spraak. —ful, a. twistziek; strijdig. Stefan., (airaj-goos'), a. borstelig. Strike (tstrailt), s. strilkhout; schepel; staking vas work, sameneparming van werklieden. Sink a (strait")) [struck], v. a. siaan; strijken; afstrijken; treffen; stooten; verbazen; neerlaten; bewerken; mantes; sluiten (eta' koop). —battle slag leveren. —dumb, does verstommen. — root, wortel schieten. —work, het werk stakes. — up one 'a heels, iernand den voet lichten, fdown) nedervel len; ned eriaten. (off; erste.; losdrukken; afsehaffen; wegstrijken; uitwisschen; toeslaan in veiling). (out) nitslean; ultwisechen, doorhales; ontwerpen; sun 't lieht brengen. (up) sluiten (rein' koop); rcerrn (de tram); aanbeften, °mein, —e, v, n slays; stooten; he viag atrijken; straits; schieten; het week stakes. — to the heart, ter harte gaan, (against) aandruischen tegen. (at) clean scar; aenteeten; ondernernen. (in into) hinuenetormen; nitloope.n op; in do rede vallen. (in with; he partij kiezen van; bet eene zijn met. (on) werken op. (out) uitslaan; Aidwa!en, swerves. (up) operelen. (upon) stooten op; aangrtipen; aantreffen. —cc, s. etrijker; stooter; treffer. —in y, a. —ingly, ad. treffend; verressend. —ingness, a. (bet) treffende, ve.rressende. seising )string'), s. band, koord, saner; Nee ; vezel; sneer; reeks. —beard, trarwang. —halt, hanes ► at. —instrument, enaarspeeltuig. Siring (string') [strung v. a. besnarent ass spannen; stemmm versteI ken. —ent (strtn'dzjent), a. sementrekkend; krachtic, naerukketijk. y, vezeligheid. —y, a. ver,elig• Strip (strip), a. strookje, reepje. —, v. a. afscroopen; athalen; ontblooten; uitkleedent plunderer; (of) berooven, ontdoen van. (off) nittrekken. Stripe (etrajp'), a. streep; strook; slag; striern. — v. a. strepen; striemen. —cl, a. gestreept. Strip ling (strip'lieng), s. opgeschoten bossy

voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.

vaamhout. —, v. a. aan hempen (stapels) zetten; standdeelen; meeldraden. (up) opetapelen. Stammer (stem'mur), v. n. stamelen. —er, stamelaer. —ing, a. gestamel. —ing, a. —ingty, ad stamelenl. scheft, hecht; spert; (Nig; knots; strophe; notes- Stomp (teeny'), s. etempel, mere; eegel; ofdruk, balk; steno. —officer, stafaticier. —snake, etch- plant, prent; snort, slag; gezag stamp (met den slang. —tree, rijowitg. —wood. dulghout. voet). —colter, etempelsutider. —duty, zegetrecht. v. a. etampen; etempeStore (stee), s. herb. —beetle, vliegend herb.. — snit, —office, zegelkantoor. mondklem (bij peerdee). —'s-lorn-tr,:e,itert.ho- len, zegelen; ijken; munten; v. D. stampen.—er, renbochn. a. stamper; sternnelaar. zegelaar. Stage (steedzr)„ s. Etellege; tooneel,sehouwplitats; Stanch (staanten, a. hecht, sleek, goat; vast; pleisterplaitts, station; greed. —box, echouwburge. standvastig; opreeht. —, v. a. stelpen; stremmen; loge. —coach, postkoetn, thlieenee. —driver, pus. v. n. stilstean, ophouden. —er, stepper. —less, tiljon. —pigeon, postduif. —play, tooneelspel, a. niet to otelpen. —nos, s. hechttreid, etevie-player, tooneeispeler. held; vastheid. riter,tooneelecb riper. —r, s. tooneelapeler; nude von. Stanchion (sten'ejun), s. abut, echo°, Staggord (steg'gnrd),s. vierjarig hert. Stand (stencil, a. stand, plante, etandplaate: post; Stagger (steg'kur), v. a. & r. (darn) waggelen, staking, atiletand; keerpust; tegenstand; stele wankelen, aarzelen; don ontstellen; twifelen. laadje; etandaard, tort; veriegenheid. to be at a —iog)y, ad. —, geen rand mere weten. to make a —, vtilhou. —er,s• weggeleert weirPL.r. den- tegenstnnd bieden. to put to a —, in ter. wagg.ler.d; aarzelend. --s (-gure.),p1. duizeligheid legenhetd bronzes. (bij naarden). Stagna tatty (ateg'nen-silt), Et. etileteed. —at, ' Stand (stend) [stood (stood)], v. R. ultntaan; nitone's ground, staudhouden. •. te, atilsttand, stil. —te (-neet), v. n. etiletaan. —lion houden. vaetstaan; blijven sta.; tatandhou. 1-nee'sjun), a. stilstend; staking. sta.; Staid (steed.), a. heradigd, etemmig. —Ness, s. den; annhouden; bltiven; rich beviuden, liggen; bersdledheid, stemmiebeid. ! geldig zijn; koere zetten. — fair for, aenepraak Stain csisen'), R. vlek; echandvlek; schande. (iftzteht( hebben op. — good, geidig zijs. — v. a. vlekkee, beeoedelen; boot kleuren, drukkert. awe, vreezen, eerhiedigen. — in need of, noodig —er„ s. bevlekker; bontkleurder. —less, a. hebben. — on points, relfstennig rijn. (against) loos, onbesmet. ! weerstenn, rich verzetten tegen. (aside) op Ode Stair (steer'), a. trap, tre , le. —carpet, trapkleed. gnat, (between) ale tuaschenpernoon —case, trap. —rod, eon is van een trapkleed. —a, (betwixt) in den weg eta., hinderen. (be) tilt den tel. trap; a pair of —, eere trap; one pair of —' weg gran; bijstaan, ondersteunen; rich verlaten high, op de eerste verdiepteg; down —, beneden; op; tegenwoordig zijn. for) de plaate bekleeden van; beteekenen; ocean near; verdedigen. (forth) S !I b (s' ten eetitn), s. kolensteiger. op den voorgrond treden; rich verteonen. (in) Stake (steak), o. stank, peal; inzet; to Buten konien op; bentaan in. (in for knees klein aanheetd. to be i lie) at —, op het spel i3outa. zetten soar; binnenloopen. (off) beregtrrden, op to lay at —, op bet spat zetten. —, een' ofetand bliiven; weigertn; nitkomen. (out) paten voorrien; afpalen (out); zetten. inzetten, uitsteken; standhonden; wederstand bieden. (to) op het epel zetten. volherden in; gestand does; rich enderwerpeu Steleet is iate.lek'llk), --lent, a. aruipsteenact, non. (up) onetime, etch optiChten. (up for) Tertig. —its (-test), s. druipsteen. dedigen, oecletesteunen. (up to) opge.wassen Stalagmite s, wrateteen. Cage]• (Upon) berueten op: aandringen op; trotsch *fielder (ataol'dur), s. stelling (sour eon vat). rijn op. (with; hestaanbear On met. strooken Stele (steel'), s. —by, ad. slid, vereederd; ver- met; twisten met. —crop, wore:1.111d, —stilt, echaald; krachteloos. —mate, pat (in 't echaak- etilstand, runt. Opel). Miran.; long handvatsel; apart; rut, Standard (erend'urd), a. standeard; bonier; meatbier, paardepia: hoer. —, v. n. pissen. —news, s. net', grondalag, riehtenoer; allool, keur; atm. oudbeid; verschaaldheid. —beater, etandearddrager. Stalk (staok'), o etreget; schacht (eener pen); Stand er (stend'ur), o. /denuder; nude boomatam; deftige tree, —, v. e„ eet -tIg steppes; prone toesehouwer; —up. a . parlijkieser. nteppen deer,; elulpen. —er, a. stepper; echakel- a. staande; bestendig, duurzeam, vast. —ing, a.
of arms. —kogel, musket-bail. —Cu)!, butt-end. —lade, gun-stock. —loop, gun-barrel. —maker, pun-smith, armorer. —rek, musket-rack. —riem, gun•sling. —sehot, musket-shot. — slot, k. (A ewel, Gewelde, o. entrails, bowels, pluck, umblee; horns. (leweld, on violence; force, might; bustle, role, met ails abrolute!y. aandoen, to do violence to; to ravish, to vlolaie. —dadig, by. & bw. violent ( - 4). —dadigheid, v. violence. —enaar, m. tyrant, usurper, oppressor. —.nail, v. tyranny, brutality, oppression. —ig, by. & bw. violent (-ly), forcible (-bly), vehement (-)y); powerful, mighty; very, exceedingly , —.iger, m. provost. —igerhand, bw. by open force, forcibly. G ew el f, o. vault, arch. — d, y. vaulted, arcked. Geweanell, os crawling, swarming; crowd. Gewenk, cs, beckoning, nodding. liewenn en, ov. w. to accustom (to). —lay, v. accustoming. Gewenscbt, by. wished for, desirable. G swerve !id, by. vertebrate, v ertebrated. Gewrat, o. country, province; region, quarter, climate. —00, by. provincial. Geweten, o. conscience. reins —, lawyer's conscience. —sanest, anguish of conscience. —sbe• zwaar, scruple (doubt, qualm) of conscience. —sdwong, v iolence done to conscience, constraint upon conscience. — sereag,question of conscience, home-question. —serilhetd, liberty of eonvcience. —swroeging, sting of conscience. —szaak, matter of conscience. —loos, by. & bw. unconscionable (•biy), unscrupulous ( - Iy). —loosheid, v. uncoilecionableness, unacrupuiousneus. Gewettlgd, by. legitimate, lawful. Geweven, by. woven. Gewszen, by. former, old, late, ex-. Gswlcht, o. weight; importance, it oment; horns. het — Met kitten, to fall short of weight, to be defecient in weight. goed tret.—ig,by.weleht y, ponderous; important, momentous. —igheid, weight, imeortance. Gentlekt, by. winged, wins'', pinioned. GewUd. by. consecrated, holy. G eveUts de, o. gentence. GewIld, by. desired- in demand. Gewilllg, by. & hw. willing (Ay). — held, v. willingness. ouchtig, greedy Gewlas, o. gain, profit. sick, of gain, covetous. —rocker, gain hunter. —ceche, govetousness. —nen, ov. w. to gain, to get; to engender, to beget. Gewls, by. & bw. sure ( - 1y), certain (ly). —had, v, certainty. —eelijk, bw. xis (lewis. Gewlsnel, o. changing, exchanging. G eveneker, o. law y. Gowns', o. bustle, stir; crowd. Gewald, by. woolly, covered with wool. Gewolkt, by. clouded, cloudy; watered. Gewonnen, by. won, gained; got, begotten. let — geven, to give it v p, to yield, to give up the point. Lie Gironnon. Gewoon, by. usual, habitual, accustomed, customary, wonted, common. zijn, to be &CCUtoned (to)... to be in the habit of. — warden, to glow famil ar (with). —had, v. usualness, ells-
(-1'ne), w. Chrisg. Christiania. tina. —opher, (-uf-ttr), re. Chrtstophorue, toffel. Chrysostom. —ostom (-us-turn), Chrys (kria , ), P. noon m. Chryeostomus. Cicero (sts'e-ro), m. Cicero. a. Clasabri (airebri), Cinnbren, Kimbren. Clmbriseb, Kimbrisch. Cincinnati (sin-ein-nail), g. Cincinnati. Circassta (eur-kespl-e), g. Circassie. —n, a.. Ctrenseiscb; 1. Circassler. f voor Cechy. Cis Clara (klee're), w. Clara. Clarence (kleeens), g. Clarence. Clarendon (kleeen-dale,), g. Clarendon. Claudius (klao'di-us), m. Claudius. Clem (klem"). f. voor Clement. —eat, in. Clemens. Cleopatra (kii-o-pee'tre), w. Cleopatra. CiaVer (kltevz), g. Kleet. Clio (klaj'o), my. Otto. Clive (klajv), m. Clive. Clyde (tlajd), g. the —, de Clyde. Cozhrane (kok'ren), in. Cochrane. Coeytus (ko-eartusi, my. Coeytus. Coleridde (kool'ridtj), ns. Coleridge. Cologne lko-loon'), g. Kenien. Cott (kon'), —ny, f. voor Constance. —rad (-red), m. Koenraad. Constan cis (kou'etens), w. Constance; g. Constants. —tina (tt'ne), g. Constantine. —tine ), m. Koustantljn. —tinople (41-no'pl), g. Cons' antinopel. Copenhagen ilco•pn-haegn), R. Kopenhagen. Cordilleras Ikur-dit'le-res, kor-diel jee'-res), g. the --. de Corlitilk.rae. Corinth (koeinth), g. Korinthe. —ian (ko-rinth'ien), Korintiseh; 1. Korinther. Cornell a (kur-nrii e), w. Cornelia. —us, in. Cornelius, Cornelis. Corsica (kor's1..ke), g. Conic*. —a, a. Corsicaanaali)1. Corstcaan. Courtray (koer-tree'), R. Kortrijk. Coatis (koeta), m. Coats. Cowes (keen), g. Cowes. Cowper (kan'eur), m. Cowper. Cracow (kras'ko), g. Krakau. Crecy (kree'slb), g. Crecy. Crate (Wet), p. Crete. Crimea (;trim-re), g. the —, de Krim. Crispin (kriepinl, m. Krispijn. Croat (kro'et),i. tamest. —ia (-ee'aji-e), g. Croatia. Crouse (kroe'iso), m. Gruen.. Culloden (kul-lo'dn), g. Culloden. Cupid (kjos'pid), my. Cupido. Corsica° (koe-re-seop, g. Curacao. Cybele (aib'il-i), my. Cybele. Cyclades (stkle-dice), g. the —, de Cycladen. Cyclops(sarklopal, my. Cyclopen. Cyprian (sin'rt en). m. Cypriaan. CypTus. Cyprus (saj'prus), Cyrus (sarrus), m. Cyrus.
slakkenkl ►ver. —flower. slakkenbloem. —leech, Snow (sus'), 8. sneeuw; snauw (schip). —ball, bloackuiger. —paced., langraam. —,hell,elakken- sneetrwbal.—bird,--buntimsneeuvavogel.—blind, Pn ecus, blind. —br oth, gesmolten sneeuw. huts. —titcne,slakkensteen.—waterolokkenwater. 8D8C11WiReht; hoop mneenw. —drop, sneeuwklokte. —like. a. stakachttg; langzaam —finch aneeuwvink. —flake, :meetly v log. —shoe, Snake (sneek'), r,. slang. hooded —, brilsiang. sneenwschoen. —slip, sneeawstorting, )swine. —lines, degenvi,h. —gourd, slangvisch. -- ; fish. —white, smelt wwit. — ,a. n. sneeuwen. —y, a. bepl. sch.erlijnen —root. siangentvortcl. --stone, anurebuwist usbn,)e,eurkinto; erseti.n. slangonstton. a,umon'horen. —weed, slargen- sn --nosed, stompneuzig. kruid. —wood, slangoahout. —, v. a. doorhaion, bekijven; aficnotten; weerhononlzelend. Snaky (snee'ltih), a ,31Faut4ehtig., den. Situp (rnep'), s. )coup,, lcnip, krrk; hap, beet; a. snuif; snuifsel. to take —. snuiven. vara,t; rOootje. —dragon, leeuwenbek, kalrgmnit Snuff (snuff'), to lake — at Iin —), kwalijk nemen.--box,souifv. a. (bloom); seeker re pal. —scuk, kuapzak. door. —taker, snuirer. —, V. a. opsnuiven ,up); gna,,,, varigen; happy.; broken; toegr,uwen; , ; v.eknizvurtivoern; (at ) zich ergeriruenikoenvec sndletintennecitosuotptr br. eklinean p. wegkopen. p(,01 () ,taefibo‘). va. tn ; .(aptevazi)gz'e a. —pishly, Silts litre (8nurfurz), s. pl. snuiter. a pair of —,een breken, beroten; happen at). aflutter. —dish, —pan, —tray. snniterbakje. ad. gon, elijk, bite. —isicnec8, s. gemelijkheid, Snuffle (anurfl), v. a. door den neus spreken. —8 bitsbeid. isnurlie). pi neurperstopping. v. a. verstrikken. Snare (sneer). a. strik. (snaarl'), a. vervikkeling; twist. —, v. a. Snuffy (snurfth),, a. net Knutf (annitael)bemorst; lie btgeritakt. vervrikkelea, verwarren; v. n. grornmen, boorSnug (snag'), a. —ly, ad. ingemoffeld, ingedoken, ran. —er, a. knnrrepot. theist ineen; verscholen; lief, aardig; rustig; goSunry (si,oe'rih) a. verstrikkend. inakkelijk. v. n. Zie, to Snuggle. —nese, a. Smite!' (snetsj') a. rub; hap; brokstut; ocgwenk. diehthetd; gemakkelijkheid; rustigheid; terugge(up) —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen; trokkeRheid. oprr.pen; v. n. grill)... happen fat), —.gill, ad. Snuggle (snug'g1), V. n. dicht bijcen (warm) ligtivricheaponzen sciti elij;T; met rukken; gen.. Snook istlier), s, rsluiper, kruiper. —, v. in. slut- pen, kraipen. —er, a. keuiper; baker. —ing , a. So (so), Rd. 7.00, dun, zondanig„ zulk; nu, weinu. —, cal,* duo., daarom; derhalve; mute. a. —ingnese., —ingly, ad. kruipend; ;Rag; vrekkig. Sock (cook'), v. a. 8t n. weeken, siurpen; inzweltruiperij. laoglicid; vrelckZgheid. gee; zuipen. —er, a. weaker; striper. —iny, a. doorS,tettp (sniep), a. beris ping, uttbrander. --, v. a. uringend; (1 , ,dringen: bekijven, doo•halon. blik. —, v. n. Soup (coop'). a. seep. —apple —berry, zeepappel, Su,er (mire'), s hooner.18 loch, --soot. —ashes, pl. zee•asch. —berry-tree, seep. spotachtig ]lichen, grijnzen; (at) den netts on boor' —boiler, zeepzieder. —dish, zeephakje. hales 'nor; hespotten. —er, a. rpltter. —ingly, —earth, voldermearde. —hause, zeopziederij. —lees, ad. spot-teed, schampor. pl. (het) helderste van de zeepziedersloog. —rock, a. niszing; —wort, niesktutd. Sssecz a —stone. speksteen. —soda, pl. zeepsop. —tray, —e. v. n. "Awn. —ing , a. gonlee; —powler,nies- zeepbak. —weed, —icort, zeepkruid. —works, pl. ponder. zeepntederij. --, v. a. reopen, inzeepen. —y, a. Suet (snot), s. vet (van wildbraad). p a Itoirgi z oaer —in ohned, o e e_d ee,r .r pf; d,zerit S41 8 b(.17,1 S. hooge vlueht.--, v. n. hoog vliegen, opstijgen; zich •erheffen, vitistje lache s, Sul ff (snit')!, v. n. rsnuvert, snuffelen; (at. on) be- Sob (sob), a. snik. —, v. n, gnikken. Sober (so'bur), a. —ly, ad. sober, matlg; nuchter; snuffolen. verstandig: hedaard„ erustig; sedig; ingetogen. Snigger ,sailegur), v. n. Zie to Ststekter. —minded, kcslm, bezadigd. —, v. a. ontmuchteren; Sntgpto (snig'g1), v. n. poeren, peuren. inatiren, a. matigheid; nuchterheid, beSnip isnlp') a. knip, anode; s,(irportjo, broke; daarciheid; ingetogenhe1d.. aandeel. —, v. a. knippeu; (up) openkntppen. Sobriety (so- bra)'e-tih), 8. Zie Sobernean. Snipe (gnftjp), e. snip; damoor. —pet Sec (gok'), 8. re,htagehied; vrtjdom van leendienst. Snip per (anip i par), a. knipper: nitanijder. —age, a. ploeg-, boorenleen. —alter, s. —man, be(-pit), a. stukje, aneedje. —pings (-piengz), pl. titter van een hoerenleen. afkrapsel. —snap i noel)), a. woordenwisaoliug. Social bie —bly, ad. gezeilig; vergetribbel. eenighaar. —ler —bility snot. —, v. n. anotteren. 8, —61 eness, 8. ge. Snivel (sniv1), gezeischapswagen. (-tar), a. rnotterasr, janIcer. Soria! (so'sjel), a. —ly, ad. maatschappelijk; geSnot, (snob), a. pluert; sehoenmakersknecht. zellig. —ism, s. socialism's. —ist, s. socialist. Snoti re (snoet), a. 314apie, datje. v.n.snor- —ity tih), —nese, a. gezelligheld. Snore (rnolr') s. gRanork, geronk. Society Ito sare-tih), s. maatsohappij; vereenlken.. ronkon. —r, a. another, rocker. gingaenootschap; gezelachap. Snort (anon'), v. n. snui,en. —er, G. anuiver. Sock issolt'), a. sok; ploegschaar; bilispel. —et (-it), Snot (snot') s. snot. —ly, R. snotterig. a. holte, kas, pijp. Snout (enttut'). a. souls; tuft. —ed, a. net sea' a. anuitschtig. Socle (sokl, hold), a. onderatel, voetettAt. Sli nit (eel, to it, neat' mna,,,l);
tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.
Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-
523 Lot, tn. praise, commendation. tot — vats, in praise of. God —, thank God. — &mein, —trotspet, trumpet of praise. —dieht, —redo, panegyric. eulogy. —dichter,—redenaar, panegyrist. —gterig, greedy of praise, ambitious. —gieripheid, love of praise, ambition. —Aunkeren, to be greedy of praise. —lied, —tang, hymn, anthem, offertory; panegyric. —emaies,centicie,bymn —epraak, prate. --bitten, to praise, to sound forth the praise of. —hater, flattering prairoar, panegyrist. —tuiter(i, flattering, glosing. —tutting, flattery, praise. —waardip, by. & bw. praise-worthy (-21y), laudable (-Illy). — waardigheid, praise-worthiness, leuda Witty. Lao lijk, by. & bw. praise-worthy ( -11)0,1 ;rude ble ( . —held, v. praise- worth'ness, laudablenese. Log, be. & bw. heavy (-11y) slow (-1y), doll (-y); unwieldy. —gat, bad seller. Log, V. log, —book, log-book. —paten, limberholes. —glas, log-glsee. —lijn, log-line. —plankje, log-plank. —rot, log•wheel. —tafel, log-board. Logarithms., v. logarithm. Logo,r. box; lodge. Logeereo, on. w. Olive, to lodge. Leegesnent, o. hotel, inn. —header, hotel-keeper, inn-keeper. Logen, v. Lie Leugesa. —straffen, to give the lie to, to belle. Loggen ,ov. w. to heave the log. Logger. m. lugger. —seil, lug-sail. Logbeld, v, heaviness, slowness, dullness; unwieldinees. Lsaglea, o. dwelling, lodging. Ledge!), be. logical, discriminating. Lok. v. lock, tress, curl. Lok ken, ov. w. to bait, to decay, to allure; to attract; to entice, to inveigle. —aae, — .144 bait,• decoy. —risen, to bait, to decoy. —brood, bait, paste used as 11, belt..—dust, decoy-pigeon. bird-call, cat-cell. —eend, decoy•duck. —geld, —gift. bribe. —mere, decoy-titmouse. —nsiddel, enticement. --rink, decoy-finch. —vogel, decoy-bird —woord, fawning word, enticing word. —fiend, hi, . alluring, enticing. —her. na. decoy-bird; allurer, enticer, Inveigler. Loki, fg, be. looked, curled in locks. kt.ok king, a, alluring, allurement, enticing, enticement, inveigling. —eel, o decoy, lure, enticement. —stir, v. allures, enticer, inveigler. 1,01, v. fun, frolic, clout, rag. 1,911 cae, on. w. to wawl, to caterwaul, to bray, to brawl; to warm one 's veil on a fire pot. —epot,ltre. pot, warming pan.—er,m.—eter.v.brayer.brawier. Lomburd, Luniberd, m. Lie Lommerd. Lommer, v. eh ade, —r(gc, shady, shadowy. —rijk. held, shadiness. — achtig, bv. shady. Lanimerd, m. lombard, loan-office, pawn-broki peatabliehment. in de--, at the pawn- broker's. —briejje, pawn. broker's duplicate, ticket. —hou• der, pawn-broker. —vrouw, female pawn-broker. —en, on. w. to mire. Lommer en, on. w. to lie (to sit) in the shade. —ig, by. shady, shadowy. Lomp, be. & bw. clumsy ( ily). awkward (-1y), dull (-7); unmannerly, impolite(-!y); big, gross. Lomp, v. rag, tatter; lump-sugar, — ingaarder,
Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.

Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
Ordnance (ord'nens), a. grof geschut. piece of —, stub (geschut). master of the —, directeur-generaal der artilierie. —ship, oorlogschip. —yard, a rtilleriepark. Ordonnance lor'dun-nens), s. schikking. Ordure (ord'joer), s. vuiluis, drek. Ore (our), s. erts. Orsaei (o'ri-ed), s. hergnimf., Orfrays (oefeeez), s. goudgalon, Orgol (or'vel), s. wi,;nsteen. Organ (or'gen), a. orgaan, werktuig; orgel. —builder, orgelmaker.—case.orgelkast.—grinder, orgeldraaier. —loft, orgelplaats. —pipe, orgelpij p —.ic, —ical (-gen'ik-), a. bewerktuigd.—ieally (-gen'ikl-), ad. door bewerktuiging. —calness (-gen'ikl-), s. bewerktulgdheid. —tern, a. bewerktuiging. —iet, a. organist. —ization ( - 1 - .WOUR), a. he w erktuneing, inwendig samenstel. —ixe (-aj z), v. a, bewerktuigen; inrichten, ordenen. Orgasm (or'gezm), s. onstuimige beweging, opbrunaing. Orgeat (or'zjet), s. orgeade. Orgies (or'dzjiez),p1. bacehanalien, drinkgelegen, slemppartijen. Orgues (orgy), pl. storratralien; orgelbattegij. Oriebale (or'i-kelk i , s. geel hoper. Orli& (o'ri-e1), s, vertrekje naast de voorzaal. — window, uitspringend venster. Oriency (o'ri-en-sih), s. kieurenpraeht. Orient (o'ri-ent), opgaand; oostelijk; schitterend, prachtig se, oosten. —al (-en'tel), a. oostelijk; oostersch, s. oomter3 ing. (-en'. a. oostersch taaleigen. —alist (•en'teiist), s. kenner der oostersche talon. On flee (or'i-fis), s. opening, mond. —ilamb (- item) s. standaard der nude franache koningen. —gen (-gen), a. wilde martolein. Origin (ar'i dzjin), a. oorsprong, afkomst. Origtua 1 (o-rid'zji-nel), s. origineel, oorepronkelijk stub; oorsprong. —I, a. —lly, ad. —ry ( • ne-rih), a. norepronkelijk. —/ sin,erfzonde.—lity —lness, a. oorspronkeltjkheid; eigeneardigbeid, eahtheid. —te (-neetj, v. a. voortbrengen; v. n. ontstaan. —lion (-nee'sjun), a. entstaan, neraprong, afkomst. Orilion to-rirlup), a. ronde hook. Oriole (o'ri-ool), Fs. goudmeerl. Orion (o-raj'un), a. Orion (eterrebeeld). Orison (or'izun), s. gebed. Orlop (or'ittp), e koebrug. —beams, koebrugsbalker, Ormolu (or-mo-loo'), geenailleerd koper, mo zalek good. Ornament (er'ne•ment), s. sieraed, versiersel. —, v. a. versieren. —al (-ment'el), a. versierend. Ornate (or'neet), a. versierd, getooid. —ly, ad. met sieradeo, sierlijk. —nests, a, veraierdheid. Ornithol ite, or nith'o-lajt), a. versteende vogel. —spiel (ni-thol'ud-zjist), a. vogelkenner. —ogy (ni-thoPud-zjik, s. vogelkunde. O rograpby (o-rog're-fih), s, bergbeschrijeing. Orolog !cal (o-ro-lod'zjiki), a. bergkundig. —y (o-roPud-z3111), s. bergkunde. Orphan (or'fen), a. ouderloos. s. wees. —age, —ism, s. ouderloosheid. —ed (-fend), a. onderloos. Orpiment (or'pl-ment), s. oprement.

Zijn Bitcoins Money


on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard


VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


a. heesterachtig. —et (-ret,), a. boompje. —ist (-rist), a. boomkweeker; boomkenner. Arbuscle (ear'bus1), a. heeater, struik. Arbute (aar'bjoet), a. aardbezieboom. Arcade (er-keed'), booggaanderij. Arcanum ler-kee'num), a. geheim. Arch (aartsj), a. boog; gewelf. —, v. a. welven. , a. —ly, ad. snaaksch, achalkach. —new, a. snaakschheid; sluwheid. —er, a. boogschutter. —ery, a. (het) boogschieten. —wise, a. boogswijze. In samenstellingen voornaamste, eerate. —angel (aark ern'dzjel), aartseneel. —bishop, aertabia. eche!, —bishopric, aartsbisdom. —deacon, aartsdeken. —duchess, aartshertogin. —duchy, aartshertogdom. —duke, aartshertog. —fiend, aortavijand. —heretic, aartsketter. —priest, aartspriester. --rogue, aartegebelm. Archaism (aar'ke-izm), a. verouderde spreekwijze. Archeoliog !cal (ear-hi o-lod'zjikl), a. oudheidkunde betreltend. —y (-ol'ud-zjih), a. oudheidheidkunde. Archetype (aar'ki-tajp), 8, oorspronkelijk modal. Archiepiscopal (aar-kje-pia'ko-pel), a. aartsbisschoppelijk. Archl pelago (aar-ki-pere-go), s. archipel. —tect (aar'ki-tekt), a. bouwkundige. —tectonic (-tek-ton'ik), a. bouwkunatig. —tecture (aar'kitek-tjoer), a. bouwkunde. —trove (aar'ki-treev), a. hoofdbalk. —yea (aar'kajvz), a. archieven. —vist (aaeki-vist), a. archivarius. Arctic (aark'tik), a. noordelijk. —pole. noordpool. Arcuat e (aar'kjoe-et), a. boo gvormig. —ion (-ee'sjun), a. bulging; kromte. Arden cy (aar'den-isih), a. hitte;1 bye, —t, a. —tly, ad. gloeiend; ijverig. Arders (aar-ders), a. braakgrond. Ardor laar-dur), a. hitte; ijver. Arduous (aar'djoe-us), a. eteil; moeielijk. —nes., 8. hoogte; moeielijkheid. Area (ee'ri-e), a. vlakte, opene ruimte; vlakteinhoud , Aref action (er-i-fek'sjun), a. droging. —y (er'ifaj), v. a. drogen. Arena (er-i'ne), a. atrljd- of renperk; vlakte. Aren nceous (er-i-nee'sjua), —ous (er'i-nus). a. zandig. Argent (aar'dzjent), a. zilveren; —ation 1-tee'sjun), a. verzilvering. —ine (- tajn), a. zilverkleurig; zilverkliukend. Argil (aar'dzjil), a. potaarde. —lout, a. leemen, van potaarde. Argu e taaegjoe), v. a. bewijie,n; betwisten; v. n. redekavelen. —er, a. bewijavoerdvr, wederlegger. § —fy (-fai), v. n. gewicht hehben; ten bewijze strekken. —went, 8. bewijsgrond; onderwerp. —mental (-ment'al) , —mentative (ment'e-tiv), a. betoogend. —mentation (-tee' ajun), a. bewijsvoering; gevolgtrekking. Argutc laar-gjoet'l, a. achrander, spItseondig. Aria (a'ri-e), a. aria, lied. Arid (er'id), a. droop, dor. —ity (e-rid'it.tih), —news, s. droogte; dorheid. Aries lee'ri-iez), a. ram (in den dierenriem). Aright (e-rajt'), ad. rechtop; terecht, in orde.
Gas (ges'), a. g. a. —holder, gaKketel. —meter, maken (worden). —one (dzje-let'i•nus), a. geleigaameter. —works, gasfabriek. achtig. Goecoatade (gcs-kun-eed'), s. gepoch. a, n. Geld (geld), s. schatting; veegoeding. poehen. Geld (geld') [pelts], v. a. lubben; verminken. ► Gaseous (gezn-us , a. gasachtig. —er, s. enijder. --any, S. ruin. (dzje-lid'it-tih), Gash (gesh, a. snede, jaap. —, v. a. diep suijden. Gelid (dzjel'id), a. ijskoud. —Jul, a. afzichteiijk. —nen. s. groote koude. Gasket (ges'kit), s. seizing. Gem TrIzjem), a. juweel; knopje. —, v. a. met Gaskins (ges'kinz), 8. wijd.e broek. juweelen versierent v. n. botten. Gaeonteter (ge-zom'i-tur), s. geometer, Gemel (dzjent'll), s. pear. —ring, gespleten ring. Gasp (gaasp), a. snik. v. a. met moeite ade- Gernin ate IdzjemTneet), v. a. verdubbelen. (-naj), men; v. n. hijgen, sns.kken. to — for life, net —ation (nee'sjan), 8. vardubbeling. den dood woearelen. s. (de) Tweelingen. —ous (-nus), a. duhbel. Gastric (ees"trik), a. den bulk betreffend. Gernm 'try (dzjem'me-rah), /3. juweeldoonje. —y, a. juweelachtig. Gastillo foist (ges-tril'o-kwiet), s. builespre—eous (-mi-us). 8. huil.spraak. ker. —quy Gender (dzjen'dar), s. geslecht. —, v. a. telen; Gastronom 1st (gea tron'o mist), a. lekkerbek. veroorzaken; v. n. pares. Genealogical (dzjen-i-e-lod'zjikl), a. geslacht—y, a. kunst (zucht) ors lekker te eten. Gastrotoiny (ges-trot'o naih) s. kelzersuede. reltenkundig. Gate (geet'), s, poort; ingaeg; boom; heft. sea- Genealcg 1st (dzjen•i-el'ud-zji.81,), a. geslac htstroomkeutering. —way, poortrekenkundige. —y (-ud-zjih), 8. geslachtsrekengolfval. kunde; geslachtarekening. wag, poort. Gather (getleur), s. kleine plooien; kalfsom- Generable (dzjen'ur-ibl), a. teeihaar. loop. —, v. a. bneengaren, inzamelen; plooien. General (dzjen'ur-e1), a. aigerneen. —, a. algea. tfrom) afleideu. (up) opdoekeu; opnemen. —, mean; geheci; generaal. —mint° s. algemeenbeid; v. n. etch vergkren. zich ophoopen; etteren. veldheer —ity —able, a. of te leiden. —er, a. ;teenier, inza- grootate gedeelte. —ization (-i•zee'ejun), a. algameenmaking. —ice (-ajz), v. a. algerneen melaar; anijtand. —ing, 8. verzameling; inza meling; ettergezwel. —/y. ad. gewoonliik. —ship, s. generaalachap; Gaud (gaod'), 8. sieraad, beuzelarij. —ery, a, vc' heerstalent. nt (deien' ur.ent). a. voortbrengend verkleerenpronk, opsel.k. —*nen, a. opzichtigheid, zwierigheid. —i/y, ad. — y, a. zwierig, opzichtig. mogen. --te (-eel), v. a. telen; voortbrengen; Gang a (geedz.j. 'i s. peilstok, standaard. —e, veroorzaken. —lion ( ee'sjun), a. voortteling; gev. a. pollen, liken, --cc, 8. virtnroeicr; liter.' elacht„ —tire (-e-tiv), a. voortbrengend; vrucht-ing-rod, peilstok. baar. —toe (-ee-tur), a. baler; voorthrengend verGaunt (gaant'), a. —ly, ad. mager, schraal. mogen; 8toomketel. Generic (fizje-ner'ik), —al, a. —ally, ad, het Gauntlet (gaaut'lit), a. pantserhanilschoen. Gaon a ;gaoz'), s. gaas. —p, a. gaasachtig. gealacht betreffend. (gev'il), a. grand. —kind, gelijke erf-, Generosity (dzjen-ur-os'it-tih), s. edelmoedigverdeeling order de kinderen. —work, vroen-I heid; mildheid. dienat. ',Generous (dzjen'ur-us), a. —ly, ad. edel; edelGavot (gev'ut), a. gavot (zekere dans). I moedig; mild; krachtig; moedig. , (dzjen'e•sis), a. Genesis (eersteboek van Gaw - k 'gash'', s. koekoek; zotskap. —y, a. on-Genesis handig., , lomp; a. lomperd. Mozee). Gay (gee'), a. --ly, ad. vroolijk, luchtig; zwierig, Genet (dzjen'it), a. spaansche hit. leveftdig. —ety (-e•tih), —news, a. vroolkjkheid; Genethliacs (dzje-neth'li-eks), a. (het) boreszwierigheid; levendigheid. I kooptrekkeu. *:are (geoz'), 8. starende built. —hound, windhond. Geneva (dzje•ni've), a. jenever. —, V. n. staren. (at. on. upon) aanstaren. —ful, Genial idzjil-nell, a. —ly, ad. voortbrengend; a. stapend. —r, 8. aanstaarder, beschouwer. I bezielend; vroolijk; aangeboren, genteel. Gazelle (ge-zeP), a. wilde geit. jGenlcults te (dgje•nik'joe-let), a, knievormig, Gazette (ge-zet'), a. otlieieel nieuwsblad. —, v. knoestig. —lion 1-lee'sjun), a. knoestigheid, a. in het staatablad plaatsen. —er (gez-it-tler'), Genit al (dzjen'i-tel), a. van de voortteling. s. echriiver (uirgever) van hat nieuweblad; aard- —als (-telz), a. teeldeelen. —ire, a. telend; rijkskundig„,woordenboek. genitivus (tweede naamval). —or, a. teler; Gazing (geezieng), a. (het) aanstaren. —stock. vader. ronderding; iemand, die nagewezen wordt. Genius (dzjrni-us), s. genie; bescheringeest, a. (graszode. Gazcn schutsengel. Gear (glee') e. kleediox, gewaad; tuig, gareel; Genteel (dzjen-tiel'), a. —ly, ad. wellevend; inkardeel. --eapsteee, cake; spil. pump—, pomp- nemend; lieftallig; wel geklted. —seas, a. weltoestel. —, v. i. optuigen. levendheid: bevalligheid. v. a. bedotten. ' Gentian (dzjen'sjenl, a. gentiaauwortei. (deck (gab), s. bedrogane. Geese (glee), s. pl. van GooLie. ,Gentil a (dzjen'tajl), a. heidenseh; tot; ieetti:volk Getable (dz eribl), a. bovrieshaar. behoorend; a. heiden. —lam GtiLizrn),I,s. heldes, Gelatin (dzjel'e-tin), a. geleiachtig. —, a. gelei- dom. —itious (411-Was), a. aen eau .volk (gen. tot geld' elacht) elgen; erfelijk. —ity, (•tillt-tik1 ► , sta. —ale (dzje.tet•ueet), v. a.
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.
389 AFL Afsekenken, ov. w. to pour off, to decant; to Afrepelen, ov. w. to ripple, to pill. weaken. Are*eh ten, ov. w. to train, to fit, to teach: to dress; to break (ten paard); to man (ten milk). Afsehep an, on, w. to chip (off), to despatch; afgericht r(in op, to bare a knack at, to be to put (to shift) oft. —er, m. deepatcher. —ing, qualified for. —er, m. —vier, v. trainer, —ing, v. v. shipping, despatching. Atecheppen, ov. w. to scum (to stoop) off; to training, dressing. skim. Afristdon, or. w. to override, to founder, to jade, Alleheren, on. w. to shave (to shear) off. on w. to rids (to drive) down, — away, — off. Afsehets en, ov. w. to sketch (out), to delineov. w. to unlace to unstring. ate, to describe. —er, m. sketcher, delineator, Arrifigsn, ov. w. Zie Afechourers. describer. —ing, v. sketch, delineation, descrip/Uric, in. riding away, startingtion. Afroelen,on.w.to row away. — off, (from). Angell:ear en, on. w. to tear off; to tear —, to Afroep en, or w to call down, — away from; Fever (from); rich —, to separate (from). —leg, v. to oro,)aim, to publish; to call over. —er, tearing off; separation; schism. v. proclamation. proclaimPr. Atoehlet en, on. w. to shoot —, to fire (off). to Arroenten, on. w. to runt away. — of discharge, to let off; to separate by a partitionAfrofrelen, ov w. to plane rouahly, to Title; to wall; on w. to slip, to slide. —cc, .0. shooter, bungle (to hammer) up. discharger. —ing, v. firing, discharge; partition, Arroll en, ov. w. to rot). down; to unroll, to unfold; on. w. to roll (to tickle) down. —ing, separation. Afeehljn en, on. w. to shine. —set, o. resplenv. roiling down; unrolling. dency, Image. Afrond en. ov. w. to round off, to make round; Afechildwr en, on. w. to depaint, to depict; to to thithil. —ing, v. rounding (off;; finish. Arroons en. ov. w. to cream, to skim, to fleet off. represent, to describe. —ing, v. delineation, description, picture. —ing, v. creaming, skimmin a, fleeting. Afrosa en, ov. w to curry; to override; to hang, Aisehlifer en, on. w. to scale (to peel) off, to exto drub, to rib-roast, to thrash. —er, m. rib- foliate. —ing, v. exfoliation. Alochillen, ov. w. to peel, to pare, to shell, to roaster. blanch. Afrott en, on, w. to rot away, — off. —ing, v. Afschoppen, ov. w. to kick down, — off. rotting. Afgehrap pen, on. w. to scrape off; to mark Arrulten,on. w. to get by trucking. with a dash. —eel, e'. scrapings. Afrulik en, on. W. to snatch away, to pluck off. Arachrlft, o. copy, duplicate. ee* — nettle*, to —sr, m. snatcher. —lag, v. pulling off. draw k copy. Arseharfsel,o.shavings. Arnehndunv en, ov. w. to portray l•y the shade, Allsehrkif loon, o. copy-money. —ster, v. Zie ArselbrIjwer. to shadow out, to adumbrate, to typify. , m. painter of silhouets. —ing, v. shadowing, adum ArsehrUe en, ov. w. to copy, to transcribe; to write off; to countermand, to blunt (eens pen); oration, soiagraphy; silhouet. to finish writing. —er, to. copier, copyist. Afsehnff en, ov. w. to abolish, to abrogate, to v. copying; writing off; counter-order. ' repeal; to dismiss, to part with. —er, m. abolisher; abolitionist; temperance man. —ing, v. abo- Afsehr1111, m. horror, abhorrence. ten — hebben Tan, to abhor. —ken, ov. w. to scare away; to lition, abrogation; dismission. —ingsgenootechap, intimidate, to discourage, to deter. —Tend, by. temperance.society. warning. —king, v. intimidation, deterring. Arochamp en, on. w. to slip off, to touch lightly, Afeehrlknve"Akt nd, by. terrifying, dreadful. to glance (to graze) upon. —er, m. —ing, v. sl)pAlsehrobben,ov. w. to scrub (to scour) off. ping off, glancing (grazing) upon. Areohnnsen, on. w. to intrench, to fence Afeehroelen, on. w. to scorch (to sing.) off. Afeehroeven,ov. w. to unscrew,to strew off. about. Afechaven, ov. w. to plane (to scrape, to shave, Araehudden, ov. w.to shake off. Arseihnier en,ov. w. to brush off, — away. to rub) off, to chafe, to fret. Araelsuifeter, v. Zie Afachulver. Afoehoerder,m. shearer. Afecheld, o. leave, departure; discharge, dismiss- Met/huhu en, ov. W. to scum, to skim. —lathy. strumming, skimming. al. — genes, to dismiss, to send awoy. semen van, to take leave of, to bid adieu (farewell) to. Afeehuiv ass, on. w. to shove (to, pualt) off; to come down; van tick —, to rid ones self of, to —sberoek, farewell-visit. --scironk, parting-cup. shift ore. to get one's self excused. —tsr, m. —*feat, —spartii, parting-treat. —rgedicht, valeis een atecht —, he is very alone-fisted. dictory poem. —egezang, parting-song. —sgroet, parting-kiss. —souse, f arew ell- Aleeir.. en, ov. w. to scour (to wear) off. farewell. Arschut sari, o, partition, fence, so; een. --ten, ov . dinner. —spreek, valedictory sercr,on. w. to partition (off). to fence, to screen; to stop by valedictory speech. —boor, —.1(j1e, by. separable. a dike. —ting, v. partitioning, enclosure. —en, on. w. to separate, to sever from, t9 disjoin, to put asunder; to secrete; rich — van, to Afsehuw, in. abhorrence, horror. — hebben van. to abhor, to hold in abhorrence. —elipk, by. & leave, to part company with, to part from. — bw. horrible (-bly), abominable (-bly) odious t-ly); separation, m. separator. —ing, T. 'with. —sr, black (van ease daad). v. horribleness, secretion. —cel,o. partition. ahominableness.—en, o. Zie Afsehaw. Afsekellen, ov. w. to ring for.
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.

Vouchsafe (cautsj-seen, v. a. veroor!oven, toeetaan, mimes; v. n. Melt verwaardigen, geHaven. e. verleening, vergunning; verwaardiging. Vow (van'', gelofte, plechtige belofte. —, v. a. (van'', toewijden; v. n. eene gelofte doen; doen; zweren. —el (-11), a. klinkletter. —er, a. afiegger owner gelofte. Voyage (voridej), s. (see-)reis. —, v. a. hereizea, bevaren; v. n. ems seereis doen. Vulgar (vul'gur), a. —ly, ad. gemeen, Meg; *1iedaegsch, gewoon; algemeen. fractions, gewane briuken. — language, volketael; moedertool. — translation, Vulgate. —lam, s. gemeene (platte) ultdrukking. —tit/ (-g'r'it-111.), a. ilerneenheid, platheid. —ize (-ajz), v. a. gement makon. Vulgate (vurgei), a. Vulgate (latijnsche hijbel. vertaling. Vulnera hie (vul'nur-tb1), kwetzbeer. —bility (-e- ► il'it-tih), —Neves., n. kwetebaarbeld. —ry (-a-rib), a. heelend; — balsam, wondbalsem; — plaster, wondpieteter. —ry (-e-rth), a. heel-, e•ondroiddid. —te (-eat), v. a. kwetsen, wonden. —tion (-ee'ejun), a. kwetalng. verwonding. Vulpine (vuPpin), a. vosachtig;


Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed.


tend. —cloak, sluitjls. —cropt, kaal gesehoren. Cluck (kink), v. a. & n. klokken. —handed, karig. —jest, sehampere scherts. —man, Clownp (klurnp), s. klomp; groep (bowmen). achterhoudend man. —pent, dicht opgesloten. Clams Incas (klum'zi-ness), a. lompheid, on-stool, nachtstoel. —weather, drukkend wader. handigheid. —ily, ad. —y, a. lomp, plump, on- , —ly, ad. dicht; nauw; tank; oplettend. to handig. live —, zuinig leven. to study —, steak studeeren. Chinch (kluntsj), 8. verharde —ness, 8. dichtheid, engheid; gedrongenheid; Cluster (klut'tur), a. troy, hos, menigte, zwerm. achterhoudendheid; karigheid; verband. —, v. a. , erzamelen, bijeenbinden; v. n. in trosClose (klooz), v. a. sluiten; besluiten, eind'gen; sen groeien, rich opeenpakken. —y, a. in trosinsluiten; vereenigen, samenvoegen. (in) inslui- sen groeiend. ten; eindigen. (up) wegsluiten. —, v. n. zich slut- Clutch (klutsj), 8. groep; klauw. —, v. a. grijten, dichtgaan; overeenstemmen. (in) aanbreken. pen, omkuellen. (upon) overeenkomen wegens; naderen. (with. in Clutter (klut'tur), 8..verwarring, geraas, v. n. with)zich vereenigen met ; handgemeen warden met. geraas, rumoer makes. Closet (kloz'it), a. kabinet; bijzonder vertrek; Clyster (klie'tnr), a. klisteer. —pipe, klisteerkast. —, v. a. opsluiten; in het geheim verhan. spuit. delen. —reasoner, kamergeleerde. —sin, geheime Coacervatlon (ko-es-sur-vee'sjnn), a. samenzonde. hooping. Closing (klooz'ieng), a. einde, besluit. Coach (kootsj'), e. koets. 'v. a. & n. rijden Closure (klo'zjoer), a. singing; slot; omheining. (in eene koets). —box, koetsiersbok. —fare, v. n. klon- vracht. —hire, koetshuur. —horse, koetspaard. Clot (klot), 8. klonter; botterik. —house, koetshuis. —man, koetsier. teren. Cloth (kloth'); s. lakes; linnen; dock; kleeding. Cone Hon (ko-ek'sjun), a. dwang. —five, a. stof; tafellaken. to wear the —, het geestel0 dwingend, samenwerkend. gewaad, de uniform dwell. list of —, zelfkant. CoadJu taut (ko-ed'zjoe tent), a. helpend; me-beam, weversboom. —merchant, lakenkooper. dewerkend. —tor (-zjoe'tur), s. medehelper. —trix —shearer, lakenscheerder. —trade, lakenhandel. (•zjoe'triks), a. medehelpster. —weaver. lakenwever. —worker, lakenbereider. Coagent (ko-ee'dzjint), a. helper. Clothe (klooth), v. a. klerden, bekleeden; v. n. Coagula hie (ko-egjoe-libl), a. strembaar. —te, gekleed zijn. v. a. & n. doen stremmen; stollen. —tion (-lee' Clothes (kloothz), a. kleederen; gewaad; bedde- sjun), s. stoiling. —five (-le-tin), a. stremmend. —tor ( lee cur), s. stremmend middel. goed. —brush, kleerborstel. —horse, droogrek. —line, drooglijn. —man, kleerkooper. —peg, Coal s. kool. - —, v. a. tot kolen branden; met houtskool schetsen. burning —, gloeiende droogstok. Clothier (klootlejur), s. lakenkooper; voider. kool. dead —, drove kool, pit—, steenkool. Clothing (klooth'reng), s. bleeding. —basket. kolenmand. —box, —scuttle, kolenemClot ter (klut'tur), v. n. kionteren. —ty, a, klon- mer. —black, koolzwart. —heaver, kolendrager. —hod, kolenbak. —house, kolenschnur. —merterig. Cloud (kland'), a. wolk; donkerheid; gedrang. chant, kolenkooper. —mine, —pit, kolenmijn. v. a. bewolken; verditisteren; bedroeven; v. n. —mouse, koolmee8. —work, koolbergwerk. —cry, betrekken; treurig worden. —rapt, met wolken a. kolengroef. —34 a. koolaehtig. bedekt. —topt, de kruin net wolken bedekt. Coolest:, e v. n. samengroelen, zich vereenigen. —ence (-sens), a. samenvieeiing, ver—ily (it-lih), ad. met wolken. —less, a. onbe- wolkt. —ness, s. betrokkenheid. —y, a. betrok- eeniging. ken, bewolkt; somber. Coalition (ko-e-lis'sjun), vereeniging, verbond. Clough (klof), a. klip, steilte; goedgewicht. Coamings (koom'iengz), a. luikhoofden. Clout (klan;'), a. dwell, lap; stop; Inter. —nail, Coaptation (ko-ep•tee'sjun), a. juiste bijeenschoenspijker. —, v. a. happen, optlikken. —ed, schtkking van deelen. Coarse (koors'), a. —ly, ad. gaol, row, gemeen. a. geklonterd. —ed cream, dikke room. Clove (kloov'). s. kruidnagel. — of garlic, look- —neu, a. grofheid, ruwheid; gemeenheid. kruidnagelbloem. nolletje. Coast (koost), s. kust, never. —, v. a. dicht vaClove. (kloo'vn), a. gekloofd. —footed, met ge- ren langs; v. n. longs de knot saves. —er, knotvaarder. —ing, s. kustvaart. —ing-pilot, knot- spleten hoeven. Clover (klo'vur), klaver; overvioed, —ed., a. met loods. —ing-trade, kusthandel. klaver begroeid. Coast (knot), s. jao, rok; pets, yacht; vile,. hold, Clown (kIaaitn'), s. kinkel; hansworst. —iRb, a. schors; hag; stand. close —, slnitjas. dress —, gekleedo rok. great —, overjas. — of arms, vt a—ishly, ad. ongerranie,rd, !only. —ishness, s, on- peeschrld. — of mail, pant,er, —card, prentje gemani erdheid, lompheid. Cloy (kloy), .v. a. oververzadigen, volproppen; (in 't kmartspel). —, v. a. bedekketi, bekleeden. Coax (kooks'), v, a. pluimstrijken, vernagelen. —less, a. onverzadigend. Club (klub), o, knuppel; klub; aandeel, gelar.),.; vIcler, pluimstrijker. klaveren. —, v. a. zijo aandeel bijdragen; v. it. Cob (kob'), m kop, top; teelbal; vrek ; klophengst; pootig. —foot, zeemeeuw; spin; piaster, —coals, groote ronde medewerken, bijdra,,en. yacht van horreivoet, —he a ded, dikkoppig. ko i en. —iron, haardijzer. —nut, kinderspel (met noten). —web, a. sprnneweb: sulk; n. fijn, dun. den sterlote. —roan, klubliarn , . --hist. a lid —bp, a. sleek, kraehtig. Penes
483 stank, hop-pole. —peteelt, hop-culture. —pinhead seed of hops. —peach, hop-bag. Hopsloos, be. bw, hopeless (-1y). —held, e hopelessness, desperation.) Hopes, cm& on. w. to hope (for). Hopman, rn. captain, chieftain. Hopp en, ov. w. to hop, to imix (to iota's.) wit] hops. —erd, m. beer in the hop-kettle not ye separated from the hope. Hoe-, v. window-screen. Horde, v. horde, clan, band; hurdle; blind. —n maker, —nvlechter, hurdle-maker. —amend, peg (fold, enclosure) of hurdles. Horen, m. en, Zie Hoorn, one. Horizon, — t, rd. horizon. —teal, by. horizontal. 1100051e, o. watch. —bandje, watch-string, -guard —plow, watch-glees. —hank, watch-hook. —hoe watch-case. —hotting, watch-chain. —maker watch-maker. —444.1, watch-key, —work, clock work. —to(Per, hand. finger. —oak, fob. oroscoop, o. horoscope. iemands trekkent to cast a. o. 'a nativity, —trekker, fortune teller. norm!, m. push, jog. —voet, club-foot; club footed person. Hort, m. jog, push. met —en en 'Motets, by fit and (by girds) starts. —en, on. w. to jug, tl jolt, to jostle; to stick, not to succeed. Horzel, v. horse-fly. — en, on. w. to buzz ; quarrel, to wrangle. —ing, v. wrangling. liospes, s. landlord, innkeeper. Hisspitanl, o. hospital. Hosseboasen, on. w. to jolt, to joggle, to jostle Iloecie, v. host, consecrated wafer. —basic, pyn nix. Hot, v. curds. Hotness, ov. & on. w. to jolt, to joggle. flatten, on. w. to curdle; not to succeed. lion, be. — en getrouw, loyal and faithful. Houdbaar, be. tenable, supportable. Houden, ov. w. to hold, to keep ; to retain • tt contain ; to fulfil ; on. w. to stick. het — met, ti side with ; to live in concubinage with. — van to like, to make much of to love. — voor, ti take for, to consider to be, to look upon as het bad —, to keep the bed, to be bad-ridden. gam/sten —, to remember, to be mindful of eene redevoering —, to make (to deliver) a speech iemand aaa sun woord —, to take a. o. at ht t. w word. een weg to follow a way. rich to pretend to be, to feign, to seem ; (aan) ti rely on, to stick to rich geed —, to behave well to keep, to last, to wear well. Hood err, m. holder, keeper, bearer. —kg, v countenance, mien, air; deportment, carriage bearing ; attitude. iloukind, o nursling;, foster)-child. Ilonce , o. wood ; timber, fire-wood, fuel, stinks piece of wood. —ader, vein in wood. —akker nursery. —each, wood-ashes. --antis, wood-yin egar, vegetable acid. —belie, wedge, chisel —draaier, turner. —drank, wood-drink. —dell wood-pigeon, ring-dove. —hakher, wcod-cutter —hlndel, wood-trade. —hob, —loads, —schist° wood-house, -shed. —lode, wood-yard. —bevel wood-chafer. —hloover, w cod-cleaver —keopu timber-merchant. —boopert), wood-trade. —kit
Dtjeen konien, on. W. to assemble, to meat. —hornet, v. assembly, conference, meeting. filicenpenntsen, ov. w. to place (to put) to. gather. H&j eenrapen, se. w. to rope in, to gather. illifeenenep en, ov. w. to call together, to convoke. —ing, v. convocation. BUeenetbrapese, no. w. to scrape together, to heap (to hoard) up, to rake and scrape foe Illkleentrekk ten, ov, w. to draw (to pull) together; to rally (tiorpohl; to concentrate. --ing, e. drawing (pull)ug) together; rallying; contraction, concentration. Iikjunweeet en, on. w. to unite, to join, to combine. — leg, v. junction, combination. 110nesseeverpen, ov, w. to throw together. 111jcenzinnee3eirt, ov. w. to gather, to collect. Illieerizettesa, o v. w. to place (to put) together IlUeetrazijo,, OP. NC.• to bz together. Itlijae.ztzekon, or. w. to reek (to Reatch) together. 13Ugneend, be. inclosed, annexed. BUgelegen, bo. adjoining, adjacent. b7. Z bw. superIlkHeeloeio t, o. tuperaltion. etitious (-1y). —vigheid., v. enperetittoneness. litUgertanzend lov. surnamed., 11111jgovall, hr. by chance, •erchance.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den
Wk. onuitvoerbaar; onbandelbaar. —bility, (-ke• drang ; aandrift ; Mot. —ire, a. aandrijvend. s. ondoenlijkheid, onult- —ively, ad. door drang. voerbaarheid; weerspannigheid. Impunity (im-pjoenit-tih), s. etraffelonsheid. rftliprects te (im' pre- keet), v. a. verwensehen, Impair e (im-pjoer'),a. —ely. ad . onrein; onkuisch. vervloeken. (-kee'sjun), s. verwensching, —eness, —ity, s. onreinheid; onkuischheid. vervloekiug. —tory, a. verwenschend. Impurple (1m-pur'pl), v. a. purperkleurig maken. Inapregin (im-prien , „ v. a. Zie to Impregnate. Imput able (im-pjoelibl), a. te wijien, toe te ltnprcgoa tale (im-preenibl), a. —bly, ad. on- achrijven. —ation, (-tee'sjun), s. toerekening, toene,mbear; onwrikbaar. —te (-neet), a. beswan- sehrijving; aantljging. —nave, a. —atively. ad . gerd. verzadigd. —te (-neat), v. a. bezwangeren; (-te-tiv-), toesehrtivend, toerekenend. —e, v. a. doortrekken; verzadigen. —tins (-nee'sjun), a. be- toeschrijven ; wtjten ; te lasts leggen, (to). —er, zwangering; verzadiging. a. toeschrijver; aantijger. Imprescribtliale (im-pre-skript'ibl), a. enver- Imputrescibi• (im-pjoe-tres'sibl), a. onverrotbaar; onbederfeltk. aarbaar. Impress (im'press), a. indruksel; merk; Mu- In (in), pop. te; op; naar; onder. —, ad. bins pi euk; pressing. nen, thuis. —that, dewijl. —the hundred, tan hon. Impress (irn-press';, v. a. indrukkea; inpren- lord. — my opinion, imbue bedunkens. nine times ten, (on); doordringen (with); merken; pressen, — ten, negen keeren van de tien. a. onvermogen, onbe—ibility (-ti-bil'it-tih), 8. vatbaarheid voor in- Inability drukken. —able, a. vatbaar year indrukken, —ion kwaamheid. (-eresp.,), S . indrukking; working; indruk; af- Inabstinence (ire-eb'sti-nens), s. onmatigheid. urs:k; drab, oplage. —ive, a. —ively, ad. indruk- Inaccessi Yule (in-ek-ses'sibl), a. —bly, ad. onmakend, treffend, —iveness, s. (het) indruk ma- toegankelijk, ongenaakbasr. —tileness, kende. treffende. —went, s. pressing. —are (-presj' (-si-biPit-tih), s. ontoegankelijkheid. tier), s. indruirsel, merk. Iuuccurta cy (in-ek'kjoe•re-sih), a. onnauwke.uInaprest (im'prest), ts. haudgeld, voorschot. righeid. —te, a. —tely, ad. (-ret-1, onnauwtseurig. fti,prevalenee (in.-prev'e-lens)„ a. onvermogen Intact ion (in-ek'sjun), —ivity (-tiv'it-tih), a. 'fiverijn over wicht to bandhaven. 0111z keloosheid. —ire, a. —ively, ad. werYeloos. imprint (im'print), s. opgaaf van drukplaata, Inadequa te(in - ed i e - kwet),a. — tely,ad.ongeevenredigd, onvoldoend (to). —op (-km-a-31h), —teness, drukker, jaartal, enz. (van sera bock). — (-print'), a. ongeevenredigdheid, onvoldoendheid. v. a. drukken; inprenten (on, upon). impritiack (im-priz'zrt), v. a. ge,angen zetten. Intill11111.1 bility tin-ed - mia - si - bil'it - tiN, a. ongevangenueming-; gevangensehap. aannemelijkheia. —ble (-mis'xibl), a. onaanne- went, I mprob aisle (irn-prob'ib1), a. —ably, ad. on- melijk. wart iseltijnlij lc. —ability (-e- bil'it-tib), s. ormaar- lundverten ce (in-ed-vnetens), —cy, s. onachtscbijnlijkhetd. --ity„ s. oneerlijkheid. zaamheid. —t, a. —tly, ad. onachtzaam.
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.
399 brettgen, to raise, seeder op de — komen, to recover. op de — rips, to be stirring, — on foot. —bederf, —eter, caries, caritsity. blot, lock, stocks. —boor, trepan. —breker, ossiftage, osprey, —bretek, fracture of the leg (of a bone), ooteosele. —droop, bone-dry. —harness, mirth, greaves• facile. —sateen, splint, cradle. —IV, rugtne, raspatory. —miles, perioseeum. —tvording, ossification. —mar', bone-black, ivory-black. —dercork, bone-oaken. —ilerbesehrliving, osteology. —derhuis, charnel-home. otteocolla. --(termed. bone-dust. —seep, soup of boner. —achtig, be. bony. —en, be. (of) bone. —ig, by. bony. —love, hr. boneless. —tie, o. small bone, oseicle; remand eau — lichten, to supplant (to trip up) a. o. Beer, m. bear ; boar ; mole, pier ; exerementa, dung, dirt; catapult, rammer; dun. jong.t —, beer's, cob. ongelikte unlicked cub. de groote —, the greater Bear. de kleine —, the lesser Beat. —tar, dirt-cart. —sicker, jukes-cleanser, night-man. Bees, en, ov. N►'. to inherit. —ing, v. inheriting, inheritance. Beast. o. beast, brute; basset, lucky hit. de — spelen, to ploy the devil, to bluster. —endetter, cow-leech. —.markt, cattle-market, -fair. —en. *pet. menagery. —enstat, ox stall, cow-house. —entcnimer, tamer of animals. —achtig, by. beastly, bestial (-1y), brutal (-4), brutish (-ly). —achtigheal, v, neeetlinees, ueetlality, breiality, brutishness. —iaal, o. cattle; tux upon cattle. —ig, by. & bw. Zie Bee5tftelatig. Beet, in. bite, bit, amortiel. 4ebt en, to hove firth at the angle. — hebben, — nemen, to cheat, to trick, to tooth off, Beet, v. (red) beet. —wortel, beet-root. —wortel. sulker, beet-sugar. Beetle, o, little bit, bit, little, mi.; somewhet. Dekker —, tit-bit, dainty. ran stukje tot —, to a hair, In all the particulars. Bet, v. band, met mantel en bef, gowned and banded. Bch:mind, br. famous., renowned, notorious. —held, v. famousness, renown, notoriety. Begaard, by endowed, indued (with), relented, gifted. —Acid, v. endowment, talent, abtlity. IleKaarr, or. 'a., to tread (to walk) upon. to beat; to to commit, to perpetrate; on. w. latex !tom) that to me. —, dw. leave to. last mtj affected (by), concerned (at), —Cesar, bv. passable. practicable. itegapau. or. w. to gape wide enough to swallow; to gape (to gaze) at. liagaven. ov. w. to eedow, to endue. Bagear der, in. deeiree, wither. —en, ov. w. to destre, to covet, to wish for, to require. --or, o. desire. —ig by. & bw. desirous (off; covetous, eager (-1y). —ig.4eid, v. desire, covetousness, greediness. —47k, hr. destraMe; covetous, greedy. —l)jtheid, v. deeirablenesio covetousness, avidity. —ster, v. Zie Begterder. —to, v. desire, wish. will. pleasure. Bev kken, or.' w. to hefool, to banter. ov. w. to accompany; to attend, Ilegeleld to escort, to convoy. —er, m. —ster, v. Vompan.

FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform

bath. —kogel, atmosphere. —kringslucht, atmospheric air. —ea, on. w. to vapor, to emit steam; to smoke. —er, ro. smoker. —tg, by. fogey, damp, dampish, hazy; brokenw laded, pursy. —igheid, e.fogginess,dampishness, purstness. Den, bw. then. ate en. —, now and them, sometimes. —, ow. than, but. Dant g, bw. ..nucb, very. extremely. Dank, m. thanks, in —, guilefully, thankfully. — went, to thank, to acknowledge. — zeggen, to give Ito return) thanks. Gode stj —, thank (led. tepen soil en —, in spite of one's teeth, against the grain. — betuiging, —sagging, thanks. giving. —day, day of thanksgiving. —gebed, grace. —lied, song of thanksgiving. —offer, thank-offering. —bear,. be. & hoe. thankful (-1y), grafiful ik u I thank you. —Oaarlseid, v. thankfulness, gratitude. —en, or. w. to thank; to give thanks, to say grace; to refute; to — hebben, east, to be obliged (indOted) to... for. ik dank u (afictizend), no, I thank you. Dans, m. dance. aan den — geraken, to fall a fighting. den — ontspringen, to have a narrow escape. —feest,ball. —Aids, denting room. —kanst, (art of) dancing. —lee, dancing-isseon. —lied. daneing-tane. —Lustig, fond of d an ging. —meester,dancing-master. —part(j, dancing-party, ball. —pas, dancing-step. —echoenen, pumps. —school, dam. dug-reboot. —teekoning,chorography. — zaaf,dancing.room. —en, or. & oat. w. to dance. —er, m. —eree, v. dancer; pertner. Dapper, hr. brave, valiant, bold. —,bw, bravely, boldly; very much, heartily, at a pretty (flee) rate. —.held, v. bravery, valor, boldness. Darn', m. gut. den — vollen, to eat gluttonly. —been, iliac bone. —break, enterocele. -ScUling, Iliac passion, colic, gripes. — kanaal, intestinal canal. —kronkel, twisting in the gut.. —net, caul, kelt. —sop, chyle. —ached, mesentery. —*near, gut-string, cat-gut. —Wits, peritoneum. Dartel, by. & bw. lively, playful (-Iy), wanton (-Iy). —en, on. w. to wanton, to sport, to frisk, to d ally. —had, v. liveliness, playfuinees, sportiveness, wantonness. Das, v. neck-cloth, cravat. —, m. badger. —hond, basset, terrier. —genre!, skin of a badger. Dat, vnw. which. that. —, vw. that. Dateeren, ov. & en. w. to date. Datum, me date. Dauw, m. dew. voor dag en—, zie Dag. —droppel, dew-drop. —worn, ring-worm, tetter. by. dewy. Dnuwtl, v. lazy slut. —star, m.loiterer. —achtig, be. loitering, siovenly, —ary, T. loitering. —ea, on. w. to loiter. Danwen, on. w. to dew. Dever en, on. w. to shake, to quake, —end, hr. violent, loud. —kg, v. shaking, quaking. De, I. the. Deballoteeren, or. w. to black-ball. Debat ten, ce my. debate, discussion. Debet, be. & o. debit; debts; Dr (debtor). — ado, to owe. in het — brengen, to pail (to place) Leto the debit, to carry to the debit. - -s(jele, debit,
klankleer. -oloyical (-no-lod'ziikl), a. van de geluidsleer. -ology (-norud-zjih), a, geluidsleer. Phosphate (foa'fet), a. phosphorzuur zout. Phosphor (fos'fur), -us, a. phosphorus; morgenster. -ate (-eet), v. a. met phosphorus yeabinden. -vice (-eel, v. n. zacht lichten, men. -eseence 'ees'aens), a. ltehting, -esrent (-eesent), a. lichtend, glimmend. cc (-for'ik), a. phosphorisch; -acid, phosphorzuur. -one, a. phosihorachtig. Photograph teto.grefi„ s. llohtbeeld. -, v. a. & n. lichtbeel en vervaardigen. -er (tog're-fur), s. photograaf. -ic (greeik., a. photographisch. - y (tog're-fih), a. kunst om lichtbeelden to vervaardigen, photographie. Photo logy (fo•tol'ud-zjih),.. leer van bet licht. - meter (-tom'i-tur), a. liehtmeter. Phrase (freez), a. ispreekwijse; zinsnedei volzin. - , v. a. uitdrukken, noemen; v. n. bijzondere spreekwijzen gebruiken. -ology a. spreektrant; verzanaeling van spreekwijzen. Phren etic (fre•net'ik), a. waanzinnig, razend. itia (-Aid' tie), a. ontstekisg; waanzin, razernij. Phrenolog 1c (fren-o-lod'zjik), -al, a. van de schedell ear. - y(fre-nol'ud- zjih), a. achedelleer. Phrenzy (fren'zih), a. Zie Frenzy. Phthis ic (tiz'ik), a. tering. -ical, a. teringachtig. -is (tharsis), a. tering. Phylactery (fi-leklur ih), s. amulet, toovercedel. Phyllite kfillajt), a. versteend bled. Physalite (fiee-lajt), s. zwelsteen. Physic (fiz'ik), a. geneeskunde; genees-, purgeerdrankje. middel. to take -. Innemen. - nut, purgeernoot. -pork, amerikaansche kermesbes. -, v. a. geneeskundig behsndelen, doers purgeeren. -al, a. -ally, ad. genees-, natuurkundig; natuurlijk. -ion (fi-zisj'en), a. geneesheer, nets. -s, pl. natuurkunde. Physiognom er (13.z.i.og'no-mur). -jet, a. gslaatkundige. -ic, (-nonfik-), a. van de gelaatkunde. a. gelaatkuude; gelaatsuitdrukking, gelaat. Physiolog er (fiz-i ol'ud-zjur), -tat a. pbysioloog, natuulkundige. -ic, -ical (-o-lodizjik-), a. playsiologisch, natuurkundlg. -y, a. leer der org.ische lichamen, natunrleer, natuurlijke historie. a. grasetend. Phyt Ivorous (fi-tiv'o-rus) - ography (-tog're fib;, s. planlbesehrijving. Phytolog 1st (fi-tol'ud. zjist), s. plantenkenner. - y, a. plantenkunde, plantenleer. Placul gar (paj-erjoe-ler), -ous, a, misdadig; boetend. Pla-neater (paj-e-mee'tur), a. bersenvlies. Plan et (pape-net), s. kleine apecht. ekster. -ist (ook: pi-a'nist), a. pianist. -oforte (pi-a'noforle), a. piano. Plaater (pi eetur), a. piaster. Plbcorn (pib'korn), a. fiuitpijpje. Pibroch (paj'brok), a. kriagsmuziek der Bergachotten. Pica (paj'ke), a. belustheid; ekster; cicero-letter. small -, brevier-letter. Picaroon (pik e roan'), a. zeeroover, vrijbuiter. Piccage (plk'kidzj), v. steangeld.
• schoen. —, v. a. slaan, kalt.en; v. n. tieren, Rabate (re-beet'), v, a. duen dalen. Rabbet (reb'bit), 8. aponoing. —plane, spanning- 1 , ven waken. —y, a. schreeuwend. tierend. schaftf. —, v. a. met sponntngen Wean voegen. Racking (rek'leng). a. tottering; kruising eener tails; aftapp'ng —pace, telgang. Rabbi trebibib, -ha)), a. rabbijn. Bobbin (reb'bin), a. rabijn. —ical (-bln'tkl), ft.!Racy (ree'sih). a. geurtg; alert. v. a. cameo Raddie (red'd1), a. tulastaak. rabbijnach. --sat, a. rabblinst, talmudist. Rabbit (reb'biti, s. kontjn. poor —, arme rot. vlecbten. Radi at (ree'di-oil, a. stralend, straalvormig. warren, kont) nenberg —ant,a.—antly, —ance, —aney, a. stralluo,glaing. Rabble (rOeb1), a, grauw, jarbagel. Rabid (reb'id), a. dol. woedend. —Rees, a. dol. at. stralend. —ate (est), v. a. bestraleu; v. n. stralen. —ation )-es'sjun), s. atraitog. held, woedc, Radices 1 (red'fitt), a. grondwoord, grondstof, Rabies (ree'bi-iez), a. dolbeld. radikaal. —1, a. —11g, ad. oorspronkelij k; geheel . Rabinet (reb'i-net), s. veldetu.k, veldslang. —lions, a. stelnel der radikalen.—tity Raccoon (rek-koen'), a. wagchbeer. s. oorspronkelijkheid; grondigheid. —te Race (reel'), a. rae, geslacht, stem; wedloop, wedrea, eterke smnak- gear —coarse. reubaau. (-i lest), v. a. deep plauten .' doen inwortden. —lion (-1-kee'.jan), s. inworteling. —ginger, gemberwortel. —horse, renpaarii. —, iiadlcie (redvilti), a. worteikiern. v. n. harddraven, rennen. Raven, anon (res-a- , oee'sjun),s. trots; —of eggs, Radish (red'tsj), s. (re-mesa`), a. tros. —Vero. (-raft'- Radium (reidt us), a. radius, straal; [Teak. elerstok. Radix (ree'diks), a. wortel, ur-uo), a. troadragend. Rae er (ree'sur), a. wedlooper; reupaard,.-iness, HMI {reit), R. verwarde hoop; gespois• Raffle (relit , s. taker dobbellpel. —, v. a. doba. kracht, geurigheid. Rack trek"), e. rekker, scanner; pijnbank; folte- bales, rijfeleu (for). ring; rek; kapstok; spinru.teen; cull; braadbok, Haft (raaft')e a. viol. --'a-man, boutvlotter. —, wagenladder• vile dude walk; telgang: soured; v. a. op (ale) eon via vervoeren, arak; dutzendbeen,nagelbank. —rent, drnkkeode Rafter Craar'tur), s. dwarsbalk, dekapar. takbeut. pacht. —renter, die eene drukkende yacht be- Rag (reg"), a. vod, lamp, lor. —bolt, taalt. —, v. a, rekken, spannen; ptjnigen, fo)- —man, vaddenraper. —sorter. voddenuttzoeker. teren, uitmergelen; verwringeu; aftappea, kla- —atone, zandsteen. —wheel, kamrad. —wort, St. rep (off); a'. u. drijveu, gejaagd warden ale wol, Jacobs-kruld. ken); den telgang gaan. —er, a. rekker; pijuiger; l'Ingesnuftin (reg-e-mutila), s. schobbejak. ultzuiger. Rage (reed j), a. woede, razernki (for of ). Racket(rekli),s.raket;geraas,gebabbel,§ mem, v. n. woeden, razen, tieren. —fat, a. verwoed.
s. Sab4ath (seb'beth), a. sabbath, rustdag. —breaker : sabbatschend.er. Sabbptle (seb-bet'ik), —al, a. van den sabbat, — year, sabbatjaar. Sablan (see'bi en), a. vuur-, sterrenaanbldder. -iota, a. vereering der hennellicham•n. StaLine (seh'in), s. Zie Savin. Sable (see'b1), a. zwart. sahelbant; sabeddier. Shore (see'bur). a. whet. —, v. it. neeranbelen. Salmi [email protected] Iseh'(oe-lum), a. zsndtg. —osity (-los"it-toh), a. za.ndigbeid. `:arcade (oak-heed';, a. ruk (aan den teugol). Sheet. arlferous (sek-ke-rit'ur-us), a. aw;ker horlend. —amine (s,k'ke•rajn), a muikeraelitig. —elate (sek'ko-let), a. melkratikerzuur. Snee,dotal (seat-ur-do'tel), a. priesterli,jk. Zie Satchel. Se,chek (cetaj'il, Stack (sek'),s. ark; wijd vrouwenklead; siltt wi;a); beg:arming. bearer, zakkendrager,ajon,cr. —but, 711611111.1. fcsl , (een) schuiltrompet. zakvol. —racing, bet zaltlaopen. --, v. a. in zakkea doe.; be.siormen.. —age, —ing. p.. be,,torming, plundering —er,e. beetormer, plunder., Sacratortent (sefere-meat', a. sacrament. —al, a. —ally, ad mentel•), van (alt) een sarrament. —any (-mene.,-rili), s. sacramentenhoek. Sacred (see'i,rid), a. —/y, Ad. being, gelwiligd. gewijd (ill; on,, chentlis,:ar. —rays, a. heiligheid; onschendbaarbeid. Sacrific (se-uririi,), a oiler, —dory a. offerend. Ctincelline e (sek'n-fajz), a. offer, offerando; v. a. ed'eren; opafferen; onthrew:; . an; vernteti;ten.; v. offer., ,—er, ta. offeraar. —,ia! (-11afel1, a. ofreveud; offer-.
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).
The other 2% of customer funds, held online, are covered in the event of a breach of Coinbase's online storage. Also, Coinbase holds all customer fiat currency in custodial bank accounts, on behalf of customers. So, if you have fiat currency in Coinbase, in a USD wallet, it is covered by FDIC insurance up to $250,000 (just like a "regular" bank). This protects customer assets (so long as they have been converted to fiat currency) even in the event of Coinbase becoming insolvent.
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

cryptogeld zcash


196 FOilar . 11 .• itia't-greeol, —cc (grie). 5. flits loud.' —post, wegwe'tzer; geesteltike. —stall, viugerling. of enlverdrandwerk. —, v. a. betasten, fommelen; atrossen; v. n. tie lin5s (fafliengz), s. vajlsel. vingers zetten. —ed, a. gevingerd. —ing, s. yingerzstting; betasting. Fill (tills), s. bekontst; verzadiging. —, v. a. vul- len. vervullen; verzadigen. to — water, water. Fingleftingle (fien'gl-fengl).•s. beuzeling. inne.nen. (out) opvullen; sciaenken. (up) ainvul- Finical (fin'ikl), a. —1y, ad. xnodeziek, fatterig; gemaakt. —fleas, s. gemanktheid. lea; beelaan, innemen. —., v. a. vol worden; achenken. --er, 8. V1111 , 1, StOpWOOrd; trekpeard. leinDs (farnie), s. einde. (lin'isj), s. voltooiing, laatste (streak) s. haarbandje; kroonlijet; gouden Fillet randje; exhijf, lendeatuk. —, v. a. opbindvn (met hand. —, v. a. afmaken, ten einde brengen; v. n. eindtgen., ophouden. —er, s. voleinder. sea lint); met acne kroanlijat venieren, FiZlibeg , fil'ii-beg), s. rokje der Ilooglandera. voltooier. —ing, a. laatsto; —stroke, genadeslag, — jag, s. Fillip (111.'lip), s, knip (met de vingers). —, v. n. knippen lop den neus). Finite (faj'najt), a. —ly, ad. eindig, benerkt. Filly (fil'lih), s merrievettlen. —less, a. oupindig. —nes., s. eindigheid, be(film'), a. vlies. —, v. a, met cen vlies be- perktheid. dekko], —y, a. vliezig. Fluitor, (fin')-tur), s. geziehteinder. It (fil'ter), a. tlitreer, doorzijger, ze'. Finnikin (fin'ni-kin), t. tuimelaar. v. a. doorzligen, kleinzen. Fipple (fip'pl). a. stop (eener fiat). Filth (filth';, a. null. -mess, a. vuitheid. —ily, Fir (far),. a. denneboom, pijnboom. ad. —y, VIlil. Fire (faAr'), s. vuur; brand; glood; drift, hartstocht; 'per. to take —, vim (vuur) vatten. to Filtra to (fit'treet), v. a. doorzijgen, filtreeren. set on — , to set— to, in brand steken. —arms, your—lion (-tree'ejen), a. doorzijging. wapenen. —arrow, vuurpijl. —ball, vuurkogel, Fizoble (firn'bi), a. — hemp, gelline. granaat. —barrel, vuurton (op sea' brander). (fim'bri-et), a. gezoomd, net franjes. Fimbriate — board, schoorsteenscherm. —bear, vuurbaken. — (eel), v. R. zoomen. Fin ,fin'), a. yin. —fooled, —toed, a. zwemeoetig. —boom, brandhaak. —bole, gemeentehout, vrij brand. —brand, brandend bout; stokebrand. —scale, yore., —less, a. zonder vinnen. —like, —orush„ haardbezem. —bucket,brandemmer.—dog, a. vinvormig. —acd (-nid), —ay, a. gevind. haardijzer. —cater, vuurvreter. —engine, brandFinable (fajn'ibl), a. bekoetbear. spuit. —escape, reddingstnestel (hij brand). —fan, Finial (farad), a. laatat; beslissend (to); doode- fork , pook. Wk. --rause, grondoorzaak. —ly, ad. ten slotte, vuuracherm. —fly , lichtworm. —hearth,kombuis.—hook,branethaak. —insurance, eindelijk. brandverzekering. —irons, haardgereedschap. Finance a (fi-nens'), s. inkomen. —es (-sir), s. —lock, vuurroer, snaphaan. —man, spuitgast; geldmiddelen.—ia/ (-sjel), a geldelijk,—ier(fin-en- stoker; driftkop. —new, fonkelnieuw. —office, sier'), s. financier. Elnan, s. twecde smidse (in ijzer- brandwaarborgmaatschappij. —ordeal, vuurproef. violent). —pan, vtlurpan• kruitpan. --place, stookplaats. Finch (lints)), s. yin), —creeper, koelmees. brandspuitprop. —prigger, dial (hij brand). Find ilajnd') [found (faa-end)], v. a. vinden; aan- —proof, vuurvast. —room, kamer met stooktreffen; bevinden; veroehaIkea; vecklaren; goad- plaats. —screen, vuurseherm. —set, haardstel. keuren. —one's self, rich bevinden, varen. —fault — ship, brander. —shovel, haards.chop. —side. a. haardstee; hoekje van den hoard; a. huiselijk. (with), bedillen, %igen op. — in one's heart (to), —tongs, haardtang. —ward, —warden, brandtrek hebben. (out) ontdekken; ontraadselen; op- ineeater. --wood, brandhout.--work,—works,vuurloosen. --cc, s. vinder, uitvinde.r.,ontdekker. — ing, e. solid; mania. —logs , a. schoanmakerege-week. — worker, vuurwerkmaker. —worshipper,
VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
203 OPL•ORD. Opnice (op'i-11s), a. handenarbeid. —r (o-piPi- Oracle (or'ikl), s. orakel, godspraak. au?), s. handwerkstran; kunstenaar. Oracul ar (o-rek'joe-ler), a. —arty, ad. -a 148, OpIn able (o-pajn'ibl), a. denkbaar. —ation (op• a. orakeiachtig; beslisrend; raadselachtig, dabi•nee'sjun), s. meeaing. —ator (-pin'ee-tur), a. belzinnig, sttjfkop. — e, v. n. meenen. --iative i-e tiv Oval (airs!), a. —ly, ed. mondelins. a. stiff boofdig, eigenwijs. Orange (or'indzj), a. oranje-. a. oraoje; -boom, Opinion (o-pin' un), a. meening, gevoelen. —ated -appal; sinaasappel. —chip, echijfjevan eon' (•eet-id), —afire (-e-tie), —ed (-jund), o. stijfsinaasappel —flower, oranje-blotesem. —house, hoofdig, eigenzinnig. —ist, a. stijtkop; eigenoranjerie. —lily, oranje-lelle.—man,sintees-appelzinnige. verkooper..—musk, oranje-peer. —oil, oranje-olie. Opiparous (o-pip'e-rue), a. prachtig. —peel, oranje-schil. —anuff,oranje,enuif.—tawny, Opines (o'pl-um), a. opium. oranje-bruin. —tree, oranje-boom. —water, Opietree (o'pl-trie), a. watervlier, sneeuwbaloranje.bloesemwater. —woman, sinaas-appelverboom. koopeter. —ade (-eed'), a. oranje-ilmonade. —ry Opo balsam (op-o-baol'sum), x. balsum van (-er-ih), s. oranjerie. Gilead. —deldoc (-del'duk), a. opodeldok. Oration (o-ree'sjun), e. redevoering. Opossum (o-pos'hum), s. buideirat. Orator (or'e-tur), a. redenaar, apreker; ether, Oppldan (op'pi-den), a. stedeling. sant. --ial (-to'ri-e1), —ical (-tor'lk1), a. wetOppignerate (up-pig'nur-eet), v. a. verpenden. sprekend; redenaars-. —io (-to'ri-0), a. oratoriu m. Oppila te (op'pi-leaf), v. a. verstoppen —tion —y, a. welsprekendheid; bidkapel, -vertrek. (-lee'ejun), a. veratopping. (-le-tiv), a. ver- Orate ess (or'e-tress).. —ix (treks), a. redenaarstoppend. ster, epreekater, woordvoerdater. Opponen ey (op-po'nen-sile), s. tegenwerptng, Orb (orb'), s. bol; ioopbaan; omloop; krinK• kogelvisch. —, v. a. ronden, tot eon' cirbestrtding. —t, a. tegenstrevend; s. tegenetrever, bestrijder. kel vormen. —ate (-et), a. beroofd, varier-. kinOpportun e (op-par-tioen"), a. —ely, ad. sunderloos. —ation (-bee'sjun), s. beroofdheed (von sets, geschikt; ter gelegener tijd. —sty, s. galeoudera of kinderen). —ed 1,-14, orbd), a. cord, genheid; gunstig oofeenblik. cirkelvormig. Oppose (op.pooz"), v. a. tegenstellen ( Ca); we- Orbicula r (or-birjoe-ler), a. —rly, ad. —te derstaan; beetrijden; te keer germ; v. n. zieh I-let ) , a. bolrond, eirkelvormig. —tion verzetten, tegenwerpingeo maken , (against)—less, ( -lee'sjun), a, bolrondheid, ctrkelvormigheid. a. onweder8taanbaar. —r, a. tegenatrever. Orbit (or'bit). a. loopbaan; oogholte, —al, —ual (-bitioe-e1), a. van eon' kring of eene loopbaan. Opposi te (orpo-zit), a. —tely, ad. tegenovergeMeld; strOdig; tegenover (to). —teness, a. tegen—ude 1-tjoed), —y, a. ouder-, kinderloosheid. gesteldheid; tegenatrijdigheid. —tion (-zisj'un), Ore (ork), a. noordkaper. a. tegenstend: tegenspraak; tegenstelling; tegen- Orebanet (or'ke-net), a. roode ossentong (plant). 'Nutt. —tionist (-zisrun-ist), a. oppositee-man. Orchard (or'tajurd), s. boomsaard. —tire (-pozl-tiv), a. tegen te etellen. Oreheste al (or'kes-trel), a. van het orchest. Oppress (op-pres'), v. a. drukken, onderdruk--tre (-tut), s. °reheat. ken. —ion ( preeyun), s. druk, verdrukking. —eve, Orchis (or'kis), a. standelkruid. a. drnkkend, verdrukkend. —ivenese, s. (het) druk- Ordain (or-dean'), v. a. afln-, inatelles; verordenen, bepalen; ordenen. —er, a. die verordant, kende. —or, a. verdrukker. Opprobri one (op-pro'bri-us), a. —mealy, ad. instelt, ardent. achandeltk. —ousness, s. schandelijkheid. —um, Ordeal (or'di-et), e. godscordeel. fire —, s. schande, sneer. proef. water —, waterproef. Oppugn (op-pjoen'), v. a. beetrt den.—ancyl- pug , Order (or'dur), a. ovde; rang; order; bevel, last; nen-sih), s. bestrijding. —er, a. beatrijder. bestelling; maatregel. in —, ten elude, —. v. s. regelen, inrichten; verorden en; bevelen; bestelOpsimathy (opositn'e-thih), te. late opvoeding, len; ordenen; v. n. bevel seven. —er, a. echikaanleering. Opta ble iopttibI), a. wenschelijk. —tion (tee , ker, inrichter. —less, a. ordeloos. —lineal i-li sjun), s. wensch, begeerte. —Cave (-te-tiv), a. nets), a. ordelijkheid —ly, a. & ad. ordeltik, wennchend; — mood, wenschende wijze. geregeld. —a ((durz), pl. geesteltke stand; to take —, de wijding ontvaneen. Optic (op'tik), e. geziehtswerktuig. —, —al, a. gezichts-; gezIchtkundig. —ian (-tipj'en), a. ge- Ordin al (or'di-nel), a. rangazhikk'nd; a. ordebook. rituaal; rangachikkend telwoord. —ance ziehtkundige. —a, pl. gezichtkunde. (-nens), a. verordening, voorschrift, regal. —arily, optim acy (op'ti-me-sih), a. adel. -inns (-mizm), ad. —any, a. (.ne-rih-), gewoon, middelrnatis. a. optimiamus. —eat, a. optimist. —sty it-tih), a. uitnemendheid. —ary (-ne-rlh), s. geestelijk rechter; bisachop; gevangenisprediker; gewoonle; gewoon ambt; Option (op'ejun), a. kens, verkiezing. —al, a. gaarkeukeh; maaltijd;prija van can maal;physician van kens afhangend. Optonneter lop tonri-tur), s. gezichtmeter., in Warts; professor in —, gewoou leeraar; ship in opgelegd rchip. —ate (-net), a regelOpulen ee (oploe-lens), —cy, a. rijkdorn. —t, matig; a. ordinaat (lijn). —ate (-neet), v. a. vera. —Hy, ad. ?Ilk, welgesteld; overvioedig. ordenen, bepalen. —ation (-nee'sjun), s verorOpuscule lo-pus'kjoel), a. werkje. dening, bepaling; ordenina. , wijdInT. —ative Or (or), conj. of. — else, enders, of wel. (-ne-tiv), verordenend, bevelend. Oracle (or'ek), a. melde.
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.
Mfspolnl (mis-point' ), v. a. verkeerCpuncteeren. Misprint (mis-print'), s. drukfout. v. a. verkeerd drukken. • e (min-praje), v. a. onjuist opvatten; minachten. —ion (-prizj'un), s. verzuim; verheling; missing; minachting. Misproc ► meing (mis-pro•siedleng), s. verkeerde (onregelmatige) handelwijze. Mispro nounce (mis-pro-naauns'(, v. a. & n. verkeerd uitspreken. —nuneiatioa (-nun eji-ee , ',jun), a. verkeerde uitspraak. NtIsproportion (mie-pro-poor'sjun), v.a.onevenredig v erdeel en. Misquot e (mis-kwoot"), v. a. verkeerd ae-nhalen. —ation (-tee'sjun), 8. verkeerde aanhaling. M I srate (rnis-ceet"), v., a. onjuist begrooten. Misreeli al (mis-re-sfirtel), a. onjuist bericht (verhaal). —e (-8ajt'), v. a. onjuist opzeggen, — berichten, verhalen. Misreckon (mis-rek'kn), v. a. misrekenen. Misrela to (mis-re-lost'), v. a. onjuist verhalen. —tion (-lee'sjun), 8. onjuist verhaal. Misreingmber (mis•re-mem'bur), v. a. zich onjuist herinneren. Misreport (mis-re-poort'), a. valsch bericht, — gerucht. v. a. onjuist berichten. Misrepresent (mis-rep-re-zent' ► , v. a. verkeerd vooratellen. —ation (-tee'f-jun), s. verkeerde voorstelling. —er, a. die verkeerd voorstelt, verdraaier. Misrule (mis-roeV), s. mallards, getter, oproer; wanbestuur. Miss (miss), 8,juffrouw,mejuffrouw,bijzit; genic —, v. a. & n. misses; eau misslag begaan; —fire, weigeren (van een geweer). Missal (mis'sel),.. miaboek. Missay (mis- see') [irr], v. a. verkeerd zeggen; v. n. rich verspreken. Iil iseervc (mitr(surv'), v. a. ontrouw dienen. Misshape (arras-sheep'), v. a. misvorrnen. —d,—n (-shee'pn), a. misvormd, misn:aakt. Minaile (rie.:411), a. werpbaar, werp-. —,s. werptuig. Missing (mis'sieng), a. vermist, wag. Mission (misj'un), a. tending; gezantochap.—ary, a. zendeling-; a. zendeling. Missive (miteeiv), a. gezonden, geworpen, send-, warp-. a. zend b def. Misspeak (mis-spiek') [lrr], v. a. siecht uitspreken ; v. n. zich verspreken.
zellende vertuien. —age, a. ankerplaats. —togs Morplon (mor'pl•un), a. platluis. (-iengz), pl. havenankers, rneertouwen. Morris (mor'ris), a, —dance, moorsche dan*, heti Moose Imes), s. eland. tendons. Moot Itnoet'), a. oefenpleidnot. —case. —point, Morrow (mor'ro), a. morgen. to —, morgen, after opgeworpen reWsvraak. —hall, —house, dispu- to —, overmorgen. to — morning, morgen ochtend. teerzaal, roadhuis. v, a. & n. hepleiten, plei- Morse (moral, s. zeekoe, walrus. ten, disputeeren (tot oefening(. —ed, a. net den Mz)esel (rnor's11), a. beet, hap, brokje. wortel uitgerukt. a. redetwister; nagel. Mort (mort'), s. hallalt (der jagers), both, romp. Mope stomp; driejarige zalm. —al, a. sterfelijk, men. Mop (mop), a. stokdweil; teerkwast; scheef ge- ' schelbk; doodeltik. — enemy, doodvijand. —al, a. zioht. —, v. a. dweilen; v. r.. ern scheggezicht sterveling. —a/ity r. sterfellak. trekken. held; &011ie; bill of —, sterffilst. —ally. ad . doo. Mop e (moop'), R. droomer, druiloor. —e, v. n.
This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


Foretop-gallant• (-gcl'ient-) a- tourbrams t eng. —royal-niaat, s. voor- bovenbramsteng. —royal-yard, a voor-bovenbramra. —royal-sail, voor-bovenbramzeil. —royal-shrouds, a. voor-bovenbramstengewant. —shrouds, 8. voorbramstengewant. —sail, a. voorbramzeil. —yard, s. voorbrairra. Foretop-mast (-top'maast-), a. , voorsteng. —shrouds, a. vooratengewant. —staysail, a. vooratengestagzeil. Foretop- (-top'), voormarszeil. —sailyard, s. voortopszeilra. —yard, a voormarszeilra. Foretry. (-traj') call-galT, a. stormgaffel can den fokkemast. Forevouelmed (-vautsW), a. to voren verzekerd. Foreword (foor'waord), a. voorhoede. Forewarn (-waorre), v. a. vooraf waarschuwen. —ing, a. waarschuwing. Fore wish (-wisr), v. a. vooruit wenschen. —worn (-woorn'(, a. versleten. Foreyard, a. fokkera. Forfeit (for'll t), a. verbeurd. —a, verbeuring, boeto. to Flay at —s, pandvcrbeuren. —, v. a. verbeuren. —able, a. to verbeuren. —tire (-joer), a. verbearing; baste. Forge (foorclzr),`,.s. amidse, ijzerhut; (het) ameden. —, v. a. ameden ; verdichten; nanaaken. —r, a. smeder; verzinner; falsaria. —ry, a. smidswerk; vervalaching. Forget (for-get') [forgot, forgotten], v. a. vergeten; verzuimen. —ful, a. vergeetachtig; onachtzaam. —fulness, a. vergeetachtigheid. —ter, a. vergeter. Forgive (for-giv') [ire ], v. a vergeven. -seas, a. vergiffenis. —r, a. vergever. Fork (fork'). a. vork, gaffel; punt, arm of verzwaardvisch. —head, pijlpunt. takktng. v. n. in twee takken —tail, vierjarige calm. (armen) uitloopen. —ed, a. — edly, ad. —y, a. gaffelvormig, gespleten; dabbeizinnig. —edness, a. gaffelvormigheid. Forlorn (for-lorn'), a. verlaten; hopeloos. —lope, verloren bende; gewaagde onderneming. —ness, a. verlatenheid; hopelooze toestand. Form (farm), a. vorm; uiteritjk, gedaante; zitbank, schoolklasse; leger (van can' base). —.v. a. vormen, fonneeren; v. n. zich vormen, zich formeeren. Formal (for'mel), a. —ly, ad. vormelijk, utterstijf; uitdrukkelijk; stipt. —ist, a. gloat van vormen. —ity ( a. vormelijkheid, uiterlijkheid ; plechtigheid; stiptheid, —lee (ajz), v. a. vormen, wijzigen; v. D. zich deftig (gemaakt) aanstellen; van uiterlijkkeden houden. Formation (for-mee'sjun), a. vormtng. —ive, (for'me-tiv), a. vorrnend; s. afgeleid wooed. Former (form'ur), a. vormer, maker. Former (form'ur), a. vorig, eerstgenoemd. —1y, ad. vroeger, eertijda. Formful (formloel), a. vindirgrijk. Formication (for-mi-kee'ajun), a. krieuweling (op de huidi. Formida ble (foemi-dibl), a. —bly„ ad. vreeseiijk, geducht. —bleness,'a. vreeselijkheld. Formless (formless), n. vormeloos. Formula (for'mjoe-le), a, voorachrift; formule.


Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.

STO.—STR. Stop (stop'), a. stilstand, (het) ophouden; beletsel, veratuiken; sterk inspannen, overspannen; ove.r• atoornis; elude; klep,toets; leesteeken. to put a — drijven; v. n. zich inspanuen; deorzijpelen. —er, to, stutten, ern eInde waken attn. —cleat, atoottlltreerbak, zijgdoek; vergiettest. —ing, a. spanklamp. —cock, afsluitkraan. —gap, stoplap; nood- s. ning; inepanning; overdrijving; doorzijelng. hulp; hekeluiter. etopklep. —, v. a. dicht- Strait (street'), a. street, zeeengte; verlegenheid. etoppen; staken; etuiten; belemmeren; v. n. op—, a. —ly, ad. recht, atrak; eng, nauw ; stipt; houden; stilhouden, stopper,. —page, e. toertopmoeielijk; gierig. —handed, gierig. —handedness, ping; ophouding; beletsel ; inhouding; besiagleggierigheid. —jacket, dwangbuis. stilt ge ging. —per, u. dIchtetopper; stopper ; stutter; regen; strong, stij I'. —en (street'n), v. a. spaunen; wiekje; stop; v. a. etopprn; met eene stop slutnauw maken; beperkeu; in verlegenheid brew• ten. gen. —nest, s. etrakheid; enete; bekrompenheid; Stopple (stop'pl), a. stop; prop; klep. stiptheld; strengheid; moeieltjkheid; verlegenheid. Storage (sto'ridzj), a. (het) °Wean; pakhuis- Stroke (etreek), a. streep; smalle rand; gang, buur. planken; radIscheeen. Store (stoor'), a. voorraad; overvloed; pakhuis. Stramlneous (etre-mini-us), a. stroottchtig; in voorhanden. —book, pakhuisboek. —bread, van stroo. scheepabeschult. —candles, getrokken kaarsen. Strand (strand), a. strand; vlecht, strong. —house, magazijn. —keeper. magazijumeester. v, a. & n. (doen) etranden. —ship, proviand-, ammunitie-schip. —, v. a. op- Strange (streendzj"), a. —ly, ad. vreemd; slaan; opleggen, ophoopen (up); (with) voorzien heemech; zonderling, wonder!ijk, buitengewoon; van, opvullen met. —r, s. oplegger, ophooper. blonde. —, int. zonderling 1 a. vreemd—a Istoorz), pl. provtand; oorlogsbehoeften. held; wonderlijkheid; bedeesdheid. r,s. vreerndo, Storied (sto'rid , , a. in de geschiedenis vermeld; onbekende; vreemdeling. suet historieche platen versierd.. Strain gle (streng'g1), v. a. worgen, smoren; enStork (stork'), o. ooievaar. —'s.bill, ooievaarsderdrukken. —pier, a. worger. —plea (streng'glz), bek. pl. dross. —gulation (-gjoe-lee'sjun), a. worging. Storm (storm'), s. storm; onweer; aware but; —gury (-gjoe-rih), a. moeielijke waterloortug. bestorming; geraae, gewoel. by —, storrnender- Strap (strep'), a. riem; strop. —, v. a. met een" band. —beat, door den storm geteis terd. —bell, 'gem slaan; aanzetten. —redo (-pee'do), a. (het) stormklok. —finch, stormvogel. —jib, stormkluiwippen (eene straf). —per, a. driedekker (man var. —, v. a. beetormen; v. to. stormen; ra7en, of arouse). —ping, a, grout en sterk, bulderen. —y, a. stormachtig, onetuimig. Strait agent (ntret'e dzjern), s. krijgslist; list. Story (sto'rib 1, a. geschiedenis; vertelling; sprook—egist s. krijeskundige. —egy(-e•dzjih!, je; verdleping. —teller, verteller; sprookjesvera. krljgskunde. —ification (•if-t-kee'ajun), s opteller. —, v. a. yertellen. eenstapeling van lagen. —ify ( i-fej), v. a. in Slot (stet), a. paard; jonge Etter. lagen leggen. —urn (stree'tum), s. time, eehteht• Stoup (staup), wijwatervat; kruik, stoop. Straw (strao"), a. el rooien, van stroo.—,s.streo; Stout (slant% a. ZWARI. bier. —, a. —1y,ad.lijvig; beuzeling. not to care a —, er niets am geven. forsch; sterk, stevig; kloek, dapper; hardnekkig. to be in the —, in het kraambed lIggen. —bed, —hearted, onverschrokken, koen. —neat, s. lijstroobed. — berry, aardbezie. —built, van stroa vigheid; forschheid; stevigheid; kloekheid, dapgernaakt. —color, strcokleur. —colored, etrookleuperheid; herdnet kigheid. rig. —cutter, hakeelbank; atrooanijmes. —hat, Stove (stony'), s. kachel; kachelkamer; stool; stroohoed. —worm, etrooworm. —y, a. strooien; badstoof; broeikas. --, v. a. stoven, broeieu. strooachtig. —r, s. grof hoof, veevoeder. Stray (stree), s. afgedwaald dier. v. n. afdwaStow (sto'), v. a. stouwen, etuwen; plaatsen, in len (from); verdsvalen, ronddolen. order leggen, opleggen (away); optetten (een Ra- Streak (striek"), a. streep; zie Stroke. —, v. a. ker); beslaan (een sell). —age, s.stuwage; bergstrepen, —ed (atrieht). —y, a. gestreept. plants; stuwloon. —er, s. stouwer, stuwer. Stream (atrlem'), a. atroom. —anchor, w orpenker. Strahtsm (stree'bizm), s. het scheelzien. —cable. daagsch touw. v. a. strepen, opeteStraddle (stred'd1), v. u. wijdbeens staan; schrijken (eene boel); v. n. stroomen. —er, a. wimp, 1. lingo loopen. —let (-lit), a. stroompje. —y, a. etrooreend; vol Straggle (streg'g1), v. n. dwalen, zwerven; veretroonen. strooid (aileen) staan; zich verwljderen; to aterk Street (striet') s. strata, —door, voordeur. —to ne, wassen. s. zwerver, landlooper; achterblij• atraatlItul,;e. —walker, straetslitper, etreatheer. vet Wilde loot; alieenstaand Strength (strength'), a. eterkte, kracht; macht. Straight (street'), a. —ly, ad. recht. regeirechi. —en (streng'th), v. a. & n. stork teeken ( war—, ad. terstond, dadelijk. —en (street'n), v. a. den); versterkeu. — ener (streng'thn-ter}, n. verrecht maken. —ener (street'n-ur), s. rechtmaker; sterker. —less, a. krachteleoe. bestuurder. —forward, ad. reehtuit; rued, op- Strenuous (stren'joe us), a. ad. tie, ig.„ recht. --nest, a. rechtheid. —way, ad. onrniddelonverdreten, leak ker; dapper; he vie. —.news,te. lijk, terstond. ijver, depplrheid; hevieheld. Strain (streen'), a. inepanning; verrekking; ver- Stress (stress), S. gelViCht; nadtuk, hlem; draating; attjl, trent, Loon, klank, wijs; aanleg; held, to lay — upon, aaudriugen op. neiging; afkornat; geslacht., ras. —, v. a. sterk Stretch (stretej"), a. uitstrekking, spanning.; nit spannen; person, drukken; dwingen; doorzijgen; gestratheid; luspaening, overspennine; niterste 10
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
6enlettergrepig. —ble a. woord (mo-relit-tih), e. zedelijkheid; zedenleer. —ice, van One lettergreep. ( Rig), a. a. eene zedeles trekken nit ; v. n. zedenMosiolheisru (mon'o-thi-izin), a. geloof aan I lessen geven, —iser 1-a.;z-ur), s. zedenpreeker. Adnen Sod. (-elz), pl. zeden; zedelijkheid, xedenkunde. Monoton outs (mo-not'un-nus), a. eentoonig. Morass (mo-rena'), a. moeras. --y, a. moerasnig. —y, s. eentoonigheid. ;Nor bid (mor'bid), a. —ly, ad. ziekelijk. —ness, Monsieur (mon-sjoer', mon'sier), a. Monsieur; n. ziekelijkheid. Franaohman. Mork ;tic (mur. —ifical, a. ztekteveroorMonsoon (mun-noen'). s. passaatwind. zakend. —Mous 1-bielus), R. MaZeIRChtig. —use Monster (mon'atur), a. monster, gedrocht. ; (-boos . ), a, ongesteld, ziekelijk. —osity (bos'itMonstrosity (mun.stros'it-tili), s. noonsteraeb- tih), s. ziekelijkheid. gedroehtelijkheid. Mordaci one (mur-dee'sjus), R. b)jtend, schen,. Iilonatroca (mon'Attus), a. —ty, ad. mounter- --ty bijtendheid, seherpte. achtig, gedrnchtelijt, afgrljaelijk. —ness, e. Zie Mord ant (mor'deat), a. hijtend; s. bijtmiddel. rdottatroalty. —icant (-di-kent). S. bijtend, acl;erp. —ication Montanic rt. van de beaten. (-di kee'sjun), s. b'gting, invreting. Montant (mont'ent), s. halve mean; (bet) your- More (moor), a, & ad,. nicer, meerder. once —, nitdringen. nag pens. some (any) —; nog thee, — and —, hoe Montero Imun.tero), s. rtlpet, -mots. "anger hoe meer. the —... the —..., hoe sneer... Monteth Imon'teth, s. spoeivat. des to nicer—. ea march the —. den to meer. no —, Month (month'), R. maand. vurig vernit itanger. never nooit weer. s. grouter large!, —ly, a. msandelijksch ; ad. maandelijks. bedrag; hoogere grand; heuvel. Monument (mon-joe- meet), a. gedenkteekan ; Noreen (mo-rien'), a. moird. gedenkstuk. (-maned% R. gedenk-, graf-. Morel Imo-reP), s. nachtneha de; morel. —berry, —ally (-ment'el-), ad. ale aandenken, ter ge- , —cherry, jodenkers, kriek. daehtenis. More land (moorlendi, a. bergaehtig land. —over Moo (moe , v. n. loeien, spotters. (-o'vur), ad. daarenboven, bovendien. Mood (moefl'), a. aard, wijze, trent; stemming; Maresqne mo-resin, a. nnoorsell, drift. —iness (-i-ne-so), s. gemelijkheid. —ily, ad. Morganatic (mor-ge-neelk), a. morganatiseh. —y. a. gemelijk; treurig. Morigerous (mo-rid'zjur-us), a. gehoorzaam, Moon (moen'), a. mann; maand. man- onderdanig. strata. —calf, wansehagen vru eht; lnmmal. —.eyed, Morton (mo'ri-on), a. stormhoed, helm. bilziende. —fern, maankr,id. —fish, spiegelviseh. Morisco (mo.ris'ko), s. moorsche dons; moorsche —light, maanlicht. —reed, maankraid. — shine, teal. manenehijn;beuzeling,—struek,maanziek.—trefoil, Morkin (•or'kin), a. gestorven wild. maanklever. —wort, zilverblad. —jolt, a. veran- Morliog (mor'lieng), s. steriwol; doode wol. derlijk. —lees, a. zonder mean. —tiny, a. sal, Mormon Imor'mun), s, Mormoon. stoffel. —Y, a. met erne mass ; maanvormig ; Morn Imorn!, a. ochtend, oebtendstond. besehonken. Morning (morn'leng), s. ochtend, morgenstond. Moor (moer'); a moeras, yarn; Moor. —cock, kor- —gown, ochtendjapon. —prayer, morgesgebed. ham —coat, moerkool. —game, moeranvogeln. —print,oehtendblad.—atar,morgender.—twilight. —hen,korhoen. —land, moera , ,veenland.—'s-head, ochte.ndschemering. moorenkep. —stone, tizernteen. —ish, a. moeras- Morocco (mo-rok'ko), a. marolkijn. gig; moorsch. a. moerassig. Morose (rno-roos'), a. —ly, ad. gemelijk, knot• Moor (moer'), v. a. meeren, vastleggen: vertuien; rig. —ness, a. gemelijkheid, knoreigheid. v. n. ten anker komen. — across under sail, al Morphew (inorlioe), a. dauwworm.

Kun je geld op te nemen uit een Bitcoin ATM


139 & n. Peon; Vervolgt n. (after) najagen; nasporen. v• a. ,chillen, voor top en take' drijven. (down) ontmoedigen. (for, jagen op. (out) 0113130pa-len• in den romp schieten; op strand zetten; ren, uitvorsehen. (up and down) van elle z,,jden v. n. drijvee, dobberen. —y, a, met achillen, zoeken. —er, a. jager, iachthond, -paard. —lag, hu 1 zig. into a. jacht, jachtvermeak. —ing-horn, jachthoren. liuvu (hum), a. gegona, gebrom, genettrie. —ing-match, jachtrartij. —ing-moon, waesende hat —, v. a. neurien; bedotten; v. n, neurien; mean. —ing-nag, jaehtpaard. in -seat. jaehtgonzen, brommen. lisminn (pe'men), a. —ly, ad. menschelijk.—e, a. hub,. -slot. —rem, a.jagerin. —sman,jager. —manship, jagerschap. — ely, ad. (joe-mean'), menschlievend, rninzaam, s. menschenkenner; letterkundige, Hurdle (hur'di), s. teenen horde; schanskort heusch. —ist, v. a. met horden bezetten. —ides ( ► en'it-tiz), pl. de fraaie wetenschappen. s. mensehheid; menschelijk- liurds (hurdz), pl. Zie Herds. it held; minzaambeid, heuechheid. —ire (-ajz,, v. Ilordyegu'rely (huedih-guedih), s. lier. Hurl (hurl'), s. worp; oploop; rumaer. —, v. a. a. beschaven. —kind (-kajndl, a. menschdom. n. dwarrelen. Humble (um'b1), a. Humbly, ad. nederig; onder- werpen, slingeren; uitstooten; danig; gering. —bee, hommel. —bee-eater, bijen- —tat, strijdkolf. —wind, dwarlwind. —er,s.werwolf. —mouthed, deemoedig in 't spreken, gedwee. per, slingeraar. —jug, a. zeker balseel. —y-burly (-bur-lih), s. verwarring, gewoel, rutitoer. —plant, kruidje-roer-mij-niet. —, v. a. vernede- ren, krenken; verootmoedigen. —ness, a. nederig- Hurrah (hoe-ra') int. hone Hurricane (hur'rlekeen); s. orkaan. heid. —r, a. vernederaae. Humbug (hum'bng), a. bluffed], bedrog; wind, Harr led (hur'rid), a. overijld. —ier (-riur), s. v. a. bedriegen, aandrijver, jachter. —y, a. groote haact, overlarie; bluffer, windmaker. bedotten. ijling; drukte; opschudding. --y, v. a. jachten; Humdrum (hum'drum), a. alaperig, onnoozel, bespoedigen; haastig verrichten; (away. off; ant-, lijzig, —, a. do ► mor, druiloor. wegvoeren; (on) aandrijven; overWen; (out) verllunsect Ijoe-mikt'), —ate, v. a. bevochtlgen. jagen. —y, v. n. ham maken, Wen; (away ng. wegijlen. , —ation (ee'sjun), bevochtlgi Numeral (joe'me-rel), a, tot den schnuder be- Hurst (hurst), s. botichje. Hurt (hurt') [hurt], v. a. letsel doen, bezeeren , hooread. a. letsel; bezeering; kwetsen; benadeelen. Humid (joe'mid), a. vochtig. —ity (-mid'it-t1h), kwetsuur; nadeel; schade. —ful, a. —fully, ad. —ness, s. vochtigheid. schadelijk, nadeelig. —fulness, s. schadelijkheid. liumill ate (joe-miri-eet), a- a. verned"ren; verootmoedigen. —ation (-ee'ejun), a. vernedering, —less, a. onschadelijk; ongedeerd. —lessness, a. verootmoediging. —ty, a. nederigheid, ootmoed. onschadelijkheid, ongeschondenheid. Ilum suer (hum'mur), a. gonzer; nervier. —ming, Hurtle (hur't1)„ v. a. voortduwen, hevig stooten, rondalingeren; v. n. botsen; kletteren, schera. gegons; geneurie. —mtng-ale, krachtig bier. card- mutselen. —berry, blauwben. -ming-bird, kolibrie. —mock (-muk), hoogte, heuveltje. —mums (-mumz), pl. warms Husband (hutthend), e. echtgenoot, huisvader; baden. mannetje (van dieren); landbouwer. v. a. Humor (joe'mur), a. vocht, sap; gemoedsatem- zuinig beheeren; bebouwen. —man,landbouwer. ming; goads luim; luimtge inval; gril. out of —less, a. zonder man. —ly, a. & ad. huishondein eene kwade lutm. —. v. a. zichschikken near, lijk. —ry, s. landbouw; huishoudkunde; huiste wills zijn, aan luimen toegeven. —al, a. van houdelijkheid, zuinigheid. geestig menseh. Hush (Misr), int. atil I sue I —, a. stil,. bedaard de vochten. —ist, e. luimig. —sun, a. —curtly, ad. grillig, luimig, geestig. —, v. a. still en, tot zwijgen brengen; (up) lumen , v. n. sill zijn. —money, steekpen—ousnesa, a. grilligheid, luimigheid. —some, a. amoren. n into -.tamely. ad . gemelijk; luimig. Hump (hump'), s. —back, bochel, bult. —backed, littak (husk') a. schil. dop, bast. —, v. a. schilgebocheld. len. —ed, a. met titbit, huls of bast; gepeld. Hunch (buntaj'), a. bochel, bolt; stoat, duw. geechild. —iness, a. bamtigheid; heeschheid. —y, —back, bochel. — backed, gebocheld, —, v. a. a. schillig; droog, hem), (htaz'zih), a. Huss ar (hua-zaar'), a, huzaan horten, stooten; krom buigen. sloerle, Peeks; huiehomiltjke Huntired (hun'drid), a. honderd. —, a. honderd- vrouwmensch tal; district. —court, kantongerecht. —fold, hon- vrouw. derdvoudig. —weight. centenaar. —er,a. kanton- Hustings (hustlengz). pl. otadsgerecht In Londen); verkiezingsplaate. reehter. —th, a. honderdete. (hus's1), v. a. hutselen. hung-beef (hung'biet), a. gerookt vleesch. Hunger (hung'gur), a. honger; aterk verlangen. Iluvwlfis (huezif), a. huisvrouw; alechte hula-bit, —bitten, a. door den !longer gekweld. houdster, konkel; naaidoos.v. a. zuinig —starved, uttgehongerd. —starve, a. a. doen ver- beheeren. —ly. a. & ad. huishou'delijk. —ry, a. hongeren, —, v. n. hanger.; hunkeren, (after. huishoudelijkheidi beatier eener huishouding. for). —ed, a. —ly, a. & ad, hongerig. lint (hut), s. but, barak,.foods. —, v. a. In eene illungr y (hunlegrih), a. —ily, ad. hongerig, hon- barak of loods bergen. Hutch (hutsj), a, meelkist, baktrog; rattenval; gerend; schraal, —y evil, Londshonger. konijnenhok. —, v. a. bewaren. Hnnks (hungks), a. hongerlijder, vrek. Hunt (hunt' ► , s. jaeht;) koppel hamlet,. —, v. a. Iluzza (hoe-zee'), int. hoezee 1 —, a. vreugdege-
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

Kunt u verkoopt uw ​​Bitcoin voor geld


PRE—PRI. 233 mend; varhinderend. —ire, a —ively, ad. voorko • —r, a. eerst, oorspronkelijk. —r (prineur), a mend, verhoedend, varhinderend (of;. —ive, s abebook, gebedenboek. behoedmiddel. Primev at (praj-mi'vel), —au:, a. allereerat, o or Previous (pri'vleu,), a. —ly, ad. voorafgaand, spronkisltjk. voorlooplg, (to) voor, vroeger. —ness, a. voor- Priming (praymieng), a. pankruit; grondverf, loopigheid; (het) voorafgaan. —horn, kruithoren. —iron, —wire, ruimnaald, Prevision. (pre•vizrun), a. (het) vooruitzien; ruimijzer. Primitial (praj•mispel), a. van de eerstelIngen. vrryrz(oprege.e,), ad. aloud, por• proof; butt. beast of —, roofdier. Primitive (prim'!-tiv), a. spronkeltjk. a. grond•, stamvoord. —nest, roofvogel. —, v. n. rooven, plundereft bird (on. upon' loeren; men; ondermijnen. —er, a. a. aloudheid; oorspronkelljkheid. primness (prim'ness), a. gemaaktheld. roover; verslinder. Prirnogemi al (praj•rno-dzjrni-e1), a. eerstgePeace (praje';, a. pits; waarde; loon. to bear a boren; oorspronkeltjk; vooenaamst. —tor (-dzjen , kosten, heloopen. —current (-kur'rent), prijecou- i-tur), a. voorzaat. —lure (-dzjen(i toer), a. eerstrant. —, v. a. ptijzen,' schatten. —less, a. on- geboorte. —ttsreship (-dzjen'i-tjoer-). a. eerstgeschatbaar; zonder waarde. Prick. (prik'), s., prik, steak; prikkel, stehel, boorterecht. angel; mikpunt; spoor van een' loans); wroeging. Primordial (praj-mor'di-e1), a. oorspionkelijk. —caved, voorbarig; neuewijs. —louse, luizenknip• — s. ooreprong. per, snijder. —madam, muurpeper. —post, bind- Primrose (prim'rooz), a. sleutelbloem. stuk. —punch, dril. —song, lied op note', —timber, Primy War mih), a. bloeiend. Prince (prima), a. vorst,prins. —royal, kroonprins. — wood, papenhoet, epllieboom. Prick (prik'), v. a. prikkea, steken; vaststeken; —'s-feather, duizendsehoon. —'s.metal, spinsbek. ebbenprlkkelen; aanegoren (on); kwell en, grle yen; open- Rupert *s•drops, glastranen. vorstendom; voretenetand.—like,a. steken; vernagelen; opiteken, egiteen (de ooren); bout. (down) opteekenen; op notes zetten; auur maken. prinselijk, vorstelijk. —linen (-11-neat,), s. vorste—ling, a. prinsje. —1y, a. vorsteltjk. —se - to chart, beatek makes, den koers aanteeke- Itjicheid. nen. — the sails, de naden der zeilee atikken. (-es), s. vorstin, princes. —, v. n. zieh opscbikken; spoorslags rtjden; zieh Principal (prin'si-pet), a. —1y, ad. voornaanest, s. hoofd, patroon, laatgever; opschikken; mikken; zuur warden. —er, s. prik- hoofdzakeltjk. hoofdzaak; kapitaal, hoofdsom. —ity (-perit•tih), her; stekel; prlem. —et, a. epiesbert. —ing, a. a. vorstendom, prinedom; heerschappt). — near, prikkeling, etching. Prickl e (prik'kl), a. prikkel, stekel, acherpe a. hoofdzakelijkheid, voornaambeid. punt; —back, stekelbaars; —edged, doreuachtig; Principle (prn'sip1). a. beginsel, grondbeginiel. v. a. van —pear,tniische vijg;—wheik,distel borent;e.—iness grondstelling, grondslag; oorsprong. beginselen (grondstellingen) voorzien; inprenten. (-1-ness), e. stekeligheid. —ing, s. stekel beard. —y, a. stekelig; doornig. — ash, doornesch; —pear,' P rin cock (prin'kok), —cox, s. fat, kwast. (Prink (pringk), v. a. opschikken; v. n. pronken, ind lecke peer. Pride (prajd), s. hoogmoed, trotschheid (of); fier-1 zwierig gekleed gaan. held; luister, praal; tochtigheid. to take -- in, 'Print (print), s. meek, indruk, spoor; temps,; druk, afdruk; prent, pleat; vlugsehrlft; dagblad. trotoch ztja op. —, v. a. one's self (in) trotech uitverkocht. —, v. a. & n. drukken. out of On op, (on. upon) zich laten voorstaan op. of-, indrukken; inprenten. —er, s. drukker. Prier (prayur), a. bespieder, beloerder. Priest (priest), 5. priester, geestelijke. —craft, Printing (prineteng), s. (hot) drukken. art of —, priester bedrog. —ridden, door priesters geregeerd. drukkunst. —house, —office, drultkerij. —ink,druk-ess,e. priesteres. —hoad,s. p:iestersebap. —like, , inkt. —letter, —type, drukletter. —paper, drakpapier. —press, drukpern. (-li-ness), e. prlesterachtig, priesterlijh. Prior (prayur), a. vroeger (to). — right, racist van s. priesterlijkheid- —ly, a. prIesterlijk. a. prior; chef. —ate (-et) a. prioPrig (prig'), e. fat, kwast; diet. —, v. a. stelen, , naasting. rant. — CMS. priores. —sty (-or'it-tih), a. meet.kapen, —pies (-gi , j), a. verwaand, kwaeterig. derheid; voorrang; — of birth, eerstgeboorte; Prill (prill'), s. tarbot. , credityrs by —, bevoorrechto schuldelsehers. Prim (prim), a. gemaakt, stiff, mufferig. —, v. a. I s. priorschap. —y, a. priori). opschikken; v. n. gemaakt ( uufferigi zijn. Prima )praj'me). s. aerate kolom; echoondruk. Primage (praj'zidzi), s. prijarecht. Pribm (prizm), s. prisma. —atic (priz.met'ik), a. voorrang; opperkerkvoogdij. —ge van (els) een prisma. e. kaglaken. —riness (-ri.neee), s. het eerst gin; eerste , graad. —rily, ad. —ry, a. east, oorspron- Prison (prit'n), a. gevangenis. —base, —bars, diefjesepel. —fee, sluit-, zitgeld. —house, gevankelijk; 7oornaamst. —e'y instruction, lager onder- genhuis. —, v. a. gevangen nemen. —er, s gewits. —te (-met), a. opperkerkvoogd. s. gevangenschap, hechtenle. vangene. (-met.), e. opperkerkvoogdij. Prime (prajm), a. —4, ad. eerst, oorepronkelkjk, Pristine (pris'tin), a. aloud, oorpronkelijk. voornaarnst; voortreffelijk, uitgelezen; bloeiend. Prithee (pritleie), int. silicon! ih bid u! e. begin; hear; dageraad; Prittle-prattle (prIt'tl-pret't1), a. geanap. —cost, inkoopsprija. lente; btoei; opkomst; jeugd; pankruit. —, v. a. Privacy (prarve-sin), s. afzondering; helmelijkheld; vertrouwelkjkheld. bruit op de pan darn; in de grondverf zetten. —ness, s. oorspronkeltjhheid; voortreff,lijicheid. Private tprarvEti, a. geheim; btjzonder; ambte-
—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered.

(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Waar kan ik kopen online Bitcoin


404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


a. heesterachtig. —et (-ret,), a. boompje. —ist (-rist), a. boomkweeker; boomkenner. Arbuscle (ear'bus1), a. heeater, struik. Arbute (aar'bjoet), a. aardbezieboom. Arcade (er-keed'), booggaanderij. Arcanum ler-kee'num), a. geheim. Arch (aartsj), a. boog; gewelf. —, v. a. welven. , a. —ly, ad. snaaksch, achalkach. —new, a. snaakschheid; sluwheid. —er, a. boogschutter. —ery, a. (het) boogschieten. —wise, a. boogswijze. In samenstellingen voornaamste, eerate. —angel (aark ern'dzjel), aartseneel. —bishop, aertabia. eche!, —bishopric, aartsbisdom. —deacon, aartsdeken. —duchess, aartshertogin. —duchy, aartshertogdom. —duke, aartshertog. —fiend, aortavijand. —heretic, aartsketter. —priest, aartspriester. --rogue, aartegebelm. Archaism (aar'ke-izm), a. verouderde spreekwijze. Archeoliog !cal (ear-hi o-lod'zjikl), a. oudheidkunde betreltend. —y (-ol'ud-zjih), a. oudheidheidkunde. Archetype (aar'ki-tajp), 8, oorspronkelijk modal. Archiepiscopal (aar-kje-pia'ko-pel), a. aartsbisschoppelijk. Archl pelago (aar-ki-pere-go), s. archipel. —tect (aar'ki-tekt), a. bouwkundige. —tectonic (-tek-ton'ik), a. bouwkunatig. —tecture (aar'kitek-tjoer), a. bouwkunde. —trove (aar'ki-treev), a. hoofdbalk. —yea (aar'kajvz), a. archieven. —vist (aaeki-vist), a. archivarius. Arctic (aark'tik), a. noordelijk. —pole. noordpool. Arcuat e (aar'kjoe-et), a. boo gvormig. —ion (-ee'sjun), a. bulging; kromte. Arden cy (aar'den-isih), a. hitte;1 bye, —t, a. —tly, ad. gloeiend; ijverig. Arders (aar-ders), a. braakgrond. Ardor laar-dur), a. hitte; ijver. Arduous (aar'djoe-us), a. eteil; moeielijk. —nes., 8. hoogte; moeielijkheid. Area (ee'ri-e), a. vlakte, opene ruimte; vlakteinhoud , Aref action (er-i-fek'sjun), a. droging. —y (er'ifaj), v. a. drogen. Arena (er-i'ne), a. atrljd- of renperk; vlakte. Aren nceous (er-i-nee'sjua), —ous (er'i-nus). a. zandig. Argent (aar'dzjent), a. zilveren; —ation 1-tee'sjun), a. verzilvering. —ine (- tajn), a. zilverkleurig; zilverkliukend. Argil (aar'dzjil), a. potaarde. —lout, a. leemen, van potaarde. Argu e taaegjoe), v. a. bewijie,n; betwisten; v. n. redekavelen. —er, a. bewijavoerdvr, wederlegger. § —fy (-fai), v. n. gewicht hehben; ten bewijze strekken. —went, 8. bewijsgrond; onderwerp. —mental (-ment'al) , —mentative (ment'e-tiv), a. betoogend. —mentation (-tee' ajun), a. bewijsvoering; gevolgtrekking. Argutc laar-gjoet'l, a. achrander, spItseondig. Aria (a'ri-e), a. aria, lied. Arid (er'id), a. droop, dor. —ity (e-rid'it.tih), —news, s. droogte; dorheid. Aries lee'ri-iez), a. ram (in den dierenriem). Aright (e-rajt'), ad. rechtop; terecht, in orde.

Waar is de beste plek om Bitcoins kopen


426 —riem, girth. —la uding, gastrotomy. —soden. ventriloquy. —spreker, ventriloquist. -.-stak, rib, floor-timber. —vin, belly-fin. —olies, peritoneum. —wee, colic. —worn, belly-worm, ascaride. —senate, abdominal nerve. —sick, tie Bourget'. ! II—meereed, purgative. —sairering, purging, purgation. —oddity, —ig, be. big-bellied, bulged. Bull, v. swelling, boil, bump. —, in. bolter. —hist, —troy, bolting-hutch. —solder, boltingloft. —en, ov. & on. w. to bolt. Buis, v. tube, pipe, conduit, channel; dogger, buss. —, o.jacket. —haring, pickle-herring. —man, herring-fisher. —vorsaiv, tubular. —jesdagoailin day of the herring-fishers altogether. Belt, m. booty, spoil, prize. — snake., to take, to capture; to get booty. —geld, pin-money. —seeker, marauder, adventurer. Bultelear, tn. tumbler. —en, on. W. to tumble, to tall head over heels. v. tumbling. Balton, or. w. to take, to capture, to make booty. Button, o. country-seat, villa. Balton, bw. without, out of doors, abroad. van —, from abroad; on the outside; by heart. ie — gaan, to exceed. sick le — gaan, to be internperata, io commit excesses. near —, out, abroad, into the country. — oan, round about. —, YE. out of, without; beyond, save, except.'— (dens, out of breath. Bulteubeerrje, o. by-blow, natural child. Buitendeur, v. outer-door, street-door. litaltend len, bw. besides, moreover. B ultendUk, an. outer-dike. -a, bw. on the outside of a dike. Bultengantg, bw. out of the harbor. Buittengoug, m. outer-passage. Bultengenseen, llittaltengewoon,by. & bw. extraordinary (-1y,, uncommon (•4). —held, v. extraordins,rineee, uncommonneas. Buitougoed, o. country seat, villa. Bts ltengracht, v. outer-ditch, outward moat. Buitenhof, o. outer-court. r. sheathing, BuiteDkane, v. good luck, perquisite, windfall. Baiter, knit, m. outside, exterior: Bultenklal, v keel, outer-keel. Bullenlard, o. foreign country. in (near) het —, abroad. —er, m. foreigner. —ech, by, foreign, outlandish, exotic, tluitenlledea, m. my. country-people. Buttenloode, m. sea-pilot. Buitenlueht, v. country-air, open air. m. lewdnene. Bultenmen, m. country-man. Buleennante, bw. exceeeively, beyond measure. Bultentareld. v. country-servant. Buitennauedor, v. lady-governess of the genera/ concerns of an hospital. Bultensnuur, m. outer-wall. Iluittespinals, v. country-seat; outer-court. Bultenpost, m. outpost. Buleanrasede, v. open road. illultonachana,y. advanced sconce. B ultonedlenet, bw. out of place, — service. S ulteushula, bw. out of (withOut ► doors.

LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×