Bij de toewijzing van de strategische reserve laat het Agentschap van de Schuld zich leiden door de volgende criteria: 1) het aankooporder gaat uit van een investeerder die nog niet aanwezig is in het boek van de lead managers en 2) het aankooporder is van hoge kwaliteit en vertegenwoordigt een reële diversificatie of is ingediend door een investeerder die het Agentschap aan zich wil binden. debtagency.be
Aft (aaft), ad. achter. After (aaf'tur), ad. daarna• nadat. here—, later, naderhand. —all, met dat al; ten slotte. § —night, bij avond; in de avonduren.—wards,naderhand. —, prp. na, achter; near, volgene. —, a. nakomend, later. —ages, —times, toekom,t. clap, naklucht. —cost, nakosten. —crop, nRoogst. —game, noodmiddel. —life, latere Ieeftijd. —math, etgroen. —noon, namiddag. —pains, naweeen. —taste, nasmaak. —wit, te last inzien; mosterd ate den maalttjd, —wit is every body's wit, ale het kali' verdronken is, dempt men den .put. Again (e-gee'), ad, weder, op nieuw, w as much —, nog eens zoo veal. — and —, herhaalde malen. —at, prp. tegen; jegens; over —, tegenover; —the grain, tegen den dread. Agape (e-greepl, ad. aangapend. to stand —, met open mond mean luisteren. Agaric (eg'e-rik), s, bladderzwam. Agate (eg'et), a. agaat. § Agave (e-gee'vi), s. amerikaansehe boom-aloe. Agaze (e-geee), v. a. verbazen. Age (eedzj), e. leeftijd, ouderdom; eeuw, of —, meerderjarig. to come to —, mondig worden, old —, oude dag. under —, minderjarig, golden —, gouden eeuw. middle —s, middeleeuwen. —d, a. oud; bejaard. Agen cy (ee'dzjen-sih), s. werking; agentschap. —da (ee-dzjen'de), aanteekenboek. —t, a. we, bend; s. agent; werkend middel. Agglomerat a (eg-glom'ur-eet), v. a. ophoopen; opwinden. (-ee'sjun), s. ophooping. Aggiutinat a (eg-gloe'ti-neat) v. a. samenkijmen; vereenigen. —ion (-nee'sjun), s. aaneenlijming; vereeniging. Aggrandize (eg'gren-dajz), v. a. vergrooten. —vent, n. vergrooting. Aggravat a (eg'gre-veet), v. a. verergeren; verbitteren. —ing, a. verbitterend. — ion (-veettjun), a. verzwaring; verbittering. Aggregat a (eg'gri-get), e. verzameling. —, a. opeengehoopt. (-geet). v. a. samenhoopen, seczamelen; inlijven. —ion (-gee'sjun),.e. verzameling; hoop; aanneming. (-gee-ttv), a. pezamenlijk. Aggress (eg-gros'), v. a. aanvallen. —ion (-ejun), a. annual. —ire, a. aanvallend. —or, s. aanvaller. Aggriev artce (eg-grIev'ens), a. grief; verdriet. —e, v. a. bedroeven; kwellen. Aggroup (eg-groep'), v. a. groepeeren. Aghast (e-gaast') a. ontzet. Ook Agast. Agli a ledzyt1), a. slug, handig. —eness, —ity (e-dzjiVit-t,h), a. vlugheid. Agio (re'dzji-o), s. opgeld, agIo. Agist (ed-zjist"), v. a. weiden. Agita R le (edzr-i-tibl), a. beweegbaar, behandelhaar. —te (-feet), a. a. sehokken, verontrusten; in opechudding brengen; behandelen (een vraagstuk). —tion (-tee'sjen), s. opechudding; gemoedsbeweging; bebandeling. —tor, (-tee-tar), e. beroerder, onrustittaier. Aglet (Wilt), s. nestelbesiag; kolfje aan de stofdraden. Agnail (eg'neel), s. dwangnagel. Agnate (es'neet). a. van vadera zijde verwant
A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,

cryptogeld tarieven


of &saint. —endag,seints'day,holy-dey.—endienst, —memo, —entijd. heroic age, —enyeeSt, iterate —envereering, worship of saints. —enkrans, sure- spirit. —engeelacht, race of heroes. —enmoed, ale; halo. —en, ov, w, to sanctify, to hallow; to heroism. —eoschaar, —enstoet, host (train( jot saint, to canonize; to conetcrate, to keep holy. heroes. —exteelt, offspring of heroes. —enzang, —heid, v. holineeit, sanctity; sacredness. —ing, teroic song. v. cemetificeteon, hallowing; canonization; con- liintleEtr, by. & bw. clear (-1y), bright (-1y); clean secrat,,on. (-19); serene (-ly), lucid; soundly. —denkend,clearliellioiRe, bv. & bee. fatal (ily); nefarious (-Iy), headed, —ziend, clear-sighted. —siendheid, clearflegitione (1y), wicked (.1y). --heid,,p. nefarious. eightednees. —Acid, v. clearness, brightness; nest, flagitieuenees, wickelatoe. cleanness; serenity; lucidity. illeillenneie, by, ealotary, benefielal, seiluiiferous. Illehtlinittg, by. heroic; bw. heroically. —held, —held, v. salutarinloe, benefieialnese, salufifer- v. heroism. outtneee. IlleirdSta, v. heroine. Illeiitreitik, by. bw. secret (1y), private (-Iy), !lei en, ov. w. to conceal, to receive (stolen elaielestrne by etaalth. — held, v. secrecy, geode). er, m. coneett lar,recoleer. privacy. —eeinak, water-closet, privy. v. half; moiety. de prostate —, the better Illeirneele, 0, cricket. half. de — kleiner, leers by half. Heinsweto, o, horne-sickness, noetalgia. het — Iictlolt , v. conceeling,c0mq, alment• hebten, to lir ho!ne-istca. lielleettaterd, v. halberd. —ier, m. hanerdier. — en ere, for and near. Unlit en, on. w. to incline, to hang (to lean) Hefei sit.. ov, w. to enclose, to hedge (to fence) In, over, to slope. —lag, v. inclination; declivity, —8/0oi„ditc;i. —jug, v. encloser., hedge, fence. slope; dock-vast; 111.1r. o. army, host. —baan, high road. —bill , Ham m, v. broom, heath. —Areid, little celandine. battle-axe. —kracht, forces, troopv. --leper, —plant, bloom. —struilt. broom. o i e B6ei r. d, flee.' der .....,haren, the Holm, re. helmet, caeque; caul; still, alembic. Lord of beets. —Re/ow, review., muster, —tocht, tort een ye:Jaren, born with a silver spoon in --vaart, crotch of an army. — roerder, —caret, one's mouth. —bos —veder, plume of a helmet. leader of s n army, --yet, opening in the beever. crest. —spite, tew. hone! Lolls! point of a helmet. —attiltf e, stators. --top, o. grate, baluster, roil, bar, fence, enelos- —stok, whivtaff, tiller. —teeken, crest. —vizier, lore; stern-fraree. de —ken ziin verhungen, the beaver, visor. —et, o. helmet. tables are turned. —balk, wing-transom, —boot, Help ov. Nv„ to help, to aid, to gimlet., to fly-bout. wheelageatoll.—knieen, transom- succor; to avail, to be of use, to boot; to be knee.. bringer-up; last child, —slut, goad (egetnet, for); — aan, to procure for, to stern-timber. --uotrk,etern-fratue;railing.greteng, help to: teat sal het —? what will it avail? trellie-- work. —kenteringer,hare-brained fellow. sit den brand (noodl —, to get out of a scrape. m. hat ch71, !te; !tickle; dislike, aversion. over belt, strap. —er, ro. —zed., porter's shoulderden — hoden, to censure, to criticise, to taunt. —ate, v. helper, assistant. —dieht, sAttte.—diehter, uoi Att. —schrift, satire, Hplsels, by„ heilifh , Infernal; diabolic; mad. lempoor, — fool, srtirical larrgustge , eryte. —e maehten, powers of hell, —e steels, lapis -- land. prickle of hatchel. ',mid, shrew. infernells, lunar caustic. — werkluig, infernal —record, eatirteal word. —zueht, centiorioueneee. machine, torpedo. —oar, in, —.water, v. hatcheier, heckler; ceo- neon, vow. him. surer, ems — achtig, by. & bee eel:to:rue (-1y), liens, tow, hero ! hum! censorioue - - ach,igheid, v. captiousness, ce, o, shirt; thin, smock. — rok, under-waisteorioreene, —en, or. .1. to hatchel, to hackle; cent, Clu.rrneey-shirt. —.board, —skraag, collar to censure, to eiltieite. v. hatchelling, (neck) of a thin. —iknoopoihirt-button. —.moues, hackling; criticieine„ shirt-sleeae. —ealip, skirt of a shirt. —enlinnen, hicks, 7itch; vixen. --endans, dance (vigil) cif shirting. evitches. - enmeester, wizard, —en,proces, trial of 117quel, heaven, :heavens; sky, firmament; witches. —enrcerk, witchery. , en. w. to climate, clime; tester, baidechin; top, roof (ran Prectise sorcery, to use rs iteloceeft; ik ken niet eene Noels). goede good Heavens! den — zti ,1 am net a wizard, dank, Heeven be praised. —beachrOving, Uri110. 0, he. & bee. deer (1y); shrill ( y), sonorous graphy. —bewoner, inhabitant of Heaven, ceI-1y); blazing. —donker, Clare-obscure; wIlight, ieettal. — bode, angel, divine messenger. —bol, Hell, v. hell; condemned hole tin era schip). —hood, —globe,—kloot,eelestial globe. --boot', arch (vault) hell hound, Oerberue. —lebeok, —181,604, impious of heaven, firmament. —dauw, rain. —feweif, wretch, reprobate. --leeije, pains of hell, —le- celestial venit, cape (canopy) of heaven. —gorveeg, etre-devil, vixen. —terorst, prince of hell, del, —etreek, citmate,zere. —beer, Lordot Heaven. Satan. —lewacht, zie —heir, celestial host, host of heaven. —kof, llelnas, tow. alas. paradise. —hoop., ns high as heaven; to the hero. —eneroz, heroic arm, valor, —en- nrx. skies. —kaart, aatronomical map, celestial chart. bisect, noble blood, bleod het'oee. —endaad, —lichaans, celestial body. —licht, celestial light; —enfeit, —eastuk, heroic action, exploit. —ex- luminary. —loop, motion of the stars. —poort, deugd, heroism. --endtebt, eel, poem, epopee. gate of Heaven. —rijk, kingdom of Heaven, .--endichter, epic pact. ---endooa, heroic death, Paradise. —Coal, heavenly language. —ter:lend,
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

Hoe lang duurt het om een ​​Bitcoin mijne


Bastaard, m. bastard, illegitimate child. v. bastardy; barbarism; spuriousnese. B eater al, m. Lis BssKtosard. Its ram.) bastard, mongrel; spurious, blue, counterfeit. -- maken, to disinherit. -nachtegaal, linnet. •-lehrift., secretary-hand, italics -woord„ foreign word. Bastin, be. bark'', husky. liataiJoas, o. battalion. lint :es), on. w. to avail; mists -.to be of no avail. - ip, be. -suite., -slot, surplus, overpius, balance at. credit (in one's favor). en, by. cambric. Elul let, o. cambric, lawn liatach, by. & bw. fierce (-1y), proud (-;y). -had, v. fie! wins., proudness. Batton U. v. battery. Min INV el, on a. Zie Nabauwen. B klIVI can, m. baboon. -anengezieat,baboon's face, ugly ph; t.
Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Hoe werkt Cryptocurrencies afwijken van de traditionele biljetten en munten


delboom. —, v. a. dagteekenen; v. n. (from)rekenen, aanvangen. —r, a. dagteekehaar. Ds- tive (dee'tiv), a. gegeven, benoemd (door de rechtbank). —, a. dativus. Datum (deetuni), Data (deete), s. gegeven, gegevens. Daub (daob'), a. kladstuk, prul. v. a. bemorsen, bcameren; kladsehilderen; bewimpelen; v. n. huichelen. —er, s.kladschilder;. lage vleier. —erv, a. kladdert; kunstgreep. —sag, a. sets klevends; gips, pleisterkalk; kladackilderi). —y, a. kleverig, smerig. Daughter (dao'tur), a. dochter. —in-late, schoon dochter. —ly, a. ale eene dochter. Daunt (daant'), v. a. ontmoedigen, afschrikken. —less, a. onverschrokken, —leanest, a. °riversaagdheid. Dauphin (dao'fln), a. dauphin. Davit (dee'vlt), s. kipstut; doove jut. —guy, ophouder. —rope, vanglijn. Daw (daow), a. kauw, kraal. Dawdle (daoled1), v. n. talmen, benzelen. —r, a. leuteraar, beuzelaar. Dawk (dank), a. kerf; keep. —, v. a. inkeepen, inkervea, Dawn (daon) a. schemering, dageraad. —, v. n. achemeren, gloren, krieken, dagen. Day (dee), a. dag; daglicht. to —, heden. —ly, dagelkiks. from — to —, van dog tot dag. every other —,om den anderen dag. this — sennight, van daag voor acht (lege], to carry the den slag winnen. —s of grace, respijtdagem. lay—s, ligdagen. —bed,ruatbed. —book, dagboek. —break, —spring, het aanbreken van den dag. —coal, bovenste kolenlaag. —dream, droom in wakenden toestand). dagdiertje. —labor, dagwerk. —laborer, daglooner. —light, daglicht. —s-man, scheidsman. —scholar, dagscholier. —school,dagschool. —star, rnorgenster. —time. dagtijd. in the —time, over dag. —work, dagwerk. —'s-work, het werk vita iênen dag. —writ, dagverlof. Daze (-deco), a. zekere blinkende steen. Dag.z1 e (deez1), v. a. verblinden; v. n. verblind zijn, achemeren. —ing, a. —in ly, ad. verblindend. Deacon (die'kn), a. diaken; deken. —ess, a. dia. beams. —ry, ---,hip, a. diakensehap. Dead (dad'), a. dood, levenloos; doodach, stil; as mat; werkeloos; blind (zonder opening). —alive, levered a door-nail, dood ale eon pier. dood. —bargain, apotprijs.—beat, zetter. — block, doodshoofdblok. —barn, doodgeLoren. —calm, doodstilte. —drink, verschaalde drank. —doing, doodelijk, verwoeetend.—door,looze deur.—drunic, atomdronken. —eye. puttingblok. —hearted, versaagd. —killing, onmiddellijk doodend. —lift, hopelooze toestand. —lights, luiken, stormblinden. ledige tiesschen (lijken). —neap, dood geti). —nettle, doovenetel. —pledge, dood pand. —reckoning, gissing omtrent den gang van het schip. —sleep, diepe alaap. —struck, doodelijk ontsteld. —water, kielwater; atilataand water. —wind, tegenwind. —wood, tegenkiel, alemphout. —work, dood deal (deal van het sehip boven water). Dead (ded'), a. (de) looden; doodatilte. in the — of winter (of the night), in bet hirtJe van den win-
Vico (vaja), ad. ter vervanging van; onder-. — Vinci-mated (Yin-di'mi-ell, a. van den wijnoogat. Voor den kiemtoon der volgende samensteilin- Vine:len biro (vin'di-kibl), a. te verdedigen, te gen site het hoofdwoord. —admiral, vice-admielat. rechtvaardigen. —te (-keet). v. a. verdedigen, —agent, plaatsveyvanger. —chancellor, viee.kan- rechtvaardigen; etaende houden; weaken. —ties (-kee'ejun), a. veededlging, rechtvaardiging. —live seller. —corona, vice-consul. —gerent (-dsjl'- rent), a. plaatsvervangemd; s. pleats veryanger. (-kee-ttv), —tory (-ke-tur-rib), a. verded;gend, reehtvaardigend. —tor (• kee-tnr).s. verdediger. —president, ondervoorsitter. —rvy (vajs'roj), on- Vindictive (vin-dik'tiv), a. --ty, ad. writakgtederkontng. —royalty, onde•koningschap. Viet* age (dei - nifUi) , a bnurt,., nabuurschFtp. rig. —ness,s. wreakglerigheid. s, nabijiteid, Vine (vajn't, a. wkinhtok. —branch, w *wank. —at, a. naburig. —tip resser, wijngstardanise. —fretter,. —grub, widnnabunrechap. V lelotin (Carus). a. —ly, ed. verdoryen, slecht, gaardrups. —leaf. wijngaardblad. —prop, wingebrekkig. —xess, 8. verdorvenheid, sleehtheid, gerdstut. —shoot, wijneank. Vines/pot (vin'e•gur), a. ark* —bottle, —cruet, gabrekkigbetd. azijnfleschje. —maker, asijnmaker. V tclssitud a (vi-eis'el-tjoed). s. atwiseeling. —inary (-tjoe'di-ne-ally, a. afwisee- Viocry (varnur•1h), s. broeikas (vow' wijnstoklend. ken). Victim (vik'tim), s. slachtoffir. --ire (-ajz), v. a. 'Vineyard (vin'jurd), s. wijugaard. Vlnonn (vej'nua), a. wijnaehtig opotieren. Victor (vik'tur), a. uverwi. nnanr. •—ions, a. —iousfy, V int age ( vint'icizj), e. wtj nooget. —at pwoh -to'rt-us.), overwinnend, zegeviereud. —y, a. ( yenlesee. —nor I• our), a. wijnkooper; wijnhuialouder. —ry, a, wUnhuis, kelder. overwinning, zege (over). Victual (vit'l), v. a. vary nonlbehoeften yoor- Viny (varnih), a. van den vijnatok; rkjk aan sten. —ler, a. victuslie-nte star; proviaudschip. wijnstokken. (vaj'ul), a. stool. —a pl, mondbehoeften. Villa) at (eictioe•e1), a. wedu we. —ity (-joe'it- Viola bin (ya)'n!-ibl), a. achendbaar. —emus (•ee'ejus), a vioolblauw. —te (-eet), Y. a. echentih), s. weduwschap, weduwlijke staat. Vie (vaj), v. a. wedij veren in, avertreffen; v. u. den; overtreden; verkrachten. —lion (-ee'sjuti), asehendtng; oyertietting; vertirachting. wedij veren (for. in). View (vjoe's, s. gezleht; uitz ∎ cht; voorkow on; be V !oleo, cc (vayul-ens), a. gavel d, herighetd,gesiehti•ing; nnderzoek; insicht, oognserk. at sae —, welddadIghein; annual; verkrachting. —t, a. —tly, met een oogopslag. t. a. sien, beech:Amen, Ad. geweldig, bevlg,gewelddndig, afgedwongen. in oogenschouw nemen; v. n. (at) doelen op. Viol at (vayul et), a, viotetkleueit;, Paard; a. —er, a. besichtlger, beschouwer. —lees, a. oegs- viooltje. —in, n. viool. vioolaPeler. Viper (varpur), a adder. —'s-grass, addergras. 'len; oasichtbitar. Vigil (vid'sj ti), s. aachtwake; ,hat) waken; het- —' a head, elangekop (seedier). --snake, adderligavond; — ance, a. waaksaamheid. —ant, a. slang. —ine (-iu), a. adder-. —ous, a. adderachtig; —antly, ad. waskzaam. venijnig. Virago (yaj-ree'go), a. heldin; manwijf. Vignette (vin-jet'), a. signet. Vigor (vig'ur), a. kracht, eterkte. —otte,a. —ously, V it gin (vuedzjin), a. maagdelijk; sniver; rein, a. maagd. --al, a. maagdelUk. ad. kreebtig, steak. onbeviekt. Vile (vajl'), a. —ity i-dzjIn'it-tih), a. maagdelijkheid; maagdom; ad. baag, gemeen; geeing; verachtelijk, enood. —nese, a. laagheid, gemeea- reinbeid. Virgo (vuego), e. (de) Maagd. held; verachtelijkheid. snoodheid. Vilif Watt°. (01if4-kee"ejun), s. vet lasing, Wield (yield), a. 1 . roen. —lip (vi-eld'it-tih), —ness, beechimping, —ier (vil'i-faj•ur), s. veringar, be- s. groenheid, groan. Whimper. —y (vill-faj), v. a. veriagen. be- V4111 (y1,11), a. mannAjk. —ity (vi-ell'it-tih), a. mannelijkheid, na anbaarheid. sehimpen. s, veraehting, Virtu (sir-toe'), a. smaak, kunstgevoel. ilipendeacy (vil-i-pen'den si VI rtanal (vuetjoe-sir, a. innerlijk vermogend.—ty, veramading. al. door inwonend vermogen. —ity Viii s. dorp, gehueht. Villa (vil'le). a. buitenplaate, villa. inwonend vermogen. Virtu • (vuetjoe). a. deugd; kracht, vermogen, VIE:age dorp. —r, s. dorpeling. werking; yoortraffelijkheid; dapparheid; by (an) Villain (vilqiu), a. lijfeigene; eller deling. Villas. age (vil'iln-Idsj), a. ltjfeigenschap; melt ttek. — of, krachtens. — eiete, a. zonder deugd; krat bteaehtigheld. —oat, a. —only, ad. laag, gemeen, loos. —oco (-o'so), a. virtuoos. —ous, a. —musty, sehurkachtig, snood. —amines*, a. achurkachtig- ad. deugdzaatet; krachtlg, beilzaam. —ounces, a. held, anoodheid. —y, a. laagheld, achurkerij; deugdsaaraheid. V fru Ion en (de)oe-Ier.a), a. amet^tor; kwaadsehuriustreek. aardigheld, ventjnigheid.—t, a. —tly, ad. beametV II I toms (On u%), a. ruw,ruig,xollig, harig. Vlenin al (vim'i-nel), a. teenen vonetbrer2gend; telijk; boosaardig, venijnig. Tan teeuen. —eons (vi-min'i-ns), a. van teenen. Vistas (vsyrus),s. amet.tof, verglt. Visage (vieldsj), s. aangesieht, geiaat. —d, a. gevlochten, teen en. Vinacsous (vi-nee'sjus).a.van den wijnatok;wtin-. met een... aslant. Wheel hit (vin'sibl), a. overwinnelijk. —bitity Vises*. a (via'aur-e), a. pl. ingewanden, —al, a. ingewanda-. —ate (-eat), v, a. ontweiest. (el-birit111), —Nexus, e. overwinnelOtheid.
Veen ble (vo'kibl), a. wooed. —Gulary (-Irelfjoele rib), woordenlij at. - bock. Vocal (vo'kel), a. —ly, ad. met eene item begaafd; rsondeling, in woorden. —ic (-kel'ik), a. ass de klinkers. —jet, a zanger; zangerea. —ity (-kel'it-tih), a. verrnogen der stem, uitspraak. (-ajz), v. a. dcen hooren, tot een geluid /01 d ken. Woe/. Con (so ket'sjun), a. roeping; berosp. —live (vok'•tIv), a. vocatives. Vocifer ate (vo.eif'ur-set), v. n. Behreenwen, bulderen. —ation (-ee'sjun), a. gesehreeuw; gebolder. —cue, a. sehreenwend, bulderand. Vogue (voog), a, zvs ang, trek mode. Voice (voje'), a. stem; gelnid; apraak ; vorm (van teen wtrkweord). —, v. a. stemtnen; verkondi-d (vojat), e. met eene... stem. —lees, a. sprn Void (void'), a. ledig, onbezet; nietig, niet geldIg; (of) outbloot van. —, a. ledige rulmte. —, v. a. ledigen; ruimen; loses; uitschieten; verlaten; roernietigeli; v. n. ledig warden. —able, a. to ledig,n; to vernietlgen. —ance, a. lediging, antruining; lazing; nitatoating; openataande post. —er, a. lediger; tuhruimer; vernietiger; tafelmandje. —nest, e. ledigheid; niatigheid; angeldighet Volatile (vol'e-till, a. vitegend; sing; vluehtig; waft. —mess, —ity a. vinehtigheid; wurtheid: —Italian (-i-zce'ajun;, a. (het) vinehtig rnaken. (-ajz), v. A. vluchtig maken. Wean lc (vol ken'ik), a. valkauisch. —o (-kee'. no), a. vulkaao, vnurspnwande berg. oie (soot), a. elle alagen (in 't kaartspel). Vol cry (val'ur , rih), vlueht. (-I-tee, Olin), a, (het) dadderen, alleges.
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v
The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Kun je dubbele besteden Bitcoins


Sebacions (se-bee'sjust, a, talk-. Secant (ei(kent), a. snijdend. —, a. ani,j11jM. Secede (se-Bird"), v. n. sich terugtrekken, — afechfecien from). — r, a. afeeseheidene. Severn (se-torn';, v. a. atscheiden. — meat, • s. afacheiding; afecheidend naiddel. Seceeelon lee-eeerun), a, afecheiding; scheuring; verwijdering. Seca. de (se-deed'), v. a. afzonderen; uitelutten. — Ilion (-k loe'zjun), s. afzondering; Second (seleund), a. tweede; ander; geringer, u bet audere jaar, — hand, haltevery — year, urn aleten; Mt de tweede band. — rnorning,1Whte rouw. —rate. van den tweeden rang. —sight,
ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.
Unturned (uu-tuned'), a. ongekeerd, ongedraaid. I Unwbipped. Unwhipt (un-wipt ► , a. °agapegeld, ongekasttjd. Untutored (un tjoe'turd), a Met onderwezen. Untwine(na-twai0), Untwist (un-twist'),Y. a. Unwholesome (un-hool'sum), a. ongezond, losdraaien, uitratelen, loseoaken. echadelijk. —news, s. ongezondheld. Unwind fly (nn-wield'11-11h), ad. —y, a. log, Unurged (un-urdzjd"), a onaangedreven. . Unnee d(un-pezd'), a ongebrulkt; ongewend (to). zwaar, moeleljjk te hantetren. —ittess, a. logheld, —ful (-joesitoel), a. onnuttig. zwaarte. Unusual (an-joe'zjoe el), a. —dy, ad. ougewoon. Unwilling (un-will'iengl, a. —ly, ad. ono•lltIC, —nese, s. ongewoonheld, ongeneigd, ongaarne. —nest, a. ongeneigdheid, tegenzin. Unutterable (un-nt'tur-lb1), a. onuitsprekelijk. Unvalued (un-verjoed), a. niet geschat; enge- Unwind (nn-wajnd') [irr.] , v. a. loswinden; v. acht. n. losgaan. Unvanquished (un-v eng'kwiejt), a. onoveravon- Unwinged (nn-wingd'), a ongevleugeld. nett. Unwiped(un-wajpt'), a. slat afgewiecht. Unvar led (un-vee'rid;, a. onveranderd. —nished Unwise (tth-wajz'), a. —ty, ad. onverstandig. (-vaaenlejt), a. ongevernist; onopgesierd. — ying Unwiabed (un-wiajt'), a. ongewenscht (for). (-ri-ieng), a. niet veranderend. Unwither ed (un-witteurd), a. onnerwelkt. Unveil (un-veer), v. a, ontsluieren. —ing, a onverwelkelijk. Unven dible ( an-v ea'di,b1), a. onverkonpbaar. Unwithstood (un-with-stoed"), a. niet weder—erutle (-nr.11)1), a. Met ee: waardig. staan , Unversed (-un- vurst'), a. on hedre , en (in). Unwit neaeed (nn-wIt'nest), a. zonder getuige; Unvexed (un-ekst' ), a. ongekvveld. nooit beheld, niet bijgewoond. —tily, ad. —ty, Unviolated (MI- VAY111-ee- Lid), R. ongesehonden a. ouverstandig, dwaas, geesteloos. —ling, a. —tingly, ad. onwetend. Uwe irtnons (un-vurtioe-ua), a, ondeugdzaam. Unwomanly (un-woe-rnen-lih), a. onvrouwelijk. Unvisittad (un- vit'it-id,, a. onbezocht. Unwonted (un-wunt'id), a. ongewoon (to). —nests, Unvitiated lun-vispi-ee tid), a. onbedorven. Unvote (un-voot'), v, a, bij nienwe stemming te s. ongewoonheid. niet deen. UWAVVOOtti (un- woed'). n. ongezocht, ongevrijd. Unworded (nn-wurd'id), a. Met onder woorden Unvulgar (en-vul'ger), a, niet gemeen. Unwsaited (un-weet!id), a. — on, oabediend; zon- gebracht. der gevnIg. Unworldly (un-wurld'lih), a, onwereldsch. Unworn (un-wonrn , ), a. ongedragen ;onvereleten. Unwnkened (un-week'nd), a. ongewekt. Unworshipped (un-wur'shipi), a. onaangebeUnwal/ed (un- waold'), a onbemunrd. den. U. Wrir Ily (un-wee'ril•lth). ad. Zie 'Unwary —hies,' (-ri-ness), .s. oroehoedzaamheid. —like Unworrtb fly (un•wurth'il-lih), ad. —y, a. onwaard,g (of). —inset (-i-ness), a. onwaardtgheid. (-waor'13jk), a. onkr(jgehattig. --Ined (-w aurnad'), a. ongewarmd; ongeroerd, —ned(-waornd'), a. on Unwound (un-waaund"), a. los-, at-, ongewongewaarsehuwd. den. Unweerant able (un-wor'rent-ibl), a. —ably, Unwounded (un-woend'id),a, orgewond. ad . onverantwocrdelijk, niet te reehtvaardigen. Unwoven (un-wo'vn), a. ongeweven. — (Menem a. onverantw 001r ; elijkheid, —ed, a. niet Unwrap (un-lep'1, v. a. loswinden.ontvonwen. Unwreathe (un-rietih'), v. a. losdraaien. —d, a. gerechtvaardIgd; ongewaarborgd. ongevlochten. Unwary,un-wee'rih). a cnbeheedzaam. Unwring(un-ring') [im], v. a. loswringen. Unwashed (un- wosjt'), a. ongewa.sechen. Unveset ed (un- weest'id), a. onverspild; onver- Unwrinkle (un-ri ►.'lg'kl),v. a. ontrimpelen. —d, a. ontrimpeld; ongerimpeld. teerd. —leg, a. islet vespillend; niet verminde- Unwritten (un-rit'tn), a. ongeschreven. rend. Unwrought (un-raot'), a. onbewerkt. Unwat rbed (un-wotait'), a. onbewaakt. Utrawatered (un-•aot'avd), a. niet, hegoten. Unwrung (un-rung'), a. onverwrongen; onoUnvveakene d (on- vriek'nd), a oraverzwakt. kneld. Unyleld ed (un-jield'id), a. niet opgegeven; niet Unweaithy (en-weith'ih), a onbemiddeld. ingewilligd. —ing, a. ontoegevend; onverzetteUnweaned lun-wiend'1, R. ongeopeend. Unwer, led (en-wier'id), a. —tedly, ad. onvsrr- lhjk; niet winstgevend. —ingness, s. ontoegevendmoeld. —ierineas, n. onvermocidbeid. —y, a. on- held. if ennoeid. —y, v. a. Yerkwikken (d.00r rust). —ying Unyoke (un-jook% v. a. afspannen; van het juk bevrijden. —d, a. ultgeopannen; onbedwongen; (-1-ieng), a. niet vermoeiend. Unweave (un-wiev") Dm], v. a. losreaken, ultra- toomeloos. Unzonsed (un- zoond'): a. ongegord. felen. Up (up) ad. & prp. op; boven; hoog; in opatand; Unwedded (un-wed'didl, a ongehuwd. gehindigd. — to, tot aan; volgens; nerekend voor; Unweeded (un-wied'idl„ a ongew led. Unweigh ed (un-weed'), a. ongewogen; onover- op de hoogte van. - with, opgewassen tegen. to come — with, inhat en. wogen. —ing (-weeleng), a. onbezonnen. UMIWeleame (un-werkum), a. onwelkom. —d, a. Upbear (up-beer') [lrr.1, v. a. schragen; opheffen. Upbraid (up-breed'), v. a. verwijten. betispen onverwelkorsad. (for. with). -ir, s. verwijter, •berisper. —beg, a. Unwell (un- well'), a. Met wel, ongesteld, verwijt, berisping. —iney, ad. verwi,jtend. Unwept (nn-wept'), a. osabeweend.

—per, a. atstrooper; beroover. f —pingt (-piengz), pl. 'estate melt. to ver drijven; v. n. zich uitrekken; —uitstrek- !MTh* a (strajv') [strove striven (striv'nq, v. D. streven, trachten• (at); twisttn, strijden (for); ken; — inspannen; smoeven; prangen. —er, a. wedijveren. —er, s. strever, twister. —ingly, ad, spanner, rekker; voetblok, apoorstok; strekbank; am strijd. draagbaar. Strew (stroe, stro), v. a. strooien; bestrooien; Strobile (strob11), a. pijnappel. Stroke' (stro-kel), a. blaaspiip• bedekken. Stri ae (straj'i), a. pl. Kroefjes (op achelpen). Stroke (strook'(, a. slag, stout, houw; trek; streak; streep; aanval; kracht; werking. finishing —ate (-et; —aced (-ee-tid), a. gegroefd, geribd. laatste hand; genadeslag. voorroelStricken (etrik'n), 4 a. (by) smoorlijk verliefd op. er. —, v. a. streelen, eaten; melken. —r, s. — in years, bejaard. strijker; streeler. Strickle (strikikl), a. etrijkhout. Strict (strikt'), rt. —ly, ad. nauw; steak, geopan- Stroll Istrooll'), s. rondslentering; uitstapje. v. n. rondawerven; rondslentercn. —er, a. swaynen; nanwkeurig, atipt; etreng. —neon, a. nauw ver, landlooper; rondreizend tooneelspeler. keurigheid, stiptheid; strengheid. —are (-goer), (strong), a. —ly, ad. sterk; krachtig; f4.. trek, stag; samentrekking; kritische aanmer- Strong msthtig; zwaar; gewiehtig; hey ig. —haeked,breedking; zinspeiing; vonkje, hamerslag. geschouderd. —bodied, forsch. —box,tteren geldStride (strajd), a. groote stop. kist. —fisted, met sterke vuieten. —hand, gezag„ Strid e (strsjd') [strode, strid, stridden, surd], macht, sterke atm. —handed, sterk bemand. a. a. overschrij 'en; v. a. met groote steppen —hold, sterkte, vesting. —minded, met een' krachvaan; wijdbeens etaan. —istg/e, ad. schrijlings• tigen geest. —scented, sterkriekend. —set, gezet, Strid ass- (strai'dor), o. ethril gelvid. —water, sterke drank. stevig. a. ochril, knetterend. (stridejoe-lus), Strife (strain, s. twist, stri)di evedstrijd; tegen- Strop (strop), s. aanzetriem; strop.—, v. a. sari. v. a. spannen, ultrekken; uitstrekken, uttspreiden. (forth. out); inspannen; overspanuen,
OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


- 433 belly, paunch-belly, gorbellied person. —bastig, —kuidig, —vellig, thick-skinned, thick coated. thick-shelled. —bek, chub•faced person. —bekkly, —koonig,—wangig, eh ub.cheaked,ohn b-fac ed. —bladerig, thick-leave& —bloedig,thick-blooded.—kop„ jolt-head , numskull , thick-skull, blockhead. —koppig, thick-headed, thick-skulled, chubby. —lijvig, thick-bodied, thick-set, corpulent. —lippig, blubber-lipped. —nekkig , thick-necked . —neuzig, thick-nosed. —acidly, be. rather thick. —Arid. v. thickness; deepness. —ken, or. & on. w. to thicken; to grow thick; to curdle, to clot, —herd, m. fat (plump) fellow, —te, v. thickness, bigness. Dikniaals, Dlkwerl, bw. often, often times, frequently. Dille, v. dill. 'thing, o. thing. MUnheer. -.11, Mr. Thingum. Ding on, on. w. to bargain, to cheapen; to aspire (tot, to strive (for). —er, m. —stir, v. bargainer; st river. Diostaal, v. solid arguments. by spreekt —, he speaks to the purpose. Diusdag, m. Tuesday. Diplom a, o. diploma. —aat, m. diplomatist. Dircant, in. descant, treble. Mach, .n. table. —yenoot, fellow-boarder, messmate; guest, Discosee seven, or. w. to discount. —o, o. discount. Diesel, m. thin, beam; adze, aldice. —b000r,thill, beam. —paard, thill-horse, wheeler. Distal, m. thistle. —bloom, thistle-flower. —rink, thistle-finch. —ig,by chietly. Distill ateur, m. distiller. —mile, v. distillation. —germ ov. w. to distill. —eerglas, —kolf, retort, still. Dit, yaw. Ohio. DU°, bw. dtto. Dobbs', tn. game at dice. een pities — hebben, to hove a lucky throw at dice. —biker, —hares, —hroes, dice-box. —epel, dice-playing; gams at dice. —steen, die; square; cube. —ziek, given to dicing (gambling). —suet, fondness of dicing (gambling). —aar, dice-player, gambler. —mil., v. dicing, dice-playing, gambling. —en, on. w. to play at dice, to gamble; tepee twaal f ooges —, to play a desperate game, to be in a hopeiesa state. Dubber, m. float, quill, cork; small boat; buoy; bunch of bulrushes. —on, on. w. to float; to fluctuate, to waver. —ing, v. fluctuation. Duch, vw. but, yet, however. Doehter, v. daughter; girl. jonge —, girl. trodden. spinste.i. —skied, grauct - child.—aman, son in-law, Doctor, m. doctor. — in de letteren. doctor of letters. —eat, o. doctorate, doctorahip. —eerie, on. w. to be admitted a doctor. Dodderig, be. drowsy. —held, v. drowsiness. Dodo!, o. foul egg. Dodoor, m, & v. humdrum, drone. Doedninak, tn. bag-pipe. —speler, bag-piper. Dock. in. eloat, towel; swaddling-band; shawl. —, o. cloth, linen, cane ase. —maker, cloth-maker. —veld, brooch. —acheerder, cloth-shesdier. -en, ay. w. to cozeu, to take in, to impose upon; to

Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.


On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Zal Bitcoin maken een comeback


—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.

Hoeveel Bitcoins worden ontgonnen per dag


193 MUT.--NAT. Myself (maj-self), pr. zelf, ik zelf,mij, mijzelveu. alleen. y Mystagogue(miaste-gog),.. uitlegger vtn verborgenheden; reliquien-bewaarder. Mysterious (axis tPri-ue). —ly, ad. geheimzinnig, verborgen. —nets, s. verborgenheid. Mystery (minis-rih), a. gebeim, verborgenheid; handwerk; mysterie (tooneelatuk). !flystic (mitetik), —al, a. —ally, ad. geheinazinnig, verborgen, duister, zinnebeeldig. —alness, a. geheimzinnigheid. •ti-sism), a. leer der myatieken; dweperij, geastdrkivend. Mystif bastion s. geheimzinnigmaking; misleiding. —y mieti-faj), v. a. in geheimzinnigheid holies; miajletden, bedotten. Myth (mith'; , , a. mythe, verdichtael, —ic, —ical, a. fabelachtig, verdicht. —ographer (mi-tkog'refur,, a. fabelsclutver. —ological (-o-lod'zjikl), a. mythologisch; van de fabe-Ileer. Mytholog 1st (mt-tholtud-zjiet), a. fabeikundige. —ire sjz), v. n. de fabelleer verkiaren. —y, s. mythologic, label-, godenleer.

cryptogeld libra prijs

×