243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.

HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,

Wat is de tijd van de dag is het beste om cryptogeld kopen


ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),

brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.

gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

cryptogeld nieuws 247


Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Wat is cryptogeld Wikipedia


opkweeken; oppasien, koesteren; zoogen. —child, —a days (-e-doez , ; ad. heden ten dage. No way (no-wee), —ways (-wee.), ad geenszins, zuigeling. —garden, kweekerij, —maid., kindermead. —pond, 'Myer voor kunstmatigevischteelt. in geenen deele. eker; bevorderaar. —ry, a. kinderka—r, a. kwe Nowed (no'id), a. geknoopt, geNlochten. wee; kweekschool; kweekerlj. Now here (no'weer), ad. nergena. Nowise (no'wajt), ad. geenszins, in geenen deele. Nuraling (nure'lieng), a, voedsterkind. N.xiou3 (nok'sj qs), a. —ly, ad. schidelijk. —nest, Nurture (nurt'joer), a. voedeel; bpvoeding. —. v. a. op'oeden, grootbrengen. P. SCIIRde:likheid, Nti .i ,,zte, Nozzle (nor,"z1), 8. snult, Deus; twit, Nut (nut'), a. soot; mott (eener echroef); neut (van een anker). blind —, ledige noot. small —, wino° t, —beetle, notenbijter(tor) —bone,schipNas blferouas (Djoe-birur-US), FL. wolkenbrengend.
Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.
a. • Oif,4, hii. ,erloos, meltandelijk. —ousness, —y,s. eerloosheid, sehandelijkheid. Infancy (in'fen-sih), a. kindsheid; minderjarigheid. Infant (inIent), a. jong, jeugdig. s. Jong kind, onrnoudige. —school, kleia-kinderachool. —icide (-fen'ti-sajd), a. kindermoord; kindermoorder, -moordster. —ile (-tajl), —ine (-ajn), —like, —ly, a. kinderlijk; kinderachtig. —ry, a. voetvolk, infanterie. In fatigable (in-fetTgibl), a. onvermoeid. intratu ate (in-fet'joe-eet), v. a. verz©t waken, voorinnemen (with). —lion (-ee'sjun), a. verzotmaking; verblinding. In fens& isle (in-fie'zibl), a. ondoenlijk. —bility — bleness, a. ondoenlijkheid. Infect (in-fekti, v. a. besmetten, annateken. —ion (-fek'ajun), a. besmetting. —mous (-fek's)us), — ice, a. — jaunty, ad. beamettelijk. —iousness(-fek'sjus.), s. besmettelijkheid. Inlet. ad (in-fek'und), a, onvruchtbaar. — ity ), a. onvruehtbaarheiti. Infelicity (ln-fe-lis'it-tih), s. ongelu.,, rampspoed. Infer (in-fur'), v. a- afleiden; opmaken (from). —able, a. Zie Inferrib!e. —ence (in'fur-ena), a. g,volgtrekkine,.. Inferior (in-frri-ur), a, minder, lager, ondergeschikt (to). —, R. mindere, ondergesehikte. —ity (-or'it-tib), a. minderheid. ', uremia! (in-furinel), a. hell.), —, a. heibewonor, hetache geegt. laferrible (in-fueribl), a. op te waken, of te Iciden. infertil e (in-fur'til), a. onvruchtbaar. —ity (-fer-til'it-tih), a, onvruchtbaarheid. Infest (in-faX), v. a. verontrusten,kwellen, onveilig maken (with). --alien (-tee'sjun) a. verontrusting, —need (-urd), a. aterend; ingekankend. Infest- Iv a (in-fes'tiv), a. treurig. —ity(-tiv'it-tih), treurigheld. Infeudailon (in-fjoe-dPo'sjur), a. inbezitatei, ling (van een infidel (in'fi - del), R. onry loovig. —, a. ongelooOg,—itp (-dent- tih), a. ongelduf; tr. onweloosbeid. O .:. (111'ie
Duleteen, 'm. tuff. tuft, tophus, Duld "'Wk. be & bw. clear (-1y), plain (-ly), evident (-1y). distinct (-ly). —eli.itcheid, v. clearness, plaitinesii, evidence. —en. ov. w. to show, to explain; ten kwade to take amiss, — 111. --ing, v. explication, interpretationDull, v. dace, pigeon. —hale, pigeon-house. —fatten, sic Dufateen, —je, o. innocent girl. callers, to stave to pieces; Dulg, v. 'sieve• in to miscarry. in —en gooien, to stave; to overturn, to spoil, to mar. —flout, stave-wood. Dulkel ear, m• tumbler; diver, plucger, plungeoa. —en, on. w. to tumble: to dive, to plunge. —ing, v. tumbling; diving, plunging. Da1k all, on. w. to stoop, to yield; to dive, to lunge. —er, en. diver; plunyton; flood-gate; ( kind of) nail with a email head; —iclok, divingell. Duane, en. thumb; inch; hinge. onder den —, secretly, privately. order den — howlers, to keep a. eti. short, nit s n — zu:gen, to forge, to trump up. —handschoen, mitten. --(per, hinge; thumb-screw. —kleppers. castanets. — kruici, cash, ready money. —schroef, thumb-screw. —atak, carpenter's measure, rule. —glen, or. w. to thumb; to get, to pocket. —cling, in. thuleb; thumb-stall. —pje„ o. op zOn kiMilen, to have at one 's fingereends. Duke, v. down, sand-hill. o. (the) downs. —aardappel, potage gro wing in the downs.—helm. sedge, broom. —Agnt, side of the downs. —/conijn, down-rabbit, rabbit bred in the sand-bills. —maniac, game-keeper of the down. —rove, rose growing on sand-hills, Scotch ruse. —strand, sea-shore covered with sand•hils. —teed, sand of the ,low-so. —achtig, be. resembling !;owns. Desist, o. meal-dust; husks of buck-wheat.
The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age 

Hoe verkoop ik Crypto op Robinhood


For miners and enthusiasts though, litecoin holds a much more important difference to bitcoin, and that is its different proof of work algorithm. Bitcoin uses the SHA-256 hashing algorithm, which involves calculations that can be greatly accelerated in parallel processing. It is this characteristic that has given rise to the intense race in ASIC technology, and has caused an exponential increase in bitcoin’s difficulty level.
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld


verzolen; v. n. te vest gaan; trippelen, huppelen. —ed, a. met voeten. —ing, a. grand voor de voeten; steun; voet; grondslag; trod, (-doed1), s. Fop tfap'). a. fat, modegek. —doodle uilekuiken. —ling, s. saletjonker. —leery(-pe.rih), a. kwasterigheid; ijdele vertooning. —piste, a. —PighlY, ad. ijdel, verwaand. —pishness, s. kwasterigheid, ingebeeldheid. For (for), pep. voor, wegens, om; uit; near; ten coej. want. as —, wat aauzien van; gederende. betreft. bat zonder; ware het niet om. — all, ondanks. —all that, evenwel. — as much as, voor zoo ver; dewijl. oh, for..., och, dat er.... ware. — shame! 8Ci► aaM ul - want of, bij gebrek aan. —why, vaarom, wesha.lve. Form; a (for'idzj), stroopertj; voeder; v. a. atroopen, plunderen; nen' utrooptocht doer'. —er, s. voederatrooyer; voederleverancier. —iny, e. (he;) fourageeren. policienauts. Foray (fu-ree'), s. vijandelijke inval, Foraminous (to-rem'i-nus), a. met gaten. Worhear, (for-beer') [irr.], v. a. verdragen; nalaten, vermtjden; v. n. geduldigl zijn; ophouden, toeven; niet willen; tto) zich enthoudea van. --ante, s. nalatieg; uitstel; vcrdraagzaamheul. Forbid (for-bid") [irr.], v. a. verbieden; verhoeden. Heaven —, de kernel verhoede hetl —dance, ad. op ongeoorloofde a. verbod. a. beletael; a. wijze. —der, 8. verbieder. afschrikkend. Force (fours'), s. kroeht; geweld; nooddwang. by main —, met geweld. —s,e. krtjgomacht. —meat, gehakt vleeach els voice). —pump, perr‘pomp. —, v. a. noodzaken, dwingen; dringen; bedwingen; bernannen; broeien; openbreken; verkrachten. (a/oag) voortateepen. ;away) wegrukken, weg'dringen. (in. into) dringen in. (on.upon) opdringen; doorzetten. (with) versterken met. —d, a. —dly, ad. gedwougen. —dnesa, a. gedwongenheid. —ful, a. —fully, ad. krachtig, eeweldig. —less, a. krachteloos. Forceps (for'seps), a. wondtang. Fore or Ifoor'sur), a. dwinger; zuiger eener pump. —ible, a. --ibly, ad. krachtig; krachtdadig; geweldig; gedwougen; verbindend. Foreing (foor'siPtigli s. dwang; kunetigo iijpmaking. —house, broeikas. —pump, perapomp. Foreipated (Neel-peat-id), a. tangvormig. Ford (foord'), a. wadde, waadbore pleats; rivier. —, v. a, doorwaden4 —able, a. doorwaadbaar. Fore- (foor-) [in samentit.], voor, vooraf. — Wear, in de volgeude itamenstellingen,de uitspraak niet is aangewezen, daar,heeft fore den klemtoon. Foreatimonish (-ed-mon'isj), v. a. voorafwaarschuwen. Foreadvise (-ed-vajz'). v. a. vooraf raden. Foreappoint (-ep-pojnt'), v. a. vooraf bepalen. (-aarm'), v. a. van te Forearm. s. voorarm. voren wapenen. Forebod e (-bood"), v. a. voorspellen; een voorgevoe1 hebben vsn.—eniont, s. voorepelling; voorgsvoal. —er, a. voorepelJer. —ing, a. voorteeken; voorgevoel; a. voorspellend. Fore body, a. vooreehip. —boom, a. kluivcrboom. —bowline, a. foltke-boeglijn, —braces, a. fokkebrassen.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Wat gebeurt er als je dubbel Bitcoin besteden


N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.

A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,

Hoe werkt Facebook geld verdienen op Weegschaal


Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Zijn Bitcoins legaal in Australie


Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts
Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v
Voirelisic ,f0 re)Cak), a. gerecitteltik. Foreordain (-or- deen'), v. a. voorbescbikken. Fore part, a. voorste gedeelte; hoofd. begin; voorsteven. --passed, R. verieden. —peek (foot' piek), a. het (scheepswoord). Forepossessed (•pos-seat'), a. voorIngenomen. Fore-preventer-stay (•pre-vent'ur-stee), a. looze fokkestag. ForeprIze (-prole), v. a. vooraf schatten. Forerank, a. eerste gelid. ' Fore reach (-rietz)'), v. a. & n. voorbijzeilen, snelier zeilen dau (upon). —recited (-re-aartid), a. vroeger verhaald. Foreright, a. voorwasrtsch; vlug; ad. voorwaarts. Forerun (-run') [ire.], v. a. voorafgaan; voorloopeu. —net (-run'nur), 8. voorloopet; kwartierrnaker; vcorbode. Foresail, a. fok, stagfok. Fore say (-see') [im], v. R. voorzeggen. —see [irr.], v. a. voorzien. —shadow (-sled"o), v. a. vooraf afbeelden (sehetsen). Yore sheet, a. fokkeschoot. —ship, a. voorschip. Foreshorten (-sjort'n), v. a. van voren verkleinen. Foreshow (sjo"! [irr.], v. a. voorspellen; vooraf vertoonen. Fore shrouds, a. fokkewant. —side, a. voorzijde; fraai uiterlijk. —sight, a. voorwetenschap; vooroverleg; voorzorg. —sightful, a. voorwetend,voorzorgend. IF ores ignIf y (-sig'ni-faj), v. a. voorapellen, vooraf toonen. Fore skin, a. voorhnid. —skirt, a. voorpand. Fore slack 1-slekl, v. a. verzuimen. —slow, (-slo'), v. a. ophouden; vertragen; v. n. dralen, talmen. —speak (-spiek') [irr.], v. R. voorspellen, verWeiler,. —spent (-spent'), a. vernpild, uitgeput; voorbij. Foiresprit, a. voorspriet. Fore opurrer (-spuerur), a. voorrijder. —spy (-spa)'), v. a. vooruit raden (gissen)• Forest (for'est), a. boschaehtig, landelijk. a. bosch. woad. —law, wet op de houtvesterij, —ranger, houtvester. —age, s. boschgeid; bosehrecht. —er, s. houtvester; boschbewoner; hooch•achter. —ership, a. houtvesterschap. Forestall (-mtaol"). v. a. vooruit nemen; voorkomen; opkoopen. —er, a. opkooper. Forestay, a. fokkestag. —sail, s. stormfok, voorstengestagzeil. Fore tack, a. fokkehale. —tackle. s. sloeptakel. —tackle-pendent, a. fokkernaathanger. —taste, a. voorsmaak. Foretaste 1-teest'), v. a. voorproeven; een' voorsmash hebben van. —r (-teest'ur), a. voorproever. Foretell (-tell') [irr.], v. a. voorzeggen; v. n. profeteeren. —sr, (-tell'ur), a. voonegger. Forethink (-think') [irr.], v. a. vooraf battenken; een voorgevoel hebben van. Fore thought, a. vooroverleg, voorzorg. —token, a. voorteeken. Foretoken (-to'kn), v. a. voorbeduiden. Foretooth, s. voortand. Foretop, 8. iflilf; fOkkertlar,
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten; 

Wat is gratis Crypto


Netherlands (neth'ar-lendz), g.the —, de Nederlanden. New eastle (njoe-kaael), g. Newcastle. —foundland (Worland-lend, -faaund%), g. Newfoundland. —Orleans (-ar'llenz), g. Nieuw-Orleans. —stead (njoe'uted), g. Newstead. —ton (njoe'tn),m. Newton. —York (-jork'), g. Nieuw-York Niagara (naj.eee-re), g. the —, dl Niagara. Nicholas (nik'o-les),m. Nicalass„ NIk (nik), f. your Nicholas; Klass, N 'ger (n^)'gur),g. the —, de Niger. Nigriti g. Nigritie. Nile (ILI g. the —, de Nijl. Ninoveh g. Nineve. Noah (ncee),m.Noacti. Noll (no1)1,f.voor Arnold; Nol. Nomodes (1301We-die.), i. Nomaden. Norfolk (nar'fak),g. Norfolk. Nurntatt (noemen), a. Noorsch; i. NOOCIZAZI. dy, g. Normandii , . or way (nor-wile), g. Noorwegen. —teegion (.wi'dzji-en), a. Noorweegsch; 1. Noorweger, Noon —soieh g. Norwich. Nulhla (njoe'bi e), g. Nubie. —n, a. NuMeeh; L. Nubier. Numldla (niot-rnid'i•e), g. Numidie. --n, a. Nunoldisch; t. Numidier. Ni' nip (nump), f. voor Humphrey. Nyckin (nik'in), voor Isaacs.

honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.
the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Welke cryptogeld wordt het meest gebruikt


LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld


s. geheel; geheel bedrag. -ity -ness, a. (hot) geheel. '!'otter (tot'tur), v. 0. wat;gelen. Touch (tutsj"), a. gavoel; aroaralting; toetsing, bepeseving; toets; trek, gelaatstrek; street, penseeletresk; greep,aanslag; berisping; stock, wenk; betrekkingt zweem, welnigje; slag; Debts poping, aanval; aendoentog, aandoenlijkbpid. to keep - with, woorc: houden jrgena. -bath, stortbad. -hole, zundgat. -needle, toetanaald• -pan, pan (van een geweer). -atone, toetasteen, -wood %want (verrot bout).
klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.
NI A It . Marebpane (maarts l'peen), a. n.arsepein. Mareld (thaer'sid), a. mager, vervallen, uitterend. —ity (mer. sid'it- tih), a. reagerheid. Mare (meer'1,s. inerrie. —colt, merrievule -b. Margnr In (maar-ger'ik), a. — acid, parelzuur. —ite (maar'ke-rajt), a. parch. v. a. Margin (maar"dzjin), s. rand, kart, oever. op den rand sehrOven; random. —al, a. op den kant —ated (-eet-id), a. met een' rand of leant. kant. Margrav a (maar'greev), a. markgraaf. —i ate (me, gree'vt-et), a. markgraafachap. —ine (-pyre-vien), a. markrravin. Marigold (mern-g,00ld),..goudsbloem.— window, road kerkraam. Marinate (merq-rieet), v. a. inzouten. Marine (me-rien"), a. marine, zeewozon; zeesoldaat. —, a. van het zeewezan; zee-. — insurance. zee-assurantie„ — law. zeerecht. — officer, zeeotlacier. —r (mer'i-nur), a. zeeman. Marit al (rneet-tal). a. echtelijk; van een yehuwd man. —ime (-tim). a. aan zee gelegen; van bet zeewezen; zee.; — power, zeemogendheid. Marjoram Imaar dzjo'rem), s. marjolein. Mark (maark'), s. meek, kenteeken , sternpel ; blijk, bowitik; duel; mark. letter of —. kaperbrief. —, v. a. merken, teekenen, atempelen; opmcrken; aenduiden; v. v. opletten, atht geven. —et, a. meeker, markeur. Market (nutar'kitl, s. markt: prije. —hell, marktklok. marktdag. —folks, marktbezaekers. —house , verkoophuis. —maa. inkocper. —place, rnarktpla ats. —price, marktprbs. —tows, marktstad. —woman, markt-, koopvrouw. a• verkoopen; v. n. her markt arum. —able, a. verkoopbaar, gangbaar, gezocht. Marking (inaark'ieng). a. het merken. —ink. merkinkt. —iron, merkijzer. Marksman Irraarks'men), c. seherpschutter. Marl (maarl'), s, mergel. —pit, mergelgroef, v, a. taco mergel bemesten; marten.
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


knecht; klantenlokker. —et, 9. klopper (aan Clayes (klenz), s. horden. eene deur). Claymore (klee'moor), a. tweehandszwaard. Clean (klien) a. rein, zindelijk, zuiver, onschul- Client (klarent), a. client. —ed, a. met clienten dig. —, ad. volkomen, geheel. —, v. a. zuiveren, voorzien. —ship, s. clientschap. ( a. zuiverheid, zin- Cliff (klir), s. klip, rif; eleutel. —y, a. vol klipreinigen. pen. delijkhetd. —ly, a. btad. zindelijk, zuiver. —aces, Climacteric (klim-ek-ter'ik, a, trapjaar. —, a. s. zuiverheid, onschuld. een trapjaar betreffend. Cleance (klenz), v. R. reinigen (from. of); Beim- Ten, uitvegen. (away) uitwisschen; wegnemen. Climat e(klarmet.),..klimaat,luchtsgesteldheld. —ic (klim-et'ik), a. het klimaat betreffend. —r, a. reiniger; zuiveringsmiddel. Climax (klarmekm), a. npklimming. Cleansings (klenetengm), s, ve.egsel, vuilnis. Clear (klier , , a. holder, klaar, zuiver; duidelijk; Climb (klajm'), v. R. bekiimmen; v. n, klimmer. —er, a. klimmer; klimplant. onloochenbaar; openbaar; vlak; open; vrij, on- schuldig (from of); onparttjdig, —roast, veilige Clime (klajm), a. klimaat; luchtstreek. kust. —estate, onbezwaard goed. —, ad duidelijk; Clinch (klintsn, a. kwinkslag, zet, woordenspcI; a. ruimte van een gebouw binnen kram, houvast; lus. — of a buoy, ateek van den geheel, vrij boeireep. — of a cable, kabelateek. —, v. a. omde vier muren. klemmen; omklinken, toesluiten. to — a cable, Clear (klier'), v. a. klaren, zuiveren, verhelderen; nphelderen; banen; rechtvaardigen. — the table. een kabeltouw op bet tinker steken. —, v. n. de tafel afnemen. — accounts, de rekening klemmen, zich vastklampen. —er, a. klatnp, hou.vast; die anedig antwoordt. —er.work, s. vereff , nen. — a ship, in- of nitklaren. — a shop, klinkwerk. nitverkoopen. (away) wegruimen. ( from) ont• heffen van; zuiveren van. (of) zuiveren van. Cling (kling') [clung], v. n. aanhnngen, zich vast(nff) afdoen (achulden). (up) toelichten v, n. klampen (fa); (together) can elkander geheeht zijn. —y (•gih), a. klevend. balder (klaar, vrij) worden. (away) verdwijnen. (up) ophelderen. —age, S. wegruiming. —ance Clinic (klin'ik), —al, a, bedlegerig; klinisch. —, s. bedlegerige. (-ens) s. tolcedel. —er, a. opklaarder. —ing, v. a. doen klinken; s. rechtvaardiging, verdediging; § gerooide Clink (klink'), a. geklink. boschgrond. —ly, ad. holder, duidelijk, klaar- v. n. klinken. —er, a. klinkert (gebakken ateen), blijkelijk. —netts, a. helderheid; duidelijkheid; Clip (blip'), a. (het) schapen echeren; (de) wol van (Inc schering; § klap, bib. —, v. a. acheonschuld. ren, knippen; anoeien (geld). —per, s. schspenClear-sigthed (klier'sajt id), a. schrander. scheerder; geldsnoeier; clipperschip. s. -ness, a. sehranderheid. (het) snoeien, meheren, enz.; anoeist‘l; afknipsel. Clear-starch (klier'staartsj), v. a. stkjven. —er, § Clitchy (klit'sjih), R. kieverig, tool. a. stij fs ter . mantel; dekmantel. —, v. a. Cleatkkliet), 8. klatnP. - of the gangway, val. Cloak (klook•), bemantelen.• —bag, mantelzak. —loop, mantelreepsklamp. lug. —pin, hank in den muter. —twitcher, manCleav e (kliev) [cleft, elm, cleft. cloven], v. a. teldief. & n. klooven. splijten. § —age,. (de) break (van Clock (kink'), s. kink; Leek; bromkever; klink een' steen). —er, e. kapmes, bijl; kloover. (in cone Irons), what o'clock is it ? hoe loot is het? Cleave (kliev). v. n. kleven. —hand, uhrwijzer. —maker, ullywerkmaker. —setCledge (kledzj), s. bovenste laag van volaarde. ter, die de uurwerken regelt. —work, uurwerk; (lee (bile), n. klanw (van een' g es p 1 ten hoef), raderwerk. Clef (blot). a. muzieksleutel. Cleft (kleft'), a. kloof, spleet. —graft, v. a. in de Clod (kind'), a, kluit, klont, turf. —hopper, kinkel, lomperd. —pate, —poll, lomperd, domoor. spleet enten. —paled, a. dom. —ay, a. klonterig, kluitig. Cleg (kleg), a. paardenvlieg. Clod (kind), v. a. met kluiten werpen; v. n. kapClematis (klem'e-tia), s, klimplant. peleu, klonteren. a. goedertierenheid. Clemen ey (klem'en Clog (king'), s. last, belemmering; overschoen, a. —fly, ad. goedertieren. klom v. a. overlast doen; belernmeren, v. Clepsydra (klep'si•dre), a. waternurwerk. n. k onteren, stollen; gestremd zijn. —giness Clergy (klnr'dzjih), s. geestelijkheid. —man, (-gi•ness), rt. belemmerdheid, gestremdheid. geestel ijke. —ging, s. beletsel, belemmering. —gy (-gih), a. Cleric (kier'ik), —al, a. geestelijk. hinderlijk. Clerk (klaark'). s. geestelijke; geleerde; klerk; grittier; voorzanger; bonier. —ship, stand of ambt Cloister (klojs'tur), a. klooster; zuilengang. —, v. a. in een klooster doen. —al, a. kloosterlijk. van een' geemtelijke, geleerde, enz. Clever (klev'ur), a. —ly, ad. bekwaam, knap, Close (klooz), a. besluit; stuffing; rustpunt; Rta• king; gevecht. to come to the —, handgemeen handig, vlua. —, R. § goedig,, minzaam. —ness, worden. a. bekwaamheid. Clew (kloe'), s. kluwen; leiddra id; schoothoren. Close (kloos'), a. omheinde pleats; nauwe straat. —pendant, schootachinkel. —, v. R. (up) geien —, a. (Licht, gesloten; nauw, gedrongen, vet , en gorden. —block, geitonwblok. —garnet —line, eenigd; geheim, achterhoudend; somber, Pengeitouw. —piece, stootlap zaarn; oplettend; karig. to sail — by the wind, dicht NJ den wind houden. to keep a thing — , Click (klik'), a. getik; klink. —, v. ft. wegkapen; eene zaak geheim houden. —bodied, nauwslulv. n. tikken (ale een unrwerk). —cc, s, wankel-
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.
Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


Klatt. V. lump., clad. an On —en glwassen, tall, Kn.', v. gin, spring, snare; pinch, scrape. spanking. —bong, sling-bow. —achtii„ — 'g, by. Or. w. to pinch. to squeeze; to oppreas. —len, cloddy. v. pinch, squeezing. 114.9ulv en, ov. to pick, to gnaw, to nibble. —er, Kmiec:run, on. w. eon. Zie Knarsen, in. picker; —, —boom, jib, jib-town. —ing, V. Knetter en, en. w. to crackle. —tag, v. crackpicking, gnawing, ntboltng. ling. on. w. Co live nolltariiy, — like a her- Knent, v. linnet. —beam sparing-puree. —*sat, mit; to run hollow. —oar, m. herwit ; —eleven, linnet ''s'nest; hoard of money. —penning, hoardlife of a hermit ; solitary life. ed money. FiZungesii, v. slut, aloven; rag; trifle. —en, on. w. Kneukett, m. ens. Zie KisokliCer, enz. to tulle, to idle; to bungle; (end) to throw awry Kneuter, v. linnet. —oar, in. '-aarster, v. stamm. cudgel., clun. —en, on w. to cudgel. merer; mutterer. —en, on. w. to chirp, to war—horn, gingerbread. —vet, game of cudgelling. hie; to stammer; to mutter, to grumble. —ig,bv. —men, doggerel. muttering, grumbling; ruffled. --ing, v. chirping, Kissta, v. de — kwijt zUn, to be at olio '8 wit 'a warbling; stammering; muttering. end, to be out or acme. —en, ov. w. to beat up. Knells en, on. w. to bruise. —tag, v. bruise, —ei, battered cog. contuslc... K.111,11 C:12, o. clew. —en, ov. w. to wind on (to Knievel, m. cudgel; lever; toggle; paoking.stiek; make into) clews. gag ; mustachio; whisker (van ern (liar); droll; Knaeg dice, O. rodent. —ster. v. Zie Kneger. blade. Kehep, m. boy, lad, youth, yoLngscer; fellow, Knrvei oar, m. —aareter; v. extortioner. —ar(), chop; jack. —jeskruid, orchis. v. extortion. —en, ay. w. to bind, to pinion; llinabbell ear, in. —aarster, v. nibbler. —en, or. to extort, to exact ; to oppress. —board, true& on. w. to nibble. --ing, v. nibbling. tat...hes; whisker, —band, fetter; muzzle. —kg, v. lkirtftir en, ov. en. w. to gnaw, to fret. —er, m. binding; extort.. —ing, V. gnawing; remorse. rangs. Knibliel ease', m. —.rater, v. caviller; haggler, it;. crack, snap; injury, damage. --, be, higgler. —achtig, —ig, --air/c, be. captious, given offended, angry, (at). —, taw. crack I —ken, ov. to cavilling; hard in a bargain. —aektiAkeid, w. to crack ; to ininre. to impair; on. w. to enap. —.Mt, v. caption...8; being hard in a bargain. crecking-hamater. --king, v. cracking, —or;), v. cavilling; haggilng, higgling. —en,on. snapping; injuring, impairing, w. to cavil ; to haggle, to higgle. —ipel, bones. kernel, m. clap; detonation, report. --/en, on. w. --ing, V. Zie Knikbbelarkl• to clap, to thunder, to give a report. Knit, v. knee. —band, knes•string. —bank, has. m. crack; reap ; eating, sock. —bong, ham. gennftexion. —host, Komi), by. St bw. stnatt, clone; handaorne (-1y) ; knee. —lap, leather to keel upon. —achy!, kneesmart (-1y), dec'nt I-1y); clever Hy), able, ably, pan. —sink, pulley-piece; balf-length-pieture. nimble (-WY). —handig, he. & bw. handy ;-ityi, Kniei en, on. w. to kneel. —er, m. kneeler. dexterouo (Ay , . nimble bly). —handigheid, hand—ing, v. kneeling. inegs„ dexterity. —held, v. clevernesa, ability, ifin;ettoor, m.. & v. (ratter. abilities. —fey, bw. Zie Kum, Kolez en, on. w. to fret. to pins. —er, m. Keznp pen, ov. w. to awry; to catch; to crush, by. fretful. —lap. Y. fretting. to kill to pick, to munch; on. w. tin snap, to KnUlf, o. —nos, clasp-knife. clack. —bus, pop gun. —kers, hard cheery. --koek, Kni,lp, V. pinch. —en, ov. w. to pinch, to nip; to crisp gingerbread. —ail, fib, —sok, knapsack, oppress; or. w. to trim sharp. —rok, tight coat. —per, M. crisp gingerbread; lib. —perd, m. clever —tong, (a pair of) pincers. —er, m. pincher; fellow. claw; pinch-penny. —ing, V. pincher, nipping. Known en, on. w. to gnash —been, —clean, gris—ster, v, pincher; Plaoh - OanitY• tle, carttlare. —beenig, gristly, cartilaginous. Knilten., on. w. enz. Zie Knaexen, ens. —etanden, to gnarl, (to grind) one 'a teeth. —ing, Knik, nt. nod; crack. —stag, stay of the topv. gnashing. gallant-mast. —ken, on. w. to nod; to crack, to Kiss,ater, m. caniaier. snap. —kebsenen, to walk with bent knees. —keKnauw, na. gnaw, bite. —en, on. w. to gnaw, tones, to not with dozinetis. to enew, to munch. —or, In, gnawer, chewer, Knikker, m. entire; marble. —en, on. sr. to v, goawlot, chewing, munching. —eel, o. ploy at marbles; van de boon —, to supplant. any thing gnawed, — chewed. —spel, marbles. Knecht. ni. (man-) tern/ml, man, footman, wait- Knip, in fillip, tint; clip, cut. —, V. trap, gin, er ; asaistant, joarneymau. —skamer, servants' snare; hpring, wisp; bawdy. house. o. purse halL —slim-ei, servant'a livery. —Orion, servant's with a snap). —pen, ov. w. to fillip; to clip, to war;ea. —seh, by, bw. servile (-1y). eut ; to entrap, to catch ; to erect, to kill; on. o. little bry. —se/tap, o. servitude. w. to spring, to wrap., —betigel, snap (spring) of karol en, ov. w. to knead. —er, in. kneader. a purse —bears,. piece (with a allap), ciasp—ing. v. kneading. knife. —mats, xie Knoacepnanis. —nog, m. V. Kneesisiter, v. Ituerder. blinkatd, blinker. —angers, to blink, to twinkle. ilisseiris, V. pint,h, nip fold, plait ; waist ; trick. —oogje, blink ; twinkle. —sekoar, sciators. —slay. —mute, cap with a folded lace. fillip. —clot, lock with a spring (snap), spring. Knekeihuis, o. charnel-hou:e. latch. —per, m clipper, cotter; catcher; cracker.
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat was Bitcoin waard in 2012


D. Hand, v. dead, act, action. achievement. op hector betrappen, to take in the very act (deed). —cook, v. Zie Felt. Hangs, by. a day; on the day. des —, by day, by the day. — te voren, the day before. —daarna, the following day. Daagsackker, o. kedze-oucher. 'Meow/3h, by. doily, every-day.. Daagstsr, v. Zie Hager. Deal, v. pump-dale. [Molder, m. dollar, Dater, bw. there. vw. as, since, because, whereas. Dearaau, bw. at (on, to, about) :it, thereat, thereon, thereto. nonreader, bw. behind it, there bellnd. Demirel, be. of that, thereof. Doarbeueden, bw. down (below) there, beneath that, therebeneatb. Daarbenevena, by. betides (that). DaarbU,bw. thereat, thereto; isbr sides. DnerbInusn. bw . within there. Deerboven, bw. up (above) there. Daarbuiten, by. without (there); besides. Daardoor, bw. by (through) it, thereby. Daerenboven, bw. moreover, besides.
(-in'si dent), R. satrienloopend,overeenstemmend. CoHoeft to (kollo-keet), v, R. plaatsen, rangCoir (cojr), s. kokosnootvezels. schikken. —ton (-kee spin), a. pleasing, rangColstell (kojs'tril), s. melkmuil, lafbek. schikking. Colt (kojt), s. werpschijf. Collo') (kol'lup), a, lapje vleesch; kind, scotch Coition (ko.is'sjun), s. samenkomst; bijslaap, —s. kalfslapjes. paring. Colloquial (kol-lo'kwl el), a. —ly. ad. eene CoJoin (ko - dzjojn), v. n. zich verbinden. samenspraak betreffend. —ism, s. gemeenzarne Cojuror (ko - dzjoe'rur), a. die de geloofwaardig- wijze van spreken. I Colloquy (kol'Io kwih), s. samenspraak. heid van een ander bezweert. Coke (kook), s. coke; ontzwavelde steenkool. Collude (kol - ljoed), v. n.. samenapannen; bet Colander (kul'en-dur), s. sect, vergiettest; I eerie zijn. zijgdoek. Collo sion (kol-ljoe'zjun), a. verstandhouding. Colat Ion (ko - lee'sjon), s. doorzijging.., —sive, —sory, a. schelmochtig beraamd. —siveness, Colcothar (kol ko-ther), s. doodekop. I s. schelmsche samenspanning. Cold (koold'1, a. koude; verkoudheid. to catch —, Cony (korlih), a. kolenroet. —, v. a. met roet kou vatten. —, a. —ly, ad. koud, koel. in — I bemorsen; zwart maken. blood, in koelen bloede. —hearted, ongevoelig. !Colon (ko'lun), s. dub ► el punt; groote dorm. —short, broos. —ish, a. koel, koudachtig. —ness,! Colonel (kur'nil), a. kolonel. —cy, —ship, a. a. koelheid, onverschilligheitt. 1 kolonelschap. Cole (kool'), s. kool. —seed, , koolzaad. —wort, Colonial (ko-lo'ni-el), a. koloniaal. — produce, sproitkool. koloniale waren. Colic (kol'ik), a. darmjieht, koliek. Colon let (kol'un-nisi), a. volkplanter, kolonist. —izati9n (-ni zee'sjun), a. vestiging cener yolkCollaps e (kol-leps'), v. n. instorten, ineen- planting. —ize ( najz), v. a. tot eene kolonie krimpen. —ion ( lep'sjum), a. instorting. Collar (kol'ler), s. halsband, kraag; holster; vormen. —y, e. volkplantine, kolonie. rollade. —, v. a. bij den kraag vatten; een' Colonnade (kol-un need), a. zuilenrij. halaband omdoen; rollade maken. —beans, Colophony (to lorun-nth), s. spiegelhora. d•arshalk. —bone, sleutelbeen: —day, galadag. Color (kul'ur), s. klertr, serf; glimp; voorwendCollate (kol'leet), v, a. vergelijken (with); na- ; sel. —s, a. vaandel. —, v. a. kleuren, verven; lezen; aanstelten (to); begeven. 1 bewimpelen; v. n. blozen. —able, a. —ably, ad. schunhaar, achoonschijnend. —ation ( ee'sjun), Collateral (kol-let'ur-el), a. —ly, - ad. evenwij- dig, zijdelingsch, zijdelings. s. verving, kleuring. —i/c (kol ur ink), a. kleurend. —ing, a. koloriet; schoone schijn. —jot, Collet Clan (kol leesjun), s. vergelijking; ker- kelijke. aanatelling; tusschenmaal. —tor, s. a. kleurenmenger, meester in het koloriet. vergelijker, begover van een kerkelijk ambt. —less, a. klenrloos. Colleague (kol'lieg), s. ambtgenoot. — (kol- Coloss al (ko los'sel), —eon (kol-oa si'en), a. lieg'), v. a. vergezellen; vereenigen (with). reusachtig. —us, a. reuzengestatte. ColstalT (kol'staaf), a. draagstok. Collect (kollekt), a. inzameling; gebed. Collect (kol-lekt'), v. a. verzamelen; opzamelen; Colt (koolt'), s. veulen; onervarene, —, v. a. fopincasseeren; afleiden, besluiten. — one's self, zich pen; v. n. huppeleu. —'s-foot, hoeiblad. --'a-tooth, melktand. —er, a. kouter. —ish, a. dartel, uitherstellen. —aneous (tee'ni-us). a. vergaard, bijeengebracht. —ed, a. —edly, ad. aamengevat, gelaten. bedaard, —edness, a. bedaardheid. —ion (kol-lek' Colubrine (kol'joe Orals), a. slangachtig; argsjun), s. verzameling; gevolgtrekking. —ive, a. listig. —ive/y, ad. verzomelend, gezamento,—ine noun, Coition Wiry (kol'um be rih), a. duiveutil. —bine, verzamelwoord. —or, s. verzamelaar, guarder. (-bajn), a. duivenkleurig. —bide, s. liehte violetkleur; akelei. Collegatary (kol-leg'e-to-rih), s. mede-erfge- Column (kol'um), a. mil , kolom; kolonne. noon, College (kollidzj), a. collegie, kweeksehool. —ar (ko lum'ner), a. zuilvormig. Collegi al (kol-li'dzji el), a. van een collegie. Colures (ko-ljoerz'), 8. kruiskringen. —an, —ate, 8. lid VR11 eras collegie; student. —ate, Conan (ko'me), s. staapziekte. Comate (ko-meet'), a. kameraad. R. een collegie hebbend; church, stiftskerk. Contrite (kom'et), a. harig, haarachtig. Collet (korlit,), a. ringdas. Collide (kol lajd'), v. a. tegen elkander 8IRRII. Coanatous (kom'eAus), a. slaapziek. collier (kolljur), a. kolenwerker, handelaar; Comb (koom'), a. tram; vollei; honigraat, carry —, -schlp. —y, to. kolengroeve; kolenhandel. roskam. flax —, heket. —brush, kamborstel.,fish, Colligation (kol-li gee'sjun), a. samenbinding. kammossel. —, v. a. kammen, hekelen. —er, a. kamnaer, hekelaar. —ing-cloth, poeiermentel. Collimation (kol-li mee'sjun), to. (het) mikken, (het) aanleggen. Combat (kum'bet), s. gevecht. single —, tweegeCollIngual (kol-ling'gwel), R, dezelfde teal belt- vecht, —, v. a. bevechten; v. n. atrijden. —ant, s. strijder. —ant, a. strijdend. bend, Colliqua Clam (kol-li kwee's(un), s. smelting. Conshln able (ktim-bornibl), e. vereenigboar. —ation (kom-bi-nee'sjun), R. vereeniging, ver—tire (-lik'we tiv), a. ameltend. binding,. —e, v. a. bijeenvoegen; v. n, zich Colliquefaction (kol-li-kwe fek'sjun), R. at mensmelting. verbinden. Con► l► ost lisle (kum•bus'tibl), a. verbrandhaar Collision (kollfzjun), a bot,in:;. .
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-
beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

cryptogeld events


Lel au(egr al (in'te.g..'1), a. —ally, ad. geheel, volledig. —ant, a. aanvullend, tot het geheel behoorend. —ate (-greet), v. a. g.eheel maken. —ation (-gree'sjun), a. volledig-, geheelmaking. —ity (-tee'rit-tih), a. volledigheid, gehealheid; rechtochapenheid; zuiverheid; echtheid. Integument (:n-teg'joe-ment), s.bekleedsel, huleel; vlies, }raid. intellect (in-til-lekt'), a. veratand; verstandelijk vermogen. —ion (-lek'sjun), a. (het) verstaen. —ive, a. verstandelijk. —ual, a. —ually, ad. (-joe-el.), verstandelijk, denkbeeldig. —uals (-joe-etz), pl. verstandelijk vermogen. Intellig dice a. verstand, Inzicht; berieht, naricht; verstandhouding; —office, adreakantoor. —eneer, a. berichtgever; nieawsbled. —ant, a. —catty, ad. verstandig, ervaren. —ential (-zjen'sjel), a. ventandelijk, geestelijk. —zbility (-zji-bil'it-tih). —ibleness, s. verstaanbaarheid. —ible, a. —ibly„ ad. verstaanbaar. Intemper aliment ( in-tem'pur-e-ment), s. ongesteldheid. —ante, s. onmatigheid. —ate, a. —ately, ad. (-et- onmatig, overmatig (oak van het wader). —ateness (-et-), —ature (-e-tjoer), a. onmatigheid; overmatigheid (ook van het weder). Intenable (in-ten'ibl), a. onnoudbaar. Intend (in-tend'), v. a. beoogen, bedoelen, voorhebben: bestemmen (far). —, v. n. van plan zijn. —ant, a. opzichter. —edly, ad. voorbedachtelijk. —meat, a, voornemen, oogmerk. Intenera te (in-ten'ar-eet), v. a. verzichten; verteederea. —lion (-ee'sjuu), s, verzachting; verteedering. Intens a (in-tens'), a. —Ply, ad. gespannen, aterk, }wig; ingespannen. —eness, —ity, a. hevigheid; inspanning. —ion (-sjun), a. innerlijke kracht; spanning; hooge greed. —ive, a. —ively, ed. gespannen, werkzaam; ingespannen; versterkend. Intent (in-tent'), a. bedacht, geepannen, gretig. (on. upon). —, a. oogmerk, voornemen; to all —a and purposes, in alien deele. —ion ( -ten'sjun), a. bedoeling, oogmerk; inspanning- --ional, a, —ionally, ad. (-ten'sjun-el.), opzettelijk. —ive, a. —ivaly, ad. aandachtig, oplettend. —ness, s. icagespannenheid. Inter (in-tur'), v. a. begraven. inter. (in'tur) [in eamenst.j, tusschen. Waar, in de volgende sarnenstellingen, de uitepraak niet is aangewezen, daar heeft in den kleintoon. Interact, a. tusschenbedrijf. Intercala r (in-tur'ke-ler), —ry, a. ingelaacht. —te (-leet), v. a. inlasschen. —lion (-lee'sjun), s. inlasaching. Intercede (-sled'), v. n. tuaachenbeide komen, ‘oorspreken ((with for). •—nt, a. bemiddelend. —r, a. berniddelaar. Intercept (wept'), v. a. onderscheppen, afenijden. —ion (-sep'sjun , , a. onderachepping, afsnijding. Intereess lust (-seslun)', s. tusschenkomst, bemiddeling. —or (-sesisure. s. bemiddelaar, voorspraak. —ory (-mes'sur-rih), a. bemiddelend. Interchain (-tejeen'). v, a. aaneen schakelen. Interchange, s. ver-, afwieseling; railing; ruilhandel; verkeer,
LIC. 521 nese; giddiness, dizziness), —vaardig, by. & bw. by. & bw. charitable (-fly). —rijkheid, *barites light (-ly), rash (-Iy), inconsiderate (-Iy); wan- bleness. —teat, language of love. —eavontuur, ton (-Iy); profane (4). i—vaardigheid, light- amorous intrigue, love•affsir.`—sverklarieg, decnese, rashness, inconsideration; wantonness. Duration of love. —loos, by. & bw. uneharitable profaneness. —rind wild fellow. —similes, bv. & (-b1 ). —loosheid, v. unolitiritableness. bw. light-minded (- y), Sale (-1y). frivolotts(-1y), Lte eltik, bw, lovely, charming (-IA. thoughtless (-ly). —sinnigheid, lightnese, tickle- sweet (-1y). —held, v. loneliness, charmingness. nee., frivolousness, thoughtlessness. —ekooi, Lune, ce sweetheart, dear. love. prostitute, harlot. —eltie, bw. lightly, easily; Lletet, by. dearest, most beloved, favorite; poetslightly, nimbly; poselley. siest. bw. rather, best. — Met, rather not. Lichten, or. & on. Y... to light, to give light; Writ debt AI ket ? which do you like beat ? to grow light, to shine, to lighten; to lift, to 1..telfste, Tn. & v.dear, love, beloved; sweetheart. roles, to bears; to 'sty; to lighten, to take off, Lieg an, or. & on. w. toile. hseten—, to give the to ease; to weigh (het anker); to cause a copy lie to. —sr, mr,iler. to be delivered. de hand to make 013e). af- Mee•, v. lyre, hurdy-gurdy. —dieht, lyric poem. fitinvit. de band — met, to net little severity in I —dicker, lyric poet. —ipeler, ale Lierenseas. to do carelessly, to bungle (to hammer) up.' —sang, ode. —.man, lyre-man. iemand den root to supplant a. o.; to put Lterlanwv, by. lukewarm. —en, ov. w to make a. n. 's noes cut of joint. —d, by. luminous., lukewarm. shining, bright. Line, v. groin. —break, inguinel hernia, bubonoILlehter, m. lighter. —geld, —loon, lighterage, eels. —Devoe', bubo, —klier, inguinai ,gland. —man, lighter-man. —eediss, lighter. —ontsteking, inflammation to the groin. Licht held, v. —igkeid, v. lightness; clearneee; Lip v feting, m. & v. darling, favorite. —s-,i n endues., facility; giddiness; wantonness, levity. Iamb favorite. —ing, v. lightening; levying. raising; levy, 11.11e,ven, ow. w. to love. Lid, o. lid, Joint, alticulstion, limb; member, Liewer, bw. rather. — hebben,to like better. fellow; arti s te; degree, gensration. —roe, 1.1esserd, tn. darling. grass. — slant. so. & v. nitrober; o. limb. —moat- Etevertede (•ast), bw. by little and little,grasehap, membership. —rotting, bamboo. —water, dually. synovia. —wooed, article. leteseertie,o, little &aline% Lied, o. song, ballad, hymn. by. insipid. —, o. deinty, uusubstential Linden., rn. inv. people, wen, folks. dish; stuff, kick-ehsw, fiddle-faddie —fen,ov.nr. Lieder en, o. mv. songs, hymns. —bock, song - to flatter, to fawn, to tondo. —ferii, v. fhttery, book„ hymns-book. —aichter, lyrical poet, com- fawning. pover of songs. —tale:, singing-society. Llg ggese, on. w. to lie; to be situated, — seated; iLtederii,ik, be. & bw. negligent (-1y), careless to be; de wind is gaan —, the wind has abated; (-Iyi, disorderly, loose ( iy), elattIsh (-1/), lewd to kuis —, to board, to lodge; school —, tii be at (-1y). dissolute (-Iy), debauched. —held, v. doe school; voor tens stud —, to be encemped before orderly conduct, looseeese, sluttishness, die- a town; moor anker —, to ride at anchor; op solutenees, debauchery. sterven —, to be at the point of death; leen CledJe, o. little song, tune, ditty. —szanger, —, to leave untouched; — can., to depend upon, —*songster., ballad-singer. to be owing to. —dagen.. runsting-days,lay-days. Lief, be. dear, beloved; precious; lovely, hand- —geld, lying-mousy. —pleats, lying-place. —fend, some, pretty. o. se eetheart, dear, love. del Irv. lying, situated; real. —ging, v. situation; is my —, I am glad. in — of leed, in weal or bedding. woe, once Neve Hes, our blessed Lord. oats litre v. lee. aan ilea. eau — trallen. to fall aYrosito , the blessed Virgin, our Lady. moor — lea. in de — Aix. to be at a pinch, to be in a scrape. nemee, to make up with. —dadig, Or. & bw. charitable (- big), beneficent (-1y).—dadigheld, v. LUslefUk. by, & bw. passive (-le); tolerable (-bly), charitableness, charity; gestickt van —, asylum, 'sufferable (-bly), endurable. —heid, v. passiveness; aims-house. —hebben, to love. —hebbend, loving, tolerablenese,eufferableness. affectionate, —hebber, —he5ster, lover, amateur, LtJde-n, ow. & on. w. to sutler, to endure, to fancier. —detber(i, love, fancy; favorite occupa- undergo; to tolerate, to bevy, to last, to dote. tion, curiosity. —koozen, to corset, to fondle, ik mag bet wel —, I have no *objection to it. ik to stroke,—kooser, caresser. —hoozer(i, caressing, lean hem niet I ennnot bear him, I don't fondling. —hosing, caressing, blandishing., car- like him. —, o. suffering, sufferings, distrese; ems. —Warn, to blandish. —oogen, to ogle. pant.. —sbeker„ —sketk, cup of suffering. —tulip, affable, courteous. —taligheid, v. an- geschiedenis, htetory of the passion of Christ. billty, courteousness. —tallig, lovely, amiable, —steket, passion-text —.week, passion-week. gracious. —talligheia, v. loveliness, amiableness, —d, by. plosive; suffering (age, of with), *Mcgraciousness. ted (sae, by. with). ILIefsie, v. love; charity. —band, tie of love LUdee, M. —es, v. sufferer; patient. brand, — glued, —vuur, flame of love. —dienst, ILUdzanna, by. & bw. pat ent ( ly). —held, v. piece of friendship, friendly service. —drank, patience. philter, v cahrarroi --mrciodk love-potion. o .k ;0,74 bteol lir,;oiwuoifrobn; love-feast; voe.tiagf
Alwln (aal'win), m. Alewij n. Amelia (e-mee'11-e), w. Amalie. Amazon (em'e-zon),g. Amazonenstroom. ( Ambros • (era'brooz), ra. A mw. Amhroeia broblus. —ia America (e-mer'i•ke), g. Amerika. —n, a. Arnerikaansch; i. Amerikaan. Amiens (eml-enz, i-an), g. Amiens. Amor (ee'mor), my. Amor. Amos (ee'inoe),m. Amos. Armour (e-moern, g. the —, de Amur. Amaphton (em•farun), m. Amphion. Amsterdam (em'etur•denah g. Amsterdam. Anacreon (e-nek'r1-un), m. Anacreon. g. Anam. Anam lee'nem, Anatolia (en e•to'll-e), g. Anatolie. Andalusia (en-de-ijoe'zji-e), g. Andalusia. —n, a. Andalueisch. Andes(en'diez), g. the —, bet Andes-gebergte. Andrew (en'droe), m. Andrien, Andreas. Angelus (en'dzje-lue), r. Angelus. Anal as (eng'glz), i. Anglen, Angelen• —ican (-gli-ken), a. Anglikaansch. Anu (sal, —a (lie), —e (en), w. Anna. Anselm (en'selm), tn. Anselmue. Anthony (en'tun-nih), m. Antonius, Anton. Antilles (en- tirliez), g. the de Anti ilea. Antioch (en'ti-ok), g. Antiochle. Antony (en'tun-nib), m. Zie Anthony. Antwerp (ent'wurp ';, g. Antwerpen. Apennines (ep'n-najnz), g. the —, de Apenn1)nen. Apollo (e-porlo), my. Apollo. —nia (-ul-lo'ni e), w. Apollonia. Arabella (er-e-belle), w. Arabeila. Arab (er'eb, ee'reb), f. Arabier.
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


Dore, en. thirst (rear, after, for, of). — hebben, Doorwroeten,or.w. to root up; to rummage. to be thirsty. —ex, on. w. to thirst, to be thirst Doorzanlen, or. w, to intermix, to intersperse. (nate, after, for). —ig, by. thirsty; dry; —maker', Donrzagen, ov. w. to saw through. to excite thirst. —tr gheid, v. thirstineas; drought.; Doorzeakken, on. w. to sink through, to give Doe, nt. dress, attire, array. —sen, or. w. to dress, way. to Attire, to array. Doomslien, or. w. to break by sailing against; to sail over, to pass sailing; on. w. to sail Dot, v. twirled knot, clew. Donarilire, v. dowager. through. Doorzenden, ov.w. to send through, to forward. Dotaw, tn. push, jog. —en, ov. w. to push, to press; 'in inn-Inds hand —, to slip into a. o. 'a Doorzetten, or. w. to push, to go through with, to set to; on. w. to persevere, to make haste. iitso. dozen. —deafer, bad poet, poetaster. Doorztebt, o. perspective, prospect, perusal, Dhoazinl. —schilder, dauber, sign-post-painter. --worker, inspection; penetration, sagacity, kunde, dioptries. —fg, hr. transparent. diaphanous. —igheid, sorry workman, bungler. Dra, bw. soon. a. transparency, diaphaneity. Doorzlen, ov. w. to see to.rourh, to look over; Dread, no. thread; fibre, filament; grain (van hout); wiry edge (van een me.); o. wire, can ;mite. to peruse, to review; to renetrato, to see (to go) ken, to thread a needle. roor den —tamest, to to the bottom of. appear; to say one's mind. —bus, —User, drawDoorzliften, ov. w. to sift. ing-plate. —koget, cross-bar-shot. —navel, wire. Doorzltjg en, or. w. to strain, to filter, to perpin, wire task. —pep, poppet. —tang, wire-pliers. colate. —kg, Y. straining, filtration, percolation. —trekken (het) wire-drawing. —trekker, wire•oorzitten, or. w. to wear out (to gall, to wound) with sitting. drawer. —trekkerif, wire-drawing; wire-drawingmill. —vorinig, filiform. —work, wire-work, flitDoorzoak en, or. w. to search, to examine, to scrutinize, to explore. —ing, v. search, examina- grane. filigree. Draag boar, bv. portable. —bear, bier, litter, tion, perquisition. hand-barrow. —bat, hod; trough. —balk, beam; Doorgondligen, on. w. to to on sinning. girder. —band, belt; strap, suspender; tines. Doorzulten, or. w. to pickle; to intersperse. —boom, —stok, shaft, carrying-pole; litter-bar. Doorzweet an, or. w. to sweat through, to per--korf, hamper, dosser. —loon, porterage. —rim, spire. Doorzwelg en, or. w. to swallow; to spend, to ridge-band; main-braces. —stoel, sedan-chair, palanquin. —lijk, by. & bw. supportable ; tolerable waste. —er, m. spendthrift. —lijkheid, v. 'supportableness, tolerableDoorzwerven, ov. & on. w. to range (to ramble) ness. through. Dread, in. turn, twirl, twist; turning, winding; Doom, v. box, case. tlikken —, grape shot. wat slap, blow, box on the ear. —bank, lathe, turnstint — tube., to be a knowing (skilful) man. bench. —bat, swivel-gun. —beatel, gouge. —boom, Doov e, m. & v. deaf person. —en, ov. w. to put out, to extinguish; on. w. to go out. —Weld. turn-stile,turn pike.—bord,rafAing-board.—brasg, turn-bridge, owing-bridge. —hot*. —stroont,whifiv. deafness. —tug, v, extinguishment. pool. —loot, turning-cage, —kunst, art of turnnooks') febriek, v. box-manufactory, —Cream, ing, turnery. —orget. barrel organ —rerp, stay, v. box-shop. —maker, m. box maker. tie. —eekilf, potter's wheel, fusee; turn-rail, Dop, m. shell, hunk, cover. pas tat den — homes, switch. —spil, spindle, capstan. —spit, jack. to he very e young. —ersot, green-pea. —jet, o. my. spectacles, barnacles; — =don, to spend, to diesi- —scot, turning-staff. —tot, whirl Tgig. —seer*, turner's wares. —wind, whirlwind. —en, os. & pate.—Jesspet.juggle.—pen .ov. w. to shell, to husk; on. w. to turn, to twirl, to twist, to 'Mid; to to measure, to gage (een sekip). —per, m. gager. lathe; to roll; to coil; to change, to prevaricate; Dor, be. dry, withered, barren, arid; tedious. to shuffle, to use tricks; imand can red vow' do Doren, m.Zie Doom. popes —, to east a mist before a. o.'s eyes; sink. Dorbeid, v. dryness, witheredness, barrenness, jos —, to play the truant. —es. m. turner; shutaridity. fier, trimmer. —er(, v. turning; shuffling. —ing, Don.. o. village. —sgeistelOke,—eeerato,—spredikant,lcountry-parson,village parson. —sherbet's', v. turn, twist; giddiness, swimming. country-inn. —shale, village-hall, common-hall. Drank, m. dragon; kite; vixen. den— states met, to banter, to deride. sougd, country-youth. —sicermi e, country-fair. —asekeoi,country.school.—seekont,country judge, Drool titer, r.Zie Droller. Drab, v. dregs, lees, grounds, sediment. —big, by, bead-borough. —aehtig, by. rural, rustic. thick, dreggish, dreggy. —bigheid, v. dregginess. Dorpel, m. threshold. Dorp snag, m. & v. —er, m. villager. —set, Dracbt, v. load, burden; garb, dress, costume, fashion; pregnancy; litter; suppuration, matter; by. rural, rustic. gumminess (van de °open). —.loge's, sound thrashDoer en, on. w. to wither, to fade. —ing, T. ing, — drubbing. —ig, by. with young; suppufading. hesd, v. pregnancy. rating, running. —ig Dornela, m. thrashing. —.Amur, thrashing-barn. Dradig, hr. thready; stringy, fibrous, filamentous. —ttici, thrashing-time. —vlegel, flail. —vloer, thrashing floor. —ea, or. w. to thrash; tool —, —held, v. stringiness, tougnness. to pluck a crow. —er, ni. —ster, v. thrasher. Drat, m. trot, trotting-pace; ground-malt, hoeswash, swill. op ten —le loopen, to run fast. ' —sing, v. Unlashing.

Gab (geb), a. mond; gesnap, —, v. n. aneppen. Gabardine (geb-er-dien."), a. vilten mantel, regenmantel. Gabble (geb'h1), a. gesnap. gewawel. —, v. n. kakelen, wawelen. —r, s. babbelaar, wawelaar. Gabel (gee'b1), a. accUns, impost. Gabion (gee'bi•un), a. rchanskorf. Gable (geetli), a. (spittle) Revel. baby (gee'bih), a. dwaas, malle vent. Gad (ged'), a. staafje steal; metelen punt; graveeratift. —, v. n. straatslijpen, lanterfanten; (about) ronddrentelen. —bee, horzel. —der, a. straatslijper. —ding, a. rondloopend. —dinggossip, rondgaand praatje, Gaff (ger), a. gaffs]; harpoen. —arm, onderste nok der bezaansroe. —fall, gaffelval. —hauliard, piekeeal. —topsail, gaffeltopze;l. Game (gerftl, s. metalen hasespoor. Gag igeg 1, 5. mondprop. —tooth, boventand. —, v. n. den mond atoppen. Gage (geedzji, a. 'oliderpami . PitdAtrin,;; )l)Popc.


(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Waar kan ik kopen online Bitcoin


'271 maiseerbekken• —brush, lielteeAwaet. —case,' Shell (aj-,iri, a. plank, bord; vak; andplaat,klip, actieerdaoa. —cloth, acheerdnek. —glass, ,, cheer- harde grand. —piece, verbli.iding,klos. —il, a. vol apiaget. seheermes. —tub, snipperbak, klippen of zansIk ► nken. —s tiengs), p1. epeenders ; Bet-pliers; schaafeel. ; Shell Weir), s, ischil, schwa. dap; sche!p; romp Shaw (ejao , ), 5, 6...hie, Ivan eon huts); buttenzOde; tier; sour, ateekbtad mikvogel. Shawl (IOW), a. ajaal. goat, Angora-gait. (van cen'degen). —almond, kraaltainandel. —fish, Shawn,. lejaorn), a. achalinei. scbetpviecn- --gold, setielpgoad --toe, rieholiak. She NO), pr. zi,j, wijje. —ass, ezelin. bectr,, —assail, huisjetielsk. —work, schelpwerk. —., v. a, berin. kat. —cousin., nicht. —friend, vrien-,, schilien, &wren, schillig, sch, ereu —y, din. —goat, Keit. —neighbor, bunrvrouw. —ser-; liK, vol ,,elietpen; vast, dienstunagd. —*Jaye, alavin. Sheller (ej.el'tur), a, heschutting; achuiiplaats; Sheaf (agar), a. achoof; bundel. —, v. a. tot' heacherming. —, v. a. bedekten; beachutten, beschoven binden. —y, a. ale stub achoven, aehern,u (froml; v. n. schuilen. —er, a. bescliutShear (sjier') [shore, shorn Olooro)], v. h. ache- ter, beecheriner. —less, a. onbeschot, zonder beran; afsnijden, masien. —man —er 14.1301,4,1er. schutting. master_ —water, etornivogel. —icy, C. het t-elic- Shelv e oijelvi. v. a. op eene plan;i zntten ; ren) —time, schaapschering. —ings -ictigz), p1. v. n. athellen — ing, a. sch,ti ► , hellend. —ingneas, iteheerwol• -8 lajierati, pl. schaar• a. schuinte- ---y, a. Shend (sjead), v. a. to groado richten,bederveo; a. scheede; rlettgelsAild. ischeedevogel. —razor, orgelptjp (eene schelp). beriipen. —scaie, bladvliea. —winged, actitldvietigelig. Shepherd (siep'urd), 5. sei,tapherd,„ --!'s club, Sheath e (cjietli'), v. a. opsteken, in de scheede wolkruid. —'8-cress, steenkers. —'s-dog, herdersstekeni van eene Ncheede voorzien; bekteeticri, tiond, —'s-needle,naaldkruld.—'spouch,—'s-purse, overtcokken, dubbelen. —ing, a, ► ekleeding, dubtaachjesitruid , iterder,,tasch. 's-rod , wilde baling; aptj kerhuid. kaardendistel. --ess, a. herded, —let, a. berSheviive 0.1 1 e 0 1, e. tichijf (1a eerie katral); —hole, derlijk. acknjfgat. Sherhet (sjuebit), a. socket. Shed (sje.1), a. loads, lint, werkplatit, Sherd (8)11,1), 8. Zie Shard. Shed (sjed'i, [shed], v. a. vergieten, etorte,n; of- Sheriff (ejer'if), a. sheriff', ,chant• —ally, --duos werpen. — teeth, de tanden verwisselen. —, v. L. (-dum), —ship, a. ambt (gebied) oven eau' -sheriff. uttvallek. —sea, atortzee. —der, atone, wick (-wilt). a. schonregebted. Sheets (ejten'), a. helderheid, glans. —y, a. helder, Sherry (ajer'rih, a, Xerea-wi;n. glineterend. Stew (ajo), a. '3, v. a. Zie Show. Sheep (ejlerl, a. schaap. —, p1. ischapen. —cot, Shlde (njajd), a. stuk hoot, blokje. —fold,nehsapekooi. —hook, herdersstaf. —leather, Shield (aeld) a. echild. —, v. a, b,scherinen, echapenleder. —master, schapeofokker. —pro, beschutten ,from). Behapenhok.—'d-nye.ltefdelonit. — shock s trompet- Shift (sjife), a. vera,dering; uitvItieht, kumitateek. —'s.head, se ► apekop. —shearer, 8 01,4, green, redmiddel; schicht, laag; vrouwenhernd. scheerder. —shearing, sehaapeckeren. —shears. to make —, zich moeite tteven; moeite beblien; p1. schaapachaar. —skin, schapevel. —walk, (with) ',nor lief nernon, zich beheipen. to put achapenweide. —isle, a. --Wily, bedeead, one to his last —, ieniand tot het uiterate brenblonde, onnoozel. —ishness, a. blobbeid, onnoogen. —, v. a, veranderen, verwiaselen; verldeezelheid. den; verstuwen; verbodam , n. (away, off) 'itch vau Sheer (ajler'), a. zuiver, fielder. —, at', plot.den hale achuiven; ontwijken. v. n. eensklaps. —, A. afvalling, giering; zeegt, ten; zich verachoonen; draaien, uitvluchten zoesprang, —draught, —plan, len 'tette/tete, langsteeken; zich behelpen; zorgen; omsehieten (van den kening (van eon uchp, —hook, vriterhaelc. —hulk, wind). —er, a. slime kw's.; kokamact. --log, maetlichter. —lashing, naating der bokkebeenen, n. —ingly, ad, sluw, loos; — sand, origzand. --line, atrook-, deXitjn. --plank, potdekeel. —less, a. hutpeloos, radcloos. —rail, Wet van bet patdekoel —stroke, boven- Shilling (ejtPlieng). a. (engelache) schelling. ate plankeugang. bovenberghout• — , (sj1111h•ejel'iih), a. weifelend, v. n. gieren, avallen, rich verwlideren; (off) aarzelend. afhouden; zich wegscheren. —8 (siter.), pl, hok- Slslly (sjaj'iiii,) ad, Zie Shyly. kebeenen; to break, —, het eliageren vermin- Shlu {oljta'), 8. scheen. —bone, scheenbeea, deren. Shine (ajain), a. schkin; glans; helder wetter. Sheet (ejlet'i, a. beddelaken; brad, pleat, eel; Shine (sjajn) [shone. ,sj000)], v. n. v/akte; (van are zeii). —anchor, plechtblinken anker. —block, sehootblok. —cable, Wee/it- antic, Shingle (ejingigL„ s, (.1,kspaan. v. a. met touw. —copper, bladkoper. —iron, plaadizer. plattelteldekapaLen dekken. —s, —knot , achooteteek. —lead , 1.6od in rol!cn• steenen; bpringend your (huiduicalag,. —lightning, a. vreerlicht. --stoppers, p1. school- Shin int (sk i uteng), —.9, a. glin,terend, blinstoppers. —, v. a, met lakens beleggau; avertrekkend, —brig, a. nekijn,,e1, glans. acheep gain. ken; bedekken. —ing, s, overteek; beddelinnert. Ship 004, ', s. setup. to take Shekel (ajek'1), a. take/. (taunt). —board, schcepeplank: scheepsboord. —boat, Shel drake (Oen/reek), a. roodkop (wilde wean - ). aloep. scheepsjongen. —booker, scheeps—duck(-dub), a. roodkop (wilde send), makelaar. —builder, —wright, scheepmbouivinees-
satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •
SLA.—Si.O. mans) au, (tooth,' ag. — house, 31achthuls. —man, slachter. v. a, vermoorden,ramalen, alaeht,u. --er, a. slaehter, naoordenaar. —ous, a. moorddadir,. Stave (Aeo,0), 3. Waal% slavin. — holder, ,, lavenhou dee. — ship, air,enhaalder. — trade., slaveuLandel. v. n. z•oegen. —r, a. slover,zwocger; slavenschip. Slower (siev'ur), 0. kvii,j1, apeokool. —, v. a.bekw ijlen; v. n. — er, a. kmijI Slav ery ad.Filaarso, —;shness, a. els.afue Wield. Slay (,le,') [slaw (s1,). slain (sh.tenrj, v. a. dodders, v.,rinoorden, olachten. --er, a. moordenaar, sla0ter. Sienve (sti,v;, a, verwarde, onv,,,twijnde 7,13de; strew"; zikie; knoop. —, v. a. op w inden, haspalen; bereiden. — d, a. ongespohnen, raw. Sleazy (strziti), a. dun, l;clst van mtoffen). Sled (ale , i), c, mlede. —, v. a. strict,. Sledge (14lectr.j), a. arnidshamer,,cde. (stiek' i a. glad, blinkend. — stone, ilk-, wrlifsteen. —, v. a, glad rnaken, polipte.n.—ness, a. giadheid; gian°. SI,ep (alic,p), s. sloop. Sian a (aliepl [slept], v. n. alapen. (away) veralapen. (upon , zieh beslape.n op. — er. a. ',lapel.; druiloar; tiNV:t est t)fti k. -iegger. —ity, ad. —y, a. siaperiR; slaapvermekkenl. — iness 0-nessj, a. slaperigheid. --ing, sa. slaps; .,d; — partner, stille vennoOt; — chamber, — room, alaapkamer, — lees, a. dopeloom. — lessnes,, a. alapolougheid. SI,e1 ( jachtsueenw. —„ v n. atofhagelen, ljzele . —y, a. fijn sneeumend, mottend. Siteeve ts. now. to laugh in one's — , ztja vuistje laehen. -- band, manwlvlordsel, — board, persphnk. —knot, mnuwmtrik, —d, a. mat mouwer, — less, a zonder imouwen;ongertjald i zot, iv Id (aleed n ., v. a. 'hie to Step. (s lee' a. sled, —iwg, a, vervoer op al ,?,den; 81,de,art; Sie4;10 (mlhjt,' a. bedriegelijk, misleilend, —, a. kuosturvep, ),ehendigheid. —y, a,. —ity, ad. listig, slum. Sle,ndier (sien'dur), ft, — to, ad. dun; rank, clank; optchtig; eels cast; gering. — ness, a. dunheid; rankheid, apiehtIghei4; sehraalheid; geringheid. Sley (mieej, a. weverskarn. —, v. a. in draden seheiden, haP Weft. Shea; tilajt4), s. aneedje, schijf.le, moot; epatel;
[...] the Debt Agency endeavours to allocate the orders placed by the co-leads and the selling-group members on the basis of the following criteria: 1. the order is placed by an investor who is not yet registered in the ledger of lead managers, 2. the order is of excellent quality and represents true diversification or is placed by an investor whose loyalty the Agency is particularly keen to secure. debtagency.be
,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
445 —masa, —revel, regimen, diet. —wear, —waren, eatables, victuals, provisions. —stet., v. Zie Eter. Easily, v. century, age. —feed, jubilee. —jaar, secular year, jubilee. —wet, secular game. —rang, secular song. Etnawlg, by. & bw. eternal (-ly); perpetual (-1Y). —depend', everlasting. perpetual. —held, v. eternity; van — tot —, for ever and ever. Effeetan. o. mv . stocks, public fund.. —leers, stock •exchange. stock-market. —haute, stookjobbing.—itandaaar,stock-jobber. —houder,stockbolder. —srakelaar, stock-broker. Ellen, by. even, level, fiat, smooth; plain, concolor; grave, demure; cleared, settled. — stieje, revise grave-airs. —en, ov. w. to make even, to level, to smooth; to clear, to settle. —heid, v. evenness, smoothness; plainness; gravity,demure-ing, v. levelling; setting. Eg, v. harrow. —balk, harrow-beam. —amid, edgetool-maker. —tend, tooth of a harrow. Egel, m. hedge-beg. Egelaatler, m, eglantine, sweet-brier. —bloom, —root, eglantine, eog.rose. Egg a, v. harrow; edge. —en, ov. w. to harmw. —er, nt. harrower. Eggerlg, be. acid, sour. sharp; blunt. —held, v. acidity, sourness; bluntness. Egglg, be. set on edge. Egging, v. harrowing. Ego Isms, o. egotism, —sat, m. egotist. —istieek, be. egotistical. El, taw. ah I indeed ! prithee! pray! El, o. egg. tech! —, boiled egg, rats-egg. run --, addled egg. —even, o. rev. eggs; spawn (ran clack), —road, ter. & o, oval. --rot, choke•fte.l. —eornsig, oval, egg-shaped. —wit, white of an egg, glair. —witten, ov. w. to glair. —witetof, albumen. Elér loop, m. —sous, egg-sauce. —dop,—eekaal, egg-shell. —dople, egg-cup. —leanest, oviduct. —kook, fritter, omelet. —koker, egg-boiler, eggcotter. —trooper, egg-man. —brans, —atok, ovary. —leggend, oviparous. —lepatje, egg-spoon. —1)jat, cadger. —mind, egg- basket. —neje net to boil eggs in. praise, horse-plans. —rek, egg•rack. —stok, ovary. —ntruif, custard. —vrosw, egg-woman. Eiger', be. own, proper, (the) very same; peculiar; accustomed, natural, innate; familiar. rich maken, to make one's self conversant with. Elgenaar, m owner. proprietor. Etigesinarilgi, be. & bar_ peculiar (-1y), proper (•Iy), natural (-Iy). —e apreektotise, —heid,v. peculiarity, particulvity; idiotism. Elgenaree,y. owner, proprietress. Eisen bunt, v. selfishness, self-interest. —batig, by. self-interested. Elgenbehaagnlk, by. self-conceited. Elgenbelang, o. self interest, personal interest. —oockend, selfish. —cooker, selfish person. Elgendons, m. property, possession. —areoht, right of possession; letterkindig —, copy-right. —stelbk, by. peculiar, proper. —melülcheid, v. peculiarity, property. ElivendunkolUk, by. & bw. arbitrary (-sly). hairs, v. arbitrariness.
Foote (foot), m. Foute. Foreland (foor'lend), g. Voorland. Forth (North), g. the de Forth. Fortuna (for- tjoe'ne), my. Fortuna. France (fraane), g. Frankrijk. Isle of —, Mauritius. Fran cos (fren'siez), w. Francisca. —cis (-sin), m. Francisens. Franconia (fren-ko'ni-e), g. F ran kenland. Frank (frank'), f. soor Francis; Frank, Frans; i. Frank. —fort (-retort), g. Frankfort, —lie (-lin), m. Franklin. Fret (fret). g. the—, de Euphraat. Fred ((red"), —dy, f. voor Frederik; Freek, Frits. —crick (-ur-ik), rn. Frederik. de Fran French (frentsj'), a. Franech; 1, the sr hen. —man,i. Frans,hmen. Frihurg (fri'burg), g. Freiburg. Friesland (frlez'lend), g. Friesland, —er, s. Friel. Fuld (told), (foerds), g. Fulda. Fuller (fui'lor), tn. Fuller. Fallon (fooPtun), g. Fulton. Funen (foe'nin), g. Funen.
Bijloop, m. concourse; assistance. —en. on. W. to run along with; komen —, to run (to flock) to. er, In, assistant, supernumerary, scullion. HU We, o. little axe; ship-wright; sapper. Bijnanen, Y. mock-r000n, aratelene. Hijntengen, or. w. to intermix, to admix, to intermingle. — lag, v. intermixture, aaratAturs. admixtion. BUnit, bw. almost, nearly, about. BILInnarat, m. surname, nick-name. BUnernen, ov. W. to take with, — over and at , ove. Blpitvgraterk, o. by-end, by-view, private view. Ilijoorznak, v. by-reoson, secundary canes. IllIjeettard,o. relay-horse, led-horse, Iltiaptatt, o. by-path, by-way. 11Upakken, ov. w. to pack by. 131,jitte.sen, ov. w. to pay in addItioa, to supplyIleipbaneet, v. Ratellite. 1111kjeeteenen, ov, w. to reckon (to count) to. Ellireeepen, or. w. to call to. iiiklieellay en, ov, w. to plane a little, Ittieeliteten, ov. w. to contribute, to supply, to pay one 'is shore; on. w. to come into the mind, to occur, to rtrike. BUschikken, or. w. to range with; nu. V. to draw near, to approach. BUschtlderen, or. w. to pfiint a little. Ilkisehotitelen, or. w. to hoe P. little. HUsehotell, rre. by-ditch. BUsehelft, o. device, motto, inscription, marginal note, explanatory text

Kremlin, v. crown, pate; top, summit; tuft. —punt, —step, zenith, —.whoring, tonsure. bw. ereepingly, by stealth. Krulin ten, on. w. to creep, to crawl; to cringe; to sneak. —get, —hot, lurking-hole. —haantje, —hennetje, chicken of a small. breed. —era.!, be. creeping, crawling; cringing; pedierte, reptiles. —er, m. —eter, v. creeper; sorry walker; cringer; blockhead. Kruk, o. cross; cross work; lower part of the beck, rump, neat, cod-piece; croup, crupper, aeries, sharp; grief, effiletion. — of /mint, cross or pile. —afnemaing, descent from the cross. —band, cross-beam; cross-cover, band. —beeld, crucifix.; diaper. —been, rump. —berg, mount Calvary —bee, —bezie,!‘,00seberry. —besseboom,woonaberry.baeb, —betting, cross-piece 31 the bits. —beog, cross. bow. —boom, pairna christi. —broeder„ —draper, cross-bearer, sufferer. —dogma, rogation-week. —distel, sea holly. —dood, death on the cross. —doom, buck-thorn. —secant, apostle. —etadsa, ten guilders. —Awe& cross, wood of the cross; beam. —kerb, crone-church. —Mantis, cross-beam. —boot, charcoal. —kosiin, exoss-bar-window. bring, colure. —loan, croea-alley. —leer, doctrine of the cross. —net, square finking-net. —pact, standard of the cross. —pad, —weg. cross-read. —pooq, port of the gunner's room, —ra, mizzen, yard. —racy*, cross-her- window.—rientepurcingie. —echerp, cross-bar-shot. —see*, transom. —anemic, crucial (transvereel incision. —stack, cross. stitch. —steng, mizzen-topmast. —atraat, cross-street. —stab, loin. —tomtit, —roaart, cruisade. banner of the cross. —',smarmier, cruisader. —verkeffing, a xvltatton. —rindeng, invention of the renal. . cruciform, cross-eliaped. —werk, mizcross-work. —wits, teijee, crosswise zen-topee.11.—tettsreep, eal„ mizzen-tepsail•hallard. Kruiselluge, bw. crosswise. across. "(ruin en, or. w. to cross; to crucify; on. w. to cruise. —hock, —plaats, cruising-latitude. —punt, intersection. —timid, erniee. —er, m. cruiser. Krulalpg en, ov. w. to crucify. —ing, v. crucifixion. Kruluing, v. crossing', cruising. Krule)r, o. croelet; obelisk it). Krselt, 0. gunpowder, powder. — OP de pane gel" miog. —bum, gunpowder-box. —damp, smoke of gutipow der. —boors, —horen. powder-horn. —hula, powder-ioagazine.powder-miii, —kamer. powderroom. —last, powder-cheat. —koker, powder-case, charge of a gun. —lantaarn, dark lantern. —Lepel, cbargsng-ladle. —meet, measure for gunpowder. —inagt:zijn, —toren, gunpowder-magazine. —maker, gunpoorder-maker. —molen,—stoof,gunpow. der mill, —ton, powder-barrel. --teagen,powder cart. firullevagesse, m. Zieonder Krullen. Krutteutunt, v. balm-teint,eurled mint. Kruk, m. bungler, poor hand; sickly person. v. snitch; perch; pommel; handle, crank. winch. —ken, on. w. to use crutches; to languish. to be sickly, — ailing. —ker, m. one that walks with crutchee, sickly person. --big, bv. sickly, ailing. lingering. go; Kriel, v. our% 'scroll, volute; .flo
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


Yearn (jien'), a. —ling, a. ong, tam. —, v. n. Jongen, lammeren. . Year (flee), a. jeer. in —s, bejaard. —book, jeerbock. ---ling, a. eenjarig; a. eenjarlg beast. --ly, a. & ad. jaarlijkseh; jaarlijks. Yearn (jurn'), v. a. bedroeven, grleven, v. a, hunkeren, smaehten (for), met deernis *awe dean worden, bewogen zkIn (upon. towards. to). —ing, a. amaelttend verlangeu; opwet:ing des hasten, van teedarheid. Yeast (Pest'), a. gist; sehultn. —y, a. glstend; gistachtig; schaimen.d. Yelk ijelk),s. dooter. Yell (jell), a. gtl, kreet; gehull. v. a. (out) ult., gillen, v. a. gillen; huiten. Yellow (jerk)), a. gee!. —. a. girl; jaloersch. —boy, gondstak. —dun, tzabelle-paard. —fever, gate koorta. —George, auinje. —golds, pl. hoerbled. —gum, geelzucht. —hammer, geelvink. —jaundice. geo)tucht. —lead, good eel. —parsnip, gale knol. — peen. —rattle, gels hanekam, lutakruld. —root, warner's) (plant). —sureory, bitterb braid. —warbler, gels goes. —ware, rooinkleurig ateengoed. —weed, woaw (plant). —, v. a. & n. geel klearen (worden). —ish, a. geelaehtlg. —ithness, a. geelachtigheid. —ness,s. geelheid. -s (-looz), pl. geslzucht. Yelp (jelp'), v. n. keffen, blaffen. —er, a. kefter. Yeomen (jo'men),s. kleine grondbezttter, pathter; gardiat, ltjfwaaht; hotbedlende; opslehter;

Heeft Coinbase hebben rimpel


Repay (re-pee') [ire.], v. a. terugbetalen; ver- a. berisper. a. --sibly, ad. (-hen'sibl.), berispelijk, strafbaar. —tibleneas 1-hen'aibl-1, a. gelden, vergoeden, — (ri-pee'), nog sena betalen. —able, a. terugbetaal bear —tnent,s. te rugbetaling. berispeltjkhel3; strafbaarheid. (-hen'sjun), Repeal Ire- piel'), a. herroeping, intrekking; at- a. berieping. —sive (-hen'siv), —tory (-hen'aurschaffing. —, v. a. herroepen, iutrekken; at- rih), a. berlapend, lakend. arhaffen. —able, e„ te herroepen. —cr.; a. her- Represent (rep-re-zent'), v. a. vogratellen; vertegenwoordigen. —ation (-tee'sjun), a. voorstelroepe• afachaffer. Repeat (re-piet'),s. herhaling; herhalingateeken. ling; vertegenwoordiging; vermaning. —ative (-e-tiv), a. vooratellend; vertegenwoordigend; a. —, v. a. herhalen; opzeggon. —edly, ad. bij her- voorstelling; vertegenwoordiger. —er, a. voorhaling. —er, s. herhaler; repeiitie-horlogie. atelier; see egenwoordiger. —meat, a. voorstelRepel (repel'), v. a. terugditven, -stooten; te aanzten. genwerken; ofwenden. —lency (-len-sih), a. temp , ling; niter' drijvende kracht. —lent, a. & a. terugOrijvend, Repress (re-press'), v. a. beteugelen,onderdruk1 ken, —er, s. onderdrukker. —ion (-presj'un), a. verdeelend (middel). I beteugeliug. —ive, a. beteugelend. Repent (ri'pent), a. truipend. Repent (re-pent'), v. a. & n. berouw h ebbe '"`eprieve (re•priev'), a. nitrite% opachorting. over (of); boete doen. —ance, a. berouw. —ant,' v. a uitstellen, opechorten. 'Reprimand (rep'ri-maand), e. berisping, bea. boetvaardig. strafilng. epeople (ri-prpl), a. a. weder bevolken. (-maand'), v. a. berispen, bestraffen. 'leveret's. lop (ri-pur-kusTan), a. terngstoo- 'Reprint (ri-print'), a. herdruk, nieuwe uitgave. —, v. a. herdrukken. nog, weerkaataIng. —ire, a. terugdrij 'end; weer- ',sateen& Repels al (re-prarzel), a. weerwraak. letter of Repertory (rep'ur-tur-rih), a. inhoudaregister; —ale, kaperbrief. —e (-praja'), a. berneming; wet; mags'imn. dervergelding; hernomen schi p. Writ; epetiti on (rep.e.timj - u.), a . herbaling. —.al, Reproach (re-prooteri, a. verwtjt, schande. —, v. a. verw ten; verwilten doen (for. with). —able, —out (-tkrus'i , a. herhalend. a. berispe ijk, straf aar. —fat, a. —fully, ad. lit .nine (re-pajn'), v. (against. at) ontevreden zijn, morren over; benikten. —r, s. misnoegde; beleedigend, sehandelijk. bender.Reprobn te (rep're-bet), a. snood, verworpen; Replace (re plees') v. a. verplaataea; vervangen. verdoemd; a. anoodaard, verworpeling; Terdoemde. —te (-beet), v. a. verwerpen; (ri-pleesi), weder plaateen. w verdnemen, v. a. verplanten. —able, a. —teneatebet-j, a. anoodheid, verworpenheld; vetReplant doemdbeid. —lion (-bee'sjun), a. verwerping, verte verplanten. —ration (-tee'ajun), a. verplan- doemenis. ting. Illeplottd (ri-plied'), v. a, op nieuw bepleiten; Reproduc e (ri-pro-djoes'), v. a. weder voortv. n. op nieuw pleiten. I brengen.—tion (-duk'sjun).0.wedervoortbrengIng, Replenish (re-plen'isj), v. a. vol molten; , 'Reproof ire proev';, a. verwlit, berisping. aanvulling. vullen. —meat, 1Reprov able (re-proev'ibl), a. beriapelijk. —e, Reple te (re-pliet'), a. vol (with). —tion (-pH' a. a. verwijten, berispen besehuldigen (of). —en, • a. berieper. ejt•i), a. vatting; volheid; volbloedigheid, a. vullend. Reptile (rep'til), a. kruipend.—, a. kruipend dier. Repler table (re-plev'i-ibi), a. Josbasr. —in, Republic (re•pubilik), a.republiek,gemeenebeet. —1,, a. opbefflng van een be3lag of verband; v. I —an, a. republikeinseb; . republikein. a. lossen; opheffen (een booing of verband). Repabl ication (ri-pub li-kee'sjun) a. her(rep-11-kee'sjun),.. wederantw oord. haalde bekendmaki ng; herdruk. —nth (-, pubniej). II epl feat Rep! ler (re.plaj'ur), a, antwoorder. —y N. a. weder bekend maken; op nieuw uitgeven. P. antwoord; v. a, beantwoorden; v. a. antwoor- Repudia bile (re-pjoe'di-ibl), a. verwerpelp. —te (-eet), v. a. verwerpen; veratooten. —lion den (to). Repolish (ri-parisj), v, a. op nieuw polijsten. (..ea'sjun), a. verwerping; verstooting.—ator (-eetur;, a. verwerper; verstooter. Report (re poort ) ), a. bericht, verslag; gerucht, a, a. berichten, vertel- Repugn (re-pjoen'), v. a. weerstreven; strijdig roep, knal, gebulder. Jen; uitstrooten; verklaren year; v. n verslag ziin met. —ance (-pug'nens),s. tegenstand; began((nen, berIcht [mien. beriebt, ver.leggever; spraak; tegenzin,afkeer. —oat, a. antly,ad.(-puestenograaf. —ingly, ad. volgena gerucht. nent.),weerspannig;(to;strijdi met;afkeerig van. Hepoe tal (re-po'zel), I, (het) Wien, leggen; Repul se (re-pule'), a. terug r.jving; afwijzing; rooting, vertrouwen. —e 1-poqz' I, s rust; stilte;! v a teragdrtiven,-stooten;atwijzert.—sion(-sjun), rustpunt. —e ( pooz'), v. a, ter rust Legge.; leg-) s. teragdrijring;afwijzing. —sive,—sory, a. terup gen, atelien (in on upon); v. n. ruaten; beruaten; drijvend; afwijzend. (on) itch verlaten op. —edema, a. rust. —it v. R.! Repurchase (ri-pur'tejes), v. a weder koopen. nederiegaen; in bewaring geven. —Won (-zig.i'an),, Repute Ede (rep'joc tibl), r. —bly, ed. geacht; s. nederleggIng;— (ri-po-zisj'an) wederihrichttog,' eervol. —tion (-tee'sjun), a. goede nem; achherstel. —itory (-poei-tur-rih), s. bewagrplaats. , ling (for). lli epossess (ri poz-zeal'), v. a. weder bezitten;' Repute (re-pjoet';, a. Imam, goede neater (for). weder in bezit stellen (nt'). —ion (-zenj'un), a.' —, v. a. houden voor. --d, a. geacht, vermeend. v ederbezit. —d!y, ad. near men beweert. —tees, a. ongeacht; e preben d (rep-ri-hand' ; , v. a. berigpen, —der, schandelijk.
Bahia (ba-i'e), g. Bahia. Baldwin (baold'win), m. Boudowijn. Dille (bald), g. Basel. Baleares (bel-ipee'riez), g. the —, de Balearische eilanden. Besithasar (bel•thee'eur), m. Balthazar. Baltic (baolt'llc), a. Baltisch; g. Oostsee. Baptist (bep'tist),m. Baptist. Barbadoes (bear-hee'duz), g. Barbados. Barbar a (bear'ite- re), w. Barbara. —y, g. Bar• barb e. 12
Coinbase is a terrible and unprofessional company. They’ve ignored my requests for escalation after providing no feed back on the issues I am having. These issues are costing this customer not only monetarily, but due to the lack of transparency with new policies in which coinbase will hold your funds hostage for 10 days while advising that it can be transferred “instantly” is not only false, but malicious contempt.
RM.—HOG. niggle (hig'g1)„ v. n. afdingen, knihhelen; road wen; venten. —dy-ptugledy, ad. het onderste boots, door elkander. —r, s. linger; venter. High (hen s. hoogte; hernel. the most —, de Allerhoogste. from —, van boven. omhoog. —, a. & ad, hoog, verheven; moeielijk; trotsch; streng; aterk; hevig, laid. to carry it —, eerie hooge bona zetten. — noon, voile middag. —aimed, groote plannen hebbend. —altar, hooga/taar. —blessed, gelukzalig. —blown, ongeblazen. —born, van aanzienlijke geboorte. —bred, deftig opgccoed. —church, s. anglikaansche kerk; a. streng episcopaalsch. —colored, hooggekleurd. —crowned. hoog van bol. —dish, fljn gerecht. —fed, stark gamest. —flier, geestdrijver. —flown, hoogmoedig; hoogdravend. —handed, verdrukkend, overheerschend. —land, bergland. —lander, hooglander. —life.„ de groote wereld. —lows, trooge echoenen. —mottled, ',wig, —minded, hooghartig; groot van ziel. —pad, struikroover. —priest, boogepriester. —road, straatweg. —seasoned, sterk gekruid. —spirited, stout, koen; trotsch. —stomached, hardneYktg, trotsch. —tasted, prikkelend, sterk sma kend. —treason, hoogverraad. —wale,„ hoog water. —way, groote weg. —way-man, struikroover. —wrought, keurig bewerkt. —ly, ad. hoog; zeer. —most, a. hoogste. —nest, s. hoogheid. Highty•tighty (hartih-tartih). ad. hol over bol, onbezonnen. Hilarity (haj-ler'it-tih). s. opgeruimdheid, vroolijkheld. Chiding (hii'dleng), s. ellendeling. Hill (hill')4 s. heuvel. —ock s. heuveltje. —y, a. heuvelachtig. Hilt (hilt'), s. gevest. —ed. a. met een gevest. Him (him'), pr. hem. —self, pr. hij, hemzelven. etch. Hind (hajnd'), s. hinde; boer, kuecht. —berry, braambee. —calf, jonge binde. Hind (hajnd . ). a. achter. —claw, achterklauw. —hand. achterhand. —er, a. achter. —ermosi, a. achterste. —moat, a. achterste. Hinder (hin'dur), v. a. hinderen, verhinderen (from, in). —once, s. hindernia. Hinge (hindzj)., s. hengsel. scharnier; apil. —, v. a. van hengsels voorzien; v. n. draaien, rusten (on, upon, om, op). Hinny (hin'trih), s. muildier. flint (hint), 5. wenk. to take the — den wank begrkjpen. —, v. a. aanroeren, aanduiden; v. n. Pen' weak gevea; (at) zinepelen op. flip (hip'), a. heap; haagbee. —bone, heupbeen. —gout, heupjicht. —halt, —shot, lendelam. —hop, ad. hinkepink. —stone. nierateen. —wort, navelkruid. —, v. a. ontheupen. —ped, —pied, a. miltzuchtig; zwaarrnoedig. Hippo eras (hip'po-kres ► , a. kruidenwijn. —po. tam., (-pot's-mus)„ s. rivierpaard. Hire (hair'), s. huur; huurloon. —. v. a. buren; (out) verhuren. --/ing, a. veil; gehuurd; a. huurling. —r, a. huurder. Hirsute (hir-sjoetl, a. ruig, harig; ruw. —ness, a. harigbeid; ruwheld. His (his), pr. zijn; de zijne, het zijoe. Hisptd (his'pid), a. ruw, boretelig. v. a. Hiss (hiss'), a. gesis; gejouw, gefluit,

rig. —, s. buikloop, (-cc'. sjun), s. losmaking, verslapping; los-, alapheid. —attre (-e-tiv), a. ez a. buikontlastend (middel). —ativenesa (-e-tiv-), a. loamakende eigensehap, —ity, —neon, s. losheid, elapheld. Lay (lee), s. leek; graa-, wetland; laag, schieht; gezang. Lay (lee) [laid (leed)], v. a. leggen, zetten, pi/Lateen; op-, neerleggen; temperen; doen hedaren; verwedden; verlossen (eene kraamvrouw). to, aanspraak maken op, elschen. — the cloth, de tafel dekken. — to heart, ter harte nemen. — hold on. aangrijpen. — level, slechten. — a plot, eene samenzwering smeden. — taxes, belastin gen heffen. — a wager, wedden. — waste, verwoesten. (against) beschuldigen van. (aside) ter zijde leggen; laten varen. (before) voorleggen. (by) ter zijde wogieggen; bewaren; afdanken. (down) nederleggen; in bewarilig geven; betalen; vastetellen. (forth) ten toon atellen. (in) op-, inleggen; inalaan. (off) weg , afleggen. (on) opleggen; schulven op. (out) uit-, aanleggen; inrichten; te koste leggen (on, aan); afleggen (eon lijk); toonen. (over) bedekken, beleggen. (to)toeechrijyen, wijten; inapanncn. (under), onderwerpen aan. (up) opzamelen, aparen; onttakelen; onbebouwd laten; he.t bed doen harden. —, v. n. eieren leggen. peinzen; atreven, trachten. (about) om zich been glean; zich dapper weren. (at) ela R11 inter; te lijf twillen. (for, in for) het voerzi.• hebben op; belagen. (on) er op Caen. (out for) trachten near. (upon) aandringen bij; dringend verzoeken. Lay (lee'), a. wereldlljk, leeks-. —brother, leekebroeder.—days,ligdagen. —figure, ledepop.—land, braakland. —man, leek. —stall, mesthoop. Layer (lee'er), a. melaatsche. —house, lazaret, pesthuis. —wort, lazarue kruld. Lazaret (lez'e-ret(, —to (-ret'to), a. inzaret, pesthuis. La. y (lee'zlh), a. ily, ad. lui, traag. —iness (-zi-ness), a. luiheid, trangheid. Lea (lie), a. weide; graavlakte. Leach (lieter), a. loogasch. —tub, loogkuip. —, v. a. ultloogen. Lead (led'), s. load; dieplood. —color, loodkleur. —mine, loodmijn. —ore, looderta. —pencil, potland. —shot, bagel, schroot.—work,loodgieteru.—, v. a. met load dekken. —en (led'n), a. looden. —a (ledz), pl. looden dab. —y, a. loodachtig. Lead (lied ), a. telling; voorhand; uitstoot. to take the —, aanvoeren. Load (lied') [led], v. a. & n. lelden; aanvoeren, heerschen; bewegen; verleiden. —er, a. )eider, aanvoerder; voorganger. Leading (liedleng), s. Jelling, bestuu, —, a. leidend; aerate, voorste; voornaamate. —article hoofdartlkel. —card, eerst opgespeelde kaart. —hand, voorhand. —horse, eadelpaard. —man, voorganger, nenvoerder. ringa , leiband. Loaf (lien, a. blad; vltugel. —brass, bladkoper; klatergoud. —bud, bladknop. —gold, bladgoud. —silver, bladzilver. —stalk.,bladsteel. —, v. n. bladeren krijgen. —age, a. gebladerte, loaf. —ed (lief(), a. gebladerd. —less, a. bladerlooe. —let fli t), a. blaedje. —p, a. bla‘Prrijk.


948 doctrine of the Gospel; —predate, preacher of the Gospel; —word, Gospel. —lack, be. evangelical, of the Gospel. —let, m e evangelist. Even, by. — of oneven, even or odd. —,bw. even, equally, just; slightly; a little, a moment. tea het —, quite the same, indifferent, never mind. —*yacht —, stay a little. Evenner, zn, tongue; equator. Evonnardige be. eimilsr, homogeneous. — held, v. similarity, homogeneity. Evennr en, ov. w. to equal, to match, to balance —ing, v. equalling, matching. ievenbeeld, o. image , iikene,s, counter port. Eveneene, bw quite (all) the same, equally, likewise, in the same manner. EvengellUk, by. & bw. equal (-ly). —held, v. equality.
Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-
Bijloop, m. concourse; assistance. —en. on. W. to run along with; komen —, to run (to flock) to. er, In, assistant, supernumerary, scullion. HU We, o. little axe; ship-wright; sapper. Bijnanen, Y. mock-r000n, aratelene. Hijntengen, or. w. to intermix, to admix, to intermingle. — lag, v. intermixture, aaratAturs. admixtion. BUnit, bw. almost, nearly, about. BILInnarat, m. surname, nick-name. BUnernen, ov. W. to take with, — over and at , ove. Blpitvgraterk, o. by-end, by-view, private view. Ilijoorznak, v. by-reoson, secundary canes. IllIjeettard,o. relay-horse, led-horse, Iltiaptatt, o. by-path, by-way. 11Upakken, ov. w. to pack by. 131,jitte.sen, ov. w. to pay in addItioa, to supplyIleipbaneet, v. Ratellite. 1111kjeeteenen, ov, w. to reckon (to count) to. Ellireeepen, or. w. to call to. iiiklieellay en, ov, w. to plane a little, Ittieeliteten, ov. w. to contribute, to supply, to pay one 'is shore; on. w. to come into the mind, to occur, to rtrike. BUschikken, or. w. to range with; nu. V. to draw near, to approach. BUschtlderen, or. w. to pfiint a little. Ilkisehotitelen, or. w. to hoe P. little. HUsehotell, rre. by-ditch. BUsehelft, o. device, motto, inscription, marginal note, explanatory text
Sebacions (se-bee'sjust, a, talk-. Secant (ei(kent), a. snijdend. —, a. ani,j11jM. Secede (se-Bird"), v. n. sich terugtrekken, — afechfecien from). — r, a. afeeseheidene. Severn (se-torn';, v. a. atscheiden. — meat, • s. afacheiding; afecheidend naiddel. Seceeelon lee-eeerun), a, afecheiding; scheuring; verwijdering. Seca. de (se-deed'), v. a. afzonderen; uitelutten. — Ilion (-k loe'zjun), s. afzondering; Second (seleund), a. tweede; ander; geringer, u bet audere jaar, — hand, haltevery — year, urn aleten; Mt de tweede band. — rnorning,1Whte rouw. —rate. van den tweeden rang. —sight,
PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.  

In welke landen cryptogeld illegaal


Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica

Wat is het verschil tussen Coinbase en Coinbase pro


Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.
WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.
—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered. 

Wat voor soort geld is cryptogeld


76 Dirk (dark) a. dolk. —, a. donker. —, v. a. doorboren (met een' dolk). Dirt (dart'), s. vuil, modder, slijk. —, v. a. bevuilen, bealijken. —iness, s. vuilheid, moraigheld. —ily, ad. —y, a. vuil, morsig; laag. —y, v. a. bevuilen; verlagen. Diruption (di-rup'sjun), a. vaneenbers!ing. s. onbekwaamheid; Dis ability onvermwen. — able (diz-ee'bi), v. a. onbekwaam (ongeschikt) maken; ontramponeeren. Disabgise (dis-e-bjoez'), v. a. uit den drown (nit eene dwaling) helpen. Disaccommoda to (dis-ek-kom'mod-eet), v. a. in ongelegenheid brengen. —tion, (dee'sjun), a. ongereedheid. Disaccustom (dis-ek-kus'tum), v. a. afwennen. Disacknowledge (dis-ek-nol'iidzj), v. a. niet erkeunen. Disacquaintance (dis-ek-kween'tens), a. onbeken b eid. Disadorn (dis-e-dorn'), v. a. ontsieren. 'Disadvantage (dis-ed-vaan'tidzj), a. nadeel. —, v. a. benadeelen. —ous, a. —ously, ad. (ven-tee'd2,jua-), nadeelig. —nuances, (ven-tee'djus-ness), s. nadeeligheid. Disaffect (dis-ef-fekt"), v. a. afkeerig maken. —ed, a. —edly, ad. ongenegen; mianoegd. —ton (-fek'sjun), a. ongenegenheid; mianoe;dheld. Disaffirtnance (dis-ef-furm'ens), s. ontkenning. "Disagree (dis-e•grie'), v. n. verarhillen, oneens zijn. —able, a. —ably, ad. niet strookend; onaangenaam. —ableness, R. onaaugenaamheid. —meat, a. verschif; oneenieheid. Disallow (cits-el-lau'), v. a. & n. weigeren; afkeuren. —able, a. onaannemelijk; onvergunbaar. —ance, s. verbod. Disaniniate (diz-en'i-meet), v. a. ontzielen ontmoedigen. Msann I (dis-en-nul'l v. a. vernietigen. (Disappear (dia-ep-pier'). v. n. verdwijnen. —ance, a. verriwijuing. P.Sisappoint (dis-ep-pojnt') v. a. to leur (of), meat, s. teleurstelling. Oisappreciate (die ap-pri - sji-eet), v. a. minachten, Bering nhqtten. p pro bat ion (dis-ep-pro-bee'sjun), s. afkeuDiS ring. —nry ( en'pro-bee-tur-rile), a. aticeurend. Disapprov ai (dis-ep-proev'el), a. afkeuring. --e, v. R. afkeuren (of). Disarm idiz.aarm'), v. a. ontwaperten. Disarrange (dis-er-reendzy), v. a. verwarren. —ment, s. verwarring. Disarray (dis-er-rue'), a. wanorde. —, v. a. ontkleeden; in wanorde brengen. Disas ter (diz-aas'tur), a. ramp, ongeluk. —trous, R. —trously, ad. rampspoedig. Dtsavougli (dis-e.vautsj'), v. a. herroepen. Disavow (dis-e-vauw"), v. a. loochenen; niet erkennen. —al, a. loochening. Disband (diz-bend')„ v. a. afdanken, ontbin.den; v. n. uiteen gaan. Disbark (diz-baark'), v. a. ontschepen• afschillen. Diebe lief (dis-be-lief"), a. ongeloof. —liere (-lieu'), v. a. your onwaar henden. —Never, (-lieuttr), a.
I. Icteric (ik-ter'ilt). —al, a. geeltneht; tegen de. I (aj), a. (de letter) I. —, pr. ik. geelzucht. — disease, geelzucht. —, a. middel leIamb ic (a) em'bik), a. jambisch; a. jambiaeh gen de geelzucht. vers. —,,,,, a. jambische veramaat (u—). Icy (arsthl, a. ijsachttg; vol ijs; koud, koel. Ibis (ajbis), a. ibis, nijlreiger. Ice (a);'), ii. ij'. —berg, ijsberg. —blink, ijsaehit - Ide a (aj - di'e), a. denkbeeld, begrip. —al, a. —ally, ad. denkbeeldig, ideaal. —al, a. ideaal. tering —bound, ingevroren. —cream, roorntjs. —alism (-el-iern), a. stelae' van het denkbeelijs. —field, ijsveld. — house, ijskelder. —plant, dige. —aline (-el- 10z), a. a. denkbeeldig maken; ijsplant. —spar. ijsaraath. —spur, ijsspoor. —. v. n. dentbeelden vacates. v. a. tot ijs maken; met ijs bedekken; oversui. Mem tordim),s. dezelfde, betzelfde, keret. Identi cal (aj-den'tik), a. —rally, ad. zelfd,, liclisnctmims (1k-n.loe'mun), a. ichneumon. eenzelvig. —fication (-tit i-kee'sjun), a. screenIclinograpby (ik-nog're-fib!, e. plattegrond; zeiviging. — f y I - ti- 1'0), v. a. vereenzelvigen; v. a. -teekenin),;.. eenzelvig warden. —ty (-tit-tile), a. eenzelviglabor (ai'kor), a. bloederig vocht,iymphe.—ous, heid. a. dun, wateracbtig. Ichthyology (ik-thi-ol'ud-zjih), a. beachiijving Idloc easy (id-i-ok're-sih),s.lichamelijke eigenaardigheid, —y (id'i-o-sih), a. onnoozelheid, der vis.chen. stompzinnigheid. Itchthyophaw.ts (ik-thi•of'e-gus), R. via,he.tend. ici ale (aj'ai1it), s. jjakegel. ijetap. — ness ( - si - ). Idiom (id'i - um), a. tongval, taateigen, — die. —atieal (-met'ik-), a. aan eeue taal teen' tongval) a. kjftaclitigheid. --ny, a. ijakorat. eigen. le0111) elitist (aj-kon'o-klest), a. becaldstormer. —gra; by (-be nog're-fib), a, beeldenbeschriiving,.. ldio pat hy (id•i-opie-thih), 8. Plaataelijke zlekte; hijzondere indrulc. —synerasy (-o sin'kre-eih), a. ---1,, PY ( te , a ,, i' , . 4 , i)h(, a, beetle, kande , heel- eigenaardigheid van eeatel; inizonder teasel. Ite.tee.r.
Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


in; Catching, — en; or. w. to fasten (to fix, to prick) to; to pot (on); to kindle, to light, to rat fire to, to net on fire; to broach, to tap; to infect, to catch; on. w. to begin to rot. —end, by. Zie AanstekelUk. —er,m.kindler,lighter;broacher. —ing, V. kindling, lighting; broaching. Aanstell en, ov. w. to place —.to put (against), to appoint, to nominate. tick —, t. w. to behave; (ale) to play —er, an. appointer. —ing, v. appointment, nomination. Anneterken, on. V. to improve, to strengthen. Aanstevenen, on. w. komen—, to sail hither. Aanstikken, or, w. to stitch to. AanstIpp en,ov.w. to mark; to jot down ; to touch upos,to hintet.—ing,Y.tOrieh,ninntiou,hinting Aanstollien,ov. w. to dust —, to sweep (out). Aanstok en, or. w. to kindle, to stir (up), to poke, to feed; to stir up, to incite, to foment. —er, m. stirrer np, inciter, fomenter, —ing, feeding; stirring up, incitation. Aanstommelen, on. w. komen —, to approach
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.
Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-
—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.
MOO.- HOU. Iloogerhuls, o. house of lords. Hoogsrwal, m. wind-side. 110ogesehool, v. university. Iloogheld, v. highness; grandeur; tallness; elevation. Hooging, v. heightening; outbidding. Ifoogikik,bw. Zie IloeigeltJk. Iloogoed, o. light, bright part; relievo, embossment. Ilooget, by. highest. —deceive, His (Her) Majesty. —derzelver, His (Her) Majesty's. ten —e, at best, at most; highly. lloogte, v. height, elevation, eminence; hill; altitude. op de — lion, off. op de — zOn van, to be conversant with. de — hebben, to be tipsy. sit de —; haughtily, superciliously; with scorn. —cirkel, aloiacantae. —meter, altimeter. —meting, altimetry. Maul, o. hay. —berg, hay-stack, -rick. —boter, bay-butter. —bouw, hey-herveer, -making. —gaffe, —cork, hay-fork. —hare, winter-chases. —land, —veld, hay-field. —maaier, hay-maker. —maaiing, hay-making. —mated, July. —markt, hay-market. —milt, —opper, hay-cock, -rick. —echuur, hay-barn. —tijd, hay-time. —wages, hay•cart; field-spider. —solder, hay-loft. —en, on. w. to make hay; to sell below the price. —er, m. hay-maker. 110055, m. insult, taunt, gibe, scoff, scorn. —gelack, scornful laughter. —en, )ov. w. to insult, to taunt, to gibe, to ecoff, to fieer at; to bias pheme. —er, m. —sler, v. insulter, taunter, scoffer, blasphemer. sloop, in. heap, pile; gang, set; multitude, troop, flock. bij den — rerkoopen. to sell in the lump. to — loopen, to gather in a crowd. de groote —„ the vulgar, the mass of tho people. —loepers, yo tinkers. Hoop, v. hope, hopes. in de —, hoping, in hopes. de — voeden, to entertain (to cherish)) a hope. Hoorbaar, be. & bw. audible (-bly). —held, v. audibleness. Hoorder,m. —es, v. hearer, auditor. llooren, or. & on. w. to hear, to hark, to listen; to learn. —de, be, hearing; — doof zik, to turn a deaf ear. —swaardig, worth to be heard. Hoorn, m, horn; sea-shell; vellum, parchment x(Ine opstcken, to show one's teeth. — van overvloed, horn of plenty., cornucopia. —band, binding of eperchment. beeeten. --tees, horned beasts, — cattle. —blaser, horn-blower, trumpeter. —drager, cuckold. —geld, tax upon horned cattle. —peschal, sound of horse, flourish of trumpets. —slab, horned snail. —slang, horned viper. C3r,,etelt. —riles, cornea. —vormig, hornshaped. —werk, horn-work. —acktig, by. horny, corneoue. —en, be. of horn; —band, binding of parchment. —loos, by. hornlees. lions, v. stocking, hose; hurricane; water-spout. —band, garter. —gat, well n room. —vat. 'coop. Hoovaard ig„ be. & bw. proud (-1y), haughty (-fly). —igheid,v. —(1, v. pride, haughtiness. Holtz en, or. w. to scoop. —er, to. scooper. Hop, m. whoop. --, v. hop, hops. —akker, hopfield. —coot, hop-oast. --betel, hop-kettle. —booper, hop-man. —perank, hop-sprig, tendril. --pe
knecht; klantenlokker. —et, 9. klopper (aan Clayes (klenz), s. horden. eene deur). Claymore (klee'moor), a. tweehandszwaard. Clean (klien) a. rein, zindelijk, zuiver, onschul- Client (klarent), a. client. —ed, a. met clienten dig. —, ad. volkomen, geheel. —, v. a. zuiveren, voorzien. —ship, s. clientschap. ( a. zuiverheid, zin- Cliff (klir), s. klip, rif; eleutel. —y, a. vol klipreinigen. pen. delijkhetd. —ly, a. btad. zindelijk, zuiver. —aces, Climacteric (klim-ek-ter'ik, a, trapjaar. —, a. s. zuiverheid, onschuld. een trapjaar betreffend. Cleance (klenz), v. R. reinigen (from. of); Beim- Ten, uitvegen. (away) uitwisschen; wegnemen. Climat e(klarmet.),..klimaat,luchtsgesteldheld. —ic (klim-et'ik), a. het klimaat betreffend. —r, a. reiniger; zuiveringsmiddel. Climax (klarmekm), a. npklimming. Cleansings (klenetengm), s, ve.egsel, vuilnis. Clear (klier , , a. holder, klaar, zuiver; duidelijk; Climb (klajm'), v. R. bekiimmen; v. n, klimmer. —er, a. klimmer; klimplant. onloochenbaar; openbaar; vlak; open; vrij, on- schuldig (from of); onparttjdig, —roast, veilige Clime (klajm), a. klimaat; luchtstreek. kust. —estate, onbezwaard goed. —, ad duidelijk; Clinch (klintsn, a. kwinkslag, zet, woordenspcI; a. ruimte van een gebouw binnen kram, houvast; lus. — of a buoy, ateek van den geheel, vrij boeireep. — of a cable, kabelateek. —, v. a. omde vier muren. klemmen; omklinken, toesluiten. to — a cable, Clear (klier'), v. a. klaren, zuiveren, verhelderen; nphelderen; banen; rechtvaardigen. — the table. een kabeltouw op bet tinker steken. —, v. n. de tafel afnemen. — accounts, de rekening klemmen, zich vastklampen. —er, a. klatnp, hou.vast; die anedig antwoordt. —er.work, s. vereff , nen. — a ship, in- of nitklaren. — a shop, klinkwerk. nitverkoopen. (away) wegruimen. ( from) ont• heffen van; zuiveren van. (of) zuiveren van. Cling (kling') [clung], v. n. aanhnngen, zich vast(nff) afdoen (achulden). (up) toelichten v, n. klampen (fa); (together) can elkander geheeht zijn. —y (•gih), a. klevend. balder (klaar, vrij) worden. (away) verdwijnen. (up) ophelderen. —age, S. wegruiming. —ance Clinic (klin'ik), —al, a, bedlegerig; klinisch. —, s. bedlegerige. (-ens) s. tolcedel. —er, a. opklaarder. —ing, v. a. doen klinken; s. rechtvaardiging, verdediging; § gerooide Clink (klink'), a. geklink. boschgrond. —ly, ad. holder, duidelijk, klaar- v. n. klinken. —er, a. klinkert (gebakken ateen), blijkelijk. —netts, a. helderheid; duidelijkheid; Clip (blip'), a. (het) schapen echeren; (de) wol van (Inc schering; § klap, bib. —, v. a. acheonschuld. ren, knippen; anoeien (geld). —per, s. schspenClear-sigthed (klier'sajt id), a. schrander. scheerder; geldsnoeier; clipperschip. s. -ness, a. sehranderheid. (het) snoeien, meheren, enz.; anoeist‘l; afknipsel. Clear-starch (klier'staartsj), v. a. stkjven. —er, § Clitchy (klit'sjih), R. kieverig, tool. a. stij fs ter . mantel; dekmantel. —, v. a. Cleatkkliet), 8. klatnP. - of the gangway, val. Cloak (klook•), bemantelen.• —bag, mantelzak. —loop, mantelreepsklamp. lug. —pin, hank in den muter. —twitcher, manCleav e (kliev) [cleft, elm, cleft. cloven], v. a. teldief. & n. klooven. splijten. § —age,. (de) break (van Clock (kink'), s. kink; Leek; bromkever; klink een' steen). —er, e. kapmes, bijl; kloover. (in cone Irons), what o'clock is it ? hoe loot is het? Cleave (kliev). v. n. kleven. —hand, uhrwijzer. —maker, ullywerkmaker. —setCledge (kledzj), s. bovenste laag van volaarde. ter, die de uurwerken regelt. —work, uurwerk; (lee (bile), n. klanw (van een' g es p 1 ten hoef), raderwerk. Clef (blot). a. muzieksleutel. Cleft (kleft'), a. kloof, spleet. —graft, v. a. in de Clod (kind'), a, kluit, klont, turf. —hopper, kinkel, lomperd. —pate, —poll, lomperd, domoor. spleet enten. —paled, a. dom. —ay, a. klonterig, kluitig. Cleg (kleg), a. paardenvlieg. Clod (kind), v. a. met kluiten werpen; v. n. kapClematis (klem'e-tia), s, klimplant. peleu, klonteren. a. goedertierenheid. Clemen ey (klem'en Clog (king'), s. last, belemmering; overschoen, a. —fly, ad. goedertieren. klom v. a. overlast doen; belernmeren, v. Clepsydra (klep'si•dre), a. waternurwerk. n. k onteren, stollen; gestremd zijn. —giness Clergy (klnr'dzjih), s. geestelijkheid. —man, (-gi•ness), rt. belemmerdheid, gestremdheid. geestel ijke. —ging, s. beletsel, belemmering. —gy (-gih), a. Cleric (kier'ik), —al, a. geestelijk. hinderlijk. Clerk (klaark'). s. geestelijke; geleerde; klerk; grittier; voorzanger; bonier. —ship, stand of ambt Cloister (klojs'tur), a. klooster; zuilengang. —, v. a. in een klooster doen. —al, a. kloosterlijk. van een' geemtelijke, geleerde, enz. Clever (klev'ur), a. —ly, ad. bekwaam, knap, Close (klooz), a. besluit; stuffing; rustpunt; Rta• king; gevecht. to come to the —, handgemeen handig, vlua. —, R. § goedig,, minzaam. —ness, worden. a. bekwaamheid. Clew (kloe'), s. kluwen; leiddra id; schoothoren. Close (kloos'), a. omheinde pleats; nauwe straat. —pendant, schootachinkel. —, v. R. (up) geien —, a. (Licht, gesloten; nauw, gedrongen, vet , en gorden. —block, geitonwblok. —garnet —line, eenigd; geheim, achterhoudend; somber, Pengeitouw. —piece, stootlap zaarn; oplettend; karig. to sail — by the wind, dicht NJ den wind houden. to keep a thing — , Click (klik'), a. getik; klink. —, v. ft. wegkapen; eene zaak geheim houden. —bodied, nauwslulv. n. tikken (ale een unrwerk). —cc, s, wankel-
$1,000 to $21,000 or 61 oz of silver to over 1200 oz of silver Yes... you read that right... I was genuinely unsure about whether or not to bring this information to more people's attention, many people are unaware of the power of this very simple model and mindset switch. Simply put, if you price everything in dollars, you will end up with more or less...
419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.

Hoe cryptogeld portefeuilles werk


Geld en, or. w. to concern., to regard; on, w. to cost, to be worth, to bear a price; to prevail, to be valid. by. monied, dear, costly; valid. v. costliness; vaiidi y. Goleden, by. past. bw. ego, 6111CO, ling —, long since. GeirdIng, v, articulation. G aired, by. articulate, jointed. Grleerd, be. & bw. learned (-1y). de —e wereld, the republic of irttere. —e, m. & v. scholar, learned rear, -- woman. —keld, v. learning, erudition. G,Irgyee, by. situated; convenle»t. er is reel aan —, it in of much importance. er is niet cars —, it is of no consequenee. to, conyenlent (due) time. Gelegenheld, v., siteattou,state; seat, positron; occasion,opportuntiy.—sgedieht,occetional poem. —spreek, 0i:castanet sermon. —srede, occasional speech. Gelid!, v.jolly. Gale t , o. Zie Gelrlde. —brief, ease-port, pass, safe. conduct. —Gals, conduit-pipe. —geest, tutelar genies. e, o. atteudAnce; guidance; guard, escort, convoy. —elijk, by. & bw. orderly, regular (-Or), motto:1.4feet (-lye. v, orderliness, regularity, metbodicaluens. —en, or. w. to lead, to conduct; to attend, to eccoraparty; to escort, to convoy. —er, m• leeder, guide; conductor. —ing, v. leading, guiding, attendance. Galen, ay. w. to make (to die) yellow; on. w. to grow yellow. Gelep. Gollepper, o. sipping. Goirtirrd, by. lettered, literary. —held, v. learning, erudition. tielealf sr, o. loiterieg, wavering, trifling.. o. joint; reek, file. —Ancor, vertebre. —stutter, bringer-up, last man of a file. Gell*fd, by. dear, beloved. —e, err. & v. lover, lady, sweet-heart; love, beloved, tenetu. Gallefkonad, by. ferorite. GeDsven, m, my. lovers. —, se. & on. w. to pirate. by. similar, alike, equal, same, even, smooth, level, strAight. to to —er to, at the same time. kij heefl skins —e niet, he has not
Louder bewijs. —tory (-1e-tur-rih), a. verzoekende Portress (poort'reso), a. portierater. Pory (po'rih), a. poreux, sponsachtig. gesteld, aangenomen. —turn (-lee'tuat), s. Zi; Pose (pooz'), v. a. verlegen maken, pal zetten. Postulate. Posture (post'joer), s. toestand; houding, ge—r, s. s. ondervrager, palzetter. Position tpo-zisrun), s.ligging, stand; toestand, atalte. —master, postuurmeester. gesteldheid; stelling. —al, a. betrekkelijk he Posy (po'zih),.s. zinapreuk; ruiker. stalling of gesteldheid, l Pot (pot'), s. pot, kan. —ash, potasch. —bellied, ad. stellig, bepaald; Positive (poz'i-tiv), a. dikbutizig• —b elly, dikbuik. —boiler, hnisvader. volstrekt; wezenlijk; setter; bevesttgend. —ness, —boy, knecht in eene gelalatuntner. —butter, pots. stelligheid, zekerheid. jesboter. —companion, drinkSbroer. —fta, pot-, kanvol. —girl, dienstmeisje in eene gelagkamer. Posnet (poz'nit), a. kommetje bakie. om. FOGS (pass), a. waterval; apoelk —hanger, schoorsteenhaak. —herb, moeskruid, Posse (potezel, a. gewapende macht; gepeupel. groente, —hook, pothengsel; hanepoot. —house, Possess (puz-zess'), v. a. bezitten; (of; in het bierhuis, kroeg. —ladle, polle:vel. —lid. potbezit stellen van. —ed (-zest"), a. bezeten; (of) deksel. —luck, gewone pat of kost. —man, kroegin het bezit van; (with) overladen; begaafd, voor- looper; zie rot-boy. —metal, mengsel van lood zien. —ion (-zesfun), a. bezitting, bezit, eigen- en koper. —pan, kook-, stoofpan. —proof, sterk don, —iz'e, a. bezittend; ease, tweede naamval; drinkend. —sherd, potscherf. —, v. a. in potten — pronoun, bezittelijk voornaamwoord. —or, a. zetten of bewaren; inmaken. hezitter, eigenaar. —ory (ook: poz'zis-sur-rib), a. Potable (po'tibl), a. drinkbaar. —ness,s. drinkbezittend; van het bezit, baarheid. Posnet (pos'eit), s. door wijn gesiremde melk. Potato (po-tee'to), a. aardappel. Poten cy (po'ten-sih), a. macht, vermogen. —t, P0.81 bie (pos'sibl), a. mogelfjk. —bly,ad. a. —tly, ad. machtig. —tate (•test), s. vorst, pogelij k, misschien. —bility (431-bil'it-tib),s.moge- , tentaat. —tial. a. —Nally, ad.(-ten'ajel mogelijkheid. s. mopPost (poost'), a. post; postbode; ambt; peal. to lijk; vermogend. —tiality per post reizen. —boy, postrijder,pos; li.jkhcid; vermogendheid. travel tilion. —chaise, postkoeta.—day,poatdag.—doetor, Pother (potieur), a. gewoel, rumoer. —, v. a. kwatzalver. —haste, groote spoed. —horse, post- kwellen, lastig vallen; v. n. tieren; levenmaken. paa-d. —house, posthuis. —man, potaboae; brie- Potion (po'sjun), a. drank, drankje. venbeateller. —mark, postmerk. —master, post- Pott age (pot'tidsj), s. vleeschsoep,gekookte spijsmeester. —note, postwissel. —office, postkantoor. Potter (pot'tur), a. pottenbakker. —'s-clay, pot-paid, gefrankeerd. —road,rtj- ,03 treat w eg. —stage, aarde,leem. —'s-ore, verglaamsel. —'s.ware, aarde. 1)ostatation werk. —y, a. pottenbakkerij; aardewerk. Post (poost'), v, a. eanplakken (up); op post zet- Pottle (pot'tl), s. kan; vochtmaat van 4 pint. ten; op de post doen; orerboeken; v. n.per post Potulent (pot'joe-lent), a. beneveld, dronken; drinkbaar. reizen. —rye, a. briefport; —stamp, postzegel. Post date (pooat'deet), v. a later dagteekenen. Pouch ;pautsj),s. zak; pens,dikke buik.birding—, —dilution (-di-ljoe'vi-en),a. van na den zondvloed. weitasch. —, v. a. in den zlk steken; opslokPoster (poost'ur), e. renbode, koerier; aanplak- ' ken; v. n. pruilen. Poult (pooh'', a. hoen, kuiken. —erer (-ur-ur), billet. Poster' or (pus-trri-ur), .later, volgend.—ority a. poelier. —ice i-is), s. pappleister; v. a. pappen. s. (het) later zijn. —ors (-urz), pl. —ry,s.tamgevogelte; —house,hoenderhok;—yard, achterste —ty (-ter'it-tih), s. nakomelingschap. hoenderhof. Pounce (paauns'), s. klauw (van een' roofvoPostern (pooetur.), s. achterdeur, poortje. a. grljpen; Postexietence (poost-egz-ietens), e. ,toekom- gel); puimsteenpoeder; sandrak. dcorboren; bestrooien; glad wrijven; v. n. (on) stig bestaar. Postilx (poosefiks), s. aehtervoepel. neerschieten op. —box, —than, stroolbus; sanv. a. achtervoegen. ' drakbusje. —d (paannet), a. met klauwen. Posthumous (post'jo,mus), a, nagelaten. —1Y, Pound (paaund'), a. pond; pond sterling; schutad. na den dood. v. a. lljnstampen; opsluiten (up). —age, hok. PoNtil (posetil), s kantteekening. v. a. van a. pondgeld. —er, a. stamper; ponder;pondepeer. kantteekeningen voorzien; v. n. kantteekeningen Poop eton (poe'pe-ton), s. popje. —ics, pl. ge• mak:In (upon , . —ier, s. uitlegger, acbriiver van recta van reepies kalfa-, schapen- en varkensk,ntteekeningen• eerseh. Postilion (pens trnjun), s. voorrij der, postilion. pvolu (poor',, v. a. gieten- schenken;uitstorten; (in upon. out upon) overfdelpen met; v. n. atrooPost log ,poostleng), s. het reizen per post. —bill, aanplekbitjet. men, vloeien, etorten; (doten) stortregenen; (upon) Postmerldigin (pooet-me neer8chteten op. —er, s. gieter; inschenker. Postpone (poost-p , on'), v. 11, uitstellen, ver poor 'attic (poor-kut't1), a. inktvisch.—pa , ty setiujven; achtermtellen. —meat, s. uttstel. (.paar'tih), s. verdeeling eener erfents. lamprei; steenbolk; berit-, hazelPostacript (pooerskript) a. nasehrift. Pout (pant), Postuin nt (post'ioe-lent), E. aanzoeker, (linger. ' boon; kwade luim. —, v. n. pruilen; vooruitste(-let), s. vereischte; aangenornen staling. ken. —to ( 'Pet,, v. a. varderen, aanzoek doen am; Poverty (pov'ur•tih), a. armoede. stellen —Pion (-lee'sion), o. aanzoek; stealing Powder (pau'dur), a. poeder, poeder, stof; bus-
A. A (apr. ala de toonlooze e in del; an (-en), art. eon, eerie, eenen. Aback (e-bek'), ad. rugwaarts; tegen den mast. Abaci tion (e-bek'sjunl, a. veeroof. —tor, a. veedief. Abacus (eb'e-kus), a. rekentafel; dekstuk van een kapiteel. Abaft (e-baaft'), ad. naar den achtersteven. Alvaitem% te (eb-eePjen-eet). v. a. vervreemden, afkeertg maken. —tion (-ee'sjun), s. vervreemding. Abanlon (e-ben'dun), v. a. opgeven; verlaten; laten varen, (to). —ed, a. opgegeven, verlaten, (by. of); verdorven. —ed wretch, volslagen schurk. —meet, a. verlating, verlatenheld. Abannitlon (eb-en•nis'slun),a. uitbanning (voor den jeer). Abnptiston (ee-bep-tietunl, a. sehedelboor. Abarticulation (eb-er-tik-joe-lee'sjun), a. geletting. Abase (e-bees'), v. a. verlagen, lager maken; vernederen. — the flag, de vlag strijken. —meet, a. verlaging; vernedering; neeralachticheid. Abash le-bear), v. a. beschamen, verlegen maken. —ed, a. (at) verlegen (over). Abate (e•beet'), v. a. en n.verminderen,afslaan, korten (from, of)• ontzeggen; ontmoedlgen.—, v. n. afnemen, minder warden (of. in , . —went, a. vermindering, korting, enz. —r, a. verminderaar. Abature (eb'e-tjoer), e. spoor van een hert. Abb lob), a. gareu van de schering. Abb acy a. waardigheid eons abts. —em (ebnis), a. abdis. —ey (eb'bih), a. abdij; —lubber, s. kloosterzwn, amulpaap. —et lob' but), a. abt; —ship, a. abtschap. Abbrevin te (eb-bri'vi-eet), v. a. verkorten. (•ee'sjun), a. verkorting. —tor, a. verkorter. —tory (e-tur-rih), a. verkottend. —ture 1-e-tjoer), a. verkortingsteeken. ABC (ee-bi-st), a. het alphabet; a-b•boek. Abdica te (eb'di-keet), v. a. afstand doers van. —,v. n. de regeering nederleggen.—tion (-kee'sjun), a. afstand; nederlegging der regeering. —live, a. afstand veroorzakend. Abdit ive, (eb'dt-tiv), a. verbergend. —cry, e. geheirne bergplaats. Abdom en (eb-do'men), a. onderbulk. —inal (-doml-nel), a. onderbuika-. —inous (-dom'i-nue), a. onderbuns•; dikbuikig. Abduce (eb-djoes"), v. a. aflelden; wegtrekken. —nt, a. aftrekkend. Abduct ion (eb-duk'sjun), a. aftrekking; wegvoering; gevolgtrekking. —or, a. wegvoerder; aftrekkende spier.
STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

Hoe krijg ik een Bitcoin-account


The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.
—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.

Hoeveel Bitcoins worden ontgonnen per dag

×