Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.

Repay (re-pee') [ire.], v. a. terugbetalen; ver- a. berisper. a. --sibly, ad. (-hen'sibl.), berispelijk, strafbaar. —tibleneas 1-hen'aibl-1, a. gelden, vergoeden, — (ri-pee'), nog sena betalen. —able, a. terugbetaal bear —tnent,s. te rugbetaling. berispeltjkhel3; strafbaarheid. (-hen'sjun), Repeal Ire- piel'), a. herroeping, intrekking; at- a. berieping. —sive (-hen'siv), —tory (-hen'aurschaffing. —, v. a. herroepen, iutrekken; at- rih), a. berlapend, lakend. arhaffen. —able, e„ te herroepen. —cr.; a. her- Represent (rep-re-zent'), v. a. vogratellen; vertegenwoordigen. —ation (-tee'sjun), a. voorstelroepe• afachaffer. Repeat (re-piet'),s. herhaling; herhalingateeken. ling; vertegenwoordiging; vermaning. —ative (-e-tiv), a. vooratellend; vertegenwoordigend; a. —, v. a. herhalen; opzeggon. —edly, ad. bij her- voorstelling; vertegenwoordiger. —er, a. voorhaling. —er, s. herhaler; repeiitie-horlogie. atelier; see egenwoordiger. —meat, a. voorstelRepel (repel'), v. a. terugditven, -stooten; te aanzten. genwerken; ofwenden. —lency (-len-sih), a. temp , ling; niter' drijvende kracht. —lent, a. & a. terugOrijvend, Repress (re-press'), v. a. beteugelen,onderdruk1 ken, —er, s. onderdrukker. —ion (-presj'un), a. verdeelend (middel). I beteugeliug. —ive, a. beteugelend. Repent (ri'pent), a. truipend. Repent (re-pent'), v. a. & n. berouw h ebbe '"`eprieve (re•priev'), a. nitrite% opachorting. over (of); boete doen. —ance, a. berouw. —ant,' v. a uitstellen, opechorten. 'Reprimand (rep'ri-maand), e. berisping, bea. boetvaardig. strafilng. epeople (ri-prpl), a. a. weder bevolken. (-maand'), v. a. berispen, bestraffen. 'leveret's. lop (ri-pur-kusTan), a. terngstoo- 'Reprint (ri-print'), a. herdruk, nieuwe uitgave. —, v. a. herdrukken. nog, weerkaataIng. —ire, a. terugdrij 'end; weer- ',sateen& Repels al (re-prarzel), a. weerwraak. letter of Repertory (rep'ur-tur-rih), a. inhoudaregister; —ale, kaperbrief. —e (-praja'), a. berneming; wet; mags'imn. dervergelding; hernomen schi p. Writ; epetiti on (rep.e.timj - u.), a . herbaling. —.al, Reproach (re-prooteri, a. verwtjt, schande. —, v. a. verw ten; verwilten doen (for. with). —able, —out (-tkrus'i , a. herhalend. a. berispe ijk, straf aar. —fat, a. —fully, ad. lit .nine (re-pajn'), v. (against. at) ontevreden zijn, morren over; benikten. —r, s. misnoegde; beleedigend, sehandelijk. bender.Reprobn te (rep're-bet), a. snood, verworpen; Replace (re plees') v. a. verplaataea; vervangen. verdoemd; a. anoodaard, verworpeling; Terdoemde. —te (-beet), v. a. verwerpen; (ri-pleesi), weder plaateen. w verdnemen, v. a. verplanten. —able, a. —teneatebet-j, a. anoodheid, verworpenheld; vetReplant doemdbeid. —lion (-bee'sjun), a. verwerping, verte verplanten. —ration (-tee'ajun), a. verplan- doemenis. ting. Illeplottd (ri-plied'), v. a, op nieuw bepleiten; Reproduc e (ri-pro-djoes'), v. a. weder voortv. n. op nieuw pleiten. I brengen.—tion (-duk'sjun).0.wedervoortbrengIng, Replenish (re-plen'isj), v. a. vol molten; , 'Reproof ire proev';, a. verwlit, berisping. aanvulling. vullen. —meat, 1Reprov able (re-proev'ibl), a. beriapelijk. —e, Reple te (re-pliet'), a. vol (with). —tion (-pH' a. a. verwijten, berispen besehuldigen (of). —en, • a. berieper. ejt•i), a. vatting; volheid; volbloedigheid, a. vullend. Reptile (rep'til), a. kruipend.—, a. kruipend dier. Repler table (re-plev'i-ibi), a. Josbasr. —in, Republic (re•pubilik), a.republiek,gemeenebeet. —1,, a. opbefflng van een be3lag of verband; v. I —an, a. republikeinseb; . republikein. a. lossen; opheffen (een booing of verband). Repabl ication (ri-pub li-kee'sjun) a. her(rep-11-kee'sjun),.. wederantw oord. haalde bekendmaki ng; herdruk. —nth (-, pubniej). II epl feat Rep! ler (re.plaj'ur), a, antwoorder. —y N. a. weder bekend maken; op nieuw uitgeven. P. antwoord; v. a, beantwoorden; v. a. antwoor- Repudia bile (re-pjoe'di-ibl), a. verwerpelp. —te (-eet), v. a. verwerpen; veratooten. —lion den (to). Repolish (ri-parisj), v, a. op nieuw polijsten. (..ea'sjun), a. verwerping; verstooting.—ator (-eetur;, a. verwerper; verstooter. Report (re poort ) ), a. bericht, verslag; gerucht, a, a. berichten, vertel- Repugn (re-pjoen'), v. a. weerstreven; strijdig roep, knal, gebulder. Jen; uitstrooten; verklaren year; v. n verslag ziin met. —ance (-pug'nens),s. tegenstand; began((nen, berIcht [mien. beriebt, ver.leggever; spraak; tegenzin,afkeer. —oat, a. antly,ad.(-puestenograaf. —ingly, ad. volgena gerucht. nent.),weerspannig;(to;strijdi met;afkeerig van. Hepoe tal (re-po'zel), I, (het) Wien, leggen; Repul se (re-pule'), a. terug r.jving; afwijzing; rooting, vertrouwen. —e 1-poqz' I, s rust; stilte;! v a teragdrtiven,-stooten;atwijzert.—sion(-sjun), rustpunt. —e ( pooz'), v. a, ter rust Legge.; leg-) s. teragdrijring;afwijzing. —sive,—sory, a. terup gen, atelien (in on upon); v. n. ruaten; beruaten; drijvend; afwijzend. (on) itch verlaten op. —edema, a. rust. —it v. R.! Repurchase (ri-pur'tejes), v. a weder koopen. nederiegaen; in bewaring geven. —Won (-zig.i'an),, Repute Ede (rep'joc tibl), r. —bly, ed. geacht; s. nederleggIng;— (ri-po-zisj'an) wederihrichttog,' eervol. —tion (-tee'sjun), a. goede nem; achherstel. —itory (-poei-tur-rih), s. bewagrplaats. , ling (for). lli epossess (ri poz-zeal'), v. a. weder bezitten;' Repute (re-pjoet';, a. Imam, goede neater (for). weder in bezit stellen (nt'). —ion (-zenj'un), a.' —, v. a. houden voor. --d, a. geacht, vermeend. v ederbezit. —d!y, ad. near men beweert. —tees, a. ongeacht; e preben d (rep-ri-hand' ; , v. a. berigpen, —der, schandelijk.
KER. —K1E. !line. —nil, church-owl, screech-owl; bigot. —ender, father of the church. —vergadering, synod, council. —teifiling., consecration (dedication) of a' church. —edienaar, church-man; sexton. —chanter, consistory, vestry, sacristy. —elms, fabric. —ekneckt, beadle. —eraad, consistory, vestryboard. —ereeht, church law, canon-law; privilege of the church. —enorde, ritual. —enardening, ecclesiastical lawn; holy orders, -• regulations. —egesind, attached to the church, devout. —egezinitheid, devotion. —aehtig, by. fond of going to church. —elijk, by. ecclesiastic (-al), church-. rn. ecclesiastic. —en, on. w. to go to church. Eterker, m. dungeon, prison. --hot, dungeon. —Nos, gaol-fee, carcelage. —meester, jailer. —steal, imprisonment. —en, ov. w. to imprison; to confine. —ing, v. imprisonment, confinement. Kerkeets, b7. zealous in going to church, devout. Kerns en, on. w. to lament, to groan. —er, iamenter. —lag, v. lamentation. Kerman, v. lair; fairing. — houden, to go to the fair. —ganger, —gangster, one that goes to the fair. —past, person that comes to the fair. —gift, fairing. —hock, gingerbread bought at a fair. —motive, partner at a fair. —pop, doll bought at a fair ; girl (woman) very much ornameated. —pret, —terntaak, —vreugde, plearn.res of fairtime, recreations of a fair, —ape!, 'show at a fair. —t(td, fair time. Kern, v. kernel, stone; seed; grain ; pith, heart, marrow, quintessence. —hole, core of en apple. —spreuk, pithy eentence. —achtig, by. kernelly; pithy. —achtegkeid, v. pithiness. Kers, v. cherry; cresses. —rood, cheery. —ebtoesect, cherry-blossom. —clown, cherry-tree. —ebonmenhowl, cherry-tree-wood. —eboomgaard. cherry-orchard. —spit, —esteen, cherry-stone. —entaart„ cherry-pie. —entijd, cherry-season. —eaveijn, cherry-wine. Kegs el, o. parish. Kerst avond, m. Christmas-eve. —dag, Christmas-day. —dieht, Cheistman-poem. —feat, ChrletDIU (-holy days). —gesehenk, Christmas-box. —kook, cake baked at Christmas. —lied, —rang. Christmas-carol. Christmas. —rackt, Christmas-night. —tijd, Christman. —week Christmasweek. Kersversch, bete newly, directly, straight along. 'terve], v. chervil. —eoep, chervil-soup. Kery en, on. w. to carve, to notch. to slash, to tally, to mince, to chop; on. w. to burst, to split, to fray. —er, m. carver, cutter. —ing, v. carving, notching, slashing, tallying; bursting. Keep, v. boor-timber. caldron. boiler, copper. —Roster, Ketei, m. —tapper, tinker. —from, kettle-drum. Ketelen,ov. w. Zie [(Mete.. Keten, v. chain. --pomp, chain-pomp. —lehakel, link. —en, ov. w. to chain. Ketsen, on. w. to mins fire, to flesh in the pan; to miscarry. pereecutor of Keller, rit, heretic. —beta, heretics. —moister, inquisitor. —dom, o. heretics. —if, v. heresy. —*a, by. heretical.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Kan Blockchain worden gehackt


Abeeedar ian lee-bi- si-dee'ri-en), a. a-b-c-onderwljzer; a-b-c-scholier. —y (-si'de-rih); a. a-b- book; a. tot het alphabet behoorend. Abed (e-bed'), ad. te bed. Abele le-biel'I, s. abeel, witte populien Abel tree (ee'bl-trie), a. Zie Abele. Aberdeen (eb-ur-dien'), —fah, labberdaan. Aberrn nee (eb-er'rens), —tion t-ree'ajun), a. afwijking, afdwaling Aberuncate (eb-i-run'keet), v. a. ontwortelen; uttroeien. Abet (e-bet'), v. R. aanhttsen, opstokea; bijstaan. —meat, a. opstoking; hull, —tor, a. aNnhitser; medeplichtige; valsche beschuldigerAbeyance (e-bee'ens), a. toekomstig bezit.in—, onbeheerd. Abhor (eb-horl, v. a. verafschuwen, gruwen van. —rence (-rena), a. verfoeiing, afsehuw (from. of). —rent, a. gruwend; (from. to) mtrijdig met. Abid e (e-bajd') [abode (e-hood')], v. a. verwachten; dulden, bijstaan. —, v. n, vertoeven, wonen (at. in. with); (by) volharden bij. —er, a. 1nwoner. —ing, a. verblijf, duur. —ing-place, a. verblijfplasts. Abigail (eb"-i-Reel), a. kamenier. Ability (e-btrit-tih), s. bekwaamheid. —ies (-tiez), 5. begaafdheden. Abintestate teb-in-tea'ret), a. zonder testament. —, a. erfeenaam volgens de wet. Abject (eb'dzjekt), a. — ly, ad. verachtelijk, gemeen, snood. —, a. verworpeling. Abject (eb-dzjekt'), v. a. verwerpen, verfoeien. —edness, a. verworpenheld. —ion (-dzjek'sjun), (eb'dzjekt-nese), a. anoodheid; verootmoedicing. Abiludleat e (eb-dzjoe'dl-keet), v, a. bij vonnis aan een ander toewijzen. —ion ( kee'sjun), gerechtelbke ontzegging. Alklugate (eb'dzjoe-geet), v. a. bevrijden van het juk. Abjur ation (eb-dzjoe-ree'sjun), a. afzwering. —e (-dzjoer'), v. a. afzweren. Ablactat e (eb-lerteet), v. a. spenen; op-enters. —ion (-tee'sjun), a. spening; op-eating. Abinquention (eb-lee-kwi-ee'sjun), s. blootlegging der wortela. Abintl on (eb-lee'sjuo); s. wegneming. —re lebne-tiv), a. ablativus; a. wegnemend. Ablaze le-bleez"), a. vurig, in vlam. Able tee'b11, a. bekwaam; vermogend. to be —, in staat zijn, vermogen. —bodied (-bod'did), aterk; atevig gebouwd. —ness, 5. bekwaamheid; vermogen. Ably (ee'blih) ad. handig.
—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

project x cryptogeld


Dorser (dor'eur), s. draagkorf. Dose ((loos), a, arteenljmaat, dosie. —, v. a. artsenij afpassen (toedienen). v. a. atippen. Dot (dot), a. stip, punt. Dota ge (do'tidzI), s. sufferigheid; verzothetd. —/, a, tot de buwelijksgift behoorend. —rd (-turd), a. suffer, oude gek. notation (do-tee'sjun).8. begiftiging; bruldachat. Dot a (doot'). v. n. stiffen. (upon) verzot Ain op. —er, a. suffer; verliefde gek. —tog, a. —ittgly, ad. mal verliefd. Dottard (doeturd), s. dwergboom. Dotterel (dot-tur'll), s. piuvier (vogel). Douaneer ;doe-e-nier'), a. tolbesenbte. Double (dub'b1), a. dubbel; bedriegelilk. —,s.dukbel; duplikaaat; . kunstgreep. —barreled, met dubbelen loop. —biting, —edged, tweesnijdend.--btock, tweeschijfsblok. —buttoned, met twee rijen knoopen. —capatern, dubbele seal. —charge, v. a. dubbel voorzien. —chin onderkin. —dealer, valachaard. —dealing, valachbeid, bedrog. —diamondknot, dubbele valreepsknoop. —eyed, bedriege10 uitziende. —faced, huichelachtig, —handed, dubbelhandig; bedriegelijk. —headed, dubbele headed-shot, kneppelkogel. bloemen dragend. —hearted, dnbbelhartig. —laid, kabelelag. —leaf, tweeblad. —lock, op het nachtslet sluiten. —meaning. a. dubbelzinnig; s. dubbelzinnigheid. —minded, dubbelhartig; bealuitelooe. —mouthed, —tongued, valach, arglistig. —natured, van sane dubbele natuur. —plea, dubbele verdediging. — quarrel, klacht over den blsschop bij den aarts bisschop. —rope, waarlooze schoothoren. —tack, dubbele halo. Double (dub'b11, v. a. verdubbelen; horhalen; omvouwen; omatevenen; v. n. dubbel warden; wenden; loopjes gebruiken. —nese, a. dubbelheid. —r, a. verdubbelaar. —t (-lit), a. borstrok; warngevangents. sues, dubbelworr twee; atone Doubling' (dub'l eng), a. verdubbeling; draaiett. — of the bitt, betinglap. — of a sail, stootlap cp een nil. —nails, huidspijkers. Doubloon (dub-loen'), a. dubloen. Doubly (dub'lih), ad. dubbel; valach. Doubt (daut'(, s. twijfel; weifeIlng; aehroom; v. a. betwijfelen; mistrouwen; v. n. err, aan. twijfelen; weifelen. —er, a. twijfelaar. —ful, a. —fully, ad, twijfelachtig; °tinker. —fatness, twijfelachtigheid; oneetierheid. —ing/y, ad. twijfelend. —leas, a. —levity, ad. ongetwejfeld. Dough (do"), a. deeg; 4geld. —baked, halfgebakken. —y, a. deegachtig, pappig. Doughtiness (dau'ti-ness), s. kloekheid. —y, a. kloek, onverschrokken. Douse (daus), v. a. & n. in bet water plompen. Dove (day'), s. duif. —cot, —house, duivenkot. —like, zachtmoedig. —tail, a. zwalawstaart; v. a. met zwaluwstaarten waken. Dowager (daaw'e-dzjur), a. adellijke weduwe; deuartere. Dowdy (dauw'dih), a. slat. —, a. slonsig. Dower (dauw'ur) —y, a. bruidechat; weduwgoed. —ed, a. met weduwgoed (huweNkegift) beschonken. —less, a. zonder ulteet (fortutn). Dowlas (dauwnes), a. soort van pot linnen. Down (daatue), a. dons; duin; opens vlakte.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen. 

B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,

de West —, to use the West-India trade. —, bv. expert, hardened to the sea. — matrons, veteran sailor. Hewett *Wk.. be. & bee% intelligent, comprehensi7e; intelligible (-Wy), —elijkheid„ v. intelligence, comprehensiveness; intelligiblenes. —en, op. w. to contain; to conceive, to comprehend, to underatand. —ing, v. conception, comprehe n sism, understanding. Ileveeht en, ov. w. to fight, to combat; de sege —, to obtain the victory; to carry (to win) the day. —er, an. fighter, combatant. —lag, v. fighting; fight, combat. Beveling en, on. -97. to shelter —, to shield (from), to secure —, to defend —, to protect (against, from). —fag, v. sheltering, securing, protection. Bevel, o. command, commandment, order, injunction, instruction, mandate. het roeren, to command. —hebber, —toerder s commander., —hebberschap, o. command. —schrift, mandate. —en, ov. w. to command, to order, to eejoin, to bid, to direct; to recommend, to commit. Haven, on. w. to shake, to tremble, to quake, to shiver, to quiver. Bever, m. beaver, castor —geii,castareurn.—hear, beaver-bair. —hoed, beaver hat, beaver. —eel, v. 'hornet, saxifrage. —Irk, be. beaver. Revealing en, ov. w. to fasten; to fortify; to affirm, to confirm; to invest. —end, be. & bw. affirmative (-13), confirmatory; in the affirmative. —er, m. continuer. —lag, v. fastening; fortification; confirmation; investiture. BevUllen, ov. vo, to file at. BevInd, o. nair — van taken, atcordleg to the circumstance., — to ',,the state of things. —en, ov. w. to find, to experience; zith t. w. to be, to feel. —ing, v. experience; result; etate; situation. Beving, v. r.haking, trembling, quakin0C. Bevingeren, ov. w. to finger, to touch with the fingers. lliovtakken, ov. w. to stain, to beepet. Bevlekk en, ov. w. to stain, to spot; to sully, to defile, to pollute. —ing, v. staining; defilement, pollution. Revlieufgasien, w. to wing, to furnish with wing, BevlUtlig scan (MOO, t. w. to exert (to apply) one's sell. —ing,v. exertion; application. Bevicter en, ov. w. to floor, to pane. —.lag, v. flooring, paving; floor, pavement. Bevoehtlig on, ov. w. to wet, to moisten, to water, to irrigate. —log, v. moistening, humectation, watering, 'irrigation. Bevoegd, he. competent, (mantled. — *taken, to qualify (for), to Raltil0 riz a . —held, v. competence; authority. Bevoel ov. w. to feel, to handle, to fumble. Bevoik en, ov. w. to people, to populate. —fag, v. peopling; copulation —t, be. peopled, popu• s ous. —theid, v. popuionenessBevoordeek en, ov. w. to advantage, to benefit, to favor. —tag, v. advantage, benefit. Bevooroordeeld, bv. pvepossessed(for), prejudiced (against). —, hw. prejudicially. —held, v. prejudicialness.
'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.

Zijn Bitcoin belastbare winst


11)I.-1MB. Idiot (id'i-ut), a. onwijze, stomp,innige, —ic, —icat 1-ot'ik-1, a. onwijs„ stompzinnig, —ism, s. taaleigen; storapzinnigbeid. kilo ardl), a. Idly, ad. lui; ledig; werkeloos; nutteloos; beuzelachtig. —headed, —pated,dwaas, (tom. —, v. a. verluieren, verbeuzelen (away); v. n. luieren, lanterfanten. —nes-s, a. ledigheld; werkeloosheid, nuttel oosheid ;Ibeu zelachtigheld. —r, a. luiaard, ledigganger. Idol (aj'dul), a. afgod. —ater (-dol'e-thr),s. egodendienaar. —Wrest, (-dol'e-tress(, a. afgodendienares. —atrize (-dol'e-trajz), v. n. afgoderij pie gen. —atrous (-dol'e-trus), R. afgodisch. —airy (-dol'e-trih), a. afgoderij. —ist, a. afgodendienaar. (•ajz), v. a. afgodisch vereeren. —izer (-ajzur), a. afgodisch vereerder. Idy I (ardill, a. herdersdicht, idylle. If (if), conj. indien, zoo, in geval; al. as —, also!. — not, zoo niet. Ign eous vurig; vuur nitwerpend. —ipotent (-nip'o-tent(, a. het vunr beheerschend. ---lie, v. a. in brand steken; v. n. vuur vatten, gloeiend worden. --itible (nartib1), a. ontbrand boar. —ition (-nisrun), s, aansteking: gloeiing. —iromous (-niv'o-mue), a. vuurspuwend. Ignobl ae (ig-no'b1), R. —a, ad. onedel; tang, gemean. —eneae, s. onedelheid, gemeenheid. Ignomin ions (ig-no-min'jus), R. —ioualy, Tad. schandelijk, onteerend. —y (ig'no-min-nih), s. sehande, oneer. Ignoramus (ig-no ree'mus), s, weetniet. Ignor since (ig'no•rens), s. onkunde, onwetendheld. —ant, a. —aptly, ad. onkundig, onwetend. —ant, s. weetniet. --e (-floor"), v. a. niet wetea, onvoldoende vinden. Ile (ajl), a. koorgang, gaauderij; ear. Ilex (arliks), s. eteeneik. Iliac (il'i-ek), a. van den kronkeldarm. passion, darmjicht, -koliek. Ilk (ilk), a. & s. elk, dezelfde. Iii (ilP), a, kwaad, slechtheid, ramp. —, a. & ad. !maul, alecht; cmgesteld, zielt, —affected, kwalijk genegen. —blood, kwaad bloed, vijandschap. —boding, onheilspellend. —bred, alecht opgevoed, ongemanierd. —concerted, —contrived, alecht outworpen. —conditioned, in slechten toestand.--lated, ongelukkig. —favored, leelijk, mismaakt. —favoredness, leelijkheid. —gotten, onrechtvaardig verongeluk. --minded. kwalijk gezind. kregen. —nature, boosaardigheid. —natured, boosaardig. —pleased, misnoegd. —principled, met slechte grondbeginaelen. —spoken of, in eon kwaad gerucht. —starred. ongelukkig. —timed,ongelegen, te onpas. kwaadwilligheid. Illstcertsble (11-les'ar-ibl), a. onverscheurbaar. Illapse (ii-lops'), a. invloeiing, afatrooming; overval. Magnets te (il-lee'kwl-eet), v. R. veratrikken. —tion (-ee'ajun), a. verstrikking. Illat lots (11-lee'sjun), a. gevolgtrekking. —ice (il'le•tiv), a. & a. gevolgtrekking aandutidend. (wooed) .—icely (irle-tiv-), ad. bij gevolgtrekking. Illauda ble (il-laod'ibll, a. —bly, ad. onloffelijk. Illegal R. —/y, ad. onwettig, waderrechtelijk. —ity (-1e-gel'it tihl, --ness, a, onwet• tigheid. ---ire (-ajz), v. a. onwettig m Oen.
Dunbald. Dwere, be. transversal; peevish, cross. bw. Dupllenat, o. duplicate. athwart, across; peevishly, crossly. —bath, cross. Daspillek, o. rebutt.r, surrejoinder. beam, gibbet,tranaom,sleeper. —boom, cross-bar. Dar on, on. w. to last, te continue, to keep, to —boomen, to cross, to thwart. —door, straight remain. across, — through. —draae, crossing-thread. Dart al, m. & v. dare-all. —niet, m. dt v. dare- dr(rfster. —dr(yeer, thwarter, caviller, contra-
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.
Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.
illidetnni Ideation (in-dern•ni•tl-kee'sjun), a. m. verontwaardiging. —ity, s. mehandelijkheid; s.th(ateloosstelling,schadevergoedtng.—fy(-dem , hlon, beachiniping. ni-faj), v. R. schadeloosstelien.—ty (-dem'nit.tib), Indigo (in'lli.go), a. indigo. m.e , hadeloosstelling, vergoeding; straffeloosheid. Indirect (in-di- rekt'), a. —ly, ad. middellijk Indemonstrable (in-de-mon'stribl), a. onbe- adelingseh, zijdelings; slinkseh; niet rechtwijabaar. streeks. —ion (-rek'sjun), a. slinkaehheid, dranierij. —netts, s. achuinsehheid; slinksehheid. Ind•nt (in-dent'), v. a. kartelen, Retai' maken; bij verdrag verbinden; in de leer doen (to); v. n• Indlacerni ble (in-diz-zuenibl). a. —bly, ad. zieh slingerend bewegen. I onbespeurbaar, niet te onderscheiden. —blencss, een verdrag —anon (-tee'sjun), a. nittandig; getandheid; a. onbemerkbaarheid. keep. —are •oer), s. verdrag, leerbrief; v. a. bij Indiscerpil ble (in-dis surp'tibl), R. onoploseontract verbinden. boar., onvernielbaar. —bility (-ti-bil'it-tih), s. onlindependen (in-de-peredeus), s. onafhan- vernielbaerheid. kelijkbeid. —t, R. —fly, ad. onafhankelijk (of). lndisciplinable (in-dis'si-plin-ib1), a. onhanindeptil► ensible (in-dep-ri-hen'sibl), a. onuit- delbaar. vormehbaar. Indiscoverable lin-dja-kuv'ur-ibl), a. niet te indeprivable (in-de-prajv'ibl), a. onroofbaar. ontdekken, onzie:tbaar. I wieseribable (in-de-skrajb'ibl), a. onbeschrij. Indiscre et (in-die-kriet'), R. —etly, ad. onbeseheifeNk. den; onbezonnen. —tion (-kresrun),a. onbeseheiIndesert a. verdiensteloosheid, denheid; onbezonnenheid. Indestr•ucti hie (ln - de•struklibl), a. onver - Indiscrimina to a. — tely, nielbaar. —Linty ( ti.bil'it-tih), s. onverniel- ad. niet onderscheiden, zonder onderseheid. baarheld. —lion (-nee'ajun), a. gebrek aan onderseheiding. Indetermina tale (in-de-tur'ml-nibl), a. onbe- Indispensa hie —bly, ad. onpaalbaar. a. —tely, ad. (-net-), onbepaald. verrnildelkjk, noodzakelijk (to). —bility (•se-bil' —teness (-net-), —lion (-nee'sjun), s. onbepaald- it-tih), s. onvermijdelijke noodzakeheid; besluiteloosbeid. lijkheid. Indev otion (in-de-vo'sjun), a. ongodsdienstig- Indispos e v. a. ongeschikt held. —out, a. —outly, ad. (-vaut , ), ongods- (ongesteld,ongenegeW maken (to. towards). —ed, dienstig. R. ongesteld; ongesehikt; ongengen. —edness, Zredex (in'deks), a. handwijzer; wijavinger; bled- a, ongeschiktheid; ongezindheid. —ition (-pa. wijzer; exponent. zisj'un), s. ongesehiktheid; ongesteldheid; ongeIndoxterity (in-deks-terit-tih), a, oahandig- negenheid. heid. Indisputa Me (in-dis-pjoe'tibl), a. —bly, ad. 11cdin lin'di-e), a. Indii!„ kantoor der onbetwisthaar. —6leness, s. onbetwistbaarlteid. onstindiache Coropagnie (in Lnnden). —wan, Indisso:u bls (in - dis'ao - ljoeb1), a. —bly, ad. ooatindievaarder. —rubber, gong-elastiek. onoplosbaar. (.1joe-bil'it-tib), —breness, Indian (in-djen), s. Indii4r; IndiRan; a. indiseh, a. onoplowbaarheid. onoplosbaar; indiaanseh. — corn, turkaCie tar•e, mazy, — ink, Indissolvable oostindisehe inkt. onverbreekbaar. Indicts: nt (ju'dj.keut), a. aanwijzend. (-keel), Indistinct (in.dia-tinIct 1 ), a. —ly, ad. onduidev. R. aanwijzen, aanduiden. —tion (-kee'sjun), lijk, verward. —nets, a. onduidelijkheid, vers. aanwijzing; kenteeken. —five, R. —tively, ad. wardheid. (-dik'e-tiv), aantoonend (of). —tor (in'di-kee-tur), Indistinguishable (in - dis - ting'rwisj.ibl), a. a. aanwijzer. —tory (iu'di.ke-tur-rfh), a. am- niet te onderscheiden. wljzend. Indisturbance (in.dis - tuebens), a. kalmte, on;Indict (in - daft'), v. a. sehriftelijk aanklagen; in gestoordheid. rechten betrekken. — able, a. beschuldigbaar. Indite (tn•dajtl, v. a. opstelien; vbOrzeggen, —er, a. aanklager. —ion (-dikajun), a. verklaring; dieteeren. — a, a. opateller; dicteerder. aankondiging; indictie. —ment.s. aanklacht, akte Individu ial (in-di-vidloe-el), a. enkel 'wean, van beschuldiging. individu. —al, a. —ally, ad. ondeellg; bljzonder, 1-nditicren cc (in-dit'fur-ens), F. onverachillig- persoonlilk. —ality (-el'it-tib), a. ondeeiigheid; held; onpartijdigheid. —t, a. —fly, ad. onver- persoonlijkheid. —alize (•ajz), —ate (-eet), v. a. sehillig (to); onpartijdig; middelmatig. onderscheiden; ala individu voorstelIen of beIndigent ee (in'di-dzjens), —cy, s. behoeftigheid, sehonwen. nooddruft. —e (-Ozjien), a. inboorling. —ous Indivisi ble (In-di-vieibl),, a. —bly, ad. ondeel ( - didzre.nus, a. inheemsch. —t, a. behoeftig, baar. —bility (-i-bil'it-tib), —bleness, a. ondeel noodlildendW). ' baarbeid. Indigest ed a. ouverteerd; on - Indoci le (in-dos'11), —ble (-ibl), R. onleerrijp, onbekockt. —ible, a. onverteerbaar. —ion zaant; ongezeggelijk. —lity (•do - ail'it - tih), a. on(-jun), a. sleehte aptjavertering; onbakooktheici. leerzaamheid, eagezeggelijkheid. Indigita te (in.didzj'i.teet), v. a. met den via - Indoctrina to (in - dok'tri - neet),v. a. onderwkjger aanwijzen. —lion (-teeN1111), R. duidelijke zen (in). —lion (-nee'sjun), s. ontierwija, leeaanwtizing. ring. Indigli an* (in•dig'n,nt), a. ad, ver- Indolen aye (in'do-lens), a, traagheid, VadRigortiwaitrdiol, (at). told. -4, a. --Hy, id. trang, vadmiK• (-nee'mjnn), 

derlanden. —bell, s. belnet; v. a. met belnetten ken; bepleisteren. —ration (-ke0ajnn), a. pantsevangen. —born, van geringe afkornst. —bred, onring; overtrekking; bepleistering. —men (-mur), gemanierd. —hung, laaghangend. —lived ( lajvd), s. zadelmaker. —ot (-ut), s. wielewaal, specht. laag. gemeen. —men, vaische dobbelsteenen.—apiLoris (torn) ; a. verloren. rited, weeraiachtig. —spiritedness, a, — spirits, Losable (loeetb1), a. verllesblar. neeralachtigheid. —sunday, aerate zondag on PaLos e (loge) [lost], v. a. verliezen; verbeuren;kwijt schen. —wines, geringe wijnen.r. , v. a. verlagen; raken; v. n. sfnemen, vermi uderen; sight of, uit v. n. loeien.bulken. het gezicht verliezen. —er, a. verliezer. —may, a• Lower (lau'ur), a. betrokkenheid; aomberheid. verlien veroorzakend; verliezend. —, v. n. betrekken, somber worden. —tug, —y, a. Loss (loss), s. verlies; schade, nadeel. at a —, in —ingiy, ad. betrokken, somber. verlegenheid. Lost (lost), a. verloren (to, voor), wag; verspild (on, Gower (lo ur), a. lager, dieper. —, v. a. verlagen; aan); vergaan, gebleven (van sohepen)• verminderen; strijken (een zeil); v. n. lager worden; afnemen, verminderen. —most, a. laagat. Lot (lot), a. lot; aandeel; parttj; kavelinF. to pay scot and —, schot en lot betalen. by -a, bij loting. Lowing (loleng), s. geloei. to cast (draw) —a, loten. — , v. a. toedeelen; ver- Low line's (lo'll-ness), s. nederlgheid, cotmoed; laagheld; geringheid. —.'y, a. & ad. nederig; laaK; deelen. Bering; zacbt. —ness, s. laagte; laagheid; gerIngLote(lootl,s.lotus. —tree, lotusboom. Loth (tooth), a. 'Lie Loath. held; zwakheid; nederigheid; neerslaclitigheid. Loxodroinic (loks-o , drom'ik), a.schuina zeilend. Lotion (lo'sjun), s. wasoching; waschmiddel. —8, pl. kunst van zeilen in eene sehuine richLottery (lot'tur-ih), a. loterij. —ticket, loterijting. briefje. Loud (laud'), a. —ly, ad. luid; luidruchtig. —news, Loyal (lorel), a. —ly, ad. getrouw, —ist, a. trouw onderdaan. —ty, e. getrouwhhid. a. luidheid; luidruchtigheid. Lozenge (loz'endzj), a. rust; boratkoekje. Lough (lob), a. meer, poet. Losing e (laaundzy), v. n. lanterfanten, luieren; Lubber (lub'bur), s. lomperd, kinkel;luiwammes; kruier; landkrab. —ly, a. lomp, log; lot. (about) ronds1Puteren; (away. out) verbeuzelen. —er, s. lanterfanter, etraatslijper. —ing, a. lan- Labile (ljoe'brIk), —sus, a. glibberig; gall, ontuchtig; wuft, ongestadig. —ate (.keet), v. a. glibterfant.d; geschilit voor luiaarda; s. (het) sleuteberig oaken, —ity (-brialt-tih). a. glibberigheid, ren, lanterfanten; —chair, praatsteel. Lour (taus.), v. a. n. Zie to Lower. gladheid;ontuchtigheld; wuftheid, ongestadIgheid. Luce (Woes), a. volwassen snoek. Louse s. labs. —wort, luiskruld. Lucent a. (-i-ness), (1joe'sent), a. schkjoend; blinkend. Eons a (taut'), v. a. luizen. —iness Juizigheid; gemcenheid. —ay, ad. —y, a. luizig; Lucern (ljoe'surn), s. klavergras, spurrie. Lucid (ljoe'did), a, helder, doorschij need.—vision., gemeen. (het) helderzien. —nem —ity a. helLout (lout), s. boerenkinkel, vlegel. —ish, a. derheid, doorschijnendheid. —Wily, ad. plornp, boeroch. Lucif er (Ijoe'si-far), a. Lucifer; morgenster; , (.1oe..'ur, s. Zie Looser. Louver —match, inciter. —era. 1-strur-us), —ic Low able (luv'ibl), a. beminnelijk. —age, s. lavas a. lichtgevend. —orm, a. lichtvormig. (plant). Love (luv'), s. liefde; genegenhaid; beminde; liefje( Luck (luk'), s. toeval, kens; geluk. ad. ge liefhebberkj. for the — of God, om Gods wit. in lukkigerwijze. —iness (-i-ness), a. gelukkig toeval. .0, verliefd up. to make —, vrijen. out of uit —less, a. ongelukkig. —y, a. gelukkig. —affair, minnehandel. —apple, dolappel. Geier native (ljoe'kre-ttv), a. winstgevend, voor—broker, koppelaar. onecht kind. —favor, deelig. —e (-kur), a. winst, voordeei. liefdepand. —feast, liefdemaal. —fit ,verliefde bui. Luctation (luk-tee'sjun), a. worsteling. —flame, liefdevlam. —hood, zekere donne zijden iLuelibra to (ljoe'kjoe-breet), v. n. nachtbraken. bi,j nacht atudeeren. stop. —knot, liefdestrik. —lass, geliefde. —letter, (-bree'sjun),s. nachtstudie, werk—tory, a. nachtelijk, bij nacht gemiunebrief. —lies-a-bleeding , staart-amarant. dean. —lock, rninnelok. —lorn, van zkjn liefje verlaten. —match, huwelijk utt liefde. —monger, so p pelaar. Luculent ()joe'kjoe-lent), a. helder, doorschij—potion, m innenrank, —powder, liefdepoeier. —senend; klaarblijkelijk. cret, minnegebeim. —shaft, pi,j1 van Amur. —sick, Ludicrous (Ijoe'di-krus), a. —ly, ad. kluchtig, minziek. —song, minnezang. —suit, vrij orb. —tale, koddig, grappig. —nesa, a. koddigheid, grappigliefdegeschiedenis. —token, liefdepond. —toy, geheld. Lairs (ljoeliez), a. pest, vergif. dachtenis. —trick, minuet i st; ltefdeblIk. Love (lay'', v. a. bemiunen, liefhebben; gaarne Cuff (luff'), a. handpslm; loaf —cringle,leuver op hebbeu of doen; bahagen scheppen. —less, a. liefde staande lijk. Zie vender Loot'. —, v. n. loeven. deloos.--lineas (-li-ness), a. beminnelijkheid. —ly, a. ad. beminnelkjk. —r,s. rninnaar; liefhebber; Lug (lug'), a. last; snort van bot; oor; (het) treklief hebster. —to (-urz), pl. gel:even. ken flan het oor; landmetersroede. —sail, loggerLoving (lurieng), a. —ly, ad. liefderijk, teeder, zed. —, v. a. n. trekken, steepen, alepen. —gage (-gidzj), s. bagage, pakgoed; ballast. —ger (-gur), toegenegen. —kindness, s. barmhartigheid.—neas, a. teederheid,toegenegenheid. a. logger. Low (lW), a. & ad. laog; zacht; goring( in verval; Lugubrious (Ijoe-gjoe'bri- us), a. doodach, tree.onderdanig; ontmoedigd. the — CountriesoteNerig, akelig.


302 Kieed, a. coat, gown, garment. dress; cover. —en, or. w. to dress, to clothe; rich, t, w.to dress. —kanser, dressing-room. Klasid,er on, o. my. clothes, dress, garment. —draekt, costume, fashion, garb. —maker, tailor. —pracht, luxury in clothes. Mead (2, v. dress., clothes, raiment. costume, toilet. v. stressing; are —stuk, article of dress. —je, o. gown, robe. —tier, v. dressing-woman. Kleef stelstlg, by. viscous, gluey, sticky, clammy. —garen, trammel. —kruid, bur, burdock. Kisser en, o. my. traps; roe Kleedesen. —ben, —mond, clothe. basket. —boratel,—echnier, clothes brush, whisk. —tamer, ward-robe. —kcal, ward robe, clothes-press. —kist, linen chest. —trooper, merchant-tailor; ,old clothes-man, frippeter. —maken, tailor's trade. —maker, tailor. —seh9eht, —sink, pole to hang linen on, clotheshorse. —lob, washing-tub. —winked. (second-hand) clothee-shoo. --worm, moth, tiny. —solder, garret for linen, laundry. K1e 1 , v- clay, marl. —aarde clay-earth. —groeee, clay-pit. —grond, clay-ground. —long, layer (stratum) of clay. —spoor, clay-spur. —seep', elsy -road. —aehlig,bv. clayey, clayish. Klein., by. little, small, ens); t, petty, diminutive geld, change. in het —, by retail; in miniature. —achten, to slight, to disregard, so ins he el lghtly of. —achling, aright, slightingelisregard.--doeeter, granddaughter. — geestig, narrow-minded, petty, frIvolousa—geestigkeidoearrow -mindedness, pettinee., frivolousneee. —geloovig, faint-hearted, de ficient in faith, of little ta,t1s. —geloovigksid, faint-heartednetse, little faith. —handel, retail. trade, -business, —handela ar, retailer, retail-dealer. —hartig, —moedig, by. & bw. low-spirited, faint-hearted (-/y1,timid (-1r, pusillanimous (-1y). —kartigkeid, —mnedigheid., dejection, faint-heartedness, timidity, pusillanimity. —kind, grandchild. —kindersehooltje, infant-school. —sehild'r, miniature-painter. —schcift, small-hand. —smid, locket-smith; cutler. —stmedsek. like the inhabitants of a small town, countrified. —teeriy, delicate, touchy, coldly hurt, --terrigkeil, delicacy, touchiness, tenderneee. —room, grandson. —e, in. & v. little one. —held, v. smallness, littleness, minuteness, pettiness, meekness. lkilef ►allrghtsid, v. ttifle,batable. Kleinood, o. jewel., gem, trinket, treasure. Kleine, v. strainer, sieve. —dock. otrainer. Klein te, v. kie —tje, n, little one, baby; small matter, trifle. Kielnz en, ov. w. to strain, to nitrate. —er, m. atrainer. —ins, v. filtration. Mona, v. catch, caltrop; narrow pees; straits, pinch, scrape, dietrese; !trieenits; force- energy; weight; stress. met — spreken, to speak home. —grond, anchorage; forcible argument. —men, 0 , & on. w. to pinch, to jam, to nip; to clinch. —task, holdfaet. --retie, dilemma, convincing argument. —spreuk, forceble sentence. —slaarlig, having the accout on the termination. —loon, stress. —vogel, kite. —wooed, forcible word, clincher. —mer, m. pincher, ecreeezer; clincher. —ming, v. pinching, nip; clinching.
Extrinsic (eks-trin'silc), —at, a. —ally, ad. niterlijk, uitwendig. Extruct (eks•truke), v. a. bouwen, oprichten. —inn (-atruk'sjun), a. bouwing; gebnuw• —ate, a. bouwend, oprichtend. —or, a. bouwer, opriehter. Extru de (eks-troed'), v. a. uitdrijven. —Pion (-troe'zjun), s. uitdrijving. Extuberwn ce (eka-tjoe'bur-ens), a. gezwel, knobbel. —t, a. gezwollen, uitstekend. Extumescence (eks-tjoe-mes'sens), s. gezwel. Exubern nee (egz joe'bnr-ens), —ncy, s. overvloedigheid, overtolligheid; weelderigheid. —nt, a. —ally, ad. overvloedig. overtollig; weeiderig. —te (-eet), v. n. zeer overvloedig zijn. Exudation, a. Zie Exsudation. Exuicera te (egz-nlisur eet), v. a. doen zweten; verbtotteren; v. n. zweren. —tion (-ee'sjun), s. verzwering; verbittering. Exult (egz-ult,'), v. ri. jaiehen, opgetogen zijn (at. in). —once, —ation(-ui-tee'sjun),s. l evendige blijdsehap, opgetogenheid; gejuich. —ant, a. juichend; ten hcogste verhengd, Exunditt on (eice-un-dee'sjun), a. overstrooming.
Coinbase is a all around awesome platform to quickly and swiftly get into the world of crypto assets. Trusted them from day one and so far so good ! The only negative situation I have encountered has been 1 . I bought $25 dollars of bitcoin and was charged twice but only got $25 worth of bitcoin .... contacted coinbase and that very same day got a email back from them saying they knew about the situation and that they where on top of it because it happened to more people that week... a day or two pass and I received another email saying my problem was resolved..... it wasn’t and still hasn’t been resolved! Thank God I only bought $25 and not a lot more ! It’s $25 I’m not going to be after anyone for that little amount of money but it definitely impacted my good experience with coinbase and their over all standing with me , my friends and my family after this situation that has still not been resolved .
Aanteeken tsar, frt. register, annotator. —bock, o. memorandum-book. --4,oekje, o. pocket- book, note-book. —en, ov. w to mark; to note (down); to enter, to register; to betroth. —ing, v. marking; noting down; entering, registration; note, annotation; bateothment. 'tants' en, ov. 7ie Aankwoeken. AftntUg en, or. w. to impute to, to lay to any one'e charge. —er, rn.imputer.—ing,v.imputation. Aantlikken, on w. to knock, to rep (at). AsntImaneren, ov. wale Aanboaaven. Aantocht, ra. approach. in — sijn, to approach. Aantokkelen, or. w. to tickle, to incite, Aantoon en, ay. w. to chow, to point out, to indicate, to denote, to demonstrate, to exhibit. —ende vatic, indicative mood. —er, m. shower, Indicator, demonstrator. —ing, v. showing, indication, demonstration. tanttedeo, or. w. to tread down; on. w. to approach; to fail in; to mend one's pace. Aantretion, or. w. to meet with, to find, to fall ( to light) upon, to fall in with. Aanstonds, bw. presently, immediately, direcf,y, Anntrekk elUk, hr. attractive, charming, captiv ating; sensible, easily affected, — concerned, forthwith, anon. Aanstookster, v. Zie Aanstoker. tender-bearted, touchy. —elijkheid, v. attractiveAanstoosnen, on. w. *omen —, to approach nests, charm; eensibil ty, touchiness. — en, ov. Tv. to draw near, tight, to give a pull at, to stretch, (steaming). Aanstoot, m. offence, scandal. — gjden, to be to strain; to attract; to put on; to myrrh (agninst. molested, to suffer injury. steen des —a, stumt. w. to take to heart, to be grieved on); rich bv. & bw. offeneive ( )ykkinaliat; to meddle with, to take a concern (an interest) bling•block. shoe-horn, —ing, in. —end, by. attractive. —er, daloue (-1y). —elijkheid, v. offenslaeitese, scandalousness. —en, ov. w. to push —, to knock —, v. attraction. —ingskrneht, v. power of attraction. to strike (against, on), to ram in; on. w. to stam- Aantronwen, or. w. ZleAtstshtswidn. mer. —ing, v. pushing, shock, collision. Aanvaard en, or. w. to accept, to teke posses. Aanstorman, on. w. (tomes —), to storm against; son of; to begin, to enter Ryon, to set out upon. v. to rush in —, to burst (upon ► . —cr. m. —.ter, v. accepter, undertaker, Aantston wen, or. w. to stow, to trim the hold. Viking possession of; beginning, entering upon. Aanstcralcn, ov. w. to shine (to beam) on. &ens. I, m. attack, charge, onset; tit. —len, ov. w. to attack, to assail, to aggress; on. w. to fell Aanstrand on, on. w. to *trend, to drive ashore. against); to begin; (op) sae ov. w. —lend, by. —ing, v. stranding. offensive. —ter, so. aggressor, assailant. Aanstreelan, or. W. to court one's friendship. Amnion's. he. & bw. amiable (-bly), lovely, Aanstrepen,ov.w. to mark. Ainstreven, an. w. to come hither. charming (•13?), graceful (-1y), —head, v. amiableAnnstrUk en, ov. w. to color, to paint, to coughness, loveliness, gracefulness, charm. oast, to white-wash; komen —, to corne strutting Analysing:, na. beginning, origin, prime. een — along. —er, in. painter, white- washer. —lug, v. Renton, to begin. —en, ov. w. to begin, to enter painting, w hite-washing. upon, to undertake, to do —er, ro. —ater, v. beAanstrIkk en, ov. w. to festen, to knit to, —ing, ginner; novice. —e-,, (i Corn.) fleet, initial. v. fastening, knitting to. primary (-fly), origAtm vankelijk, & Aanstrompellen, on. w. komen —, to come inal (-4), first; at first. stumbling along. Aanvar an, or. w. to run aboard (foul) of; on. w. Aanstroonsen, ov. w. to float down; on. w. to run —. to sail (against); Amen —, to sail hither, (komen —), to now near; to flock hither. to 'approach. —ing, v. running aboard, shock. Aanstuilven, a v. w. (homes —), to rush in upon; Aanvatt en, ov, to seize, to catch; to not to rush hither. about, to manage. —ing , v. taking, catching hold Aanstuwsn, or. w, to drive (to push) on; zie ook of; undertaking. Aanstonsven. Assuirecht en, or. w. to tempt. --er, m. tempter. Aansukkelen„ on. w. komen to come drud- —ing, v. temptation. ging (jogging) along. Aturvegen, ov. w. to sweep (out). Aansullen, on. w, to slide (against). home's —, to Annversterven, on. w. Zie Aanbesterven. cornenliding along. onvertrouwen, ov. w. Aanbetrouswen. &fantail, o. number, great many, quantity. Aanverwaut, a. reletod (allied) to; congenial. —, Aantast en, or. w. to touch, to take hold of; to m. & •. relation; kinsmen, kinswoman. attack, to seize upon' to hurt, to blast, to blem- Aanvetten, ov. w, to grease. ish, to stain, to tarns .h; to exhaust, to weaken Aanylecht on, or. w. to braid (to twist) to. —kg, —kg, v. taking hold of; attack. v. braiding (twisting) to.
—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.
tiadestann, ov. W. to observe, to watch, Grading, v. liking, choice. het is niet can mite —, I. is not like it. kept pij —in Set Ws? do you like the house ? will the house suit you ? Gaffe', v. prong, pitch- fork, fork, gaff. —steel, stick of a fork, —stukken, crotches. —land, prong. —vormig, be. forked, forky. (Sagnl, as. wild myrtle. —, o. palate, gums. t;E aggeleeu, on. w. to gabble, to gaggle. Gal, v. gall, bile; wind-gall; choler, rancor. zijne sithraken, to vent one'e spleen (on). —afscheidistg, secretion of bile. —appel, —neat, gall-nut. —bloat, gall- bladder. —koorts, bilious ..fever. —leider, binary duct. —weep, gall-Py. —sick, bilious, choleric, eplenetie. —ziekte, —zucht, bilJou. complaint, jaundice; cholericness, spleen. Galamat, by. & ow. gallant (-1y). gallant, suitor. Galanterle, v. gallantry; courtesy. —n, me. fancy• go o ci s. —wicket, bazar, repository of fancyarticles. Grasses, v. galeae. Gelid, v. galley. —boef, —slaaf, convict, galleyslave. —straf, the galleys. GeterU, Y. gallery. Gnlg, v. gallows ; gibliet; gallowses, suspender, straps. —host, —peal, gallows tree, --estedc, lowe- bird. —emaal, last meal. —stronie, hangingface. —eveld, place o f execution. —enaas, gallows-bird, Gitifile, be. sortable, saleable; easy. —held, v. sortablen ens, saleableness; easiness. Gel,j oeaae,o. prow, galleon., Galljoot, o. galliot. Gail ess, ov, w. to gall. —ig, be. bilious. Geslsn m. sound, reverberation, rebound. —gat, pent-hole. —en, on. w. to sound, to resound. (isles, o. lace, galloon. —neeren, ov. w. to lace, Galop, so. gallop. —peeren, on, w. to gallop. Galp en, on. w. to cry. —leg, v. crying. Gander, m. gander. Gong, m. going, walk, course, tack, way; fare; pace, gait; alley, passage. sijn — goon, to go on, to keep one's course. iemand atin laten gaan, to let a. o. have his own way. aan den — helpen, to set a- going, to set on. aan den— sijn, to be in. —booed, gang-way. —pad, foot-path. —spit, capstan. —boar, by. current. —baarheid, v. currentness. —elje, o. going, tack; errand; lane, alley; ern — met ientand gaan, to keep one close. Gannet', ea. rogue. rascal, wag. Gans, Y. goose. jonge —, green goose. gosling. lifoeder de —, Mother Goose. genuses, by. whole, all. —, bw. wholly. — niet, not at all. Gauze boast, m. leg (wing) of a goose., —drek, goose-dung. —kuiken, gosling. —lever, goose's liver; —pastel, goose-liver-pie. —neb, goose-bill. —pest, goose-pen. —peper, goose-giblets. —poet, goose's foot. —scht,clit, goose-quill. —veer, goosefeather. —vet, goose-skin. —vet, goose-fat, goosegrease. — vleugel, goose-wing. —voet, goose-foot; orech. —nbord, goose-geme-board. —nei, goose egg. —chapel, hail-ehot, small shot. —nhoeder, goose-herd. —nhok, goose-pen. —*japer, goose-
a. • Oif,4, hii. ,erloos, meltandelijk. —ousness, —y,s. eerloosheid, sehandelijkheid. Infancy (in'fen-sih), a. kindsheid; minderjarigheid. Infant (inIent), a. jong, jeugdig. s. Jong kind, onrnoudige. —school, kleia-kinderachool. —icide (-fen'ti-sajd), a. kindermoord; kindermoorder, -moordster. —ile (-tajl), —ine (-ajn), —like, —ly, a. kinderlijk; kinderachtig. —ry, a. voetvolk, infanterie. In fatigable (in-fetTgibl), a. onvermoeid. intratu ate (in-fet'joe-eet), v. a. verz©t waken, voorinnemen (with). —lion (-ee'sjun), a. verzotmaking; verblinding. In fens& isle (in-fie'zibl), a. ondoenlijk. —bility — bleness, a. ondoenlijkheid. Infect (in-fekti, v. a. besmetten, annateken. —ion (-fek'ajun), a. besmetting. —mous (-fek's)us), — ice, a. — jaunty, ad. beamettelijk. —iousness(-fek'sjus.), s. besmettelijkheid. Inlet. ad (in-fek'und), a, onvruchtbaar. — ity ), a. onvruehtbaarheiti. Infelicity (ln-fe-lis'it-tih), s. ongelu.,, rampspoed. Infer (in-fur'), v. a- afleiden; opmaken (from). —able, a. Zie Inferrib!e. —ence (in'fur-ena), a. g,volgtrekkine,.. Inferior (in-frri-ur), a, minder, lager, ondergeschikt (to). —, R. mindere, ondergesehikte. —ity (-or'it-tib), a. minderheid. ', uremia! (in-furinel), a. hell.), —, a. heibewonor, hetache geegt. laferrible (in-fueribl), a. op te waken, of te Iciden. infertil e (in-fur'til), a. onvruchtbaar. —ity (-fer-til'it-tih), a, onvruchtbaarheid. Infest (in-faX), v. a. verontrusten,kwellen, onveilig maken (with). --alien (-tee'sjun) a. verontrusting, —need (-urd), a. aterend; ingekankend. Infest- Iv a (in-fes'tiv), a. treurig. —ity(-tiv'it-tih), treurigheld. Infeudailon (in-fjoe-dPo'sjur), a. inbezitatei, ling (van een infidel (in'fi - del), R. onry loovig. —, a. ongelooOg,—itp (-dent- tih), a. ongelduf; tr. onweloosbeid. O .:. (111'ie

Foretop-gallant• (-gcl'ient-) a- tourbrams t eng. —royal-niaat, s. voor- bovenbramsteng. —royal-yard, a voor-bovenbramra. —royal-sail, voor-bovenbramzeil. —royal-shrouds, a. voor-bovenbramstengewant. —shrouds, 8. voorbramstengewant. —sail, a. voorbramzeil. —yard, s. voorbrairra. Foretop-mast (-top'maast-), a. , voorsteng. —shrouds, a. vooratengewant. —staysail, a. vooratengestagzeil. Foretop- (-top'), voormarszeil. —sailyard, s. voortopszeilra. —yard, a voormarszeilra. Foretry. (-traj') call-galT, a. stormgaffel can den fokkemast. Forevouelmed (-vautsW), a. to voren verzekerd. Foreword (foor'waord), a. voorhoede. Forewarn (-waorre), v. a. vooraf waarschuwen. —ing, a. waarschuwing. Fore wish (-wisr), v. a. vooruit wenschen. —worn (-woorn'(, a. versleten. Foreyard, a. fokkera. Forfeit (for'll t), a. verbeurd. —a, verbeuring, boeto. to Flay at —s, pandvcrbeuren. —, v. a. verbeuren. —able, a. to verbeuren. —tire (-joer), a. verbearing; baste. Forge (foorclzr),`,.s. amidse, ijzerhut; (het) ameden. —, v. a. ameden ; verdichten; nanaaken. —r, a. smeder; verzinner; falsaria. —ry, a. smidswerk; vervalaching. Forget (for-get') [forgot, forgotten], v. a. vergeten; verzuimen. —ful, a. vergeetachtig; onachtzaam. —fulness, a. vergeetachtigheid. —ter, a. vergeter. Forgive (for-giv') [ire ], v. a vergeven. -seas, a. vergiffenis. —r, a. vergever. Fork (fork'). a. vork, gaffel; punt, arm of verzwaardvisch. —head, pijlpunt. takktng. v. n. in twee takken —tail, vierjarige calm. (armen) uitloopen. —ed, a. — edly, ad. —y, a. gaffelvormig, gespleten; dabbeizinnig. —edness, a. gaffelvormigheid. Forlorn (for-lorn'), a. verlaten; hopeloos. —lope, verloren bende; gewaagde onderneming. —ness, a. verlatenheid; hopelooze toestand. Form (farm), a. vorm; uiteritjk, gedaante; zitbank, schoolklasse; leger (van can' base). —.v. a. vormen, fonneeren; v. n. zich vormen, zich formeeren. Formal (for'mel), a. —ly, ad. vormelijk, utterstijf; uitdrukkelijk; stipt. —ist, a. gloat van vormen. —ity ( a. vormelijkheid, uiterlijkheid ; plechtigheid; stiptheid, —lee (ajz), v. a. vormen, wijzigen; v. D. zich deftig (gemaakt) aanstellen; van uiterlijkkeden houden. Formation (for-mee'sjun), a. vormtng. —ive, (for'me-tiv), a. vorrnend; s. afgeleid wooed. Former (form'ur), a. vormer, maker. Former (form'ur), a. vorig, eerstgenoemd. —1y, ad. vroeger, eertijda. Formful (formloel), a. vindirgrijk. Formication (for-mi-kee'ajun), a. krieuweling (op de huidi. Formida ble (foemi-dibl), a. —bly„ ad. vreeseiijk, geducht. —bleness,'a. vreeselijkheld. Formless (formless), n. vormeloos. Formula (for'mjoe-le), a, voorachrift; formule.
OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.

AAN rest; to seize, to confiscate; to harbor, to conceal; Antakoppel en, ov. w. to leach, to couple on. w. to continue, to last, to persevere; to —kg, v. coupling. solicit, to sue (om, for), to insist (upon). — end, Atenkorsten, on. w. to get (together, to c ontract) by. & law. continual (-ly). —endheid, v. continua crust, to become crusty, — scurfy, — scabbed. ance, duration. —er, m. peaeverer. —ing, v. Annkransin en, ov, w. to cram p, to fasten with continuation; perseverance; seizure. a cramp-iron. —ing, v. fattening with A c, amptrail tiktinftesppelest, on. w. komen—, to come akipping, (frisking). AfienkrAfgen, ov. w. to get on; to be drest in, to Antal:rum en, ov. w. to ally (to acquire) by mar- lose . riage —ing, v. alliance. Aank rUten, ov. w. to weep (to cry) at. AseiaiJCen, on. w. to hasten (to hurry) to. komen Atenkrulen, ov, w. to bring on a uheel-barrow; —, to hasten hither. to came down adrift. Attoingen, or. w. to drive on; — against; to hurry Annkrulpen, on. w. to creep up (against). home's on. reArik —, to frighte:;; on. w. to drive (to —, to approach creeping. ride) full speed, Aankunnen, or. w. to be a match for. Annkalken.ov.w.to ccatwithlime;to chalk down. Annkwakken, or. W. to fling newt; on. w. to Annknnt en (dich), t. W. to oppose. —beg, v. fail to bounce) against. opposition, resistance. Annkweek sling, m, & v, young plant; pepil. Annkbliren, ov. w. to bark (to yelp) at. —en, ov. w. to cultivate; to breed, to grow, to Aankijiken„ ov. w. to look at. raise, to nurse. —er, tn. —seer, v. cultivator; Annkliangster, v. Zie Aninkinger. breeaer, grower. —ing, v. cultivation, culture; Aanklacht, v. accusation„ indictment. breeding, raising. Ansel:LIN; en, ov. w. to accuse, to indict, to Annkwlspelen, ov. w. to woe the tail at. inform against. —er, m. accuser, complainant, Annlathen,ov. w. to smile at, — upon. plaintiff. —tag, v. accusation. Aantand en, on, w. to land, to come ashore. Annkinrop en, ov. w. to board, to grapple; to —ing, v, landing. arrival. accost. —lay, v. boarding; accosting Anninngen, or. w, to reacts, to baud, to pass. Anakinetweet, ov. w. to rake, Anniappen,ov.w. to patcle , (to botch; on. Aankleed en, ov. w. to dress. —er, m. —.ter, Annlastech en, ov. w. to scarf, to join. —ing, v, dresser . —ing, v. dreseing. v. ec,rfing,joining, junction. AteeetCle e t; m. appurtenance, dependency. —sel, 0. Ann latest, ov, w. to leave on, to let keep on. sticking part. —ster, v. Zie Annktever. Annllavecren, on. w. komen —, to laveer hither. Annklensteeen, or. w. to pinch (to jam) against; Anoieeren, or. w. to learn; on. w. to make to strengthen. progress, to improve. Arinklew en, ov. w. Zie Aanplakken; on w. Annieg, in. arrangement, plan; aim, design; beginning. ; disposition, aptitude; instance. — kebben t() adhere (to stick) to. —er., It. adherent. —ing., v. sticking to; adherence, adhesion. veer (tot), to have a talent for; to be fit for; to Aanktop pen, 07. W. to drive on; on. w. to have a tendency to. —plants, halting- (baiting-, knock (LA), to rap ( at). —per, m. —ater,v. knocker. landing-) place. —gen, ov. w. to arrtnge, to plan; --ping, v. knocking, rapping. to lay oat; to hull d, to construct, to lay the Aanknoop en, 07. w. to knot (to button) to- foundation of; to ap ly. to e m ploy; to becin, to getber; to add; to bsgin; to enter into; to form; contrive, to manage; to direct; o make, to kindle; wetter —, to renew, to resume. —ivy, v. buttoning on. w, to stop, to bast; to at an at, to take one's (knotting) together. —kgspunt, o. starting-point, aim. —ger, m. --eter, v. beginner; contriver, connecting link, ' author; time r. v. stopping, baiting. Ansekomeling, m. & v, neweou..er, stranger; Annield en, tee. w„ to lead this way, — against; novice, apprentice, tyro, stripling. to occasion. —end, be. inducing. —ende eorsaak, Aesnkomen, on. w. to arrive, to come, to ap- prime (drat) cause. —er, m. Wider; inducer, proach, to draw near; to call at; to get at. by; Author. —ing, v. reason, occasiall, inducement; to devolve upon; to thrive, to improve. het laten geven tot, to induce; to give rise to. risk it. Annienen.on,w.ZieAnnieunen. — op, to leave to. het er op laten het Front er maar op aux , the great (lhe poirt Annieneven, ov. W. to temper, to mix, to weaken, to dilute. in) question is .... het komt er niet op aan, it does not matter; never mind, ate het er op son- AnnEeunen, on. w. to lean (Against. on). rich laten —, to accept of, to take kindly. kora, if it comes to the pinch. Annk.ormend, be. arriving; approaching, of-xt; Ann lilehten, on. w. to dawn, to grow light. },ung, rising. Attoligg en, on. w . to lie (against); to &comb. —end, be. accumbent; adjacent. —ing , v. accumbAntikonent, v. arrival, coming, advent. Aankondig en, ov, w. to announce; to give no- ency.juxtapcsition. ti,e, to advertise; to forebode, to portend. —er, AnniUres en, ov. ve. to glue. —er,m gluey, —lag, m. —liter, v. announcer. —ivy, v. announcement; a. gluing. advertisement. , Annioelen, ov. w, to low (to bellow) at. Annkoolen, ov. w. to close (ern drukuorm). Annioeven, on, w. to loot' up, to go to witAdAnnko3p, m. purchase. door —, by acquisition.' ward. —en, ov. w. to purchase, to buy. —er, m, —tier, Annlok kellUk, hr.& by., alluring (.1y), attract. v. purchaser, tuyer. ive enticing. —kel(jkAsid, v. alluringnees,

Aft (aaft), ad. achter. After (aaf'tur), ad. daarna• nadat. here—, later, naderhand. —all, met dat al; ten slotte. § —night, bij avond; in de avonduren.—wards,naderhand. —, prp. na, achter; near, volgene. —, a. nakomend, later. —ages, —times, toekom,t. clap, naklucht. —cost, nakosten. —crop, nRoogst. —game, noodmiddel. —life, latere Ieeftijd. —math, etgroen. —noon, namiddag. —pains, naweeen. —taste, nasmaak. —wit, te last inzien; mosterd ate den maalttjd, —wit is every body's wit, ale het kali' verdronken is, dempt men den .put. Again (e-gee'), ad, weder, op nieuw, w as much —, nog eens zoo veal. — and —, herhaalde malen. —at, prp. tegen; jegens; over —, tegenover; —the grain, tegen den dread. Agape (e-greepl, ad. aangapend. to stand —, met open mond mean luisteren. Agaric (eg'e-rik), s, bladderzwam. Agate (eg'et), a. agaat. § Agave (e-gee'vi), s. amerikaansehe boom-aloe. Agaze (e-geee), v. a. verbazen. Age (eedzj), e. leeftijd, ouderdom; eeuw, of —, meerderjarig. to come to —, mondig worden, old —, oude dag. under —, minderjarig, golden —, gouden eeuw. middle —s, middeleeuwen. —d, a. oud; bejaard. Agen cy (ee'dzjen-sih), s. werking; agentschap. —da (ee-dzjen'de), aanteekenboek. —t, a. we, bend; s. agent; werkend middel. Agglomerat a (eg-glom'ur-eet), v. a. ophoopen; opwinden. (-ee'sjun), s. ophooping. Aggiutinat a (eg-gloe'ti-neat) v. a. samenkijmen; vereenigen. —ion (-nee'sjun), s. aaneenlijming; vereeniging. Aggrandize (eg'gren-dajz), v. a. vergrooten. —vent, n. vergrooting. Aggravat a (eg'gre-veet), v. a. verergeren; verbitteren. —ing, a. verbitterend. — ion (-veettjun), a. verzwaring; verbittering. Aggregat a (eg'gri-get), e. verzameling. —, a. opeengehoopt. (-geet). v. a. samenhoopen, seczamelen; inlijven. —ion (-gee'sjun),.e. verzameling; hoop; aanneming. (-gee-ttv), a. pezamenlijk. Aggress (eg-gros'), v. a. aanvallen. —ion (-ejun), a. annual. —ire, a. aanvallend. —or, s. aanvaller. Aggriev artce (eg-grIev'ens), a. grief; verdriet. —e, v. a. bedroeven; kwellen. Aggroup (eg-groep'), v. a. groepeeren. Aghast (e-gaast') a. ontzet. Ook Agast. Agli a ledzyt1), a. slug, handig. —eness, —ity (e-dzjiVit-t,h), a. vlugheid. Agio (re'dzji-o), s. opgeld, agIo. Agist (ed-zjist"), v. a. weiden. Agita R le (edzr-i-tibl), a. beweegbaar, behandelhaar. —te (-feet), a. a. sehokken, verontrusten; in opechudding brengen; behandelen (een vraagstuk). —tion (-tee'sjen), s. opechudding; gemoedsbeweging; bebandeling. —tor, (-tee-tar), e. beroerder, onrustittaier. Aglet (Wilt), s. nestelbesiag; kolfje aan de stofdraden. Agnail (eg'neel), s. dwangnagel. Agnate (es'neet). a. van vadera zijde verwant


201 OCE.—OLI . ). drijf; to give —, beleedigen; ergernia geven; to voorkomen; in.vallen, opkornen (In de gedachten). —rence (-rena), a. voorval, ontmoeting. —rent, a. take—, kwalljk semen. —cam, a onscheldtg.— v. a. beleedigen; ergeren, mishagen; overtreden; voorvallend, opkomend. —sion, a. ontinoeting; v. n. fellen, dwalen; . zondigen. —der, a. balsab otsing. diger; overtreder. —sire, a. —aicely, ad. beleediOcean (o'sjen), a. oceaan. —ic (o-sji-en'ik), a. gend; attuatootetijk; hinderlijk, stultend (to); On den oceaan, zee-. aanvallend. —sivenets, s. aanstootellikheid; (het) Ocellated (o-serlee-tid), a. oogvormig. hinderlUke. Ochlocrasy (ok-lok're-sih), a. regeering van het Offer (orfur), a. aantod; aanbieding; bod; vonrgepeupel. stel; pogl,g. —, v. a. aanbleden; aandoen; bleOchre (o'dur-), a. oker. —ous (-kri-us), a. oker den; vooratellen; ten offer brengen; v. n. itch achtig. aanbleden• trachten; (at) ondernemen; etreven Octagon (ok'te-gon), a. achthoek. —al (-teg'unnear. —able, a. aan to bieden. —er, s. aanbleder; nel), achthoekig. fferartr. —kg, a. offer, fferande. —tort', o. fferOctahedra al (ok-te-hi'drel). a. achtzijaiii,,. —on gezang, -gebed. 1 -droll), a. achtzljdige flguur. Office (of•fic), a. ambt, bedienIng, dienat; godsfietangular (ok-ten'gjoe-ler), a. achehoeklg. dienstoefening; wevkplaata; kantoor; bediendenOct ant (ok'tent), a. octant; achtete deal van eon' kamer; bijgebouw. house of —,'Destekamer,holy—, eirkel. —ave (-teev), a. achtste dag; ,oetaaf; a. Inquisitte. —keeper, kantoothoode, — v. a. veracht aauduidend. —.0 (-tee'vo), a. octavo-forrichten. —r, a. ambteLaar; officier; gerechtsthe• maat; octavo. near; deurwaarder. Octennial (ok-ten'tii-el), a. achtjearlijkach. Officio I (or-flayel), a. ambtelijk, openbaar, Octeber (ok-to'hur), s. October, NN ijnmaand. nice]; dienattg; a. wijbisschop, flskaal. —11y, ad. Octodecimai (ok-to-desThmel),a. achttienvlakambtshalve. —ls (-elz), pl. openbare berichten. kig (van kriatallen. —fly, s. ambt van tiskaal. --te (-i-eet), v. n. cen Octogenar Ian (olc.to-drie-nee'ri-en), a. t&chambt waarnernen; dienat doen. tig)arige. —y (-toezje-ne-rib), a. tachtiejaelg. Officinal (of-ital-nel), a. van een wInkel; in de Octonary (ok'to-ne-rih), a. achttalliitapotheek voorhanden. —a ( nelz), p1. generaOcto petalous (ok-to-pere-lus), a. achtbladig. middelea. —syllabic (-ail-leb'ilt), a. aehtlettergrepig. Officious (of &pus), a —1y,ad. gedienstig. —flea. Ortupiat (ok'tjoepl), a. achtvondlg. Ocular (ok'joe-ler), a. —1y, ad. van (dn.) hat a. gedlenstIgheid. Offing (of-feng), a. voile zee, mime sop. oog. —witness, ooggetuige. Ocul ate (okloolet), a. oogen hebbend. —tat, Off scouring (of'skaur-long), —scum (-1SkUM), a. afval, uitschot, uitvaagsel. a. oogarta. Odd (oh'), a. —ly, ad. oneven, oneffen; overbilj- Offset (orset), s. uitlooper, stele; loodlijn; tegenvend; zonderling, koddlg. fourscore and —, in rekening. —, v. a. verrekenen. de tachtlg. —glove, enkele (oneffen) handsehoen. Offspring (of sprieng), a. afkomet; krooat; nako- money, overachietend geld. — ity, a. zonderling- melingschap. held. —nlas, s. onevenheid, zonderlingheid. —e Offusca to (of-fue'kcet), v. a. verduleteren. —lion (-kee'sjun), a. vet dulsterIng. (odz), p1. ongelijkhetd; vieerderheid; oneenigheid; at --, oneens, overhoop; to lay the —, weddea; Offward (orwurd), ad. zeewaarts. Oft (oft), Often (oi'n), ad. dikwij!s. —times — and ends, atukken en brokken. (. tajlez), ad dikw‘j1s. Ode (ood), a. ode. Odious (o'di-us), a. —ly, ad. heteltjk, afachuwe- Ogee (o dzji.e'), a. oglef, kruis-, spitaboog. Ogham (og'bem), a. geheimsehrlft (der loran). —nevi, a. hatelijkheid. Zie Ogee. Ogive (o-dzjar'), Odium (o'di-um). a. hatelljkheid, blaam. Ogl e (o'gl), a. lonk, wenk. —e, v. a. toelonken. Odometer (o.-dorei-tur), s. afatandameter. Odont algy (o'don-tel-d41h), a. tandpijn. —ie —er, a. toelonker. ing, a. het toelonken. Ogre (o'gur), a. weerw off; bullebak. —88 (-gm a), don'tik) a. & a. tandpijnatillend (middel). s, kindervrcetster; zwarte bal. Odor (o'dur), a. reuk, geur. —ant, —,ferous (-ir orb! ur-us), —oua, s. welriekend, geurig. —ate (-et), Oh (o), int. o ! Oil MO, a. olie. —bag. olieklier. —beetle, oliea. sterkriekend. —lees, a. reukeloos. Oreonottiy• (1-kon'o-mih), s. Zie Economy. barer. bottle, olietleach. —cake, rasp-, lijukoek. --cloth, waadeek. —color, olieverf. —foot, eliebe. Oeouturolcol (ek-joe-men'ik1).. a. Zie Ecumezinksel. —gas. olleg,as. —jar, oliekruik. —man, nical. Oedema tons (i-dem'e-tue), — lose, a. Lie Ede. oliehande(aar. oliemolen. —press, &tenors. —seed, °limed, —ahop,-oliewInkel. —skin, matous. gewast taf. —trade, ollebandel. —, v. a. olien. O'er (oor), ad. Z!e Over. s. olieachtlFheid. —y, a. olleachtig. , vet; Oesophagus (1-sof'e.gns), a. slokdarm. — palm, ollepalm. —grain, Fesernkruld; Of (ov), prp. van. out —, nit. af, wee, ver, van dean. Oint (riot'), V. R. zalven. —meat, a. zalf. Oft'(of), a. rechter-. to le well rill) —, er good (slecht) aan toe zijn. Old (oold'), a. oud. of —, van ouds. — age, ouder—beaten, ervaren, owl. —built, ouderwets - hand, voor he vuist. —, prp. nablj, op de hoogte dom. gebouwd. —fashioned, onderwetscb. — en (oold'n), van. —, int. wag! roort! a. oud. —iah, a. oudachtfg. —nets. a. ouderOffal (offei), a. afval. Offen cc (of-fens'), s. beleediging; ergernia; Mill. dom.
/Eneas (1-ni'es), m. Eneas. bolas (i-o-lus), my. Eolits. /11 ,,schylate (eekilus), m. Eschylus„ ./1",sop (i'zap), mu. Esopus.. g. Eth °pie. /Ethiopia Africa (etri-ke), g. Afrika. —a, a. Afrikaanseh; 1. Afrikaner. Agatha (eg'e-the), w. Agatha. Agincourt (ed'ziin-koort), g. Agincourt. Agnes (eg'niez), w . Agnes. Aixsia-Chapetile (eeks-le-sje-pen, g. Aken. g. AlbaAlban In (el-bee'ni-e), —y nia. —ian, a. albanisch;1, Albanier. Albert (el burt), tn. Albert, Albrecht. Albigenses (el-bi-dzjen'elez), r. Albigenzen. Aiblon (el'bi-un), g. Albion. Alcibiades (8141-bare-diet),m. Alcibiades. Alexan der (el-egz•en'dur), in. Alexander. —dria (dri-e), g. Alexandria. Alfred (el'fred),m. Allred. Algarva (el-gatar've), g. Algarvie.
bekrornpen; beknopt; beperkt; broos; tad. to be (come, fall)— of. ntet evenaren; ontoereikend zijia voor; to kart komen. — of money. niet bij kaa. to stomp —, eenklaps opbouden;bibven ateIcon. to turn itch eeneklaps omkeeren. —breathed, kortedem1g. —comings, pl. tekortkominv.n. —dated, op kort zicht, —hand, meisehr0 f kunst; enelschrift. —hand-writer, anel. sels,.ijver. — handed, met verbortingen geechreyen. — laid, hard geslagen (van thaw). — lived, kart van Leven. —sivink. — start, kortsteel (aagtAppel). — sighted, kortzichtig. —tighter/nem kortziehtighetd. — wincled,kortaderatt .;. — witted , onnoo . zel. dom. — en (-sjort'n), v. a. korten, verkorteu; verminderen ; v. n. barter worsen; afnemen. (IOW— ester (s,lort'n - ur), a. vor-korter. — ening, nieng), s. verliorting. -4y, ad. bincen knot. a kortioeid; bekrompenheid; beknoptheid. —s, pi. korte brook; korte hennep. Stvolry (81,tirib, a. aaa strand gelegen. rekeving. St o at (ajot.'1, a. echot; kogeis; great —, kanonskogels, small —, schroot. —bag, echrootgordel. —free, schotschroatn.k. — locker, garland, — stroffeioos; vrij van gelag. ri,j; hogelbak, -rek. — gauge, kogclprozf.—p/up,imeer , prop, —pouch, hotel-, wcitasch. —proof, kogelVrU. Shote ('jont),, a. elft, Jong varken. Shotieo (sjot'tn), a. bait gemchoten hebbend; ledig, iji; veretuikt, geharpelei,vcrzuurd. — herring, haring of bobbing. ledige Shough (sjog), a. ruige hand, poedel. Shongd (tkiced), v. n. Zie Shalt. Sh oulder (sjoordurl, 8. schouder; voorharat; stut, schoor; uitstek. — of mutton, lamabout. —belt, dralgband, — blade,schouderblect. —bone, schouderbeen. — grafting, schorsenting. --knot, eparlet. — ehotten, veriamd in den schouder. pl. broek— slip, scheuderoutwrichting. — straps, v. a. schouderen; onderschragalgen, bretels. gen; duwen. — ed. a. geschouderd. v. n. sehref,uShout (ejaut , , a. krect, gejuich. weia, juichen; (at) toejuichen. — er, a. juicher. —ing, s. geschreeuw, gejuich. Shove (sjuv), a. avant, duw. —, v. a. stooten, auwen; voortschni,:in• boom.. — board, schuiftak'el. ' a. schop. Sglovell — or, — net, slag-, eleepnet. —, v. a. itcloeppen. s. lepelaar, lepelgons. Show (sjo'). s. vertooning; uitstalling; tentoonstelling; sehonwspel, pronk; schtjn. to make a toonbrood. —man, — of, i;ronken met. — bead. ,pzileman. — sheet, proeibledShow (8,10 [showed. shown ejaoujj, v. a. toouen; vertoonen; !uteri zien; wijzen: betoonen; (forth) behead maker); v. n. zich bonder) air. — e, ( - iaertonner; — of tricks, goochelaar. nes.), a. vertoonmakinit; pracht, glans. —sly, ad. - -ish, — y, e.. vertoontnabend; zwierig. prachtig. Shows,' IsjarCuri, a. but, regen-, haRelbui; menigte, overvload. — bath, storthad• —, v. a. haregenen; begieten; uitstorten; v. n. stortregenen; oetrsiroornsla. —y. a. buiig. Shred (-sjed), a. reepje, lapin, anoedje. Shred (ajred) [shred], u. a. klein suijden, snipperen.

The Erasmus Programme, together with a number of other independent programmes, was incorporated into the Socrates programme established by the European Commission in 1994. The Socrates programme ended on 31 December 1999 and was replaced with the Socrates II programme on 24 January 2000, which in turn was replaced by the Lifelong Learning Programme 2007–2013 on 1 January 2007.
SPE Spell (spell') [spell s ], v. PI, speiten; betooveren; Spilt Ater (tipin'nur), s. apinuer; spin. —.sting, s. het SPintle" , .Pinfflachlue; — wheel, spin attossen. er, B. speller.—ing, r. spelling; —book, newiel. speiboek. Spin sue (spni'nus), —ose(-ItoOs'), —y, a, doornig; Spelt (Epele), a. spelt. —er, a„ spiauter. netelig„ moeielijk. —osity (-nos'it.tih), s. doornigbesteden, uitgeven; R. [spent], v. Spend (spend') heid nzteligheid. verkwisten; afmatten; v. n. uitgaven doen; verlo ern goon. --er, s. hesteder, uitgever; verkwistee. SpIti tiler (splrflitts:), a. spinster;jonge doehter. —stry (-strip), s. spinsel. —thrift, a. doorbren ger, verkweSter. I Spiracle (spir'ikl e. luehtgat. Spare (spier), a. R. vragen, uit-, nevorechen. Sperm (spurm).s. dteriijk zaad. —aceti(-e-st-tih)„ Spiral (eparrs1), a, —ally. ad . sehreervormig, spi(-etsik-), ! relit —alness, s. spiraalvorm. —e, a. sehroef-, n, wa)sehot, spermaceti. —atic, slakke-, spiraelliin; spits; torenspits; v1( ebt. —e, —atocele uit nod beeteend; v. n. spits opse , ,eten. —ed (epajrd), a. spits toea. toad-, zekbreuk. Spew (spjoe), v. a. uItspuwen, uitbraken; v. n.1 loopend Spirit (splr'it), a. geeet; zie1; gemoed, aard, stemspuwen, broken. Sphecel ate isfes'e-leet), v. e. doen veraterven; I niing; vroolij kheid ; sour, ipier,rnoed, geeetkracht; neiging; gevoelen, begrip; genie. —a, pl. levensv. n het keudvuur kriigen. —us, s.koudvuur. geeeten; stemming; geestrijke drankea ; to be in t4 ph Egn inns ,sfeg'nern), s. veenmos. (high) —, opgeruiind zijn; in tow —, neer elachtlgSpleen. ,stien), s. wig; titaniet. v a. hesielen; bemoedigen, aansposen, (up); Sphere (slier'), a. efeer, bol; loopbaan;kring. (away) door list wegvoeren. —ed, a. —edly, ad. • f. a road.; in eene steer plaativn. levendig, moedig, vurig, geestrijk. high— id, opal!y, ad. bolrond.—alnees, Spheric !ster . ik), neerslaehtig. —ednesp„ a. gegeruirnd. a. bolvormigheid. -ity moedegeeteldheid; levendigheid, vurigheid —less, der sfsren, afeerkeenis, a. levers loos: ,eesteloos; meedeloos. --ous, a. onSpher old (sti'rojd), s. spheroide. —n/e(sfer'-joel), etoffelijk eerlijnd; levendig, vurig. s. sf,ertje. kietne be!. Spiritual (so)eit-joe- el), a. —4, ad. geestelijk. Sphlre trrOtIngk'tur), s s. sluitspier. a. spiritualismus. —ist, s. spiritualist. Spic a- iepajs') s.specerj, kru'derij; smask;zweem; —ity (-el'it-tih), a. geestelijk held, onstoffeiijk—apple, anijsappel; —gingerbread, pepe , keek, haid; godevruebt. —ization (-i-zee'sjun)., a. ter-nut, pepernoot. —e, v. a, kru.iden. —er, a. ban- geeetelij king. —ice tajz), v. a. vergeestelijken; delaar in specerijen; kruidenier. —cry, S. speeerij; overhalen. —ty, e. geestelijkbeid. bergplaata van epeeertjen. —iness (-i-ness), a. Spirituous (spir'it-toe-us), R. geestrijk; levendig, krui:tigh•id,gekruidheid. vurig. —seas, s. geeetrijkheid. Spick ispik"), —end span, R. kersverReh. spick-and- Spirt (sport'.,a. uitspuiting; straal; ijver. —, v. R. spannew, splinternieuw. & n. smuts,: (up) (apspuiten. Spicknel (spik'nii). a. dills. vol aces; Spirtle (apur'tl), v. a. wegspuiten; verstroeien. Spleo as (spa) boos':, —us (spark.), R. puntig. --sites (-kos'it-tih), a. volheid van aeon; S'piry (sparribl, a. spits tneloopend; kronkeiend. Spasm sited (epie'see•tid), a. verdikt. —itude ( alsinntigheid, splteheid. -tjoed),.. dikte. Splcul sir Ispthloe-ter), a. printig, spits. —ate Spit (spit% a. speeksel; braadepit. —box, spuw(-leet), v. a. puntig maken. bakje, —fire, heel hoofd. —pin, lardeerpt.nopeetie. S picy imparsi It). a. kruieig, gekruid. Spider (spafdur), a. spin. —catcher, spinnenvan- —, v. a spates; aan het spit ateken. n. spuwen. ger. —shanked, spillebeenig. —web, spin noweb. Spit (spit', [spit], a. hospitaal, ziekenhuis. Spatial spinnekog Islak). —wort, spinnekruW. Spiteliccock ispitsrkok), a. gebakken paling. —, Spigot 1,spleat),s.spte,zwikje. v. a. (paling) bakken. Split e (spajk."), s. oar; groote spiiker; houten pin; spijt, wrevel, weak, nijd. in — of, pent: spije; —nard (-nurd),spiikhalsem. —e, v. a. Spite (spa) to weerw il van. out of — , tut spit t. —, v. R. krenspilkeren; vernagelen (vp); van punters voorzien. ken, ergeren; vertoorneu. —fat, a. —fully, ad. -y, a. puntig. epijtig, wrevelig; booliaardig. —fulness, a. week; Spill (spill), s. pin, spijltje, spie; spaantje,strookje boosnardigheid. pepier. 13. Spill (spill') [spilt*], a. a. worsen, stort,i; ver- Spit ter (sint'tur), a. spawer; jong hert. bet spuwen; —box, epuwbakje, kwispedoor —11e nielan. —age, a. (het) getitorte; verlies. —er, a. (epit't1), a. specked]. —to. (-toen'), a. spuw n storteribeneelroede. —ing.linee, noodgordingen. bakje. Spin (pin') [spun], v. a. spinnen; does draelen; uitrekken inotp inut) rak ken, op de lenge bean Splash (splesY), a, gespat slijk. — board, spatbord. v. a. bespatten; v. a. spatter, —y, a. beepat, echui von; v. n, spinnen; draaien; viieteo. slijkerig. Spin web (spin'itsj), --age, s. epinazie. —fasted, Spinal (spernel), e.. ruggegraats-. —marrow, rug- Splay (splee'), a. sehuinsehe verwtding. met kromme voeteu. —mouth, wijcie mond. —, v. prernerg. a. de schoft verrekken. Spindle (spixed1), s. spil i ttengelistander. —lags, v. n. stengele sehteten. Spleen (splien"),.. milt; miltzucht; zwatirmoedigspillebeenen. —sick, miltSpin e (spajn'), a. ru,geg..aat ; dorm.—el (-11), a. heed; grit, kwade luim; weak; slug. zuehtig; zwaarmoedig. —met, miltkruid. —ful, bleekroode robije. —et (spin'it, spinet'), s. —y, a. nailtzueltig; zwatirmoedig;gemelijk. spinet.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-
—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.

Hoe werkt Bitcoin waarde hebben


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint

Will Bitcoin bestaan ​​in 10 jaar


REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-

—UD1B, Unsconsable (un-ak-kjoe'zibl), a. onberispeltik. Unaccustomed (nn-ek-kus'tu,md), a. ongewoon; engewend (to). Unachievable (un-e-tejleeibl), a. onbereikbaar; onultvoerbaar. UnacKnowleaged (un-ck-nol'idzjd), a. niet erkend. Unnequalnt mace (un-ek-kweent'ene), mess, s. onbekeudheld (with). —ed, a. onbekend; ongewoon, (with). Unacquirable (un-ek-kwafribl), a. onberaikbear. Unacquilied (un-ek-kwit'rid), a. onafgedaan, niet veretrend; fiat vrtjgesproken. Used dieted (un-ed-diketd), a. niet overgegeven, Wet tosgewijd (to). —jested (.dzjust'id), a niet gerereld, onvereffend. —mired (•inajrd'), a. niet bewonderd. —mittable (-mititibl), a. onaannemelijk. —*mashed (-mou'tejt), a. ongeweareehuwd. —opted (-e-dopt'id), a. Wet aanpnomen. (-e-daord'), a. onaangebeden. —oroed e-dornd"). a. onveraterd. —ulteratt (-e.dult'ur-at), a. onvervaleeht, ant er. Unadvls able (nn-ed varatb1), a. onraadaaam. —ed (-vajzd'), a. —edly, ad. onbedachtzaam, onvoorziehtig. --ednest, a. onbedaehtzaantheid, o'avoorzichtighetd. Unelfeet ed (un-ef-fekt'id), a. —edly, ad. onbewogen; ongekanateld, ongedwongen. s. ongekunsteldhetd, ongedwongenhetd. —ing, a. Diet roeaend, zonder uttwerking. —ionate (-forsjun-et), a. ongenegen. Thud' firmed (un-ef-furind"), a onbevestigd. —flitted 1-ttikt'td). a. ntet bedroetd: ongeatoord. —,'"righted (-frajt'Id), a. niet versehrikt. Unaided (un-eed'id), a. ongeholpen; ongewapend. Unalarmed (un-e-laarmd')., a. ntet versehrikt. Unaliena bie (an-eellen-ibl), a. onvervreemdbaar. —ted ee-tid), a. onvervreemd. Unall eyed (un-el-Teed'), nwierzaeht; onverzwakt; onvermengd. --ied (-DOT a. Met vetwant; sander bondgenooten. owa5le (-1au'ibl), a. abet to vergunnen. --owed (-laud') a. ongeoorloofd. Unaltera his (un-aol'tur-ibi), R. —able- ad. on veranderltjk. —aVenese, a. onveranderitjkheid. —ed (-turd), a. oraveranderd. Unambi goons (un-eca•big'(oe us), a. —guously, ad, ondubbehinnig. (-bislus), a Wet earzuekttg. Unamendable (unee-mend'ibl), a. onverbeter1 )1k. Unainflable (an-ee'Eni-tb1), a. onbominnelijk. Unamusing (un-e-mjoe'sieng), a. niet onderhoudend. UnanIna abed (un-en'i-mee-t)d), a. onbezield. —sty (joe-ne•nim'it-tihl, a. eenstenarnigheld.—out a. —nasty, ad. (joe-nen'i-mus-), eenstemmig. Unmet noyed(uu-en-nojd'), a. ongekweld.—ointed (.ojnt'id), a. ongezalfd; cnbediend. Unanswer able (un-aan'eur.ibt), a. —ably, ad. ralet to beantwoorden; onwederlegbaar.--cbteness, a. onwederlsgbaarbeld. —ed (-surd), a. onbeaatwoorl. Unap palled (un-ep-paold'), a. onverschrokken.


N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.

The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age
ScoVel (skuvq), a. ovendweil. Scrotum (skro'tum), a. balhak. Scowl lakaaul'i, a. miur gezicht. —, v. u. aunt Scrub (skrub'), s. schrobber; sukkel, tobber, prul, vod. —, v. a. schrobben, schuren; v. n. zien. —4 .0Y , ad. met een zuur gezicht. Scrabble (skreb'b1), a. gekrabael; gegrabbel. zwoegen, ploeteren ( for). —by, a. sleeht, army. n. krabbelen; grabbelen, z Scrag (8.kreg'), a. dun stuk; scherminkel. —ged Scruple (skroe'pl), a. b eawaar, bedenking, wetfeting; acrupel; klelnIgheid —, v. n. bezwaar . ( - Kid ), — tip ( - git), a. mager; ruw, oneffen. vinden, bedenking hebben (at); aarrelen. —gedneas. pisses (-gi-ness), a, magerheid; ruw- bezwaarmaker • herd, oneffenheid. Scramble (akrem'b11, a. gegrabbel. —, v. n. Seratpul ous tekroe'pjoe-lus), a. —ously, ad. nauweezet; schroomvallig. Mfg (•los'it•tih), grabbelen f at. far); klauteren. —r, a. grabbelaar. Scrauch (.kraantaj), v. n. hoarser, kraken. —oesnese, e. nauwgezetbeid; achroornvalligheid. Scraunel (akren'nt1), a. alecht, ellendig. Serial able lakroe'tibll, a. nit. to vorachen. —ation (•tee^ajun• a. nit•, navoraching.—ator (-tee'tur), Scrap Iskrep'), e. brokje,stukje, anlpper. —book, album, anippertoek. —ineer (-ti•nierl„ a. nit-, navorscher. navorschen. —tacos (-ti najz), v. a. & n. Scrape (akreep'), z. gekrob, gekras; strijkveetje; (- ti-nus,, a, navorschen uitpluizend. —iny (-tinklem, verleeen !(eid. —penny, schraper, vrek. nib), a. navorscbing, ondersoek, atemopneming. y. a. afschrappen, afkrabben; krassen. — a top, een strijkvoenie maken. — acquaintance with, Scrotoira (skroe-twor'), e. echrijfater. kennis trachten to molten met. afkrabbcn. Scrum. (ekroez). v. a drukken, knellen;kneuzen. (out) ultkrabben. (oplopkrabben; bison schrapen. Scud (skud). a, regenvlsag: vliegende walk; overhassle vluobt. v. a. dourloopen; v. n. loopen, -, v. n. krabben, kraaaen. —r, 8. krabber; ochre- enellen lawo); lenzen. — under bare poles, voor per; vioolkrasser. top to takel lenzen. Scratch (akretsr), a. krab, schram; pruik. —back, rugkrabber. —brush, bras-, draadborstel. Scuddle fakust'd1), v. n. wegiflen, dribbelen. v. a. krabben, ashram- Scoftle (skuffi), a. kloppartij; geharrewar, go. —weed, kliskruid. v n. plukharen. wool. men; krabbelen. —er, a. krabber; krabbelaar; krablizer; krashorstel. achnilhouden; sluipen . Sees lk (skulk'), v. n. Scrawl (skrann, a. gekrabhel. -. v. a. & n. er, 0. schuller; eluiper; mall( rger. krabbelen, kladden. —er, a. krabbelaar. Scull (16kIlii'), a. schedel; achoel, menu; hulk; wrikriem. —, v. n. wrikk, ti. —er, a. roeleehuitje; Stray ,skree), a, zeezwaluw. wrikker. —ery (-ui . -ih), a. schuurplaate, vat.Screnk, (ekriek) a. gekrijech; gekras, geknars. waascherij. v. n. krtschen; krasseu, knarsen. Scullion (annuli), a. keukeujongen; vatenScreens (skriem), a. gil. —, v. n. waschster. Screech (akrietej'), a. gil, angatkreet gekrijsch, Sculpt lie (ekulpt'il), a. gebeeldhouwd. —or,s . - v. n. gillen, krijscben. —owl, nachtull. beenthouwer —ural(-ine-rel), a beeldhouw-.—ure Screen (skrien), a. scherm, schen; zandzeef. (-joer),a. beeldhouw-, graveerkanat; v. a. beachutten, beschermen 'front); alit., Screw (ekroe') a. achroef. —chase, achroenraam. anilwerk; gravure; v. a. beeldhouweu; anijden. graveeren. —driver, acbroefdraaier. —hook, sehreefhask. v a. afsehuimen. —jack, dommekrrcht. —knob,ichroefint.op. —nut, Scans (skum'), a. achuim. bee, s voasendrek. —nee;, a. echuirrispaan. mob-Nehmen —propeller, achroef; schroefboot. --worm, schroefdraad. —tap.schroefboor. —tree, Scupper (ekup'por), s bpie, apt). —holes, Plapijgaten. —hose, mam.iering voor de epljgaten. echroetboom. —, v. a. ecbroeven. vastschroeven; —nails, pl. mamieringspijkers,platkoppen. —plug. drukken, knellen, spai.nen, rotten; verdraaieu. eptjgatprop. —pumpdale, stortkoker. -- one 'a self into, zich deluges in. (down) toe achroeven. ir., i lotoehroeven. (out)afpersen. (out Scurf (abort'), a. korai, roof; echurft; oppervlakte. —iness (-1-mess), a. achurftigheid. --11, a. of) nntlokken. (up) opsch•oeven; opviJtelen. schurftig. Scribble (eltrib'b1), a. krabbel-, prulnchrift. v. a, & n. krabbelen, bladder,. —r, a. krabbelaar; Scurril e(skueril), —oat, a. —oualy, ad. gemeen, —oneness, a. gemeenheid, plat. —ity prulachrifver. platheid. schrbver; nntaris; rtchriftge- Scribe (akrajb), Settee, fly Iskuevi1-1111), ad. —y, a acbeurbuikig; leerde• —,, v. a. met den passer teekenen. schurftig; laag. gemeen. sieeht. —inns vrek. Scrimp (art.: tort, bekrompen. e. echurftigheid; laagheid, gemeenheid. —y, a. —, v. a. tort (oekrompen) maken; bekrimpen. scheurbuit; —grass. lepelblad. Scrip iskrip'), a. zakje, taschje; note; ben ifs van snorting, voorloopige oblig•ie. —page (Oda), Scant (skirt), a. torte 'quit, stornpje. Scotch (skuter) v. a. hehelen (vlaa). —eon(-un), a. (seal zak-vol. —tory, a. sehrifteltik. a. wavenechtld. P3 - criptur at (skriprjoe-reel, a. schriffnuritik, btjbel-. —e; s. achriftuur; de Heilige Schrift. Cr utiform (skoelti-form), a. achnidvormig. Scuttle (eltut'll), a. mend; koleubah; luik; —ist, a. achriftgeleerde• treehter; dribbelgang. —, v. a. let maken, doer Scrtvosaer (skriv'n-ur., a, notaris; geldmakelaar. Milken; v. n. snel loopen; dribbelen, Scroful r (skrorjoe•le), a. koningezeer, trop- Scythe (eajtb), a. anis. v. a. nnaaien. geewel. —one, a. nlierachtig. Sea (ale'), a. see; golf. bear; roenigte. at —, ter Scroll (eltrooll), a. rot, lijet; patroon. see. by —, over see. half —4 over, half besohonSorotocele.(skroeo-siel), s. 7.slcbreuk.
306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-

Heeft Amazon gebruiken Blockchain


scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer 

Is Bitcoin verhogend


I. Each (ietsj), pr. elk, ieder. —other, elkander. Easy (ie'zih), a. gemakkelijk; rustig; insehikkeEager (ie'gur), a. gretig; begeerig (after, of); ver- lijk; ongedwongen. langend (for. to); vurig; onstuintig; scherp. —ly, Eat (iet') [ate (eet). eaten (iet'n)), v. a. eten, opad. vung; scherp. —nese, a. vurig verlangen ; eten (up); invreten, doorvreten (in. into. through. gretigheid; seherpheid. out). —one's words, zij ne woordenherroepen•—able, E*vgle (ie'gl), s. arend. —eyed, —sighted, scherp a eetbaar; s. eetwaar. —er, a. star; bOtmiddel. van gezicht. —speed, adelaaravlucht. —atone, —ing-house, gaarkeuken. arendeteen. —t (te'glit), s. jonge arend. Eaves (ievz'), a. rand van can aflak; dakdrnp. Eagre (te'gur), s. springvloed. —chop, v. n. luistervinken. —dropper, a. luisEar (ter), a. oar; gehoor; ear. quick —, lijn ge- tervink. boor. over head and —s, tot over de ooren, to Ebb (ebb'), s. eb; afneming, vernal. —tide, laag have the prince's —, bij den vorst in gunst staan. tij. —, v. n. ebben; afnemen, vervallen. —jag, —ache, oorpijn. —drops, oorbellen. —lap, °oriel. a. (het) vallen (van het water); vernal, —mark, oormerk (bij seltapen). oorlepeltje. Chun (eb'un), a. ebbenhouten; zwart. —piercing, oorkweternd. —ring, oorring. —shot, v. a. als ebbenhout maken. —ist, a. kunstdraaibereik van het gehoor. —trumpet, oorhorentje. er. —y, s. ebbenhout. —wax, oorsmeer. —wig, oorworm; oorblazer. Ebri sty (e-brare-tih), —osity (i-bri-os'it-t1h), —witness, oorgetu ig e a. dronkenschap. Ear (ter) v, n. aren sehieten. Ebulli ent (e-bul'jent), a. overkokend. —lion Earl (urf), a, grant. —dam (-dum), s. - greafschap. (eb-ul-lisrun), a. overkoking. —marshal, graaf-maarsehalk (belast met het op- Eburnean (e-bueni-en), a. ivoren. zieht over militaire plechtigheden). Eccentric (ek aen'trik), —at, a. uitmiddelpunEarl Incas (tteli-ness), s. vroegheid. —y. a, & tig; zonderling. —ity a. uitmidad. vroeg, vroegtijdig. delpuntigheid; zonderlingheid. Earn (urn'), a. a. verdienen; verwerven. —er, a. Eccleslast es (ek-kli-zi-es'tiez), a. het bock Preverdiener; verwerver. —ing, —toga, a. verdict, diker. —ic, —ical, a. kerkelijk. --ic, a. geestesten, loon. lijke. —teas (-ti-kue), s. bock van Jeztta Strach. Earnest (ur'nest), a. —ly, ad. ernstig; ijverig; Echinate (ek't-neet), a. stekelig. gretig. --, a. ernst; onderpand; handgetd. in ii:chinus (e kaj'nua), a, zee-egel; atekel (aan good —, in vollen ernst. —money, handgeld; gods- planten). penning. —nese, s. ernat; ijver. Echo (ek'o), a. weerklank; echo. —, v. a. & a, Earth (urtle), s. aarde. —bag, aardzak. —bank, weerkaatsen; napraten. cordon wal. —board, pleegplank. —born, van Eclectic (ek-lek'tik). a. uitkiezend. —, 8. eeleede aarde geboren; aardsch; goring. —bound, - tints (wijageer). grondvast. —flax, a'niantateen. —nut, aardnoot. Eclip as (e-klips'), a. verdaistering, eklipa; dubs-quake, aardbeving. —worm, aardworm. ternis; v. a. verduiateren; oversehadrtwen. —tic, Earth (aril"), v. a. met aarde overdekken; v. n. a. den zonneweg betreffend; a. zonneweg. onder de aarde kruipen. —en (urth'ii), a. aarden; Eclogue (ek'log), a. herdersdicht. —ware, aardewerk. —iness, a. aardachtigheid. Economic (ek-un-nom'ik), —at, a. —ally, ad. —liners, aardsehgezindheid. —ling, is. eterve- huiehoudelijk; zuinig. -8,.. huishoudelijk beheer. a. aarasch; —minded, aardschgezind. Econom lst (e-kon'o mist), a. zuinige huishou-y, a, aardachtig; aardsch; zinnelija; grof. der; huiahoadkundige. —lee (-majz), v. a. met Ease (tea'), a. runt, gemak; ongedwongenheid. overleg gebruiken; spaarzaam zijn. —y, a. hulaat —, gemakkelijk. at hec.rt's near hartelust. houdelijkheid; huishoudkunde; goede inrichting; —, v. a. geruststellen; lenig,n; verlichten (from. spaarzaamheid; political —, staathuishoudkunde. of); vieren. —less, a. rusteloos. —ntent, s. ver- Ecsta sy (ek'ate-aih), a. verrukking. —tic, —tical, lichting, leniging. (-stet'ik.), a. opgetogen. Easel (ie'zI), a. schildersezel. Retype (ek'tajp), a. namaakao'; afdruk; atEwa! ly (te'zil-lih), ad. gemakkelijk. —near, a. beeldsel. gemakkelijkheid; rust; inschikkelijaheid; onge- Ecumenical (ek-joe-men'ikl), a. algomeen. dwongenheid. Edaci our (e-dee'sjus), a. vraatzuehtig. —ty East (test'), a. oost, ooatelijk. oost- (-des'it-tih), a. vraatzuc ittdie-vaarder. —, a. (het) Oosten. —ward (-wurd), Edder (ed'dur), a. bindrijs. v. a. opbinden ad. oostwearte. (met bindrijs). Easter ( ∎ est'ar), a. paschen. —day, paaschdag,. Eddish (ed'diaj), ook Eagrass en Etch, a, et-ere, paaschavonit. —fair, paaschmis, —monday. groen, nagras. paasehmaandag. —week, paaschweek. —ling, s. Eddy (ed'dih), a. ronddraaiend, dwarrelend.—, a. oosterling. —ly, a. & ad. oosterlij k. —n. a. tegenstroom, draaiko:k. —water, kielwater. —wind , oosterseh. dwarl•ind. —, v. n. ronddwarrelen.
slakkenkl ►ver. —flower. slakkenbloem. —leech, Snow (sus'), 8. sneeuw; snauw (schip). —ball, bloackuiger. —paced., langraam. —,hell,elakken- sneetrwbal.—bird,--buntimsneeuvavogel.—blind, Pn ecus, blind. —br oth, gesmolten sneeuw. huts. —titcne,slakkensteen.—waterolokkenwater. 8D8C11WiReht; hoop mneenw. —drop, sneeuwklokte. —like. a. stakachttg; langzaam —finch aneeuwvink. —flake, :meetly v log. —shoe, Snake (sneek'), r,. slang. hooded —, brilsiang. sneenwschoen. —slip, sneeawstorting, )swine. —lines, degenvi,h. —gourd, slangvisch. -- ; fish. —white, smelt wwit. — ,a. n. sneeuwen. —y, a. bepl. sch.erlijnen —root. siangentvortcl. --stone, anurebuwist usbn,)e,eurkinto; erseti.n. slangonstton. a,umon'horen. —weed, slargen- sn --nosed, stompneuzig. kruid. —wood, slangoahout. —, v. a. doorhaion, bekijven; aficnotten; weerhononlzelend. Snaky (snee'ltih), a ,31Faut4ehtig., den. Situp (rnep'), s. )coup,, lcnip, krrk; hap, beet; a. snuif; snuifsel. to take —. snuiven. vara,t; rOootje. —dragon, leeuwenbek, kalrgmnit Snuff (snuff'), to lake — at Iin —), kwalijk nemen.--box,souifv. a. (bloom); seeker re pal. —scuk, kuapzak. door. —taker, snuirer. —, V. a. opsnuiven ,up); gna,,,, varigen; happy.; broken; toegr,uwen; , ; v.eknizvurtivoern; (at ) zich ergeriruenikoenvec sndletintennecitosuotptr br. eklinean p. wegkopen. p(,01 () ,taefibo‘). va. tn ; .(aptevazi)gz'e a. —pishly, Silts litre (8nurfurz), s. pl. snuiter. a pair of —,een breken, beroten; happen at). aflutter. —dish, —pan, —tray. snniterbakje. ad. gon, elijk, bite. —isicnec8, s. gemelijkheid, Snuffle (anurfl), v. a. door den neus spreken. —8 bitsbeid. isnurlie). pi neurperstopping. v. a. verstrikken. Snare (sneer). a. strik. (snaarl'), a. vervikkeling; twist. —, v. a. Snuffy (snurfth),, a. net Knutf (annitael)bemorst; lie btgeritakt. vervrikkelea, verwarren; v. n. grornmen, boorSnug (snag'), a. —ly, ad. ingemoffeld, ingedoken, ran. —er, a. knnrrepot. theist ineen; verscholen; lief, aardig; rustig; goSunry (si,oe'rih) a. verstrikkend. inakkelijk. v. n. Zie, to Snuggle. —nese, a. Smite!' (snetsj') a. rub; hap; brokstut; ocgwenk. diehthetd; gemakkelijkheid; rustigheid; terugge(up) —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen; trokkeRheid. oprr.pen; v. n. grill)... happen fat), —.gill, ad. Snuggle (snug'g1), V. n. dicht bijcen (warm) ligtivricheaponzen sciti elij;T; met rukken; gen.. Snook istlier), s, rsluiper, kruiper. —, v. in. slut- pen, kraipen. —er, a. keuiper; baker. —ing , a. So (so), Rd. 7.00, dun, zondanig„ zulk; nu, weinu. —, cal,* duo., daarom; derhalve; mute. a. —ingnese., —ingly, ad. kruipend; ;Rag; vrekkig. Sock (cook'), v. a. 8t n. weeken, siurpen; inzweltruiperij. laoglicid; vrelckZgheid. gee; zuipen. —er, a. weaker; striper. —iny, a. doorS,tettp (sniep), a. beris ping, uttbrander. --, v. a. uringend; (1 , ,dringen: bekijven, doo•halon. blik. —, v. n. Soup (coop'). a. seep. —apple —berry, zeepappel, Su,er (mire'), s hooner.18 loch, --soot. —ashes, pl. zee•asch. —berry-tree, seep. spotachtig ]lichen, grijnzen; (at) den netts on boor' —boiler, zeepzieder. —dish, zeephakje. hales 'nor; hespotten. —er, a. rpltter. —ingly, —earth, voldermearde. —hause, zeopziederij. —lees, ad. spot-teed, schampor. pl. (het) helderste van de zeepziedersloog. —rock, a. niszing; —wort, niesktutd. Sssecz a —stone. speksteen. —soda, pl. zeepsop. —tray, —e. v. n. "Awn. —ing , a. gonlee; —powler,nies- zeepbak. —weed, —icort, zeepkruid. —works, pl. ponder. zeepntederij. --, v. a. reopen, inzeepen. —y, a. Suet (snot), s. vet (van wildbraad). p a Itoirgi z oaer —in ohned, o e e_d ee,r .r pf; d,zerit S41 8 b(.17,1 S. hooge vlueht.--, v. n. hoog vliegen, opstijgen; zich •erheffen, vitistje lache s, Sul ff (snit')!, v. n. rsnuvert, snuffelen; (at. on) be- Sob (sob), a. snik. —, v. n, gnikken. Sober (so'bur), a. —ly, ad. sober, matlg; nuchter; snuffolen. verstandig: hedaard„ erustig; sedig; ingetogen. Snigger ,sailegur), v. n. Zie to Ststekter. —minded, kcslm, bezadigd. —, v. a. ontmuchteren; Sntgpto (snig'g1), v. n. poeren, peuren. inatiren, a. matigheid; nuchterheid, beSnip isnlp') a. knip, anode; s,(irportjo, broke; daarciheid; ingetogenhe1d.. aandeel. —, v. a. knippeu; (up) openkntppen. Sobriety (so- bra)'e-tih), 8. Zie Sobernean. Snipe (gnftjp), e. snip; damoor. —pet Sec (gok'), 8. re,htagehied; vrtjdom van leendienst. Snip per (anip i par), a. knipper: nitanijder. —age, a. ploeg-, boorenleen. —alter, s. —man, be(-pit), a. stukje, aneedje. —pings (-piengz), pl. titter van een hoerenleen. afkrapsel. —snap i noel)), a. woordenwisaoliug. Social bie —bly, ad. gezeilig; vergetribbel. eenighaar. —ler —bility snot. —, v. n. anotteren. 8, —61 eness, 8. ge. Snivel (sniv1), gezeischapswagen. (-tar), a. rnotterasr, janIcer. Soria! (so'sjel), a. —ly, ad. maatschappelijk; geSnot, (snob), a. pluert; sehoenmakersknecht. zellig. —ism, s. socialism's. —ist, s. socialist. Snoti re (snoet), a. 314apie, datje. v.n.snor- —ity tih), —nese, a. gezelligheld. Snore (rnolr') s. gRanork, geronk. Society Ito sare-tih), s. maatsohappij; vereenlken.. ronkon. —r, a. another, rocker. gingaenootschap; gezelachap. Snort (anon'), v. n. snui,en. —er, G. anuiver. Sock issolt'), a. sok; ploegschaar; bilispel. —et (-it), Snot (snot') s. snot. —ly, R. snotterig. a. holte, kas, pijp. Snout (enttut'). a. souls; tuft. —ed, a. net sea' a. anuitschtig. Socle (sokl, hold), a. onderatel, voetettAt. Sli nit (eel, to it, neat' mna,,,l);
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.
Sarmatia (saar-znee'sji-e), g. Sarmatiö. —n, I. Sarmsat. Saturn (set'urn), my. Saturnus. Satyrs (set'irz), my. Saters. haul m. Saul. Savannah (se-ven'na), g. Savanna. Savoy (sev'oj. se-von. g. Savoy.. —rod (leT .0jaard'), I. Savoyaard. Saxon (iseks'un), a. Saksiech; i. Saks. —y, g. Ssksen. Scandinavia (sken-di-nee'vi-e),g. Scandinavia. —n, at. Scandinavisch; J. Scandinavian. Scheldt (skelt, ojelt). g. the —, de Schelde. Scilly Mande g. (de) Sorlinge : '. Scinde (*bad), g. Scinclq. Scipio (stei-o), m. Scipio. Scot (chat'), i. Schot. —eh (skotaj), a. Sehotaah; i. the —, de Schutten; —man. i. Sehot. —land, g. Sthotland. —t (skot), m, Scott. —dish, a. Schotsch. Scylla (ail'le). g. Scylla. Scyth es (sarthiez), I. Scythen. —La (sitlei-e), g. Scythie. Sebastian (ae-bes'ii-en), m. Sebastiaan, Segovia (se-go'vi•e), g. Segovia. de Seine. Seine (seen, ten), g. the Sy:tenet's (se ljoe'kus), in, Selman'.
—sekrOvers, or. & on. w. to Write close. —sehroe• ven, or. w. to screw to —.Mules*, ov. w. to shove (to push) into. —1/aan, ov. w. to strike togetber,to join; de handen —, to act of one accord, to make common cause. —slititen, on. wr. to be fit, to fit in (with), to sntt. —ssit,lten, on. w. to melt, to mingle. —inserting. v. melting, mingling. —vloeien, on. w. to flow together, to meet. —rloeiing, v. conflux, confluence. —voegen, ov. w, to join, to adjust, to dove-tail (with). —voeging, v. joining. Itnent en, or. we to graft. to ingraft. to inoculate; to vaccinate. —er, m. inoculator:vaccinator. —ing, V. grafting, ingritfting, inoculation; vaccination. Inetsen, or. w. to etch in. w. to fester, to grow deeper by Inetterais, suppuration. Infanterle,s. foot, infantry. In finnsen, or. w to throw in carelessly. Intflutt,teran, ov. w. to whisper, to prompt, to suggest. Infreni, by. very fine. Imgaan, on. w, to enter, to go (to walk,to step) in, — into; to begin. Ingnarder, m. collector. Ingaeler en, or. NV. to gather, to collect. —ing, v. gathering, collection. Itagnaig, an. entrance, entry, ingress. —rinden,to take. Ingebseld, bv. Imaginary; self- conseited. Itageboren, by. innate; native, born. Ingeeride, m. & v. landholder. Ingcest en, or. w. to inspire. —kg, v. inspiration. Ingekankerd, hr. inveterate. Ingeleand,m. landholder, freeholder. Ingelegd, hr. laid (put) in; pickled, preserved; inlaid, tessellated, mosaic. I ugenteur, m, engineer. lagenonsen, hr. taken; captivated, prepossessed. —he;d, v. prepossession, affection. Ingeschapen,bv. innate, inborn. Ingesloten„ by. enclosed; inclosive,incl tided. Ingetogein, hr. & bw. continent (.13y); modest (-13, ), composed (.;y), sedate (•1y) —he d, v. continence; roodesty,andateness. Ingevni, vw. in case. loge-v en, or. w. to give in, to adminieter; to present; to prompt, to suggest, to inspire. —ing, v. suggest Ion, inspiration. Ingevolge, bw. pursuant (agreeably) to, in consequence of, in compliance with. 110401,17nntc9, o. entrails, bowels. I,,gewelde,o.intestinee. IngewUde, s. adept, initiated. Ingewikkeld, be. intricate. —held, v. Intricatenese, intricacy. Ingovvorteld„ bv. inveterate. Ingezetene, m. &v. inhabitant. Itasslertg, by, very covetous. Inglet en, or. w. to pour in, to infuse. —ing,v. infusion. lisgUts.nt, ov w. to reeve in. InglUden, on. w. to slide in, — into. InglIppen, on. w to slip in, into.
0. Obadith (oh-e-dare), m. (ibadjo. Oberon (ob'or•un)., my. Oberon. g. Ocettni. Oceania Octets I a (ok-tee'vi-e), w. Octavia, —us, in Octavio, Odin (o'dln), my, Odin, Wodan. Odysri ca (od-is sfe), —ey (od'is-sih), 1. the —, de Odyeeea. tEdipus (ed'i pus), my. Edipos. Ohio (o-:tern), g. Ohio. Oily er (oPi.our), m. Olivier. --ia (a-liv 1 e), —y (-iv- ih), w. Glivta. g. Olympia. —us, g. Olysnp is Olympus. On -tart." (un.tee'ri-o), p. Ontario. ODIC o'pi), Tn. ()pie. Orange (or'endzi), g. °rani,

GEE.•-GEJ. gioue. — recht, canon law. —e settler. nun. —e, clergyman. v. clergy. Gametelane, be. spiritless, —held, Y. spiritless. nese. Geestendons, o. spirits. Goosing, by. & bw. witty (.1.1y). —held, v. wittiness, humor, wit. Ge14112W, m. yawn. —hunger, canine (ravenous) appetite. --en, on. w. to yawn, to gape. —er, —erd, en. —ater, Y. yawner, gaper. Getensell, s. trifling.; playing the hypocrite. Gefep, o. toping, tippling. Golladder, o. fluttering. Gelleetn, o. coaxing, wheedling. Gollikker, o glittering, sparking, flashing. Gen odder, o. splashing. Gellonker, o. sparkling, twinkling. Getlulaier, o. whispering. o. whietling; warbling. Gefonkel, o. sparkling. Geruteel, o. trifling; ilddle-faddle. chiegadigde, m. & v. one that ie inclined to buy. Gegeouw, o. yawning, gaping. (lege von*, o. my. information, data. Gegilben, o. simpering, laughing. Gegli,o. screaming, yelling. Geginuegop, o. chuckling, titter. Geigoed, by. well-to•do, in easy circumstances. —held, v. ease, opulency. Gegons, o. buzz, buzzing, humming. Gegooehel, o, juggling. (demon!, o. throwing. lidegorgel, o. gargling. Gegrabbiel,o. scrambling. Gegrijn, o. weeping, wixtuning. (degrUes, o. grinning, grnmbiing. Gegrtirn, in weeping, whining. tlegrInulk, o. sneering, simpering. G egrusu, o. growling; Ai:siding. Gogrond, by. founded, welt-founded. —held, v. foundednees. Gehettai, o. hastening, hurrying. —, by. z:jn, to be in a hurry. o. chopping, mincing. Gelsokkel, o. stammering. Getinkt,o. minced meat. Geholie, o. intrinsic value, alloy, !standard; quality, condition. Gehenter, o. hammering. Gehard, by. hardened, tempered; hardy, inured. —laid, v. being hardened, — inured. Geh.trneet, be. in armor, mailed. Getsarrownr, o. wrangling, squabble, G ehnspel, o. reeling; quarrelling. Gebecht, be. attached (to). —laid, v. attachment (to), affection for). G•heel, he. whole, ell, entire, complete, total. - bw. wholly, entirely, quite, completely, to tally, utterly, — en al, altogether, entirely. —, o. whole; integer integral. over het —, upon the, whole, in the main, in het — niet, not at ail. Gehefint, o. secret, mystery. in het —, In secret, secretly, privately. —, by. secret, hidden, close, reserved. — gemak, water-closet, privy. —e read, privy council. — geneesmiddel, secret remedy, Arcanum, nostrum. —, law. secretly, In private.

PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen

×