Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Wat is het verschil tussen Blockchain en cryptogeld


diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.

Hoe begin ik met cryptogeld uitwisseling


kruis of must. hand over —, onbedaehtelijk. —ache, hoofdpijn. —band, hoofdband, strijklint. —board, hoofdplank. —borough, sehout. —chases, jagere. § —cheese, hoofdkatia, ztkl.t. —cringles, no2Aleuvers. —dress, k.apsel. —gargle, zekere veeziekte. —gear, hoefdtooisel. —land, voorgebergte, kaap. —landlord, opperleenheer. —lines, rabanden. —long, a. steil; onbezonnen; ad. oribesuisd; eensklaps; halt over kop. —man, hot:Inman, lei • der. —money, hoofde'eld. —piece,bodem (van een vat; kopriem; titelplaat; helm, stormhoed; veratand, kop. —quarters, hoofdkwartier. —roll, valhoed; hoofdwrong. —rope, ra-, bovenlijk. voorzeilen. —sea, stampzee.—sman,seherprechter. —stall, hoofdetel. —stone, hoeksteen. —strong. 1,0 1) 1, 4. —way, vaart, gang. —wind, tegenwind —workman voorman. Head (heti:), v. a. voorgaan, aanvoeren leiden ; bodemen; punten; met een' kop voorzien, kappen, toppen ; onthoofden. —er, a. hoeksteen ; speldeknopmaker. —ily, ad. driftig, onbezonnen; koppig. —mess, a. onbezonnenheid, halsstarrig. held. —less, a. hoofdelous; onberaden; ongegrond. •—most, a. voorate. —ship, a. eerste plaats; aanales. —y, a. snel. ohstuimig; hoofdig, koppig. Heal (hiel'), v. a. & n. heeler), genezen (up).—able, a. heelbear. —er, a. heeler. —ing, a. eenezend; verzaehtend, lenigend. Health (helth') s. gezondheid, welstanal. —ful, 11, —fully, ad. gezond; heilzaam. —fulness, —inees, a. gezondheid. —less, a. ongezond. —y, a. gezond. Ream (hiem), s. nageboorte. Heap (hiep'), a. hoop, stapel. —, v. a. ophoopen, opstapelen (up). —er, a. ophooper. —y, a. vol hoopen; bij hogpen. Hear (hieel [heard (hard ► ], v. a. & n. hooren, luisteren; verhooren. —er, a. hoarder. —ing, gehoor; verhoor; dull (hard) of —, hardhoorend. Hearken (haar'kn), v. a, & n. aanhooren; luisteren. —er, a. hoorder, luiateraar. Hearsay (hier'see). a. hooren-zeggen. Hearse (hurls), a. lijkkoets, doodbaar. —, v. a. in de liikkoets plaataen. Heart (haartl, a. hart, gemoed; zin; moed; binnenste, kern; kracht; etagblok. by —. van buiten. for my seer gaarne. out of —, moedeloos, to take—, mired ackeppen. —ache, hartzeer.—blood, hartebloed, (het) levee. —break , zielesmart. —breaking, a. hr.rtverseheurend. —broken, a. met een gebroken hart. —burn, maagzuur. —burned, a. van liefde blakend. —burning, maagzuur; wrevel, wreck. —dear, hartelijk geliefd. —ease, gemoedsrust. —easing, a. geruetstellend. —felt, diep gevoeld, innig. —grief. harteleed. —hardened, verstokt. —rending, a. hartverseheurend. driekleurig viooltje. —sick, zielakrank. —sore, hartzeer. —string, bartzenuw. —struck, ontsteld; getroffen. —whole, nog niet verlf.efd; onverzwakt. Heart en (haar'tn), v. a. bemoedigen, opwekken; bemeaten. —ening, a. versterkend, —ity, ad. har—iness, s. bartelijkheid; opreehtheid. —less, t a. lafhartig; gevoellooa. —leanest, a. lafhartigheld; orgevoeligheid. —y, a. hartelijk; oprecht1 gezond; hartig; duurzaam. dent (hiet'), a. hitte; drift, vnur; loop, ren.
—, v. a. & n. lovers, Hymn (him'), s. lofzingen. —ic (-nik), a. lofzangen betretTend. Ilyp (hip), s. zwaftrinoedigheid. --. v. a. zwaarmoedig maken. Hyper bolo (hai-pur'bo-le), s.hyperbool. —bole. (-1111), a. overdrijving. —bolie,—bolieal. a. —Wisely, ad. (-per•bol'llt-). overdraven, overdrkjvend, —bolize (-lajz). v. a. overdrijven; v. a. bij vergrooting apreken. —borean (-per-bo'ri-en), a. van het hooge Noorden; streng koud . —critic (-per-krit'ik). a. streng km,strechter, letterzifter. —critic, —ethical (-per-kriVik-), a. overdreven atreng, bedilzuchtig, Hyphen (haffin), s.. koppelteeken. Hypnotic (hip-not'ik), s. slaapmiddel. Hypochondria (hip-o-kou'dri•e), a. miltzucht, zwaarmoedigheid, hypochondria. —c, —cal (-dray'. a. miltzuchtig, zwasrmoedig. a. huichelarij, ge• ilypascri sy veinsdheid. —te (hip'o-krit), a. huiehel Aar, sebtinheilige. —tic, —tical. a. —tically, ad, (hiphuiehelachtig, schijnbeilie. Ilyposta sis (haj-pmete-sis), s. zelfstandig wezen, persoonlijkheid; nrine , bezinkmel. —tecal (•1,0-qteVikl), R. wezenlijk, persoonlijk. iiypothe cute (haj-pottei-keet), v. a. verpanden. —cation ( kee'sjun), a, verpanding. — sic, a- voorouderstelling, stelling. —tic, —gee, a. —tically, ad. (-po-thet'ik-), vooronderstellend. Hyssop (hiz'zup), a. hijaop. Hysteric (his-ter'ik), — al, a. van de moederkwaal; met zenuwthevallen beh,bt. —8, pl. moederkwaal; zenuwtoevallen. Ilysterotomy (hia - te-roeuni - mth)„ a. keizersuede.
Engross (en-groos'), v. a, opkoopea; zich canmatigen, zich meester maken van; verd;kken; in 't net echrijeen. —er, a. opkooper, inpalmer; grossenschrijver —ment, a. opkooping. inpalming. Enhance (en-haans'), v. a. verhoogen; hooger bieden; verzwaren; verheffen. —meat, a. verhooging; verwarring; verheftIng. —r. s. verhooger; verheffer. Enharden (en-haard'n), v. a. gehard maken; aanmoedtgen. Enigma (-e nig'tne), a. raadael. '—tic, —Heal, a. —tically. ad . (i-nig met'ik-), raadselaehtig, daister. —fiat, a. rsadselmaker. —tine ( tajz), v, n. in raadsels Innen; rpadsela opgeven. Enjail (en-dz eer)," v. a. kerkeren. Enjoin (en- zjoin'), v. a. inecherpen, op het gemoed drukken; gelasten, bevelen. —er. a. gelaster, beveler. — meat, a. bevel. Enjoy (en-dzjoj'), v. a. genieten, In bezit hebben; zich verheugen in. —one's self, zich verheugen. v. n. gelukkig leven. genieter; vruchtgebruiker. —ment, s. genieting; vruchtgebrulk. Enkindle (en-kin'd1), v. a. ontateken; aansporen. Eiklard (en laard'), v. a. met vet begieten; doorapekken. Enlarge (en-laardzy), v. a. vergrooten, uitbrelden; in vrijheid stellen; v. n. zich uitbreiden; (on. upon) uitweiden over. —ment, s. vergrooting, uitbrelding; overdrijving; uitweiding; loslating. —r. a. vergrooter, uitbreider. Enlighten (en-lajt'n), v. a. verlichten; verheugen. —er, a. verlichter; verheuger. —neat, a. verliehting; ontwikkeling. Enlink (en-link), v. a. aaneenachakelen. Enlist (en-list'), v. a. ineehriken; aauwerven; a, n. dienst nemen. —meat, a. aanwerving. Enliven (en-layvn), v. a. verlevendigen, °moolijken. —er, a. verlevendiger. opvroolijker, Enmesh (en.mesj'), v. a. verstrikken. Enmity (en'mit tih), a. vijandeehap; vijandlgheld, kwaadwilligheid. Enneagon (en ni'e gon), a."negenhoek. Enneafical(en ni-eVikl), a, negende. — day, negende tag )eener ziektel. Ennoble (en-no'b1), v. a. veredelen; adelen. —ment. a. veredeling; verhefting tot den adelstand. Ennui (an-wi'), a. verveling. Enodation (en-o-dee'sjun), a. losknooping. Enode (e-need'), a. zonder knoesten. Enorm ity (e-nor'mit-tih), a. ontzaggelijkheld; gruwelijkheid; snoodheid; gruwel. —ous, a. —ously, ad. ontzettend; ijselijk; gruweltjk; bovenma.ig. —ousness, s. Zie Enormity. Enough (e ant'), a. & ad. voldoende, genoegzaam. —, a. genoegzaambeid. —, int. genoegl bond op! Ennunce (e•naauns'), v. a. uiten; verklaren. Enow (a nauw'), a. (mid meerv. van Enough). Enquire, etc. Lie Inquire, etc. Enrage (en-reedzj'), v. a. woedend maken; v. n. woedend worden. Enrank (en-rank'), v. a. rangschikken. Enrapt (en fept'), R. verrukt. —are (-joer), v. a.• bekoren , v errukken
REM. —REP. middel; herstel; verhaal (in rethten); v. a. genem; herstellen, verhelpen. Remem ber (re-;nem'bur)., v. a. (ztch) herinneren; gedenken, in herinnering brengen. —trance (-brena), a. herieneriag; aandenken, gedachtenis. —brancer (-bren-aur), a. herinneraar. Remigra te (renal greet),v. ti. terugkeeren. tion (-gree'ajun), a. terugkeer. Remind (re-majnd'), v. a. herinneren, indachtig maken (of, aan). Reminiscen ce (rern-i• nis'aens), a. berinttering. —trial (--een'ejel), a. herinnevend. Remise (re-majz'), v. a. ongeven, laten raven. Remiss (re-miss'), a. —ly, ad. slap, traag; nalatig. —ible, a. vergefelijk. —ion (-misrun), a. verstepPing, verflauwing; kw" tschelding, vergiffesis. —ire, R. kwtjtechelden , vergevend. —nets, a. t1auwheid; nalatigheld. Remit (re-mit'), v. a. kwijtschelden, vergeven; doen verslappen; ongeven; terug-, toezenden, overmaken, remittesren, overgeven; v.n. verelappen; !linemen. —ment, a. gijzeling op nieuw; kwijtseheldimr. —tanre. s. overmeking, -_mdse. —tent, a. tusechenpoozend. —ter, a. kwijtschelder; overzender, -maker, remittent. Remnant (rem'nent), a. overig. —, a. overscbot, rentje; lap. Remodel (rt-mod 1 11), v. a. vervormen, omwerken. Remonatr ance (re-mon'strr, , , S. vertoog, bezwaar; aenmaning. —ant, a. bezwaren (vertoogen) indienend; a. remonstrant. —ate (-street), v. n. bezwaren opperen, vertoogen doe!, —ation (rem-un-stree'sjun), s. vertoog, annreanirg. Remora (rem'o-re), a. beletsal; zuigvisch. Remorse (re-morn'), a. wroeging, nerouw. —j'nl, a. berouwvol (for); vol medelijden (of) —less, a. veratokt; hardvochtig. e. onbarmharttgheid, wreediteid. Remote (re-moot'), a. —ly, ad. afgelegen, verwijderd, ver; vreemd, afgetrokken, (from). —ness., a. verte, afgelegenheid. Remount (ri-maaunt'), V. R. weder beetijgen; v. n. weder opetkjgen. Remov able (re-moev'kb1), R. verplaatabaar; te verwijderen. —al, a. verwijdering; afzetting; verplaataing; verhuizing. —e, a. verwijdering; afzetting; verplaatstng; trap, grand; zet; kleine afeland; afgenomen 8chotel. —e, v. a. verwijderen; wegruimen; afzetten; varplaateen; — the cloth, de tafel afnemen. —e v. n. itch verwijderen; verhutzen. —ed (-neoevd'), a. verwijderdi ere.legen. —ednese (-id-nese), a. verwridering, afgelegenheid. —er, a. die verwijdert; wegrutmer, verplaatmer. Remonera tie (re-m)oe'nur-ih?e),a.beloonbeer. —te ( eet), v. 0. beloonen. —tion (-ee'sjun), a. belooning. —tire (-e-tiv), —tory (-e-turieh), a. beloonsnd. Remurmur (rl-mremnr), v. a. — n. murmelend weerkaataen. — weergalmen. Renal (ri'nell a. van de nieren; nier-. Renard (ree'urd), a. reintje, you. Ilenesc once (re nea'seus), --carp, s. wedergebnorte, bernteuwde groei; herleving. —ent, a. vrederopkomend; herlevend. —ible, a. vernieuwbear; geechtkt om te herleren.
(-in'si dent), R. satrienloopend,overeenstemmend. CoHoeft to (kollo-keet), v, R. plaatsen, rangCoir (cojr), s. kokosnootvezels. schikken. —ton (-kee spin), a. pleasing, rangColstell (kojs'tril), s. melkmuil, lafbek. schikking. Colt (kojt), s. werpschijf. Collo') (kol'lup), a, lapje vleesch; kind, scotch Coition (ko.is'sjun), s. samenkomst; bijslaap, —s. kalfslapjes. paring. Colloquial (kol-lo'kwl el), a. —ly. ad. eene CoJoin (ko - dzjojn), v. n. zich verbinden. samenspraak betreffend. —ism, s. gemeenzarne Cojuror (ko - dzjoe'rur), a. die de geloofwaardig- wijze van spreken. I Colloquy (kol'Io kwih), s. samenspraak. heid van een ander bezweert. Coke (kook), s. coke; ontzwavelde steenkool. Collude (kol - ljoed), v. n.. samenapannen; bet Colander (kul'en-dur), s. sect, vergiettest; I eerie zijn. zijgdoek. Collo sion (kol-ljoe'zjun), a. verstandhouding. Colat Ion (ko - lee'sjon), s. doorzijging.., —sive, —sory, a. schelmochtig beraamd. —siveness, Colcothar (kol ko-ther), s. doodekop. I s. schelmsche samenspanning. Cold (koold'1, a. koude; verkoudheid. to catch —, Cony (korlih), a. kolenroet. —, v. a. met roet kou vatten. —, a. —ly, ad. koud, koel. in — I bemorsen; zwart maken. blood, in koelen bloede. —hearted, ongevoelig. !Colon (ko'lun), s. dub ► el punt; groote dorm. —short, broos. —ish, a. koel, koudachtig. —ness,! Colonel (kur'nil), a. kolonel. —cy, —ship, a. a. koelheid, onverschilligheitt. 1 kolonelschap. Cole (kool'), s. kool. —seed, , koolzaad. —wort, Colonial (ko-lo'ni-el), a. koloniaal. — produce, sproitkool. koloniale waren. Colic (kol'ik), a. darmjieht, koliek. Colon let (kol'un-nisi), a. volkplanter, kolonist. —izati9n (-ni zee'sjun), a. vestiging cener yolkCollaps e (kol-leps'), v. n. instorten, ineen- planting. —ize ( najz), v. a. tot eene kolonie krimpen. —ion ( lep'sjum), a. instorting. Collar (kol'ler), s. halsband, kraag; holster; vormen. —y, e. volkplantine, kolonie. rollade. —, v. a. bij den kraag vatten; een' Colonnade (kol-un need), a. zuilenrij. halaband omdoen; rollade maken. —beans, Colophony (to lorun-nth), s. spiegelhora. d•arshalk. —bone, sleutelbeen: —day, galadag. Color (kul'ur), s. klertr, serf; glimp; voorwendCollate (kol'leet), v, a. vergelijken (with); na- ; sel. —s, a. vaandel. —, v. a. kleuren, verven; lezen; aanstelten (to); begeven. 1 bewimpelen; v. n. blozen. —able, a. —ably, ad. schunhaar, achoonschijnend. —ation ( ee'sjun), Collateral (kol-let'ur-el), a. —ly, - ad. evenwij- dig, zijdelingsch, zijdelings. s. verving, kleuring. —i/c (kol ur ink), a. kleurend. —ing, a. koloriet; schoone schijn. —jot, Collet Clan (kol leesjun), s. vergelijking; ker- kelijke. aanatelling; tusschenmaal. —tor, s. a. kleurenmenger, meester in het koloriet. vergelijker, begover van een kerkelijk ambt. —less, a. klenrloos. Colleague (kol'lieg), s. ambtgenoot. — (kol- Coloss al (ko los'sel), —eon (kol-oa si'en), a. lieg'), v. a. vergezellen; vereenigen (with). reusachtig. —us, a. reuzengestatte. ColstalT (kol'staaf), a. draagstok. Collect (kollekt), a. inzameling; gebed. Collect (kol-lekt'), v. a. verzamelen; opzamelen; Colt (koolt'), s. veulen; onervarene, —, v. a. fopincasseeren; afleiden, besluiten. — one's self, zich pen; v. n. huppeleu. —'s-foot, hoeiblad. --'a-tooth, melktand. —er, a. kouter. —ish, a. dartel, uitherstellen. —aneous (tee'ni-us). a. vergaard, bijeengebracht. —ed, a. —edly, ad. aamengevat, gelaten. bedaard, —edness, a. bedaardheid. —ion (kol-lek' Colubrine (kol'joe Orals), a. slangachtig; argsjun), s. verzameling; gevolgtrekking. —ive, a. listig. —ive/y, ad. verzomelend, gezamento,—ine noun, Coition Wiry (kol'um be rih), a. duiveutil. —bine, verzamelwoord. —or, s. verzamelaar, guarder. (-bajn), a. duivenkleurig. —bide, s. liehte violetkleur; akelei. Collegatary (kol-leg'e-to-rih), s. mede-erfge- Column (kol'um), a. mil , kolom; kolonne. noon, College (kollidzj), a. collegie, kweeksehool. —ar (ko lum'ner), a. zuilvormig. Collegi al (kol-li'dzji el), a. van een collegie. Colures (ko-ljoerz'), 8. kruiskringen. —an, —ate, 8. lid VR11 eras collegie; student. —ate, Conan (ko'me), s. staapziekte. Comate (ko-meet'), a. kameraad. R. een collegie hebbend; church, stiftskerk. Contrite (kom'et), a. harig, haarachtig. Collet (korlit,), a. ringdas. Collide (kol lajd'), v. a. tegen elkander 8IRRII. Coanatous (kom'eAus), a. slaapziek. collier (kolljur), a. kolenwerker, handelaar; Comb (koom'), a. tram; vollei; honigraat, carry —, -schlp. —y, to. kolengroeve; kolenhandel. roskam. flax —, heket. —brush, kamborstel.,fish, Colligation (kol-li gee'sjun), a. samenbinding. kammossel. —, v. a. kammen, hekelen. —er, a. kamnaer, hekelaar. —ing-cloth, poeiermentel. Collimation (kol-li mee'sjun), to. (het) mikken, (het) aanleggen. Combat (kum'bet), s. gevecht. single —, tweegeCollIngual (kol-ling'gwel), R, dezelfde teal belt- vecht, —, v. a. bevechten; v. n. atrijden. —ant, s. strijder. —ant, a. strijdend. bend, Colliqua Clam (kol-li kwee's(un), s. smelting. Conshln able (ktim-bornibl), e. vereenigboar. —ation (kom-bi-nee'sjun), R. vereeniging, ver—tire (-lik'we tiv), a. ameltend. binding,. —e, v. a. bijeenvoegen; v. n, zich Colliquefaction (kol-li-kwe fek'sjun), R. at mensmelting. verbinden. Con► l► ost lisle (kum•bus'tibl), a. verbrandhaar Collision (kollfzjun), a bot,in:;. .
BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Hoe werkt Cryptocurrencies afwijken van de traditionele biljetten en munten


ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

cryptogeld api


,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.

Welke cryptogeld is het beste om nu te investeren


Enchafe (en-Weer), v. a. tergen. Employ (ea -plot'), s. ambt, werk,bezlgheid.—, Enchain (en-tsjeen't, v. a. ketenen. —er; a. v. a. bezigen, aanwenden; gebruiken; in dienat Enchant (en-tsjaant'), v. a. betooveren. ad. verrukkelijk. —meat, a. hebben. —able, a. bruikbaar. —er, a. gebruiker; toovenaar. —ingly, baas, patroon; lastgever. —ment, a. bezigheid; betoovering. —ress, a. toovenarea. Enchase (en-tsjees'), v. a. invatten; indrijven, ambt, bediening. graveeren; grofachilderen. Empoison (em-porzn), v. a. vergittigen. —er, Encircle (en-suekl), v. a. omringen. s. vergiftiger. —meat, a. vergiftiging. Emporium (em-po'ri-um), s. markt, stapel- Enclos a (en-klooz') v. a. insluiten; omheinen. —mire (-zjoer), a. omhelning; besloten veld; ingeplaate. eloten brief of stub. Empoverish (em-pov'ur-isj), v. a. verarmen. Encoml sat (en-ko'mi-est), a. lofredenaar. —mint, s. verarming. —antic, —astical, (-ea'tik.), a. prijzend, lof toeEmpower (em-pauwittr), v. a. maehtigen. zwaaiend. —um, a. lofted.. Empress (em'press), a. keizerin. inEmprise (em-prajz), a. gewaagde onderneming, Encompass (en-kum'pes), v. a. omringen, sluiten; omwandelen; omzeilen. —meat, a. instout bestaan. sluiting; uitweiding. Empt ter (em'ti-ur), s. lediger. —iness, a. ledir heid; ijdelheid, nietigheid. —ion (em'sjun), a. Encore (eng-koor't, ad. nog tens; bid Encounter (en-ksaun'tur), a. ontmoeting; koop. echermutieling, gevecht. —, v. a. ontmoeten; Empty (em tilt), a. ledig: ijdel; onwetend. —hanhet hoofd bieden; aanvallen; v. n. elkander ontded, met leege handen. —headed, dom. —heart- moeten; handgemeen worden. —er, a. tegened, ongevoelig. —, v. a. ledigen; '(of) bevrijden stander. (berooven) vt.n. to — one's self into, uitloopen Encurage (en-kuri ► dz)), v. a. aanmoedigen, (.iengz), a. bezinksel, grondsop. in. —ings aansporen. —anent a. aanmoediging, aansporing. Empurple (em pur'pl), v. a. purperkieurig ma—r, a. aanmoediger. ken; (with) versieren met. aanmatigen; Empuzzie (e.m-puz'zi), v. a. inl verwarring Encroach ;ea krootert v. n. itch(on. upon). —er, indringen; inbreuk waken op. brengen. a. overweldiger; die inbreuk maakt. —meat, a. Emapyre al (em-pir'i-el),'—an (ook: em-pie-ri'en), inbreukmaking; aanrnatiging. a. hemelsch; zuiver. (ook: ri'en), a. hoogEncumber (en-kumibur), v. a. belemmeren; ete hernel. bezwaren. —brance (-bream), a. belemmering; Emula to (emloe-leet), v. a. wedijveren met; beslommering; overtollig bijvoegsel. nastreven, nabontsen. —tion (-lee'ajun), a. wedijvering, nastreving. (-le-tiv ), R. wedijve- Encyclical (en-siklikl), a. rondgaand. —epistle, rondgAande brief. rend, naatrevend. —tor, s. mededinger. nastrever. Encyciope ella (en-saj-klo-pi'di- e), a. algemeen Emutgent (e murdzjent), uitmelkend. Emulous (em'joe-lus), a. naijverig (of, op). — ly, woordenboek; encyclopedia. —dian (-pi'di-e.), —die, —dical, (-ped'ik-), a. eneyelopedisch. ad. naijveng. Emulsion (e mursjun), s. olieachtige, ver- Encyhted (en-sist'id), a. in een' zak bealoten. to zachtende drank. —sive, a. verzacbtend, melk- End (end'), s. einde; oogmerk, doel. to no—,ten vergeefa. on —, overeind. to the — that, achtig. einde; opdat. to be at one's wit's —, ten einde Ensuuctory (e-munk'tur-rih), a. afseheidingssteeds op , — rand zijn. to be all for one's Omen klier. eigen voordeel bedacht zijn. to make both —s Enable (en-eebl'), v. a. in stoat stellen. meet, de tering near de nering zetten. —all, a. Enact (en-ekt'), v. a. verordenen, vaststellen. besluit. —, v. a. & n. eindigen. all is well that —went, s. verordening. —or, a. wetsuitvaardiger. —s well, eind goed, al goed. Enallage (en-el'iidzj), woordverandering. besehadigen. Enambush (en-em'boesj), v. a. in hinderlaag Endaniago (en-dem'idzp, v. a.a, Endanger (en deen!dsjur), v. in gevaar brenleggen. gen. Enamel (en-em'el), a. brandverf; brandschllEndear (en-diet') v. a. bemind maken. —meat, derv.- erk; vergiaassel; 6mail. —, v. a. branda. geheehtheid; lief boozing. schilderen, 6 ► ailleeren. —ler, a. brandschilder. v. a. beEnamour, Enamor (en-em'ur), v. a. verliefd Endeavor (en-dev'ur), a. posing. —,naar). —er, proeven; v. n. pages, traehten (after, maken. s. beproever; trachter. ]narration (en-er-ree'sjun), a. omstandig verEndecagou (en-dek'e-gon), e. elf hoek. heal. —ices( -demlk-), Endem ial (en die'mi-el), Ennrthrosis (en-er-thru'ais), a. gelidvoeging. a. inheemach. Enatation (en-e-tee'sjen), a. ontzwemming. Endenizen (en-den'itn), v. a. naturaliseeren. Enate (e-neet'), a. uitgroeiend. Ending (endleng), a. besluit, Encage (en-keetizr), v. a. opeluiten. Endive (en'div), a. andijvie. Encamp (en-kemp'), v. a. & n. Iegeren. —anent, Endless (endless), a. —ly, ad. eindeloos. —ness, s. legering; legerplaats. s. eindeloosheid. a. Encaustic (en-kaos'tik), a. ingebrand. End long (endlong), ad. reehtuit, overlangs, (bet) brand- (was-) acbilderen. —most, (-moost), a. verat, niterat. Enenve (en-keev') v. a. in een' boil verbergen; Endow (en-dauw'), v. a. begiftigen: toerusten. it een' keleer bergen.


onvermidcluk. a. —ately, (214..8 o. omerzadelukheid. --ety Insaturabie (in - sei.'joe - ribl), a. onverzadeliik, Inscribe (in - skrajb'), v. a. in-, opschrijven (in. on. with); opdragen Ito). loseript ion (in - skrip'sjun), s. opsehrift; titel; opdracht. —ire, a. met ten opschrift. Inscroll (in-skrool'), v. a. op eene rot zetten. Inscruta ble an - skroe'tibl), a. — bly, ad. ondoorgrondelijk —bility —bleness, a. ondoorgroiadelijkheid. Insculp (in - skulp'), v. a. insnijden, graveeren. —ture (-tjoer), a. ingesneden schrift, anijwerk. Inseam (in-aiem"1„ v. a. merken (mot een' naad of lltteeken). Insect (in'sekt), s. insect. —ile (-sek'till, a. inaectachtig. —ion •sek'sjun), a. insnljding. —ivoroue (-iv'ur-us), a. lnsectenetend. lnsecur a (in - se - kjoer'), a. --ely, ad, ouzeker, onveilig. —ity, s. onzekerheid, onveiligheid. Insemina te (in-semi-neet), v. a. bezaaien. (-nee'sjun), a. bezaaiing. Insensate (in-sen'set), a. zinnekpa, stomp. lessens& ble (in-sen'sibl), a. —bly. ad. oagevoelig, gevottioos (of. to). —bility —bleness, a. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (in - sen'sjent), a. gevoelloos. Insepara ble (in-aep'e-ribl), a. —bly, ad. onseheidbaar. —6itiiy —bleneu, onscheidbaarheid. Insert (in-curt' ► , v. a. inplaatsen, inlasschen. —ion (-sur'sjun), a. invoeging, inlassching; invoegsel. Inshnded (in - sjeed'id), a. geschaduwd. Insheil (in-sjell"), v. a, in eene achaal of schelp sluiten. InNhei:er (in- sjel'tur), v. a. beschutten. Insh•ine (in - sjraln' ►, v, a. Lie to Enshrine. s.binInside (in'esajel!, a. inwendig, binnen-. nenzijde. luridi ate (in - sid'i - eet), v. a. belagen, beloereu. ously. ad . arglisa. — a. belager. —ona, —ator, tig, belageud. —ousness, s. arglistigheid, verraderlijkheid. Insight (in'sajt), a. insicht. Insigssit. (in-sig'ui-e), pl. eere-, onderscheidingsteekenen. Insignifica nee (in-Sig - niPi - keno), — ey, a. onbeduidendheid. —t, a. —tly, ad. onbeduidend, nietig. Insincer e (in-ein-sier'), a. —ely, ad. onoprecht. a. oprechtheid. —ity Int;inew (in-sin'(oe), v. a. 7ersterken. Insinua nt (in-sin'joe-ent), a. indringend. — le 1-net), v. a. in-, opdringen, ingang verschaffen, (into); te verstaan geven; v. n. rich indringen; CCU' weak geven —'ion (-ee'sjun), a. bud-ringing; overreding; wenk. —tire (-e tiv), a. indringend; overhalend. Iublpld (in-cip'id), a. — ly, ad. smakeloos. laf. s. smakeloosheid. —ity (-si-pid'it-tih), lafheid. Insipl•nce (in-sip't-ens), s. yerstandeloosheid. Insist tin-sist'), v. a. aanhouden, aandringen, ataan op. (on. upon). — ent. a. our into rustend. —urn (-joer), a. standvaatigheid.
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.

cryptogeld beginners guide


77 Discutient (dis.kjoe'Ajent), a. verdrijvend —, a. verdrijvend middel. Disdain (dis-deen'), s. versmading. to hold in —, verachten. —, v. a. versinaden. —er, s. versmader. —jut, a. —fully, ad. amadelijk, verachteltjk. Disease (diz-iez'), s. ziekte, ongesteldbeid. —, v. a. ziek maken; lastig vallen. —d, a. ziek, ontesteld. Dfaedge (die-edsf), v. a. stomp of bot maken. Disembark (dte-em-baark'), v. a. ontechepen; v. n. landed. —ation (-ena-ber-kee'sjun), s. ontscheping. Disemba•ras (dis-em-ber'res), v. a. uit verlegenheid , helpen; bevrijden. —ment, s. bevrijding, ontlasting. Disembitter (dis-em-bit'tur), v. a. de bitterheld benemen. Disembod led (dis-em-bod'did), a. ontlichaamd. —y, v. a. ontlichamen; nit de krijgedienst ontglean. D iseinbogue (dis.emboog'), v. a. uitgleten, uttstorten; v. n. zich ontlasten. Disembowel (dis-em-beauP), v. a. ontweien. Disembroll (die•em-brojP), v. a. ontwarren; uit de verwarring helpen. Disenable (dis•en-eeb1"), v. a. buiten staat stellen. Disenchant (dis-en-tsjaant'(, v. a. onttooveren. —ment, s. onttoovering. Disencum ber (dis-en-kum'bur), v. a. van °veriest bevrijden. ontlaaten. —trance, s. ontlasting, bevrijding. • Disengage (cits-en-geedzji v. a. losmaken, bevrijden; v. n. zich ontslaan. —d, a. bevrijd; ledig. —dness, s. onverhinderdheid; vrijheid. —meat, s. losmaking, bevrijdine; vrije tijd. Disennoble (dis•en-noobl") v. a. ontadelen. Disenrolij (die-en-mon, v. a. van de Apt achrappen. Disentangle f(dis.en-tengr), v. a. ontwarren; bevrijden. —meat, s. ontwarring; bevrijding. D isenthrall (dis•en-threoP), v. a. bevrijden. —ment, s. bevrijding. Disenthrone Ixtis•en-throon'), v. a. onttronen. Disentitie (dis-en-tart1), v, a. van een ree,ht herooven; ongerechtigd maken. Di ► entrance (dis.en-traans'), v. a. nit eene bedwelming (verrukking) doen ontwaken. Dimes teem (dis -es- tiem'), —timation ( -ti. nice. ajunl, s. minachting. Disfavor ;(dis-fee'vur), s. ongenegenheid, te• gentle. —, v. a. in ongunst brengen; miavormen; onvriendelijk bejegenen. Distigur ation (dis-fig-joe-ree'ejun), s. 'Mayorming, wanstaltigheid. —e (•11g'joer), v. a. misvormen. —ement ( fig'joer-ment), 8. mismaking. Disfranchise (dis-fren'tsjiz), v. a. van voorrechten berooven. —meet, s. ontneming van voorrechten. Disfornish (die-fuenisj), v. a. onttakelen. Disgarnish (dtz-gaar'niej), v. a. ontsieren; ont• mantelen. Disgorge (diz-gordzr), v. a. uitbraken; uitstorten. Disgrace (diz-greet'), s. ongenade; schande. —, v, a. onteeren; in ongenade brengen. Jul, a.

Coinbase has two core products: a Global Digital Asset Exchange (GDAX) for trading a variety of digital assets on its professional asset trading platform, and a user-facing retail broker of Bitcoin, Bitcoin Cash, Ether, Ethereum Classic, and Litecoin for fiat currency.[24] It also offers an API for developers and merchants to build applications and accept payments in both digital currencies. As of 2018, the company offered buy/sell trading functionality in 32 countries,[42] while the cryptocurrency wallet was available in 190 countries worldwide.[43] On March 26, 2018, Coinbase announced their intention to add support for ERC-20 tokens.[44]
rijden; tegirr. to get the — of one, iemend de loaf —maker, kormetmaker. —mouse, stagmuls. —sail, atsteken. to have the -- of one, iemand v66, akin. stag•eil. —tackle, stagtakel. by — s, bij vlagen. v. a. doen verschrikken; Stay 'stem') [staid '9, v. a. ophouden; verhindeverontrusou; verwekken; ontdekken; opperen; men (from); ondersteenen; stutten; stilleu„ or, opstooten; v. n. ontstellen; op•,-"ringen; begin- derdrukken; v. n. blkjven, vertoeven; stilstaan. nen; vertrekken; (bask; terugdeinzen; (front) af- (mat') wegblijven. (for) waehten op. (on, upon) wriiken van; ;upi oppringen; opkomen, ontstaan. aids verlaten op. (up) ophlijven. — ed. a. — edly, --er, s. opspriuger, sehrikachtige; ontdakker; ad. (steed'), ale Staid. — er, s. bfljver, wachter; snvii)ker; opwerper; speurhond. —ing, a. mchrik- beletter; stutter. bend; horse. schletitig paard. --ing, a. begin; Staym (steez), s: pl. kearsI:jf,korset. a pair of — , vertrek; — bolt, drevel, dtioralag; —dinner, bass- een keurelijf. tlge maalt)jd; — hole, uitvlucht; — post, Stead (sled), s. stele, plaats; nut, dianst. in — aanvangspunt, meet, honk. —ing4 , , ad. met hor- o y in Vaata van. to stand in — , dsenot doeu, ten en stooten. voor niets deugen. pas komen. to be oi Start! a istamco), a, sid ,!erina. ., entateltenla. — 6, fast, 0. — faetly, ad. ( fest , . vast; staudvastig. v. a. & n. (doen) sebrikkan, on:stollen. — ing, a. —fastness (-feat-), s, vaatheld; standvastiabeia. veroutoust, amtlettend. ad. — y, a. vast; gestadig; standvaatig (in). Star, a at, :;taar-vee" , jut.). s. (bet) r.,elarek ness), a. vastheld; beuteudigheid; den. verhei,ering. — e, v. a. bt n. (doen) se, standvastigheid. —y, v. a. vast makes; bevestigeu. lunngeleti, omknaien. — cling, a. uitgehongerd; Steak (steep), s. lapje, sneedje. kvijnend; s, ht,ogerlijde?. steal (attel)), [stole, stolen], V. a. stelen; ter State (steet'), a. staat; toestand; stand, rang; sinik doen; — one's self, slaipen. —, v. n. clotprank, praal; bezitting; zetel. troonhemel. to toe pen. ,opon) o7ervailen. —er, s. diet. —ingly, ad. in — . op ness praalbed ligg.. —affair, strata - steelsytize, heimelijk. rank. —craft, etaatkunde. staaternia-1Stealth (stelth'), a. diefstal; helmelialtheid. by

So the app is pretty great when it comes to buying crypto, they can give you the funds immediately at the current price of the crypto, so high purchasing fees and selling it on a quick time line are virtually non existent when you are making small orders, most likely biggers as well. Not so fast... if you purchased it through your bank, because the allowance is higher on it than 25$ for a new card, your funds are basically frozen for 2 weeks. You can not cash out, nor you can send crypto to another wallet, so if you are looking for something to transaction with this isn’t the greatest app to do it with. I’m stuck with funds frozen for already 10 days, and now I have to wait another 5 for the banks to clear it, when on the card is faster, but you are stuck with the same high cost for selling it which comes out to bite you in the but for the fees. Yes, I can sell it and wait at usd wallet so the price doesn’t fluctuate, but again, if you want to get the funds out they are the power delay and have no intention to speed the process and again, you are in lala land waiting for it! Before, it’s not used be this bad but seems like delays and restrictions will expand. For the high cost of buying, and buying always at a higher price than it actually is, it makes even more worthless, even waisting time and resources just on trying to obtain some btc. There are better apps and cheaper apps that don’t cause you such issues. Good luck crypto fans


GEE.•-GEJ. gioue. — recht, canon law. —e settler. nun. —e, clergyman. v. clergy. Gametelane, be. spiritless, —held, Y. spiritless. nese. Geestendons, o. spirits. Goosing, by. & bw. witty (.1.1y). —held, v. wittiness, humor, wit. Ge14112W, m. yawn. —hunger, canine (ravenous) appetite. --en, on. w. to yawn, to gape. —er, —erd, en. —ater, Y. yawner, gaper. Getensell, s. trifling.; playing the hypocrite. Gefep, o. toping, tippling. Golladder, o. fluttering. Gelleetn, o. coaxing, wheedling. Gollikker, o glittering, sparking, flashing. Gen odder, o. splashing. Gellonker, o. sparkling, twinkling. Getlulaier, o. whispering. o. whietling; warbling. Gefonkel, o. sparkling. Geruteel, o. trifling; ilddle-faddle. chiegadigde, m. & v. one that ie inclined to buy. Gegeouw, o. yawning, gaping. (lege von*, o. my. information, data. Gegilben, o. simpering, laughing. Gegli,o. screaming, yelling. Geginuegop, o. chuckling, titter. Geigoed, by. well-to•do, in easy circumstances. —held, v. ease, opulency. Gegons, o. buzz, buzzing, humming. Gegooehel, o, juggling. (demon!, o. throwing. lidegorgel, o. gargling. Gegrabbiel,o. scrambling. Gegrijn, o. weeping, wixtuning. (degrUes, o. grinning, grnmbiing. Gegrtirn, in weeping, whining. tlegrInulk, o. sneering, simpering. G egrusu, o. growling; Ai:siding. Gogrond, by. founded, welt-founded. —held, v. foundednees. Gehettai, o. hastening, hurrying. —, by. z:jn, to be in a hurry. o. chopping, mincing. Gelsokkel, o. stammering. Getinkt,o. minced meat. Geholie, o. intrinsic value, alloy, !standard; quality, condition. Gehenter, o. hammering. Gehard, by. hardened, tempered; hardy, inured. —laid, v. being hardened, — inured. Geh.trneet, be. in armor, mailed. Getsarrownr, o. wrangling, squabble, G ehnspel, o. reeling; quarrelling. Gebecht, be. attached (to). —laid, v. attachment (to), affection for). G•heel, he. whole, ell, entire, complete, total. - bw. wholly, entirely, quite, completely, to tally, utterly, — en al, altogether, entirely. —, o. whole; integer integral. over het —, upon the, whole, in the main, in het — niet, not at ail. Gehefint, o. secret, mystery. in het —, In secret, secretly, privately. —, by. secret, hidden, close, reserved. — gemak, water-closet, privy. —e read, privy council. — geneesmiddel, secret remedy, Arcanum, nostrum. —, law. secretly, In private.
made. keen, — toupee, Lunt ertu, o. lanteraloo, lanterloo. etaan, — varen, — Lap, m. patch, shred; clout; remnant; rag, tatter; weten,— aim ale de t'erschillende werkwoorden. drunkard; slap, box on the ear. —pen, ov. w. to Lallerbuona, m. bar, beam. patch, to botch; to mend. —ent)der, botching LatIlJaa,o Latin. —ack,bv. Latin. tailor, botcher. •—teerk, patch-work. —woord, Loathes, v. bleeding. botch. —calf, bad delve; stuff. --eetieen, to quack; Laasinlet,tn.latiniat. to botch up, to repair roughly; to refit; to pal- Latoeu,o. orichalch, latten. Bate, to disguise. —salver, ignorant phy.iclau„ lLats, v. flap. quack: botcher. —zulverij, quackery; botching. Latter, or. w. to cover with 1 dile. —pedeken, patch-work quilt. —penseand, basket Late', v. letLiCe. fOrrOrd.RIIte,Ishread,ete —lienntarkt,rag-market, Laurier, m. -tree. —bee, laurel-berry. —bla4, laurel-leaf. —boons, laurel. -, here, laurelold-clothes market. lbszpie,, a. Zie Leap. roar het koaden, to make cherry. —teak, laurel-branch. —en, on. w. to crown with laurel. a fool of, to cheat. IT.tapper, na. Fetcher, botcher; mender; cobbler. 11A/twee, by. & bw. lukewarm (-17), tepid HY). —en, ov. & on, w. to make (to grow) lukewarm. v. patching, botching. Lardeer en, ov. w. to lard. —priem, larding- Lauwer, m. laurel, —krona, crown of laurel, pin. —speetje, [titre of bacon. —epek, —eel, o. laurel-wreath. —tak, twig of laurel. ov. w. lard, fat pork. to laurel, to laureate. Lurie, v. fudge.. fiddle-stick. —nicer, trithng Lauw held, v. —te, v. lukewarmness, lukewoman, gossip. warmth, tepidity. 1.arlan, on. w. to trifle. Lava, v. lava, —atrostn, torrent of lava. lLarliksboornt, m. larch. Eaves, v. lovage,loyage-brandy. Coach, v. piece; elect; jointur•, ream, scarf; Laveeren, on. w. to Javeer, to tack about; to notch; groin. —titer, —na s'el, two-inches nail, reel, to stagger. rotching-knife. double deck-naii. Level; v. leave. —es, on. W. to loiter, to keep Lasech en, ov. w, to join, to scarf. —lug, v. holiday. Leven, ov. w. to refresh, to comfort; to quench. joining, scariing. Lost, m. load, burden, weight; cargo; order, Eaveariel, v. lavender. mandate; charge; duty, tax; grievance, annoy- Lawaal. o. noise, hubbub. to ba ordered, ten Lawine, v. avalanche. arse, trouble. —in -- kebben, —e leggen. to charge with. —, 0. la't (two tuns). Cesar et, o. lazaretto. —if, v. leprosy. een eckp run 100 —, a ship of 200 tuns. —breken, Lazarus, m. I vsar„ leper. —huis, spite!, lazaretto break bulk. —balken, orlop•beams. —beest, to. —klep,leper's clicket. —dier, beast of burden. —brief, mandate. —dr.- Easureu,bw. azure, of lapis lazuli. gend, bearing a burden. —dreger„ porter. —geld, IL azuur„ o. azure, lapis tonnage, laatage. —giver, constituent, principal. Leh. Cobbs, •. rennet, rennet. —paard,pick-hoiee,aumpter horse.--poet,burden. Lebbig, be. tasting ' of rennet; spiteful, malici. —whip, transport, -ship. —*Dagen, waggon. 'v. taste of rennet; spitefulness, ous. La stage, • wharf. animosity. Lectuur, v. reading, perusal. 1Lasteloos, bv. without a mandate. Casten, or. w. to ..rder, to decree. Lade break. v. hard (painful) labor. —brakes, lLaster, on calumny, ',lender. —daad, Albany. ov. w. to overtire, to torment. —brakig, by. —dieht. slar.deroue poem, lamf oan.—mond,—fong, painful, toilsome. —breath, v. fracture of a limb. slanderous tongue, slanderer, detractor. —pen, Ledekant, o. bedstead. slandering pen. —cede, ea)uannlatirg defainatorY) Ledensan, re. lie Leenean —malen, uay. Zie speech. —aehrift„ libel, liMp0,11. -t 4e1, calum- Lidnattat. —nutter, m. bone-setter, surgeon. slander, abusive language, blasphemy,.—ziek, —pop, v. puppet; lay-figure. slanderous. - zeckt, slanderousness, pronenees to Leader, o. leather. —bereider, ler.ther-dresser, calumny. —aar, gin. —aa , eter, v. calumniator, currier. —goal, leather things. —kor,per, skinner, plunderer, defamer, detractor. —.lastly, cv. ca- fell-monger, leather-dealer. —achtig, hv. like lumnions, slancieroue. ov. w. to calumniate. leather, leathery. en, bv. leather. to slander, to derame, to blaspheme. —lug, a. Ledsivratter,o. Pynovia. slander, 'slandering, detraction; blaeplaemy. Ledifi, by. empty, void, spare; unoccupied, bv. & bw. caluinniatury, slanderous (-1y), Was- to idle. to be out of —e tijd, leisure. — phernous ( , 1y), work. —, bw. idly, without employment. —gang, Lostlfg, hr. troublesome, burdensome. — vaiten, idleness, ditemp,nynnent. —ganger, idler. —mato trouble (urn, tor). —held, v. troublesome- ken, —en, on. w. to empty. —head, v. emptiness; idleness. —ing, v. emptying. Cat, r. lath. —Icerk, lath-work. o. Lead, by. ,net —e oogen, with regret. T. ntafel, v. cheat of drawe , s wrong, hurt, harm, grief, injury. —let duet ov. w, to let, ‘e leave; to allow —, to —, I am sorry for it. —dragead, by. mounting. permit to 'lifer to; to leave off; to bid, to —wesen, o. regret. order, to command; to bleed, to let blood; to Loaf regal, m regimen, diet. life•time, heave (een zucht); (era wind) to break wind. — age. —toekt, provialons, victuals. waken, to get made, to cause (to order) to be Leog, be. Zie Ledis. —loopen, to empty one 'a
BEE.— DEI. zinnig. —nab, s. diepte, grondigheid; scherpzturtigheid. Deer (dier), a. roodwild; ree. fallow —,damhert. red —, hert. —stalking, a. hertenjacbt. Deface (de-fees'), v. a. vernietigen; ultwieschen, misvormen. —meat, s. vernietiging; misvorming. vernietiger; misvormer. De falca te (de-fel'keet), v. a. afsnijdenoseoeleh; at knrten. —tion (def-el-kee'sjun), a, afanijding; vermindering; korting. Delano melon (def-e-mee'sjun), a, lastering, boon, eerrooving. —atory (de-femee tur-rib), a. lasterend, eerroovend. —e (de-form . ), v. a. hoonen; lasteren; te sehande waken. —er, (defeem'ur), a. lastertong; eerroover. Default (de-faolt.'), s. verzuim; nalntigheid; ge• brek; ontstentents. —, v. n. in gebreke blijven; niet verschijnen. —er, s. woordbreker; nlet-versc ► ijner. Defeo,. :once (de-fiez'ente, a. vernietiging (eener overeenkomst.); nederlaag. —ible, a. vernietigbaar. Defeat (de-flea'), a. nederlaag; verijdeling. — v. a. verstaan; te nlet doen; verijdelen. Defect. te (de'fe-set), a. gezuiverd. —te (-beet), v. a. zuiveren. —lion (-kee-sjun), s. zuivering. Defect (de-fekt"), a,gebrek, onvolkomenhei d.—ible, a. gebrekkig; onvolkomen. —on, (.fek'sjun), a. gebrek; ontbreking; atvalligheid; opstand. —ire, a. —ireiy, ad. gebrekkig; onvolledig. —iveneas, a. gebrekkigheid. Defence (de-fens"), a. bescherming; verwerving; wederstand; rechtvaardiging; verbod. —less, a. weerloos. Defend (de-fend"), v. a. verdedigen; (from) be. sehutten tegen; verweren; verbieden. —fate, a, verdedigbaar, —ant, a. verweerder. —er, a. verdediger; advokaat. Defens alive (de-fens'e-tiv), a. verdedigend; a, behoedmiddel; verband, —ible. a. verdedigbaar. —ire, a. —ire/y, ad. verdedigend, verwerend. —ire, s. verweermtddel; verdedigende houding. on the —ire, verdedigenderwijze. Defer (de-far'), v. a. uttetellen; verschuiven; overtaten; v, n. dralen, talmen; (to) Mei houden aan, etch voegen near. —race (derur•ene), a. inschikkelijkheid; oaderwerping; eerbied (for). out of —ence to, uit boogaehting voor. —ent (derur-ent), a. leidend, voerend; a. geleider; vochthuis. —ential (def-ur-en'sjel), a. eerbiedig. —meat, a. nitatel. —rer, s. nitateller. Defiance (de-ferens), a. uitdaging; tarting; weigering. to bid — to, trotseeren. in— of, ten seijt yen. Deficience (de•fla'sjene). —cy, a. gebrekkigheid; ontoereikendheid. —t, a. —tly, ad, ontoereikend; onvolkomen; geb.ekkig. Defier, (de-farur), a. nitdnger, tarter. Defile, (de-fail'), a, rage pas. —, v, a. bezoedelen; onteeren; bederven; v. n. deflleeren. a. bezoedeling; onteering; bederving. —r, a, be. zoedelaar; onteerder; bederver. DOfin able (de.fajn'ibl), a. hepaalbaar. —e, v. a. bepalen; verklaren, omachrijven. —er, e. bepaler; verklaarder.: Defini to (def'i-ntt), a. —tely, ad. bepaald; vast. geeteld. —te, a. juist bepaald begrip. — fences.
Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.

Wat is cryptogeld en Blockchain


By the time the Erasmus Programme was adopted in June 1987, the European Commission had been supporting pilot student exchanges for 6 years. It proposed the original Erasmus Programme in early 1986, but reaction from the then Member States varied: those with substantial exchange programmes of their own (essentially France, Germany and the United Kingdom) were broadly hostile; the remaining countries were broadly in favour. Exchanges between the Member States and the European Commission deteriorated, and the latter withdrew the proposal in early 1987 to protest against the inadequacy of the triennial budget proposed by some Member States.[1]

Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-


I have not been using Coinbase long but I have used it long enough to feel like I’m getting burned. I am using Coinbase as, what I call, a pass through as in the end, I am purchasing crypto that is not supported by Coinbase with the BTC I purchase through Coinbase. While the app itself is great as it is easy to navigate the process of withdrawing funds is not so great. I purchased BTC with the intent of withdrawing to purchase another crypto. A week and several emails later my BTC has not yet been released for withdraw. Prior to this transaction I had done several others successfully with no issues, now, for no reason whatsoever my funds are pended for “further research”. I am a patient person but as I’m sitting here waiting the BTC value is falling and the cost of the crypto I am looking to purchase is rising which means at this point I have missed out on a few hundred dollars of profit all because Coinbase won’t release my funds. I am giving only 1 star because (1) communication with Customer Service has not been great as I am still sitting here clueless on what’s going on and (2) I’ve missed out on significant profit and have no idea why or have any sense of comfort that this won’t be an ongoing issue
bath. —kogel, atmosphere. —kringslucht, atmospheric air. —ea, on. w. to vapor, to emit steam; to smoke. —er, ro. smoker. —tg, by. fogey, damp, dampish, hazy; brokenw laded, pursy. —igheid, e.fogginess,dampishness, purstness. Den, bw. then. ate en. —, now and them, sometimes. —, ow. than, but. Dant g, bw. ..nucb, very. extremely. Dank, m. thanks, in —, guilefully, thankfully. — went, to thank, to acknowledge. — zeggen, to give Ito return) thanks. Gode stj —, thank (led. tepen soil en —, in spite of one's teeth, against the grain. — betuiging, —sagging, thanks. giving. —day, day of thanksgiving. —gebed, grace. —lied, song of thanksgiving. —offer, thank-offering. —bear,. be. & hoe. thankful (-1y), grafiful ik u I thank you. —Oaarlseid, v. thankfulness, gratitude. —en, or. w. to thank; to give thanks, to say grace; to refute; to — hebben, east, to be obliged (indOted) to... for. ik dank u (afictizend), no, I thank you. Dans, m. dance. aan den — geraken, to fall a fighting. den — ontspringen, to have a narrow escape. —feest,ball. —Aids, denting room. —kanst, (art of) dancing. —lee, dancing-isseon. —lied. daneing-tane. —Lustig, fond of d an ging. —meester,dancing-master. —part(j, dancing-party, ball. —pas, dancing-step. —echoenen, pumps. —school, dam. dug-reboot. —teekoning,chorography. — zaaf,dancing.room. —en, or. & oat. w. to dance. —er, m. —eree, v. dancer; pertner. Dapper, hr. brave, valiant, bold. —,bw, bravely, boldly; very much, heartily, at a pretty (flee) rate. —.held, v. bravery, valor, boldness. Darn', m. gut. den — vollen, to eat gluttonly. —been, iliac bone. —break, enterocele. -ScUling, Iliac passion, colic, gripes. — kanaal, intestinal canal. —kronkel, twisting in the gut.. —net, caul, kelt. —sop, chyle. —ached, mesentery. —*near, gut-string, cat-gut. —Wits, peritoneum. Dartel, by. & bw. lively, playful (-Iy), wanton (-Iy). —en, on. w. to wanton, to sport, to frisk, to d ally. —had, v. liveliness, playfuinees, sportiveness, wantonness. Das, v. neck-cloth, cravat. —, m. badger. —hond, basset, terrier. —genre!, skin of a badger. Dat, vnw. which. that. —, vw. that. Dateeren, ov. & en. w. to date. Datum, me date. Dauw, m. dew. voor dag en—, zie Dag. —droppel, dew-drop. —worn, ring-worm, tetter. by. dewy. Dnuwtl, v. lazy slut. —star, m.loiterer. —achtig, be. loitering, siovenly, —ary, T. loitering. —ea, on. w. to loiter. Danwen, on. w. to dew. Dever en, on. w. to shake, to quake, —end, hr. violent, loud. —kg, v. shaking, quaking. De, I. the. Deballoteeren, or. w. to black-ball. Debat ten, ce my. debate, discussion. Debet, be. & o. debit; debts; Dr (debtor). — ado, to owe. in het — brengen, to pail (to place) Leto the debit, to carry to the debit. - -s(jele, debit,
DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.

Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,
UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.
NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,
s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.
Smelt (nrielt , ), s. spieri.ng . —, v. a. cmelten (arts). of. to.) —back, luilak. —fever, sluipkoorts. ed, — paced, langznani van gang;sluipend. —match,' — er, s. ertascrelter; smelthroes. --ery, s. mule!. teri.j. lont. — witted, trasg van begrip. slang. —nets, s. laugLeamitcid. ISnocrk (murk). R. & V. n. • Smirk. Slabber (slub'bur), v. R. siordig verrit hten, of- Suzerain ismorlin), s. grondel. knosien;bemorcen..—jogly„ at ∎ , :ordig, knlei,rig. Smi•ker (ismilekur), v. n. verlield Ionic.. • - ing, vcrlielde blik, lank. Sludge (sludzj), s. WO, molder. Slue (sloe), V. a. orntireaien. Suitt e (map), g!ivnlach; vriendelijke bit!, — c, v. n, glimtachen ;at); (on. upon) taelaciten. Sing (aloe), y . klomp, tarok; schro:',T;lceglooper; wegslak; aleeht zeiler; hinderni, — port?, (-gur(1),, — er, e. glimlaeier. — ingly, ad„ s. luiaard. a. --giehly. traag,;Sitsircli (stnurtaJ), V. a, bestrwren, bek:adden; vrrdankeren. g. traegheld,vadzigheid. vadvg. — gishness Slate e (nl)oes'), e. nin e. —, v. u•laten alloopen. Smirk (sTnurk), S. getneekt laebje. —, v. Ta. ge. meakt !lichen, m' smaller. —y, R. stroomend. Slumber (slutn'bur), —, v. n. Smile (timajt'), [smote. smitten], v. a. treffce. sluimeren. — er, s. sluitneraar. --ice, a. Plaiti, clean, dooden; kaotijden, tutelttlgen, bedroovect; verwekkend; slaper1;7. bekoren, doers onzylmmmen (with), neerhalen; v, Slump (slump), v. n. in de madder plomp.. n sel,akken„ batmen, —r., n. treff,, dooder, ruist. Slur (slur), g, trick; sehandviak; verwijt; kunst- Smith (nntith'), a. amid. — craft, stnidnarnbacitt. — cry, greop, 'costs; verbindingoleeken. —, v. a. be• a. sinGderij;amidswerk; kuelbak.—ing, viekken, bemarsen; schanclvlekilen; bedriegen - s. bet smeden. verbergen; lot hernloopen oier (o -,er)• Stull)! (omit), s. rood teem, condor!. Slosh (slusj"), 0. madder, 'dtjk (bij dooi). smock (nFacek'). s. vrouwenhemd. —faced, vet. . modderig, slobber's. wi(id, me)sjeqschtig. --frock, boerenkiel. vytudipolen. — race, wedloop van vrouwen. — lets, Slut ,slut'), slant!, mornebel, slot. --tisk, Fs. — tishly, ad. ni,rnig, slordtg; s. zonder kenid. s. mornigheid; tie , terlijklteid. Smoke (smook'), s. rook. —biack,roetzwart.— box, Sly (slay), a. .—ly, ad. alaw, loos, 'upon the — , ter rookkast. — dry, v. a. rooken. —jack, (,,aort v.) sluilm — blade, — boots, gestep.on kwant• breadspit. —,. v. R. ranker; bernaken; Noor den s. siuwheid, loosh,td. get linildrn; (out) opsporen, uitvarschen, v. ct. kletR„, roaken; beapeuren; etch sertoornen. — less, a. Smack (amok;, n. manic, go-ar, klap; anashkentle kun; ernakschi2, —, v. a. zonder rook. — r, s. cooker. sm.kken; doen klappcn: smakkend kusse ► ; Smolt laves (einio'ki-nests), a, rookeligheid. •-•y, n. rmaken, rieken (o•); sin,kkem, !(tappen. a. rookerig. R. Sngooth tomaelli'l R. --ly, atl. glad. effen, Small (sin , all'), e. halal (dun) gedeelte. klein; tijn, dun; gelling. to look — , verlogen zijn. ' zacht; aril; vloelend; vriendelijk. — ckinned, bearcards, Cage hearten. — coin, deloos. — faced, •ininz3ain, zacbtaardig. - trees, dun bier. — money, klein geld, pasmnnt. — clothes. pl, zoittsi,j). — to:igued, gad van tong. —, (snyiellen), v. a. glad (gelt*, zacht, vloetend) broth. —coal, houtshool;holeogruitc.—craft,klein maken; effenen; verzachten; bedaren; bevredigen; vaartuig. --pox, kinderpoklien. — age, s• water- eppe. — ish, R. klein, popper;};. --area, a, kleia. vi,ten;(up)opyrcolijken. —nrato.giadheid,zachtheld. beleefahaid. vloelendbeid. held, gerIng,had. Senna (mmeolt), s. blanwsel. Smother (ennuth'ur), s. rook, dwahn, anderdruksmart; pronker. —, a king. — , v. a. doenittikken,,orstikkenounoren; Smart lameart'l, r. — ly, ad. ncherp, laijtend, ate:tend, krilijk; he- (up) overweldigeu; v. n. dwalmen; stikken. trig, "innig, bite; levend1 ,4, slug; opgenchikt; Smoalder (smool'aiur,, v. 11. amend.. —ing, a. muteulend. isierltik, net; slaw; § knot, --money, roonkoop; v. it, zecr doe., smudge (smudiP, n. ctikdamp; v. R. bekladden. afkoop. — pije 1kide.1; 0.et , .. — en (nn)ttaren', v. R. op, Smug (ernug'). a , — ly, ad, net, !map, opgeschikt, pte;INnlijk • — ness, s. nethetd, t,)pzenAtkt heid. Ischikkon, mooi Maken. beid;h,vigheid;levrtidig:leol; , Teclijkheid,netheid. Sitmggl o (nmtegl) v. n. smukkelen, Smirch etnec)), r. ,t.akt ve , britizeling• ti•smakkelear,i;Iniker.—ing,o. smakkelarij. v. R. smakken; verbrilzelen. Scum tot (smut"), n, koolzwart, roetvlek; hatitgdeuw; vuiln teal. —, v. a. null waken, bemornen; branSmestcln • 1,sinetsji, e. smaa%; zweem; blevewpo,)t day !oaken; v. rt. brandig; na (vaget). — tily. ad. — ty, a. berookr, marsig'; nr , indig,; sail. ---tiness, Smatter (scriet'tur), — ing, o . opparvtakkigekcn- erne onpervlakkige kennim beAit. n. berooktheid, morsigbeld; branctIgheid; —, v• o. hallgeteerde. ten, oppervlakktg apreken. smear (a)niec"),:t. son,ersel, eat0. —, crier.. Snack (snek'), a. aand,c1; baestlge Totteltijd,--^r, o. dPeth,bber. (-ti, n. shattsoom. R. srnerig; kteverig. toesmeren; bezoedeIcti. Smenth ismieth), n. smient, zeeend. Snaffle (onet'il), s. kaproen, tuns. —, v. R. he Smell (smell), n. rank, gene. proenen; in loom bonier. Smell (smell') [smelt"], v. a. ruiker; (out) nit- Snag (aneg'), s. bolt, knoest; uittiteliende punt: tafel- vormehen; v. n. risken (of, near). wateralek,, —, tooth, dubbele tand. — ged, (-gid), punti, rank; s. ruttier; 11,1Tit, - in g, schrtimer. i Snail (sneer). e. Oat; Inisard, — clover, — trefoil' — bottle, rculilleschle.
—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold 

Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-
STO.—STR. Stop (stop'), a. stilstand, (het) ophouden; beletsel, veratuiken; sterk inspannen, overspannen; ove.r• atoornis; elude; klep,toets; leesteeken. to put a — drijven; v. n. zich inspanuen; deorzijpelen. —er, to, stutten, ern eInde waken attn. —cleat, atoottlltreerbak, zijgdoek; vergiettest. —ing, a. spanklamp. —cock, afsluitkraan. —gap, stoplap; nood- s. ning; inepanning; overdrijving; doorzijelng. hulp; hekeluiter. etopklep. —, v. a. dicht- Strait (street'), a. street, zeeengte; verlegenheid. etoppen; staken; etuiten; belemmeren; v. n. op—, a. —ly, ad. recht, atrak; eng, nauw ; stipt; houden; stilhouden, stopper,. —page, e. toertopmoeielijk; gierig. —handed, gierig. —handedness, ping; ophouding; beletsel ; inhouding; besiagleggierigheid. —jacket, dwangbuis. stilt ge ging. —per, u. dIchtetopper; stopper ; stutter; regen; strong, stij I'. —en (street'n), v. a. spaunen; wiekje; stop; v. a. etopprn; met eene stop slutnauw maken; beperkeu; in verlegenheid brew• ten. gen. —nest, s. etrakheid; enete; bekrompenheid; Stopple (stop'pl), a. stop; prop; klep. stiptheld; strengheid; moeieltjkheid; verlegenheid. Storage (sto'ridzj), a. (het) °Wean; pakhuis- Stroke (etreek), a. streep; smalle rand; gang, buur. planken; radIscheeen. Store (stoor'), a. voorraad; overvloed; pakhuis. Stramlneous (etre-mini-us), a. stroottchtig; in voorhanden. —book, pakhuisboek. —bread, van stroo. scheepabeschult. —candles, getrokken kaarsen. Strand (strand), a. strand; vlecht, strong. —house, magazijn. —keeper. magazijumeester. v, a. & n. (doen) etranden. —ship, proviand-, ammunitie-schip. —, v. a. op- Strange (streendzj"), a. —ly, ad. vreemd; slaan; opleggen, ophoopen (up); (with) voorzien heemech; zonderling, wonder!ijk, buitengewoon; van, opvullen met. —r, s. oplegger, ophooper. blonde. —, int. zonderling 1 a. vreemd—a Istoorz), pl. provtand; oorlogsbehoeften. held; wonderlijkheid; bedeesdheid. r,s. vreerndo, Storied (sto'rid , , a. in de geschiedenis vermeld; onbekende; vreemdeling. suet historieche platen versierd.. Strain gle (streng'g1), v. a. worgen, smoren; enStork (stork'), o. ooievaar. —'s.bill, ooievaarsderdrukken. —pier, a. worger. —plea (streng'glz), bek. pl. dross. —gulation (-gjoe-lee'sjun), a. worging. Storm (storm'), s. storm; onweer; aware but; —gury (-gjoe-rih), a. moeielijke waterloortug. bestorming; geraae, gewoel. by —, storrnender- Strap (strep'), a. riem; strop. —, v. a. met een" band. —beat, door den storm geteis terd. —bell, 'gem slaan; aanzetten. —redo (-pee'do), a. (het) stormklok. —finch, stormvogel. —jib, stormkluiwippen (eene straf). —per, a. driedekker (man var. —, v. a. beetormen; v. to. stormen; ra7en, of arouse). —ping, a, grout en sterk, bulderen. —y, a. stormachtig, onetuimig. Strait agent (ntret'e dzjern), s. krijgslist; list. Story (sto'rib 1, a. geschiedenis; vertelling; sprook—egist s. krijeskundige. —egy(-e•dzjih!, je; verdleping. —teller, verteller; sprookjesvera. krljgskunde. —ification (•if-t-kee'ajun), s opteller. —, v. a. yertellen. eenstapeling van lagen. —ify ( i-fej), v. a. in Slot (stet), a. paard; jonge Etter. lagen leggen. —urn (stree'tum), s. time, eehteht• Stoup (staup), wijwatervat; kruik, stoop. Straw (strao"), a. el rooien, van stroo.—,s.streo; Stout (slant% a. ZWARI. bier. —, a. —1y,ad.lijvig; beuzeling. not to care a —, er niets am geven. forsch; sterk, stevig; kloek, dapper; hardnekkig. to be in the —, in het kraambed lIggen. —bed, —hearted, onverschrokken, koen. —neat, s. lijstroobed. — berry, aardbezie. —built, van stroa vigheid; forschheid; stevigheid; kloekheid, dapgernaakt. —color, strcokleur. —colored, etrookleuperheid; herdnet kigheid. rig. —cutter, hakeelbank; atrooanijmes. —hat, Stove (stony'), s. kachel; kachelkamer; stool; stroohoed. —worm, etrooworm. —y, a. strooien; badstoof; broeikas. --, v. a. stoven, broeieu. strooachtig. —r, s. grof hoof, veevoeder. Stray (stree), s. afgedwaald dier. v. n. afdwaStow (sto'), v. a. stouwen, etuwen; plaatsen, in len (from); verdsvalen, ronddolen. order leggen, opleggen (away); optetten (een Ra- Streak (striek"), a. streep; zie Stroke. —, v. a. ker); beslaan (een sell). —age, s.stuwage; bergstrepen, —ed (atrieht). —y, a. gestreept. plants; stuwloon. —er, s. stouwer, stuwer. Stream (atrlem'), a. atroom. —anchor, w orpenker. Strahtsm (stree'bizm), s. het scheelzien. —cable. daagsch touw. v. a. strepen, opeteStraddle (stred'd1), v. u. wijdbeens staan; schrijken (eene boel); v. n. stroomen. —er, a. wimp, 1. lingo loopen. —let (-lit), a. stroompje. —y, a. etrooreend; vol Straggle (streg'g1), v. n. dwalen, zwerven; veretroonen. strooid (aileen) staan; zich verwljderen; to aterk Street (striet') s. strata, —door, voordeur. —to ne, wassen. s. zwerver, landlooper; achterblij• atraatlItul,;e. —walker, straetslitper, etreatheer. vet Wilde loot; alieenstaand Strength (strength'), a. eterkte, kracht; macht. Straight (street'), a. —ly, ad. recht. regeirechi. —en (streng'th), v. a. & n. stork teeken ( war—, ad. terstond, dadelijk. —en (street'n), v. a. den); versterkeu. — ener (streng'thn-ter}, n. verrecht maken. —ener (street'n-ur), s. rechtmaker; sterker. —less, a. krachteleoe. bestuurder. —forward, ad. reehtuit; rued, op- Strenuous (stren'joe us), a. ad. tie, ig.„ recht. --nest, a. rechtheid. —way, ad. onrniddelonverdreten, leak ker; dapper; he vie. —.news,te. lijk, terstond. ijver, depplrheid; hevieheld. Strain (streen'), a. inepanning; verrekking; ver- Stress (stress), S. gelViCht; nadtuk, hlem; draating; attjl, trent, Loon, klank, wijs; aanleg; held, to lay — upon, aaudriugen op. neiging; afkornat; geslacht., ras. —, v. a. sterk Stretch (stretej"), a. uitstrekking, spanning.; nit spannen; person, drukken; dwingen; doorzijgen; gestratheid; luspaening, overspennine; niterste 10
cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.

Heeft TD Ameritrade aanbieding cryptogeld


42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
BEE.— DEI. zinnig. —nab, s. diepte, grondigheid; scherpzturtigheid. Deer (dier), a. roodwild; ree. fallow —,damhert. red —, hert. —stalking, a. hertenjacbt. Deface (de-fees'), v. a. vernietigen; ultwieschen, misvormen. —meat, s. vernietiging; misvorming. vernietiger; misvormer. De falca te (de-fel'keet), v. a. afsnijdenoseoeleh; at knrten. —tion (def-el-kee'sjun), a, afanijding; vermindering; korting. Delano melon (def-e-mee'sjun), a, lastering, boon, eerrooving. —atory (de-femee tur-rib), a. lasterend, eerroovend. —e (de-form . ), v. a. hoonen; lasteren; te sehande waken. —er, (defeem'ur), a. lastertong; eerroover. Default (de-faolt.'), s. verzuim; nalntigheid; ge• brek; ontstentents. —, v. n. in gebreke blijven; niet verschijnen. —er, s. woordbreker; nlet-versc ► ijner. Defeo,. :once (de-fiez'ente, a. vernietiging (eener overeenkomst.); nederlaag. —ible, a. vernietigbaar. Defeat (de-flea'), a. nederlaag; verijdeling. — v. a. verstaan; te nlet doen; verijdelen. Defect. te (de'fe-set), a. gezuiverd. —te (-beet), v. a. zuiveren. —lion (-kee-sjun), s. zuivering. Defect (de-fekt"), a,gebrek, onvolkomenhei d.—ible, a. gebrekkig; onvolkomen. —on, (.fek'sjun), a. gebrek; ontbreking; atvalligheid; opstand. —ire, a. —ireiy, ad. gebrekkig; onvolledig. —iveneas, a. gebrekkigheid. Defence (de-fens"), a. bescherming; verwerving; wederstand; rechtvaardiging; verbod. —less, a. weerloos. Defend (de-fend"), v. a. verdedigen; (from) be. sehutten tegen; verweren; verbieden. —fate, a, verdedigbaar, —ant, a. verweerder. —er, a. verdediger; advokaat. Defens alive (de-fens'e-tiv), a. verdedigend; a, behoedmiddel; verband, —ible. a. verdedigbaar. —ire, a. —ire/y, ad. verdedigend, verwerend. —ire, s. verweermtddel; verdedigende houding. on the —ire, verdedigenderwijze. Defer (de-far'), v. a. uttetellen; verschuiven; overtaten; v, n. dralen, talmen; (to) Mei houden aan, etch voegen near. —race (derur•ene), a. inschikkelijkheid; oaderwerping; eerbied (for). out of —ence to, uit boogaehting voor. —ent (derur-ent), a. leidend, voerend; a. geleider; vochthuis. —ential (def-ur-en'sjel), a. eerbiedig. —meat, a. nitatel. —rer, s. nitateller. Defiance (de-ferens), a. uitdaging; tarting; weigering. to bid — to, trotseeren. in— of, ten seijt yen. Deficience (de•fla'sjene). —cy, a. gebrekkigheid; ontoereikendheid. —t, a. —tly, ad, ontoereikend; onvolkomen; geb.ekkig. Defier, (de-farur), a. nitdnger, tarter. Defile, (de-fail'), a, rage pas. —, v, a. bezoedelen; onteeren; bederven; v. n. deflleeren. a. bezoedeling; onteering; bederving. —r, a, be. zoedelaar; onteerder; bederver. DOfin able (de.fajn'ibl), a. hepaalbaar. —e, v. a. bepalen; verklaren, omachrijven. —er, e. bepaler; verklaarder.: Defini to (def'i-ntt), a. —tely, ad. bepaald; vast. geeteld. —te, a. juist bepaald begrip. — fences.

Ellernift cone-nee era, ay. iv. to renu mtpr i to number melting. again —fag, v. renumbering. illerisnaer en, ov. w. to smear (to grace, to ilr.vrou,i, tan, ov. w. to reopen. —kg, v, re- blacken) egain, — anew. — ing, 7. scrizarilg o 1ieuta4;•. (aresaine, blackening) again. atiroreever rear, on. reconeuerer. —en, or, W. to ileeepeldien, ov. we to pin again. IlitrepePen, ov. w. to ploy over again. eeeongeee, — lag, v. reco,que,t• gliererbeht Cat, err. w. to for. (to hire, t0 rent) laseeepeiticat, 07. W. to spell over again. again. — jag, a. 'Owning (hiring) again ; renerol illerspeten, or. w. to spit over again. 23,,,philtvo, 07. 7V. to dig over again. vi a leave. Uersegeal k 10, 0 , . W. to pack 07, aga‘n. —tag.. lii,..fot..,k,s, rev. w. to prick (to eting) again. e plcicng over 111;0, 111,E"liii el, 0.3(enrerY; restoratiom; remedy, redresS. 03er;,...irein, on. W. to eblipi9 again. —bear, bv. reparable, reatorable, retrievable; alierteateeeo, ov. w. to lay (over) again. curable. --lea. cm . w. to replace; to ree,tablisii; Ilierpeell era, ov. W. 1,0 gauge (to eoend) ago.n.,1 tm repair, to restore, to retrieve; on. w. to re —lag, v. gaagiee (fa-reeding , egain. I co , er. --tee-, I, resto er. —ling, v. replacing;
948 doctrine of the Gospel; —predate, preacher of the Gospel; —word, Gospel. —lack, be. evangelical, of the Gospel. —let, m e evangelist. Even, by. — of oneven, even or odd. —,bw. even, equally, just; slightly; a little, a moment. tea het —, quite the same, indifferent, never mind. —*yacht —, stay a little. Evenner, zn, tongue; equator. Evonnardige be. eimilsr, homogeneous. — held, v. similarity, homogeneity. Evennr en, ov. w. to equal, to match, to balance —ing, v. equalling, matching. ievenbeeld, o. image , iikene,s, counter port. Eveneene, bw quite (all) the same, equally, likewise, in the same manner. EvengellUk, by. & bw. equal (-ly). —held, v. equality.

( a. hweegbaqrheid, pl. meuhelen, Mole (lajoel'), a. rnui:ezel, -dler; bastaard; roerende gcederen. —e (more), s. beweging; net. machine. —driver, muilezeldrtiver. —fern milt-e (mute), v. a. bewegen; treffen; vervoeren; voor- kruid. —twist., gesponnen garen. —teer stollen, ter sprake brengen; v. n. zieh beweger; a. muilezeldrbver. vertrekken; verhuizen. —eleea, a. onbewegeltjk. Mullehrity (mjoe-li-eb'rit-tih), a. vrouwelijk-ement, a. beweging. —er, a. beweger; aanzetter; held, haw bsarheid; verwij fdheid. voorsteller. —ing, a. —iugly, ad. treffend, aandoen- Mullah (mioe'lisj), a. muilezelachtig; koppig. roerend. —ing, a. drijfveer; aandrang. --ing- Mu!! (mull'), a. hoornen snuifdoue; mul, molm, ness, a. ronrendheid, aaudoenlijkheid. v. a. heeten en kruiden verzachten. Mow (mau'),..stapel,schelf,seheef gezicht.'—,v.a. Millie., Mullein (mui'lin), a. wolkruid. can lichee!' gezicht trekker'. —burn, v. n. bracien. Mull er (mul'lur), a. wrijfsteen. —et (-lit), a. Mow (mo), v. a. manien; v. n hasten. —er, s. zeeberbeel, baardviseh. metier. —lap het maaien. Mulligruba (mulli-grub,`, pl. darmpijn, nnijMown (moon), part. gemaaid. dingen; kwade luim. Mo xn (moks'e), s. indisch mar, moxa. M Mu!! ion (mull.), a. veusterktuis. —ock (-lab), Much (mutej), a. veel. —, ad. zeer. as — ngai,,, nog a. collate, puin. eena zooveel. by —, op verre na. in as — as, voor Mulaze (mule), a. wljnmede. zoo verre. in eo — that, soozeer dat. to make - of. Multangular (mult-en'gjoe-ler), a. veelhoekig. veel werk maken van. ;. t is — the same, het is bij na —ness, a. vealhoekigheld. hetzelfde. Multi capsular (mul-ti-ksp'ajoe-ler), a. vealMucld (nijoe'eid), a. mut, duf, echimmelig. —near. vakkig. —.mous (-kee'vue), a. met vele holten. dufheid; besehimmeldh.eid. —color (-tik'ul-ur), a. veelkleurig. ltlucilag a (mjoe'si-lidzj), a. sltimerig yacht. Multifarious (mul-ti-fee'ri-us), a. —ty, ad. me• —Ennui (-led'zji-nual, a. slijmerig., sitimacbtig. nigvuldig, verscheiden. —nese, r. menigvoldig-i210148.88 (-leclezji-nos-), a. eltimerigheid, elijrn- held. veracheidenheid. achtigheld. Multi fill (mul'ti-tist), .fidous (Air -1-dus), a. in Muck (molt') , a. veemest, drek. strontvlieg. vele takken gesplitet. —flavors (flo'rus , , a. ceei-heap, , —M11, meatboop, -vaalt. —sweat, sterk bloentig zweet. —worm, dret.ke,ver; vrek. —. v. a. mes- Multiform (mufti-form), a. ceelvormig. ten, bemeaten. —er, v. a. potten, sehrapen. —erer, (-form'it-tih), a- veelvormisrheid. (-ur.or), a. sebraper. —iness, e. vuilheid, mar- Multilateral (mul-ti-let'ur-el ► a. veelzijdne, eigheid. a, van, moraig. veelkantig. Mucous (mjoe'kus), a. slijmerig. —nese, a. alij- Ni(ultiloqu unto Imul-til'o-kwens), a. praatmerigheid, zucht. —ous (-kw.), a. praatziek. Mucro (mjoe'kro), a. punt, spits. —nated (-meet-id), 1VIultiviosnial (mul-tt-no'rni-e1), a. veelnqrnig. a. punti-g, spits toeloopend. Multipar °us (mul-tip'e-rus), a. veelbarend. Mute, lent (mjoe'kjoe-lent), a. slijmerig, teal. tile (-er-tajt)„ a. veeldeelig. —s (-kW, a. alijm, alijmerig yacht. Multiped (mufti-ped), a. duizendpoot. Mud (mud'), a. madder. — boots, baggerlaarzen. Multipl e (mul'tipl), a. veelvoudig; a. veelvoud. —fish, moddervisch. —lark, varken. —wall, lee- —iable (-ti-plaj-ibl),a.vermenigvuldigbaar.—icand men muur; bljenspeeht. —walling, bepleioeriny, (-tip-li-kend' ► , a. vermenigvuldigtal, —irate (-tipmet teem. —, v. A. in madder bedelven; bemod- li-ker, -tipli..ket), a. menigvuldig. —icatioa (-dur-ur), a baggerprsam. —died deren. (.tip.ii-kee'ejun), a. vermenigvuldiging. —icative (-did), a. bemodderd, —dity, ad, modderig, mot.- (-tap li-kee'tiv), a. vermenigvuldigend. —icator sig. —diners (-diners), s. modderigheld. (-tip li-kee'tur), a. vehmenig,uldiger. (.ti• verwarring; voile boat. Muddle imud'd1), plis'it-tih), a. menigvuldigheid. --ter (-tt-plaj-ur), v. a. drabbtg (troebel, bedwelmd waken; v, re a. vermenigvuldiger. —y (-ti-plaj), v. a & n, verin den madder wroeten, niorrelen. menigvuldir.n. Mudibly (mud'dia), a. modderig, drabbig, troebel. Multi potent (mul-tip'o-tent), a.ve,eivermogend. --brained, —headed, zwakhoofdig, stomp. —, v. a. —presence (-ti-prez'ena), a. tegeriwoordie,heid op modderig (troebel) maker. vele plaatsen to gelijk. —si/ignous ( -ti-ei I 'i-kwus)„ Mine (mjoe), v. a. 'Lie to Mew. a. veellobbig. —sonous (•tis'o-nos;, R. veeltorag. Motif (muf'), s. mot. —in (-tin), a. boekje. —syllable ( ti-BIPlibl)„ a. veellettergrepig wooed, Muffle (muf'11), e. kapdeksel; snort. --, v. a. MuitItud a (mufti-tjoed), a. ruenigte, lumoffelen, inhullen, wegmoffeleu (up); v. n. -inOtt8 (-tjoe'di-nos), a. men•gvuldig. prevelen, mompelen. —r, e. slater. rifultivalv a (mufti-velv), a. veelschalig Wier. Mug (mug'), a. drinkkroea; bakkea. —Image. bier- —star (-vel'vjoe-ter), a. veeischalig. hula. -wort, bljvciet. —gish —pp (-glti), Mutt lviotas (mot-tivn-us), a. met Vele wegen. a. vochtig, betrokkec. --ocular ( tolejoe-ler), a. veeloogig. Mulatto (;njoe-let'to), e. mulat. Multure (mult'joer), (het; rnaleu; maalloon.. Mulberry (multher-rili), a. moerbezie. —bliphi, Muni (mum'), a. tarwebier, mom. —, int. still moer1;eztemelde. —tree, moerbezieboum. Ems I — chance, dobbelapel; etomtnetje. Mulch (multsj'), a. half verrot stroo. Mumbl e (mum'b1), v. a. & n. mompelen, preMulct (mulktl, a. geldboete. —, v, a. beboeten. velru. —newa t nieuwskrarier. —er, a. mompelaar, —nary (..joe-e-rilt), a. betmeteud; - punishment, prevelaar. —wily, ad, mompelend. geldbome• Mumm (maim') v. le zich maskeren; atommetjc


illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler
zuivering, !outering;verfijning; bnarklooverir gea. onthaai. —ia (-Ii- et, p1. zinnebeelden der koninklijke macht. —ity (-gel'it-tih), a. boningmaaktheid. —r, s. zuiveraer; r3fflnadeur; verfij'chap. ner; baarkloover. —ry (-ur•ih), a. rsffinaderij. Regard (re-gaard'), a. bilk; oplettendheid, twitRefit (ri-fle), v. a. herstellen; laptalven, ting; betrekking; aanzien; opsicht. in — of, nit Reflect (rellekt'), v. a. weérkaateen; v. n. weeraanmerking van. mita — to, ten opzichte van —, kaetsen; (on, upon) terugvailen; terugdenkan aan; v. a. beachouwen; in aanmerking nemen; aehten; nadenken over, overwegen; to aanmerking neRangaan, betreffen. fkl, a. —fully, ad. opletrnen; zich ongunsttg uitlaten over. —eat, a. tend, zorgvuldig (of). —less, a. —teesty, ad. onwetrkaataend. —ion (-1Iek'sjun), a. weerkaatsing; oplettend, onachtzaam (of). —lames., a. achteweêrschiln; overdenktng; berirping. —lye, a. loosheid. weerkaataend; nadenkend. —or, a. straalbreker Regency (ri'dtjen•eih), a. regentscbap. overweger. Regenera cy (re-dzien'ur-e-siih), —tette,. (•et)-, Reflex (riTelts), a. omgebngen. a. toeatand van wedergeboorte. —te (-et), a. wedergaboren. —te (-eel), v. a. wedergeboren doen Refle x ibis (re tleks'ibl), a. weerkaatabaar. warden. ( ee'sjun), a, wedergeboorte. —ibility (-bil'it-tih), s. weerkaatsbaarheld. Regent (ri'dzjent), a. regeerend. a. regeerder. —ire, a. Zie Reflective. regent. —est, a. rsgentes. —ship, a. regeering, weder bloelen. Refloarieh (ri furls)), regentschap. u. terugvloeiend. Reflow lri Refluent (r.noe-ent), a. terugvloe'end. Regertnination (rt-dzjur-ml-nee'ejuu), a. wederontkieming. Reflinic (ri'lluks), a. ebbe. Reform (re-form'), e. hervo•ming. —, v. a. her- Real Bide (red'sji-sajd), a. koningamoord; koningantoorder. —men (-men), a. leefregel; bevormen; (ri-form`) weder vormen. —, v. n. beter worden. —ation (ref ur-mee'sjun), a,hervormingt heerschte naamval; wijze, stelae'. —meat, a. regement. —mental (-men'tel), a. regements-, verbetering. —atory (-e-tor-rih), a. hervormend. mental. (-men'telz), pl. uniform. her. —jet, a. hervormde; hervormer. —er, a, vormer Refract (re-frekt'), v. a. breken. —ion (-trek'. Region (ri'dajun), a. atreek, steer. Pjun), e. straalbreking. —ive, a. straalbrekend. Regis ter fred'zjis-tur), a. register; bijlbrief; registrateur; —store, regiateroven. —ter, v. a. re—evinces (-ur-lh), a. weerapannigheid. —orily, wetrapannig. gtstrreren, aanteekenen; aanmonsteren; —ship, ad. —ory, a. a. ambt van registrateur of griffier. —trar (-trer), Refragable (ref're-gibl), a. wederlegbaar. a. registrateur, griffier. —tration (-tree-sjun), a. Refrain (re-Preen'), a. refrein. —, v. a. weerhou(het) registreeren, —try, s. regiatratie; -kantoor; den (frees); v. n. Ifrom) zieh onthouden van. Ina chit ving, Re ream e (ri-freem"),v- a. weder in elkan der zetten. Refrangi ble (re-fren'dsjibi), a. breekbaar. Reglet (reglit), a. zetlijn„ —Nifty (-dzji-bil'it-tih), a. breekbaarheid (der R•egorge (re-gordzj'), v. a. uitbraken; wader inslikken. /lchtstralen). Refresh (re-fresh), v. a. ververschen, verfria- Regraft-(ri-graafe), v. a. op nieuw enten. schen; verkwikken. —er, s. verfriescher; yen- Regreet (ri-graant'), v. , op nieuw vergunnen. kwikkend middel. —meat, a. ververrching, ver- Regrate (re-greet'), v. a. opkoopen; atbikken. —r, a. opkooper; uitdrager. frissching; verkwikking. Refrigerant ;ra-frid'zjur-ent), a. & a. verkoe- Regreet (re-griet'). v. a. weder groeten; teruglend (middel). —te (-eet), v. a. verkoelen. —tion groeten. (•ee'sjun ► , a. verkoeling. —tire (-8-tiv), —tory Regress (ri'gress), —ion (re greRj'un), a. terugbeer. —ire (re-gres'siv), a. teru keerend. (-e'tur•rih), a. verkoelend. Regret (re-gret'), a. spit, lee women, verdrlet, Roll (rift), a. beroofd. berouw, (for), —, v. a, betreuren, sat hebben Refuge (re/Iced*, a. schuilplaats ; toevIneht. van. —fat, a. bedroefd. —fully, ad. met leedwe—, v. a. beschermen. —e (-joe-dzjiel, s. viuchzen, ongilarne. teling; uitgewekene. Regal ar (regloe-ler), a, —arty, ad. regeimatlg. Refulgen ee (re-furdzjens), —cy, a. geregeld- regulier. —ar, a. ordebroeder. —arity achittering. —t, a. —t/y, ad. glanerijk, achit(-ler'it-tih), a. regelmatigheid; geregeldheld. terend. —ars (-fern), pl. geregelde troepen. —ate (-feet). Refund (re-fund'), v. a. teruggieten; betalen; v. a. regelen, schikken,ln orde brengen. —action dehken; teruggeven. (-lee'sjun), a. regeling, schikking; 'reglement. Rer1111. able (re-fjoceibl), a. to weigeren. —al, —ator (-lee-tur), a. regolaar, inrichter; ,linger; a. weigering. —e (refloez), a. uitgeschoten; a. regulateur. uitscbot, afval. —e, v. a. & n. weigeren, afRegurgita to (reuediji-teet), v. a. weder alaan. —et, s. weigeraar. inalokken; v. n. teruploeien; overwerpen, Belot able (re- fjoelibl), a. wederiegbaar. ation loopen. —tion (-tee'sjun), a. wederuitwerping. (ref-joe tee',)un), a. wederiegging. —atory (-te• -inelokking; overvloeling. tor rib), a. wederleggend. —e, v. a. wederleggen. v. a. heratellen, 1Rehabilita te —er, e. wederlegger. weder bevoegd waken. —tion (-tee'sjun), a. herRegain, (re•geen'), v. a. herwinnen. stelling. Regal (ri-gel), a. —ly, ad. koninklijk. Regal e (re-geek)., a. koninkiljk voorrecht; ont- Rehear (IA bier') [irr.], v. a. wader hooren. —ing, s. nader onderzoek, herziening, haal. —e, v. a, onthalen; v. n. ,mullen. —ement,
UNS.—U.NT 331 Unmanned un-aund'), niet tan de zon blootge. UntbrIft Ily (un -thrift'11-11h), ad. —p. a. oarstet d. kwietend, onhuishoudeAjk. —tam (-1-nzie), s. lineup plied (un-sup-nlajd'), a. niet voorzien verkwisting, onhuishoudeltikheid. (with). —ported (-poort'id), a. niet onderateund. Unthrivina (un-thraj 'tieing), a. onvoorspoestig, —prettied (-pre3V), a. ntet ondetdrukt. ntet gedijend. Unsure (un-rjoar'), a. onzeker. Unthrone (un•throote), v. a. onttroonen. Unsurpassed (un•sur-pa3eV), a. onovertroffen. Untie, Ily(un-tardil-lih), ad. —y, a .ontijclig,ongeUltima ceptInte lun-sue-sept'lb11, a. onvatbaar legen; elordtg. (-di-nees), a. ontijdigheid; (of) —peeled (-pekt'act), a. Met verdacht. —pectin g slordt gheid, 1-pokt tang). —pici9us (-piej'ue), a. niet achter- Untie (un-tar), v. a. Joemaken. ontbinden. —d doalutg, argeloos. —tainable (-teen'tb1). a. on(-tarld), a. ntet gebonden, lob. houdbaar; onuttataanbase. —tained (-teend'), e. Untll (an-til'), pep. tot. —, con). totdat, voordet. niet on it ere tenn d not — to-morrow, niet v66r morgen. Unsvvaddle (un-ewod'd1), Unawathe (un- Uat Pine (un-tejle). v. a. van pannen ontblooten. sweeth'), v. a. loswInden, on( z w achte/en. Untitled fun-tlId'i, a. onbebouwd. Unswayed (nn-swesd',, a onbestunrd. Untlniel Ines§ (un-tajm'll•ness), a, ontijdigheld Utsswear (un-sweer') [tar], v. a. herroepen (can' —1/. A. & ad. outijdtg. red). Untinged (un-tinsijdn, a. ongekleurd; onbesmet. Unsweet (un-awlet"), a. ntet zoet; onaangenaam. Untired (un-tajed'), a. onvermoetd. Unswept (un-ewept'), a. ongeveegd. Untitled (un-tartld!, a. ongettteld; ongerechtigd, Unotvotilen (un-swoo! n'), a. °late. wollen. Unto (nn'toe), prp. tot, am Unaworn (an-awoorn'), a. onbeeedigd. Untold (un-toold'), a. ongezegd; °liveried; ongeUnnyeternatie (un-eia-tine-et'ik), --al, a. —ally, t31d. ad. Met steleetmatig. Untomb (nu-tona ► , v. a opgraven, nit het graf Untack (un-tek'), v. A. losmaken. nem en. Untainted (un-teent'idi. a. —ly, ad. onbeemet, Unborn (lin•toorn'), a. ongescheurd; ntet arr. vlekkeloos. -neve, a. vlekkelooehetd. cheurd. Untaken (un-tee'kn), a. ongenomten. — up, Met Untouched (un-tutejti, a. onaangeraakt, onbeingenorn•n. onbezet. wngen, nlet getroffen Untalked (un-taokt'), a. ongeapreken — of, on- Untoward (un-to'wurd), a. —ly, ad. migensinnig, vermeld. mug, weerepanntg, lactig; gemel(;k: verdriettg; *intent able (un-tee'rntbl), a. ontembaar. lamp, linked]. eigenztnnigheid, weernese, a. ontembaarheid. —ed (-teemd'), a. onge- epannigheld; verkeerdheid; lompheid. temd. Untrace able Inn-treeelb1), a. onnaepeurlijk, Untangle (un-teng'e), a. a. ontwarren. net nit to vorachen. —d (-treest,'), a. onbetreden, Unmanned (on-tend'), a. ongelonld. ongebaand; Met nageapeurd. Untaralabad(ux-taarnnajt),, a. oubezoedeld; cn- Untracta talae (un-trektIbl), a. —lay, ad. onhanverduhterd. delbaar. —bilitp (-e-bil'it-tih), —Menet., s.onhanUnt erred (un-tuard'), a. ongeteerd. del baarhetd. Untast ad (un-teest'id), a. ongeproefd. —ing, a. Untrained (u.n-treend'), a. onopgevoed; niet onserakeloos. derwezen; ongeoetend, Met afgettcht. Untaught (an-tent'), a. ongeleerd; onbedreven. Untrammeled (un-trern i mild), a. onbelemmeed. Untaxed (un-tekot'), a. onbetaet; onbeschuldigd; Untrans (arable (un-trens-fuelb1). a. Met over ongetashat. to dragen. !erred (-ford'), a. Met nvergedragen. Unteacb(un-tietsf) rim], v. a. adeeren. a. —latable (-lee't1b1), a ouvertaalbaar. —toted onleerzettm. (-lee'-tid), a. onvertart1d. —parent (-pee'rent), a. Unteaua (an-tlent'), v. a. ultspannen. ondoorechijnend. Unteerning(un-tiem'leng), a. oncruchtbaar. Untrav elled (un-irev'ild), a. onberetad. —erred Untemp tired (un-tem'ourd), a. ongetemperd. (-ark), a. ondoorkruiet. —ted (-temt'td)., a. niet In verzaeking gebrasht. Untried (n.n-trajd'), a. onbeproefd; onervaren, on—tint/ (-temtleng). a. niet uttlokkend. verhoord. Unten able (un-ten'ibl), a. onnoudeaar. —anted Untrimmed (un-trimd'), a. ongetoold, onver(-eat-td), a. onverpacht. —ded-tend'idi. a. z outlet. eterd; Met in orde gebracht. gautlir; onverpleegd. —der, a. niet tender, Itef- Untrod (un-trod'), —den(Arod'dn), a. onbstredim, delooe; Met malech. —dared (••durd), a. (mating& • ongebaand. boden. Untroubled (un-trub'Id), a. ongestoord; klaar. Unterrilied (un-ter'r1-fajd), a. niet verechrikt. Untru a (un-troe . ), a. —ly, ad. onwtar, valsch; onUnteated (un-temt'id), a.niet beproefd,ongetoetat trouw. Untethered (an-teth'ard), a. abet vaatgebonden. Untrues (nn-trues'), v. a. ontpakken, 'musket'. Unthanked (un-thenrkt'), A. —for. ntet bedankt. Untrust linerstun-truat'i-ness), a. ontrouw. Unthankful (nn-theng•foel), a. —ly, ad. ondank—worthy (-worth-ih), a. geen vertrottwen verbane. —xese,s. ondankbaarhetd. dteneud.—y, a. ontrouw, tronweloos. Unthawed (uti-thsod'), a. ntet ontdootd. Untruth (un-troeth'), onwaarheid. UntalnkIng(un-thhik'leng), a. gedaahtelooe. Untnn able (an-tjoe'nlbl), a. wanluldend —e Unthought fun•thgot'), a. —of, onv ►rwacht. (-tjoen'). v. a. ontetemtnen; ver warren. —ed Unthread (un-thred), v. a. ultrafelen. ( -tjoend'). a • ontetemd; ongestemd.
—spenning, earnest. —sregeering, theocracy. —sriik, kingdom of God. —vrucht, piety, fear of God. Godde lijk, be. & bw. divine (-1y). —lijkheid„ v. divinity. —loon, by. & bw- impious (-Iy), ungodly, wicked (-1y), devilish. —logeheid, v. impiety, ungodliness, wickedness. —leezen, (del, the wicked. Godetedene, o. (the) heathen deities. Godes, v. goddess. G odheld, v. godhead, deity. Godin, v. goddess. tle %dist, m. deist. —mi. „ v. deism. Gourd, o. goods, things; linen, clothes, luggage; wares, stuff; estate, possession, property. —, bv. good; kind; lit, convenient. —, bw, well, properly. —e Vrildag, good Friday. —e week, Paseion-week. nick to — &en, to pamper one's self, to hebben, to have to claim, to houden, to credit (to give credit) for. ten —e hnuden, to eacuee, to tabs in good part. — en wel, well tend good. Goedeardig, by. & tee. good-natured (-ly), benign (-Iy). —hid, v. goo nature, benignity. G.,,,edhiljeren, on. w, to keep well. Goeddadig, by. & bw. Zie Weldadig. Goeldoen. on. w. to indemnify; on. w. to do well. to please, to give pleasure. —de„ bv. & bw. beneficent (-1y). Goeddunken, on. w. to think fit, — convenient, to choose. o. pleasure, fancy, opinion, will. C cede, o.good. het — does, to do good, to do ghat is right. Gteedenoirsg, m. good-bye. —zeggen, or. w. to hid (to with) good-bye. Goederrn, o. my. tooth, —kuntoor, goods-department. —rekening, merchandise-account. —trews, baggege-train. —wages, goods-truck, frelpht-car. Gorderitieren, by. & hw. merciful ( - ly), element (-1y), gracious (ly). —heid, a. merelfolness, clemency, graeiousuess. Geetacigeeefeelh, be. benevolent, charitable. Geretteicits seer, Ail. —seer, v. well-wisher. —stip, by. & bw. favorable (-bly), kind (-1y), —sfigheid, v. favor, kindness,. Goedhorlig, by. & bw, good-natured (ly), kindhearted (-ly). —heid, v. good-nature, kind-heartedneem. Gordheid, v. goodness, kindness, favor. de — hebben, to be so kind. terwee,heiratten, oe. v. to preserve, to conserve. t. w. to behave bravely; to keep well. eic Ceteedig, be. —heid v. Zie Goedhtertig. G...dk tor airs, 01. W. to approve. —ing, v. approbation, approval. Goedkoop, be. & Lw. cheap (-1g), —held, v. cheapness. G,sedenek en. ov. w. to mike good, to make emends (to make up) for; to indemnify, to defray. —log, v. indemnification, defrayment. Goetdechiles, Lw. willingly, voluntarily. Goetbinsoedm, by. — etjn, to be of good cheer, bw. to be in good spirits. weer —, cheer up deliberately, in cold blood. Goedsprekeo, on. wo to answer (to be Security) for, to past one's word for,

—, v. a. & n. lovers, Hymn (him'), s. lofzingen. —ic (-nik), a. lofzangen betretTend. Ilyp (hip), s. zwaftrinoedigheid. --. v. a. zwaarmoedig maken. Hyper bolo (hai-pur'bo-le), s.hyperbool. —bole. (-1111), a. overdrijving. —bolie,—bolieal. a. —Wisely, ad. (-per•bol'llt-). overdraven, overdrkjvend, —bolize (-lajz). v. a. overdrijven; v. a. bij vergrooting apreken. —borean (-per-bo'ri-en), a. van het hooge Noorden; streng koud . —critic (-per-krit'ik). a. streng km,strechter, letterzifter. —critic, —ethical (-per-kriVik-), a. overdreven atreng, bedilzuchtig, Hyphen (haffin), s.. koppelteeken. Hypnotic (hip-not'ik), s. slaapmiddel. Hypochondria (hip-o-kou'dri•e), a. miltzucht, zwaarmoedigheid, hypochondria. —c, —cal (-dray'. a. miltzuchtig, zwasrmoedig. a. huichelarij, ge• ilypascri sy veinsdheid. —te (hip'o-krit), a. huiehel Aar, sebtinheilige. —tic, —tical. a. —tically, ad, (hiphuiehelachtig, schijnbeilie. Ilyposta sis (haj-pmete-sis), s. zelfstandig wezen, persoonlijkheid; nrine , bezinkmel. —tecal (•1,0-qteVikl), R. wezenlijk, persoonlijk. iiypothe cute (haj-pottei-keet), v. a. verpanden. —cation ( kee'sjun), a, verpanding. — sic, a- voorouderstelling, stelling. —tic, —gee, a. —tically, ad. (-po-thet'ik-), vooronderstellend. Hyssop (hiz'zup), a. hijaop. Hysteric (his-ter'ik), — al, a. van de moederkwaal; met zenuwthevallen beh,bt. —8, pl. moederkwaal; zenuwtoevallen. Ilysterotomy (hia - te-roeuni - mth)„ a. keizersuede.

Wat is 0x relayer


RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-
smettelijk. joe-us-), s. helderheid, duidelijkheid, klaarheid. Pestillen ce (peeti-lens), a. pestziekte, pest. —t, —ou, a, —ously, ad. espik'joe-1,heider, duidelijk, —tial (-len'sjel), a. pestaardig; verpestend, beklaar. (pur-spajeibl), a. uitwasembaar; smettelijk, boonaardig, verderfelijk. Pernbir able a. uitwa- Peatillation (pee-til-lee'sjun), a. lijnstamping, (-e uitwasemend. Pestle (pes'elr, a. vijzelstamper. sembaarheld. —anion (-spi-ree i ejun;, a. uttwatte- Pet (pee). a. gemelijkheid, kwade hula-, —utory ( e-tur-rih), a. de ming. — afire lieveling, troetelkind. —, v. a. vertroele pp uitwaseming bevorderend. —e, v. a. & n. nit- t. lam; elen wasetnen; zweeten. a. verbanning (pet'el), a. bloemblad. Persian dable (per-swee'dibl), a. overreedbaar. Petal (in het oude Syracuse). —aus, a. hiaderig. (to); —de (sweed'), v. a. overredea, overhalen (-at- petard (pe-taard'), a. springbus. overtuigen (of I. —der, a. overreder. —aibility breedgerande hoed; Marc a. (pet'e-sue), petasits bil'it-tih), s. overreedbaarheid; lichtgeloovigheid. eius-hoed; (boort van) koepel. (-sibl),a.overreedbaar;lichtgeloovig.—sion —fever, slakLeitte;s.overreding;overtutging.—streaa.—szte y, Petechial (pe-tVki-e1), a. gevlekt. koorts. ed. (-siv-), —sory, a. overredend; overtulgeimPeter (pi tar), a. Petru Pieter; mantelzak. --boat, —sivenees 1-siv-}, s. overredingskracht gevat; visscher8boot. —man, visacher op den Teems. Pert (purl', a. —4, , ad. wakker, levendik, Wij! ,- —pence, St. Pieterspenning. —wort, peterkruid. neuswijs; vrijpostig, onbeschaamd. a. Peti, air (pet'i-o-ler), a. van den bladateel. —ate Petrol urns; onbeschaam (-let), a nit den bladateel groeiend. —e (-oo1), v. n. behooren, aangoan. Pertain (pur-teeu"), ad. e. bladateel. Pertlnaci sans (pur-ti-nee'sjus), a. —.sly, (pet'ih), a. klein, Bering, halastarrig, hardnekkig. —ousness, a. — ty (-nes' Petit Petition (pe-tisj'un), a. verzoekschrift; verzoek. it-t1h), a. haisstarrigheid, hardnekkitheid. v. a. verzoeken, meek., —are, a. verzotie. geechiktheid, —cy, (pueti-nens), Pertinen re —er, a. verzoeker; adreasant. tend, smeekend. dienatig, paaeend., —tly, ad. a. gepa,theid. —t. Petre (prturl, s. Lie Nitre. gepast. --torso, a. Lie Pertinence. S. raking , —t, rettrei (pet'ril, pi'trill, s. stormvogel. Pertingen cy (pe-tres'sent), a. versteenend. Petrescent a. raliend. action (pe-tri-fek'sjun), —ication Pertness (purt'neW, a. wakkeeheid, gevatheid, petril kee'ejun), s. eteenwording; venteening. —active, neuewijsheid; driestheid, (pe-tririk), a. versteenend. —y (pet'ri-faj), Perturb (pur-turb'), —ate (-eel), v. a. store,', v. a. & u. vereteen.n. verontrusten. —ation (-bee'ejun),s.verontrusting; stoornis; verwarrink • —.ter (puetur- bes-tur), Petrol (pi'trol), —eunt(pe-tro'li-um), s. steenolie. Petrottel (peeruu-uel), a. ruiterpistool. —er, s. versteorder; verontruster. Petticoat (pet'ti-koot), a. vrouwenrok. —governBat• Pertuallou (pur-tjoe'zjun), 8. doorboring, pruikmaker. meld, vrouwenregeering. —ho/d.konkelleen.—penu. pruik. —maker, Peruke (per'oek). .ianer, galant, die onderhouden wordt. (pe-roe'zel), a. do,rbladering, doortePerils til m. den advokaat epelen, zing. —e, v. a doorbladereu, doorlezen; onder - Pettifog (pet-ti'fog), v. beunhazen. —per, a. slecht advokaat, rechtsver zoeken. —er, s. lezer; onderzoeker. Pern'eltsobark (pi-roe'vjen-baark). a. kinabast. draaier.—gery,s.rechtsverdraaiing,haarklooverii. petti 'sees ( et'ti-ness), a. kleinheid, geringheid . Perva de (pur-veed'), v. a. doordringer.—eiOn ty, ad. gemelijk; korzelig. —tallness, —ish, a. g —ire (-vee (vee'zjun), a. doordringin. s. gemelijkhe(d. —Roes (-tooz), pl. pooten van doordringend, ad. verkeer i; een speenvarken. —aely, se (puevurte), a. Perver Petty (peetih), a. klein, kering, onbeduidend. o halestarrig,8tug;verdorvennood.—seness,--sitar, -dip. (-vur'sjun), —chaps, brotaardnachtegaal. —coy, gemeerfroers. verkeerdheid; verdorvenheid. —gods, ondergoden. — jury, kleinet jury. 8. ornkeerIng; bederving. —sive, a. omkeerend; kruid. — madder, kruisblad. verdraaien; be- — ledger, briefportenboek. bedervend. v. a. oYnkeeren, walatroo. — mullein, wolkruid. — pan, derven, verleiden. —ter, a. verdraaier; bederver. — muguet, —tible (-vurt'ibl), a. te verdraaien; te beder- taartpan. —Rhine,beneden-Rn. — sparge,'wolfsven. melk. — tally, seheepsportie. — whin, atalkruid.
'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.
—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.

Hoe werkt Bitcoin waarde hebben

×