten, fdown) nedervel len; ned eriaten. (off; erste.; losdrukken; afsehaffen; wegstrijken; uitwisschen; toeslaan in veiling). (out) nitslean; ultwisechen, doorhales; ontwerpen; sun 't lieht brengen. (up) sluiten (rein' koop); rcerrn (de tram); aanbeften, °mein, —e, v, n slays; stooten; he viag atrijken; straits; schieten; het week stakes. — to the heart, ter harte gaan, (against) aandruischen tegen. (at) clean scar; aenteeten; ondernernen. (in into) hinuenetormen; nitloope.n op; in do rede vallen. (in with; he partij kiezen van; bet eene zijn met. (on) werken op. (out) uitslaan; Aidwa!en, swerves. (up) operelen. (upon) stooten op; aangrtipen; aantreffen. —cc, s. etrijker; stooter; treffer. —in y, a. —ingly, ad. treffend; verressend. —ingness, a. (bet) treffende, ve.rressende. seising )string'), s. band, koord, saner; Nee ; vezel; sneer; reeks. —beard, trarwang. —halt, hanes ► at. —instrument, enaarspeeltuig. Siring (string') [strung v. a. besnarent ass spannen; stemmm versteI ken. —ent (strtn'dzjent), a. sementrekkend; krachtic, naerukketijk. y, vezeligheid. —y, a. ver,elig• Strip (strip), a. strookje, reepje. —, v. a. afscroopen; athalen; ontblooten; uitkleedent plunderer; (of) berooven, ontdoen van. (off) nittrekken. Stripe (etrajp'), a. streep; strook; slag; striern. — v. a. strepen; striemen. —cl, a. gestreept. Strip ling (strip'lieng), s. opgeschoten bossy
Origin brings an entire universe of gaming into a single, convenient application. Downloads are streamlined for quick and easy installation, and you can securely purchase and play your favorite games any time and any place you want. You can even chat with your friends right from the Origin application while you play. New features recently added to Origin include live streaming demos, free-to-play games, and a beta cloud storage feature. For gamers on the go, Origin services are also available on your mobile device!
W IN —taster, wiinprneeer. —cooper, wijukutpe r. Nv guess. —grower, wijubouwer --lees, pi. IVOTImode. —merchant, weinkeover. —press, wijnpers• —shop, wijnhuls. —stone, wijnateen, —trade, wijnhandel. Wing ('vine), a. vlevgel, wlek, vlerk; bank; zlde; eijetuk; vluaht. to be upon the —, op het punt Man om to vertrekken. to late —, op-, weevily ;en. —case, —shell, vleugelechild. —cleft, gevederd. —footed, viug. —sail, gaffelzeil. —transom, hekbalk. —, v. a. van vleueels yoorzion; v. n. vilegen. —ed (wingd), —y (-gib); a. gevlengeld; noel. —less, a. ongevleugeld. —let ('it), s. vieugeltje. Wink (wingk'), s. (het) knipoogen; weak. not to sleep a —, geen oar toedoen (iulken), v. n. knipoogen; wrnken; (at) toewenken; door de vingers den. —er, a. lonker; wenher; oogklep. —hilly, ad. knipoogend. Winn er (wIn'nur), s. winner. —ing, a. winnend, innemend,aauvailig; s. het winnen; whist; —post, eindpaal. Winnow (wlnino), v. a. wannen, ziftea; bewaaien; ooderzoeken, overwegen; aftonderen; v. n, wannen. —er, o. wanner. Winsome (win'eurn), a. vroolijk; innemend. Winter (wIn'tur), a. winter. —barley. wintergerst. —beaten, door den winter beschndied. —cherry. jodenkers, roode naohtschade. —citron, wintercitroenpeer. —crop, winterrruebt, -graan. —fallow, v. r. somervoren —green, meagdenpaltn, —ground, v. a. overwinteren (van bloemen), —kill, v. a. doen doodvriezen. —quarters, p1. winterkwartieren. —seaeon, —time, wintertijd. —solstice, wintersonnestand —. v. a. & n. overwiuteren. --ly, a. winterachtig; winter-. Wintry (win'trih), a. Lie Wintery. Whey (warnib), a. wenazhtlg. Wipe (wajp'1, a. (hat) vegen, afvegen; veeg, steek. nitbrander. —, v. a. vegen, afvegen, afwieschen: (of) afzetten. —r, a. veger; winch, vaatdoek; achimpsehent, veeg. Wire (wajr"), a. dread. —draw [fry.], v. R. tot dread trekken; rekken, slepende houden; verdraitien. —drawer, draadtrekker. —drawing, het draadtrekken; draadmolen, —drawn. getrokken; gerekt. fender, stolp van dread. —gage, draadmaat. —grate, drawl tralie, traliehek. —mark, vormdraad, JO in bet papier). —mill, dreadmien. —pliers, pl. dread-, butgtang. antwoord per telegtaaf. —tack, draadstift —work, dread-, trallewerk. —, v. a. met dread vastmaken; tralidn. Wiry (wayrth), a. van dread; draadachtig. Wie (win), twist], v. a. weten, onderstellen. Wisdom; (wis'dum), s. wijehe!d, Wise (waje), a. wlize, mauler. in no —, in geen KeVal, geeneztne. —, a. —ly. ad. wije, veretan. Ingetogen. —acre, waanwtj te; zotekap. —man, wtjze; waarzegger, toovenaar. —woman, w aar. zegster, Woven's. —limp, e. waanwitize. WWI (whin 11. wenach, verlangen. v. a. & n. weaachen, verlangen (for, near). — joy of tat), geluk worm:then met. —er, a. wenacher. —fat, a. —fully, ad. wenachend, veriangend. Wliby-washy (wierth-woaj-th), a. benzelach• tig, Meth'. —, e. wiejewasje, 'mutating.
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Wat is de beste site om Bitcoins kopen


20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,
N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.
boos. —inetslike (-bisliese-lajk), a. niet gasehikt voor zaken, etrijdig net den kooproansgeest. Unbutton (nn-but'tn), v. a. loskoopen. Uneage (an-keed3r), v. a. nit de kooi laten. Uncial clued (un-kel'eind), a. onverkalkt.—culeted (-kjoe-lee-tid). a onberekend. Uncalled (un-kaold'i, a. ongeroepen. — for, on • no odig, noodeloos. Unean tolled (un-ken'aild), a. niet opgeheven, niet verntetigd. —did, a. onoprecht. —anical (-kenon'iki), a. ntet kenontek. Unwired (un-keer0) a. — for, enbehartigd, veronachtzaamd. Unease Inn-keeal, v. a. uit den koker (de keg, de scheede) nerneu; afstroopen.. Uncaught (un-kaoti a. ongevanirfn. Uncaused (un-kaozd'). a. onveroerzaakt. Unceasing inn-siezleng), a. —ly, ad. onophou• elndelooa, Uncelebrated (un-sel'e-hree-tid), a. ongevierd, ongepresen. Uncansuretil(un-sen'sjoerd), a. onberispt. Unceremonious (uu-eer-e•mo'nk-us), a. —1y, ad. :cinderplichtplegingen, ongedwongen. Uncertain (an-sar't1u), a —/y, ad. onzeker. —ty, a. onzekerheid. Unchain (un•tsjeert'), v. a. van ketenen ontdoen. 'Unchang cable (un-tsjeendkribl). a. —eably, ad. onveranderlijk.—eableness„s. onverandertijkheid. —ed (-tsjeendzidl, a. onvcranderd. —lag, a. onveranderltik. Uncharged (un-tejaardajd'), a. onbeladen; abet aangevallen. Uncharita Lie (an tsjer'ittble). a. —bly, ad. liefdelons. --6/euess, s. liefdeloosheid. Uneharm (un- tejaarm"), v. a. onttooveren. Unchast a (un-tajeeat'). a. —ely, ad. onkuisch. —iced (-tejes-tajzd'), a. ongestraft. —icy (-Wes , tit-ih), a. onkuisehheil. Unchecated (un-tsjekt . ), a. onbelemmerd, onbetenge'd; niet gecol.ationeerd. Unekeerful (un-tsjterloel), a. neerslachtig, bedrnkt. -1.14, a neersiechtigbeid. Unehrist sued (un-kriend), a. ongedoopt. —ian, a. —iaray. ad. (-kristlen-), onchristelijk. Unehron toted (un-kron'i kid), a. on vermeld.. Unchtireh (un-tajurts,r), v. a. uit de kerk (ge, meente) atooten. Uncial (un'ajel), a. & a. — let:er, groote letter. Uneireurn Oiled lun-aur'ku ► i-evjzdj, a. onbe • sneden. —ciao* (aizYun), a. onbesnedenhapi. —scribed (skrajbd), a. onbepsald. —spect, a. —spectly, ad. (-spekt.), onbedachtzaam, onvoorzichttg. Uncivil (un-eivs11), a. —ly, ad. onbeleefd. —iced (-ejsd), a. onbeachaard. Unclad lan-kledl. a. onsekleed. Unclaimed (un-kleema' 1. a. ongedtacht. Unclarilled lun , e lerl.fajd), a. ongeklaard. Unclasp lun-klaaap'), v. a. locheken. Unclassical on kles'eikl),a.niet klasalsk. Uncle (unrk1), a. oom. Unclean (un-klten'). a. —ly, ad. amain, anti. —knots (-11- nese), -AM, a. onreinbeid; onkuischheld. —sed (-klensd.), a. ougentiverd. Unclew (un • kljoe'), v. a. los-, arwinden.
Attitude (et'ti-tjoed), a. bonding. 4—inize (-tjoe' Auster a (aow-stier), a. etreng; stuursch. —cacao, di-naja), v. n. eene gemaakte bonding attune- —ity (-ster'it-tih), s. strengheid. men. Austin (mean), a. —friar, augustijner monnik. Attorney (et-tur'nih), a. pleitbezorger; procu- Austral laow'strell, a. zuidelijk. reur. letter of —, volmacht. —general, procureur- Authentic (aow-theu'tik), —al, a. —ally, ad. generaal. —ship, s. procureurschap. echt, gewaarmerkt. —ate (-ti-keet), v. a. wearAttract (et-tretit')., v. a. aantreaken; aanlokken. merken, legaliseeren. —ity, (-tis'it-tih), a. echt-ion (-trek'sjun), a. aantrekking; aantrekkings- heid, geloofwaard)gheid. kracht. —ive, a. —ively, ad. aantrekkend, aan- Author (aow'thur), a. voortbrenger; stichter; lokkelijk. —iveness s. aantrekkelijkheid. schrijver. —eat, a. stichtster, schrkjfster. —itative Attrahent (et'tre• hea t), a. aantrekkend. (aow-thor'i-to-tiv), a. gezaghebbend. —ity (aowAttrectation (et-trek tee'sjun), beduimeling. thor'it-tih), a. gezag; invioed; gezaghebbend Attribut able (et-trib'joe-tIbil, a. toe to schrij- persona; from good —, van goeder hand; of yen. —e (et'tri-bjoet), s. eigenschap. -e (et-trib' one's own —, op ziju eigen houtje. —ization, joet). v. a. toeschmtven. —ion (-tri-bjoe'ejun),s. (-i-zee'sjun), a. machtiging. —Mze (-ajz). v. a. toeschrkjving. machtigen; wettigen. —ship, a. auteurschap. Attrit e (et-trajt'), o. afgesieten. —eness, s. size- Autocra cy(aow-tok're silo, a. aileentteersching. oletenheid. —ion, (et-trio"sjun), a. afwrijving; —t (aow'to-kret), a. alleenheeracher. —tic (-kret' zondensmart. ik), a. alleenheerschend, onbeperkt. Attune (et-tjoen'), v. a. stemmen. Autograph (aow'to-gref), a. eigen handschrift. Auburn (aow'burn), a. dor kerbruin. Automatic (aow-to-menk), —at, a. aelfbeweS. gend; werktuigelijk; Auction (aovvk'sjun), a. —eer vendurneeeter. Automaton (aow-tom'e-tun), a. zelfbewegend Audacious (aow-dee'sjus), a. —ly. ad. stout- nerktuig. moedig, vermetel. —ness, a. or. Autonomy (aow-ton'o-mih), a. zelfregeering. Audacity (aow-des'it-tth), ii. stoutmoedigheid. Autopsy (aow'top-sih), s. zien met eigen oogen; Audi ble (aow'dibl), a. —bly, ad. hoorbaar, lijkschouwing. —bleness, s. hoorbaarheid. Autumn (aow'tum), a. herfst. —al, (aow-tum'nel), Audience (aow'di-ens), s. gehoor, toehoorders. a. herfatachtig. Audit (aow'dit),s. hooren, n tzlen eener rekening. Auxilla ry a. helpend; a. helper. —, v. a. hooren, nazien. —cr (-tor), s. hoarder, —ries (-riez), a. hulptroepen. toehoorder; auditeur. —ory, (-tur-rih), a. toehoor- Avail (e - veel , ), a. baat, nut. —, v. a. & n. bates.. dera, gehoorzaal. — one 's self of, zich ten nutte sunken. —able, Aegean (aow-dzji'en), a, van Angelis; zeer suil. a. geldtg, dienstig. —ability (-e-bil'it-tih), Auger (aow'gur), a. avegaar. —ableness, a. dienstigheid, geldigheid. Aught (not), a. iets. for — I blow, zoo ver ik weet. Avalanche (ev-e-lentsj'), a. sneeuwval. Augment ;aog'ment), s. verneerderen. Avant-guard (e-vent'gaard), a. voorhoede. Augment (nog-meet"), v. a. n. vermeerderen. Avarice (ev'e-ris), a. gierigheid. —ation (-tee'sjun), s. vernseerdering. —ative Avaricious (ev-e-ria'sjus), a. —ly, ad. gierig. (-e-tiv), a. vermeerderend. -.88, a. gierigheid. Augur (aow'gur), a. vogelwichelaar, waarzegger. Avast le-vaast'), int. hoe 1 stop! —, v. a. voorzeggen; v. n. waarzeggen• —ial Avannt (e-vaant), int. voort I (-gjoe'ri-ell, a. eene voorspell.ng (een voorteeken) Awe ' Mary (ee've-mee'rih), a. Ave-Maria. betreffend. —y (-gjoe-rth) a. voorspelling; voor- Avenge (e-vendzy), v. a. wreken. straffen, (of. teeken. on. upon). —meat, a. wraaknemiag. —r (-ur), a. August (aow'guot), a. Augustus; oogstmaand. wreker, straffer. August (aow-gust'), a. verheven, doorluchtig. Avenue (ev'e-njoe), a. toegang, laan. —an, a. van Augu3tus. —ins (-in), a. augustijner Aver (e-vur'(, v. a. verzekeren. —meet, a. verzemonnik. —ness, a. verhevenheid, majesteit. kering. Auk (awk), a. vetgans. Average (ev'ur-tdzj), a. middelbare berekening. Aulic (aow'lik), a. hoofsch. leendt east; avert). upon an —, gemiddeld. —price, Aunt (aant), a. tante. mtddelprijs. Aurelia (now-Wit-e), a. pop van een insekt. Avers e (e-ours'), a. —ely, ad. afkeerig. —cans, Aureola (mtow-ri'o-le), a. stralenkrans. a . afkeerigheid. —ion, (vur'ajun), a. afkeer, Auricle (aow-rikl), a. buitenste oor; hartoor. haat. Aurieula (aow-rik'joe-le), o. berenoor, —r, a. Avert (e-vurt'), v. a. ( front) afwenden, afkeerig van bet oor; geheim; —confession, oorbiecht. makes; v. n. zich afwenden. Auriferous (aow-rirurus), a. goudhoudend. Aviary (ee'vi-e-rih), a. vogeikooi. Aurist (aow'rist), a. oorarts. Avidity (e-vid'it-tih), s. begeerigheid. Aurora (aow-ro're), a. dageraad. —borealis (bo- Avocations (ev-o-kee'ejun), a. afroeping; bezigri-ee ' liv), noorderlicht. held. Auscultation laos-kul-tee'sjun), a. onderzoek Avoid (e-vojd'), v. a. vermiiden, verlaten; vet , door middel van bet gehoor. nietigen; v. n. weggaan; vacant warden. —able, Auepic e (ttow'spis), a. voorteeken. —es, a, be- a. vermijdelijk. —ante, a. vernitjding. —less, a. gunatiging. —mous iaow-spis'sjus), a. ad. onvermijdelijk. gunstig, voorspoedig. Avouch (e-vautsr), v. a, verzekeren; aanvoeren;
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Heeft ethereum een ​​limiet


TER -VV.% Tub lass (to-bares), in. Tubias. -it (to'biti. Tertuillen (tur.tul'ii.en), in. Tertulilanue. (to'bih), f. voor Tobias. Tetuan (tetioe-en), g. Tetuan. Teuton as (tjoe'tun-lez), I, Teutonen. -ie (-ton'. Tokay (to.kee'), g. Tokay. Toledo (to-li'do, to-lee'do), it. Toledo. ik), a. Teutoonerh. Duitoch. Tons (torn'), -ray, f. skier Vivian; Tom. Texas (teks'es), g. Texas. Tony 1,to'nili),f. soar Anthony; Toontje. Texel (tekteil), g. the -.. (bet eiland) Texel. Tourney (toer-neei. g. Doornik. Thelta (the-lars), my. Thalia. Tracy (tree'sih), f. voor Theresa:, Treeeje. Thames (terns), g. the -, de Teems. Trafalgar (tref.el.gaar', tre.tel'aur),g.Trafalgar. Theban (the ben), a. Thebaanscii; i. Th2baan. Tara' au(tree'drjen),-10(tre . cizjee'nuslan.Trajanus. Theben (thlrbz), g. Theta Transylvallia (tree-oil vee'ni•E.), g. Zevenbergen. Thernin (thi'mis). my, T hernia. Theo bald (thi'o-field), m. Theobald. - dore -n, a. 'Leven bergseh; i. Zevenberger. T rev en (trim, trees), g. Trier. (-door), ins. Theodoor. Triers (trierz), g. Trier. Theresa (the- Wile), w. Thereat. Thesve I let (thes-seeli-el, g. Thessalie. -ian, a. Trieste (tri. est% g. Tridst. Thesealisch; i. Thesealler. -y (theese•lih), g. Tripol (trip'ul), -i I- il., K. Tripoli. Triton (traj'tn), my. Triton. Thessalt ii. Tri woo virl (traj-ura'vf-raj), h. Driemannen. Thetis (thrtis), my. Thetis. Trojan (tro'jen), a. Trojeausch; i. Trojaan. Thlb (thibl, -by, C. s oon Theobald. Troy ;troj), K. Troje. Thine'. . Thl bet (ti-bet'), It . (ajbedur), m. Tudor. Tudor. Thom as (tom'es), m. Thomas. -eon (titi.'sn), m. Thornton. Tully (tui'lih), m. Tulliue. Three a (threes), -in (threesji-e), g. Thraeie. Tunis (toe'nis), g. Tunis. Turconsans (toeeko•mens), i. Turcomannan. -ian (th.-ree',Ii-en), a. Thrsciseh; i. Thy acier. Turin (toe'rin) g. Turin. Thule (thjoe'li), g. Thqle, Thuelngla (thjoe-rin'dzji-e), lg. Thuringen. -n, Took (turk' ► , i. Turk. -ey(.111),g. Turk1je. -lab, a. Turkech. as. ThurIngseh; I. Thurioger. Tuscan (tas'ken), a. Teseasmsell; I. Toscani -y, Tib ,t,it'), -old (-el d), -by, f. soar Theobald. , g. Toscane. Tibor (tarbur),g. the -, de Tiber. Tweed (twied), g. the -, de Tweed. ; Theodore. Tid itidis C. soar 'Tito (dm') , -my, f. soon Timothy. -othy (-uth-ih), Tyburn (taf burn). g. Tyburn. 1 Tyler (tajThar), in. Tyler. 'tn. Timotheus. Tyne(tajn), g. the -, de Tyne, , Tit (tit), f. soot Theresa; Treesje. , Tyr e (tajr), g. Tyrus -ion (del. en), a. Tyrisch; I. Titans (tajlenz), my. Titans. Ttilail (tiefi-en), no- Titiaan. y Yrrojel r'(t'eul, ti.rol'), g. the -, Tyrol. -ian (ti; TT Titus (taftus ), m. Titus. I reql.en), a. Tyroolsth; i. Tyroler. Ti volt (tiv'o-11), K. Tivoli. 

pride one's self on. Boueneatakor, m. bow-maker. Bohm, m. hubbub, bustle. Bok, m. he-goat, buck ; box (eener koet.); crab, jock, trestle ; andiron ; blunder ; booby, uncivil fellow. ten— nation,, to commit a blonder. —sta. vast, leap-frog. —kesprong, caper, capriole; —en waken, to cot capers. —.shear, goat's hair. —en. leder, —envel, buck-skin. ...mimes. buck-skin. —aboard, goat 's beard. —eb/ok, tackle of paints. —sboon, lupine. —edam, goat 's-thorn. —shores, goat's born; fenugreek; hook. —spout, goat's foot; (the God) Pan. Bokaall, v. bumper, large ,risking-glass. Wok oebtlg, hr. & bw. lewd (-;y), lascivious 1-ly); ale Bokkig. je, o. kid; stool. —hip, by. & bbw. uncivil 1-11y;, surly (-)y), rude (-1y), dogged (.1y). —hicksid, v. rudeness, doggedness. Bokklog, m. red herring; kry jest, rebuke, lecture. --droger, curer of red herrings. --hang, herring-hangs. Baku, v. breeches. Bolas co, on. w. to box. —er, m. boxer. Bog, bv. bloated, puffy, bulbous, globular, convex. —, m. ball, globs ; bulb ; roll ; crown (van *es hoed); bead,' pate ; clever fellow. —Peas, bowlir.ggreen. —geese's, bulbous tplant. —rend, globulous, convex, spherical. —rondheid, globoeity, convexness, apheriralnees. —vormig, globular. —wank, bulwark, bastion, rampart. —werken, to fortify; to manage, to bring about. -ten , n6 maggot ; whim, freak. —!'enbakkir, roll-baksr, —aehtig, by. globulous, bulbous ; somewhat —aehtigheid, v. globuloasness, bulbousBolder, v. mildew; roll of which Manua Is Made. ...11040811. (a kind of) stage•/ ageon. Holhold, v. bloatedness, puffiness, convexity.

Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-
voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.
AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.

Wat er precies is Bitcoin


Litholug 1st (ii thol'ud-zjist), a. sieenkenner.1 loopen, struaitsikpeo. 4 —er, a, lindleoper, a treatelijper. —y, a. steenkunde. 1Lithotom 1st (!t-thot'um-ist), e. steensnijder Gonna (loom'), a. leem, kleiaarde. —, v. a. met learn of kis! bestrijken. —y, a. leemachtig. (arta). —y, e, het anijden van den steen. Litiga nt (lit'i-gent), a, procedeerend; s. prove- Lean (loon'), a. leenIng. —office, leenkantoor. voerder. —te (-geet), v. a. betwisten; v. n. prose- b — v. a. leenen. deeren. tion (-gee'sjun), s. rechtsgeding, prom. !Loath (loath'), a. afkeerig, wars, ongenegen (to). — ly, a. walgelijk, stuitend; ad. met tegenzin. Litigious (11-tidzyus), a. —)y, ad. pleitziek, —nese, a. tegenzin, afkeer. betwistbaar; in gesehil. —nesa, a. pleitzueht. Loath e (loath'), v. a. walgen van, verfoeleu; 'Minos, Litmus (lit'muis). s. lakmoes. v. n. walgen. —er, a. walger, verfoeier. —ful, Litter (lit'tur), a. draagbaar; stroo; istroomat! warping (van dieren); broedeel, dracht; wanorde. a. walgelijk, verafechuwd; hatcnd. —ing, a. rommel. —, v. a. werpen, jongen; overhoop walging, aikeer. —imply, ad. Diet: afkeer. —ly, werpen, van strooing voorzien; v. n. van stroei- a. & ad. —nest, a. Zie onder Loath. —seine, ing voorzien zun. a. walgeluk. —somenets. s. walgalijkheid. L ittle (litql), a. kleia, weinio, goring. —, —one, Lob (lob'), a, lummel, vlegel; regenworm. —coo , lummel. —lolly, a. mengelmoes; gerdtenat, waa. weinigje. —, ad. we!. kleintje, kind,;e. nig. —nese, s. kleinheid, geringheid. I terpap. —lollyb6y, doctorajongen. —aided, overhangend. —'a-pound, bedelaarsgevangenia. —, v. Littoral (lit'to-ral), a. van den oever, never-. a. laten vallen. Llturg lc (11-tur'dzjik), —ical, a. van de kerk- orde, liturgisch. —y (lit'ur-dzjih), s. kerkarde, Lobate (lo'bet), a. lellig, met lobben. liturgie. Lobby (lob'bih). a. portaal, voorzaal, wash, L ive (lis'), v. n. levee (on, van); bestaan (by,l kamer. van); wonen; (out) overleven; (up to) levee over- Lobe (1001V), a. kwab, lel, lob. —d (-id),. a ;lie eankomatig. —long, n. lang, langdurig, ver-1 Lobate. —let (-lit), a. lellet;e, kwabbetje. LobsteF (lob'stur), a- zeekreeft. velend. Live (lajv') a. levend, levendig; ongebluscht. Lobule (lob'joel), 8. lelletje, kwabbetje; zaci-stock, veestapel. —lihood (-1I-hoed), s. levens- ' buisje. onderhoud, kostwinning. —lineal (-11-ness), a. Local (lo'kel), a. —ly, ad. planteelijk. —ity (•kel'it-tIh), plPatselijae gesteldheid. loiendigheid, vroolijkheid. —1y, a. levendig, Lora te (I o'keat), v. a. plaatsen. —tion (-kee'sjun ), vroolijk. Liver (liv'ur), a. levende; lever. the longest —, I a. plaataing. de langatlevende. —color, leverkleur. —colored. Loch ask), a. meet.. leverkleurig. —freckle, levervlekje,sproet.—grown, Lock (lok'), z. slot; alotplaat; beugel; lok; vlok; met eene groote lever. —pyrites,leverkies. —ctone, I schutal nit!, —chain, spanketting. —gate, slutsleversteen. —wort, leverkruid. —ed, a. eene' deur. —keeper, aluiswachter. —paddle, (Nike , lever hebbend; white—, lot; gemeen; hot—, op-1 --ram, zeker grof !Innen. —silt, aluiadrempel. vliegend. —ing, s. leverworst. , —smith, slotenmaker. —weir (-wier). sluisweer. Livery (liv'ur-ih), 8. overgifte; inhezitstelling; Lock (lok'), v. a. aluiten, op-, toesluiten. (in) onderhoud van een paard; gild; livrei. to keep' inaluiten, omvatten. (out) batten Outten. (up) horses at —, huurpaarden hcuden. to stand at —, wegsluiten; stremmen. —, v. n. slulten. —aye, a. sluisgeld, sluiewerk. —er, a. laadje, 'castle; in een' huuratal staan. —coach, huurkoets. bak. —et (-it;, a. alootje; medallion. —horse, huurpaard. —man, livereibediende; glide- Locomot ion (lo-ko-mo'sjun),. beweegkracht, hroeder. —stable, huurstal. voortstuwend vermogen; plaatsverandering. —rye Livid (llv'id), a. loodkleurig. —ity (II-vid . - (-ay), a. voortetuwend, van pleats veranderend; —neas, a. loodkleur. a. atoomwagen, locomotief, Living (liv'ieng), a. beyond, levendig. —,s. host- winning, bestaan; predikantsplaats. —ly, ad. in Loculament (10Vjoe-le-ment), a. zaadhuieje. Locust (lo'kust), s. sprinkhaan. —tree, ameri!even. kaansche acacia. Livre (laj'vur), a. livre (fransche munt). I.Ixivi al (like-Ivq-el), --ma, a. loogachtig, van Locutions (lo-kjoe'aitin), a. epreekwijze. loog. —ate (-set), v. a. loogen, uitloogen. —ation Lode (lood), z. Zie Loatii. (-eesjun), s. uitlooging. —um, 0. loog. Lodge (lodzP, s. loge; huisje; optrekje; vertrelife; Lizard (liz'urd), s. hagedis. —fish, hagedisviech. hol. —, v. a herbergen, huievesten; bewaren; (lesser) —flower, stinkend standelkruid. —atone. neerleggen, plaatsen; beleggen (geld); v. n. wohagedissteen. —tail, liagedisraart• nen; gaan liggen. —ment, a. plaatsing; "'going; Lo (in), int. ale! kijk ophooping; verschansing. —r, a. inwoaer; karstCoach (loots)), a. grondel. ganger; !ogee, Bast. load (load', a. lading, vracht, last; mijnader. Lodging (lodzrieng),a.huievesting,logies.—house, gang. —mark, mark van den diepgang. —star, koethuis. —room, logeerkamer. pool-, noordstar; leidstar. —stone, zeiiateen. Loft (loft'), a. verdieping; zolder. cock—, vileLoad load') [loaded. loadce, laden!, v. a. laden, ring. —iness (-imess), s. hoogte; verhevenheid; bevraehten; overladen; bezwaren; vervalschen trotschheid. —i/y, ad. —y, a. hang; verheven; (dobbelatee ►en). —er, a. leder, bevrachter. trotech. Loaf (loot'), 0. (een) brood. — of sugar, sulker- Log (log'), s. blok; log. to heave the —, logger' brood. —sugar, broodsuiker. 4 —, v. n. land- met bet log melee. —board, logtatel, —book
Vouchsafe (cautsj-seen, v. a. veroor!oven, toeetaan, mimes; v. n. Melt verwaardigen, geHaven. e. verleening, vergunning; verwaardiging. Vow (van'', gelofte, plechtige belofte. —, v. a. (van'', toewijden; v. n. eene gelofte doen; doen; zweren. —el (-11), a. klinkletter. —er, a. afiegger owner gelofte. Voyage (voridej), s. (see-)reis. —, v. a. hereizea, bevaren; v. n. ems seereis doen. Vulgar (vul'gur), a. —ly, ad. gemeen, Meg; *1iedaegsch, gewoon; algemeen. fractions, gewane briuken. — language, volketael; moedertool. — translation, Vulgate. —lam, s. gemeene (platte) ultdrukking. —tit/ (-g'r'it-111.), a. ilerneenheid, platheid. —ize (-ajz), v. a. gement makon. Vulgate (vurgei), a. Vulgate (latijnsche hijbel. vertaling. Vulnera hie (vul'nur-tb1), kwetzbeer. —bility (-e- ► il'it-tih), —Neves., n. kwetebaarbeld. —ry (-a-rib), a. heelend; — balsam, wondbalsem; — plaster, wondpieteter. —ry (-e-rth), a. heel-, e•ondroiddid. —te (-eat), v. a. kwetsen, wonden. —tion (-ee'ejun), a. kwetalng. verwonding. Vulpine (vuPpin), a. vosachtig;
JAK.--J Jeddah110, m. jackal; jade ; wretch, poor rabbit. Jadeites., on. w. — en jagen, to be continually on horseback. Jakob"' ladder, m. Jacob's ladder. —staf, m. Jacob's staff. Jallappe, v. jalap. Jaloerech, be. jealous. —held, v. jealousy. Juloezie, v. jealousy; shutter, blind. Jammer, o. lamentation misery. het is — it is a pity. —dead, deplorable action. —dal. abode of misery. —bertig, pitiful. —Aartigheirl. pitifulness. —klaeht, lamentation. —kreet, lamentable outcry, cry of distress. —poet, pool of misery. —en, on. w. to lament (for), to wait jot. over), —/Ok, by. & bw. pitiful (-ly). lamentable (-bly), miserable (-biy), woeful (-1y). — nit, v. lamentation. Jan, ra. John ; waiter. — en allentan, every one. hoses — Ain, to have carried one 'a point. — Rap en fejja meet, the ra ,oble, riff•raff, tag-ragand-bob-tail. —gat, —den, —settle, cotquesn. —havel, v. sort of ginxerliread; o. rabble. — moat, Jack-tar. — potaye, Jack-pudding, merry-Andrew. Janitearr, m. IenizerY,J , n1 ,8,, rYJituk en, on, w. to howl, to yelp ; to squall. —er, m. howler, yelper; squaller. — inj, v. howling, yelping. —sler, v. Zie Janzenist, nu. demonist. Jetsam', v. gown. --ache deken, quilt. —ache rok, chamber-gown. Jarig, be. one year old, of a year. AO is vandaag —, it is his birthday to-day. Jets, v. (great) coat, frock coat ; sie Jaakaart. --heart, knave of trumps, trump-cart. —stet', stuff fur costs. —seek, pocket of a coot, JassniJn, v. jessamine. Jaspin, m. & o. jasper. Jass en, ov. w. to hammer up ; to hurry; on. w. to play at trumps. —er, m. player at trumps. Javelljn. v. javelin. Je, tsw. eh! to ! Jegena, vz. towards, to. Jenever, v. gin. —beg ; bait!, juniper-berry. —boost, juniper-tree. —brander, —stoker, gin-distiller. —6randerij,—stokerb, gin-distillery. —intik, lover of gin, pot companion. —.leach, ;tin-bottle. —gios, gin-glass. --ineAt, gin-smell. —seas, red none ; toper. —olie, j auiperail. —vat, gin- cask. Jeng.elen, on. w. to be importune, to be teasing. Jeugd, v. youth. —ig, be. & bw. youthful (-ly). —igkeid, v. youthfaluene, youth. Jeuk en, on. w. to itch. —erig, by, itchy. —erigheld, v. itchiness. —ing, a. itching. —te, v. itch, itching. Jezzat, m. Jesuit. —itch, be. & bw. jesuitical (-Iy) —lime, o. jesuitiem. Jleht, v. gout. —ochtig, by. —ig. by. gouty. Joden besot % v. Jews' exchange. —buurt, —hoek, Jewry, ghetto, Jewa' quarter. — genoot, Jewish proselyte. —hark, synagogue. —kern, alkekengi. —pek, !bitumen, asphaltum, jey., e-pitch. —octisst, —woeker, exceasiv3 tamp. —dont, o. Judaism, Jews. Jodie, v. Jewess. Joedon, on. w. to shout, to make merry. Jok, m. jest, joke. nit —s, for fun's sake. —spreuk,
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


Pair (peer'), s. pear. a — of stairs, eene trap. —royal, drie gelijken in 't kaartspel). a coach and —, een ri3tuig met twee paarden. —, v. a. & n. paren. —ing-time, paartijd. Palace (pel'es), 8. palet, —court, voorplein van ta.t paleis; gerechtshof van het paleis. —yard, bienenhof van het paleis. Pitadln ipere-din), s. naladijn, ridder. Pa I a le_ ti n pel-en-kien' ), 8.pal ankijn,draagstoel. Palat able (pe0e.tib)), a. smekelijk.—ableness, a. smakelijkheid. —al, a. van het verhemelte; a. verhemeiteletter. —e (-et), a. verhemelte; smaak; , pe-lee'sjel), a. verhemelte-; van een palely; erachtig• Paistin ate (pe-let'i-net), a. paltsgraafschap. —e ( eel'e-tin, a. paltsgrafelijk; a. paltsgraaf. Palaver kpe-lit'vuri, a. gewawel. —, v. a. kaketen. wawelen. Pale a. peal; otaheining; rechtsgebted, seeoot. —., v. a. omhetnen. —, a. —ly, ad. bleek. —eyed, zwak van gezicht, —faced, bleek van gel., --hearted, moedeloos. —ness, a. bleekheid. Palen grapby a. add schrift; beams van sad schrift. —logy ( - 01'ild-ajth), oudbeidkunde. Valeous (pee'li-ue), a. kaffig, huizig. Palestra worstelperk. Palette (pel'et), s, verfbord, palet. Pslfrey (paol'frih, pel'frib), 8. Barnes-, paradepaard. —ed (-hid), a. op een' klrpper gezeten. Pa litication kee'sjua). a. Pa illogy a. Iterhaling. Palimpsest (pel'imp-nest), a. palimpseat. Pio alad roan e (pel'in-droomi, a. eensluidende 1 et terkeer. Yftllug (pee'ling;, a. rasterwerk. Palinode (pel'ln-ood), 8. herroeping. Palleade (pel'i-seed), s. schans-, tstorrnpaal. —, v. a. met peal week verschansen. Pallvta (pee'll,j), a. bleekachtie. Pall paoll'), a. verschaald, ffauw. a. binschope, staatsiemantel; lijkkleed; pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. —cleat, palklamp. v. a. met eon mantel bedekken; moon verdchalen; bederven; oververzadigen; neersiachtig makers; v. n. verschalen; slap worded; (on. upon) doen walgen. Palladium a. pallas-beeldje, plechtanker; palladium. Pallet pel'iit), a. verfbordje, palet; draaiachijf; verguldmesje; laatbekken; brits. —ing, a. bodem der brood- en kruitkamer. Pallla te (perli-eet), v. a. bewimpelen; verzachten. —tion (-ee'sjun), a. bewimpeling, verzaetttine. —five (-e-tiv), a. & a. bewimpelend, veraaceteed (midden. Pallid (pellid), a. bleek. —nets, s. bleekheid. Pal [mall (pel-mel'), a. kolfi kolfspel; maliebaan. Pallor (pePlur), a. bleekheid. Palm (paam"), s. palm; palmboorr; handpalm; handplaat; ankerarm. —berry. dadel. —oil, palm°lie., —sunday, palmzondag. —tree, palmboom. —wine, paimwijn. - , v. a. betasten, hanteeren; 8treelen; in de hand verbergen, misleiden; (upon) is de hand stoppen; toedichten. Palm ate (pertnet), —aced (-meet-id), a. handvormig; met zwemvliezen. —atory (-me-tur-rih),


geparelde gerst. —bubble, parelblaaa (schelpdter). Pavo (pee'vo), 8. (de) Pauw. —nine (pev'o-najn), —colored, parelkleurig. — cowry, parelmoerstak. a, pauwestaartachtig. —diver, parelvisscher. —eyed, met eene parel op Paw (pao), e.. poot, klauw. cat's —, znehtje, het oog. —fishery, parelvisecherij. parelflauwe betas. —, v. a. trappen; krabben; ruw vlieg. —grass, parelgras. —oyster, pareloester. behandelen; streelen; v. n. trappelen. —ed (paod), —plant, parelplant. —seed, parelzaad. —shell, a. met pooten of klauwen; breedvoetig. parelschelp. —sinter, pareIsinter. —spar, parelPawky (pao'kih), a. listig, oclijk. spaatti. —stone, parelsteen. --white, a. & s. parelPawl fpaol'), a. pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. wit. —wort, parelkruid. —, v. a. met parelen —cleat, palklamp. —head, palkop. --plate, scheen; tooien; v. n. parelen. —ed, a. met parelen bent. Me, —rim, palrand. v. a. pollen, van een —y, a. rijk can parelen; parelachtig. pal voorzien. Pawn (paon'), a. pond; verpanding; boar in 't Peasant (pez'ent), e. boar, landmau. —like, a. boarachtig, boersch. —ry, s. boerenstand; boerenschaakspel). at —, an to pand. —broker, houyolk. der van een pandjeshuie. —house, pandjeshuis, bank van leening. v. a. verpanden, verzetten. Pease (pieV), pl. erwten. —bolt, —haunt, erwtenstroo. —porridge, erwteneoep. —ee (-te'), s. pandhouder. —er, s. pandgever. Peat (piet"), s. turf. —bog, tuff.. veengrunn, Pax (pelts), a. crucifix. —borer, turfgraver. — moss, veen, veengrond. —y, Pay (pee'), s. betaling; loon; soldij. —day, bea. vol turf; turfachtig. tasIdag. —master, betaalmeester. —office, betaalPebbl e (peb'b1), a. —stone, kei, keisteen. —ed kentoor. (peb'bld), —y, a. vol keisteenen. Pay (pee') [paid (peed)], v. a. betalen; beloonen; harpuizen, teren; vieren. — attention to, acht Pecca tale (pek , kib1). a. zondig. —bility (-kegeven op. — a visit, eau bezoek afieggen. (away bil'it-tih), s. zondigheid. —dill° I- ke.dil.'10), a. geringe zonde. —ncy, e. slechtheid; vergrijp. uitbetalen; vieren. (down) content betalen. (ford —nt, a. zondig, slecht; strafbaar, achadelijk, betalen voor; hoeten voor. (in) storten. (cif) ofbedorven. betalen; ofdanken. (out) laten schieten, vieren. able, a. betaalbaar. —ee (-ie'). s. lactate houder Peccary (pek'ke•rib), a. muakuszwijn. van een wissel. —er, a. betalen; betrokkene; Peck (pek'), s. spint; hoop, menigte. —, v. .. pikken; (down) neigen; v. n. (at) plukharen; vitbetaalmeester. ten. —er, a. pikker, specht. Payment (pee'ment), a. betaling. on —, na inkomen. received —, voldaan, in dank ontvangen. Pectin al (pertl-nel), a. kamvisch, —al, —ate (-net), a. kamvormig. to procure —, incasseeren. Pectoral (pertur-e1), a. van he borst; burst-. winged grauwe erwt. grey —, Pen (OW), a. erwt. - a. borstmiddel; borstwapen. - sperzieboon. —boiler. erwtenketel. —jacket, Pecula to (pek'joe-leet), v. n. 'a lands kas bepijakker. —nut, aardnoot. —ore, korrelige bluer• besteerts. —pod, erwten in echilien. —"a-cod, —shell, stelen. —tion (-lee'sjun), a. verduiatering; ling van 'a lends bas. —tor, s. besteler der bas. erwteschil, peulschil. ehooter, erwtenblazer. Peace (pies'), s. vrede; stilte, kalmte. —breaker, Peculiar (pe-kjoe'li-er), a. —1y, ad. bijzonder, eigenaardig. s. uitsluitend eigendom; kapel. rustverstoorder. —establishment, voet van vrede. —ity (-er'it-tih),s. bijzonderheid, eigenaardigheid. —maker, vredestichter. —offering, aoenoffer. —ize (-ajz), v. a. bijzonder geschikt maken. —officer, rechtsbeambte. —parted, in vrede gestoryen . int. still zwijgl —able, a. —ably, ad. arced- Pecuniary (pe-kjoe'ni-e-rih), a. geldelijk, geld-. —mulct, geldboete. zaam, vredelievend; ruetig, —ableness, s. Ped (ped), s. pakzadel; pakmand. vreedzaamheid, rust. —ful, a. —fully, ad. vreedzaam, rustig, bedaard. —fulness, a. vreedzaam- Pedagogic (ped-e-god'zjik), —al, a. pedagogisch; held, gerustheid; ruatigheid. The queen's —, de opvoedings-. Pedago giszn (ped'e-go-dzjlzm'),.. het ambt aeon openbare orde. Peach (pietsj'), a. perzik; perzikboom. —brandy, opvoeders of onderwkizers. —gue (-gog), a. leermeester, opvoeder. —gy, a. opvoeding, onderperste°. —color, perzikbloesem (kleur). —tree, wijs. perzikboom. Peachick (pieitsjik), 'a. pauwkuiken. —cock, Pedal (ped'el), a. van den voet. — s. (-alt), voetklavier, pedaal. pauw; —tail, pauwestaart (plant). —hen, pauwin. Pedant (ped'ent), a. sehoolvos, pedant. —ic,—ical, Peak (piek'), a. top, spits; punt, tip; gaffel. a. —ically, ad. (-den'tik-), waanwijs, verwaand. v. a. toppen, optoppen (up); v. n. zieltelkik (near, —ry (-trih), a. verwaandheid. gen:leen) uitzien. —ed, a. puntig, spits; ziekelijk, Pedate (ped'et), a. voetvormig. afgevallen. —ish, a. bergachtig, puntig. a. rondventen; v. n. venten; Peal (piel), a. kual, gebutder, gelui; geschater. Peddl e (ped'd1),s.v. beuzelen. —er, rondventer, marekramer. —ing, — of rain, atortregen. —, v. a. bestormen;v.n. a. beuzelachtig. knallen, bulderen; kleppen. Pederast (ped'ur-est), e. knapenschender. —y, Penn (pi'en), a. —ism, s. Zie Paean. s. knapensenennis. Pear (peer' ► , s. peer. —bit, peerbit. —main, peerAppel. —pie, perentaart. perepruim. Pederero (ped-e-rrro), s. draatbas. —quince, kweepeer. —tree, pereboom. —shaped. Pedestal (ped'es.tel), s. voetstuk. Pedestri al (pe-dea'tri-e1), a. van den voet; voet- . —ifortn, a. peervormig. —an, a. to voet, voet.; a. voetganger, -reisiger. Pearl (purl'), a. parel. mother of —, parelmoer. —ous, a. loop end, met voeten; —animal, lauddier. —aloes. parel-aloe. —ashes, parelasch. —barley,
A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
GnE;,xy (eel' eke lit), a. Melkweg.; schitte•ende ver. G ailltWOH (getramun), a, gam; triktrak; bedrog; reniging. ( zwetterij. —, v. a. tot ham maken; vastzetteu ; Gailtbanum (gel'be-num), s. zekere barssoort. bedriegen. —ing, S. woeling (van den boegspriet). (geel), a. koelte, windylftag. fresh —,stijie —ing-stole, woelingsgat. koelte. fainting —, ongestadige wind, Gamut (gem'ut), s. toonladder. Gale. (gee'li-e) a. helm; geslacht van zeeligels. Gander (gen'dur), a. gent. —goose, knaapjeskrulta Galess (geenes), a. galja, Gang (geng'), a. bende; ploeg. —board, gangbool d; Galleated (gee'li-eet-id), a. met een' helm gedeki. loopplank. —days, omgangsdagen. —way, gang(infests" (ge-li'ne), s. loodzwavel. board; valreep. —week, omgangoweek. Galiot (geljut), a. galjoot. Ganglion (gen'gli-an), a. peeeknoop. Gall (gaoll'a a. gal; galnoota wrok, kwaadaardia- Gnawer" e (geug'grien), a, kood your. —e, v, a. held; rauwe plek. —bladder, galblaas. —nut, gal invreten; v. a. hood state krijgen. —ous (-gre-nus), noot. —, v, a, afsehaven (de huid); kweilen; Nan. a, ingevreten, rottend. sehrijnen;schuren, achaveelen; zich ergeren. Gant ;et (gentlit), —lope (-loop), a. (het) spitsGallant (gel'ient), a. —ly, ad. braaf, dapperesder- rob loopen, lijk. —, s. dapper man; bezaanavlag. --,,e88, a. GlikillZa (gen'ze), a. wilds Bans (verdieht). braafbeid; dapperheid, —ry, s. braafheid;dagper- Gaol (dzjeel'), a, gevangenita —, v. a. kerkeren. held; zwierigheid; galanterie. —bird, gevangene. —er, a. eipier. bisaliont (gel-laant'a a. —1y,"ad. hoffelijk, plant. Gap (gets'), a. gaping, leenrte; opening; brew; • —, a, . minnaar, vrouwertgek. —, v. n. galani zijn. sehaard. —toothed, met openingen tusaehen de Galleon (gel'li - un), a. galjoeu. tandem Gallery igelle - rthI, a. galerij. —ladder, stereo- Gape (geep'), v. n. geeuwen; gapen. (at) aangaladder. —;.am, baklijst der galerlij. stern—, wester- I pen. (for) hunkeren naar. —r, s. gaper. gang. 1 Garb (gaarb), a. gewaad, kleedine,a uiterlijk; garf. Galliey (gel'lih), s. gale); kombuis; zetplankje, Garbage (gaar'bidzj), a. ingewanden (van een —aline, galeiboef. I beest), afval. Gallifee (ga'sll'ik), a. galachtig. ; Garbel (gaar'bil), a. bodemp!ank. ((ionic (genik), a. gallisch. --an (-ken), R. gal-, Garble (gaar'b1)., v. a. uitziften; vermlatten. —r, likaanseh. —is a (-1i-sizm) , s. fransehe spreek-; a. sifter, uitzoeker. —a, a. otitschot (van het wilze. I gezifte). Gaill gaskins (gel li-ges'kinz), a. wijde brook. Garboserd (gaar'boord), a. kielplank. —matte (-reee'sji-e), a. wartaal. —ntaufry I.MPO' Garbo!! (gaar'bejla a. opsehudding. Cribs), s. hutspot; mengelmoes. —naccous (-nee' Garden (gaar'dn;, a. tutu. —creases, tuinkera. sjua), a. fezantaelitig. —pot, apothekers-potje.. —frame, ream van een' broeibak. —house, . tuinGalion (gel'lun), a. gallon (voehomnat). ; huieje. —mould, tuinaarde. —plot, perk. —tal/age, Galtloont (gel-losn'), a. galon. n tuinbolow. —staff, —ware, tuingroenten. —, v. a. Gallop (gellup). s. galop. —, v. n. galoppeeren. tot thin aanleggen; v.n. tuinieren. —er,s. tuin-er, a. renner; OUR. ; man. —ing , s. tuinbouw, hovenierskunst. Gmlleiway (writ:I-wee), klepper. ' Gargarlstn (gaar'ge-rizna), a. gorgeldrank. Gallows (gel'itte), fs. galg; bretele. —, --bird, Gargle (gaaegl), a. gorgeldrank. —, v. a. gor-clapper, galgebroli. —free, awn d.e galg ontko- gelen. men. —tree, gaighout. , Gargol (gaar'got;), a. gortigheid (der varkene)• Golly (gao'iliha, R. galachtig. —worm, duizena- Garish (geer'isj), a. kie Galrish. poot. i Garland (gaar'lend), a, bloemenkrans. —, v. R. Galocbe (ge-looej'), s. overschoen. I bt kransen. , Garlic (ganelik)„ a, knofionk. —eater, g•rneene Galore (ge-)oar'), a. overyloed. Galva ale (gel-ven'ik), a. galyaniseh. I vent. Glii.Vall. ism (gel'yen-izrn), a, galvanism.. —are' Garment (gaaernent), a. kleedingstuk. (ajz), v. a. galveniqeeren. Garner (gaar'nur), a, korensehuur. —, v. a. in Gambadoes (gam-bee'dooz), s. rij-slopkousen.i de scLnur (op zolder) bergen. Gamble (gem'bl), a. a. ern geld spelen, (away)I Garnet (gaar'nit), a. granaat; taket. yerepelen. —r, e. dabbelaar. Garni,lts (gaar'niaja, 8. garneerael; boeien; wel,LItemboge (gem - boedzj'), a. goottegom, komst. —, v. R. garneeren; boeien; waassettuwen. —er, a. versterder. —went, a. versiersel; wearGambol (garn'bul), z. bokkesprong. --.., v n, huppelen, spring en. schuwirm. Gambrel (gem'brila a. achterpoot van een paavd; Garniture (goiar'ni tjoer), a. verelerael. spanhout. —, v. a. she pooten !Auden; nit- Garret (aer'rit), a. vliering; zolderkameetje. —eer (-ier'), a. vlieringbewoner. spanueu. Game (geem'), a. spot; veldvermaak; wild; jaeht; Garrison (ger'rosn), R. garuizoen. —, v. a. met boert; spat. —cock, keainhaan. —keeper, wild- bezetting voorzien. octal, koddebeier. —pouch, weitaach- —, v. n. Garrot (ger'rut), v, a. knevelen as berooven. am ge ld a p e ie, --sense, a. --comely, ad. dartel, Garrul lily (gee-roe'lit-tih), a. praataelitigheid. spee(ech. —someness, a. dartelheid, speelsaheid. —out; (ger'roe-lus), a. anapaehti•. Garter (gaar'tur), s. kouleband. —, v. a. met —ster (•slur), a. speleie grappenmaker. een' kouseband binden. d'hming (geenfieng), a. (het) spelen. --house, speelbnis. --table, apeeltafea Garth (gaarth), a. kamp, perk; viseltareer; gordel. Gale
(: °ripe EA led go r'bel-lid), e. (lit()) utkig. —y, e, G rtliCC (grees'), , genade; 'gun et; bevalligheid; dikbuig. tafelgebad. to say —, bidden, danken (WO den (.or cock (gor'kok), s. korhaan. —crow, efts- maaltijd). days of —, respijtdagen. —cup, laatste kraal. glas, afzakkertja. —, v. a. begunstigen; verGordian (gor'di-en), a. gordiaansch, ingewik- sieren. Graceful (grees'foel), a. —ly, ad. bevallig, beheld. — knot, gerdiaansche knoop. koorlijk. —ness, s. bevalligheid. Gore (gone'), s,geronnen bloed; Beer. —s (goorz), a. zeilgieren. —crow , aaskraai. —. v. a. doorbo- Graceless (greesness), a. —ly, ad. eervergeten, goddeloos; onbevallig. —netts, a. snoodheid; onbe• ren; steken (met Is horens , . valltgbeid. Gorge (gordzj), e. keel, atrot; ingeslikt brok; holkeel; bergkloof. —, v. a. verzwelgen; volprop- Graces (gree'siz), a, Gratien; bevalligheid; gunst. Graell e (gres')l). a. dun, tenger. —ity (gre-sil' pen, verzadigen (with). —, v. n. vreten (upon). it-till), a. rankheid, spichagbeid. Gorgeous (gor'dzjits), a. —ly, ad. prachtig, Gracious (teree'sjus), a. —ly, ad. liefderijk, welweidsch. —ness, a. praeht. willend; deugdzassn; hevallig. —ness, s. liefdeGorget (gor'dzjit), s. ringkraag; balakraag. Gorgon (goegun), s. Medusa, monster. —ian rijkheid, welwillendheid; bevalligheld. Gradation (gre-dee'sjun), a. trapswijze spool(-go'ni-en). a. afmr.huwelijk. G orrnand (gor'mend), a. gulzige-ard, venal. —ism ging. ( -isn't), a. guizigheid. —ize (-dajz), v. n. gulzie; Gradatory (gred'a-tur-rih), a. trapswijze voortgaand. —, a. kerktrap (in kloosters). eteii. —izer (•dajzr), a. vraat. Gra de (greed'), a. greed, rang; aarden spoorGorse (gory), s. steekbrem, priernkruid. baan; v. a. aanleggen, inrichten (eene aarden Gory (go'rib), a. hebloed, bloedig. baan tot speerweg)• 2dicnt (-di-ent), a. wandeGoehawk (gos'haok), a. ganzenarend. lend, stag end; grand van 'dimming en dating. Gosling (gos'lieng), a. jonge gaps; katje (aan Gradual (grecnoe•e1), a. —/k, ad. trap•wijze, bnomen). geleidelijk. —, s. trap; graduaal. Gospel (gos'pill, a. Evangelic; godgele,rdheid. --lee, a. Evangelie•leeraar. —lice, v. a. in het, Graduate (gred'joe-et), a. bezitter van een'acaEvangelic onderwijzen. demischen greed. —(-set), v. a. tot een scadsGossamer (gos'se-mur), re plantendons; herfst- misehen grand bevordersn; in graden verdeelen; v. n. promoveeren; geleidelti k voortgaan, —d dradsn. —y (-mer-ill), a. licht,luchtig; dradertg. Gossip (gos'sip), a. ijdel gesnap, gekeuvel, buur- (-ee-tid), a. gegractueerd, —s ip, a. s'aat (titel praetje; peetoom; peternoei; hebbelkous. —, v. —van gegradueerde• n. bebbelen, keuvelen; vroolijk zijn. —ry, e. Graduation (gred•joe-ee'sjun), a. geleideltjlte (transwijze) voortgang; promotie. peetachap. Graft (graaft) 5. entstek. --, v. a. & n. enten CI 0.41.11 (goy-roen'), a. loopjengen. (on, op). —er, s. enter, boomenter.. Gosling (gos'tieng, a. rneekrap. Gotta (goth'), s. Goth. —waist (goth'em-ist), a. Grail (greet), s. graduaal; gruta. Abderiet, waanwijze, —am:te (-e-majt), s. be- Grain (green), s. gram, koren; korrel; grein; nerf in leder); dread (iu hoot); ',Mug (in stofwon, van New-York. fen); humeur. dyed in —, in de wol geverfd. (Gothic (r,oth'ik), IL gotbisch, barbaarach. —ism rogue in —, doortrapte sc-hurk. —s (greens), a. (-i-aism), a. gothi.sche stijl; barbaarschbeti. buistel (van mouty; droesem. Gouge (gandz,j), P. guts. —, v. a. guinea; het Grain (green') v, a. vlammen, marmeren (ale (mg uttdrukken. Gourd (goerd'), a. pompoen, kauwoerde; beach; hoot). —ed (greend), a. ruig; geverfd; in de wol geverfd; als hoot geschilderd. —er, a. nabontser valsche dobbeisteen. -mesa, a. sehenkelgezwel, van houtsoorten ‘schildar). —y, a. vol koren; —y, a., dikgootig, getwollen. korrelig. Goot (gout') a. jicht; mask; droppel. — swo//e•, door dejicht gezwollen. —wort, glidkruid. —him, Graiiic (grellik), a. langbeenig (van vogele). jichtigheid. —y, a.jichtig. Gramercy (grem-muesila), hit. hartelljk dank! a. Clove (goov), a. hoop, acheaf (hoof of koren). —, Greenal,rie al (gre-min'i-el), —tees, a. graaachtig. v. n. inhalen, ophoopen. Gratninivorons (grem-i-niv'o-rue), e.grasetend. Govern (guv'rn,, v. a. Sc n. a egeeren. —able, a. Grammar (grem'rner), a. spraakkunst, —school, regeerbaar„ handelbaar. —once. a. bebeer, lei- latijuache school, —ian (-mee'ri-en), a. spraakkunstenaar. ding; gedrage ---ens, s. regentes; gouvernante, onderniperee. —went, s. rcgeering; bewind; be- Gramsnat testi (;;rem-met'ikl), a. —ically, ad. spraakkunstig. —icaster (-i-kes-tor), —lad (grew' eeereching. —or, a. landvoogd; bewindvoerder; me-tiet), s. woord,enzifter, echoolvos. —icize ..t.. gouverneur; maehineedrijver. sajz).,v. a. spriagkunatig waken; v. n.den epraelc(4 OW11 (gaann'r, s. japon; tabberd, toga. —ed, a. cen' tabberd dragend. — woo, --soon, getlb - hunstensar uithsngen. Grainple ±grem'pl,, s. krab. herd man; reebter; student. , Grampus (grem'pus), a. noordkeper. Gowt (gaut), a. tluic. 1 Granary (gren'e-rl-h), a. koreneehutir. Gozzard (goz'iurd), a. ganzenbeeder. Grab (greb), a. malabaarsch vaartuig. —, T. a.' Grand (grendl, —ty, ad. greet; grootsch; voorplotaeling grijpen; v. n. plukharen. ' maim. —child, gleinkind. —cross, grootkruis. Grabble (greh'bi), v. n. grahbelen, sparteleu,' —davghter, kleindochter. —day, feestdag. —duke, ta.ten groothertog. --dukegoni, groothertogdom. --Of.
514 thaw alternately ; to languish, to be sickly ; to gabble. —winter, open (inconstant) winter. —nickte. indisposition. —ig, by. sickly, lingering, languishing. Kwakken, ov. w. to hurl, to dash, to fling; on. w. to plump (down); to spew'. Kveakzalv ere, on. w. to quack. —er, m. quack. —ern, v. quackery. Kneel, s, sea•nettle. Kvvallea, on. w. to whine, to cant. KsvalUk, be. bad, wrong; ill, sick, squeamish. - bw. ill, wrongly; hardly, scarcely. — semen. to take ill, — amiss. —pealed, ill-intentioned. —evert. adversity, misfortune. —Acid, v. sickness, squeamishness Kavnim, pan. thick vapor, smoke, reek. —en, on. w. to smoke, to reek. Kwal ster, m. spawi. —boom, wild ash-tree. —en, on. w. to epawl. Kevensei arm en. —aerate,. v. trucker, barterer. —acAtig, be. fond of trucking —art, v. truck• ing, bartering —en, on. w. to truck. to barter. Kvviteueulle, be. as if, as it were. Kwant, m. fellow, blade, chap. Kweps, be. ill, unwell. Kvvarrel, m. any thing wrinkled together. —achtig, —ig, by. bv. wrinkled. Kwert, o. fourth (part), quarter. —flesch, half a pint. —gulden, fourth part of a graldet. Kwartael, o. quarter. Kwarteel, o. quarter of a hogshead. Kwareel, nit. quail. —.)eentje, —iluitje, bird-call, cat-call. Kwortior, o. quarter (or an hour, etc.); district; lodging, quartering; quarters; peen — gores, to give no quarter, — no mercy. —dap, assembly of a district. —weaker, one that prepares quarters. —tweeter, quarter-master. —svergadering, assembly of a district. Kwartljn, m. quarto. Kawarts, es, quartz. —achtig, by. quartsy. Kevaesiehout, o. quassia. IK waist, m. brush; pencil; knot; tuft, tassel; fop, coxcomb. Kwastorlg, be. foppish. —Acid, v. foppery, foppishness. Kwastig, be. knotty. —Acid, v. knottiness. Kwee, v. quince —appal, quince. —boom, quincetree. —doren, herberry-bush. —peer, quince-pear. Kwesk, v. dog 's grass. —, m. breed. Kwookeling. wn. & v. pupil, Kweek en, or. W. to cherish, to nourish; to foster ; to rear, to raise, to bring up, to cultivate. —hof, —tide, nursery. —school, seminary. -- erg. v. nursery. o. growth. Kweel eta, or. & ow. w. to warble, to chirp; on. w. to languis t, to pine away. —tje, o. little spot, — warbling. litWeeva, v. barren cow ; barren woman ; hermaphrodite. Kress, v. hand-mill, quern. Kuroest on, on. w. to woo. —er, m. wooer. —erij , v. wooing. Kwoken, Kwokkon, on. w. Zia Kwakon. ltiwolnobtag, by, vexatious, annoying.
Despite the intricate technology associated with and necessary for cryptocurrency investing, speculation and possession, Coinbase has created an apparatus that makes this process remarkably easy and familiar, almost like buying and selling stocks. This screenshot from the Coinbase site shows real-time cryptocurrency prices and doesn't look too different from your ordinary online stock tracker.
Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.

Is Bitcoin een algoritme


maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.
—peasaSle (ptes'ibl), a. onverzoenlijk. —pealed (-plead'). a. onbevred.igd.. onverzoend. —proachable (-prootbart bib a. ongenaakbsar.--propriated (-pro'. prt-ee-tt d), a. Wet toegepast;niet beate md. —proved -P r nee d'), a. ntet goedgekeurd. Unapt (un.ept'), a. —ly, ad. ongeeebikt; nolv. kwaant, (for. •o). —nest, P. ongsacbiktheid; onbekwaamneid, (for to). Unarmed (un-aarmd'), a. ongewapend. Unar reigned (un-er-reend'), a. allot aange• klaard. —ranged (-reendajd'), a. niet geregeld. —rayed (-reed'), a. ongekleed. Unasked ( un-aasktl, a, ongevra3gd. Unas ptring (un-es•parriengi, a. niet eerzuehtig. —scalable (eeel'Ibl), a. onaentastbaar. —sisted (-shield), a. Wet geholpen. —swain/ (ajoe'mdeng), a. Wet aanmatigend. —surcd (-sieern"), a. onverzekerd; onzeker. Unlit barbed (un-et-tetejt'), a. ntet geheeht (to). —tamable (-teen'ibl), a. onbereikbaar. —tainableness (-teen'01-), a. onberelkbaarheid. —tempted (-tem'tid), a. oubeproeld. —tended (-tead'id), a. onveraeld;(to)verwaariootd. —tested (-te.t1d), a. onbetutgd. Um awl horised (un-ao'tbur-azjd), a. onbevoegd. Unavall able (an-e-veel'Ibl), —Jag, a. nutteloos, vergeefach. Unavolda bid (un-e-vojd'ibl), a. —Up, ad. onveraltjlelijk. —blenees, s. onvermijdelljklietd. Una %vane (un-e-wear'), a. (of) ntet lettend op; glen kennts dragend van. —, (-veers'), ad. onverhoeds. Unecaved (un-acwd'), a. onbeschroontd, stoutmurdlg. Un banked (un-bekt'), a. onbereden; niet ondersteund. —balanced (-bel'enst), a. zonder evenwieht; onvereffend. —ballast (-benefit), v. a. den ballast ultscbteten. —baptised (-bep-tajzd')., a. engedoopt, —bar (-belle), v. a. ontgrendeleu, ontaluiten. —bearable (-beeetb1), a. ondregelijk. —bearded (-blerd'Id) a. baardeloos. — beaten ( - biet'n), a. ongeslagen; ongebaand. Unbecoming (un-be-ktun'leng), a. —4, ad. onbetarnelkjk, onvoegzearn • —nets, s. onbetameltjkheld, onvoegzaarabstd. Untie fitting (un-be-tit'tteng), a. ongepaat. —.Mended (-frend'td), a, zonder vrienden. —gotten (-goer.), a. ongeboren. —guile (-gaji'), v. a. nit de dwating halpen. —held (•held'), a. ongezien. —lief (-11er), a. ongelocf, :wantrouwen. —liever (-11e,"er)„ a. onuloavige. —lieving (-11ev'teug), a. ongeloorig. —loved (-luvd'), e. onbemind. Unbend (nn-bend') Cirr.j, v. a. & n. (zteh) ontapannen, Inamaken; utteteken, afslaan. —tag, a. onbutgzaam; ontspannend. Unbe ueetnIng (un-be-stern'leng), a. Zits Un1/teaming. —spoken (-epo-ku), a. onbesproken. —stowed (-stood'), a. niet verleend. —trayed (-treed') a. niet vorraden, gehetm. —trothea (-trootbd'), a. onverloo!d. —wailed (-weeld'), a. onbeweend. —witch (-wits)'), v. a. onttooveren. Unblas (un-baj'es), v. a. vooroordeelen benemen. —led, a. —Red y, ad. (-est.), onbevooroordeeld. Unbid (an-bid'), —den (-bid'eln), a. ongenood ' niet bevoien, Unbind (uu-ba (nd'), Lire.] v. a. outbidden.
pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.
v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.
Sabin a (se-bayne), g. Sabina. —e (seb'in), w. Sabine; i. Sabijn. Sadduc wan (sed-djoe ai-en), a, Sadduceesch.—ee (aed'djoe-ale), r. Sadduce0r. Satanra se-ha're), g. Zahara. Sal f. anon Sarah; Saartje, Saar. Saladin (sere-din), tn. Se.ladijn. Sallabury (eaolzthir.111), g. Salisbury. Saillunt (aellust),m. Sallustius. Sally (sei'lih), f. vnor Sarah; Saartje, Saar. Saionson (ael'um-on), in. Salomon. f. aerie Samuel; Sam. Sam (rein'), Samar, a (se-mee'ri-e), g. Samaria, —tan (-mar , i-ten), r. Samaritaan. Ignmniten Item-nartiez), i. Samuiten. Santo" (sPe'mus), g Samoa. Samoyeds. (sera-oj-isdz'), i, Samojeden. Sanseon (aem'sun), m. Simsou. Samuel (semijoe-11), m. Samuel. Sander (senidur). f. voor Alexander; Sander. Sandwich (send'witsj), g. Sandwich, Santiago (ten-ti-ego). g. Santiago. Sappho iserfo), w. Sallo. Saracen" (ter.e-senz') h. Saracenen. Sarah (we're), w. Sara. Sardinia(aaar-din'i-e), g. Sardinia. —n, a. Sardinischi i. Sardlnier.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken

×