The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Kun je dubbele besteden Bitcoins


Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.  

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.
ART.—ASS. 14 Articula r (er-tik'joe-ler), a. tot de gewrichten *slope (e-sloop'), ad. hellend. behoorend. —te, a. —tely, ad. (-let-) gewrichten Asp (Rasp), —it (aas'pik), s. adder. hebbend; duidelijk. —te (•leet), v. a. duideli)k Asp (aesp), a. —tree, eel), eepenboom. uitspreken, uiteenzetten; bepalen; v. n. duide- Asparagus (es-per's-gus), a. asperge. lijk spreken. —tion (•lee'sjun), a. geleding; dui- Aspect (es'pekt), a. voorkomen, gezicht, bedelij_ke uitspraak. schouwing. Artille a (aar'ti-fia), s. kunstgreep; list. —er Aspen (es'pn), s. esp.. —, a. espen. (aar-tiri-sur), a. handwerksman, werkmeester. Asper ily (es-per'it-tih), s. oneffenheid, row-ial (-fis'sjel), a. —tally, ad. kunstig;gekunsteld. heid. —oua (es'pur-us), a. oneffen, row. —iality (-sji-el'it-tili), s. kunetigheid; sluwheid. Aspers a (es-pure'), v. a. besprenketen; belasArtillery ler-tilne-rih), s. grof geschut. terra. —ion (-sjute), a. bespreekelingi belastering. Artisan (aar'ti-zen), a. handwerksman. Asphalt (es-felt'), s. asphalt. —ic, a. asphaltiech. Artist (aart'istl, a. kunstenaar. Aspira nt (es'pi-rent), s. singer (near een' post. Artless (aart'less), a. klinlite1008 ; ongekunateld. enz.) —te (-ret), a. aangeblazen; a. teeken van —nest. 0 kunsteloosheid; eenvoudigheid. aanblazing. —te (-rest), v. a. net aanblazing Arundin aceous (e-run-di-see'ejus,„ a. riet- uitspreken. —tion (-ree'sjun), a. aanblazing; achtig. —emu ler-un-din'i-us), a. rietrijk. vurig verlangen. Aruspex (e-rue'peks). a. waarzegger. Aspir e (es-paje), v. n. streven, haken, (after. 4 Ary (ee'riii), a. pr. & conj. Lie Either. for, to). -er (es-pajeur), a. atrever, trachter. As (ez), ad. & coni. als, even als; naardien; bi ) - , —ing (es-pajOieng), a. atrevend, jagend. voorbeeld. — for, — to, wat aangaat. — if Asquint (e-skwint'), ad. schuins; loensch, scheel. — though, a'sof. — it were, om zoo te zeggen. Ass (aas), s. ezel. she —, eselin. —soon —, zoo dra als — yet, nog. Assafoetida (es-se-fet'i-de), a. duivelatrek. Asbest Inc (es-bes'tin), a. onverbraudbaar. Assail (es-seel'), v. a. aanvallen. —able, a. aau- us, s. steenvlas. randbaar. —ant, a. aanvallend. —ant, —er, s. Ascend (en-send'), v. a. beklimmen; v. n. opstij- aanvaller. gen. —able, a. beklimbaar. —ant, a. opklim- Assassin (es.sea'sin), s. sluiprnoordenaar. —ate mend; overwegend, a. hoogte; overwicht; tan- (-neet), v. a. vermoorden. —ation (-nee'sjun), s. zien; voorvader. —ency (-den-sih), s. overwicht; sluipmoord. —ator, a. sluipmoordenaar. invloed. Assault (es-saolt'l s. aanval; bestorming. —, Ascension lea-sen'sjim). a. opsttjging. —day, v. a. aanvallen; bestormera. timely aartsdag. Assay (es-seen, a. proefueming; torts. —, v. a. Ascent (es-sent'), a. opgang; opgaande hoogte; beproeven: toetaen. —cr., —master, a. eesayeur. stijging. Assenabi age (es-sem'blidzjt, a. verzameling; Ascertain (es eur-teen'), v. a. vaatstellen; be- vergadering. —e, v. a. verzamelen; v. n. bijeen vestiges. —able, a. vastgesteld. bevestigd kun- komen. —y 1-blih). a. vergadering. nende worden. —merit, s. vaetstelling; bevesti- Assent (es•aent'), a. toestemming. —, v. n. toeging. atemmen; (to) instemmen met. —ation (-tee'ejunl, Ascetic (es-set'ik), a. boeteplegend. —, a. klui- a. toestemming. —ator (-tee'tur), a. jabrobr. zenaar, boeteling. —er, a. toestemmer. Asehms les'al-ens), a. onschaduwigen. Assert (es-surt'), v. a. beweren; bevestigen; vorAscitic (es-sit'ik), —al, a. waterzuchtig. deren. —ion (sur'ejun), a. bewering: bevestiging. Aserib able les-krarbibl), a. toe te schrijven. —ire (-tiv), a. atellig. —or (-tur), a. beweerder; —e, v. a. toeschrijven, verdediger. —ory (es'aur-tur-rih), a. bewerend; Ascrip tion lea-krip'sjun). a. toeechrijving. bevestigend. —tittous -tia'sjual, a. toegeachreven. , Assess (es-sea'), v. a. belasten. —able, a. belaatAsh (ear). a. each. —en, a. van esechenhout. i boar. —ment, a. belasting. —or (-sur), a. bijzitAshamed (e-s)eemd'), a. beschaamd (of )• 1 ter; belastingmeester. Asheolor (e.j'knl-ur), a. —ed, a. aischgrauw. Assets (es'seta), a. boedel, masma, nalatenseliap. Ash ery (ekre-rih), s. aschbelt. 4 —hopper, loog- Assever (ea-sev'ur), —ate (-sev'ur-eet), v. a. plechvat. —hole. —pit, aachput. tig verzekeren. —ation (-ee'ajun), a. plechtigc Ashes (eajiz), a. each. verzekering. Ashler (esj'lur), s. hardateen. Assiduity (es-si-djoenit-tih), a. gestadige ijver; Ashore (e-sjoorl, ad. tan wal, tan strand. volhouden. Ash-wednesday (esj-oe-enrdee), a. aschdag. Assiduous (es-sidloe-us), a. —ly, ad. naarstig Ashy (espiiiL a. aschachtig. onverdroten. —ness, a. naarstigheid; volharding. Aside le-sajd"), ad. ter zijde. Assign (en-sajn'), v. a. aanwijzen; aanstellen; Asinine (es'i-najn), a. ezelachtig. bepaleu; overdragen. —able, a. be aalbaar. Ask (aask).' v. a. & n. vragen, verzoeken, vorde- —Own (es-sig-nee'sjuu), a. aanwijzing; bepaling. ren. -- after, for. from, of, to; vragen Haar, om, ren-dez-vous. —ee (es si-nie'), s. gemachtigde, van, a., op. — a question, erne vraag doen. —er, s. aanwijzer. —meat, a, aanwijzing; be-er, s. vrager, verzotger. stemming. Askan ce (e-skaana'), —t, ad. schuins. Assinallat a lea-sim'i-leet) v. a,gelijk maken Askew (e-skjoe"), ad. schuins; met verachting. (to); v. n. gelijk worden. —ion (-/ee'rjun), a. Aslant (e-alaant'), ad. schuins. gelijkmaking. Asleep (e-sliep'), ad. in sleep. Assist (es-sise), v. a. helpen, bijstaan; v. a. (at
23 Betake (be-teer) [betook, betaken], v, a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot. Beteem (be-tiem'), v. a. voortbrengen; verschaffen. Betel (bie't1), s. betel. Bethink (be-think') [bethought], v. a. bedenken. — one's self (of I zich te binnen brengen. Bethlehem-star (bethli-em-staar)., s. sterrebloem. Bethump (be-thump'), v. a. afrossen. Betide (be-tajd') [betid], v. a. wedervaren; v. u. uitvallen; (to) overkomen; (of) worden. Betime (be-tajrni, Betimes (-tajmz"), ad. bij tijde. Betoken (besto'hi), v. a. beduiden, voorapellen. Betony (bet'o-nib), s. betonie. Betoss (be-tos'). v. a. schudden) verontrusten. Betray (be-tree'), v. a. verraden. —er, s. verrader. Betrim (be-trim'). v. a. optcoien. Betroth (be-troth'), v. a. verloven. Betrust (be-trust'), v. a. toebetrouweu. Better (bet'tur), a. & ad. beter, meer. 4 —than a year, langer dan een jeer. so much the —, dee te beter. my — half, mijne wederhelft. a. betere; meerderheid. to get the — of one, he overhand over iemand krijgen. —s, s. meerderen. —, v. a. verbeteren, overtreffen. 4 —most, ad. ellerbest. Bettor (bet'tur), s. wedder. Betty (beetih), a. breekijzer. Between (be-twien'), prp. tusschen. Betwixt (be-twiksti, prp. Zie Between. Bevel (bev'il), a. acheef, schuin. hoekmeter. Beverage (bev'ur-idzj), s. drank. Bevy tbev'ih), a. vlucht, troep; kransje. Bewail (be-weal'), v. a. betreuren. Beware (be-weer'), v. n. (of) zich in acht nemen voor, paesen op. Bewilder (be-wil'dur), v. a. verwarren, verbijsteren. Bewitch (be-wits)'), v. a. betooveren. —ery, —ment, a. betoovering. —ing, a. —ingly, ad. betooverend. Beyond (be-jond'), ad. ginds; prp. boven, over, buiten, boorbij. to go —, bedriegen. Bezel (beeil), a. kas van ten' ring. Diemen fated (baj-en'gjoe-lee-tid ► , —bow, a. tweehoekig. Bias n bares), s. overhelling, neiging; vooroor deel. to put one out of one's —, iemand van zijn ;Auk brengen, v. a. doen overhellen, bevooroordeeld maken. —ad (barest), a. bevooroordeeld. Bib (bib), s. slabbetje. —, v. a. slurpen, drinkeu. aeiou8 (bai-bee'sjus), a. eau den drank verslaafd. —ber, a. drinkebrotr. Bibi e (barb1), s. bijbel. —ical (biblikl), a. bijbel , ch. Bibilograph er (bib-li-og're-fur), a. boekenkenner. —ical (-o-grerikl), a. bibliographisch. —y (-fih), s. boekenkunde. a. boekhandelaar. Bibliopolist s. boekverzameBibilotheca ling. —1, a. tot eene boekerij behoorend. —ry ke-rih), 8. bibliothekarts. Biblist (bib'list), a. btlbelkenner. Bibulous (bib'joe-ius),Leponeachttg,opalorpend
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Welke cryptogeld wordt het meest gebruikt


v, erasure; to get over, to bring to bear. Doordring banes, by. penetrable, pervious, permeable. --6earkeido. penetrability, perviousness. rebuke. permeability. --ea, ov. w. to pervade, to per- Doorheen, bw. through. er —, through it. meate; to pierce ; to penetrate (into). on. w. to Doorbeet, be, thoroughly heats'', very hot. press through, to penetrate into. —end, by. pen- Doorbelpen, ov. w. to help through, to back; to run through, to diesipate. etrat: ng, penetrative, piercing, keen, acute, shrill, sharp. —endheid, v. penetrativeness, penetration, Dsattrhotivuots, or. w. Zoe Doorbakken. acuteness ; keenness; shrillness. —er, at. pene- Doorhuppelen, on.w. to Alp (to jump) through. Doorbuteeten, or. w. to jumble (together). , trator. —ing, v. penetration. Dooringen, ov. w. to drive (to chase) through; Doordrongen, by, (roe) impressed with. to dissipate; on. w. to hoot ott; to drive (to vide) oordroog, ov. thoroughly dry. very fast through. Doordrutpco, on. w. to drip through; to steal Doorkaketen, on. w. to continue prating, to away. tattle on. Doopodrukken, ov. w. to welts through. — out; Doorkeppen, or. w. Zie Door hakken. on. w. to blot; to continue to gall (ern petard), Doorkorven, or. W. to carve to pierce, to mines. prey sing, — printing. Doorkenvelen, on. w. to continue chatting. Doorduwen, ov. w. to push through. Dooreen, bw. one with another; pell-mell, con- Doorktjken, ov. w. to examine narrowly; on. w. to look (to peep) through. fusedly; upon the wole, on An average. Dooreenhaspeten, ov. w. to mingle confused- Doorklauteren, ov. w. to climb all over; on. w. to climb through. ly, to entangle, to huddle together. Iflooreenkluteen, or. w. to beat up together. Doorkielnzen, or. 'w. to strain, to filtrate. Dooreenloopoo, on. w. to run together ; to Doorkileaven, ov. w. to split through; to cleave. Doorkillinneen, or. & on. w. .Zie Doorklaurun pell-mell. — confusedly. t ergo. Dooreeninengen, ov. w. to mix together. Dooremnwerpen, ov. w. to Jumble (to huddle) Doorkluteen, ov. w. to beat up together. Doorknobbeien Doorknagext , Doortogether. finauwen, cv. w. to' gnaw through; to consume, Dooraten, oy. w. to eat through; on. w. to conto corrode. tinue eating; to make haste in eating. 2loorgaan, ov. w. to wear out with walking; to Door kneden, ov. w. to kneed thoroughly, — well. —leered, by. elaborate, highly finished; wellwalk (one 'a feet) sore; to peruse, to examine; versed, skilled (in). kneedlarid,v . great skill. on. NV, to go (to walk, to pass) through, to cross; to walk on, to mend one 'a pace; to steal away; Doorknoppen., Ov. w. to cut through. to elope; to take fright, to run away ; to wear Doorkokon, or. & on. w. to boll thoroughly. korner), on. w. to come (to get) through; Door off; to break, to burst; to pa. (veer, for); to take. to become general, to succeed, to be carried (60 to recover, to come (to get) off. —tenet, v. stemming,; to drag (van een onkel.). —d, by. con- passage, issue, event. tinual; common, 1111.1. —de bete, thorough bass. Doorkowl, by. quite chilled, very cold. Doorkrnbbelen, Doorkrabben, °v. w. to —s, bw. commonly, uenaliy. scratch open; to sers.tch out. Doorgaug, m. pavaoge, thoroughfare; transit. DoorkriUgen, ov. w. to get through. Doorgeleord, be. thoroughly learned. Doorkruiden, on. w. to season all over, to Doorgesiokaus, be. concerted, contylvtd. Doorgevon, or. & on. w. to give (to reach ; epics thoroughly. Poorkvelpen, ov. w. to creep through, -- ell through ; to continue giving, — dealing. over; to pry into; to wear out with creeping; Doorettet en, ov. on. w. to pour through; to on. w. to creep through. Percolate, to strain; to continue pouring, — (tastDoorkrasleen, ov. ay. to cross, to ramble over. ing. —inp, v. percolation ,. straining. Dootrictennon, on. w. to be able to get through; Doortelsece.„ oto w. to cOutimue termerting. to be tolerable. dot kan er niet door, that will 1PoorAlUden, on. w. to elide (to slip; through. not do indeed; I cannot put up with it. Doorgossa, ice. extremely good-natured. Doorgooless e ;ov. w. to throw (to fling) through, Detorlaten, or. w. to let pass; to transmits Doorlecrd, by. erudite. — out of; to break by throwing. Doorgrnv en,"ov. w. to dig* through, to open; Iloorietden, ov. w. to lend (to conduct) through. Doorisklbon, on. w. to drop (to leak) through. on. w. to continue digging. —ing, v open;ng. Doorgrfeven, ov.w. to grieve (to sting, to wound) nuorloven, or. w. to lice over, to pass. Doorlex en, or. w. to read over, to peruse; on. to the quirk. w. to read on, to continue reading. —en. by. read, Doorgroefen, on. w. to grow through; to conwell-read. —ing, v. perusal. tlnue growing, to grow on. Dourgrond en, ov. w. to penetrate (into), to Dooritrbten, ov. w. to light throogh; on, w. to lightening. fathom out. —er, en. eearcher. —leg, v. penetrat- chine through; to continue Doorliggen, ov. w. to gall (to make sore) with ing, penetration, fathoming. t. w. to be bed•sore. lying. sick Doorhakken„ ov. w. to hew (to cut) through, D *melts op, m.oassage, gate-way; lowness. to cleave; on. w. to continue hewing. or w. to run (to pass) through, to traverse; to Doorhat eat, ov. w. to pull -to draw) through, peruse. to run (to glance) over, to run sore, to to moieten, to site; to starch; to erase, to cross, wear off with walking; on. w. to run through; to to strike out; to rebuke, to lecture; to recover;

wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.


Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.
I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.
77 Discutient (dis.kjoe'Ajent), a. verdrijvend —, a. verdrijvend middel. Disdain (dis-deen'), s. versmading. to hold in —, verachten. —, v. a. versinaden. —er, s. versmader. —jut, a. —fully, ad. amadelijk, verachteltjk. Disease (diz-iez'), s. ziekte, ongesteldbeid. —, v. a. ziek maken; lastig vallen. —d, a. ziek, ontesteld. Dfaedge (die-edsf), v. a. stomp of bot maken. Disembark (dte-em-baark'), v. a. ontechepen; v. n. landed. —ation (-ena-ber-kee'sjun), s. ontscheping. Disemba•ras (dis-em-ber'res), v. a. uit verlegenheid , helpen; bevrijden. —ment, s. bevrijding, ontlasting. Disembitter (dis-em-bit'tur), v. a. de bitterheld benemen. Disembod led (dis-em-bod'did), a. ontlichaamd. —y, v. a. ontlichamen; nit de krijgedienst ontglean. D iseinbogue (dis.emboog'), v. a. uitgleten, uttstorten; v. n. zich ontlasten. Disembowel (dis-em-beauP), v. a. ontweien. Disembroll (die•em-brojP), v. a. ontwarren; uit de verwarring helpen. Disenable (dis•en-eeb1"), v. a. buiten staat stellen. Disenchant (dis-en-tsjaant'(, v. a. onttooveren. —ment, s. onttoovering. Disencum ber (dis-en-kum'bur), v. a. van °veriest bevrijden. ontlaaten. —trance, s. ontlasting, bevrijding. • Disengage (cits-en-geedzji v. a. losmaken, bevrijden; v. n. zich ontslaan. —d, a. bevrijd; ledig. —dness, s. onverhinderdheid; vrijheid. —meat, s. losmaking, bevrijdine; vrije tijd. Disennoble (dis•en-noobl") v. a. ontadelen. Disenrolij (die-en-mon, v. a. van de Apt achrappen. Disentangle f(dis.en-tengr), v. a. ontwarren; bevrijden. —meat, s. ontwarring; bevrijding. D isenthrall (dis•en-threoP), v. a. bevrijden. —ment, s. bevrijding. Disenthrone Ixtis•en-throon'), v. a. onttronen. Disentitie (dis-en-tart1), v, a. van een ree,ht herooven; ongerechtigd maken. Di ► entrance (dis.en-traans'), v. a. nit eene bedwelming (verrukking) doen ontwaken. Dimes teem (dis -es- tiem'), —timation ( -ti. nice. ajunl, s. minachting. Disfavor ;(dis-fee'vur), s. ongenegenheid, te• gentle. —, v. a. in ongunst brengen; miavormen; onvriendelijk bejegenen. Distigur ation (dis-fig-joe-ree'ejun), s. 'Mayorming, wanstaltigheid. —e (•11g'joer), v. a. misvormen. —ement ( fig'joer-ment), 8. mismaking. Disfranchise (dis-fren'tsjiz), v. a. van voorrechten berooven. —meet, s. ontneming van voorrechten. Disfornish (die-fuenisj), v. a. onttakelen. Disgarnish (dtz-gaar'niej), v. a. ontsieren; ont• mantelen. Disgorge (diz-gordzr), v. a. uitbraken; uitstorten. Disgrace (diz-greet'), s. ongenade; schande. —, v, a. onteeren; in ongenade brengen. Jul, a.
Mfspolnl (mis-point' ), v. a. verkeerCpuncteeren. Misprint (mis-print'), s. drukfout. v. a. verkeerd drukken. • e (min-praje), v. a. onjuist opvatten; minachten. —ion (-prizj'un), s. verzuim; verheling; missing; minachting. Misproc ► meing (mis-pro•siedleng), s. verkeerde (onregelmatige) handelwijze. Mispro nounce (mis-pro-naauns'(, v. a. & n. verkeerd uitspreken. —nuneiatioa (-nun eji-ee , ',jun), a. verkeerde uitspraak. NtIsproportion (mie-pro-poor'sjun), v.a.onevenredig v erdeel en. Misquot e (mis-kwoot"), v. a. verkeerd ae-nhalen. —ation (-tee'sjun), 8. verkeerde aanhaling. M I srate (rnis-ceet"), v., a. onjuist begrooten. Misreeli al (mis-re-sfirtel), a. onjuist bericht (verhaal). —e (-8ajt'), v. a. onjuist opzeggen, — berichten, verhalen. Misreckon (mis-rek'kn), v. a. misrekenen. Misrela to (mis-re-lost'), v. a. onjuist verhalen. —tion (-lee'sjun), 8. onjuist verhaal. Misreingmber (mis•re-mem'bur), v. a. zich onjuist herinneren. Misreport (mis-re-poort'), a. valsch bericht, — gerucht. v. a. onjuist berichten. Misrepresent (mis-rep-re-zent' ► , v. a. verkeerd vooratellen. —ation (-tee'f-jun), s. verkeerde voorstelling. —er, a. die verkeerd voorstelt, verdraaier. Misrule (mis-roeV), s. mallards, getter, oproer; wanbestuur. Miss (miss), 8,juffrouw,mejuffrouw,bijzit; genic —, v. a. & n. misses; eau misslag begaan; —fire, weigeren (van een geweer). Missal (mis'sel),.. miaboek. Missay (mis- see') [irr], v. a. verkeerd zeggen; v. n. rich verspreken. Iil iseervc (mitr(surv'), v. a. ontrouw dienen. Misshape (arras-sheep'), v. a. misvorrnen. —d,—n (-shee'pn), a. misvormd, misn:aakt. Minaile (rie.:411), a. werpbaar, werp-. —,s. werptuig. Missing (mis'sieng), a. vermist, wag. Mission (misj'un), a. tending; gezantochap.—ary, a. zendeling-; a. zendeling. Missive (miteeiv), a. gezonden, geworpen, send-, warp-. a. zend b def. Misspeak (mis-spiek') [lrr], v. a. siecht uitspreken ; v. n. zich verspreken.
291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.

Wat hash doet Bitcoin gebruik


verlen4ing, rekking. —wise, ad. in de Lettuce (let'tia), e. latuw, clause'. 'Levant (le-vent' ► , a. oostersch. lengte. —y, a. langdradig. a. Levant. er, a. oosten'wind. —ine (-in), a, levauttch a. & a. vertachtend, lenigend (middel). Levee (lev'te), s. (het) opstaan; ochtendbezoek; avondgezelschap. Lena ly (len't-faj), v. a. verzachten, lenigen.—tive, a. & s. Zie Lenient. —ty(-it-tih),s. zachtheid, Level (lev'il), a. gelijk, nick, waterpas, (with); geevenredigd (to). —, s, vlak, waterpas; paslood; zachttinnigheid. rtchtsnoer, maatstaf, pail. —, v. a. gelijk (sick, Lens (ten;), a. lens, tins, kijkglas. Lent ilent'), a. de Va,ten. —sermon, vastenpreek. waterpas) makes; gelijk stellen , (with); richten (at). —, v. n. (at) mlkken, doelen, streven. (with) —en (len'tn), a. van de Vasten. overeen k•men. —ler, a. gelijkmaker. —ling, a. Lent Icctlar(le,tik'joe-ler),—iform(len'ti-form), nivelleeriag. —mess, a. vlak-, effeaheid, gelijkheid. a. linsvormig. —iginous (-tidtri-nus I, a. tsproetig, vlekkik. —igo (-Virgo), s. levervlek,.sproet. —il Lever (li'vur), a. hefboom. (len'tislo, a. mastikboom. Leveret (lev'ur-it), a. haasje. (len'til), s. linte. Len for (len'tor). H. taaiheld, lijmerigheid; traag- 'Leviable (levq-bi), a. hefbaar. Leviathan (lo-vare-then), a. leviathan. heid. —toes, a. teat, lijmerig. Leo (li'o), a. (de) Leeaw. —nine (najn), a. leeuw- Lealga te (lev'i-Beet), v. A. glad — lenig makes; tot poeder w!ijven. —lion (-gee'sjun), a. (het) achtig. gladmaken, Leopard (lep'urd), a. luipaard. —'s-bane, get.;- zenkruid. Levitation (lev-i-tee'sjun), a. verlichting; lichtheid. Leper (lep'ur), 8. meloatsche. —ous, a. melaatsch. Levit e (levajt), s. Leviet, printer. —ice (leCelli/rine (lap'; r-raja), a. haasaehtig. s. schilferachtigheid. vit'ikl), a. levitisch, priesterljjk. —ices (le-vit'Leprosity 11.epr osy (lep'ro-sih), a. iaelaatschheid. —ous, a. 1-kus), a. Leviticus, deeds boek van Motes. nielaatsch, achurftig. —ousness, a. atelaatsch• Levity (lev'tt-tih). a. lichtheid; lichtzinuigheid, waftheld. held, schurftigheid. a. berisping, uitbrander. Levy (lev.ih), a. werving; heffing. -, v. a- lichten. Larry weevers; heffen. — a war, een' oorlog beginners, "Lesion (li'zjun). s. kwetsing, letsel. Lewd (ljoed'), a. —1y, ad. liederlijk, ontuchtig. Less (less), a. kleiner. — ad. minder. --news, ., s. liederlijkheld, ongebondenheid. 'Lessee (les-sie'). e. hutirder, pachter. Lexie al (lekeikl), a. van een woordenboek. Lessen (les'un), v. a. & n. vermindaren. —ographer (-i-kog're-fur), s. woordenboekschrijLesser (less'or), a. kleiner, minder. — Asia, var. —vgraphic (-1-ko-greflk), a. het schrijven A zit. van eon woordenboek betreffend.—ograyhy(-i-kog% Lasses (les'siz), p1. deck, meatstof. re-till), a. het sehrijven van een woordenboek. u. les; voorlezing; berisping. Lessoia —ology (-i-kol'uct-zjih), a. woordenkennis. —on v. a. criderwijten, les geven. (i-kon), s. woordenboek. Lessor (les'sur), s. verpachter, verhuurder. lLeydets.jtar Ilaai'den-dzjaar)„ a. leidscl.e finch. Lest (lest), eon). o.pdat 11'181. Lies ble (layibl), a. onderhevig, blootgesteld, Let (let), s. beletsel, verhindering. onderworpen, (to);verantwoordelijk (for), —bility L et (let) [let], v. a. bates, toelaten; verhuren, te hour. (..e•bil'it-tih), —lioness, a. onderhevigheid (to); verpachten; verleenen. to —, to be verantwoordelijkhetd, verplichting (for). — alone, laten staan; met vrede bates. — blood, aderlaten.—ja/i,strijken. —loose,loslatert ;upon), Liar (laj'ur), a. leugenaar. (down) of-, neerlaten. (in. into) binnen-, inlaten; 'Libation (laj-bee'sjun), a. pleagoffer. inlasschen. (op afschieten (at); laten gaan. (out) Libel (larbil),s, schot-, schimpschrift, aanklacht. —, v. a. in geschrifte belasteren; schriftelijk verhuren; uitTeenen; uttlaten; — to use, op irate- aanklagen. —ler, a. paskwilschrijver. —loss, a. test zetten. —, v. n. zich onthouden. lasterlijk, eerroovend. Ectels (letsj), a. loogkuip. — v. a. doorzijgen. Llbera I (1113"ur-e1), a. —11v, ad. mild (of, met); L ethal (11'thel), a. doodelkjk. vrtj, vrijzinnig; fatsoenlijk; edel, grotmoedig; Lethar gic (le-thaar'dtjik), a. slaaptuchtig. —y vrtjzinnige be—arts, vrtje kunsten. (leth'er-dzjihl, s. alaapziekte; verdooving. ginselen. —lity (-el'it-tih), a. mildhold, fatsortnLetts a (11'thi), a. Lethe (rivier); vargetelheid. lijkheid; grootmoedigheid. —te (-eet), v. a be -ean (le thi'en), a. vergetelheid veroorzakend. vrtjden. —tion(-ee'sjun),8.bevrijding.—tor(-ee-tur), -iferous (le-thit'ur-us), a. doodelijk. a. bevrijder. Letter (let'tur), s. verhuurder. letter; brief. —s, onafgehaalde Elbert In. Ilib'ur-tin), a. losbandig; vtijdenpl. letterkunde, letteren. dead kend; a. lichtmis, vrtjgeest. —iniss,, a. ongebrief. —bag, brievenzak. —balance, brievenweger. bondenheid; vrijdenkerij. —y, a. vrijheid, vrij-box, brtevenbus. —bearer, —carrier, brievenbe• dom; at —, in vrijheid, vrij. efeller. --case, brIeventasch, -doos, letterka -st. —founder, lettergieter. —learned, Loekgeleerd. Libidin 1st (li-bid'i-nist), s. wellusteltng. —ous, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —press, letterdruk. boekgeieerdheid• s. wulpachheid, ontuchtigheld. —prt,ser, brievendekker. —sorter, brievenutt- Libra (kai'bre), a. (de) Weegschaal. —/ (-brel), a. coeker. Letter (leVtur), v. a. met letters trerken. —ed, een pond zwaar. —rian Pbree'ri-en), a. bibliothecaris. —ry, a. boekerij, bibliotheek; circulaa. ,eleiterd, goleerd. —tag, s. (het) merken met leosbibllotheek; -keeper, bibltotheekHop ongelperd. lesg A oe 1P:tor..
384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)

Hoe ga je kopen rimpel op Coinbase


A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling

Hoe koop ik Bitcoins bij een geldautomaat


This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.
ken; verdonkeren; bevestlgen, vaststeken,-zetten; opslaan; apannen; bevloeren, bestraten; werpen, alingeren; regelen, inrichten; bepalen, vaststellen; v. n, vallen, neerstorten, zich neerl aten (on. upon); etch legeren; stamnen (van een snip;. (on. upon) kiezen; vaststellen; zirh bepalen tot, —er, s. pekker, teerder; breekijzer; waterkruik. —ing , a. hot stampen of heien van een aehip. —y, a. pekachtig; bepekt; donkey. Piteous (pit'i-us), a. —ly, ad. jarnmerVijk, erbarmelijk; meewarig. srmzaligheid; meewarigheid. Pith (pith'), e. pit, kern, merg; (hot) beste; kraeht, sterkte; gewicht, belang. — iness, a pittigheid, kernachtigh.eid; kracht. —less, a. eonder merg; krachteloos. —y, a. —ily,, ad. pittig, kernachtig; krachtig. Pin able (pit'i- ibl), a. erbarmelijk, deerniswaardig. —ableness, a. erbarmelijkheid, beklagens waardigheid. —Jul, a. —fully, ad. armzalig, veraehtelijk, nietswaardig; medeiijdend. —fulness, a. armzaligheid, verachtelijkbeid, nietswaardigbeid. —less, a. —lessly, ad. onbarmhartig. —lessness, a. onbarrnhartigheid. Pitance (pielens), a. poetic ., kleine hoeveetheid. —r, a. spijsmeeater (in een lilooster). Pitted (pit'tid), a. met putten of kuilen; pok-
West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.
Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc
Kier, PI. jar. de deur siaat op (non) tem —, the meeeter, schoolruester„ pedagogue. —erkest, children's food. —erlfjkje, dead body of a child. door is n-jar. —erluren, swaddling-elothes. —ereneid, nurse, grirder. —kauteen, to piddle. —kauwer, maid. —ermeisje,nursevy-maid. —erateord, pfd tIee. —Ain, toot-ache. ti ide.—ermoorder,—erntoordster,infauti tide.—erKite hank-, ire. eligible. --baarheid, v. eligibleroute, child 'a cap, biggin. —erpart(i, children 's nests. —votive, —vereeniging, college of electors. party. —erpokjee, —erpokken, —crsiekte, small—gereektigd, Qs...Oiled io vot3. —gerechtigde, —beer, elector. —yacht, right of electing. —stelae, pox. —erpop, doll. —ereckoen, child 5 .1 shoe; de —en uittrekken, to let off one 's boyisch tricks, elective system. —ver gado kg, elective meeting. to sow 0116'3 wild oat., to be past the spoon. —wet, elective law. ho. & boo delicate (-ly); nice, difficult, —ersehool, infant-school. —erepeeigoed. toys.-er'ape', ape', child 'a play; joke. —ereprooke, nurseryparticular. —deid, V. delicacy; nicety. len w.. v. gill. tale, tole of a tub. —er-steel, child 's chair. —ertool, children 'a language. —ertoon, tone fit for Kievat, sn. pewet, lap-wing. —sei, pewet 's egg; children —ert,raag, childish question. —ereriend, fritiliary. K'raz 1 , e. gravel, flint-stone, silex. friend of children. —erwagen, child's cart. —erKiezeen, ov. w. to choose; to select; to elect. zee werk, child's work; trifles, nonsense. —erteerkje, book for children. —sheen, van — aan, from one's —, to put to ilea. infancy, — childhood. —egedeelte, childs 'a, porKiezeretereklkoer, xn. tooth•drawer. Kiezere, or chooser, elector. tion. —skins% grandchild. Kit, o: tan (that has been used). Kindloirotehtiet, bv. & hvr. childish (-Iy). —aclatigKW, v. contention, strife. buiten —, undeniably, held, v. childiehneem. —en, o. me. children; — kriigen, to get children, to be in the familyinthsputebly. quarre,leomenees. be. quarrelsome. --aehtigkei d v. quarrelaonieness. way. —en, on. w. to bring forth children. by, infantile, filial, childlike; hw. filially, like —ster, v. wrangler, brawler. a child. —/Okeid, v, simplicity, innocence. —loot, m look, peep. to —, for show. —en, or. & be. childless. —loosheid., v. chiidleremess. on. look, to see, to behold; op near to look ashamed, to be balked. —dap,show-eay. Kindjte. o. infant, babe, baby,little one. —gat, peep-hole. —gins, spying-glees, eye-glass. Kirseisch, be. childish; doting. —held, v. childhood: ,second childhood, dotage. —toren., watch-tower. —sit, look-out, peep-hole. er, m. looker-on, spectator; eye; spy-Ones, Kisedsheiti. v. childhood, infancy. Kink..., v. quinine. telescope. KW, e.g.. v. wrangling, squabbling. —en, on. w. Kink, v. twist, twirl, kink. er in eene — in den kabel„ there io a lion in the way, there is someto quarrel, to wrangle, to squabble, to brawl. thing wrong. —how, chin cough, hoopiug-cough. —er, rn. wrangler, sqeabbler, heawler. —erij, —bourn, —horen, cornot. KlUivisge. m. clown, bumpkin. —aehtig,bv. clown• Kik, m. eetind. — ken., ov. & on. w. to mutter; kj loh. lubberly. durft niet to — en, he dates not open his mouth. KInken, on. w. in peg. --bet, tn. Zie KikvoreeclO, in frog. — gerwel,ranula.—ebii, frog Kinlectio2a, v. jaw-hens; ebeek; chops. —.lag, slap in the face. —sham, hog's chops. —ken, a. hind leg of a, frog. —enrehot, spawn (fry) of frogs. Zie Kieletteibrsk. Kti , v. channel. Kill, v. chili. —., Ire. chilly. —heid, v. chilliness. Kieeseetje, o. little chin; firkin. —len, on. w. to be chilled, to tingle, to smart Kip. v. hen, fowl; notch; hoop, roll; biggin; snare. with cold; to shiver, to keep the sails Alive, to 1k het je, there I have you. —peteret, hen 'e fly loose to the wind. —lip, be. chilly. —ligheid, cheat. —pekuur, whim, freak. —petrel, ktligen v. chtllinees, —ling, v. tingling. van, to shudder at. —penhok, hen-coop, hen-house. Kin), v. chiral, (eon ern tub), border, brim; bent —pen, ay. w. to hatch; to catch, to ensnare, to otthe horizon. of the prow; horizon. —dui/rine nick out. —gangen. floor liend•planks. —target, thiar-heads' Kipp-elite gvutten.v. mv . —kost.v. groats, grit. Kireplig, be. short-sighted, purblind. —heid, v. thick stuff. —2neloos, bv. witkoat a horizon, short-sightedness, purbiliadness. Kin, -e. chin. Aetfinp, curb. We in, v. (jesait'a-} bark. —ba,t. Peruvian bark. Kieewei, o. hatched brood. —drank, bark-potion, china potion. --poeier, Kirerete, on. wn to coo; to moan. wenn ov. w. to provoke,to incite. pulverized china. Kind, o. child; Infant. —erbal, children's ball. Kist:, v. chest, box, trunk; coffin. —entnaker, trunkmaker; coffin-maker. — en, Oe. W. to lock (to put) —ertr,en, child-hearing. —erbed, child 'a bed; up in a cheat; to lay in the coffin, to coffin. child-bed. —erbel, coral. —erteut, floggr.—erbier„ —ing, v. coffining; coffer-dam. gossiping. —erbijbel, bible for children. —die!. kidnapper. —erdiererij, kidnapping. —erdokter, KU, v. tankard, jug; brothel, bawdy-house. ---fehroer, pot-companione rake. baptism of infants. children 'a phyeiciaa. —ertloop. —ercek, one that is fond of children, dotard upon Kite, v. ketch. children. —erporang, —erlied. children 's song. Ii“sou,ov.& on. w. to strike firs; tie Konen. —ergoed, child •bed-lluen; toys. —e.jaren, child- Kittoltisr, ne. tickler; clitoris. —aehtig, bv. tickhood. —erjurk, child 's gown. —err:outer, n areery. lisb. —en, ov. w. to tickle; to flatter. —oorig, —erkiap —erprotat, chadish talk. —erkoning, ethumorsome, touchy, ticklish. —oorighetd,taucht-
sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17 

Waar kunt u kopen Bitcoins


Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.
klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-

Wat is beter Blockchain of CoinBase


PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.

Hoeveel was Bitcoin 2009


Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt

Wat zal Bitcoin de moeite waard zijn in 2020


Tynapase (tim'pen), a. trornme1; trommelvliea; timpaan; paneel. —tat, v. paukalager. (-40, v. a. opapannen; v. n. trammels'''. —um, C. trammainline. —y, a. trovamelzucht. Type (tajp'), a. zinnebeeld; voorbeeld, model; atempel; denkletter. —fonndinv, het lattergieten. —meta, a. letterspijs. -Matta. Typh non (taj-foenn, a. typhon (orkaan). —us (taftus), a. typhue (zeauwkourta). Typi a (tip'ik), —cal, a. —catty, ad. voorbeeldend; zinnebeeldig, liguurlijk. —camera, a. (het) voorbeeldende; ztnuebeeldige. —fy (.1.taj), v. a. nunneheeldig vooratellen. Typograph er (taj-porre-fur), a. boakdrukker. —ic, —ical„ a. —lenity, ad. (tip-o-grel'ik-), van de boekdrukkunst; druk-; zinnebealdig. —y, a. Tyrratatt is (taj-ren'nikh —ical, a. ad, despotiach, tiranniach, gewelddadig. (-INajd), a. ttranuenmoord; -moorder. --ice (sleet, najz)„ v. n. ate titan heersehen —y (tir'ennth), a. dwingelandij, gaweidanaoj. Tyr neat (tarrent), a. dwingeland, gaweldenaar. Oran. —a., a. beginner. uteuweling. Tythe (tajth), a. Zia Tltha.
Litecoin was released via an open-source client on GitHub on October 7, 2011 by Charlie Lee, a Google employee and former Engineering Director at Coinbase.[2][3] The Litecoin network went live on October 13, 2011. It was a fork of the Bitcoin Core client, differing primarily by having a decreased block generation time (2.5 minutes), increased maximum number of coins, different hashing algorithm (scrypt, instead of SHA-256), and a slightly modified GUI.
verbetermiddel. Impost (im-poost), a. belasling, impost. Improvidon ce (im-prov'i-dens), a. gebrek aan Imposthank ate (im-post'joe-meet), v. a. ewe- voorzorg. —t, a. —tly, ad. zorgeloos (of). ran veroorsaken; v. n. zweren, etteren. —ation Improvise te (im-provl-seet), v. a. 84 n, year s. zwering, oftering. —e (-joerr)), de valet voordragen. —tion (-eee'sjun), s. voora„ zweer, otter; v. n. zweren. draeht voor de valet. •aptist or (tin -post'e r), s. bedrieger. —are (-jeer), Impruden ce (im'proe-dens), a. onvoorzichtig14. bedrog. held. —t, a. —tly, ad. onvoorzichtig. Pmpotco cc. (1111 1 1)o-tens). —cy. a. onvermogen, Impud ence (iirepjoe-dens), a. onbeaehaamdheid. zwakhtid. a. ---tly, ad. onvernaogend, zwak. —ent, a. —ently, ad. onbesehaamd. —icily ( - die' Impound (im-paaund'), v. a. schutten, opslui- s. onkuiechheid. ten. Impugn (im-en'), v. a. bestrOden, aanvallen. pp overish (im-pov'ur-isj), v. a. verarmen. litae' p —er, a. bestruder, aanvaller. —meat, a verarming, Impulse (im'puls), s. Zie Impulsion. lmpractlea ble (im-prek'ti-kibl), a. ondoen- Inipuls ion (im-pul'sjun), a. aandrijving, aan-

op het ape( setten. —, v. a. verwedden; v. n. wedden. Wages (wee'dzjiz), a. pl. loon, hunr. Waggery (weg'gur-ib,), s. snake rtj. Waggish (veg'xi-j), a. --ly, ad. sehalkeebtig. —neat, a. echalkachtigheld. Waggle 'weg'gl), v. a. & n. (doen) waggelen. verwikken. Wagon (weg'un), rt. wagen, vrachtwagen. —age, a. voerloou. —er, a. veerman, vraohtrijder; eonducts!' r. Waif (reef), a. onbeheard goad. Wail (reel'), a. jammer-, weekiacht. —, v. a. & n. jammeren weeklagen (over). —ful, a. jamme • rend, droevig. —ing, a. weeklacht. Wain (wean'), a. wagen. Charles's —, de groote Beer. —house, tvagenaehuur. —load, wagenvracht. —rope, wagentouw. —age, a. wagenvracht. Wainscot (ween'skut), a. wagenachot, lambrinearing. —, v. a. (met wegenechot) beklseden, betingelen. —ing, a. wagenschot. Weir (weer), a. etuk timmerhout (6 void lang en 1 voet breed). Waist (weefttl, a. middels midi tidek, kill, —band. broekaband. —cloth, achanakieed. —coat (wee'. knt), a. vest. —rail, rahout. —skirt, halfhemdje. —era (-art), pl. kutigalten.
Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar
Ib (lb), f. voor Ireland (ajelead), g. Ierland. Iberia (aj-bi'ri-e), g. lberie. Iris (arils), my. Iris. Icarus (iMe-rus) my. Icarus. Irish (WHO), IeraCh; 1. the —, de lerea. —man, Iceland (ajanend), g. --er, i.IJslander. Isr, —io (-lend'ik), a. Ihlandsch. Irving (ur' vieng), no Irving. Ida (arde),w. Isaac (arzek)., m. Ignatius (ig-nee'sji•us), an. Ignatius. Isabel (1zIe-bel), —La(- w. Isabella. ad (11'1•ed), —eel. the da Isaiah (aj-zeele),m. Jezaja. Illinois (11-.1-nor), g. Illinois. IsIdore(is'i.donr), m. laidoris. Illyria I g. Illyrie. Isis (ar,:is), my. Isis. Indi a (in'dl•e), g. I n ce. — a, a. /ndisch: I, In- Israel (iz'ra-el), h. brn61 —ite Isrse,iet. deer. —axe (• en's), 1g. Indiana. —es (in'diz), g. Issachar (is'se-kur), Issatchar. the —, de Indieu. letria (iaa'tri-s), g. Istrie. (ing'gri-e), g. Ingermnnland. Ital i(i-tel'j.n), a. Itallasnach; i. Italians, —y Ionia (aj-o'ni-e), g. Ionie. --n, a lonisch; (it'e-lib), g. Italie. Louie r. Ithaca (tth'ik•e), g. Ithaka. Iowa (a)'o-we), g. Jews. Ivanhoe (arvn-ho),l, Ivsnhoe.
Ellernift cone-nee era, ay. iv. to renu mtpr i to number melting. again —fag, v. renumbering. illerisnaer en, ov. w. to smear (to grace, to ilr.vrou,i, tan, ov. w. to reopen. —kg, v, re- blacken) egain, — anew. — ing, 7. scrizarilg o 1ieuta4;•. (aresaine, blackening) again. atiroreever rear, on. reconeuerer. —en, or, W. to ileeepeldien, ov. we to pin again. IlitrepePen, ov. w. to ploy over again. eeeongeee, — lag, v. reco,que,t• gliererbeht Cat, err. w. to for. (to hire, t0 rent) laseeepeiticat, 07. W. to spell over again. again. — jag, a. 'Owning (hiring) again ; renerol illerspeten, or. w. to spit over again. 23,,,philtvo, 07. 7V. to dig over again. vi a leave. Uersegeal k 10, 0 , . W. to pack 07, aga‘n. —tag.. lii,..fot..,k,s, rev. w. to prick (to eting) again. e plcicng over 111;0, 111,E"liii el, 0.3(enrerY; restoratiom; remedy, redresS. 03er;,...irein, on. W. to eblipi9 again. —bear, bv. reparable, reatorable, retrievable; alierteateeeo, ov. w. to lay (over) again. curable. --lea. cm . w. to replace; to ree,tablisii; Ilierpeell era, ov. W. 1,0 gauge (to eoend) ago.n.,1 tm repair, to restore, to retrieve; on. w. to re —lag, v. gaagiee (fa-reeding , egain. I co , er. --tee-, I, resto er. —ling, v. replacing;
In August 2019, Coinbase announced that it was targeted by a sophisticated hacking attack attempt in mid-June. This reported attack used spear-phishing and social engineering tactics (including sending fake e-mails from compromised email accounts and created a landing page at the University of Cambridge) and two Firefox browser zero-day vulnerabilities. One of the Firefox vulnerabilities could allow an attacker to escalate privileges from JavaScript on a browser page (CVE-2019–11707) and the second one could allow the attacker to escape the browser sandbox and execute code on the host computer (CVE-2019–11708). Coinbase's security team detected and blocked the attack, the network was not compromised, and no cryptocurrency was stolen.[39][40][41]
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.


'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.
pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,

cryptogeld yahoo finance


Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
Gerommall, r. rumbling. Geronk, a, snoring. Gerontnen, be. curdled, clotted. — Used. clotted blood, gore. too gswonnen coo —, Ill gotten, ill spent; lightly come, lightly gone. G tiros. a. bustle of carriages. Gerst, v. barley. —akker, barley-field. — 000f, barley harvest. —ebier, beer brewed of barley. —ebrij, burley-porridge. —ebrood, barley bread. —edrank, —enat, —ewater, barley water. —sport, barley groats. —ekoek, barley-cake. —ekorrel, barley-corn. —emeel, barley meal. —ear.), barleyetraw, Geetteht, o. report, tumor; noise; tome, reputation. tog retort, in een geed (kwaad) — staan, to have a good (bad) reputation. er 1COpt een — , It Is reported, a rumor is abroad. G *ruin', be. long, considerable. (ieretteele, o. purling, murmur, rushing, roaring Ivan een stroorn); widening (von den wind ; rustling (can bladere.); tingling ((se de sores). Geruit, be. checkered, squared, (ierust, be. & bw. quiet (-1y), cairn (-1y), tranquil (.1y), easy (-11ye secure (-1y). —stellen, to set at ease, to pacify. —stelleed„ tranquillizing. —*telling, tranquillization. —heid, v. quietness, qui• etude, caltnners, tranquillity, ease, security. Germ!, v. yarrow, miltoil. Gesanantek, o. loitering, lingering. linear, o. taunting, plovoking. Gestbattycl, be. notched. Gestitacher, o. chaffering, chaffery. Gerithakeerd, a. checkered, varigated. G racked, o, sound, shouting. Geasehapen, be created. stead — *Nan, to be in a deplorable (pitiful) condition. —held, a. state, situation, condition. G esebarre I, a. scratching, sprawling, shuffling. Gesthater, o. burst (peel) of laughter. eecliet, oorInging. esei. en,er, o. glimrrbring. twilight. Gesettenk, o. present, gift, donation. ten —e, as a pre,ent. Geatheron, o. fencing. Grasekeritautgel, n. skirmishing, skirmish. Geseherts, o. joking.jeeting. efeeschetter, re, sound, iloerieh. Gescheurct , be. torn, rent, ragged; burst, created. —heid, v. raggedness, barstennese. G eschleal b oak, o. —rol,history,records i annals. —kande, history; historical keowledg —kundig, by, histories!, well-read in history; bw. Wet°, —kundie,e, historian. —schrijver., histories, historiographee. —en, on. W. to happen, to take place, to occur, to come to pass, to befall. —eats, v. history. Gesehlkt, be. & bw. fit (-11y), proper (-1y), apt (for), suiteble (-bly),adapted (for); orderly,nsodest, well-behaved. —heid, v. fitness, aptness, suitableness; modesty, sedateness. Gooch'', o. difference, dispute. —punt, point of difference, point in question. o. scoffing, abusing, gibe. Geschlt ter, o. glittering, flashing. G aschok, e. shaking, jolting. Geschonamel,o, swinging; bustle, jumbling.

Wie gehackt Bitcoin


a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,
Befoul (be-foeP), v. a. begotten. Belluine (bel'ljoe ajn), a. beestachtig. Before (be-Poor'), ad. to voren, vroeger; prp. voor, Belly (belnih), s. bulk; v. n. awellen. —ache, buikpijn. —band, buikriem. —bound, hardlijvig. eer. —hand, ad. van to voren, vooruit. —time, ad. voorheen. —friend, smulbroer. —ful, a. bekomat. —god, Befoul (be-Paul'), v. d. bevuilen. buikdienaar. —pinched, uitgehongerd. —timber, Befriend (be-fren(P), v. a. begunstigen. vaste spijs. —roll, rolblok. —worm buikworm. Befringe (be-frindzr), v. IL met franje versieren. Belong (be-long'), v. n. (to) toebehooren, beBeg (beg), v. a. verzoeken, vragen, (for, om. of, treffen. van). —, v. n. bedelen. Beloved (be-luvd'), a. bemind, geliefd. Beget (be- get') [beg ot • begotten'], v. a. telen; voort- Below (be-lo'), ad. beneden; prp. onder, beneden. brengen; baren. —ter, 8. teler. Belawagger (bersweg-gur), a. ancever; zedeBeggar Ibeg'ger), a. bedelaar., — v. a. tot den loos mensch. bedelstaf brengen. —/inese, s. berooidheid. —/y, Belt (belt), a. gordel, —, v. a. omgorden. a. & ad. armoedig. —y, s. bedelarij, armoede. Bemire (be-maje), v. a. beslijken. Begin (be-gin') [began. begun], v. a. & n. ann. Bemoan (be-moon'), v. a. beweenen. vangen, beginnen. —ner, a. aanvanger, leerling; Hemlock (be-mok'(, v. a. beapotten. stichter. —ning, a. begin. —ninget, a. eerate be- Bemourn (be-moorn'), v. a. betreuren. ginselen. Bench (bentsj), e. bank, rechtbank. —er, a. bijB egird (be-gurd') [begirt], v. a. omgorden; om!Bitter, rechter. ringen. Bend (bend), s. bocht, kromte; kniehout. Begnaw (be-nao'), v. a. beknabbelen. Ilend (bend) [bent], v. a. butgen, krommen, spanBegone (be-gon'), int. go weg! ga heen! nen; v. n. buigen; overhellen. —(against) zich Begrease (bc-griez"), v. a. besmeren. wapenen tegen. (on. upon) richt. op. (to) riohten B egrime (be-grajm'), v. a. bemorsen. near; zi.eh onderwerpen aan. to be bent upon, Begrudge (be-grudzy), v. a. misgunnen. genegen zijn tot. —able, a. buigtaam. —er, a. Beguile (be-gajl"), v, a. foppen, bedriegen. spanner, burger; grail. Behalf (be-haaf'), a. baat, voordeel. in my —, Bendlet (bendlit), s. kleine dwarabalk. to mijnen behoeve. Beneaped (be-niept'), a. ate den grand. Behav a (be-heev'), v. a. gedragen; v. n. zich Beneath (be-nietfa'), ad. beneden; prp. onder, gedragen. —ior Hurl, a. gedrag.
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
(at) bespotten, beechimpen. -er, a. spotter, beSeen a (siert' ) a. tooneel; seherm ; -shifter, machiniat (in een' schonveburg). -ery sehimper. -ingIg, ad. spottend. (-ur-th). a. vertooning, voorstelling; tooneeltne• Scold asizoold'e. a. helleveeg. -, v. a. bekijven; kijver; bekijate!; schikking van een tooneeletuk; tafereet;' v. n. kijven; (at) bekilven. -er, -ical (men'ik..), a. tooneelH var. -ing, a. gekijf; bekijving. -ing, a, ingly, landachaP• theatraal.ad. kijvend, knorrend. Scettogeoph Ica?. (sen-o-grerikl), a. -ically, 1 Scollop kakollup), a. Zie Scallop. ad. doorzichtkundig. -y (se-noe're-fib), a. door- Scolopendra (akol-o-pen'dre), ta. duizendpoot, keldermot; steenvaren. zleht toads. Scent (sent'), a. reek, geur; spoor. - bottle, rank- Scomber (ekorn'bur), a. makreel. tlesch. -box, reukdoos. - v. a. rotten; met Sconce (akone), s. armkandelaar; vaste plank; geur vervullen. --jut, a. eterk riekend. -less, a. hootd, top; geldboete; shoos, bolwerk. -, v. a. reukeloos. beboeten. Sceptic (eltep'tik), s. tvvijtelaer. -, -al, v.-ally, Scoop (skoep'). a. schopje; echepper, hoosvat; spate!; streek, veeg. -net, achrobnet. -wheel, ad. twijfelzuchtlg. -ism.(-ti-sism),s.twijfelzucht. seheprad. -. v. a. ulthoozen; uitheflen. -et*, a. Sceestre ;sep'tur), a. echepter, rijicestaf. -, v. a. van een' .chept, voorvien. a. den schepter uithoozer; uitholler; kromsnevel, kruisvogel. Scope (skoup), s. oogmerk, doe!; ruimte, pleats: voerend. vrtheid. Schedule (skerjoel, aed'joel), a. ceAl, Wet. Schen.) allot lekierr."e-tint). a. ontwerper. -e, Scope (skopa), a. kleine a. ontwerp, schets, -, v. a. ontwerpen. be Scopulous (skoploe-lue), a. rotaig, klippig. rumen; v. n. plannen maken. -er, a. ontwerper, Scorbutic (skur-bjoe'xik), - at, a. aan acheurbuik iijdend. plannenneaker. Scorch (eltortej), v. a. & n. schroeien, verzengen. Schism (elm), a, scheuring. Schismatic (stz-nret'ilt), s. echeurmaker. --, al, Scordlum (skor'di-um), a. mandericruid. Score (spoor'), a. keep, kerf; streep; rekening; a. scheurmakend. Scholar (skoCer), a. scholier; leerliog; gelcerde, achuld; oorzaak, grond; twintigtal; partituur. -, v. a. met capon opmerken; op rekening zetten; opKeletterde. -ship, a. ge!eerdheid; studentenieven. teekenen; op noten zetten; lout) nitdoen, uttvegen. S choi oat (sko- les'tik), a. act. ool eeleerde. -a/. a. -ally, ad. echoolsch, wean•ijs. Scorl a (sko'ri-e), a. metaalscbuim. -fy (-faj), Scholl not (ekoni.est), a, achrilver van aantee- v. a. in echuim verenderen. -one, a. ischuhnig, keniegen. -astic I-eet'ik), a. verklareod, uttleg- elak!tig. ri.uitlegging,aanteekening. Scorn (akorn') a. minach.1ng, versmading; spot. Bend. -on (-au,. School (akoel'). s. school. -boy, schooljongen. -, v. a. m!nachten, veremaden; hoonen. --er. a. -dame,-in(stress,achoolmeesteres.-day,school- minachter, versmader; spotter. -fat, a. -fatly. deg. --fellow) vehoolm'kker. srhoolmeisje. ad . minachtend.; hoonend. -house, echoolgebouw. -man, schoolgeleerde. Scorpion (ekor'pl-un), a. schorpioen; geese!. -fly. schorpioenvlieg. -grass, sehorpioenkruid, -master, ecnoolmeester. schoolgeld. - piece, versterd vet papier voor verjaarwennaten. muizenoor. -spider, -tick, echorpioenapin. s•thorn, seitorpioenstaart (plant). -'s-tail, -taught, school-, -,v .a.onderwijiem;btstraffen. -wort, schorpioenkruid. - inter a. tict.00! ondererijs; ecboolgeld; bestrafling. Scorzonera (skor-zo-nrrel, a. achoraeneer. Schooner (skoetfur), a. schoener, schooner. Sciatic (s ,, j•et'lk). - at, a. van he hoop; heap-; Scot (shot'), a. beta?ing; echatting. -and lot. echot en lot. -free, schotvri,j; ongeetraft. door neupiicht gekweld. -a (-i-he),s. haupjicht. Scotch (skater), a. keep, kerf. -collops, Science (earene., s. wetenschap; kennis. lapjes. -hoppers, p1. hinkapel. -, v. a. vastestSOetet Clic (. 41-en-tirilo, -at, a. -ally, ad. we- teesc h a ppelejk. ten can wiel); inkepen, leerven. Seoter (eke'tur), a. mane void. Scimitar isim`i-ter), a. alegzwaard, houwer. ScintIlla nt;sin'til-lent),a.vonkeiend..--te(-!set), Scotia (ako'eji el, a. verdieping, grcier, v. a. vonkelen. -t-ion (lee'sjun), a. vonkeling. Scotomy (nkot'um-mih), a. dulzeling. s Sclol lean (sarul - i.m), a. halfgeleerdheid. -iet Scoundrel (skaaun'dril), a. schurkachtig. ( - ist), a. halfgelcerde. -ous, a.halfgeleerd. schurk, Celt. Scour (alcaur'), v. a. schuren, schoonwrijven; Scion (FEW.). a.. entrijs. zuiveren (of); doorkruisen, -vliegen; v. n. eche, Seireh oeity (ekir.roalt, tih), a. kliereerharding. --one (ekterus), a.. verbard. -us (ekterne), a. ran; purgeeren- (about) rondzwerven; (away off) etch wegpakken. -er, s. achourder, reiniger; verharde klier. Sciss el ieta'4),, a. knipsel.aftmgds,31. -ile (-nil), landlooper; purgeertniddel. A. snoowboar, klcotbaar. --ion (siarura), e, spou- Scourge (ekurdr.f), P. goese/.; plaftg; kastijding. --, v. a. geeeelen; kastijden. -r, a. geeeelaar; wing, klooving. -ore ;atz'zerz), p1. schaer; a pair Raatilder. • -, eene achaar. -are (tsiz'joer). a. a,aeur, npleet. ScU,rotic (skle-retlk), a. hard. -tunicle, ho. Scouring (eke te'rieng). a het orhuren; reiniging, zuivering; afgang. -drops, vlekwater. -paper, renvlies. a. verhardend mtddel. echnurpapier. -sand, schuorzand. --tub, retvat. Scoot ('hoot), a, a. vaatzetten (een wiel). Scot.; (skob2), a, pl. acbrapcel, vifleel; meteal- Scoot (about), a. verepieder. spion. -, v. a. tiltjouwen, bespotten; met veraekting verwerpen; v. n. verspieden, verkennen. Scoff' (8tOff'1, 3. spot, heeehimping. -, v. a. &n,
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.
I have not been using Coinbase long but I have used it long enough to feel like I’m getting burned. I am using Coinbase as, what I call, a pass through as in the end, I am purchasing crypto that is not supported by Coinbase with the BTC I purchase through Coinbase. While the app itself is great as it is easy to navigate the process of withdrawing funds is not so great. I purchased BTC with the intent of withdrawing to purchase another crypto. A week and several emails later my BTC has not yet been released for withdraw. Prior to this transaction I had done several others successfully with no issues, now, for no reason whatsoever my funds are pended for “further research”. I am a patient person but as I’m sitting here waiting the BTC value is falling and the cost of the crypto I am looking to purchase is rising which means at this point I have missed out on a few hundred dollars of profit all because Coinbase won’t release my funds. I am giving only 1 star because (1) communication with Customer Service has not been great as I am still sitting here clueless on what’s going on and (2) I’ve missed out on significant profit and have no idea why or have any sense of comfort that this won’t be an ongoing issue
Misfortune (mis-for'tjoen), a. ongeluk. Niggly e (rnis-giv") [ire.], v. a. met twijfel (arg11.118.11, bezorgdheid) vervullen. —tag, 8. twijfel, bezorgdheid; roorg8voel. Misgotten (mia-got'tn), a. onrechtvaardig vie' kregen. Misgovern (mis - guv'urn), v. a. slecht besturen. —ed (-urnd), a. ruw, nnbeschaafd. —ment, a. wanbestuur; waugedrag. Misgraft (mis-graaft'1, v. a. verkeerd eaten. Mlsgrouud (rnis-graaund'), v. a. verkeerd (ten onrechte) gronden. Misguld e (mis-gajd') v. a. verkeerd leiden. —acre, s. verkeerde leiding; richting. Mishap (mishap'), s. ongeval, ongeluk. Mishear (mis-hier'), v. n. gebrekkig hooren. Itiiiohmash (misrmesj), s. mengelmoes. Misi ► prove (mis-im-proev'), v. a. misbruiken. — meat, a. verkeerd gebruik. MIsinfer (mis-in-fur`), v. a. ten onrechte afleiden. Misinform (mis-in -form'), v. a. verkeerd ten. —ation (-fur-lnee'sjun), a. °ululate inlichting; valsch beric-bt. Mistnstruct (mis-in-strukt'), v. a. verkeerd onderrichten. —ion (-struk'sjun), a. verkeerd onderricht. Misintelligence (mis-in-tel'ii-dzjens), a. mi.verstand; valsch bericht. Misinterpret Imie-in-tur'prit), v. a. verkeerd saltleggen. — ation (•ee'sjun), s. verkeerde tick legging. MIK; oin (mix -clzj oin'),v. a. verkeerd aaneen voegen. Misjudge (mts-tizjudzji, v. a. verkeerd -oeoordeelen. v. n. onjuist oordcelen. Miskin (miekin), s. kieine zakpijp. Miskindie (mis-kajn'd1), v. a. opruien. Mislay (min-lee') Lirr.], v. a. verleggen. Mislead (ants-lied') [yr.], v. a. Intaleiden; verleiden. —er, a. misleider; verleider. Mislike (mis-lajk'), a. afkeuring; efkeer. v. a. & n. atkeerig zijn van; mishagen. Misltve (mia-livi, v. n. slecht Leven. Misluck (mis-luk 1 ), s. ongeluk. Mismanage (mis-men'idzj), v. a. siecht besturen. —meat, 8. slecht bestuur. (mis-maark'), v. a. verkeerd merken. Mismatch (mis-meesj'), v. a, verkeerd pares. Ilillaymeasu (mia-mezroer, -ur), v. a. onjuist Met.. itliS1► .111MIC
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

cryptogeld voor beginners

×