ter. — carFenter, scheepstimmerrnan. — chandler, ken Liman in acheepibehoeften. — la',Ach, (het) afloopen von een achip. — master, scheepsgezagvoerder. — owner, reader. — pound, echippond — shape, sr. & a4. naar scheepagebrulk. behoorlift. — worm, pentwortn, — wreck, a. ,chipbreuk; -wrak; v. a. & n. (dora) stranden. —, v. a. inschePen; vtrechepen (away). — ment, 8. verecheping. --per, a. verscheper, hevrachter. - - ping, a. hen ,nsenepen, veracheping; vioot; — b.sinfes, charges, — concerns, schetweaangelegenheden; — ve , seheping8icosten. Shtre (stair., sjier), s. district, graafechap. Shirt (sjurt'), a, manshernd. — front, holfherodje. — pin, borettspeld. —, v. a. hedekken; een bemd aentrobben, — ing, a. lieuidelinnen. —leas, a. zooder hemd. Skive (aja)vl, a. anode, echijf; tichcef 'van vise). Shiver (8iivitiv, a stukje, scherf; huivering. —y • a. huiverig. rillend; brokkelig, brans. Shoat (spool'), a. ondie,p. tact 1,11km* . .--, a. zwerm, school, inenigte; ondiepte, zqrolh,ik. —, v. v. sanier,choien, wo,Plen; rondglenteren; ondiap warden. — iness (-t-Hens), s, ondi,pte, verza , ding- — it, a, ondtep, wercr,od. Shock (sjok"), s. schok, basing; aanv.e.1, strijd; walging; hoop ochoovon; ruige bond. —, v. a. echokken, beieedigen, ergeren; v. Ti. botsen; hoop , . zetion. — ing, a. — ingly, ad. aan,tootelijk, ergerlijk, stnitend. Shoe (sine . ), a. schoen; hoeiljzer. --bill, — tack, sehoensOker. — black, — toy, schoenpoetser; schoenhorstel. — blacking, schoensmeer. — brush, —horn, scho,nhorcntje. —leather. schoenleder. —maker, echoenmaber. —strap, —string, —tie, seboenband. Shoe isjoe') [shod], v. a. sehocian; beslaau. —log, a. bet schoeten, healaan; — hammer, klinkechoeultore,tje; — pincers, pl. hamer, hoeftang. Shook tsjoek), s. duig, plank. Shoot (riser)), s. sehot, sehent, seruit; Shoot (Ajoet') [shot], v. a. schieten, afschieten; doodschieteo; verpe,u; tretietn enel doorvitegen; af,chsonn; 1;itstorten. (forth. out) schieten; weepea; uitstorten. (qt) afschieten. —. v. n. echie• ten; istoken; vitegen, voo•tsnelien; uitloopen, uitbotten; uitstcken. (oil schieten near. (forth) uitloopen; melt Ititstrekken. (oat) ui.mhieten, (opt opechieten; eparceten. schieter, schutter. .--ing, 8, het schietco., — ing - star, verschietende wee. — ing stiek, sattihout. Shop !sjop'), s. Winkel — board, workbook. —Gook, winkenooc. --keeper, wink- eller, — lifter, wmketdiet — lifting, winkeldiefetai. — maid, wankel' Jury , . . — man, winkelieroc intelknecht.—mate, v. cc. tie winkels atioopeu. winkelhediende. — ping, s. het :vflool,eri der wenkele. Shore ,8loor'), a. strand. sever; sisal, greppel; stut, echo°, —. v. a. Lchoren, etuiten ;up), --anchor. loedanker. — land, oeverlan't. — less, a. oeverloos, onbegrenmd, Short (sjorl') s. sehorl. — ing, a. geschoren schaap; echape,acht. Short (sjort'), a. ulttreksel, kort 1,grip. in —, a. & ad- kort; sehraal, kortom, in 't kort.
T1P.—TON. Tipsy (tip'elh), a. dronken, besehonken. Tire (tab.), s. tool, opechik; gewsad; velg van een rad); gereedschap. —woman, hoeden-, mutmenmaaketer; kamenier. toolen, opsehikken; yermoeten, afmatten, vervelen, (out); v. 11. moede worden. —d (tajrd), a. moede; (of. with) zat. —does. (tajrdc), s. vermetelhed; zatheid. —some, a. vermoeien 4 ; vervelend. —somenele, a. vermoeldheld; verveling. Tiring (taj'rieng), e. bet opschikken; het vermoeien. —house, —room, kleedkamer. Tirwit (tuewit),.. kievit. Tisane (ti-zaan'), e. geretewater. 'Tick (tiz'ik), s. —al, a. Zie Phthisic. Tissue (tieroe), s, good., zliverlaken; we efsel. —, v. a. weven,doorweven. Tit (tit' ► , a. wijrje, vrouwmenech; klein nest; moos. —for that, leer om leer. —bit, lekkor beetje. — lark, veidieettweelk. —mouse, meee. Tit h chic (tejth'1131), a. tiendplichtig. Tith e a. timid; tiende gedeelte; — collector, —gatherer. —proctor, tiendheffer; —free, tiendvrij. —e v. a. It n. vertienden; tienden geven. —er, s. tiendheffer. —ing, s. verttending; tiered; aantul van tien huiegezinnen; —man, headmen van eon Centel Easi n nen, Titilia te (tit'll-feet), v. n. kittelen. —lion (-lee , 'dun), s, kitteling. Title (tart)), s. titel; aanspraak, reeht. —dead, bewije van eigendom. —leaf, —page, titelblad. - v. a. betitelen, noemen. —d, a. gettteld. a. condor titel, naamloos. Titter (tit'tur), s, geg!chel. —, v. n. gichelen. Tittle (tit11), e. stipje, tIttel, jots. te a —, tip eon hair, ten stiptste. —tattle (-tot-Mt e.gebabbel, gekleta; v. n. babbelen. TItubnaora (tit jee-bee'ejun), e. wankeling, ntrulkeling. Titular (tit'joe-ler), a. —ly, ad. slechts den titel voeread, titulair. (-le-rib), a. in een' titel beetaand; s, die een' titel (een reeht) heeft; titularis. ast, anti. Thy (ttelh), ad. met groote To (toe), ad. tk prp. near; tot; te, ter, ten; aan; op; jegene; tegen; bpi; In vergelijking van; om te. brother — the king, brooder des konings. as — that, wet dat aengaat.— andfro,— and again, heen en weer, over on weer. —day (-dee"), ad. heden. —do (-doe'), s. beweging, drakte, ophef. —morrow (-mor'ro), ad, morgen. —night (-najt), ad. van avoid; dozen nacht. Toed (toad'), a. pad. —eater, dte genadebrood eel; vleler. fish, zeepadde. —flax, viaskruld. gate waterlelie. —rash,paddenbies. madder. —stone, paddensteen. —stool, paddenstool. —ish, a. pedachtig, vergiftig. —let (-lit), s. kleine padde. —y, s. tafelschuimer. Tenet (toost' ► , a. geroosterd aneedje brood; feestdronk, toast. —, v. a. roosten, roosteren; op de gezondheid drinken van. —er, a. die coostart; rooster; die fen' toast tnstelt. Tobacco (to-bek'ko), e. tabak. —box, tebakedoes. —pipe, tabakeinjp. --pipe-jowl, pijpekop. —pouch, tabakazsk. —stopper, pfjpetoppertje. —Met, s, tabaksverkooper. Tocsin (toit'slu), B. alarmklok.
—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.
Korokommer, a. encumber. Kosninn, a. lit o.'comma. —punt, seem-colon. Konansnnd ant, m. commander; governor. —acres, ov. & on. w. to command. —ear, m. commander, COMmodore. Komnier, m. trouble, sorrow, grief; hare-dung. —rijp, hardly ripe. —/iele, by. & bw. sorrowful (-lye, distresefol (-1y), cumberso,ne, scanty (-ly), pitiful (-ly). —loan, by. careless, anconcerne —xis, Y. trouble, sorrow, grief.
If you do have this much money tied up in Bitcoin, though, you may want a more secure space to store it. If this is the case, Coinbase offers a Coinbase vault, which has time-delayed withdrawals (giving you 48 hours to cancel a withdrawal) and the option of multiple approvers, increasing security by ensuring that all withdrawals are approved by multiple people. They also offer a multisig vault, which is basically an even more involved and more secure vault, requiring multiple keys to unlock. 
Misfortune (mis-for'tjoen), a. ongeluk. Niggly e (rnis-giv") [ire.], v. a. met twijfel (arg11.118.11, bezorgdheid) vervullen. —tag, 8. twijfel, bezorgdheid; roorg8voel. Misgotten (mia-got'tn), a. onrechtvaardig vie' kregen. Misgovern (mis - guv'urn), v. a. slecht besturen. —ed (-urnd), a. ruw, nnbeschaafd. —ment, a. wanbestuur; waugedrag. Misgraft (mis-graaft'1, v. a. verkeerd eaten. Mlsgrouud (rnis-graaund'), v. a. verkeerd (ten onrechte) gronden. Misguld e (mis-gajd') v. a. verkeerd leiden. —acre, s. verkeerde leiding; richting. Mishap (mishap'), s. ongeval, ongeluk. Mishear (mis-hier'), v. n. gebrekkig hooren. Itiiiohmash (misrmesj), s. mengelmoes. Misi ► prove (mis-im-proev'), v. a. misbruiken. — meat, a. verkeerd gebruik. MIsinfer (mis-in-fur`), v. a. ten onrechte afleiden. Misinform (mis-in -form'), v. a. verkeerd ten. —ation (-fur-lnee'sjun), a. °ululate inlichting; valsch beric-bt. Mistnstruct (mis-in-strukt'), v. a. verkeerd onderrichten. —ion (-struk'sjun), a. verkeerd onderricht. Misintelligence (mis-in-tel'ii-dzjens), a. mi.verstand; valsch bericht. Misinterpret Imie-in-tur'prit), v. a. verkeerd saltleggen. — ation (•ee'sjun), s. verkeerde tick legging. MIK; oin (mix -clzj oin'),v. a. verkeerd aaneen voegen. Misjudge (mts-tizjudzji, v. a. verkeerd -oeoordeelen. v. n. onjuist oordcelen. Miskin (miekin), s. kieine zakpijp. Miskindie (mis-kajn'd1), v. a. opruien. Mislay (min-lee') Lirr.], v. a. verleggen. Mislead (ants-lied') [yr.], v. a. Intaleiden; verleiden. —er, a. misleider; verleider. Mislike (mis-lajk'), a. afkeuring; efkeer. v. a. & n. atkeerig zijn van; mishagen. Misltve (mia-livi, v. n. slecht Leven. Misluck (mis-luk 1 ), s. ongeluk. Mismanage (mis-men'idzj), v. a. siecht besturen. —meat, 8. slecht bestuur. (mis-maark'), v. a. verkeerd merken. Mismatch (mis-meesj'), v. a, verkeerd pares. Ilillaymeasu (mia-mezroer, -ur), v. a. onjuist Met.. itliS1► .111MIC
era. —wedde, pension, yearly allowance. —lijka, bw. yearly. annually, every y stir. —What, cv. yearly, annual. Jftcht. o. yacht. —, v. hunting, chase; haste. — maken op, to give chase to; to hunt after. op de s - hanting. —deirel, indefatigable hunter ; hurrier. -- gores. hunter 'a toils. —gerecht, court of jndteanare in the concerns of the chase. —gewaad, huntsman's dress. —geneer, —roer, hunting - piece, fowling-piece. —godin, goddess of
-seroeder,, (wife 's) brother-in-law. -Shand, man 's hand. - shemd, shirt. -shoog, high as a lull grown man. -skoagte, tallness of a man. -sklred, man 'a coat. -skleeding, man 's dress, male apparel. -ekracht, man 's force. -slengte, ma.l'a length, -. size. -smoeder, (wife 'a) motherin-law. -air. male issue. - soar. colts-foot, asarum, -epersoon, man, male. -mit, man 'a coot. --evader, (wife 'e) father-in law. -exacter, (wife 'a) slater-in-law. - aektig, be. mannish„ manlike, strong-featured, masculine. bv. marriageable, nubile. -held, v. rearrtageableneee, puberty. Mond, v. basket, hamper. door de -rattles, i o confess, to avow. -vol, I seketful. -ewagen, basket-eurringe. -emetic, wicker - work. -ewerker, basket-maker. -enact/cm -enmakerV, basket. making. -otmaker, basket-maker. -enwinkel, basket chop. -en, or. w. to basket. Itinudnat, o. mandate. Inatodei•kruld, o. germander. o. little `racket. ---skoop„ basket-seller. Masses, v. mu. mane.
Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.
Enchafe (en-Weer), v. a. tergen. Employ (ea -plot'), s. ambt, werk,bezlgheid.—, Enchain (en-tsjeen't, v. a. ketenen. —er; a. v. a. bezigen, aanwenden; gebruiken; in dienat Enchant (en-tsjaant'), v. a. betooveren. ad. verrukkelijk. —meat, a. hebben. —able, a. bruikbaar. —er, a. gebruiker; toovenaar. —ingly, baas, patroon; lastgever. —ment, a. bezigheid; betoovering. —ress, a. toovenarea. Enchase (en-tsjees'), v. a. invatten; indrijven, ambt, bediening. graveeren; grofachilderen. Empoison (em-porzn), v. a. vergittigen. —er, Encircle (en-suekl), v. a. omringen. s. vergiftiger. —meat, a. vergiftiging. Emporium (em-po'ri-um), s. markt, stapel- Enclos a (en-klooz') v. a. insluiten; omheinen. —mire (-zjoer), a. omhelning; besloten veld; ingeplaate. eloten brief of stub. Empoverish (em-pov'ur-isj), v. a. verarmen. Encoml sat (en-ko'mi-est), a. lofredenaar. —mint, s. verarming. —antic, —astical, (-ea'tik.), a. prijzend, lof toeEmpower (em-pauwittr), v. a. maehtigen. zwaaiend. —um, a. lofted.. Empress (em'press), a. keizerin. inEmprise (em-prajz), a. gewaagde onderneming, Encompass (en-kum'pes), v. a. omringen, sluiten; omwandelen; omzeilen. —meat, a. instout bestaan. sluiting; uitweiding. Empt ter (em'ti-ur), s. lediger. —iness, a. ledir heid; ijdelheid, nietigheid. —ion (em'sjun), a. Encore (eng-koor't, ad. nog tens; bid Encounter (en-ksaun'tur), a. ontmoeting; koop. echermutieling, gevecht. —, v. a. ontmoeten; Empty (em tilt), a. ledig: ijdel; onwetend. —hanhet hoofd bieden; aanvallen; v. n. elkander ontded, met leege handen. —headed, dom. —heart- moeten; handgemeen worden. —er, a. tegened, ongevoelig. —, v. a. ledigen; '(of) bevrijden stander. (berooven) vt.n. to — one's self into, uitloopen Encurage (en-kuri ► dz)), v. a. aanmoedigen, (.iengz), a. bezinksel, grondsop. in. —ings aansporen. —anent a. aanmoediging, aansporing. Empurple (em pur'pl), v. a. purperkieurig ma—r, a. aanmoediger. ken; (with) versieren met. aanmatigen; Empuzzie (e.m-puz'zi), v. a. inl verwarring Encroach ;ea krootert v. n. itch(on. upon). —er, indringen; inbreuk waken op. brengen. a. overweldiger; die inbreuk maakt. —meat, a. Emapyre al (em-pir'i-el),'—an (ook: em-pie-ri'en), inbreukmaking; aanrnatiging. a. hemelsch; zuiver. (ook: ri'en), a. hoogEncumber (en-kumibur), v. a. belemmeren; ete hernel. bezwaren. —brance (-bream), a. belemmering; Emula to (emloe-leet), v. a. wedijveren met; beslommering; overtollig bijvoegsel. nastreven, nabontsen. —tion (-lee'ajun), a. wedijvering, nastreving. (-le-tiv ), R. wedijve- Encyclical (en-siklikl), a. rondgaand. —epistle, rondgAande brief. rend, naatrevend. —tor, s. mededinger. nastrever. Encyciope ella (en-saj-klo-pi'di- e), a. algemeen Emutgent (e murdzjent), uitmelkend. Emulous (em'joe-lus), a. naijverig (of, op). — ly, woordenboek; encyclopedia. —dian (-pi'di-e.), —die, —dical, (-ped'ik-), a. eneyelopedisch. ad. naijveng. Emulsion (e mursjun), s. olieachtige, ver- Encyhted (en-sist'id), a. in een' zak bealoten. to zachtende drank. —sive, a. verzacbtend, melk- End (end'), s. einde; oogmerk, doel. to no—,ten vergeefa. on —, overeind. to the — that, achtig. einde; opdat. to be at one's wit's —, ten einde Ensuuctory (e-munk'tur-rih), a. afseheidingssteeds op , — rand zijn. to be all for one's Omen klier. eigen voordeel bedacht zijn. to make both —s Enable (en-eebl'), v. a. in stoat stellen. meet, de tering near de nering zetten. —all, a. Enact (en-ekt'), v. a. verordenen, vaststellen. besluit. —, v. a. & n. eindigen. all is well that —went, s. verordening. —or, a. wetsuitvaardiger. —s well, eind goed, al goed. Enallage (en-el'iidzj), woordverandering. besehadigen. Enambush (en-em'boesj), v. a. in hinderlaag Endaniago (en-dem'idzp, v. a.a, Endanger (en deen!dsjur), v. in gevaar brenleggen. gen. Enamel (en-em'el), a. brandverf; brandschllEndear (en-diet') v. a. bemind maken. —meat, derv.- erk; vergiaassel; 6mail. —, v. a. branda. geheehtheid; lief boozing. schilderen, 6 ► ailleeren. —ler, a. brandschilder. v. a. beEnamour, Enamor (en-em'ur), v. a. verliefd Endeavor (en-dev'ur), a. posing. —,naar). —er, proeven; v. n. pages, traehten (after, maken. s. beproever; trachter. ]narration (en-er-ree'sjun), a. omstandig verEndecagou (en-dek'e-gon), e. elf hoek. heal. —ices( -demlk-), Endem ial (en die'mi-el), Ennrthrosis (en-er-thru'ais), a. gelidvoeging. a. inheemach. Enatation (en-e-tee'sjen), a. ontzwemming. Endenizen (en-den'itn), v. a. naturaliseeren. Enate (e-neet'), a. uitgroeiend. Ending (endleng), a. besluit, Encage (en-keetizr), v. a. opeluiten. Endive (en'div), a. andijvie. Encamp (en-kemp'), v. a. & n. Iegeren. —anent, Endless (endless), a. —ly, ad. eindeloos. —ness, s. legering; legerplaats. s. eindeloosheid. a. Encaustic (en-kaos'tik), a. ingebrand. End long (endlong), ad. reehtuit, overlangs, (bet) brand- (was-) acbilderen. —most, (-moost), a. verat, niterat. Enenve (en-keev') v. a. in een' boil verbergen; Endow (en-dauw'), v. a. begiftigen: toerusten. it een' keleer bergen.
BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.
Broth (broth), s. vleesehnat. Buff (buf), . buffelleder; lichtgeel. brothel (brotia'11), a. bordeel. Buffalo (bufle-lo), a. buffel. Brother (brutieur), a. broeder. —in-law, schoon- Buffer (bur fur), s. ntootkussen. broeder. foater zoogbroeder. —hood, a. brae- Buffet (burfit), e. vuistslag; buffet. —, v. a. derschap. —ly. a. broederlijk. atompen; v. n. boksen. Brow (beau), s. wenkbrauw; gelaat; bruin. Buille-headed (butt-hed'id), a. dom, koppig. —beat, v. a. uit het veld slaan. —bound, a. ge- Buffoon (buf-Coen'), a. potsenmaker,hansworst. krooud. —ery, s. potsenmakerij. - Brown (braaun), a. bruin. —bread, roggebrood. Bug (bug) a. wandluis. —bear, bullebak. —gy, —George, kommiesbrood. —stout, .ware porter. a. vol weegluizen. —gy, a. sjees. —study, diep gepeins. —wort, brunelle; opera- Bugle (bjoe'gl)., a. jachthoorn; merle glaskraal. braid. —jab, a. bruinachtig. —horn, jachthoorn. Browse (hrauz), a. voorjaarsspruitjes. —, v. a. Bugloss (bjoe'glos), s. ossetong (plant). afvreten; v. n. frozen. Build (bild) [built (WIC], v. (a. bouwen; v. a. Bruize (brae.), a. kneuzig. v. a. verplette- (upon) zich gronden, veriaten op. —er, a. bonren, kneuzen. —wort, kneuskruid. —r, a. bok- war. —ing, a. gebopm. aer; slijpschaal. Bulb (bulb),: a. bloembol. —nue, a. bola:010g. Bruit ( broet), a. gerucht, geraas. —, v. a. rucht- —ous plant, bolgewas. hear waken. Bulge (buldzj), a. bulk; lek. —, v. n. ultzwelBrusnal ibroeimei), a. winterachtig. len; lek atooten. § —r, a. vlakte; groot geBrunt (brunt), a. schok; geweld; slag. vaarte. Brush. (brusj), a. borate]; penseel, kwast; ocher- Bulimy (bjoe1i-mih), a. eetziekte. mutseling. blacking schoenboratel. —, v. a. Bulk (bulk), 8. omvang, ruirnte; manna; (het) 8chuieren. borstelen, (off. up); kladschilderen. geheel; hoofdgebouw. to break —, last breken. —, v. n. wegeluipen. —maker, berstelmaker. —head, hc8chot. —iness, a. omvang, grootte. —y, —wood, kreupelhout. —y, a. rulg, boratelig. a. groot, zwaar, lijvig. Brastle (bras'!), v. n. knetteren, rutachen. § woekeraar Bull (boel), a. utter; misslag; Brutal (1,oe'tell, a. —ly, ad. dierlijk, wont, in actien —baiting, stierengevecht. —bee, —fly, onbeschoft. —ity (-tel'it-tlh), a. dierlijkheid, paardenvlieg. —beggar, bullebak. —calf, jonge onbeschoftheid. —ize (-sjs), v. a. & n. verdier- atier; hotterik. —dog, bulhond. —fight, stierenlijken. gevecht. —finch, goudvink. —head, domkop; butBrut e (broet), s. redeloos wezen. —e, —ish, a. lekop (visch). —'s-eye, venster; lichtgat. —'sredeloos, dierlijk. —ify (-ti-fej), v. a. verdierlij- ;fizzle, bullepees. —trout, zalmforel. —weed, paken, verstompen. —ishness, a. dierlijkheid, wont- pierbloem, vlokkruid. Bulince iboePles), a. wilds pruim. held. Bryony (brapo-nilt), a. Wilde wijngaard. Bullet cboePlitt, a. kogel. Bulletin (boePle-tin), a. dngorder. Bub bub), s. zwaar bier. Bubble (bub'b1), s. waterbel; nietigheid; bedrog. Bullion (boel'junl, a. onbewerkt goad of diver. —, v. a. bedriegen; v. n. opborrelen. —r, s. be- Bullock (boelluk), a. gesneden utter. Bully (boel'lih), a. windmaker; twiatzoeker. —, drieger. v. a, overbluffen; v. n. grootapreken. Bubo (bjoe'-bo), a. liesgezwel. Buck (buk), a. bok, mannetje; loog; fat. —, v. a. Bulrush (boePrusj), a. biea, lisch. in de loog zetten; v. n. paren. —ashes, long- Bulwark (boel'wurk), a. bolwerk. —, v. a. vereach. —basket, waschmand. —beans, boksboo- schansen. nen, waterklaver. —coney, damhert. § —eye, spot- Bum (bum), a. achterste. —, v. n. ]even maken. neon voor de inboorlingen van Ohio. —goat, —bailiff, dievenleider. —boat, groenteschult. geitebok. —ram, stijf linnen. —skin, boksvel;•Buinbast (bum'best), a. lappendeken. cohere broekstof. § —tail, naam eener staatkun- k Bumble-bee (hum'bi-bie), a. hommel. dige part!) in New-York. —thorn, kruisdoorn. Bump (bump), a, buil, gezwel. —, v. a. slaan, —wheat, boekweit. —ish, a. weelderig, wuipach. homen; v. n. geweld 'oaken. —er, a. voile baker. Bumpkin (bump'k(n), a. vlegel, lomperd. Bucket (buk'it), a. wateremmer. v. a. gespen; Bun (bun), a. zeker gebak, broodkoekje. Buckle (buk'kl), 8. gasp; krul. krullen; v. n. buigen, zich voegen. (for) zich Bunch (bunts)), a. boatel; bundel, boa; trots. —, gereed maken tot. (to) zich toeleggen op; zich, v. n. (out) zwellen,uitzetten. —backed, gebocheld. onderwerpen aan. (with) strijden met. —r, a. , -y, A. vol trossen. achild. n Bundle (bun'd!), a. bundel, boa, rol. —, v. a. Bucolic 11;joe-kol'ik), n. herdersdicht; dichter! bijeenbinden of pakken (up). van een' herderszang. —, a. herderlijk. Bung (bung), a. born, upon. —, v. a. toestoppen. —hole, apongat. Bud (bud), s. knop, kiem. —, v. a. enters; v. n. Bungle (bung'gt), a. broddelwerk; lompheid. —, botten. —ding-knife, entmea. Huddle (bud'd1), a. ertnwaschbak. —, v. a. ertai v. a. & n. broddelen. —r, a. knottier. wasschen. ;Bungling (bung-glieng), a. —ly, ad. broddelig. Budge (bUdij), s, lantsvel. , v. n. zich ver- I Bunk (bunk), a, toeslaande alaapbank. roeren. —, a. stiff, streng. —, v. n. !Bunt (bunt), s. bulk in een scheepl Budget (bud'zjit), a. indecent zak; staatibegroo- zwellen. —gasket, buikselsing. —ing, a. vlaggenLing. dock; viasvink. —line, buikgordla.

pen; punctueeret.; wijzen; (against. at) richten op; (out) aantoonen; v n. aqnslattn; (at) aunwkizen; (to' wijzen op, eanduiden. —cd, a. —edly, ad. epics, puotig; ucherp —edness, a. puntigheld, scherpheid. —el, a. etift, griffel; knopje. —er, a. punter, atipper; wijzer; speurhond. —era (-nrc, pl. elspers. —ing, s. aanpuntIng; aanduiding; het hestek makes, molting. —ing-stock, mritpaal, voorwerp van bespotting. —less, a. stomp. —groan, a. haanwachter. —wise, a. pont*. Poise (pojz), a, gewicht; evenwicht, balans. —, ,rgen; in evenwicht boo-len. poi... (poyzn)., a. gif, vergif. —ash, girboom. —bush, wo!nmelk. —cup, gifbeker. —fang, vergittand. —fish, zeepauw. —nut, braaknoot, trussoog. gifboom. —, v. a. vergiftigen. —er, s. vergiftiger. —out, a. —olcary, ad. vergiftig; vet.derfelijk. —nuances, a. vergiftighoid. Poltrel qtortril), a. borsth,,inas, -riem van een pound); graveerstift. Pak e (pooki), s. zak, bolds'; stool, stomp. —e, v. a. & n. stooten, steken; oppoken; rondtaeten, voeleu. —er, e. pool, —ing a. zwoegend, alaafach. Polar (paler), a. van de polen- pool. — bear, &beer. — cirkle, poolcirkel. —chy e. regeering van vales --icy (-ler'it-tih), elicit, strekking near de poles.(-1-see , ',jun), a. polarisatie. —ire (ajz), v. a. polar'seer-es —y, near de polen neigend of gericht. Peale (pool'; a. steak, pawl, polo boom; meetroede; aspunt, pool. enterbijl. —bolt, 'Tannage'. —cat, housing. —davy, paklinnen. —fence, --hedge, ornheining van peen.—head, top der brausteng. --bosh, distselhaak. —mast, mat uit 6On stuk. —plate, dwarslegger (op spoorwegen). —screen, stokscherm. —star, poolater. p. a. van staken voorzien; voortboomen; op etaken dragen. Polemic (po-lem•ik), s. redet wieter, —al, a. redetwistend. —a, a. redetwist. Polar (po'lor), a. roerstok, s. pole.;. —grass, wild', poiei, Poley —mountain, bergpolei. Pollee (po-lies'), a. policie. —man, policie-die , —oificer, policie-beambte. near, Pone led (pol'i-aid), a welvordend; beschaafd. —y, a. staatkunde, staatsbeheer; beleid, slowheld; pnlis. Polish (pol'isj), a. glans, gladheid; bruineerael; pnlkj,ti,g; welgemanierdheid. —, v. a. polijsten; beschaven; v. rt. glad (beachaard) worden —Ore, Ft. nor polijating ibeschaving) vathear. —er, a. poliirter; lit-, gladheut; beschaver. —ing, a. bet p , lijateu —ing-iron, glansijzer, bruineereteal. —ing-stick, gladhout. Polite (po-lajt",, ad. gepolijst; beleefd„ welle,end. s. beleefdheid, wellevendheid. (pol'i-tik), a. —1y, ad. —al, a. —ally, ad. (po lit'ikl-), staatkundig, stqatsburgerlijk; get,lepen, slow. —aster (po-lit-i-keetur), a. *teatkundige tinnegieter. —ian ( a. etaatkundigs, etaateman, slimme vogel, pl. "teatkunde; stantszaken. Polity (pol'itAth), a. regeeringavorm, etaateregeliug. Z•e Polley.
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

cryptogeld zcash


t. w. (op) to advise with one's pillow about. Reotecht en, se, w. to decide, to accommodate, to sett:e. —er, m. —ster, v. decider, , aecororoodator. —leg, v. decision. accommodation. Besliespen, be. sharp, settle. Bee.Witen, or. w. to bemire, to bespatter with mud. Bc.iliperi, of. w. to whet (to grind, to polish) entirely. Branca en. ov. w. to decide. —end, by. AD bw. decisive (-1y), final (•1y), poOtIve (iy). —et., rn. decider. —ing, v. decision. Beeioneuser d, by. Intricate. —en, ov. w« to encumber, to embarrass, to bring into trouble, to entangle, to involve. —my, v. envumbrance, embarrassment, trouble, bustle. Best of en, by. inclosed; walled, blocked up; close, private. by — water, when the water is frozen. koliek, iliac peesion. Beall nit, o. conclusion; end; resolution; decision; decree. tot —, to conclude. —clues, by, irresolute, undecided, WPVelfillg. —eloosheid, v. irresolution, indecielon. —en, ov. w. to :terminate, to conclude; to resolve upon, to decide upon, to decree; to inter; in rich —, to contain; — tot, to resolve upon. Besuteer tier, in. —liter, y. beemeare.r. Hamner en, ov. w. to besmear, to grease, to bedaub. —kg, v. besmearing, bedaubing. ileuraet beer, v. Zie fiessioettier. —telijk, by. contagious, infectious. —telijkheid, v, contagious. flees!, infectioueness. —ten, (ay. w. to stain, to infect, to pollute., to defile. —tiny, v. infection, contagion, pollution. Be...seen, or. w. to string. Be wnnuwen, ov w. to snarl at. Beeneden, by« cut, carved, engraved; circumcised. wet —, finely chiselled, well-favored, comely. Ileaneetemrd,bv. covered with snow.' Hesnijd en, ov. w. to cut, to:carve, to engrave; to clip; to circumcise. --tale, v. circumcision. —et, in. carver, engraver; circumcise, —ing, v. carving. engraving; cutting (clipping) off. Besnoel all, ov. w. to prune, to lop; to clip; to lemon, to curtail, to retrench. — er, ni. pruner, lopper; clipper. —ley, v. pruning, lopping; clipping; curtailment. Beenoet,n, ov. w. to string, to tie. Bean oft, by. snotty. Beent42/eleu, ov. w, to snuffle (to smell), at, to pry into. Recluses der, m. —tier, v. sparer, saver. Bespenuen, ov. w. to put to, to span; to string sic' 

75 Dimpl es. kuiltje In de wangenl. —e, v. a. kuiltles doen krijgen; v. n. kuiltjes krilgen. —ed, —y, a. met kuiltjes. Din (din), a. geraas; gekletter. —, v. a. verdoo• ven, doen daveren. Dinarcby (din'er-kih), a. tweehoufdige regeerieig. Dine (dajn), v. a. een middagmaal geven aan; v. n. het naddugmaal gebruiken. § Ding (ding'), a. zeer, uitermato. —hot, smoorheet. Ding (ding'), v. a. tegen elkander slaan, kletson; met geweld indrukken; v. n. men, tieren. —dung, a. klokgebom. Dinginess (din'dzji-ness), s. donkerheid; morsigheid. Dingle (ding'g1), a. dal, vallel. —dangle, a. slingerend; wapperend; I. klokgelui. Dingy (din'dzjih), a. duister, morsig. Dining (dajn'iengl„ a. (het) middagmalen. eatzatil. —set, tafelservies. Dinner (din'nur), s. middagmaal. —party, middagmaal (met gasten;. —time, etenetAjd. Dint (dint), a. slag, deuk; kracht, geweld. by — of, door veel....; met. Dinunscration (daj-rijoe-mur-ee'sjun), 11. opsomming. Dioces en (daj-os'i-sen, daj-o'si-sen), a. 'an een bisdom; s. bisschop. —e (dayo-sea), s. hisdone; diocese; kerepel. Dioptric (daj-op'trik), —al, a. de straalbrekina betreffend; tot het vbrzien dienend. —a, a. leer der atraalbreking.• Dip ;dip') a. indooping; inzakking. — of the needle, afwkiking (helling) der kompasnaald. — of the horieon, kimduiking. —chick, waterhoen. —a, a. getrokken kaarsen. Dip (dip, v. A. indompelen, nat Trinket]; indoopen; (from. out of; scheppen; verpanden. —, v. n. onderduilken; (into) zich inlaten met, viuchtig doorzien; hellen (van; de kompasnaald). Dipetalous (daj-pet'e-lust, a. tweebladerig. Dipthong (dip'thong), a. tweeklank. Diploma (di-plo'me), a. diploma; handvest. a. kennis van staatszaken; diplomatic; de gezamenlijke diplomaten. —te (dip'lo met), —fist, a. staatsman, diplomaat. —tic (dip -lo-inet'ik), a. diplomatiek. —tics (dip-lo-met'iks), a. kennis van nude oorkonden. Dipp er (dIp'pur), s. duiker; lepel. —ing, s. indooping; inzakking. —ing-needle, aangestreken kompaenaald. Diradiation (dej-ree-di-eo'sjun), s. straalverspreiding. Dire (dale), ful, a. —fully, ad. ijselijk, akelig. —fulness, — ness, a. ijselabeld, akeligheid. Direct (di-rekt'), a. recht; rechtstreeks. v. a. regelen; volschrijven; (to) richten, verwijzen, adresseeren. —ion (-rek'sjun), s. riehting; beacon voorschrift; adres. —ive, a. besturend; aanwijzend. —ly, ad. aansinnds; rechtstreek, —ness, a. rechtheid; oprechtheid. —or,a. bestuurder; bteehtvader; richtsnoer. —oriel (to'ri-el), a. beAtarand. —ory, a. besturend; a. bewind; riehtsnoer; adre book. —revs, —rix, a. bestuurster. Direption (di-rep'sjun), e. plundering. Dirge (drirdzj), a. 10kzang.
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Is cryptogeld een actief

×