(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.
.7 1 &gaff *curl, 4, (sit{-uirtliens), .--/cancy,..hetee- Sin (sin'1,s.zonde. —, v. n. zoadtgen. —offering, kenis; gewicht; nadruti. — icant, a. — icantl. , ad. zoenotter. !,d; Since tains), ad. & prp. sedert, Hinds, long —, — icative ( - ke - tiV), P. .anduidead, sedert tang. —, conj. naardien. dewijl. veelbeteekenend; nadrukkelijk. — kat on ad. opte , ht; zulver. e (.,in-sier'), R. 811.111). s. betenkenis; heterkentng• — y (sien•laj), a. oprechtheid. — ity v. a. heteekenen; beduiden; to he.nnen gegen. —dish,rergiette,t;melk- Slnviput (sin'si-put), 8. voorhoofd. Site (raj!'), a. stijk, Sine (sa'n), a. sinus. zed'. —, v. a. doorzije.en Silence 'sarlens), s.atilzwijgen; geheimhouding; Sinecure (Barne kjoer), e. arnbt zonder week. V. —. v. a. tot zwilgen brengen. —, int. Sinew (sin'jne), a. zenuw, spier; kracht. a. gespierd, sterk. a. hecht vereenigen. — ed, stilts I z‘sAig! Silent (sayient), a. —/y, ad. zwijgend; stern, sal. Sinful (sin'toel), a. — 1y, ad. zonJig. —news, a. zondigh(•d. Stiex (saj'•ks(, a. vuursteen. Sill ca n siri.ke), a. kiszelasrde. —cious (ti-liej•u8), Sing (sing')![soitmsung], v. a. & n.zingen;bezingen. v. a., zengen, c,chroclen. a...kieselaelttlg.—quose(-kwoos"), ..- quous( - kwus)., Singe a. schillig, bastig. Singer (sineur), a. zai,ge,r; zangeres. Silk itaik'), 8. sijde. —, a. zijden. — dyer, zijde- Singing (sing'ieng), a. het zingen; gezaug.--hird, muziethoek. — boy, koorknaap. wryer. — engine, tweernmolen. —goods, pl zij- za,igvagel. den atolf,n. — lace, blonde —man, — mercer, zijd, I —man,voorzanger.—nutater,zangmeeater.—woman, handelaar. — thrower, zijarhereider, -t.eerner., zangetes — wearer, zlidewever. —worm, videwerm. —en Single (sing'g1), a. enkel, mealy, anent: cannon(ai n k'n), —y. a. zljden; zijneachtig; zacht. — en; dig, opreent; ongehuwd. — combat, —fight, twee(biOen,, v, a. zildeschtig !zacht) sunken. geverht, — life, ougehuwde staat. — handed. Ons. drempol; veusterbank. ' handig. — hearted, eprecht. —, v. a. afzonderen, Sill uitachieten; (oat) niikippen. — near, s.enkelheid; Silitsbut. (8il'ie-bub!, a. sillabub (drank v8n ',ammo melk inet viijn en saikerl. ! eenvoudi•heid, oprechtheid. Sill ilv (ail'i n 1•11h), ad , —y, a. onncozel, dom. Singly (ming'glih), ad. eenvoudig, oprecht; afzon(-11.negs), a. ennoorelheid, ton,heid deritik. ad. cial,elvoudIg; Silt 'silt). a. slip, slijfi. —, v. a. aanslibben, doen Singular (sing'gjoe-her), a. enkelvoud. varzanden. eentg, hijzonder, zanderling. s. zond,ling. —sty (•1rett•iih), e. enkelSllvnrr !sii'ven), a. & a. hie ! vondigheid; htizanderheid; zonderlingheid. Silver (811'wur), a. other. — , a. zilveren; zilver- achtig. — beater, zilversiager.. — cloth, zilvertaLen. Sinipt er (sin'ts - turi, — roan, a. — erly, — 10.81Y, — coin, zit( ergeld. Hitt, d e , —gilt, Ser. , ad. linker-; linkach; oneerlbk, snood; ouheilguld zilver. — gray, ztivergrijs. — lace. ztiverga- ,pellend; ongelukktg. tan. — mine, zilverulisjn. — ore, zike , erts. —smith, Sink (singk), a. gootste., n; riool; zinkput. zilversinid.--anake,wortn.lang.—thistle,vrouwen- Sink (aingk'i [sank. sunk], a. a. do. zakken (zin. dismal. — weed, zilverffrui4. —white, ss. & a. zit- kola. dalen); te granderichten, verminderen; opverwit. --wire, ziLverdraad. —, v. a. verzilve- steken; graven; amortiseeren; v. n. zakken. — ing, e. verztivcring. — ling. a. zliverling. ken, dalen; te gronde groan; atnemen; bezwijken; — ly, ad. ztherachtig. —ly, a. zilv,•klearig; zil-! vloeten. — ing, a. zinkend; —fang, anaortisatie veren, I has; — paper, filtreerpapier. lee), a. geliik,00rtig, dergeli,)k. Sinless (siu'less), a. zondeluos. - •ness, e. zunde-ority s. gelisjkaaortigheid, getijk• loosheid huid. —achy, ad. op dezelide wijze. — e ( ii), s. Sinner (sin'nur), a. zondaar. vergelijimig. SSztter Oin'tur), a. sintel. geitlkenis; vergeiliking. —o r (.1,), a apiusliek. Sinam tote Isin'joe•eet), v. a. buigen. — ation (-ea , Simmer (stru'mur), v. n. zacht kuken, razen. s. buigtug. — osity ( - os'it - tihl, s. bochtigSlinon fete (st-ino'ni!ek), a. stmanist. — ical heti'. —our, a. horhilK. , (strn-un•najrikl), rt. schuldtg itan sunonte. —y Siti(saY nus),.zeeboezeM,baiti;holte,OpeniDg Ft (sun'un nth) ; s. tornonie. sinus. Sintoiono (t,i-onoem!), s. samoem (heete win0). Sip (hip), a, teugje. —, v. a. met kleine teugen (Witten; v. u. slurp., lepperen. Simper (sim'pur), a. gemaakte (doinrne) Inch. —, a. n. genaaakt (darn) lichen. Sipe Igajp), v. n. Silsopi a (sirnipl), a. — y, ad, eenvondig; enkel. Siphon (sarfun), 8. bale, pijp, bevel. oaver.,,engd; onnoozel. — e, s. artsebijkruid. — e, Sipper (sip'pur), s. sharper, lepparaar. (sip'pit), e. sopje (sneedje) brood. v. n. kruiden zoeten. --mend, s. eenvoudigheid; onnoozelheid, —ctoa (-tun), a. hal•, onnootele Sir (stir), a. Sir; intinhearblond. —iciry (-pliett-til)), s. eenvoudigheid, on. Sfre (sajr, s. vaier; sire. —, v. a. voorttelen. {-plif.t.kee'sjun),, a. Siren (sarrin), 8. sirene; verleidster. gekunb t eidlield. rereeavoudiging, —ify(-pli-fej), v. a.vereertvou. Siriasis (si-rare-sis), a. zonnesteek. digett. — ist, s kruidkundige. Sirius (sir'i-us), a. hondseter. Sinouroto te (sim'joe.leetl, v. a. nabootsen; vein. Sirloin (sur-lojn), s. lendestuk. zen. —tion (-1er'sjun), s. VeinZing, veinzerij. Sirrnh (sleets), 8. knaapl kerell schavulil Slinositnneous (siln-ul-tre'ni us), a. — 1y, ad. Sirup (sir'up), a. stroop. —ed (-apt), a. met Kalijktijdig. —tress, s. geltjktijdigheid. stroop, zost. —y, a. stroopachtig.
Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.
—ebol. crown of a hat. --educe, hat-box, band box. —enfabriek, hat-manufactory. —entabriekant, —enmaker, hatter. —enniao.keter, bonnet-maker, —enniaken, o. hat-making. —enntakeri,j, hatmaker 's trade; — workplace. —enstoffeerder, hatedreseier.—entoinkel, hat•eiop. IloednnIg, vnw. what, how, whatever. e. quality. zirn, hoed e„ v. guard, protection; op ztine to be on one's guard. —en. or. w. to guard, to protect; to preserve; to tend, to look after; rich - t. w. to take care; (roar) to guard against, to beware of. — er, m. protector; keeper, herdsman. —der, v. protectress; shepherdess. v. farm. —teeing, shoeing. Hoer, m. hoof. colt's•oot. —tamer, shoeing-hammer. —peer, horse-shoe, shoe. —mes, buttrees.—naget, kick of a horse; part of a dike hobnail. —slag, that a farmer ought to keep to repair; home, abode; sphere. —amid, farrier. —etch, trave, llorgrootheld, v. size, bigness; quantity. Hoek, m. angle, corner; cape; quarter; hook; clew. balk, — keper, corner-post. —bank, counter. corner-closet, -buffet. — boot, hooker. — 4uffet, on —We, corner-house. —man, image of a man the poop of a ship. —meetkunde, goniometry. —steen, corner-stone. —aitii,corner-poet. ow—land, canine tooth, eve-tooth. — vormig, zak, n. ed, Angular. —ivan,f,hooked fishing-nets — corner-hazard. —stc(ise, angularly, cornerwlso. hooker. —ig, —aeAtig, bv. Zie Hoek*. —er, m.angularity,. by. angular, cornered. —igheid, V. Howe. o. hen, chicken; fowl. —derbout, leg (wing) poultry-thief, kite. —derei, derdief, of a fowl. — hen-coop. hen 's egg. —derhok, poultry-house, —dermaag, gizzard; appe— derko.per, poulterer. tite. —dermarkt,poultry-market.i—dernaiker, one , that is fond of poultry. —dermest,poultry-dung —dernest, fowl's nest. —derpaatei, chicken-pie. —derrek, hen-roost. —dereoep, chicken broth. m. hoop; plain ring. --ring, hoop-ring. lloepel, m. hoop. —rok, farthingale. —maker, hoop maker. —en, on. w. to play with a hoop, to trunkie. Hoer- v. whore, hsrtot, prostitute. —ekind, whore, son, bastard. — endop, — enjager, — enloaper,whor monger, whore-matter, wencher. —enhuis —enkot, brothel. whore-house, bawdy -halm, bagalo, bawdy song. —enlaven, prostitution. —called, harlotry. —en/eon„ wages of prostitution. —enpuk, —enpruat, obscenities. —enwaard, w hore-monger,, -master, bawd, bagnio-pander.—enwaarthin,bew pinup. —aehtig„ by. di bw. whorish (-1y), lewd —eerdertm. (•1y). —achttgheid, v. whoriahnese. fornicator. —eeren, on. W . to whore, to fornicate. —eering, v, fornication. —eerster, v. fornientress. —erti, v. whoring, harlotry, fornication. to cough. notee1, in. cough. ---en, on. w.v. bungler, botcher. Hostel noir, m. —aarater, werk, —ar(j, v. bungling. —en, on. w. to bungle. — bungling. Iloevo, v. farm. Iloevrel, hw. how much, how many. —heq. v. the quantity. —ate, be. who (what, which) ofwhat number• den —n van de maund hebben apt ley of the month is it?
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.
Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


CON —CON. • vergelijken (with). —ation (koc.-frun tee'sjun), s. Conic (kon'ix), —al, a, kegelvormig. —alness, s eKee ove rsrelling, vergelij king. kegelvormigheid. —s, s. leer der kegelenede. (kun-tjoez'). v, a. verwarren,verlegen section, kegelsnede. makes. —edly, ad. verward, —edness, a. ver- Conif erous (kun niimur-us), a. kegelvormtge vruchten dragend. —orm (ko'ni-form), a. kegel-wardheid. —ion (-zjun), a. verwarring, verlegen- vormig. held; verderf. Confut able (kun-fjoe'tibl), a. wederlegbaar. Conjectur able (kun-dzjekrjoe-ribl), a. vermoedbaar. —al, a. —ally, ad. vermoedelijk. —e -ation (kon-fjoe-tee'sjun), a. wederlegging. —e, (-joer), s. vermoeden. —e (-joer), v. a. & n. verv. a. wederleggen. — er, a. wederlegger. moeden, gissen. —er (-joer-ur), s. vermoeder. Conge (kon'dzji), a. builtint4, groat, afacheid. Conjoin (kun-dzjojn'), v. a. vereenigen, paren; v. n. (ook: kon-dzji') afscheid nemen. v. n. zich verbinden. —t, a. —tly, ad, vereenigd, Congeal (kun-dzjier), v. a doen bevriezen, doen saamverbonden. stremmen; v. n. bevriezen, stollen. —able, a bevriesbaar. —ment, s. bevriezing; bevrozen Conjuga I (kon'dzjoe-gel), a. —lly,ad. echtelijk. —re, v. a. vereenigen, in den echt verbinden; klomp. Congelation (kon-dzje-lee'sjun), a. bevriezing. vervoegen. —tion (-gie'sjun), s. vereeniging; verpoint of —, vriespunt. voeg.,ing. Congeneric (kon-dzji.ner'ik), R. gelijkslachtig. Conjunct (kun-dzjunkr). a. —ly, ad. vereenigd, Congeal al (kun-dzjrni-el), a. gelijkaardig, saamverbonden. —ion (-dzjunk'sjun), s. verbinverwant. —ality ( era tih), —alness, a. gelijk. ding; samenstand, voegwoord. —ice, a. --ively, aardigheid, verwantmehap. —ous, a. gelijksoortig. ad . samenvoegend, nauw verbonden. —ive mood, Congenit e (kun-dzjen'it), —0.,a.gelijkgeboor- aanvoegende wijs. —ure (-joer), s. verbinding; tig; aangeboren. samenloop; stoat, toestand; tijdagewricht. Conger (kong'gur), s. zeeaal. Conjuration (kon•dijoe-ree'sjun), s. sarnenzweCongeries (kun-dzjOri-iez), s. hoop, stspel. ring; bezwering. Congest (kan-dzjest'), v. a. samenhoopen. —ion Conjur e (kun-dzjoer'), v. a. dringend smeeken; (-tjun), 8. ophooping., congeotie. —ire, a. op- door een' eed verbinden; v. n. samenzweren. hoopend. —or, a. samenzweerder. Conjure (kun'dzjoer), v. a. bezweren. (down) uitCongiary (kon'dzji-er-rih),".. gift, geschenk. Congliicia te (kun-glee'sji-eat), v. n. hevriezen, bannen. (up) oproepen. —, v. n. tooveren, hektot ijs worden. —lion (-ee'sjun), s. ijswording, sen. —r, a. bezweerder, toovenaar. bevriezing. Connascense (kun-nes'sens), s. gelijktijdige geboorte; samengroeiing. Congllob ate (kun-glo'bet), a. bolrond, gebald. —ate (-beet), v. a. ballen, sarnenpakken. —ation Connate (kun-neet'), a. gelijktijdig geboren; sa(kon-glub-bee'sjun), a balling, holrondwording. mengroeiend. —ulate (kun-glob'joe-lest), v. n. bolrond worden. Connatural (kun-net'joe-rel), a. —ly, ad. Conglomera to (kun-glom'u• et), a. opgerold, geboren, verwant. —ity (-rellt-tih),—ness,a.nasamengepakt; s. zandsteen. —te (-eat), v. a. tot tuurlijke verbinding. —ire (-ajz), v. a. natuurlijk een kluwen vormen. —tion (ee'sjun), a. semen- verbinden; gewenneuoppenrolling. Connect (kun•nekt), v. a. verbinden; v. n. soConglnitin ant (kun-gloe'ti-nest), a. lijmend, menhangen. —ion (-nek'ijun), a. verhinding, behechtend; a. wondmiddel. —ate (-net), a. ver- trekking,samenhang„—ive,a. verbindend. —ircly, honden. —ate (-neet), v. R. & n. samenlijmen, ad. in verband, gemeenschappelijk. samenleven. (-nee'sjun), a. aaneenhech- Connexion, a. Zie Connection. sing; heeling, samenkleving. —afire, a, verbin- Conniv lance (kun-najivene), s. oogluiking, toe tend. toting. —e (-najv'), v. n. oogluikend toelat--n, Congrattala te (kun-gret'joe-leet), v. a. geluk- door de vingers zien, (at). —eat, R. oogluikend wenschen (upon). —lion ( lee'sjun), a. gelukwen- toelatend, toegevend. —er, s. oogluiker; die door aching. —tor, s. gelukwenacher. —tory (-le-tur- de vingers ziet. rill), a. gelukwenschend. Connoisseur (lcon-nis-our'), s. kenner. Congrega te (kon'gre-get), a. saamgepakt; ver- Connubial (kun-njoe'bi-el), a. echtelijk. gaderd. —te (-geet), v. a,„vergaderen,verzam^len; Connumeration (kun-njoe-mur-ee'sjun), a. say. n. bijeenkomen. mentelling. Congregation (kon-gre-gee'sjun), s. vergadering; Con old (ko'nojd), a. kegelvormige figuur. —ical kerkgenootschap. —al, a. eene vergadering be-, (kun-nojd'ikl), a. kegelvormig. treffend; openbaar; onafhankelijk. —alist, a. lid Conquer (kong'kur), v. a. veroveren, bemael, eener onafhankeltjke kerk. tigers. v. n. overwinnen. —able, a. overwinnelijk. Congress (kong'gress), a. botsing, aanval; ver- —or, s. veroveraar. gadering, congres. —ional (kun-gres'sjun-el), a. Conquest (kong'kwest), a. verovering, zege; (hM) een congres betreffend. —ire (hun-gres'siv), a. veroverde; aankoop. samenkomend; aanvallend. Consanguin eons (kon-sen-gwin'i-u4), a. in Congru enee (li-on'groe-ens), —envy (kun-groe' den bloede verwant. —ity, a. bloedverwantschap. en-mih), a. overeenstemming, gepamtheid. cut, Consarcination (kun-saar-si-nee'sjun), a. ea-O., a. strookend, geschikt, passend. —ity(ktin- rnenlapping. groe'it-tih), s. overeenstemming; gesehiktheld, , Conscience (kon'sjens). a. gevveten; bewnstheid; nauwgezetheid; billijkheid. in —, in all —, e, , ,theid. 5 2.

Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.

1' hN. —PER. a. vijfregelig geditht. —style (-etajl,, a. gebouw met vi,lf zutlenrijen. —teach. (-tjoek), a. (de) vie boast: van Mazes. Pentecost (pen'tekost), a. pinksterfeest. —al (-;;oat'el), a. van het pinksterfeest. of Pent house (pent'haue). —ice (-tie), a. dak, luifel. Pentlie (pen'tajl), a. dakpan. (-rul'ti-met), s. voorPenult (pi'nult), s. —imate laatate lettergreep. Penumbra (pe-num'bre), a. halve sehadaw. P..•nurions (pe-nioe'ri-us;, a. —1y, ad. zuinig, karig, vrakkig, behoeftir. —nest', a. vrekkigheid; behoeftiheid. Penury penloe -rib), a. gebrek, armoede. Peon (Won), a. voetaoldaat; pion (in 't sebaskspel. —y, a. jteht-, pioen-roos. People (pi'pl), a. volk; lieden, pereonen; men. — say so, men zegt het. —, v. a bevolken. Pepper ( ep'pur), a. paper. —box, —caster, paper. bus. —cake, peperkoek. —corn, peperkorrel; beuzeling. --grass, pillevaren. —mint, peper caunt. —p/ant, —vine, peperboom. —wort, peperkruid. — , v. a. peperen; afroasen, Peptic (pepitik), a. de sptjavertering bevorderend. Per (pur), prp. per. — cent, ten honderd. as —, volgens. Peradventure (per-ed-ven'tjoer), ad. bij toeval, raissebien. Peragration (per- e-gree'sjun), s. (het; doorreizen. Perambuia te (pur-em' bjoe-leet), v. a. doorloopen; beziehtigen. —tion (-lee'ejun), a. doortrekking; beziehtiging. —tor, s. doortrekker; wegmeter. Perceiv able (pur-siev'ibl), a. —ably, ad. be merkbaar, bespeurbaar. —, v. n. bemerkea, bespeureu, ontwarsn. Percentage (put.- sen'tidzj), a. eijfer (reeht, cornmissie) ten honderd Percepti ble (par-sep'tibl), a. —bly, ad. bemerkbaar, hevattelijk. —baity a. bemerkbaarheid, bevattelijkheid. —on (-sjun),a gewaarwording; begrip. —ve (-tiv), a. gewaarwordead; bogrijpend. ( -tiv'it-tih), a. w aarttemingsvermo gen. Perch (porte)'), a. roade, rek, roest; bears. —, v. a. nzerzetten; v. n. zitten, roesten (on). —er,s. roe.ter (vogel); attaarkaara. Perchance (pur-tajaans'), ad. bij toeval, eellieLt. Perciplen ce (our-sip'i-ena), a. Zte Perception. —t, a. gewaarwordend, waarnemend; a. beseffer, denkend wezen. Percola te (pueko-leet), v. a. & n. doorzijgen. —tion (-lee'sjun), a. doorzij ;lug. Percuss (pur-kus'), v. a. stootenosehokken. —ion (-kusrun),.. slag, stoat, achok —cap, slaghoedje; —gun, pereuseie-geweer. —ive, a. Zie Pereut lent. Pereutlent (pur-kjoe'ajent), a. schokkend, stootend. Perdition (pur.disrun), a. ondergang, verderf, verdoemenia. Perdu, Perduc (pur-djoe'), ad. in hinderlaag.
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,
farnily-pride.—tteitt.family-discord.—wapea,coat Flisur, v. figure; form, sha e, cut ; pace ; engraving; trope. by. & bw, figurative (-1y), of arms of a family. Fart ze8r, in. pharisee. —sesta, by. pharisaic tropical (-1y). —lijkheld, v. being figurative. FU, tsw. fie! (-al), pharisean. F/jmeiaar, m. ens, Zie Fetnelaer, ens. Fat, pherisean. Fatsnen, o. fashion, workmanship, make, cut, Ftin, be. & bw. fine (-4), refined (-4), nice (•Iy); pure (-1y), genuine (- lyi; thin (-1y), delicate Or, shape; good breeding, limners. grim, — /louden. to smart (-)y1, behave decently; to keep up respectebly. —eerder, exquisite ( - Ii ► ; clone (-1y); sharp subtle (-ly), sly (-11y), artful (-1y); demure (-1y), m„—derster, T. fashioner, mobsiier, -- e eree, py, w. bigoted, devont Op. —beard, —man, hypocrite. to fashion, to model, to form. to mould, to false devotee. —scheerier, shearer. —echilder, shape. by. & bw. fashionable ( bly), repainter, limner. —ward, m. canning file, sly dog; spectable (-bly), genteel (-1y), decant (-1y), behy pocrite.—heid,—igkeid,—fe, v, fineness, refinedcoming (-1y). —Iiikkeid,v. respectability, genteelness, Meaty, purity, genuineness; thinness, delbe,ominguesn, decency ness, good breeding; icacy; exquisiteness; sharpness, smartness; sub—choice, bw. for decency's sake, to rave aptilty, slyness, artfulness; demureness, bigotry. pearances. Faaanit, m. pheasant. —enkaan, cock-pheasant. Flit, v. whitlow. hen-pheasant. —enhok,gheaseni.ry . —en , Flkfak ken, on. w. to fiddle faddle. to trifle. —her, m. —tier, v. trifler. —keril, v. fiddle-(addle. waehter, keeper of pheasants. Elks, bw. cleverly, well, soundly, readily. Foe, v. fatty. Flketcb, by. clever, sound. ready, healthy. clef Feel., v. shrew, vixen, jade. —, indisposed, out of sorts. —held, v. cleverness, Feast, o. feast, festival. —avond, eve (vigil):of a readiness, health. holy-day. —dap, holy-day, saint's-day. —dos, —se:flood, festival habit, holy-day-dress. —lied,—zang, Flionteel, v. philomela. festive song. —moat, festive entertainment, ban- Elloxel, v. fins-silk, grogram. quet. —Wenger, feaster, guest. —vieren. to tele Ell timer ass, ov. w. to filtrate, to filter, to strain. —doek, filtering-cloth, etrainer. kan, decanter; brats a feted. —eierieg, celebratian of a feast. —vreugde, festivity. —elijk, be. Ni bw. festive cutfee-piggin. —machine, flitering-mfichine.—sfeen, filtering-stone, strainer. (-4), splendid (-10, sumptuous (-1y). —clUkheid, v. festivity. —sling, m. &v. person invited, guest. Flnonet ta, (in cam), —korner. court of exchequer; —steleel, system of finances; —wren, finances. Fell. v. tault, mistake, error. —boar, v. fallible. —en, v. inv. minister van minister of the —baarkeid, v. fallibility. —en, on. w. to fall, to fivancee; (in Engeland) chancellor of the exmiss, to mistake, to make a dip —loos, bv. chequer; in Anierika) secretary of the treasury. faultless, blameless. —er, m. financier. Felt, o. fact, matter of foci, deed, achievement. Fine.. der, tn. refiner. —en, ov. w. to refine. Feltel, v. bib, pinafore. Feffelkjk, be. violent, hostile. —. bw. violently, Flool, v. phial. hostilely; really, in fact. —heid, v. violence, Firma, v. firm. hostility. Firniatisssit. o. firmament. Fat, by. & bw. sharp (-1y), violent (-1y), severe Eleknal, no fiscal. (-1y), fierce (-1y), cruel (-1y). —laid, v. tharpnees, Fletei. v. fistnia. —acting, by. fintulous. violence, severity, fierceness. Fialiberea, on. w. to blow softly. Feloiek, v. felucca. Fladderen. on. w. to flutter. to hover. Fennel car, m. —.rater, hypocrits, false bigot. Flakkeren. on. w. Zie Fillkkeren. —arij, v. hypocrisy, bigotry. —en, on. W. to Flambosaw, v. torch, link, flambeau —draper, trifle; to play the hypocrite. 1 ink-roan, torch-bearer. Fenrgriek, o. fenugreek. o. flannel. —len, by. flannel, of flannel. Fenlko, m. phentx. Flank, v. flank, side. in de — relies, to take the Fel., v. aan de — sips, to be given (addicted) to flank of. —acres, ov. w. to flank. —ening, v. drinking. —pen, on. w. to tipple, to tope. —per, flanking. —cur, tn. flanker. in. —ate., v. tipples, toper. Flannels., or. w. to huddle, to botch, to bungle. Flap, m. flap, blow, clap ; lid, tankard. —pea, Ferns, by. resolute, firm, constant. Fernanor, 0. ship wrighre chisel, chipping-chisel. ov. w. Zie UillInppen; on. w. to flap. Festoen, o. festoon. tankard, pewter, mug.—uit, rea. & v. blab, blabber. Farclk :an, on. w. to whisper, to chat. —er, Flarden, ro. my. totters, rags, —seer, v. whisperer, chatterer. Flitter, in, blunder, fault, error. Flelt, m. rogue, rasa al, scoundrel, knave. —enstuk, Ftausv, by. weak (-1y), feeble (-bly), faint (-1y): knavish trick, piece of knavery. —achtig, by. .2 cool (-ly), pole ( ly) insipid ( - 1y), tasteless (-1y); by. roguish 1-lyi, knavish (sly). —aektigheid, v. superficial (-1y). — enfien, to faint away. —Aertip, faint-hearted (•1y), dejected (-1y). timorous Hy). roguishness, knavishness. v. knavery, vilany. —hartigheid,v. faint-heartedness, dejection, timorFlee, bv. & bw. proud (-1y),"hauality (-14), stateoneness. —4eid, v. weakness, faintness; insipidly; bold (-1y). —held, —te, v. pride, haughtiness, ity. —te, v. swoon, fainting fit; faintness. —(jet, dignity; boldness. bw. coolly, slightly. Figuient, m. —e, v. figurant, mate ; super- Flelb, Fielhbe, v. Zie Fin). numerary. Fleeni en, on. w. to iaelX. to fawn. —host, 15
11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,

Heeft u een bankrekening voor Bitcoin nodig


PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
(ren-diel'un), a. overgave. Reneged e (ren'e-geed), —o (-gee'do), a. afvellige, renegaat. Renew (re-njoel, v. a. vernieuwen. —able, a. vernieuwhaar. —al, e. vernteuwing. —edly, ad. op —er, a. vernieuwer. Reniten ce (re-nartens), —cvj, a. tegenetand. —t a. tegenstandbiedend. Rennet (ren'nit), a. renee; kaaaleb. Renounce (re-naanns'), v. a. verloochenen; afstand doen van, laten varen; verzaken. --r, a. verloorbenanr; verzaker. Renown te (ren'o-veet), v. a. vernleawen. --tion ( vee'ejun , , a. vernienwing. —tor, a. vernieuwer. Renown (re-nanun'), a. vermaardheid, team. —ed —edly (-naaund'), a. vermaard, beroemd ad. met roem. —leas, a. roereloos. Rent (rent'), s. huur, pachtv, rente; aeheur. —charge, erfpacht. —roll, renteboek. —service, leendienst. —stock, pacht in nature. —warden, rentmeester. —, v. a. verhnren, verpechten; • pachten; v. n. verhuurd (verpacht) worden. —able, R. vorbuurbear, verpachtbaar. —al, a. rentenboek. —er, a. huurder; pachter; rentenier. Renter (ren'tur), v. a. uiteren (een' nand). —(np, a. ulternaad. Ren un ciation (re-nun.sji-ee'sjun),s. verzaking, afstand. Renbtain (ri ob teen'), v. n. weder verkrtigen. —able, a. weder to verkrijgen. Ileord tan (ri-or-deen ► , v. a. op nieuw wijden. —ination (-di-nee'sjun), a. wederinwijding. Ileorgan faction (ri-or-gen-i-zee'ajun), a. vernieuwde inricht ing,hervorming.—ize (-or'gen-ajz), v. a. op nieuw fnrichten. Repacify (ri-pea'i-faj), v. a. weder be7redigen. Hepatic (ri-pek'), v. a. vermeken. R•pandous (ri-pend'us), a. gekruld, gebogen. Repair (re-peer';, a. verstelling, herateiling, reperatie; verblijfplaats, leger, hol. out of —, v. a. verstellen, heretellen; v. a. bouvrvellig. rich begeven; etch vervoegen. (to). — able, a. Zie Reparable. —er, a. eerateller. Repnre bit (rep's-ribl), a. herstelbaar. (-ree'ejun), a. herstelang: vergoeding. —tine (reper'e-tiv), a. heratellend; vergoedend; a. her' telling; vergoeding. e. tnedig antwoord. Re ► art ee —ation (tisrun), a. verdeeling. Repass (r1-paas'), v. a. & n. weder voorbijkomen. — voorbtjgaan, overateken. Repast (re-paast'), a. maaltUd.
UNP H. 327 —Val/Y, ad. (4-toel.), —yiag (-1-leng), a. Diet Unprlz able (un.prargb1), a. onschatbs,. zuedelt dend, onbarrnhartig. —ad ( - pi:dn. a. ongeschat; Diet geweardeard. Unplaced (an-pleeetn, a. ongeplaatst. Unpro aimed (an-pro•kleenad'). a. onafge• Unplaguad (un-pleegdn, a ongek weld (with). kondigd. —ductive ( dukt'iv), n. onvrusbtbaar. Unplass nett (un-gland'), a. onontworpen. —ted —fatted (-fsendn, a. ntet ontheiligd. (-plentid), a. ongeplant; onbeplant. Unprotlta ble (un-protl.t1131), a. —bsy, Unplausible (un•plao'zIbl), R. onwaarmehOnlijk. voordeettg. —Menace, s. onvourdeellgheld. ad. on. —we (-My), a. mint goadkeurend. Uupro Whited (un-pro-bib'it-td), a nlet verboUnpleasant (un•plez'ant), a. —ly, ad. °mange- den. —jected (•dijekt'id). c.. niet ontworren. —/ific naani, onbehagelijk. --near, e. onamagenaamheid, (-lit ik), a. onvruchtbaar. (-propelsonhehagel(i kheid. Ieng), a. well,* belovend. Unpleas eel (un-pltezd)) ) a. mlantiegd. —lag, a. Unprompted (un-proutt'id), a. nieCingegeven. --ugly, ad. (•pltezneng-), onaaugensam, onbeha- ongedreven. gelkjk --ingmaa (-plieeieng-), a. onaangenaam- Unpronounce able (un-pro•ulattusiibl).a. inlet held, onbehagelt kheid. nit to spreken. —d (nitaunstl, a. onuitgesprokeu. Unpiedged (an-pled:IC, a. ourierpand. Unprop fun-prep"), v. a. van stutten berooven. Unpli able (uu-pla)'ibl), a. onbuigbaar. —ant. —stk.* (-prop•plq'us), a. ongunatig. a. —antly, ad. onbuigzaain. —antaeas, a. onbuig- Unproportion able (un-uro-poor'sjun-lb1), zaamheld. —ate (-at),—ed ( ajond), a. —ably, ad. oneveuredig. Unploughed (nn-plaud'), a. onbeptoegd. Un prop osed (un pro-poo:dn,n. niet vcorgeateld. Unplume (un-piton'), v. a. plukken; vernede• Unpropped (un-propt'), a. oiet [mint, ran. Unprosperous (an.pros'pur-us), a. —ly act. Unnoetleal (un-po-et'lltl), a. — ly, ad. ondlchter- onvoorapeedig. ltfk. Unprotected (un-pro-tekt'id), a. on.beseherind. Unpainted (un- pojnt'id), a. ongepunt. Unprov ed (un pr,:evit'), a. onbewezen; onbeUnpolished (an-pol'iajt), a. ongepolti at; oube- proefd. —ided (-pro-vardid), a. onverzorgd; islet schaafd. voorzien. Unpolite (un-po-lajt'), a. —/y, ad. nnbeleefd. Unprovok ed (un-pro-vooktn, a. ongete:gd; — aces. a. onbeleefdheld. niet uitgedasgd. —lag ( -roglieng), a. Met teeUnpolluted (un-pol-ljoe'tid), a. onboolekt. gend; geene aanieiding gevdnd. Unpopular (un-poejoe-ler), a. niet cony het Unpruned (un-proen0), a. ongesnosid. volt geachikt; niet bij het yolk gotten. —ity Unpublished (um-publimjt) a. onuitgegeven. (-ler'it-tih)., a. volksongunst; nugeachlktheid cony Unpunished (un-puu'lsjt), a. ongeetratt. hat yolk. Unpur ehased (un-puetsieet), a. ongekocht. Unportable (un-poort'ibl), a. ondraagba.tr . —ged (-purdzjd'), —ified(-pjoe'ri.fajd), a. ongezulthapossess ed (uu-pus zest'), a. onbezeten. —ing verd; ongelouterd. —posed ( past), a. onvoerbe(-zes'10.0, a. nietg bezittend. dacht. —sued (-sjocd'), a. onvervolgd. Unpractised (un-prertist), a. onervaren (1.). Unquallf led (un-kwoll-raja), a. ongeaehlkt; Unpralsed lun-preezd'), a. ongeprezen. onbevoegd, (for). —iednase, a. ongeschikthei► ; Unpre reiterated (un-pres'e-dent-id), a. noolt onbevoegrtheld. —y (-faj), v. a. ongeschikt (ongehoord, zonder voorbeeld. (erred (-pre-ford'), bevoegd) waken. a. nlet voorgetrokken; ntet bevorderci. —judieate Unqueen (tzu-kwien'), v. a. onttroonen (eene (-pre-dr) oe'di-ket). —judieed (-pred'zjoe- dist), a. kontnyln). onbevooroordeeld. —meditated (-pre-inedil-tee• Unquelled (an kweld') a. mist onderdrukt, lid), a. on voorbedacht. onbedw onrn. Unprepared (un-pre-peerdn, a. —ly (-pee'rid•), Unqueneis sable (nn-kwenteribl), a. —ably, ad. ad. onvoorbereid. —nen (-pee'rld-), a. onvoor- ontiabluschbaar; onleaohloaar. — ableness, a. bereldhaid, onultbluschbaarheld; onleachbas Meld. —ed Unprepossesised (an-pri-pux-zest'), a. Wet 1-kwentsW) a. ongebluscht; ongeleseht. Tooringenomen. Unquestton able (un-kwast'jun-ibl), a. —ably, Unprepeed (un prest"), a. ongeperat; ntet ge- ad. ontwOfelbaar. —ableness, a. ontwljtelbaardwongen. held. —ed (-jand), a. ongevraagd; ongetwijfeld. Unpresumptucitis (un-pre-zum'tjoe•us), a. —ly, Unquick (un- kw ile), a. islet "mg, — levendla; ad. islet verwaand, beacheiden. levenloon, —ened (-kind), a. onbeztetd. Unpretand rd (un-pre•tend'Id)., a, Rift conga- Unquiet (un•kiverit), a. —ly, ad. ongernat. wend; ntet aangematigd (to). —kg, a. niet aan- onrn —ness, a. ongeruatheld. ovirnatfghtad. matlgend. —.ingness, a. beseheideuheld. Unriseked (un-rekt'), a. ongeklaard. Unpre walling (nn-pre-veerieng), a. machteloos, Unraked (un-reekt'), a. ongeharkt; islet tigersnutteloom. —vented Oman d), a. islet verhoed. Unpriest (un- prittat'), v, a. van he prleaterlUke Unr ke nci aaa. sacked (un-ren'nekt), a. ongeplunderd. weardigheld berooven. —ly, a. onprtesterlAjk. —coned (-aumd), a, ntet vrtigekscht. Unprine ely (un-prIno'llh), a. onvoratelijk. Unmated (un-ree't1d), a. ougesehat; onbelast. —ipled ( -ipid), a. beginselloos. Unravel (un-rev'1), v. a. & n. los-, ultrafe)en; UnprInted (an-print'id), a ongedrukt. ontwarren; opheldaren; (zieb) ontwikkalen. Unprlsoned (un-prls'und), a. vitgelaten. Unreached 11..onberaikt. Ueprivilleged(un-priv i l-ledsld),a.onbevootr•cht. Unread (un-red'), a. ongelesen, onbelezen. —ily,
Friction. (fr(k'ejun), s. wrilving. Friday (frej'clee), s. vrijdog. Good —, goede VrOng. Friend (frond'), s, vriend; vrlendin; kwaker. —, v. a. begunstigen. —len, a. verlaten. —linen. a. vriendelkjkheid. - ly, a. & ad. welwillend, vriendelijk. —.hip, a. vriendochap. Frieze (Met"), a. duffel: ► op; fries. —d, a. gonopt. —like, a. friesachtig. Frigate (frig'et), a. fregat. Frigefa,-tion (frid-zje-fek'sinul, a. kondinaking. Fright (fruit') a. schrik. —en (frcj'tn), v. a. verschrikken. (away) door bung maken verjagen. to —en out of one '8 wits, hevig doen ontatellen. —fat, a. —fully, ad. vreeselijk. —fuhnesso.vreeseikjkheid. Frigid (frid'zjid). a. —ly. ad. Mood; gevoelloos. —ity (-zjid'it-tiln), —nese, a. koudheid, koeiheid. Frigorilie (frig-ur-ririk), a. koude verwekkead. Frill (frill), a. horn: (jabot). —, v. n. 0:11en (van kaude). Friug e (frinclzr!, a. franje, —e, v. a. met Mu* zoomen. —y, a. met frattO ointoomd. Fripper (irip'pur). a. oude-kieerenkooper; drager. —y, a. voddig, gering; a. ,oude-kledrenmarkt, uitdragerij; oude kleAren. Frisk (frisk"), a. dartelheid, vroolijke but. —, v. n. hapnelen. —er, a, wildzang; gait. —et, a. tympan. —rut, --y, a. ttitgelaten; dartal. —iness, a. vroolijItheld. Feist (frost), v. A. verkoopett op tijd of crediet. Frit (frit), 8. 0..80" Frith (frith), a. zeeengte; visehweer; houtrijke pleats. FritMary (fd-01'1e-rib), s. keizerskraon (bloem). Fritter (frit-tar), s. reepje, brokje; pennekoek. a. a. brokkelen. Frivolity (fri-vol'it-tih), a. beuzelachtigheid. Frivolous (frivio-lus), a. —1y, ad. beuzelachtig. —ness, s. beurelachtig. Frizzle (Meal), a, haarkrul. —, v. a. krullen (het hear). —r, a. kapper. Fro (fro), ad. to and —, horn en weir. Frock (frok), s. rok; kiel; jerk. Frog (frog'), a. kikvorsch; its, straal (in den panedenhoef). —bit, varsebbeet (plant). —fish, zeekik. varsch. —pod, (frord), a. met lissen gegarneerd. Frolic (frol'ik). a. dartel, —, a. darteie ,kuur; pret. v. n. pret hebben, grappen maken. —sonar, a. —somely, ad. dartel, —sonteness, a, dartelheid. Front (from), pry. van, tilt. — the life, nutr het leven. — nature, near de natuur. Frond (frond'), a. groene talc. —ation(-dee'sjunt), a. sandbag. —iferous (-diff'ay-us), -out, a. bladrijk. Front (front'), a, veorhoofd; front; voorOde —box, middel-loge. —iine,frontlinie.—row,voorste rij. —stall, voorhoofdriem, —, v. a. zich bevinden tegenover; het hnofd bin len .11. to new—, voors;thoenen. —, v. n. vooraan staan. Front hi (frunt'el), a. het voorboofd beteeffend; e. hoofdband; hoofdpleiater; fronton. —ated (-ee•tid), a. breed uitloopend. —ed, a. met een front; in het front.
Gaande, be. going; stirring, busy; angry. — holden, to keep a-going; to keep in pixy, — at bay, — in suspense. — ',taken, to eel a•going; to stir up, to raise, to excite, to put into a passion. — rakes, to akin, to drive from her anchors. therein emnething brewing (hatch. door is iete ing). seat in er —? what le the matter ? de — en komende man, goers and comers, chance-culttorrere. GaanderU, v. gallery. Goan dewrg, bw. consecutlytly. Gaapster, v Zie Gaper. Guar, by. done; dressed; clever, expert. te onderdone. —keuken, eatingoverdone. niet !lime, ordinary. —kok, eating house-keeper. Gssard, v. yard, garden. —enier, rn. gardener. Ganrder, in. collector, gatherer. Gahrheild, v. being done; being dressed. Gammas, bw. willingly, midi pleasure, readily. — doen, — mitten, to be fond of, to like very much. Gees, o. gauze. Gad., m. & v. mate; consort spouse. --/Ok, be. Zia GaiUk. —loon, by. without a spouse or mate; matchless, unmatched. altogether. —en, ov. w. to Gader, bw. te gather, to collect. —geld, collected money. —wester, collector, gatherer. —ing, a. collection, gathering.
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.

Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.
(brenk), 8. boekweit. ." v. :i alii. 41 3n b:i°14:' 7; B (bresj), a. bracts, breekbaar. oondwer( dhrauukl ie au.; vb. unig. i z7c;h }b'ueigg'en— geel koper; onbeBowel (baaul), v. a. ontweien. —less, a. Greed,; Brass (braes), s. mesalag, sciaaamdheid. —band, orkeat van koperen instru-8, s. ingewanden; medelijden. v. n. menten. —color, koperkleur. —ore, kalamijnBoyeer (bau'ur), 8. prieel; boeganker. kopergieterij. —works, koperdraad. stem. —wire, won.. —y, a. belommerd. koperachtig. § Bowie - knife (bol-najf), a. long, breed mes. —ine88, s. koperachtigheid. —y, a. Brat (bret), s. kind, wtcht, nest. Bowl tbool), a. born, beker; bal. to play at balspelen.v. a. & n. werpen,kegelen, , Bravado (bre-vee'do), a. anoeverb. dapper. —, v. . -green, s. grasperk voor 'Brave (breev), a. —ly, ad. braaf; —jag, a. balspel ; a. trotseeren;' uitdagen; v. n. pochen. —ry, a. het balspel. Box (bobs), s. duos, kilt; loge; hoisje; koetabok;, moed, dapperheid; proukerij. oorveeg. —en, a. van bokaboomen- of paltnhout. Brawl (braowl), a. rumoer, getier. —, v. a. verdrijven; v. n. schreeuwen; kijven; tieren. boutijzer. —tree, boksboona; palm. —and in eerie duos slaiten; Brawn (braown), s. vleesch van een wild zwijn; needle, ktfruPas. a. gespierdheid. —y, a. vuistslagen geven; v. n. boksen. —cr. s.bokser. ; spierkracht. Boy (boj), s. knaap, joegen. —hood, jongensleef-1 gesifierdV. a. tijd. —ish, —like, a. jongensaChtig. —Wale. 8 Bray Ihree), 8. gebalk, geschreeuw. —,—er, 8. • filjnwrijven; v. n. balken, schreeuwen. k mderachtigheid. balker; stamper. lirabbie (breb'b1), s. gekibbel, krakeel. —, v. a. (breezy. v. a. soldeeren; oubeschaamd Braze krakeeien. —r, a. krakeeler. a. metalen; onbeschaamd. —afaced, Brace (brees), s. paar, koepel; haak ; band; make.. a. onbeschaamd. —nness, s. koperachtigheid; houvast. — 8, a. koeteveeren; bretels; haakjes; onbeschaamdbeid. —n, v. n. onbesehaamtt zijn. brassen. —, v. a. binden, rekken; opbrassen. (bree'zjur), s. koperslager; kolenpan, Brazier Bracelet (brees"lit), s. armband. komfoor. Brtsch (brek), K. beak. Braziel-hout. Brach), gragsher (bre•kiere.fur), s, snelschrij- Brazil (bre-ziel'), s. breuk; brem;inbreuk; onmiu. ver. —grophy, m. snelschrijven. —logy (-kil'ud- Breach (brietsj), s. Bread (bred), s. brood. to get one's —,Ajn brood s. kertheid in ultdrukkimr- verdienen. —chipder, bakkerskuecht. —basket, Brack (brek), s. barst, break, scheur; (bet) zilte. broodboom. —tree, —et, s. klarup; knie- of krornhout. —ets, s. broodmand. haakjes. —ish, a. brak, ziltig. —ishness, 8. Breadth (bredth), a, breedte; basin. Break (breek), 8. break; afbreking; rem. — of brakheid, ziitheid. day, krieken van den day. Brad (bred', s. spijker zonder kop. Brag (breg), s. geseoef, blefferi). — gadocio (0 - Break (breek), {broke, broken], v. a. breken; fnuisnnever, pocher. ken; oven.; voorsnijden; dresseeren, temmen; do'sji-o), —gart, (breegert , -, a. overtreden. (down) afbreken. (from, of) ontwen—gart, 8. —ging ly, ad, snoevend, pochend. nen, afbrengen van. (off afbreken, stake.. (up) v. n. pochen, anoeven. afdauken. —, v. n. aanbreken; bankroet gaan. Braid (breed), a. viecht; veterband; knoop. (away) verdwijnen. (forth) to vourschijn korneu. v. a. vlechten. (front) met geweld scheiden van. (in upon) losBrall (breel), v. a. geien. —8 (breelz), s. geitouwen. gaan op; mtoren. (into) overgaau tot. (out) nitBrain (bre.en), a. brein, bermenen; verstand. breken. (through) heenslaan door. (up) opbreken. ., a. de hersenen inslaan; verijdelen. --less, a, (with) breken met; veroan van. —able, a. breakherseupan. —sick, ijlhoofdig. hermenlooe. —er, ilrait (breet), s. ruwe diamant. baar. —age, a. breking; korting daarvoor. —.man, Brak e (breeki, a. varenkruid; braantbosebje; s. broker; breekijzer; branding; golf. vlablaraak; neuspranger; kneedtrog; rem. —e, temmer. Breakfast (brekIest), a. ontbijt. — . v. n. ontv. a. braken (hennep). —y, a. doornig, raw. bijten (upon, met). Bramble (brenehl), s. braanastruik. Breasts (briem). a. brasem. Brasilia (bra'min), s. indische priester. a. borst, bor,em. —, v. a. het Bran (bren), s. zernelen, gruis. —ny, a. zemelig. Breast (brest),—backslap, zijpardoen. —beam, hoofd Wed.. Branch (braant , j , 8. talc; armkandelaar. lijstbalk. —bone, borstbeen. —high, tot aan de v. a. in takken verdee!en; v. n. getakt zijn, burst. —hook, boegstuk. —knot , borststrik. uitloopen. —ed. a. getakt. —er, a. stamvader; —plough, boratharnas. —pin, borstspeld. takschieter; takkeling. —less, a. solider takken. turfschop. —rate, buikseising. —work, borst—y, a. getakt, vol takken. Brand (breed), s. brandhout; brandkjz er; wernag. v. Breath (broth), a. adem; windje. to take —, schaudvlek, brandinerk, zwaard; toorts. a. bra.ndruerken. —er, s. brandmerken. —goose, adem halen. —less, a.v.ademloos. a. inademen, uitademen; wilde ganm. —iron, brandijzer. —new, splinter- Breath e (brieth), —one's last, den geest geven; v. n. ademeu, meow. zuchten; (after) hakeu naar. —able, a. dat v. a. zwaaien, Brassdish (laren'disj)., s. zvvaai. s. ademhaling. ingeademd ban tiretndling (brendliengl, s. spoelworm. —any hole, luehtgat. Brandy (bree'dilik s. brandevvijn. Branyle (bren'g1). s. twist, krakeel. —, v. n. Bred (bred), part. well —, all —, wel, slecht opgevoed. krakeeleu. —r, s, krakeeler.
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
KE fetter). —linie, detail-gorge. —antsteking s inflammation of the throat. —punt, angle of the polygon. --seder, pharyngotomiet. —stoat, ogee, eyma'chime —tering,t aringtolphthisie. —ziekte, disease of the throat, Fore throat, quinsy. Keen,v. chap, germ. Keep, v. notch, jag. Kerr, m. turn, time ; tour; circuit. to — gaan, to .eclat, to oppose, to check. —en, ov. w. to turn; to avert, to prevent, to stop, to resist; on. w. to turn ; to return. —biok, quarter-block. —dam, dike. —dicht, ronleau. —kring, tropic. —krings- (in sacs.), tropical. —weer, blind alley, toru-again alloy. —xijde, revenue. --ing„ v. turntug ; averting, eto opine, reeimtance ; return. Keep, tn. —hand, Cox-dug. wolf-dog. — jeskruid, mallows. Keeet, m. kernel; pith, marrow, quintessence. Keel, v. salt-works; shed, outhouse. ---en, ov. to refine. Kent en. on. w. to bark, to yelp ; to bawl. —er, ra barker, yelper; bawler. Keg, a. wedge.
Geduid, o. patience; indulgence, forbearance. —ig, by. & bw. patient (-1y). Gedurende, ye. during. Gedurlen by. & bw. continual (-1y). —heid, v. continualness. Gedraw, o. pushing. joggin. g Gedwatell, o, erring, strayin g. Gedworrel, o. whirl, whirling. Gedwee, hy. & bw. supple (-ply), Pliable (-bly); docile, flexible, meek (-fp, submissive (-1y). —heid, v. supplenera, pliableness, docility, meekness. Gael weep, o. enthusiAsm, fanaticism. Geed well, o. mopping, swabbing . . Gedwtng, o. forcing; teasing, crying. G edwongen, by. forced; affected. —held, V. constraint; affectation. Gnat' (te), bw. dog cheap, for a mock-price, for a mere song. Geefster, v. giver, donor. G eel, by. & o. yellow. —oieter,brazier. —gieterij, brass-foundery. —hoist, fustic. —rink, green-finch. —nicht, jaundice. —suchtig, attacked with the jaundice, jaundiced. —aehtig, by. yellowish. —held, v. yellowness. Geese, tw. no, not one, not any, none. — van beide, neither of them. in —en deele, in no wise, in no respect, by no means. Geenerhands, Geetterlel, by. of no sort, of no kind. op — wtjs, in no wise, in no manner whatever. Geangageer d, a. betrothed, engaged. Geenszlne, bw. not at all, by no means. Gee's, v. banstickle, Geer, a, gusset; gore. Geeren„ on. w. to incline to one side, to recipe, to slant; tie Afhonden. m. whip, lash; scourge. —brocder,—monnib, flagellant. —trok, good for-nothing. —pant, whipping-poet. —roccle,whipping-rod.—slagslash. —OW, whipping. —car, m. whipper; flagellant. —en, ov w. to whip, to lash, to flog: to beat against. —ing, v. whipping, flogging, flagellation. G east, v. heath. Geese, m spirit; mind, intellect., genies, wit: ghost; spectre. fraaie Vt. sterke freethinker. de heilige —, the Holy (3 hoet. den — geven, to breathe one 's last, to yield up the ghost. voor den — kossen, to occur to the mind. —drift, enthusiasm, eagerneee, ardor. —clrijfater, tie Geeetdriiver. --drineend, by. & ow. fee atical ( - 13). --d,ijver, enthusiast, fanatic. —driiverv, enttinelasmfenaticism,bigotry.—kracht,atrength, power of the mind, energy. —1.0, witty, ingenious; spirituous, etrnng. —vermogen, faculty of the mind, mental power, intellectual faculty; talent, part. —verictiOning, apparition. —vervoering, enthusiasm. —verwant, by. congenial of mind. —vcricantschap. congeniality of mind. —enbanner, —enbeticcerder, enorcitser, necromancer. —enIeer, doctrine of spirits, pneumotology.— enr(jk, —enwereld, intellectual (spiritual) world. —enxiener, visionary, ghoet -seer. Goestelkik. by. & bw. spiritual (-1y), immaterial (-1y), incorporal (-1y); ecclesiastic (-ally), rell-
The other 2% of customer funds, held online, are covered in the event of a breach of Coinbase's online storage. Also, Coinbase holds all customer fiat currency in custodial bank accounts, on behalf of customers. So, if you have fiat currency in Coinbase, in a USD wallet, it is covered by FDIC insurance up to $250,000 (just like a "regular" bank). This protects customer assets (so long as they have been converted to fiat currency) even in the event of Coinbase becoming insolvent.
West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-
During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.
— um. (-e - me), K Panama. —dora (-do're), my. Pandora, —nonia (•no'ni e), g. Pannanie. —theme, (thi-un), g. Pantheon. Paraguay (per-e- se', -gaj'), g. Paraguay. & m, Paris. —ian (pa-rizren), Paris Ver'ig)• a. Par' sch; 1. Parijzeurtar. Par ices. (paar'kur), m, Parker. —ma (-me), g, Parma. —name 1-nes'aus), g. Pornaseus. Pear (paar), an. Parr. —y, (per'rih), m. Parry. Parthenon (paar'the-non), g. Parthenon. Parthia (paar'thi-e), g- Parthie• Pat (pet), f. root Martha & Patrick. Patagonia (pet e-go'ni-e)., g. Patagonie, a Patagoniach: i. Patagonier. Patrick (peVrik), m. Patrick. —ty, f. soon Martha; Matje. Paul (prior), m. Paulus. —ina (-aj'ne), w. Pauline. rn. Paulus. Pavia (pa-vi'a), g. Pavia. Peel (piel), m. Peel. Peg (peg'), — pp ( - l0), r. soar Margaret; Grietje Griot. —anus ( e-sua), my. Palatine. Pekin (-king'). g. Peking. Pelagla (pa-lee'dzjt-e), w. Pelagla. —ns (-enz), r. Pelagian., Peloponnesug (pel-up-un-ni'aus), g. the —, de Peloponnesue. Penn (peon'), m. Penn. —sylvania (-811-vea'ni-e), g. PentylvaniS. Pere last (par'ei-vel), m. Percival. —y,' tn. Perry. Peri clog (per'ik-liez), m. Pericles. —paten. (-1-pe-teViks), ph. peripatetische (wandelende) wijegeeren. Peru anabueo (pur-nem-bjoe'ko), Pernambuco. —el (pur'n11), w. Petronella, Proternel. Persepolis (par-sep'o-its), g. Persepolis. POirZettlii (pur'sjoes), m. Perseus. Penal as (pur'sjt-e), g. Perste. —en, a. Perzlsch; 1. Pens, Perziaan. —us, ru. Porcine. Peru (pe-moe.), g. Peru. —elan (-vi-en), a. Perusanseb; 1. Peruaau. Peter (pVtur), m. Petrue, Pieter. —aburg (-turnburg), g. Petersburg. Petrarch (pl'traark), m. Petrarca. Phar sob (fes i ro), m. Farao, —laces (far-1-siez'), r.Farizsers. Phil (fill, —ly,voor:Phiiip; Flip. —, w. Phyllis. —adelphid g. Philadelphia. —emon m. Philemon. —ip m. Phliippus, Philip. Flip. —ippi (-ip'paj), g, Philippi. —ippinee ( pins), g. the—. de Philippbnsche eilanden. —ietine 1-18•taja), I. Filistijn. Phoek e (11'bi), my. Phebe. —us, my. Phebus. Phoenicia (d-niert-e),'g. Phenicie. —n, a. Floenicisch; i. Phenicier.

(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt
Motto (saot'to), a. motto zinspreuk. Mortar (moeter), a. mortier,vijzel, mortel. Mortgage (mor'gidzj) - a, kusting, verbena, by- Mould (troold'), a. slot; aseale; schimmel; vorm, mei. —candle, gegoten kaara. —warp, mot. —, potheek. —, v. a. verpanden. —e (-ge-dzjie'), P. v. a. vormen, mallen; v. n. bescbimmelen. —able, hypotheelc-honder. —r, s, verpanden, hypotheeka. vormbaar. —er, a. vormer. —er, v. a. vernemer. Mortis' crone mur-tif'ur-us), a. docdelijk, Ter- brokkelen; v. n. vermolmen. —iness (-i-ness), a. beschirnmeldheid. —ing, a. hollijst; —plane, derfelijk. —ication (mor-tif-i-kee'sjun), a. dooding; greet-, kraalschaaf. —y, a. beschimmeid. kastijd7ing; grievende vernedering; hartzeer ; Moult/let (mool'i-net), a. kruisrad, draadkruis; koudvuar. draaiboom. Moral led (morli-faj-id), a. vernederd, gekweld. Moult (moolt"(. a. ruling. —, v. ruien; verharen. —ier, a. die zijne hartstochten doodt. —y (-faj), v. a. dooden, kastijden; vernederen; krenken; —er, a. ruiende vogel; verharend dier. v. n. murw worden; het koud vane krijgen; Mounch (aaaauntaj), v. a. opachranaen. Mound (maaund), a. wal, dam, verschansing zich kaatijden. v. a. verschansen. Mortise (moritis), P. gat, tapgat. v. a. een Mount (maaunt), a. berg; aardhoogte. —, v. a. gat (tapgat) Timken in; invcegen. bestljgen, heklimmen; versieren, monteeren. Niort main (mort'nueen), a. doode hand, once, — guard, op wacht trekken. she —8 twenty guns, vleemdbear goed. —pry (-pee), a. achteratallige bet achip voert twintig stukten. —, v. u. stij• betaling. gen, klimmen. —able, a. beklimbaar. Mortress (mor'tress), a. ragout, hoendersoep; Mountain (maaun'tin), a. berg. —antelope, blippoespas. Mortuary (mor'tjoe-e-rih), a. lijk-, begrafenis-, grit. —ash, sorbenboom. —arena, bergaujelier. —balm, bergmunt. —bleu, bergblauw. —cat , —, a. begraafplaata; legaat tot een vroom duel. loath, lynx. —cock, berghaan. —cork, (soort van) Mosaic (mo-zee'lk). a. mozaIk, ingelegd werk. ateeovlaa. —crystal, bergkristal. —damson, (snort —, —al, a. ingelegd; mozaIsch. van) bitterhouthoom. —egg, ber g ei. —green, bergMoslem (rnoe'lim), a. muzelmansch. s. Muroen. —heath, steenbreker. —laser-wort, bergzelrnan. omijn. —linnet, gemeene vlaavink. —man, bergMosque (monk), a. naoskee. man. —paper, zie —cork. —pass, bergpas. —pine, Mosquito linus-ki'co), a. mushiet. bergden. —rose, alpenroos.—soap, bergzeep.—wine, Moss (MOSS', a. mos; rnneras. —campion, madebereost. —eer (-ier'), a. bergbewoner; atruikMalaga-wijn. —clad, —grown, tiefje, rearia-roosje. roover. —owl, a. bergaehtig. —ousness, a. bergach—rose, mosroos. —rush, moerasbies. —trooper, struikroover. —, v. a. met mos bedekken. —rims tigheid. (-si-news), a. bemoatheid. —y, a. bemost, moasig. Mountebank (maaun'te-benk), a. kwakzalver. —, v. a. bedotten, bedriegen. Moat (moos0, a. incest. —, ad. meest, men —, s. meest, hoogst. at the —, ten hoogate. for the Mount eel (maaant'id), a. opgeateicen;uitgerust, gewapend; gemonteerd. —er, a. bestijger; bank— part, meesteneleels. —ly, ad. meestat, meetheader. —ing, a. opstijging; uitrusting; het montendeels. teeren. (mos'tilr), a. Zie Mauistlek. Mourn (mcorn'), v. a. betreuran; v. n. treuren; Mote ;moot), a. stofje, ziertje; splinter, •ouwen, (at. for. orer).—er,a. treurder; rouwdraMotet (mo-tet"), a. motet. Moth (moth'), s. mot. —eaten, door de mot ver- ger. —ful, a. —fully, ad. treurig, droevip,—jaitness, teerd. mottenkruid. —wort, St. Jan's a. treurigheid. Mourning (moorn'ieng), a. rouw; rouwgewaad. kruid, irfjvoet. —y, a. vol motten. Mother (muth'ur), a. moeder; moat-, drab. — of first (deep) —, aware rouw. second (half)—, Hate pearl, parelmeer. — of thyme, wilds thym. —. A. rouw. —crape,rouwftoers. —suit, rouwkleeding. (inaua'),eamnis.—bat,vledermuis.—buttock, mot—church, Mouse moeder-, moederlijk; natuurlijk. staartatuk. —color, grijs. —dung, muizenkeutela. derkerk. —clove, motrnagcl. —country, moederland. —fits, mosderkwaal. —in-law, schoon-, —ear, muizenoor. —hawk,muievalk. --hole, muizengat. —hint, muizenjacht; -anger. —tail, mutstiefmoeder. —lobster, groete zeekreeft. —spot, woedervlek. —tongue, meedertaal. —wit, gezond , zenetaart. —trap, muizenval. Mouse (maux'). v. a. verseheuren; sjorren; v. n. verstand. moederkruid. muizen; slim zijn. — r, P. meizenvanger, muiskat. Mother (muth'ur), v. a. ala kind aantemen ; v. n. bezinken; stremmen. —hood, a. murder- Mouth (mouth'), a, mond, mail, bek; monding; Ingang. by word of —, monaeling.from bast/to—, sehap. —less, A. rnoederloos. —like, a. moedervan de hand in de tan d. de=an in the —, neerslachaehtig. —ly, a, & ad. moederlijk. —y, a. drabbig, tig. to make — s, een scheef geziebt trekken. —extroebel. penses, host-, tafelgeld. —friend, sabijnvriend, Mothy (moth'ih), a. vol motten. -vriendin. —ful, a. mondvol. —glue, mondlijm. Motion (mo'sjun), a. beweging; voorstel, matte. —honor, geveinsd eerbetonn. —made, a. met den —, v. a. & n. voorstellen. —er, s. voorsteller mond. —picae, mondotuk; woordvoerder. —less, a. onbewrgelijk. Mouth (n2auth'), v. a. met den mond vatten; haubewegend. —e, a. hew ea. A. Moth' a Inao'tiv), 1 wen; uitbulken; uitacheltlen; v. n. schreauwen, reden. —ity (-tiv"it-tih), s. beweegkracht. laid mpreken. —ed,a.veqz can' mond voorzien. —er, Moti.ay (mot'lib), a. boat, gesehakeerd. s. eehreeuwer. Motor (nto'tur), a, beweger; drgfrad. —y, a. beMot' able (moerlb1), A. beweegbaar. —ableness, wegend, aandrijvand,
—dul,60, by. treble, threefold; bw. trebly. —dubDragant, v. tragatauth. Drag en, ov. w to bear, to carry; to wear; to &thug, triplication. —eenheld,trinity.—teniy, triune. —hoe k, triangle. —hoektg, triangular.—hoekasupport, to suffer, to endure; on. W. to wear: to suppurate; to bear; to support; to carry, to reach; meting, trigonometry. —hoordig, three-headed. —jartg, trlennial,three years old.--karat,—kantig, to be with young. —er, no, bearer; porter, carrier. trilateral, three-edged;three cornered,cockettean Dragon, v. tarragon. een hoed). —Vara, triphthong. —Maur, tricolor. Dragosstier, in. dragoon. —kieurieetrIcolored.—koninyen,epiphany,twelfthDraken !Aced, o. dragon's blood. —boom, drag-day. —lettergrepig, trisyllabical; —t000rd,trisylon-tree. —kruid,dragoo-wort. —e/any., ceraetee. lable. —ssaal, —serf, three times, thrice. —moanDrat en, on. w. to hesitate, to loiter, to linger. delOks, —maandelitkech, quarterly. —man, Plum—ere m. loiterer. —rep, v. hesitation; loitering, vie. —mannig, —e plant, Wender. —tnanschap, slowness. Drama, o. drama, —titch, by. & bw. dramatic, triumvirate. —mast, —master, three-master. —ponder, three-pounder, —puntig, thie e-pointed. dremotical (-1y). —regelig, of three lines; —vera, tieraet. —slog, sic Drang, in. crowd, throng; pressure, urgency; a v.bling pace. —span, spike-team. —spiefig, trtAandrang. —reden, forcible (pressing) argulid. —sprang, crass-way where three roads meet. ment. —stal, joint-stool. tripod. —steamily, for three Drank, in. drink, beverage, liquor. sterke —en, voices. —tai, number of three. —hind, trident. spirits, apirituoue liquors. aan den — olin, to be —tandig, with three prongs, tridentate. —voet, given to drinking. —hoofd, tippler. toper. —huts, tavern. —offer, libation, drink-offering. —toinket, tripod; trivet. —voetig„ three-legged, tripedal. *--voud, threefold. —voudig, by. threefold, triple, gin ehop o. potion, draught. treble; bw. Dress, by. merehy, miry, fenny, boggy, swampy. —, v. mead', mire, fen. —grand, —land, marshy —e plant, trigyn. *Wig three-aided, trilateral. land. —sip, by. Pie Drea. —sigheid, v. marshi- —erhande, —erlei, by, of three sort.. — ling, in. & v. three-twin child; tierce. ness, wiriness. Drav en, on. tr. to trot; to run very fast, —er, Drieg dread, in. basting-thread. —en, or. W. to baste, to tack. in. trotter, trottir g-horae. Driest, by. & bw. rash (-1y), bold (Ay), daring Dreivlk, v. cockle, brome-grass. (-1y). —4eid, v. raahness, boldness, dariuge est. Dreef, v. lane, alley, mead, meadow; flock, drove; box on the ear. op tVite .(in, to be going; to be Drift, v. drove, herd, Sock; course., current, flight; passion, anger; eagerness, haste; instinct. in spirits, to be at one's ease. —kop, hot head. —recat, commonage. —sand, tie Dreef, v. turd. DrUfzend. —ip, by. & bw. afloat, adrifttpasDreg, v. hedger, grapnel. —net, draw-net. —tow, sionate (1y), in a passion, eager (-Iy), hasty (-ily); rope of a kedger, inverter. — warden, etch — makes, to fly into a passion. Dreig cement, co. menace. —en, ov. & on. W. to —ietertd, v. passionatenees, ;eagerness, hastiness. threaten, to menace, to impend over: to waver. —er, en. —ster, v. threatener. —kg, v. threatening; Driii belief, in. chisel. —bout, starting-bolt. —homer, mallet. —hout,fioating-wood,drift-wood; threat, menace. driver. —(je, drift-ice. —Ozer, driving-bolt, Drek, m. excrements, feces ; dirt, muck. —gat, driver. —jacht, track, battue. —land, tooting.. slough. —goof, eink s ee•er.—hoop,aung-hill.—trar, land. —rad, pinion. driving-wheel. —stem, pudun„-cart, tumbrel. —kip, by. dirty, tl thy; nasty. mice atone. --tot, whipping top, whirligig. —toe, Deetupel, m. threahoid, sill. —bewtsarder, —bebuoy. —veer, motive; spring. —.and, drift-sand, tcaarater. —wackier, porter. quick-sand. Drenk staling, en. & v. drowned pecans, — animal. —en, or. w. to water; to drench. —bak, —frog, Deliten, or. & on. w. to chits; to ease the belly. watering-trough. —plaats,—Iced, watering-place, Drtiv en, ov. w. to drive, to push; to emboss, to chase; to maintain, to pretend; handel —, to horse• pond. Drentel tsar, m. —aarster, v. loiterer, lounger. carry en trade, to trade (in); op de tquelit —, to —achtig, by, loitering, lounging. —en, on. w. to put to flight; het is ver —, to go too far; den spot — met, to ridicule, to make a game of. —en, loiter, to lounge, to trifle. on. w. to float, to swim, to drive; to hover lean Dreuns, na. —el, m. thrum. vogels); op ...Inc enters —, to dreg . the anchor; Dreu men, in. shrimp, hop-o , my-thumb. op eigene seieken —, to shift for one e self, —er, Drenn, m. shake; vibration. —en, on. w. to shake, no. driver; embosser, chaser; obstinate fellow. to quake, to tremble. —tiny, v. shaking, quaking, Drib, m. drill; slap. —, v. jelly. —boog. drill-bow. trembling. —boor, drill, wimble. --pat, hole made by a drill. Drente!, m. turd; shrimp. —aar,m. loiterer. —en, —meester, drill-sergeant. —p/oats.diilling-place. on. w. to loiter. —len, ov. & on. w. to whirl round, to wield, to Drove!, tn. driver. brandish; to drill; to train, to form to arms; to Dribbet par, in. —aarster, v. —get, in. & v. run hither and thither, to gad about. tripper. —en, on. w. to trip. Drie, tw. three. —, v. three; trey. in —en, in three Dring en, or. & on. w. to crowd, to throng; to push, to press, to urge, to compel. —end, by. parts, in three times. —Mad, trefoil. —bladerig. & bw. pressing (-iy), urgent (-1y). —or, m. —ster, tripetalous. three-leaved, trifoliate. . pusher, presser. —deelig, tripartite. —decker, three-decker; virago. —dik, threefold. —draadscit, of three threads. Drink bear, by. drinkable, potable. —en, ov. &
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

Wat werd Bitcoins startprijs


derigbeid. bijzend, anuivend; bduf- kt,erzaal. -scrape r,pompachraper. -spear, pomp • stang. -stroke, pompslag. -water, pazupwater. fend, anaavend. -a, a. opgeb!az , n, gezwollen; winderig, nnoeaend. ; --well, pompzode. -, v. a. uitpompen; ren, palsen; v. n. p am pea -er , a. pumper; pompPuffin (punin), a. waterhoen; zeepartw; boats , . — app!e, rabauxv. ' Pump ion (nnnaa',inn), -kin (-kin), a. pompoen. Pug (pug), a. aapje; maps, -note, mopneita. Pon (pun), a. woord,peling, -, v. a. door weord-


ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
ad. met vertrouwen. Benign ant (be-ni z'nent), a. vriendelijk, goedBelittle (be-lit't1), v• a. verkleinen. verlagen. gunstig. —ity 1-nit-tih), a. goedgunstigheid. Bell (bell), a. blob, schel; bloemkelk. the —s Benison (ben'izn). a. zegen. are ringing, be klokken luiden. to bear the —, Bent (bent), s. kromte, bulging; belling; Iieiging. de belhamel zijn. —clapper, klepel. —fashioned, Benumb (be num'), v. a. verkleumen, verstijklokvormig. —flower, klokje. —founder, blobven. —ed (be-numd'), a. verkleumd. gieter. —man, omroeper. —metal, klokspijm. Benzoln (ben-zojn'), a. benzod (gam). schellekoord. —ringer, klokkeluider. Repaint (be-peent'), v. a. beschilderen. —string, klokketouw. —wether, belhamel. Bepinch (be-pinta)'), v. a. beknijpen. Belladonna (bel-le-don'ne), a. nachtachade. Bepowder (be-paau'dur), v. a. bepoeieren. Belle (bel'le), a. schoone vrouw. Bepraise (be-preez"), v. a. zeer prtjzen. Bellicose (bel-li-koom"), a. aorlogzuchtig. Bequeath I be-kwiethe), v. a. vermaken (ale legaat). Belligerent (bel-lid'zjur-ent), a. oorlogvoerend. —er, s. erflater. Bellow (bello), v. n. bulken, loeien. —e (.ini), Bequest (be-kweat'), a. Iegaat. a. blaasbalg. § Berate (be-reet'), v. a. beknorren, bekijven.
During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.
n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
glean. —on (-on), s. (talker (eend). —r, a. dompe. Plinth (plinth), s. plint, rollaag. laar, dutker; pompatok. Plod (plod'), v. n. sloven; blokken. —der, a. Plunket (plungk'it), s. waterblauw. glover; blokker. Plot (plot'), a. pleikje gronds, veld; aanleg; plan, Pluperfect (ploe'pur-fekt), a. meer dan vole maekt verleden. ontwerp; komplot, samenswering, intrigue, aans. slag, knoop. —, v. a. smeden; ontwerpen; v. n. Plural (ploe'rel), a. --/y ad. meervoudig. meervoud. —sat a. geesteljke, die meer dan tin samenspannen, sea' aanslag smeden. —ter, s. kerepel heeft. —sty (-rellt-tih), e, meartalligsamenzweerder; ontwsrper. held, veelheid. Plough (plan'), a. ploeg; ploegschaaf. —beam, plosgbalk. —boy, ploegjongen. —colter, ploeg Plush (pluej"), a. plain, pluche. —er, s. (aoort van) zeehond. kouter. —handle, ploegstaart. —iron, sponningached!. —knife, ploegmes. —land, bouw land. Pluvi al4ploe'vl-e1). —out, a. regen-; regenachtig. —a/ s. miegewaad, koorkleed. —man, ploeger; landbouwer; vlegel. —monday, eerste mammies na Driekoningen; ploegieest. Ply (plan, a. bocht; vouw,plooi; nelging; gewoonte. —, v. a. inspannen; Ijv erig waarnemen, —raker, ploegijzer. —shaft, ploegboom. —share, gebruiken, behartigev; zich toeleggen op; drinploegschaar. —staff, —stilt, —tail, ploegetaart. gend verzoeken; bewegen; overatelpen (with); v. n. ploegmaker, —, v. a. beploegen; v. n. buigen, toe even ijverig werken, gin best doen; ploegen. —er, s. ploeger; landbouwer. —ing, s. laveeren. —er, s. Zie Filer. het ploegen. Pneum atic (njoe-met'll,), a. lucht-, wind.; van Plover (pluv'ur), a. pluvier, regenvogel. de lucht (de luchtleer,. den wind). —atics, a. Pluck (pluk'), e. ruk, trek; omloop, ingewand; luchtkunde; geestenleer. —otology (-me-torudinoed. —, v. a. rukken, trekken; plukken, (down) zjih), a. lucht-; geestenleer. — onia neerslaan; neerrukken. (off! at-, uitplukken. (up) uitrukken; uitroeien; opbeuren, (moed) schepe. longonteteking. —onic (-mon'ik), a. van de longen, a. longmiddel. pen. —er, a. plukker; uitroeier. Plug (plug), s. plug, pin, stop, prop; kraan; Poach (pootsjl, v. a. sacht koken; viuchtig ontwerpen; doorsteken, doorboren; stroopen; v. n. stinger. —, v. a. dichtatoppen. wild atroopen; vochtig an. —ard, a. poeleend. Plum (plum'), a. pruim; roziju; le0,000 pd. Merl.; —iness (-1.-ness), s. vochtigheid, —er, e. stroo millionair. —auger —a, bruidsuikers. —cake, prui—y. a. vocht g, moeraseig. mentaartie, krentenkoekje. —porridge, brtj met prutmen of rozijnen. —pudding, podding met Peck (pole), a. yak, pokzweer. —hole, —mark, pokput. —fretten,—marked,—pitted,pokdalig.—wood, prnimen of roziinen. —tree, pruimeboom. pokhout. Plumage (ploe'midzj). s. veeren; vederbos. zonder geld. Plumb (plum'), g. achietlood, dieplood. —line, Pocket Ipok'it), a. zak. out of —book, zakboekje. —glass, zakspiegeitje. —hole, schietlood. —, a. & ad. loodreeht. loodltjn. —rule, zakgat. —handkerchief, zakdoek. —knife, zakmes. —down, reeht near beneden. orer,recht over. —, —money, zakgeld. —, v. a. in den zak steken, v. a. peilen, in het load zetten. —ago (-bee'go), (- bi-us), opateken; (up) opsteken; verkroppen. . leoderts, potlood. —eon ( -bi-en), loodgieter. Pock hives (pokl-nes), a. pokkigheid; vezieriek, a. loodaehtig; leoden, zwaar. a. pokkig; venerisch. —y, —cry, s. loodgleterswerk; loodgieterij. Plum a (ploerel, e. veder, vederboa, pluim; Pod pod ), s.sebil, bast, dop. —ware, peulvrecht. —, v. n. rich zetten, peulen bekomen. trotsehheid; lawyer, eereteeken; —alum, 'pluimaluin; —striker, pluiraetrijker. —e,v. a. (de veeren) Podagr a (pod'e-gre), a. podegra, voeijicht. —le, —ical (po-deg'rik-), a. jichtig. reinigen; met veeren (ten' yederbos) tooien; uitplukken; — one 'a self on, etch laten voorstean Podge (podzj), s. posh, pins. op. —cleat, a. ve-derloos, kcal. —igerous (mid , Po em (po'em), a. gedicht, diehtsiuk. —est/ (4-sih), sjnr-us), a. gevederd. —iped (-i-ped), a. rulg- I a. lie Poetry. Poet (po'it), a. dlchter. —aster (-es-tur), a. rtjpootig. Plummet (plum'init), a. schiet-, dieplood. melaar. —tea, a. dichteres. —ic,—ical, a. —ically, ad. (po-et'ilz.), dicliterWk. —sea (-eViks), pl, leer Plums ose (ploe- moos% —ous, a. gevederd; 'cederder dichtkunst. —ire (ajz), v. n. dichten. —ry, achtig, donzig. —osity (-raos'it-tih), a. gevederda. dtchtkunat; gedichten. held; donslcheid. Plump (plump'), a. —1y, ad. vleezig, poezelig; Poignan cy (pornen-sih), a. acherpheid; etekeligheid. —t, a. —fly, ad. scherp; stekeltg. vet. —, ad. plomb. —, v. a. & n. vleesig (dik, vet) makes (warden); nederploffen. —er, a. prop Point (pojnt'), s. punt; stip; spits; nestei; oog an het spel); stift, naald; kant; kompasstreek; of pruim (in den mond); grove leugen. —ness, keep, doel; toestand; grand; uitslag; soot, toon. s. vleezigheid, gesetheid, —y, a. vleesig, gezet, —a, pl. seizingen; puncturen. — of sight, — of poezelig. Plum ule (ploe'mjoel), s. kiem, plulmpje. —y, view, gezichtspunt. to gain one's —, ztjn doel bereiken. to bring to a —, ten elude brat:igen. at a. gevederd, donzig. Plunder Iplun'dur), s. bolt, roof. —, v. cplunall —a, in ails opzichten, geheel. —blank, e. mikpunt; waterpas-, kernachot; ad. rechtetreeks, deren, rooven. —er, s. plunderaar. regelrecht. punctuur-gaatjes. —maker, Plunge (plundsjl, s. indompeling, induiking, nestel-, kantmaker. —screw, punetuur-schroef. nederploffing; plot; (het) *lean van paardeu; seilpunt. verlegenheid, klern. —, v. a. indompelen; s torten; v. n. duiken; zieh I "torten; springen en Point (pojntl, v. a. aanpunten, teherpen; stip8
Nubil a (njue'bil). a. huwbaar. —ou8 (-bi-lus), bew Nucleus (njoe'kii-u8), a. kern, pit. Nudation (njoe-dee'sjun), a. ontblooting. Nud (njoed), a. bloat, naakt; ongeldig. —ity (-dit-tilt), 8. unakaheid, blootheid. Nugft city (njoe-ges'it-tih), a. beuzelachtigheid. —tory (njoe'ge-tur-rih), a. beuzelachtig. Nuisance (njoe'sen8), a. nadeel, °veriest. Null (nul'(, a. nietig, ongeldig. —, 8. nul; nietigheid. v. a. vernietigen. —if/cation (-la,kee'sjun), e. vernietiging. —ify I-1140, v. a. vernietigen —ity, 8. nierigheid; ongeldigheid, Numb (num'), a. verdoofd,gevoellooa (with, van). —, v. a. verdooven. —edness, a. verdooving, ge.
302 Kieed, a. coat, gown, garment. dress; cover. —en, or. w. to dress, to clothe; rich, t, w.to dress. —kanser, dressing-room. Klasid,er on, o. my. clothes, dress, garment. —draekt, costume, fashion, garb. —maker, tailor. —pracht, luxury in clothes. Mead (2, v. dress., clothes, raiment. costume, toilet. v. stressing; are —stuk, article of dress. —je, o. gown, robe. —tier, v. dressing-woman. Kleef stelstlg, by. viscous, gluey, sticky, clammy. —garen, trammel. —kruid, bur, burdock. Kisser en, o. my. traps; roe Kleedesen. —ben, —mond, clothe. basket. —boratel,—echnier, clothes brush, whisk. —tamer, ward-robe. —kcal, ward robe, clothes-press. —kist, linen chest. —trooper, merchant-tailor; ,old clothes-man, frippeter. —maken, tailor's trade. —maker, tailor. —seh9eht, —sink, pole to hang linen on, clotheshorse. —lob, washing-tub. —winked. (second-hand) clothee-shoo. --worm, moth, tiny. —solder, garret for linen, laundry. K1e 1 , v- clay, marl. —aarde clay-earth. —groeee, clay-pit. —grond, clay-ground. —long, layer (stratum) of clay. —spoor, clay-spur. —seep', elsy -road. —aehlig,bv. clayey, clayish. Klein., by. little, small, ens); t, petty, diminutive geld, change. in het —, by retail; in miniature. —achten, to slight, to disregard, so ins he el lghtly of. —achling, aright, slightingelisregard.--doeeter, granddaughter. — geestig, narrow-minded, petty, frIvolousa—geestigkeidoearrow -mindedness, pettinee., frivolousneee. —geloovig, faint-hearted, de ficient in faith, of little ta,t1s. —geloovigksid, faint-heartednetse, little faith. —handel, retail. trade, -business, —handela ar, retailer, retail-dealer. —hartig, —moedig, by. & bw. low-spirited, faint-hearted (-/y1,timid (-1r, pusillanimous (-1y). —kartigkeid, —mnedigheid., dejection, faint-heartedness, timidity, pusillanimity. —kind, grandchild. —kindersehooltje, infant-school. —sehild'r, miniature-painter. —schcift, small-hand. —smid, locket-smith; cutler. —stmedsek. like the inhabitants of a small town, countrified. —teeriy, delicate, touchy, coldly hurt, --terrigkeil, delicacy, touchiness, tenderneee. —room, grandson. —e, in. & v. little one. —held, v. smallness, littleness, minuteness, pettiness, meekness. lkilef ►allrghtsid, v. ttifle,batable. Kleinood, o. jewel., gem, trinket, treasure. Kleine, v. strainer, sieve. —dock. otrainer. Klein te, v. kie —tje, n, little one, baby; small matter, trifle. Kielnz en, ov. w. to strain, to nitrate. —er, m. atrainer. —ins, v. filtration. Mona, v. catch, caltrop; narrow pees; straits, pinch, scrape, dietrese; !trieenits; force- energy; weight; stress. met — spreken, to speak home. —grond, anchorage; forcible argument. —men, 0 , & on. w. to pinch, to jam, to nip; to clinch. —task, holdfaet. --retie, dilemma, convincing argument. —spreuk, forceble sentence. —slaarlig, having the accout on the termination. —loon, stress. —vogel, kite. —wooed, forcible word, clincher. —mer, m. pincher, ecreeezer; clincher. —ming, v. pinching, nip; clinching.
404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.

FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,
informer. — geneot, --.tether, copartner. —ieg, v. ecownunication, informetien. —.an, by. coinmunieative ; liberal, charitable. —xaamAeid, v. communicativeness ; liberality, charitableness. Itkededienst kneeht, In. --tnaapd, v. fellowservant. NtedeclInig en, on w. to rival, to compete., to stand in competition. —er, m. —..ter, v. rival, competitor. — mg, v. competition. fledednen, or. w. to join in; on. w. to be of the party. Riodedoouen, o. compassion; pity, COMMISetitti on. —d, by. ens. Zee Ivieedoogend,eny. Mededrintlen, ov. vv. to drink with a. o. Irtedei'eftwiei, bv. coeternal. litedeiiiit.it oar, M. —area, v. joint-owner. Itediee'rfgentsam, tn. coheir; v. coheirs.. 19Iettetlit en. on. w. to partake of a dinner (breakfast, supper), to dine (to breakfast, to sup) with a. o. no. guest; fellow-boarder. Mede seen, on. w. to go (along) with a. o., to accompany. —ganger, m. companion. Riletleigenotst„ m. & v. partner, consort. , --..chap, o. partnerehip., consort 4 on. participation. friledegettaag e, rr., & v. fellow-witness. —en, on, W. to bear witness with others. —eats, v. joint evidence. m. & v. fellow-prisoner.. Meet Medegeven, ov. w. to give along with, to send with, to charge with; to give for a portion; on. w. to yield, to give way. Wileedegetroel, o. fellow - feeling (for), sympathy (stitth). Medelnundolastr, m. copartner. Alledeluelp on, on. w. to contribute, to aselst. —er, sn. —..ter ;, v. assistant, help-mate, coadjutor; coadjetrix. ftliedehasip, v. joint assistance, cooperation, coadjuvarmy. Itiledehustrder, m. joint tenant. lelestelugwectence, m. & v. fellow-inhebqaut. ritedekeizer, m. coensperor. Mell!eklezer, tn. fellow- else tor.
Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-

Netherlands (neth'ar-lendz), g.the —, de Nederlanden. New eastle (njoe-kaael), g. Newcastle. —foundland (Worland-lend, -faaund%), g. Newfoundland. —Orleans (-ar'llenz), g. Nieuw-Orleans. —stead (njoe'uted), g. Newstead. —ton (njoe'tn),m. Newton. —York (-jork'), g. Nieuw-York Niagara (naj.eee-re), g. the —, dl Niagara. Nicholas (nik'o-les),m. Nicalass„ NIk (nik), f. your Nicholas; Klass, N 'ger (n^)'gur),g. the —, de Niger. Nigriti g. Nigritie. Nile (ILI g. the —, de Nijl. Ninoveh g. Nineve. Noah (ncee),m.Noacti. Noll (no1)1,f.voor Arnold; Nol. Nomodes (1301We-die.), i. Nomaden. Norfolk (nar'fak),g. Norfolk. Nurntatt (noemen), a. Noorsch; i. NOOCIZAZI. dy, g. Normandii , . or way (nor-wile), g. Noorwegen. —teegion (.wi'dzji-en), a. Noorweegsch; 1. Noorweger, Noon —soieh g. Norwich. Nulhla (njoe'bi e), g. Nubie. —n, a. NuMeeh; L. Nubier. Numldla (niot-rnid'i•e), g. Numidie. --n, a. Nunoldisch; t. Numidier. Ni' nip (nump), f. voor Humphrey. Nyckin (nik'in), voor Isaacs.

Jesus (dzji'sus). m Jens. Jewry (dzjoe'r1h), (r. (hut) Joodsche land. Jezabel (dzjez'e-bel), w. Jrzabsl. Jin ((Win"), - ny, f. voor Jane. Joan (dzjoon), v.. Johanna. Job (dzjoob)., m. Job. Joceiln (Jzjoslin),m. Justus, Joost. Joe idujo). f. voor Joseph. John Onion'), m. Jobannec, Jan. —ny, f. tour John; Jamie. —son (-en), m. Johnson. —.ton (• sin), m. Johnston. Jan all (dzka'ne), —as, m. Jona. Jones. Joraathau (dzjon",then), m. J onathan. Jordan (dzIor'drn), g. Jordaan. Joseph (dzjo'zif), m. Joust. Joshua (dzjotroa-e), in. Josua. Jove (dzjoos), my. Jupiter, Juititin. Jud a (dzjoe'del, —ah, m. Juda. ( lz ;.), r. Jodendom. —as, on. Judas. —ea (- di'e), 5. Judea. —ith (-nth). w. Judith. Jug (dzj ugh f. toot Joan; Jans. Jail a (dzjoe'll e), v. Julia. —an, no Julianus. ook —era (-ee'ne), w. Juliana. —era (• g. Gulik. —et (-et), w, Julia, Juliet. m.
—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.
0 ezlen„ by. esteemed, in esteem, regarded. Gezift, o. sifting, garbling, sorting. Gezln, o. family, household. GezInd, by. inclined, disposed. —heed, v. inclination, disposition; persuasion. Gezindtes, v. community, church,sect. Gezoetif, by. sought after, desired, beloved, in demand, in request; affected, studied, far fetched. —heid, v. affectedness, artificialness. CIOZOOli, a. seeking, search. Gezenfas, a kissing. Gezond, be. & bw. healthy (-ily); wholesome (-1y), salubrious (-1y); sound (-iy). — snakes, to cure. — worden, to recover. —cerstand, common sense. — clench, live beach, quick. — in bet geloof, orthodox. de cook is —, all is well how. frisch en— , in good health, brave and hearty. Gt. ondlaeld, v. health; wholesomeness, ;salubrity; soundness, erne inetellsn, to drink a health, to give (to propose) a toast. op he — drinkers van, to toast, — the health of. awe —, your health! here's to you! of/icier can —, surgeon. —softest, certificate of health. --abron, wells mineral waters. —abitfer, 'sanative elixir. —spardel, sash, girdle, — steer, hygiene, dietetics. —el oettand, state of health. G ezou ten, by. saltedhowdered, cornered. Gezucint, o. sighting, sighs. ...IP, 0. toping, tippling. Gezut.terte, v. me. sinters. Gezuurd, by. soured, leavened. G ezvvent, o. swaying, wielding, brandishing. Gezwabber, o. swabbing, mopping. Getz wisteere, m, ma. brothers-In-law. Gez wee f, o. sowing, hoverfng. Gez weer, o. rwelling, ulcer, imp osthume. G ez 'sweet, o. aweating, perspiration. Gezwa4,o. swelling, tumor. G ezwetg, o. swallowing; carouse, revelry. Gersveridell, a. swindling. Gezvvenk, is. wielding, brandishing; turning, wheeling about. G ez wet a, o. bragging, swagxering, bluster. (iezwler, s. rioting, revelling. Gezwind. be . & bw. swift (-Iy), quick (-Iy), nimble (-b1y). —held, V. swiftness, quicimees, nimbleness, celerity. Gezwoen, o. drudging, toil, slaving. Gezwollen, be. swollen, blr cited; turgid; bombastic. —heid, v. swelling, bloatednests; turgid. nevi, bombast, born basil y. Gezworen, by. sworn. — a, an. jury-man, member of a jury —en, en. my. jury. & v. guide. Gide, Gleepsnen, on. w. to bray. Glek, v yard, boom. —nil, boom-sail. Geer, m. vulture; swing, turn. —, v. hog's-wash. —arend, bov,e.kite. —calk, gerfalcon. —toolf, ravenous wolf. —motor', martin. fifer to, ov. w. to ;scrape together, to hoard up; on, w. to yaw, to swing, to sway; to stagger; to scream. — bray, flying-bridge. —pont, ferry-boat. Glerig, by. & bw. covetous (-13)„ avaricious (-ly), niggard (-1y). —aard, an. miser, niggard. —heid, v. covetousness, avarice, niggardliness. G tering, v. yaw, twinging.
Klatt. V. lump., clad. an On —en glwassen, tall, Kn.', v. gin, spring, snare; pinch, scrape. spanking. —bong, sling-bow. —achtii„ — 'g, by. Or. w. to pinch. to squeeze; to oppreas. —len, cloddy. v. pinch, squeezing. 114.9ulv en, ov. to pick, to gnaw, to nibble. —er, Kmiec:run, on. w. eon. Zie Knarsen, in. picker; —, —boom, jib, jib-town. —ing, V. Knetter en, en. w. to crackle. —tag, v. crackpicking, gnawing, ntboltng. ling. on. w. Co live nolltariiy, — like a her- Knent, v. linnet. —beam sparing-puree. —*sat, mit; to run hollow. —oar, m. herwit ; —eleven, linnet ''s'nest; hoard of money. —penning, hoardlife of a hermit ; solitary life. ed money. FiZungesii, v. slut, aloven; rag; trifle. —en, on. w. Kneukett, m. ens. Zie KisokliCer, enz. to tulle, to idle; to bungle; (end) to throw awry Kneuter, v. linnet. —oar, in. '-aarster, v. stamm. cudgel., clun. —en, on w. to cudgel. merer; mutterer. —en, on. w. to chirp, to war—horn, gingerbread. —vet, game of cudgelling. hie; to stammer; to mutter, to grumble. —ig,bv. —men, doggerel. muttering, grumbling; ruffled. --ing, v. chirping, Kissta, v. de — kwijt zUn, to be at olio '8 wit 'a warbling; stammering; muttering. end, to be out or acme. —en, ov. w. to beat up. Knells en, on. w. to bruise. —tag, v. bruise, —ei, battered cog. contuslc... K.111,11 C:12, o. clew. —en, ov. w. to wind on (to Knievel, m. cudgel; lever; toggle; paoking.stiek; make into) clews. gag ; mustachio; whisker (van ern (liar); droll; Knaeg dice, O. rodent. —ster. v. Zie Kneger. blade. Kehep, m. boy, lad, youth, yoLngscer; fellow, Knrvei oar, m. —aareter; v. extortioner. —ar(), chop; jack. —jeskruid, orchis. v. extortion. —en, ay. w. to bind, to pinion; llinabbell ear, in. —aarster, v. nibbler. —en, or. to extort, to exact ; to oppress. —board, true& on. w. to nibble. --ing, v. nibbling. tat...hes; whisker, —band, fetter; muzzle. —kg, v. lkirtftir en, ov. en. w. to gnaw, to fret. —er, m. binding; extort.. —ing, V. gnawing; remorse. rangs. Knibliel ease', m. —.rater, v. caviller; haggler, it;. crack, snap; injury, damage. --, be, higgler. —achtig, —ig, --air/c, be. captious, given offended, angry, (at). —, taw. crack I —ken, ov. to cavilling; hard in a bargain. —aektiAkeid, w. to crack ; to ininre. to impair; on. w. to enap. —.Mt, v. caption...8; being hard in a bargain. crecking-hamater. --king, v. cracking, —or;), v. cavilling; haggilng, higgling. —en,on. snapping; injuring, impairing, w. to cavil ; to haggle, to higgle. —ipel, bones. kernel, m. clap; detonation, report. --/en, on. w. --ing, V. Zie Knikbbelarkl• to clap, to thunder, to give a report. Knit, v. knee. —band, knes•string. —bank, has. m. crack; reap ; eating, sock. —bong, ham. gennftexion. —host, Komi), by. St bw. stnatt, clone; handaorne (-1y) ; knee. —lap, leather to keel upon. —achy!, kneesmart (-1y), dec'nt I-1y); clever Hy), able, ably, pan. —sink, pulley-piece; balf-length-pieture. nimble (-WY). —handig, he. & bw. handy ;-ityi, Kniei en, on. w. to kneel. —er, m. kneeler. dexterouo (Ay , . nimble bly). —handigheid, hand—ing, v. kneeling. inegs„ dexterity. —held, v. clevernesa, ability, ifin;ettoor, m.. & v. (ratter. abilities. —fey, bw. Zie Kum, Kolez en, on. w. to fret. to pins. —er, m. Keznp pen, ov. w. to awry; to catch; to crush, by. fretful. —lap. Y. fretting. to kill to pick, to munch; on. w. tin snap, to KnUlf, o. —nos, clasp-knife. clack. —bus, pop gun. —kers, hard cheery. --koek, Kni,lp, V. pinch. —en, ov. w. to pinch, to nip; to crisp gingerbread. —ail, fib, —sok, knapsack, oppress; or. w. to trim sharp. —rok, tight coat. —per, M. crisp gingerbread; lib. —perd, m. clever —tong, (a pair of) pincers. —er, m. pincher; fellow. claw; pinch-penny. —ing, V. pincher, nipping. Known en, on. w. to gnash —been, —clean, gris—ster, v, pincher; Plaoh - OanitY• tle, carttlare. —beenig, gristly, cartilaginous. Knilten., on. w. enz. Zie Knaexen, ens. —etanden, to gnarl, (to grind) one 'a teeth. —ing, Knik, nt. nod; crack. —stag, stay of the topv. gnashing. gallant-mast. —ken, on. w. to nod; to crack, to Kiss,ater, m. caniaier. snap. —kebsenen, to walk with bent knees. —keKnauw, na. gnaw, bite. —en, on. w. to gnaw, tones, to not with dozinetis. to enew, to munch. —or, In, gnawer, chewer, Knikker, m. entire; marble. —en, on. sr. to v, goawlot, chewing, munching. —eel, o. ploy at marbles; van de boon —, to supplant. any thing gnawed, — chewed. —spel, marbles. Knecht. ni. (man-) tern/ml, man, footman, wait- Knip, in fillip, tint; clip, cut. —, V. trap, gin, er ; asaistant, joarneymau. —skamer, servants' snare; hpring, wisp; bawdy. house. o. purse halL —slim-ei, servant'a livery. —Orion, servant's with a snap). —pen, ov. w. to fillip; to clip, to war;ea. —seh, by, bw. servile (-1y). eut ; to entrap, to catch ; to erect, to kill; on. o. little bry. —se/tap, o. servitude. w. to spring, to wrap., —betigel, snap (spring) of karol en, ov. w. to knead. —er, in. kneader. a purse —bears,. piece (with a allap), ciasp—ing. v. kneading. knife. —mats, xie Knoacepnanis. —nog, m. V. Kneesisiter, v. Ituerder. blinkatd, blinker. —angers, to blink, to twinkle. ilisseiris, V. pint,h, nip fold, plait ; waist ; trick. —oogje, blink ; twinkle. —sekoar, sciators. —slay. —mute, cap with a folded lace. fillip. —clot, lock with a spring (snap), spring. Knekeihuis, o. charnel-hou:e. latch. —per, m clipper, cotter; catcher; cracker.
BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.

Hoeveel Bitcoins zijn in een blok


Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.

wroeht. —er, a. arbeider, workman, doglooner. —iota, a. —iously,, ad. (lebo'ri-us-), werlrzaam; bewerkelijk;lastig,moeilijk. —iousness de- bo'ri-us.). a, werksaamheid; be werkelijk beid, moeilijkheid. —less, a. werkeloos; niet moeilijk. —some, a. werkzaam; bewerkelijk. Laburnum (le-bur'numa), s. linzenboom; goudenregen Labyrinth (lebl-rinth), a. doolhof. —ian (-tin% tht-en). a. kronk..elend, ingewikkeld. Lac (lek), a. gomlak; 100.000 roams. shell—, ache!. lak. Lace (lees'), a. kant; galon; lint, hand; Teter, r4g. snoer. kantverkooper; passementwerker. —, v. a. liken; omhoorden, galonneeren; afrossen, met geestrijke dranken aanmengen. Lacera ble (les'ur-ibl), a. verseheurbaar. —1e


Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.

Wat is Gemini cryptogeld


I have not been using Coinbase long but I have used it long enough to feel like I’m getting burned. I am using Coinbase as, what I call, a pass through as in the end, I am purchasing crypto that is not supported by Coinbase with the BTC I purchase through Coinbase. While the app itself is great as it is easy to navigate the process of withdrawing funds is not so great. I purchased BTC with the intent of withdrawing to purchase another crypto. A week and several emails later my BTC has not yet been released for withdraw. Prior to this transaction I had done several others successfully with no issues, now, for no reason whatsoever my funds are pended for “further research”. I am a patient person but as I’m sitting here waiting the BTC value is falling and the cost of the crypto I am looking to purchase is rising which means at this point I have missed out on a few hundred dollars of profit all because Coinbase won’t release my funds. I am giving only 1 star because (1) communication with Customer Service has not been great as I am still sitting here clueless on what’s going on and (2) I’ve missed out on significant profit and have no idea why or have any sense of comfort that this won’t be an ongoing issue


following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Is er een toekomst van cryptogeld


REA.—REO• Rebut (re-but.'), v. a. terugalaan, -stooten; atRenegue (ri•el'ger), a. rood arsenicum. weren; v. n. op de tripliek antwoorden. Realm (relm). s. rijk, koninktijk. Recall (rs keel% s. herroeping. —, v. a. herReam lriera), a riein (papier). Reaninza te (ri-ee'-i-meet), v. a. wader bezielen. roepen; terugroepen. Recant (re-kent'), v. a. herroepen; v. n. terug—tion (-mee'sjun), a. wederbezieling. Reannew (ri-en-neks"), v. a. wader aanhechten. treden. —ation (ri-ken.tee'sjun), a. herroeping. —er, 8. herroeper. Reap (riep), v. a. & n. inoogsten, oogeten. —er, s. maaier. —ing- kook, sikkel. --ing-time,00esttijd. I Recinpit ula te (ri-ke-pit'joe-leet)„ v. a. in het Reap pear (rl•ep-pier';, v. n. winter versclikjnen.kort herhalen. —tion (-lee'sjun), a. korte herha-pearance,s.wenerverschijaing. —paint (.pojnt'i, ling. —tory (-le-tar-rile), a kortelijk herhalend. v. a. wader benoemsn. —pointment (-point'-) e. hernerser. —are (-tjoer), s. herneming, heroveherbenoeming. heroverde bait; v. a. hernemen, heroveren. Rear (rier , ),.s.achterhoede;achtergrond.—eubniral,, Recast (ri-kaast") [im], v. a. op nieuw werpen; schout•bij-nacht. —guard, achterhoede. —mouse, — gieten; berekenen. vieérmuis. —rank, achterste gelid.—ward(-waord), , Recede (re-sied'e v. n. wijken. terugtreden; v. a. op- I (from) terugkomen op; afstand down van. a. achterhcede; ad. achterwaarts. heffeu; oprichten; opkweeken; opvoedea, groat- Receipt (re-siet'), a. ontvangat; kwitantie; rectal recept. brengen, opbeuren; verheffen; opjagen; verwer- Reedy able (re-siev'ibl), a. aannemelijk. —e, yen; v. n. eteigeren. Bleaseend (ri-es-send'), v. a. weder beklimrnen; v. a. ontvangen; onthalen; aannemen; beg ripen; helen. —er, a. ontvanger; haler; vergahrbak. v. n. weder opritijgeo. Reason (Wm), a. rede, veretand; reden, grond- Receiebtate (riesel'e-breet), v. a. weder vieren. oorzaak; rekenechap; billijkheid. by — of, we- Recency (ri'sen-sib), s. nieuwheid. grins. to do —, bescheid doen; racist laten weder- Recension (re-sen'sjun), a. beoordeeling, recensie; hertellibg. varen. —, v. a. & n. onderzoeken, redeneeren. —able, a. —ably, ad. redelijk, billijk; veretandig; Recent (regent), a. nieuw, versch; onlangs tre beard. —ly, ad. onlangs. —ness, a. nieuwheid, middelmatig, dragelijk. —ablenes, s. redelejkheid, verechheld. billijkheid; matigheid. —er, a. redeneerder. a. redeneering. —less, a. redeem, a. onver- Receptacle (re-sept'ik1), a. ontvanger, vergaferbak; ochuilhoek. atandig. Itenseeneble(ri-es •sem'b1), v. a. weder verzeme- accept ion (re-sep'sjun), v. ontvangst; onthaal len; v. n. wader bijeenkomen. aanneming; wederopneming; bevatting; algemeen 11,asert (riees-suin ► , v. a. wader beweran. —ion attagenomen begrip. —ire, a. ontvankeljjk. —ory (-sur'ejan), a. herhaelde bewering. (oak: (res'ip-tar-rth), a. algeineen aangenomen. Helmet/en (ri-es-eajn"), v. K. weder aanwijzen. Fteeess (re-sass';, a. terugtreding, evejking; ver- afataan, I trek;:afgezonderdheld, eenzaamheitl; nes, alkoof, R4,118811111 e (ri-es-ajoem), v. a. weder fianvaar. inhann schuilhoek; achoraing, vacantie. —ian den, —ption (-aum'sjun), a. wedereanvaerding, (-sesrun), a. terugtreding, (het) afstand doen hervatting. (from). Renesor ance (ri-es-sjoer'ens), s. herverzeke- Recbange (ri-tsjeendz'), a. herwissel. —, v. a. ring. —e, v. a. wedergerustmtelien; herverzekeren. op nieuw veranderen; herwissel nernen. Recharge (ri-tsjaardzr), v. a. op nieuw aanvalitensty iriesitih), a. ranzig. Reattempt (ri-et-temt'l, v. a. weder beproeven. len; wader beechuldigen; herladen. Recbnrter (ri-tajaaetur), v. a. op nieuw beHeave (eiev), v. a. rooven; berooven (of ). vrachten. Itebeiptie ation (ri-bep-ti-zee'sjun), 8. hordao- ping. — e (•tajz'n v. a. herdoopen. —er (-taje- Recheat (re-tre;iet',, v. n. den tarugroep blazen. Rechoose (re-tejoez') [em], v. a. herkiezen. urn a. wederdooper. Rebate (re-beet'), ts. spooning; verminderIng; Recipe (reeip-pi), a. recept, voorscbeift. korting. —, v. a. etomp waken; eroeven; ver- Recipient (re-gip';-eat), a. ontvanger, Reciproc al (re-aip'ro-kel), a, —ally, ad. waderrninderen; korten, keerig; wederzejdsch. —alness, --sty (res-11.-pros'. "'Xebec (ri'bek), a. driesnarige visor Rebel (reed), s. oproerig, muitend. —, a. op- it-titt), s. wederkeerigheid. —ate (-keel), v. e• beantwoorden; e. n. wederkeerig handelen. roerling, inuiter, —ation (-kee'sjun), a. beautwoording, weaseling., Rebel (re-ben), v. n. opataan, muitea. —Zion, wedervergelding. opetend, muster)). —lions, a. —liously, (-jun.), Reel:slur. (re-elzfun), a afsnijding. ad. (-jes•, oproerig, muitend. •-liousness Recit at (re-sajt'e.n., —alien (res i-tee'sjun), e. a. oproerigheid. herhaling; opzegging; optelling; vertelling; ver. v, Rebound (re•baaund'), s. terugsprong, a. terugkiteteen; v' n. terugspringen. heal. — alive (res-i-te•tiev"); a. ieeitatief, verha• Rebuff (re-buff '), s. terugstoot; wederatand; af- lende eaugwijs. —e, v. a. herhalen; opzeggen; wijeing. —, v. a. terugstooten; afwijzeri. optellen; verbalen. —er, a. opzegger; verhaler. Rerkietts (rek'lees), a. —1y, ad. onbekommerd, v, a. herbouwen. Rebuild lri-bild') zorgeloos, — neat, a. zorgeloosheid. Rebuk bible (re-bjoetkibl), a, berispelijk. —e, s. berisping. —c, v. a. berispeu. —er, a. berisper. Reckon (rek'kn), v. a. rekenen, berekenen; ach• ten. (over) overrekenen. (up) berekenen, optela. op nieuw begraveu. Rebury (ri-her'ih)„ v. len. —, v. n. rekenen; afrekenen. (for) boeten Rebus (rebus), a. figuurraadsel. 

beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
BRA el.BRI. on, to brand, to stiginatige. —merking,branding. —eserk(jser, , branding-iron. —middet, caustic. —neer, party-wall, mean wall. —setel, stinging nettle. —offer, burn-offer. holocaust. —offeredtour, altar for the burnt-olfsringa. —oven, kiln, furnace. —pijp, fusee. —piket, fire-picket. —punt, focus. —reek, fire-smell, burnt.etteq —schade„ damage caused by firs. —schatten, to by under. 'contrib./flan. —schatring, contribution. —ickilder, enameller. —schilderen. to enamel. —schildering —schilderhunyt, enamelling. —schilderwerk, enamel, --whip, lire-ship. —schoon, very clean.. fire-drake. —spiegel, burningKlass, • -reflector- —spelt., Are-engine; —gait, tire-man; —huisje, engine-house; —slang, pipe of a fire-engine. —*toilet, funeral pile, Pr.. —stem. internal stone. —stickier, --stichtster, incendiary. —stickting, setting on fire, ince.diadem, arson. —slot, fuel. —stollen, combuetibles. —stok, lire-bran& —teeken, sear, fire -token, brand. —cell, enamel. —vlek, sear, mark got by a) burn. —foga, m - or-hen; trouble-peace. —waarborg 1-niaatschappU), fire-insurance pAny).—toacAt, fire-watch;adv armed guar d.—tvond, burn. —calf, salve for burnings. —roof, inner sole. —evrijn, brandy; brander, distiller of brandy, —stokerii. distillery for broody. —baar. by. aorainsetible. —baarheid, v. combustibleness. —en, ov. w. to burn, to scald, to 'scorch; t, brand. to mark; to ba,.e (pannen); to bream (een sehip); to burn (1,101c) 4o cau , erize (rene wood); to distil I brandewiln); to make (Ustikoot); to roast (koffie); style fingers —, sick or gees can —, to burn one's fingers, to go too tar, to entangle one's self in difficulties. —, on. w. to burn, to be on tire; to-give lisht; to break, to foam (van de see). —end, be. burning, hot;, lighted; ardent, Iferve-et. —er, tn. fire-ship, distiller. —ell), v. distillery. —ig, by. blasted, blighted, mildewed; fiery, inflamed. —leg, v. burning; breakers, surf. liens, m. brace. ik heb er den bras van,' don't care a pin for it. at every one, every thing, all. —61ok, brace-block. —dagen, shrove-tide. —moat, —partii, banquet, sumptuous meal. —pentssng, ten dolts' piece ;live farthings). Brasens,m• bream. Brass en, or. w. to brace; on. w. to tenet, to bun. quet, to revel, to riot. —er, en. Neste r,banqueter, reveller. —ery, v. feasting, banqueting, riot. Brat. q. Zie BOY lilt Bray stamen, ov. w. to face, to ('rave, to affront. Breed, by. & bw. broad (-1y), large (.1y), wide (-Iy), ample (-ply), extensive (-1y). in het —e, at large. largely. amply. oggefen van, to speak highly of. Aet niet hebben, hardly to know how to make both ends meet. —board, boaster, bragger. —borstig, broad-chested. —gerund, broad brimmed. —spruak,' boastfulness; prolixlt —sprakig, boastful; prolix. —mmHg, In% & bw. circumstantial (-4). —voerisheid, v. ampleness, circumstantlainess. —Acid, v. broadness. —te, v. breadth, width, depth; latitude; —grand, degree of latitude; —kr:ag, parallel. Bras fok, m. cross-jack (-sail). —gans,m.strake. e —veertiert uit kat:gen, to lord it.
llogarth (ho'gaarth), m. Hogarth. Holland (horlend), r„ Holland. Holmes (booms), m. Holmes. Homer (licemur), m. Homeric. Honduras (hun-doe'ree), g. Honduras. flora cc (horses), —tio kho•rse'sji o), m. Horatius. Hortensi a (hor-ten'sji-e), w. Hortensia, —us, ra. Hortensius Hoses (ho-zi'e), m. Hosea. Howard (ho , ,bau'wurd), m. Howard. Hubert (Joe'burt), m, Hui:Janus, Hulbert.
White (wnjt'), a. wit ; blanks. —, v. a. Zie to Whiten., a. witachtig. —n (wer.n), v. a. wit maken; witten; blacken; v. n. wit wooden (with. van). —nor (wajt'n-nr), —ster, s. wittily; bleeker. —nest, a. witheiti, blankheil; relnheit. —a (wa)tz), pl. witte aloed. Whither (with'ur), ad. werwaarte, waarheen. —.ever (eo-ev'ur), ad. waarbsen ook. Whit log (waytteng), e. witviech, wijting; witbalk. —ish, a. witachtig. —Wines*, a. witaebtigheid. Whit leather (wit'leth ur), a. teemleer. —low (.40). e. fljt, vijt. —ster, a. wilier; bleeker. Whitaun (wit'sun), a. pilaster-. —day, —tide, pink , terdag, pink3ter. Whittle (wit't1), a. sec-, knipmes; fijne melting; dock. —, v. a. entjden, snipperen; omdoen, omhangen; wetten, scherpen. Whity (wartih), a. witachtig, licht. Whir, (wiz), s. penis, germs. —, v. n. suizen, gonzen. Who (hoe'), pr. wie, die. —ever, (-ev-ur), —so, —soccer (-so ev'ur). pr. al wie, wie ook. 'Whole (hool'), a. geheel ; heel, gnat. —, a.Ireheel. upon the —, over 't geheel; alien wel besebouwd. Wholesale (hool-aeel), a. in 't groot handelend. — merchant, groothandelaar, groseier. a. handel in 't groot. by in 't groot. Whoteioonte (bool'sum), a. —ly, ad. gezond, Ineilzaam; nuttig; atngenasm. —nets, e. gezondheid, hetizaamheid. Wholly (hool'ith), ad. geheel, geheel en al. Whom (hoem), pr. \vim diem. —sooner (.so-ea'nr), pr. wien ook, wie het ook zij. Whoop (hoep'), s. geschreenw, gejouw; hop (vogel). v. a, naschreeuwen, nitionwen; a. n. echreenwen. —ing, s. jaolatgeschreeuw; —cough, kink hoest. Whoot (host), v. a, & n. Zte to Hoot. Whop (wop), a. & a. Zi9 Whap. W bore (hoer'), o hoer. —house, berdeel. —master; —monger. hoerenwaard ; hoeren!ooper. —son, hoerekind. —, v. a. verleiden, tot hoer maken; (away), verhoeren; v. n. hoereeren. —dom (-dune), e. hoerendom; hoererij; afgoderij. —like, a. Lie Whorish. Whorish (hoor'iej), a. —1y, ad. ontuchtig, hoerachtik. —nest, s. hoerachtightid. 'Whortle (wneti). —berry, s. blauwe bee, hetdebee. Whose (hoe.), pr. ',dens, welke, wier, welker. n. snot. Whur (wur), s. gesnor; gesnater. ren; brauwen, de letter r to scherp nitepreken. Whurt (wart), a. Zie Whortie-berry. Why (waj), ad. wattrorn; wel. nu. (wik), a. (kaerse-) pit, lampenkatoen. Wicked (wik'id), a. —iy, ad. stecht, ondeugend, boosaardig; boon, snot, d, goddeloos; verderfelijk. —nest, u. bombed, enoodheid, goddelooeheid. —ed Wfcker (wik'ur), a. teentje, wilgetak. (-nod), a. teenen, von teenen geviochten. Wicket (wik'it), a. deurt)e; roortje. Wide (wajd'), a. breed, wijd; ruim, uitgestrekt; grout; vet, verwijderd. —, ad. ver, in de vents; wijd. far and wtjd an zijd. — awake, klaar
zin —, lust hebben. —ed, a. geetreept. —el (-i1), L ing (lieng), a, heide; leng. e. lijatje. Linger (ling'gur), v. n. sultkelen, kwijnen; talmen, dralen; weifelen; (after) smachten near. Listen (lis'an), v. n. luistercn, hooren (to). —er, a. luisteraar. —er,s. Lamer. —ing , a. —ingly, ad. di alend, talList fail (list'foel), R. oplettend. —less, a. —lessly, mend, leuterachtig. ad. onoplettend; onverschillig (of,voor).—lessness, Linget (ling'git), s. tongeije; Mang, staaf. a. onoptettendkeidi . onverschilligheid. Lingo (ling'go), a. teal. Einguadertai (ling-gwe-den'tel), a. met behulp Lists (lists). pl. strud- worstel-, renperk. Litany (lit'e-uih), s. fitanie. van tong en tanden uitgesproken. Lingual (ling'gwel), R. tie tang betreffend; tong-. Liters i (lit'ueel), R. —lly, Rd. letteclijk. —lily (-e-rib), s. letterlijke hereekenia. (-el'it — , 8. tongletter., a. letterkubdig. —te (-et), a. geletterd; a. geEingulform m), R. tongvormig. Linguist (ling'gwist), a. taelkenner.—ic(-gwis'tik), a. taalkundig. —ice, pl. vergelijkende tealetndie. /Liniment (lin'iment), a. erneersel, null. Lining (lajeieng), a. voeringi stootlap. Link (lingk'), s. achakel, schalm; toorts. —hoy, —man, toortsdrager. —, v. a. aaneen ketenen( to); aaneenschakelen, verbinden; v. n. verbonden zkjn (in). L innet (lin'nit), a. vlasvink. Linseed (lin'sied), lijnzaad. —oil. lijnolie. halfwolLinsey-woolsey len; getecee, Bering. —, a. half garen en half 'pollen scot. Llivelu•k Clini , to10,
Vico (vaja), ad. ter vervanging van; onder-. — Vinci-mated (Yin-di'mi-ell, a. van den wijnoogat. Voor den kiemtoon der volgende samensteilin- Vine:len biro (vin'di-kibl), a. te verdedigen, te gen site het hoofdwoord. —admiral, vice-admielat. rechtvaardigen. —te (-keet). v. a. verdedigen, —agent, plaatsveyvanger. —chancellor, viee.kan- rechtvaardigen; etaende houden; weaken. —ties (-kee'ejun), a. veededlging, rechtvaardiging. —live seller. —corona, vice-consul. —gerent (-dsjl'- rent), a. plaatsvervangemd; s. pleats veryanger. (-kee-ttv), —tory (-ke-tur-rib), a. verded;gend, reehtvaardigend. —tor (• kee-tnr).s. verdediger. —president, ondervoorsitter. —rvy (vajs'roj), on- Vindictive (vin-dik'tiv), a. --ty, ad. writakgtederkontng. —royalty, onde•koningschap. Viet* age (dei - nifUi) , a bnurt,., nabuurschFtp. rig. —ness,s. wreakglerigheid. s, nabijiteid, Vine (vajn't, a. wkinhtok. —branch, w *wank. —at, a. naburig. —tip resser, wijngstardanise. —fretter,. —grub, widnnabunrechap. V lelotin (Carus). a. —ly, ed. verdoryen, slecht, gaardrups. —leaf. wijngaardblad. —prop, wingebrekkig. —xess, 8. verdorvenheid, sleehtheid, gerdstut. —shoot, wijneank. Vines/pot (vin'e•gur), a. ark* —bottle, —cruet, gabrekkigbetd. azijnfleschje. —maker, asijnmaker. V tclssitud a (vi-eis'el-tjoed). s. atwiseeling. —inary (-tjoe'di-ne-ally, a. afwisee- Viocry (varnur•1h), s. broeikas (vow' wijnstoklend. ken). Victim (vik'tim), s. slachtoffir. --ire (-ajz), v. a. 'Vineyard (vin'jurd), s. wijugaard. Vlnonn (vej'nua), a. wijnaehtig opotieren. Victor (vik'tur), a. uverwi. nnanr. •—ions, a. —iousfy, V int age ( vint'icizj), e. wtj nooget. —at pwoh -to'rt-us.), overwinnend, zegeviereud. —y, a. ( yenlesee. —nor I• our), a. wijnkooper; wijnhuialouder. —ry, a, wUnhuis, kelder. overwinning, zege (over). Victual (vit'l), v. a. vary nonlbehoeften yoor- Viny (varnih), a. van den vijnatok; rkjk aan sten. —ler, a. victuslie-nte star; proviaudschip. wijnstokken. (vaj'ul), a. stool. —a pl, mondbehoeften. Villa) at (eictioe•e1), a. wedu we. —ity (-joe'it- Viola bin (ya)'n!-ibl), a. achendbaar. —emus (•ee'ejus), a vioolblauw. —te (-eet), Y. a. echentih), s. weduwschap, weduwlijke staat. Vie (vaj), v. a. wedij veren in, avertreffen; v. u. den; overtreden; verkrachten. —lion (-ee'sjuti), asehendtng; oyertietting; vertirachting. wedij veren (for. in). View (vjoe's, s. gezleht; uitz ∎ cht; voorkow on; be V !oleo, cc (vayul-ens), a. gavel d, herighetd,gesiehti•ing; nnderzoek; insicht, oognserk. at sae —, welddadIghein; annual; verkrachting. —t, a. —tly, met een oogopslag. t. a. sien, beech:Amen, Ad. geweldig, bevlg,gewelddndig, afgedwongen. in oogenschouw nemen; v. n. (at) doelen op. Viol at (vayul et), a, viotetkleueit;, Paard; a. —er, a. besichtlger, beschouwer. —lees, a. oegs- viooltje. —in, n. viool. vioolaPeler. Viper (varpur), a adder. —'s-grass, addergras. 'len; oasichtbitar. Vigil (vid'sj ti), s. aachtwake; ,hat) waken; het- —' a head, elangekop (seedier). --snake, adderligavond; — ance, a. waaksaamheid. —ant, a. slang. —ine (-iu), a. adder-. —ous, a. adderachtig; —antly, ad. waskzaam. venijnig. Virago (yaj-ree'go), a. heldin; manwijf. Vignette (vin-jet'), a. signet. Vigor (vig'ur), a. kracht, eterkte. —otte,a. —ously, V it gin (vuedzjin), a. maagdelijk; sniver; rein, a. maagd. --al, a. maagdelUk. ad. kreebtig, steak. onbeviekt. Vile (vajl'), a. —ity i-dzjIn'it-tih), a. maagdelijkheid; maagdom; ad. baag, gemeen; geeing; verachtelijk, enood. —nese, a. laagheid, gemeea- reinbeid. Virgo (vuego), e. (de) Maagd. held; verachtelijkheid. snoodheid. Vilif Watt°. (01if4-kee"ejun), s. vet lasing, Wield (yield), a. 1 . roen. —lip (vi-eld'it-tih), —ness, beechimping, —ier (vil'i-faj•ur), s. veringar, be- s. groenheid, groan. Whimper. —y (vill-faj), v. a. veriagen. be- V4111 (y1,11), a. mannAjk. —ity (vi-ell'it-tih), a. mannelijkheid, na anbaarheid. sehimpen. s, veraehting, Virtu (sir-toe'), a. smaak, kunstgevoel. ilipendeacy (vil-i-pen'den si VI rtanal (vuetjoe-sir, a. innerlijk vermogend.—ty, veramading. al. door inwonend vermogen. —ity Viii s. dorp, gehueht. Villa (vil'le). a. buitenplaate, villa. inwonend vermogen. Virtu • (vuetjoe). a. deugd; kracht, vermogen, VIE:age dorp. —r, s. dorpeling. werking; yoortraffelijkheid; dapparheid; by (an) Villain (vilqiu), a. lijfeigene; eller deling. Villas. age (vil'iln-Idsj), a. ltjfeigenschap; melt ttek. — of, krachtens. — eiete, a. zonder deugd; krat bteaehtigheld. —oat, a. —only, ad. laag, gemeen, loos. —oco (-o'so), a. virtuoos. —ous, a. —musty, sehurkachtig, snood. —amines*, a. achurkachtig- ad. deugdzaatet; krachtlg, beilzaam. —ounces, a. held, anoodheid. —y, a. laagheld, achurkerij; deugdsaaraheid. V fru Ion en (de)oe-Ier.a), a. amet^tor; kwaadsehuriustreek. aardigheld, ventjnigheid.—t, a. —tly, ad. beametV II I toms (On u%), a. ruw,ruig,xollig, harig. Vlenin al (vim'i-nel), a. teenen vonetbrer2gend; telijk; boosaardig, venijnig. Tan teeuen. —eons (vi-min'i-ns), a. van teenen. Vistas (vsyrus),s. amet.tof, verglt. Visage (vieldsj), s. aangesieht, geiaat. —d, a. gevlochten, teen en. Vinacsous (vi-nee'sjus).a.van den wijnatok;wtin-. met een... aslant. Wheel hit (vin'sibl), a. overwinnelijk. —bitity Vises*. a (via'aur-e), a. pl. ingewanden, —al, a. ingewanda-. —ate (-eat), v, a. ontweiest. (el-birit111), —Nexus, e. overwinnelOtheid.
497 Kastelenij, v. castetlany, manor. Kasttjd ass, ov. w. to Mistime. —er, m. —tiler, v. chastiser. —ing, v. chastisement. haat oor, m. & o. castor, beaver. —ore*, by. heaver. Mastro!, v. stewing-pan. Kat, v. oat; pink, fly-boat; battery, plattmm; cavalier, battering-ram; bailer& grapnel; vixen, bag, whore. — in den zak koopen, to buy the pig in a poke. de — nit den boom kijken, to watch an opportunity. a oaf, Keg. —aas, bait fur cats; good-for-nothing fellow, vixen. —tinker, kedgeanchor, backing-anchor, grapnel. —blot, oatblock. —halters, on. w. to drudge in vain —sop, cat 's eye. —eclair. fly-boat. —nil, screech-owl. —Tisch, small fry. —zwijra. swoon, fainting fit. —tet,k, cat's trough. —fetish, cat- block.—leaarni, cat-gut. —tedrek, cat's dung. —tegat, cat's hole. —tekop, cat's head; norman. —tekruid, cat-mint. —tehwaad, naughty (waggish) tricks. —temsf, catakin muff. —te.:poor, rider. —teetaart, cat'e tall, home-tail. —tent, cat's akin; termagant. —tenpetrol, —tengesehreeuw, catIrwatillng. —tingemaim, mewing of cats. —tengeslacht, feline race. —tenhaar, cat's hair. —tenntuziek, mock-music, rough music, mock-serenade. —tenypet, tough play, quarrel. —aelitig, br. catlike; vixenly. m. male cat, he-eat, tom-cat; tenant of a little farm. —stede,little farm. Materna T. & o. quire. Katholiek, be. & no Zie !AMU's, is, by. miserable, calamitous. —Arid, v. misery, hardship, calamity. Katie, o. kitten, catkin, gosling. K affects, v. & o. cotton; calico. —boat, bale (bag) of cotton. —boons, cotton-tree. —dragger, calicoprinter. —drukkerij, canco-printingefectory. —wercr, calico-weaver. —en, by. cotton. atrul, v. pulley. eheace. —loan, pulleyrope. Katt an, or. vv. to back (the anchor); to decline; on. w. to kitten. —ig, by. eatlike,vixenly. Kamm, y. jack-dew. Keuw en, or & on. w. to chew, to masticate. —middel, masticetory. —spier, masticatory mus cle. —land, grinder. —er, m. chewer, masticator. —log, v. chewing, In asticatIon. Kauwearde, v. gourd, pumpkin. KIRUNNOMi, o. chewed muff. Kavalje, o.j ade, old rip; old (paltry) house. naval, m. lot, parcel. —en, ov. w . to parcel oat, to divide into Iota ; to compute; on. w. to Cast lots. —itea, v. parcelling out, lot, parcel. linalaar, v. caviare. wane?, v. come sort of tortolse•shell. linnesswat, v. caaemate. Kamen, on. ay. to curdle. hazernae, la barracks, cement. Kazeilfel, v. chasuble. Kr, e1, v. throat, gullet; voice; long narrow piece of a board. verheerde —, wind pipe. eene groote opsetten, to shriek (to scream) out. —ader, jugular vein. —band, string of a cap. —cat, g ollet. —geluid, guttural sound. —gezwel, core throat, quinsy. —knohbel. Adam's apple. —Alice, tonsil, jugular gland. —kruid, privet, —letter, guttural

Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed. 

405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Hoe heeft Bitcoin gain-waarde


illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.

Waar kan ik Bitcoins in India


STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;
More than 9 million people have participated to the Erasmus program since its creation. The number of young participants has increased significantly since 1987. Nearly 300,000 a year for only 3,244 in 1987. Spain is the country that allowed most people to participate to Erasmus with more than 40,000 per year, ahead of France, Germany and Italy. The countries receiving the most students are Spain with more than 39,000 students and then Germany.[16] There are currently more than 4,000 higher institutions participating in Erasmus across the 37 countries. In 2012-13 alone, 270,000 took part, the most popular destinations being Spain, Germany, Italy and France.[17] Erasmus students represented 5 percent of European graduates as of 2012.[18]
HEA. HEM. 133 v. a. heat melon; verldtten; aanvuren. —er, achterlappen; v. a. dansen; overhellen. —a-port, heater; ijzeren bout. near bakboord overhellen. — a stroke, een' gang Heath (hieth'), a. heidekruid; heide. —cock, koroverwinden. — er, a. bean, die goed met de spobean. —hen, korhoen. —pea, vogelwikke. —pout, ren werkt. —ing, s. (het) overhellea; hitting. berkbaan. —rose, heidcroosje. —y, a. met beide- Ilea (heft), s. hecht, handvatsel; gewicht; inbraid begroeld. spanning. § a. a. oplichten, tillen. Heathen (hie'thn), a. heidensch. a. heiden. Hegira (he-dzjarre), a. Hegira (tijdrekening der —ish, a. —ishly, ad. heidenech ; ruw., —ism, a. Mohatnmedanen). heidendom. Sheller (hew), a. veers. Heave (hiev') 0. opheffing, -lichti.g; zwelling; Heigh - ho (haj'ho), int. add hallo! achok ; poging tot broken. —raring, hefuffer. Sleight (hajt), a. hoagie, verhevenheid; toppunt; Heave (Mev) [hone.. haven'], v. a. opheffen tap)) hoogate grand; crials. werpen ; doen zweilen, rijzen; lozen. (down) Heighten (haj'tn), v. a. verhoogen; vermeerdekielbalen. (out) bijzetten. v. n. hijgen; rijzen; ren; verfraaien. —er, a. verhooger. a. koken, misselijk zijn. (to) bijdraaien. in sight, verhooging; 'tented. in 't gezicht komen. Heinous iliee'nus), a. —1y, ad. afschuwelijk, Heaven (Liev'n), a. hemel. —born, van den hemel snood. —ness, s. snoodheld. neergedaald. —inspired, door den hemel bezield. Heir (see), a. erfgenaam. —apparent. zekere erf—linen, a. goddelijkheid. —1y. a. & ad. hemelsch. gonaam. —presumptive, vermoedelijke erfgenaarn. —ward, ad. hemelwaarts. —, v. a. erven. —dont, a. ertgoed. —ass, a. eelHefty er lii.ev'ur), a. oplichter, hefboom. —ing, gename. —less, a. zonder erfgenaam. —loom, a. e. (het) wind. ; zwellinb , rijeing. erfatuk. —ship, a. erfgeneumschap. Ileav y (hev'ih), a. —ity, ad. zwaar ; zwaarmoe- lletical (hel'ikl(, a. schroefvormig, spiraal. —line, dig; vervelend; loom. —y-headed, dom, onbevatschroef-, spiraallijn. telijk. —iness; s. zwaarte; zwaarrnoedigheid ; Hello meter (hi-li-orn'i-tur), m. zonnemeter. trnagheid. —scope (hi'li-o-ekoop), a. zonnekijker. —trope Ilebdomad nl (heb-dom'e-del), —ary, a. wake(hi'li-o-troop), a. eonnebloein. lijksch. Helix (hi'liks), a. Rchroet-, spiraallijn. Ilebet ate (heb'e-teet), v. a. verstompen.—ation Igen (hell'), a. Lel. —black, helsch-. pikdonker„ (-tee'sjun), a. verstornping ; stonapheid. —ude —bred, in de hel geteeld, holsch. —broth. hese). (-tjoed), a. stomp-, dornhaid. kooksel. —cat, heka. —doomed, ter belle geHebraic (he-bree'ilt).. a. hebreeuwsch. doemd. —hound. helhond. —kite, hellegier. ilebr. Inca (Li'bre•izmI, a. hebreeuwsch teal- Hellebore (helle-boor), a. nieskruid. eigen. —ist, 8. kenner der hebreenwasehe teal. Hellen lam ,herle-nizm), a. grieksch taaleigen. Hebrew (hroroe), a. hebreeuvvoch. —, a. Hebreer; —ist, a. kenner van het Griekeeh; grieksche Jood. Hebreettwsch. —era, a. Jodin. —ice (-neje), v. n. Griekach ap.rekcn. Hecatomb (hek'e - toera), 8, hecatombs, offer Helller (helni-ur), rz, leidekker. vrn houderd ossen. h elfish (herliej), a. —/y, ad. heiach, snood. Sleek (h.ek), a. ruff; deurklink; net. —ness, a. snoodheid, afschuwelijkheid. Heckle (hek'kl), zie Hackle. Helm (helm'), a. race; helm. —sman, man aan Hectic (liek'tik), a. teringkoorts. —at, a. 't roer. v. a. sturen, besturen. teringechtig, kwijuend. Helmet (hel'mit), s. helm, stormhoed. —flower. Hector (Itek'tur), a. bloaakaak, enoever, —, helmvormige bloem. —pigeon, kappertje (duifi. v. a. & n. enoeven, zwetsen ; dreigen. —/y, ad. —shell, zeehelm. saoevend, zwetaend. Helmintlite (hel-min'thik), a. wormen heti, (Sledge (hedzj'), s. beg, haag. snoeimes. fend. —, a, middel tegen de wormen. deugniet. —born, laaggeboren. —creeper, Helot lhel'ut), a. Heloot; landlooper. —hog. atekelvarkan, egel. —marriage, Help (help'), a. help; behulp ; helper, helpater. heimelijk huwelijk. —note, atrilatdeun. —pig, —. a. a. & n, helpen, bijataan, ondersteune, jong atekelvarken. —row, haag. —sparrow, boomnalaten. (on) voorthelpen. (over) doorhelpen. Ito( musch. aanretken, dienen. —mate, helper; helpater. lIedg e (hedzj'), v. a. omheinen; v. n. wegkruia. helper, noodhulp. —ful, a. behulpzaam; hellpen. —er, a. haagmaker.—iny-bill,zieilledge-16111. zaam; dionsttg. —less, a. —lessly, ad. hulpelooa. Heed (bled'), a. oplettendheid, behoedzaamheid. —/essness, a. hulpeloosheld. to give opletten (to). to take —, op alias boede Ilelter - skelter (hertur-skel-tur), ad. in 't honzijn; oppassen, (of. to). —, v. a. acht geven op ; deed, overhoop. v. n. bedenken; oppassen. a. —fully, ad. Helve (helv), o. steel, hecht. v, a. met ecri% oplettend, behoedzaam; zorgyuldig. —fulness, e. steel voorzien. hehoedzaamheid, oplettendheld. —less, a. —lessly, Hem (hem), a. zoom; hem (buck). —, v. A. zoead. onachtzeam, zorgeloos. —tessness, a. onachtmen, ern boorden; (in) oursingel en; v. n. hamar li, zaamheld. kuehen. —, int. hem! ton ! Heel (hien, a. hiel; ha i r; spoor; afvalling; hie- Hematite (hem'e-tajt), a, ble,edsteen. ling; ondereind. to take to once —s, het hazenpad Hentleyele (hem'i-eajkl), a. halve clrkel. kiezen. —piece, 0. aehterlap; v. a. achterlappen Ilentisplae• e thenCt - stier), a. 11 4/frolul. ic, (schoenen). — ieal ( - afeetk - ), a. halftone.. Heel (hien, v. a. v,i1 kuustaporen voorhien; (hein'i,tilV, a. hall vers.
SLA.—Si.O. mans) au, (tooth,' ag. — house, 31achthuls. —man, slachter. v. a, vermoorden,ramalen, alaeht,u. --er, a. slaehter, naoordenaar. —ous, a. moorddadir,. Stave (Aeo,0), 3. Waal% slavin. — holder, ,, lavenhou dee. — ship, air,enhaalder. — trade., slaveuLandel. v. n. z•oegen. —r, a. slover,zwocger; slavenschip. Slower (siev'ur), 0. kvii,j1, apeokool. —, v. a.bekw ijlen; v. n. — er, a. kmijI Slav ery ad.Filaarso, —;shness, a. els.afue Wield. Slay (,le,') [slaw (s1,). slain (sh.tenrj, v. a. dodders, v.,rinoorden, olachten. --er, a. moordenaar, sla0ter. Sienve (sti,v;, a, verwarde, onv,,,twijnde 7,13de; strew"; zikie; knoop. —, v. a. op w inden, haspalen; bereiden. — d, a. ongespohnen, raw. Sleazy (strziti), a. dun, l;clst van mtoffen). Sled (ale , i), c, mlede. —, v. a. strict,. Sledge (14lectr.j), a. arnidshamer,,cde. (stiek' i a. glad, blinkend. — stone, ilk-, wrlifsteen. —, v. a, glad rnaken, polipte.n.—ness, a. giadheid; gian°. SI,ep (alic,p), s. sloop. Sian a (aliepl [slept], v. n. alapen. (away) veralapen. (upon , zieh beslape.n op. — er. a. ',lapel.; druiloar; tiNV:t est t)fti k. -iegger. —ity, ad. —y, a. siaperiR; slaapvermekkenl. — iness 0-nessj, a. slaperigheid. --ing, sa. slaps; .,d; — partner, stille vennoOt; — chamber, — room, alaapkamer, — lees, a. dopeloom. — lessnes,, a. alapolougheid. SI,e1 ( jachtsueenw. —„ v n. atofhagelen, ljzele . —y, a. fijn sneeumend, mottend. Siteeve ts. now. to laugh in one's — , ztja vuistje laehen. -- band, manwlvlordsel, — board, persphnk. —knot, mnuwmtrik, —d, a. mat mouwer, — less, a zonder imouwen;ongertjald i zot, iv Id (aleed n ., v. a. 'hie to Step. (s lee' a. sled, —iwg, a, vervoer op al ,?,den; 81,de,art; Sie4;10 (mlhjt,' a. bedriegelijk, misleilend, —, a. kuosturvep, ),ehendigheid. —y, a,. —ity, ad. listig, slum. Sle,ndier (sien'dur), ft, — to, ad. dun; rank, clank; optchtig; eels cast; gering. — ness, a. dunheid; rankheid, apiehtIghei4; sehraalheid; geringheid. Sley (mieej, a. weverskarn. —, v. a. in draden seheiden, haP Weft. Shea; tilajt4), s. aneedje, schijf.le, moot; epatel;
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;
Fabrile (feb'ril), a, van timmcrman, metselaar Facillt ate (fe-sil'i-teet), v. a. gemakkelijk maken. —ation (-tee'sjun),verliehting,,, bevordering. of amid. —y, s. gemakkelijkheid, vaardigheid,; heusehheid ; labial tat (feb'joe-list), a. fabeldiehter. —osity insehikkelijkheid. (-los'it-tih), —ousress, s. fabelaehtigheid. —ous. Facing (fee'sieng), s. voorzijde; belegsel; ornboord a. --(may, ad. fabelachtig. sel; sieraad. Façade (fe-seed'), 8. voorgevel. Face (fees'), 8. gelaat, aangezieht: voorkomen, Facinorous (fe-sin'o-rus). a. aehurkachtig, snood. —ness, a. snoodheid. nitzieht; toeetand; voorzijde; stoutmoedtgbeid. inderdaad, werunder vier sages. to laugh in one's —, Fact (fekt), s. dead, felt. in keltjk. matter of —, wezenlijke zaak. temand in zijn geziela nitlachen. brazen —, onherehaanid re en seh. sour zuur gezieht. to make Faction, (fek'sjun), s. part;j; partijschap, arr. deeldheid. —ist, s. onruststoker, partijman. —s, geziebten trekken. —ague, aangeziehtspijn. —cloth, lijkdoek. —less, a. zonder geleat; onbe- Factious (fek'aju8), a. —1y, ad. partijznehtig; arnststokend.—ness,a partijzucht; oproerigheid. schemed. —painter, portretsebilder. Face (fees), v. a. in het gelaat zien; gekeerd zijn Factitious, (fek-lisfus), a. nagemaakt. 'mar; ceder de oegen sten; omboorden„ omslaan; Factor, (fek'tur), a. agent; factor. —age, a. coiny, a, faemiesie-loon. —ship, s. faetorsehop. versieren, bekieeden. (down) overbluffen, cubetorie; fabriek. seheamd siteende houden. (out) onbesehaamd

Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.

nummer 2 cryptogeld


Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts

Pick (Mk . ), 5. bikijzer, puntige hamer; tanden-stoker; (het) uitgekipte. -axe, houweel. -fork, hooivork. -lock, looper; die sloten openeteekt -pocket, -purse, benrzensnijder. -thank, Inklooter, plutmetrijker, -tooth, tandenstoker. -, v. a. prikken, pikken; bikken, plukken; uitkippen; sorteeren; sehoonmaken, zuiveren, afklui. yen; opensteken; plunderer, op den kop tikken; versamelen; uitpluisen. -acquaintance, kennis maken. - a quarrel,twist zoeken.- thanks,pluin, strijken. (out) ultpikken; - a livelihood, een bestaan vinden. (up) oppikkan; opcklen; - straws, vergeefeelle moeite doen. -, v. n. peuzelen, kieskanwen,• langzaam en nauwkeurig werkee. Pickapack (pik . e•pek), ad. op den rug. Picked :(pirid), a. puntig, 'pits; gemeakt, ingebeeld. -ness, e. puntigheid. Plckeer (pik•ler . ), v. n. schermuteelen; zeeschuimen. Picker (pik'ur), e. pikker; uttzwker; plul.ker; houweel;tandenCoker.-ofquarrels,twlatzo , ker. -el (41), e. enoekje. -weed, snoeikruid. -oon (•oeu . ), a. Lie Picture...me -y, a. kleine diet. Picket (pik . it), N. steak, paal; ;piker (veldwacht en !Tel). -, v. a. met palen vastzetten. kenen, Picking (pik . ieng), 8. het plukken, uitzoeken, nelezen, opzamelen. -.a (•iengz), pl. snippers, vuilnis, afval. Pickle (pik'kl), 5. pekel; zuur, ingemaykt goed; benarde toestand. -mixed -a. vat.: a, allerIei. -herring, pekelharing; hansworst. -, v. a. peke. len, inmaken. Picnic (pik . nik), s. botje bij-botjes-raaaltijd. Piero lite (pirro-lajt), s. bittersteen.- -met (-met), 5. gaistof, bitterzoet. Pict oriel (pik-to . ri•e1), a. sehilders- . van de sehilderkunst; gelllustreerd; afgebeeld. -oral (pikt .joe-rel), a. afgebeeld; s. afbeeldsel. Picture (pikt'joer), s. Behilderti; Ribe,Idsel; tatereel. -book, prentenboek. -drawer, sehilder. -drawing, het schilderen. -galery, -room, sehIlderilfaal. -, v. a. schilderen; afschiideren. - like, a. ale eene schilderjj. Picturesque (pikt-joe-reek"), a. sehilderachtlg. Piddle (pid'd1), v. n. kieskouwen; beuzelen. -r, s. kteskauwer; beuzelaar. Pie (par), s. pastel; eketer; misboek. - bald (-baold), a. bout. Piece (pies'), e. stuk; geldstuk; geschrift; sehilderstuk; geweer, hanon; dead, a -, per atuk. - by -, stuk voor stuk. - of wit, geestige inval. of a -, van dezelfde snort. -goods, stukgoederen. -work, werk per sank. -, v. a. lap en, verstellen; samenvoegen; (out) verlengen, rekk en; (up) oplappen, -, v. n. zicn aaneen hechten; sl uiten, passim. -less, a. nit 66n stuk, geheel, - meal, a. & ad. stukswijze, aan stukken. -r, s. lapper. Pied (pajd'), a. boat, geschakeerd. -ness, s. bontheid. Pieled (pield), a. geschild; kealhoofdig. Plepowder (parpau-dar), a. - court, gerechtehot op jaarmarkteu, marktgerecht. Pier (pier'), s. brugpIller; eteenen beer; haven.
EST.—EVI. lEatrapatle (as-tre.perr), a. kromme 'prong. Retreat (es-triet'), s. afsehrift. —, v. a. nittrekken, afsehrift waken. Retrepement (es-triep'ment), s.uitputting (verwuesting) van landerijen. Eatriela (eetrit, , j), a. strulavogeldons. Estua ry (estioe-e-rih), s. monding; zeearm; dampbad. —te (.eeti, v. n. opbruisen, koken. —lion (-ee'ejun), a. opbruising, koking. Etch (star), v. a. etsen. —ins, a. (het) etsen; etsplaat. —ing-needle, etsnaald. Etern at (e-tur'nel). a. —ally, ad. eeuwig. —at, a. ( de) Eeuwige. —alive (•ale), —ixe (-najz), v.','a. a. eeuwiyheid. vereeawigen. —ity Etesian (e-trzji-en), a. op bepialde tijden waaiend. —winds, peeseatwinden. Ether (ie'thur), a. ether. —eat, —eous (e-thicr-i), a. ethertach, hemelach. Ethic (eth'ik), —a/, a. —ally, ad. zedenkundlg, sedelljk. —a, s. zedeuleer, nedenkunde.1 Ethnic (eth'nik), —al, a. heldenach. Ethno graph y (eth-nog're-11 , 1), a. besehqving tier rasaen. —Logy (-nol'ud-ajih), a. menschenraaknnde. Ethology (a- thol'ud-zjih), a. verhandeling over de zeden. Etiolate (ie . ti-o-leet), v. a. bleek maken; v. n. Week worden. —lion (-lee'ejun), a. bleekmaking. Etiology (ie-ti-ol'ud-zjih), a. oorzaken- leer (van zlekten) Etiquette (et-i-ket'), s. ,tiquette. Etui (ee-twi'), a. foedraal. koker. Etymolog Ica, (et-i-mo-lod'ajikl), R. woordvorachend, etyrnologisch. —CO (-mol'ad.zjiat), a. woordafleider. —y (-rnol'ad•zjih), a. woordafleiding; woordgronding. Etyanon iet'i-mon),.. groudwoord, wortelwoord. Eucharist (joe'ke•rist), a. Avondmaal; Cornmanic. —ie., —teal, (-riettk.), a. bet Avondmaal betreitend. EutIrasy (joe'kre-eih), a. gezonde toestand (des llchaarns). Eudionieter (joe-di-om'i-tur), e. luchtweger. Eulog 1st (josnud-zjist), a. lorredenaar. —inn (.zjajz ►, v. a. priizen, verheffen. —y, a. lofspraak, lofrede. Eunuch (joe'nuk), a. gesnedene. Eupepsy ijoe'pep-sih), a. goede eptjeverte;ing. Euphemism (joe'fe-miarn), a. verzachtende uitdrukking. Euphon la (joe-fon'ik), —teal, a. welluidend. —y (joe'fun-nih), a. welluidendheid. Eupleraey ijoe'fre-ally, e. oogenklaar (plant). Euroclydon (joe-rok'li-don), a. noordoostenwind (in de Middellandsche zee). Eurus (joe'rus), a. oostenwind. Eurythmy (joe'rith-mih), a. joists overeenstemmilitC, evenredigheid. Eutbanaay (joe-then'e-sih), a. zechte dead. Evaeua nt te-velejoe-eat), a. buikzuiverend middel. —te (-eet), v. a. loozen, ultdrgven, ledigen, ontruirnen.—tion (-ee'sjun),.. loosing; outlasting, stoelgatig; opheffing. —tire (-e-tiv), a. atdrtjvend, zutverend. Evade (e-veed'), v a. it rt. ontwijken, vermijdeu; ontsnappen.
—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold
Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar

Hoe werkt een bitcoinmijnb werk

×