G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken


Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

gen z cryptogeld


GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe kan ik gebruik maken van Bitcoin in Maleisie


linxtped, by. very goad. Iskelderen, 07. W. to lay up to *cellar. Ingiosien, ov. w. to throw (to east) in, — into, to Inkep en. ov. W. to jag, to notch. —ing, V. jagbreak. ging. novshing; tie Inkeep. Ingorden,ov. w. to furl. Inkery cm., ov. w. to notch, to carve. —lay, v. flingraven., ov. w. to dig in, —into. notching, carving, notch. Ingreep, m. encroachment. Inkijken,ov. w. to look in; to peruse. logrtfir.aliaru, ov, w, to engrave: to ingraft. Inktar en, ov..w. to clear in. —iov,v. ulenclog; I ngrtipen, or. w. to lay hold of; on. w. to eatch; to kantoorran —, custom-house. encroach (upon). linleimed on, ov, w. to clothe , to dress (up). Ingroel en, on. w. to grow in, --leg, v. clothing, dre4sing; (Pees. Ingroett, by. very green. Inkleppen, ov. w. to summon by ringing a II tagros, en, ov. w. to channel, to chamfer. bell. Intrakon, ov. w, to book in. Inktirnmen, on. w. to climb in. Inhnkken, or. w. to new in, — open; to break Inkloppen, ay. w. to beat (to strike) in. op,,n; on. w. (up) to charge. loknoopers„ ov, W. to tie in, — closer; to check, Halal on, ov. w. to draw (to fetch, to haul, to to bridle; to recommend. take) in; to gather in; to inhale; to receive; to linkoken, on. w. to lessen when being boCed. regain, to na4k,r up for; to overtake, to come up Inkotneling, m. &v stranger. with; to retract. —to, be. c,etous, scraping, Inkonaten, o. entrance; importation; income, etii.gy. —ightid, v. covetousness, etinginess.--ing, revenue. kerkelijk —, benefice. —, on. w. to v drawing (tetchnr, hauling) in; gathering; in- come in, to enter; to be imported. —de rechten, halation; reception; recovering; overtaking. duties oat importation, import-duties. Intuits', m. creek, cove, high!. Initnirnst. v. entrance, entry, importation. —en, inbattgen, or, w. to hang in. het *al er —,it will v mv. revenue, income. not be a trilling matter. Inkoop, m. purchase. —sprije, 'prime cost. —en, Initabben, no. w. to hold, to contain; to be ov. w. to buy, to purchase; ski. —, t. w. to buy guarded by; to be loaders (irOK/Lied) with; to a piece. —er,m.—ster, v. buyer, purchaser. Inkort en, ow. w. to shorten, to lessen; to cursignify; to Import, to be of importance. Itsiteetaten. or. w. to fatten in, to infix. tail, to restraku, to bridle. —ing, v. shortening; lessening; curtailing. Int, echteninnensing, v. arrest, imprisonment. Inkoud, be. intensely cold. ilvalseesuecia, by. native, indigenous, inland. • instinct, be. very hot_ Inkrtjgen, ow. w, to get in, to receive. wafer Intlei en, or w, t 3 rant (to drive) in. —ing, v. —, to make water. ramming (driving) hi. Inkritop en, or, w. to make shrink; to draw I OAPs chen, ter. w. to hoist (to haul) in. up close; ou. w. to shrink (in). to lessen; to litottollen,on, w. to run in with full speed, fall (ea* den wind): rich —, t. w. to reduce one's ',thou& m, contents; tenor, purport; table of expenses —leg, v. shrinking in; narrowing; concontents; capacity, korte —, summary, argument. tractlon. --smaat. CUOiC measure. — sopgave, table of eon- Inkrulen, ov. w. to bring in on a wheel-barten,e, index —en, ov. xv.to cont,in,tohold,to keep row. in, — back, to retain; to reitrain, to bridle. Inkrulp en, on w. to creep in, — into; to —rag, v. containing; keeping back, retaining; slide (to slip) in, to gain ground. —lag, v. refraining. creeping in; sliding (slipping! in, progress. —sa, Inhouten, a. me. ribs, body timbers. goed van — o abuse, bad custom. siin, to lime m ood comattuttork. Inkt, m. ink. —bakje, —koker, ink-stand. —fleeek, 3 ntionw en, ay. & on, w. Zit Inhakkon. —kruik, ink-bottle. --risck, cattle-Soh. —rink, ilathaalidig en, ov. w to Inaugurate, to install, —nlek, blot of ink. —achtig, be.inky. to instate. —big, v. inauguration, installa- Inkulptan,ov.w.to barrel, to cask. tion. lnkwardler en, ow. w, to billet, to quarter.—ing, Datum en, ow. WT. to hire, — anew, to renew a v. quartering. lease; to engage anew. —jag, v. hiring,— again, Visiting, v. laying in; enclosed letter. taking a new 164116. Inlaid en, ov. w, to load, to lade, to embark. —er, Ittiagen, Or. W. to ebage (to drive) in, — into; m. loader, freighter. —ing, v. loading. to overtake; on. w. to ride (to drive) into with Inlander. m. native, Ind:gene. full ', toed. IniliendKch. be . native, indigenous, inland, Ink m. owning, mouth. home.: civil, intestine. linkedtn belel..,, ov. w. to sup, to hallow (out), to Inirappen, ow. w. to patch (to botch) in; to gobble fret. up. to gulp down. In karskee en, on. w, to eat in, to corrode, to grannacia en, ov. w. to insert, to intercalate. take root; to inveterate. —ing, v. corrosion; in- —log, v. insertion. intercalation. NetArAtion. Inlia1 en, ow. 'W. to let (to leave) in, tie admit; Inkstess net, o. carnation. —ales, by. flesh nick —, t. w. (met) to meddle with, to engage in. colored. —lag, v. admission. liat4kk.p, v. jog, notch: Inlaveoren, on. w. to tack in. fist Leer, ,m. repentance. tot — komen, to repent. IstiesiUk, bv. very ugly, hideout. —e., on. w. to put up, to Witt. laleg, m. —geld, entrance-money; stake.
On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]
Narcissus (ner sis sue), a. narc s. Narcotic (ner-kot'ik), a. Zit s. bedweimend, bleep verwekkend (middel). Nerd (naerd), a. nardua, nardusolie. Ware (leer), a. neasgat. Narra hie (neertb1), a. vertelbaar. —te (-reetl, v. a. verbalen. —nos (-ree'ajug), a. verhaal. —tire (-re-tiv), a. verhalend; e.verhael.—tively ad. verhalenderwUze. —tor (ree'tur), a. verhaler. Narrow (ner'ro), a. engte. —, a. nauw, eng; mai; nauwkeurig; bekrompen, karig. to make a — escape, te nauwernood ontkomen. to bring into a — compass, beknoptelijk namenvatten. —breasted,met eene smalls borst• gierig.—hearted, kleinmoedig. —heeled, met smalls hielen of hoeveu. —minded, kleingeestig. —spirited, van een bekrompen veratand. —, v. a. vernauwen, he. perken; v. n. nauw (amal) worden; inkrimpen. —iv, ad. nauwelijits; te nauwernood; van nabij. —nets, a. nauwhetd; smalheid; kleingeeatigheid; karigheid. Narwhal ( near' wel), s. narwal; zeeeenhoorn. Nasal (nee'zel), a. van den nrus; a. snuifmiddel; newsletter; neusklank. Nascen cy (neesin•sih), a. ontataan. —t, a. ontutaand, wordend, wassend. Newt Ivens (naaleti-ness', a. vuilbeid,morsigheid, —ily, ad. — y, a. null, moraig. Natal (nee'tel), a. van de geboorte; geboorte-. —Mat —itious (nete-Berns), a. van den geboortedag. Nat a nt (neelent), a. drijvend. —tion(ne tee'e)un). a. (het) zwemmen. —tory (-te-tur-rih), a. tot zwemr,aen dienend. (lintels (n , taj), 3. kruia (van een rund); knoopegatechroef. 7
bring about. —er, m. cheat, deceiver. —lag, T. cheat, decept ion.—je, o. rag; ern coo, het bloeden, a poor shift; er geese onswinden, not to mince the matter. Doel, o. aim, mark, butt, goal. ten — dean can, to be exposed to. —*Elide, purpose. end. —matig, —paesesd, answering the purpose, suitable. —treffend, efficient. —wit, aim ; purpose, view. —en, on. w. (op) to aim at ; to allude to. —en, in. shooting-place. —loos, by. (nerving) to no purpose, unsuitable. —loosheid, v. unsuitableness. Doom eta, ov. w. to doom, to condemn. —enswaardi9, —waardig, by. condemnable, blamable. —cc, m, --ster, v. condemner, judge. —ing, v. condemnation. Doen, ov. & on. w. to do, to make, to perform, to execute, to achieve, to transact; to commit; to put, to place, to set; to pour; to cause in be done, to order, to get; (in) to deal (to trade) in. te — green, to employ for. te — ova, to be feasible (practicable). — alsof, to pretend to, to feign, to make a show of. — tveten, to let know, to send word to, to inform of. het is ass u te you are wanted. te — hebben, to have to do; (met) to meddle with; to be concerned for, to pity. reel to hebten, to be crowded with bueinees; to have a thriving trade. Teat is dear te —? what Is the matter ? dat duet niets ter sake, that is (does) nothing to the ptirpoee.—,o. doing, acting, business. in goeden — sitters, bo be in easy circumstances. van — bobbin, to have ocoesion for. —er,m. doer. —LOA, he. feasible, practicable, pos. ethic. —1(ikheid , v. feasibility, practicableness, possibility. Do:mulct, a1. & v, idler, sluggard, do-nothing. Doezei ear, in. stump. —en, or. w. to stump . Dof, by. faint, smothered; dull, heavy. — m, tuck; knock, buffet; puff. —fen, or. w. to knock, to buffet. —far, m. knocker, buffeter; mile pigeon; rake. —fip„ be. dullish, drowsy, heavy. —figheid, —held, v. faintness, dullnees, heaviness. Dort, v. rower's bench; thwart. Dog, in. mastiff. Doge, in. doge. Flogger, m. cod-fish. —boot, dogger (-boat). Dok, o. dock. droog —, dry dock. drijvend --,.11.olting (wet) dock. —ken, ov. w. to dock, to lay up in a dock; to pay. Dokter, m. doctor, physl elan. —en, on. w. to take physic; to doctor, to play the physician. Doi, m. thowl. —board, gunwale. Doi, by. & bw. mad (-1y), crazy (-1y), furious (-1y), enraged. —driftig, passionate (-Iy), furious (-Iy), rash (1y), headlong. —driftigbeid, passion. Maness, fury, rashnesse—huis, madhouse, bedlam. —hop, mad-cap, hot-brained fellow. —keppig, med- (hot-) brained. —koppigheid, madness, rage. —lekervel. hemlock. —lemon, madman. Doll en, on,. w. to wander, to err, to go eatery; to be mistaken. —end, hr. wandering, erring, errant. —ing, v. erring; error. m. dolphin; dauphin. Doltaeld, v. madness, frenzy, fury. DOM, m. dagger, poniard. —tied', —stoat, stab. Doll on. on. w. to sport, to frolic., to rave, to rant. —igheid, v. madness,.
Aft (aaft), ad. achter. After (aaf'tur), ad. daarna• nadat. here—, later, naderhand. —all, met dat al; ten slotte. § —night, bij avond; in de avonduren.—wards,naderhand. —, prp. na, achter; near, volgene. —, a. nakomend, later. —ages, —times, toekom,t. clap, naklucht. —cost, nakosten. —crop, nRoogst. —game, noodmiddel. —life, latere Ieeftijd. —math, etgroen. —noon, namiddag. —pains, naweeen. —taste, nasmaak. —wit, te last inzien; mosterd ate den maalttjd, —wit is every body's wit, ale het kali' verdronken is, dempt men den .put. Again (e-gee'), ad, weder, op nieuw, w as much —, nog eens zoo veal. — and —, herhaalde malen. —at, prp. tegen; jegens; over —, tegenover; —the grain, tegen den dread. Agape (e-greepl, ad. aangapend. to stand —, met open mond mean luisteren. Agaric (eg'e-rik), s, bladderzwam. Agate (eg'et), a. agaat. § Agave (e-gee'vi), s. amerikaansehe boom-aloe. Agaze (e-geee), v. a. verbazen. Age (eedzj), e. leeftijd, ouderdom; eeuw, of —, meerderjarig. to come to —, mondig worden, old —, oude dag. under —, minderjarig, golden —, gouden eeuw. middle —s, middeleeuwen. —d, a. oud; bejaard. Agen cy (ee'dzjen-sih), s. werking; agentschap. —da (ee-dzjen'de), aanteekenboek. —t, a. we, bend; s. agent; werkend middel. Agglomerat a (eg-glom'ur-eet), v. a. ophoopen; opwinden. (-ee'sjun), s. ophooping. Aggiutinat a (eg-gloe'ti-neat) v. a. samenkijmen; vereenigen. —ion (-nee'sjun), s. aaneenlijming; vereeniging. Aggrandize (eg'gren-dajz), v. a. vergrooten. —vent, n. vergrooting. Aggravat a (eg'gre-veet), v. a. verergeren; verbitteren. —ing, a. verbitterend. — ion (-veettjun), a. verzwaring; verbittering. Aggregat a (eg'gri-get), e. verzameling. —, a. opeengehoopt. (-geet). v. a. samenhoopen, seczamelen; inlijven. —ion (-gee'sjun),.e. verzameling; hoop; aanneming. (-gee-ttv), a. pezamenlijk. Aggress (eg-gros'), v. a. aanvallen. —ion (-ejun), a. annual. —ire, a. aanvallend. —or, s. aanvaller. Aggriev artce (eg-grIev'ens), a. grief; verdriet. —e, v. a. bedroeven; kwellen. Aggroup (eg-groep'), v. a. groepeeren. Aghast (e-gaast') a. ontzet. Ook Agast. Agli a ledzyt1), a. slug, handig. —eness, —ity (e-dzjiVit-t,h), a. vlugheid. Agio (re'dzji-o), s. opgeld, agIo. Agist (ed-zjist"), v. a. weiden. Agita R le (edzr-i-tibl), a. beweegbaar, behandelhaar. —te (-feet), a. a. sehokken, verontrusten; in opechudding brengen; behandelen (een vraagstuk). —tion (-tee'sjen), s. opechudding; gemoedsbeweging; bebandeling. —tor, (-tee-tar), e. beroerder, onrustittaier. Aglet (Wilt), s. nestelbesiag; kolfje aan de stofdraden. Agnail (eg'neel), s. dwangnagel. Agnate (es'neet). a. van vadera zijde verwant
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Is cryptogeld legaal in Turkije


&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

0 ezlen„ by. esteemed, in esteem, regarded. Gezift, o. sifting, garbling, sorting. Gezln, o. family, household. GezInd, by. inclined, disposed. —heed, v. inclination, disposition; persuasion. Gezindtes, v. community, church,sect. Gezoetif, by. sought after, desired, beloved, in demand, in request; affected, studied, far fetched. —heid, v. affectedness, artificialness. CIOZOOli, a. seeking, search. Gezenfas, a kissing. Gezond, be. & bw. healthy (-ily); wholesome (-1y), salubrious (-1y); sound (-iy). — snakes, to cure. — worden, to recover. —cerstand, common sense. — clench, live beach, quick. — in bet geloof, orthodox. de cook is —, all is well how. frisch en— , in good health, brave and hearty. Gt. ondlaeld, v. health; wholesomeness, ;salubrity; soundness, erne inetellsn, to drink a health, to give (to propose) a toast. op he — drinkers van, to toast, — the health of. awe —, your health! here's to you! of/icier can —, surgeon. —softest, certificate of health. --abron, wells mineral waters. —abitfer, 'sanative elixir. —spardel, sash, girdle, — steer, hygiene, dietetics. —el oettand, state of health. G ezou ten, by. saltedhowdered, cornered. Gezucint, o. sighting, sighs. ...IP, 0. toping, tippling. Gezut.terte, v. me. sinters. Gezuurd, by. soured, leavened. G ezvvent, o. swaying, wielding, brandishing. Gezwabber, o. swabbing, mopping. Getz wisteere, m, ma. brothers-In-law. Gez wee f, o. sowing, hoverfng. Gez weer, o. rwelling, ulcer, imp osthume. G ez 'sweet, o. aweating, perspiration. Gezwa4,o. swelling, tumor. G ezwetg, o. swallowing; carouse, revelry. Gersveridell, a. swindling. Gezvvenk, is. wielding, brandishing; turning, wheeling about. G ez wet a, o. bragging, swagxering, bluster. (iezwler, s. rioting, revelling. Gezwind. be . & bw. swift (-Iy), quick (-Iy), nimble (-b1y). —held, V. swiftness, quicimees, nimbleness, celerity. Gezwoen, o. drudging, toil, slaving. Gezwollen, be. swollen, blr cited; turgid; bombastic. —heid, v. swelling, bloatednests; turgid. nevi, bombast, born basil y. Gezworen, by. sworn. — a, an. jury-man, member of a jury —en, en. my. jury. & v. guide. Gide, Gleepsnen, on. w. to bray. Glek, v yard, boom. —nil, boom-sail. Geer, m. vulture; swing, turn. —, v. hog's-wash. —arend, bov,e.kite. —calk, gerfalcon. —toolf, ravenous wolf. —motor', martin. fifer to, ov. w. to ;scrape together, to hoard up; on, w. to yaw, to swing, to sway; to stagger; to scream. — bray, flying-bridge. —pont, ferry-boat. Glerig, by. & bw. covetous (-13)„ avaricious (-ly), niggard (-1y). —aard, an. miser, niggard. —heid, v. covetousness, avarice, niggardliness. G tering, v. yaw, twinging.
b fur •WOrea. —achtig, by. eoopery. --- en, by. copper, brass, brazen. —en, on. w. to copper. K oplo, v. copy, imitation, —beck, copy-hook. 'inspirer en, or. w. to copy, to transcribe. —geld, —loon, copy-money. —machine, copying-press. —week, copy-writing. Koos' 1st, m, copier, copying-clerk. Kopij, v. copy, manuscrtpt. —re,cht, copy-right. o. cup. KoPP. 1 , m• stri.g, leash; thong, strap, belt, o. couple. pair, brace. —aar, m, baldrick. —nuttier, v, pimp, pander, oswd, procurer, gobetween.—or(j.v. pimpirgo making up of matches. en— on. w. to couple, to match; to join; een gekoppeld huwelijk, a made-up watch. —teeken, hyphen. —woord, copula; conjunctien. v. coupling, matching. joining; copulation. Kemp on. w' to cup. —gins, cup, cuppingglass. —per, m. copper. Kipp pares...0/1g., rn. ;one Monday. Kopp4g, be. bw. heady (-lip, obstinate (-Iy), b born (-Iy). a. headineee, obstinacy, mtubbornness. Kopping, v. cupping. Horned, in. chorister. —meester, ehiot olager. Ke^ tresat.% u. bead. —, a. coral. —afloat, coral agate. —bank, —rif„coral- re,af.—boons,coral-tree.—krxiii, coral- -eort. —vieiehef, coral-river, -fisher. —viestherij, eora:41.hery. —achtig, be. coraltine. Ktivainess, be- coral, coralline. Kos, re, me. Koran. Korleroi-1, m. corbel. iherors4)1,er, rn. Conte:ter. Korr:irm,o cordon, line of troop,. Rowels, on. w. to retch, to beck, to vomit.. Ki:ororre, o. corn, grain. —oar, ear of corn. —akker, —veld, corn field. —bran,co,n-ex,hanice. —bijter, —bout, cora-weevil, celonder, —Mout, the like the corn flower, ,.labs blue. —Moon, core-flower, blue-bottle; (roods) c 'ern-rose. —brander, dietiller. distillCry. Orandcwijn, brand y.—rlorseder, throatier. —drafter. corn-porter. --gaffel, pinch-fort:. —g,rf, —cch6of, sheaf of corn —halm, cornorteilk. —handet, corn-trade. —liandelaar, —keeper, COI n-rntrehAut, .chandler. —harp, corn • dome. —hoop, heap of corn. —hula, —.hoot., granary. —hi4ze„ coat, chair, boil. —kre. grass-hopper. —land, corn- la, d, field. —lick • ter, corn-lighter. —mower, —reaps, —motat,cornmewsure. —rnagnrys, corn-magazine. —markt, corn-market. —meter, CO:a-MeasUrer; corn-meter. —waren, coreorniti. —000st, earn-harvest. —root, corn-roeo. —schwa, corn-balance. —whip, cornahlp, corn.shoyel. —sikkel, reaping-hook, scythe. —wan, wonnow. —wanizer, winnower. corn-weevil. —zak, corn-beg. —solder., carn-loft., granary. Wort', ra, biteket, hamper, dorrer, frail. Korte*Inie., m. wocd-cook, —hea, wood-hen. Koriarkder, in. coriander. Kortiol, v. pollen. Kornet, m. cornet, ensign, —, v. cornet, buglehorn. o. cornet. tioratfie, v. cornice, Karr nekike, v. dog berty,corneU an cherry. --town. cornal•tree, contelion tree.
Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht. 

STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;
33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht.
HYG.-BEa• o pliment, to welcome. -ing, v. salutation, greet• accompa ► lot, - ing, a, an- ion; attendant; compenytng; ett,ndance; eaeort; eccompatiiment. toe. ligegrountnen, ov. w. to grumble at. 14eorelnker•lfgen. ov, w, to beatify, Iteseurdlg en, oar. w. to pardon, to forgive. Itegroot era, ov. w. to eitiroste, to compote, to rat, to tax, - ing, 7. estimation, computation, - icy, v. pardo ► . budget. liege, era, to, too to diapole cf. to confer (upoot„ tol,esonot, to liesmirch,tolully. to collate; to abandor., to for.nk, to fail; rieh Illegirspleten, t. w. to go, to repair, to resort; to enter ItiegnSette10 0 , ov. w. Zie Bean...e.lest. io 1-tegirreerig an, on. w. to favor, to grati4. -er, ('nto). to betake one ',A .1f; zirh op reit In. protector. -tog, v. favor, gratification. -ster, set o ► t on a jouruey. .tieh in den erht - , to marry. v. protectress. to i Elle a wife. - er, gin. conferrer. collator; for- uleasiwr ( - 13, ), comfortable Faker, de•erter. -. - ing, a, conferring, collation.; Illel ► erapt WU, Ire. (-WV, delightful t - iy). --1 herd, v plemingnese, zoreaking, thoertion. eontrortaben,sii, comfort, deliehtZioiness. - ziek, it , -aafet en, 01 w. to water, to asperse, to be- be coquettish - .chi. coquetry. v, sprinkie; to drink on the isuccesx of. Ilebs.nd, be. hairy, covered with hair. teetering, ampotoito ► . on w to please, to be agreeable. -, St v. 1:1 ► 11P8, --en, (pr. vr. to Deli/Igen, Haertflig de o. pieriaure. detight, - rtnden (aelteppen1 in, to endow, t i bvist.ow a gift upon, to gift, to pre,nr -take) deiight in, to like. with -or, m. donor. - ing, v. endowmert, do- Hobo) en, on w. to get, to obtoin, on, to ► 411011. compromise; de overteinnng - , to carry the day. IlvostioN v. begien. -ra crone .jack-yarn. - enhof, rn. obtainer, prite-taker. - ing, v. obtaining, cor► vent OC beguire. obtoinment. beginning, (oorrinonce , rent; opening; 0, enirenceo oriKiro source. one., ov. & on w. to Ileholee, bw. except, save begin, to oomtnence, to enter upon, to take rise Bahrnelel en, ov. a, • to handle, to manipulate; to manage, to treat of, - upon; to treat, to use, tyro. from. -tier, rn. -star, v. beginner, to deal with; to attend. - ing, a handling, - rel. o. beginning. oleo eat, rudiment; principle. o.•intpulation; treatment; attendance. - selNoe, bv. unpriociped en, on. w. to hand (o'er), to deliver. illegilanp en_ ov w. to gave p fetlIP (a $0100 to, 11411.111(11g loanding aver, delivery. -ing se coloring, maksog plausible, to pailiat, ng en, on. w tc hung (with tavetry). to ► Itieh palliation. m paper-hanger, upholsterer, - set, Helene en, ay. w. to spy, to leer at, - upon, paper. a. tapeotry, hangings. - lag v. spying, leeriro, (at). Ilettnritg etre, on. w. to take to heart, to mind. Ilie}tioor tier, to ---seer, v. spy, eyer. -enaivaartlip, by. worth reflection -ing i v. taking a.4r. no. ---,orator, v, beguiler, to heart, attention. care. delude - , fascOmitor: - en, ov. te. to beguile, to direrdelude, to enchant, to captivate, to fascinate. iSvbeer, o managemert, admIniatrotion, steelat - , mist...gement. - der, m. mane-lingo v. tegollement, delusion., enchantment, thou, ger, administrator, director -en. ov. w, to ra,ioation; ;Motion. ing, v. Zie manage, to adminietar, to direct Begs neIeri . ov tr. to throw at, -- on -sch,n, on. w. to govern, to rule, to lietArtenfpletnts, v. buriai•plac,,burying-ground, - schen, m. governer, elomineer. sway, to ,hotch yird• master. - setting. v. government, sway, dominagrosty, illtegenevool, Lion. --seer, v, admintatratrix, directress. Begralleui , v. burin:, interment, funeral, liebeksen, ov. w. to bewitch. der, underteher. -fends. burlal-fund. - kosten, etilpen (z103), t. w. to make ehift (with), v. funeral rites, plechtighetd, funeral exruses. se content one's self (with). rich seer moeten oba000lPs. Tho to have bit a acanty allowance. Ileg,rnonorser., ov w, to arter (;o growl) at. contain. W. to bury, to inter. - er, iii. Bebellzeu, ov. w• to ltIo.geri• bw. dexter°. (-iy), handy ha. ourier --ing, a burial, imerment. oily). - held, v. dexterousnesa, handiness. llorwrazen, or. a'. to xraz, Tilet,..pr, by. subject -., liable (to), affected - held, v. lirrotedeess. Illegrin,..t. be. troub!ed iwith). 0 0, w , acr ► limit, to border. Behoed en. or. w. to preserve, to guard, to w. to hcw,i1 ti grimes', protect, to defend, to shelter. - rniddel, BegrUp .24Uk, by. bve. comproharesili:e (-lily). preserver, protector- -ing, v. naive. -er, eltjkheid. v. coin- bw. heedw. to preservation, protection. -zoom. ha. & pr,lienpiblenest, intelligeno , - en, - zaamheld, v. heedful Put (-1y), cautious to comoreliend, to include, to seise to catch, neon, caotion, ,ucompass, to understand, to conceive. of , behalf ran, In (on) ten behoere o uottoo. concept., ideal; approlien• Bel.ef,, a. hebben tan, to - te, v. want, reed, necessity, abrid.gment, compendium, surn• alon„ kart - ter, v. mv. necessaries, oboesbe in want of. of his is oat that dot gnat boven atin --. roary. pities - tiy, be. indigent, necessitous, needy. ophere (beyond his coocept!on)„ Ilrgreet en, on. a. to overgrow, to cover. - d, - tigheid, v. indigence. lliehoeven, on. w, to want, to need; on. w. to 00. 0,711' ► •1. --ing, v. overgrowing. repielte. llitelorott en, on. vc. to salute, to greet, to corn- need, to be rieceslary,
Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.

Hoe zet ik mijn Bitcoins in cash


D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with
verkieselijk. —eness, s. verkiesbaarheid; verkieselijkheid. Elimina te (e-lim'i-nest), v. a. de deur nitzetten; verdrijven. —lion (-nee'ejun), s. uitdrijving; verstooting. Eliquation (el-i-kwee'sjun), s. seheiding (door :melting). Elision (e-lisrun), a. uitlating. Elixir (e-liks'ir), a. uittrekeel; elixir. Elk (elk), a. eland. Ell s. el. Ellip se (el-lips'). —eis, s. uitlating; eirond. —tic, —tical, a. —tically, ad. uitlatend; ovaal, eirond. Elan (elm'), a. olm. —tree, olmboom. —en, a. olmhouteu. —r, a. vol olmen. Elocution (el-o-kjoe'sjun), a. voordracht. Elogy (el'ud-zjih), s. Zie Eulogy. Eloiu (e-lojn'), v. a. verwijderd .; verbannen. Elonga te (e-long'geet), v. a. verlengen; rekken; v. n. zich verwijderen. —tion (el-ung-gee'sjun), s. verlenging; verwijdering; uitstel. Elope (e-loop'), v. n. heimeltjk weggaan.—rnent, s. weglooping. Eloquen cc (el'o-kwens), s. welsprekendbeid. —t, a. —tly, ad. welsprekend. Else (els'), pr. & ad. enders. —where, elders. Einstein te v. a. ophelderen.—tion (-dee'sjun). a. opheldering, toelichting. Elueldat ive(e-ljoe'si-dee-tiv),—ory(-de-tur-rih), a. ophelderend, toelichtend. —or, a, toelichter, verklaarder. El ucubrate (e-ljoe'koe-bret), a. uitgewerkt. Elu de (e-ljoed), v. a. ontwijken, ontduiken. —dible, a. ontwijkbaar. —sion (-ijoe'zjun), a. outwij king, ontduikir!g. —aive (-1joe'siv),—sory (-ijea' sur-rih), a. ontwukend, ontduikend; bedriegelijk. —soriness (-1joe'sur-ri..), s. sluwb.eid, geslepenheid. Elut e (e-ljoet'), v. a. afwaaschen. —riate (-tri• eel), v. a. doorztjgen. —riation (-tri-ee'sjun), s. doorzijging. Elver (elv ur), a. jonge zee-sal. Elysi trili (e-lizj'i-en), a. elizeesch; verrukkelijk, heerlijk. a. Elysium; (de) Elizeesche velden. Emacia to (e-mee'sji-et), a. nitgeteerd, vermagerd. —te (-eet), v. a. uitmergelen, doen verrnageren; v. n. mager worden, uitteren. —tion (-ee' sjun), a. vermagering. Emanant (em'e-nent), a. voortvloeiend (from). —te (-neet), v. n. ultvloeien,voortkomen (from). lion (-nee'sjun), a. uitvloeiing. —tire, (-ne-tip), a. voortspruitend, nitvloeiend. Emanelpe te (e-men'si-peet), v. a. bevrijden;
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
HER —REM. 250 Rehears ri (ri-hurs'el), a. °pegging, repetitie. veralapping; ontspenning. —alive (-e•tiv), a. & a. verslappend. ontepannend (middel). —e, v. a. opzegeen, repeeteren. Relay (re-lee'), a. wis4elpaarden. Height (ri'gl), a. gieur, sponning. Reign (roes), a. reteering; rijk; gezag. —, v. n. Release (re.lies'), a. loslating; ontheffiug, ontslag; kwitantie; overdracht. —, v. a. loelaten; regeeren, heersehen (over). bevrij• foggin Reimburs able (ri-im-burs'ibl), a, terug te outheffec; opgeven, --sent, a. g; betalen. v. a. terugbetalen, vergoeden, ding. r. s. loslater; bevrijder. a. terugbetaling, vergoeding, Relega te (rel'e-geet), v. a. verbannen. — lion dekken. (-gea'ajun), s. verbanning. dekking —er, a. terugbetaler. Brien pression (rt-im-presfun). a, herdruk. Relent (re-lent'), v. a week (vochtig) worden. —less, a. onvermurwbaar, onmeedoogend. —print ( print'), v. a. herdrukken. Rein (reen"), a. teugel. to give the —e, den vrijen Relevan cy (rel'e-ven-sih), a. toapatutelijkheid; teugel laten. —, v. a beteugelen —deer, readier. gewicht. —t, a. toepaseeltjk; gewichtig. Reinforce (ri-in.foors'), v. a. ZIG to Been. Reif able (re-laribl), a. te vertrouwen. —ability (-e-bil'it-tih), —ableness, a. vertrouwbaarheid. force. Reintratlate (ri-in- greegeji-eet), v. a. weder ante, a. y ertrouwen. Relic (r.1, 110„ a. overblUfsel; reliek. —8, pl. stofin gunst brengen. felijk overschot. a. wedttwe. Reins (reenz). pl. nieren; lendenen. nti.sLoutheffing; onder• Reinsert (ri-ln-aurej, v. a. weder i -nlasschen, Relief (re-lief'). s. verlie stand; ontzet; atioesing; verhe 1"..--Aieetd,w_er it; invoegen of pleats.. Reinspire (ri-in-spajr"), v. a. wader bale- verbevenheid• Roller (re•laj'ur), a. vertrouwer. leice ints. stall (ri-in-stoall'1, v. a. weder aanstellen; Henley able (re•liev'ibl), a. vane verlichting (hulp, onderstand) vatbaar. —e, v. a. verliehten, he•aellen (in een ambt), —cent, e. wederaan ontheifen; onderateunen, bidataan; ontzetten, stalling, herstelling. Reinstate (ri-in-steet'), v. a, weder in bezit aftemen, doen uitkomen. —er, a. verlichter; a. relief. heifer; ondersteuner; Omer. atollen. lielnsur once (ri-in•ejoeeens), a. herverzeke- Relight (xi lajt'), v. a. weder aaneteken; weder verlichten. ring. —e, v. a. herverzekeren. Reintegrate (ri-in'te-greet), v. a. herstellen; Rene on (re-lid'zjun), a. godadlenat. —ontern, a. godsdienstzin. —onist, s. femelaar, dweper. in den vroegeren toestand brengen. —ous, a. —Quail/.ad. ongodsdienstig;nauwgeret, iu-vest'), v. a. weder bekleeden. Reinvest Reiter. to (ri-it'ur-eet), v. A. dikwkjleherhalen. atipt. —ousness, a. godadienstigheid. Relinquish (re-liug'kwisj), v. a. verlaten; op. —tion (-ee'sjun), a• herhaiing. Reject (re- dzjekt') v. a. verwerpen; verstooten. geven. —er, a. verlater, opgever. —cent, a. —able., a. verwerpelijk. —ion (-dzjek'sjun), a. verlating, opgeving. Reliquary (rel'i-kwe-rih), a. religolenkas. verwerpieg. proefje; ffiej01. e (re-dzjoje). v. a• verheugen; v. n. Relish (rale)), s. meek; Fokkere beet, zich verhaugen (at. in). —er, a. verheugen. —ing, genoegen; neiging (for. of). —, v, g. smakelijk a. vreugdebedrijf. —ingly, ad. met vreugde. waken; smack (genoegen) vinden in; v, n. goed behagen, be(with; srnaken near; (of) Rejoin (ri-dzojn'), v. a. weder vereenigen; smokes; weder ontmoeten. (re-dzjoin'), v. n. weder vallen, —able, a. r- emakelijk. eutwoorden. —der (re-dejoju'dur;, a. wederant- Reinvent (re-Ijoe'sent), a. bllnkend, doorechijwoord. —t, v. a. weder samenvoegen; in het new'. Reluctant ce (re•Ink'tens), a. tegentin. —t, a. lid zetten; voegen (met kalk). Rejudge (ri dzjudze,, v. a. op nieuw beoor- afkeerig, weeratrevend. —tly, ad. met tegenziu, achoorvoeteud. onderzuekrn. deelen, 11,einven ate (re-dzjoe've-neet), v. a. verjon- Relume (re•ljoem"), v. a. wader aansteken; — verlichten. gen. —escence (-nes'aens), a. verjonging. Rely (re-laj'). v. n. (on. uponj rich verlaten, Rekindle (ri-kin'd1), v. a. weder aaneteken. il1e2and (ri-lend'i, v- a. v,.eder aan land bresgen vertrouwen op. Remain (re-meen'), v. a. Wien; overblijven. v. n. weder Widen. —der (-dur), a. overoehet. —8 (-rneenz'), pl. Relapse (re•leps'), a. teru,vallIng; instortIng; overblijfselen; stoffelijk overechot. terugkeer. —, v. n. weder instorten; weder ver Rensuke (ri-meek'; [M.], v. a. op nieuw mavallen (into, tot), kea. Rent e Ire•leet'), v. a. vezhalen; v. n. (to) be- trekking hehben; verwant zijn. —ed. a. verwant, Remand (re-maand'), v. a. terugzendeu; termroepen. verruaagschapt. —er, s. verhaler. —ion (-lee'ajun), v. a. s. verhaal; betrekking; verwantachap; bloedeer- Remark (re-maark'), a. asnmerking. want; by —, van booren zeggen; —ship, a. ver- aanmerken; opmerken. —able, a. —ably, ad. wantschap. —ive, a. --suety, ad. (rel'a-tie.), be-, merkwaardig; opnoerkelijk. —ablenese, a. merka. aanmerker; opmerker. trekkelijk. — ire (rel'e tiv-)., a, bloedverwant.1 waardigheid. —er, i Remarry (ri-meerlh), v. n. hertrouwen. —ivenese (rel'e a. betrekkelijkheid. herstelbsar. —ill, Relsu (re-leks'), v. a. veralappcn; los makers; Reined labia a. verhelpend, heilzaam. —gess (rem'e-di.), a. venacbten; ontspannen; v. n. slap worden; onherstelbaar. —y (rem'e-dih), a. genees-, hulp(rel-eks-ee'sjun;, s. zich ontspannen. —ation

Heeft XRP gebruiken Blockchain


MEI) —MEI. 531 Medewandelon, on. w. to walk along with, to —schuim, Turkish slay. —spin, sea-spider. —visch, accompany. fish living in lakes. —worts!, sea-holly, --etejin, Medevreek en, on. w. to cooperate, to concur, sea-hog. to contribute. —end, by. cooperative. —or, m. Meerboet, v. mooring-buoy. cooperator, contributor. —kg, v. cooperation, Meerder, be. more, superior. —jarig, of age; — concurrence. warden, to come to age; —verklaring, emancipaMedeivet en, o. privity, consciousness ; condor tion. —jarigheid, majority, full age. —e, m. & v. aijn witkout his knowledge, unknown to better, superior. —en, ov. & on. w. to augment, htm. —mishap, v. privity, joint knowledge. to increase. —held, v. plurality; superiority. —leg, —er, en. one that is privy to a thing, knower, v. increasing. colluder. Meerendeel, o greater part, most part. —4, MedewIllten, on. w. to be willing to go along bw. for the greater (moat) part. with; to prove kind, to favor. Meerle, v. blackbird. Medezenden, ov. w. to bend along with, to *tree peal, m. mooring pile, bollard. —tower, enclose. mooring-rope, headfaet. MedezIngen, ov. & on. w. to sin; with, to join Meee, v. titmouse. voices, to join in a song. Meesmoll en, on. w. to smile, to sneer; to Mediation, by. median, middling. o. middlepout. —er, m. —ater. v. smaller, sneerer. sized paper. —ader, blank vein. —letter, pica. Meast, by. & bw. most ; greates.. —bisdende, —papier, median-paper; (groot) medium, (Mein) highest bidder. —al, bw. moot often, moot times, demy. almost always, mostly, generally. —eedeele, bw. Medlekin, v. medicine, physic. —drank, potion. for the greeter part. —entjids, bw. Pie .fteetat—kW, medicine-chest. —muter, physician. nt. Medletnerren, on. w. to take medicines, to Meeoter, m. master; owner; teacher. ribs -- tin • physic. den, to find one match. etch — make!► van, to MedIseb, be. medicinal, medical. make one 'a self mister of. — worden, to mater, Mee, v. Sic Made. —aloof, garancine-manufac- to get the mastery over, —hand, rooster-hand, tory. —, by. & vs. Pie Made. skilful hand. —kneclit, foreman, bead-journeyman, Meedoogvn d, be, compassionate. —dheid, v. —stuk, meater-piece. —worts!, master-wort —achtig, by. & bw. mnsterly, imperioua (-Iy), magiscompassionateness. —loos, by. pitiless, incom passionate, terial (-Iy). —achtigheid, v. ma:iterlinees; imperiMeegannd, by. compassionate, indulgent. —held, ouenesi, commanding tone. —en,ov, w. to masv. compassionateness. ter, to subdue; to treat; on. w. to cure (to dress) inaekrap, v. madder. wonuds, to play the surgeon. —en, v. mietrees. Meet, o. meal, float. —bale, meal-trough. —bloem, —/(ht, by. & bw. masterly. —1(ikheid, masterHoe., —Zoos, by. masterle s. —schap, v. floor; wild vine. —boom, meal-tree. —buil, bolter. o. master—gevend, farinaceous. --kaik, powder-lime. ship, mastery; freedom. meal-ehest. meal-cake. —kooper, flour- Meet, v. mark, line. ran — arm, from the chandler, meal man. — pap, thick milk, mealbeginning, anew. —bear, by. measurable —hoar • porridge. --eglje, spoon-meat. —slot, meal-dust. held, v. measurableness. m. bill of tun—suiker, powder-sugar. —fon, meal-tub, -cask. nage. —yea, o. metage, m surveyor's —tray, kneading-trough. — worm, mite. --sok, chain. —kunde, —.kunst, v. geometry. —kundig, —kunstig, by. & bw. geometrical (-iy). —kundige, meal-bag. — reef, meal-eive. —achtig, by. mealy, m. & v. geometrician. v. —saver, o. plumbfarinsceoue. line. —loud, o. plummet. —loon, o. money paid Meeloceper, m. Pie Meevaller. for measuring. —roede, v. —stow, m. measuringitf nen en, ov. w. to mean, to think, to believe. to opine ; to intend, to porpose; het good met rod, surveyor's staff. —ster, v. measurer, —tafellje, iemand —, to wish a. o. well. — Ing, v. meaning; o. surveying-board. Meettew, v, mew, gull. opinion; intention, mind. Meepeatee, m. complier, man that has never an Meevalle•, m. —ije, o. tiod-send, windfall. opinion of his own. Macewnrig, kv. & bw. compassionate, tenderMeepich, be. weak, sickly, won. --hed, v. weak- hearted. —heid, v. compaseionateness, compasoion, tender-heartedners. nese, sickiteens , wannees, Meer, be. & bw. more; better (then) niet —, no Mel, m. Bae• May-branch, green bough. —avond, May-eve. — toes, May-flower. —boom. May-pole. more, no longer. te the more rio. den te no much the more. hoe —, the more. hoe longer —baler, May-butte• —4ag, May-day —doom, hoe —.more and more. mat — is, nay, more-over. hawthorn. —drank, May drink. —hoot, wood cut in the month of May. —kers, May-cherry. —hover, —gemeld,—genomnd, above-mentioned. said, aforesaid. — malen, bw. more than once, often, May -hug.— *wand, m onth of May. —merges, Maymorn;ng. —jerk, alay-braneh, — ON. May-time. frequently. —stachtig, heterogeneous, —slacktigheid, heterogeneity. —road, plural. —voudig, Meld, v. girl. !ass; (maid-) servant. —ettkanisr, plural. maid-servants' room. Meer. o. lake. —ual, conger. —kat, baboon, Meter, na. mayor, sheriff; farmer. —0, vimanor; marmoset. —koet, coot, moorhen. —kol, jay, farming- tract, jack-dnw. —krab, sea-srab. —Inas, merman, Melneed, M. perjury. —ig, by perjured, fortriton. -.min, mermaid. —racks, horse-radish. sworn, perfidious; bw. with perjury, perfidiously

Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Wat is cryptogeld Wikipedia


I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...

juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.

EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-

cryptogeld voorspellingen


colliery. —masd, coal- basket. —meter, measurer of roam; Ma- meter; anthraconseter. —lei*, coalmine, coal-pit, colliery. —pan, See-pan. collier. —sehop, coal-shovel.—eoerder, coal -heaver. —rear, coal fire. —wagen, coal-cart. —oak, COMbag. Koff, v. bat, club, golf-stick; butt-end; receiver, recipient. --baste, place to play at golf; cricket. ground. —bat, ball. —apet, golf; cricket. —je, o. small bat; dat is een naar raijn ;band, that lust suits me. Holtbrie. in. humming-bird. Kolleft, o. colic, gripes. —pljn, griper. Kolk, v, pit, hole; suit, abyss; whirl-pool, —en, on. w. to whirl, to bubble up; to belch. Kollsibloesn, v. wild poppy. Kot lets, ov. w. to knock down; on. w. to ride upon a broom-stick.—b(j1. butcher's axe. —hante, butcher 'a mallet. Kollokwint, m. bitter-Apple. Kolons. v. colsmn. Kolonei, in. colonel. —splaati, —sehap, Solonelship. Kolon inal, by. colonial; in. soldier of the colonial troops. —be, v. colony, settlement. —is?, or. colonist, settler. --isatie, v. colonization. —ineren„ ov. w. to colonize. 1Kotortet, o. color, coloring. Kolos, m. colossus. —emit, by. colossal. Kolnens, rn. keelson. Kolv en, on. w. to play at golf; — cricket. —enier, m. burgher. —er, m. golf-player. Koos, v. basin, bowl; pond; dockKom bsnrs, v. sailor 's co.priet. rug. —he, cooking-hut. —babe, v. cook 's galley, caboose. Konsed taint, m. comedian, actor. —ie, v. play house, theatre. Konteet, v. comet. K•stssen, on. w. to COWIN to arrive; to get. hoe komt dat? why so? s hat is the reason of that? eaten —, to wend for, to order. ncder —, to approach. realer to advance, to improve. aehter i-ta —, to trnd out (to discover. to get the knack of) v thing. aan lets —, to get (to gala, to come by) a thing — es., to bethink one 's self of. er door —, to get theough, to pats. tot etch zelven —, to recover one 'S senses. in gehrutk —, to cone into fashion, to become cuetomary, in de gedaeltte —, to occibr (to eurgeet one 's self) to the mind, in kennis — meet, to snake the acquaintance of, to become to get) ftequainted with. KontenU„ v. —sw:nAel. grocer 's shop. Komfos,r, o. chafing-dish. Konskin, no. cumin. zwarte —, caraway. —kens, —ekaus, cumin-seed-che,see, clove-cheese. -tead, CUMICI-seed.
Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.
Cuckhig-stool (kuk'ieng-stoel), s. duikstoel, Culture (kulrjoer), a. landbouw, kweeking; beBehaving. —, v. a. Zie Cultivate. dompe!stoel. Cuckold (kuk'uld), a horendrager. v. a. tot Culver (kul'vur), a. duif. —house, duivenhok. horendrager maken. —maker, verleider van ge- —key, akelei (plant). —tail, zwa , ,,staart (in trouwde vrouwen. -Om (-darn), a. horendrager- timmerwerk). schap. —ly, a. als een horendrager; verachtelijk. CulverIn (kul'vur-in), a. veldalang (1-anon). Cuckoo (knk'oe), S koelcnek; ellendeling. —bread, Culvert (kurvurt), a. overdekte doorloop (v6or koekoekshrood. —bud, —flower, koekoeksbloem, water); tunnel. —yinyflower,maagdenpalm. —pint, arum (plant). Cumbent (kum'bent), a. liggend. —sorrel, koekoeksklaver. —spit, —spittle, plan- Cumber (kum'bur), v. a. moeite (overlast) veroorzaken; belemmeren; overatelpen. —some, a. tenspeeksel. —comely, ad. lastig, hinderlijk. —someneR, a. lasCucullate (kjoe-kul'let, kjoe'kul-leet), a. met tiKheid. eene kap bedekt, kApvormig. Cucumber (kjoe'kum-bur,kau'kum-bur),s.kom- Cumbr ance (kum'brens), s. last, hinder.—ous, a. hinderlijk, lastig. kommer. Cueurblt (kjoe'kur-bit), a. distilleerkolf. —ace- Cumin (kum'in), s. komijn. Cumuli, te (kjoe'moe-)eet), v. R. ophoopPn.--tion nun (-tee'sjus), a. kalabasvormig. Cud (ktui), s. voedsel in de voormaag; tabaks- (•lee'sjun), a. ophooping, —tire, a. toenemend, bijkomend. pruim. to chew the —, herkauwen; ove-peinzen. Com (kun), v. a. weten; stucco. Cudden (kud'dn), s. stoffel, lummel. Coddle (kud'dl), v, n. dicht ineen liggen; elkan- Cunctator (kunk-tee'tur), a. draler. der omhelzen; zich neerhurken. 'Cline al (kjoe'ni el), —aced ( eet•id), —iforin Cuddy (kUd'dill), a, kinkrl; koolvisch; kajuit; (kjoe nit form), a. wigvormig. stookplaats. Conner (kun'nur). s. zeealak. v. a. afrossen. Cunning (kun'nieng), a. bekwaamheid; ervaren• Cudgel (kud'dzjil), s. knuppel. —play, knuppelspei. —proof,tegenslaagbestand. heid; sluwheid. —, a. —ly, ad. kundig, bedreCue (kjoe), s. staart; uiteinde; biljartstok, queue; ven, ervaren; behendic: loos. listig. —fellow, teeli en, wenk; stemming; steekwoord. to give looze schalk. —man, wasrzegger. —woman, wearone his. —, iemand de woorden In den mond zegster. —nes, a. sluwheid, geslepenheid. geven. Cup (kup), s. kopje, beker, kom; schaa); laat. Cull (tut), s, slag; ,00rveeg; handlubbe; oude man. bop. he has been in his —a, hij heeft Sr veel geto go to —s, handgemeen worden, bakkeleien. dronken. —and can, bests maatjes. parting —.,af• —, v. a. alarm (met vuist of klauw); v. n. pink- scheidsdronk. —hearer, schenker. —board, m. harem. schenkblad; pottenkast• v. a. bijeengAren. —rose, Coinage (kwin'idzj), a. oprolling (van blik). slaapbol. —shot, —ahotten, aangeorhoten, beCulrnaa (kwi-res'), s. borststuk, kuras. —ier achonken. —weight. gewicht, welks stukken in (kwi-res-sier'), s. kurassier. elkander sluiten. Cuish (kwis), a. dijharnas; dijstuk. Cup (kup'), v. a. koppen zetten. —per, a. koppcnColsh. Collage (kwis), a. zetter. —ping glass, kopglas. Culdees (kurdiez), a. MOTIllike. in Schotland. Cupel (kjoe'pil), a. smeltkroes; kapel. —dust, Culerage (kul'ur-id7j), a. vlooienkruid. louteringspoeder. —lotion (lee'sjun), a. loute. Culinary (kjoe'll•ne-ril ► ), a. tot de keuken be- ring Ivan metalen). hoorend. Cupidity (kjoe pid'it•tih), a. hegeerlijkheid. Cull (but'), a. aalrups, kwabaal; stoffel, domoor. Cupola (kjoe'po le), a. koepel. v. a ititzoeken, uitlezen. —er, a. uitzoeker. Cupreous (kjoe'pri on), a. koperlg, koperen. —ibility ( Cur (kur), a. boerenhond; schurk. a. lichtgeloovig. Curable (kjoe"ribl), a. geneeslijk. —near, a. ge. Cullion (kill'jtm), a. schurk, flelt; atandelkruid, neeslijkheid. ameerwortel. —ly, a. laag, gemeen. Cur.* cy (kjoe're sih), a. parochle, predikantsCuillls (kul'lls), a. zeef, doorzOgsel; vleeschnat. pleats. —te ( rat), a. hulpprediker: parochiepreCully (kunih), a. sul, domoor. —, v. a. bedrie- dikant. —tire, a. genezend. gen, kullen. —ism (-izm), s. sulachtigheid. Curator (kjoe-ree'tur), a. curator, voogd. Cnim (kulm), a. smeekool; grasstengel. —iferous Curb (kurb'), a. kinketting; beteugeling; hoefge(-rnit'ur•us), a. ha ►ndragend. —atone, randateen. —. v. a. een' kinmet. Cutminn (kurmi-neet), v. n. in het toppunt betting aandoen; in toom houden, beteugelen. zijn. —tion (.nee'sjun), a hnogste stand. Curd (kurd'), a. gestremde melk; stremsel. —, Culp ability (kul-pe-bil'it-tiii), a. schuldigheid. v. a. doen stremmen. —a, a. stremsel, wrongel. —able (kill'pt131), a. —ably, R. schuldig,misdadig —y, a. klonterig, gestremd. (af). —ableness, a, schuldighsid. —rit (kul'prit), Curdle (ktied1), v. a. doen stremmen; v. n. a. misdadiger, schuldige. klonteren, stollen, atremmen. curdled sky, lucht Coltch (knitsj), a. oesterbank. met witte wolkjes bezet. the blood curdled in nay (runty able (kurti-vibl), a. bebonwbaar. —ate, reins, het bloed stolde in mijne aderen. v. R. bebouwen; kweeken; beschaven. —allot, Cure (Icjoer'),.. genezing; geneeskuur; zielenzorg; (-vee'sjun), e, landbebouwing; aankweeking;ver. predikantsplaats. —, v. a. genezen , heelen, edeling. (•ve.e.tur), a. hebouwer; kweeker; drogen; zouten, inmaken. -less, a. ongenees. lijk, —r, a. geneesheer, arts. bearhaver.
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-
Just like bitcoin, litecoin is a crytocurrency that is generated by mining. Litecoin was created in October 2011 by former Google engineer Charles Lee. The motivation behind its creation was to improve upon bitcoin. The key difference for end-users being the 2.5 minute time to generate a block, as opposed to bitcoin’s 10 minutes. Charles Lee now works for Coinbase, one of the most popular online bitcoin wallets.

Smelt (nrielt , ), s. spieri.ng . —, v. a. cmelten (arts). of. to.) —back, luilak. —fever, sluipkoorts. ed, — paced, langznani van gang;sluipend. —match,' — er, s. ertascrelter; smelthroes. --ery, s. mule!. teri.j. lont. — witted, trasg van begrip. slang. —nets, s. laugLeamitcid. ISnocrk (murk). R. & V. n. • Smirk. Slabber (slub'bur), v. R. siordig verrit hten, of- Suzerain ismorlin), s. grondel. knosien;bemorcen..—jogly„ at ∎ , :ordig, knlei,rig. Smi•ker (ismilekur), v. n. verlield Ionic.. • - ing, vcrlielde blik, lank. Sludge (sludzj), s. WO, molder. Slue (sloe), V. a. orntireaien. Suitt e (map), g!ivnlach; vriendelijke bit!, — c, v. n, glimtachen ;at); (on. upon) taelaciten. Sing (aloe), y . klomp, tarok; schro:',T;lceglooper; wegslak; aleeht zeiler; hinderni, — port?, (-gur(1),, — er, e. glimlaeier. — ingly, ad„ s. luiaard. a. --giehly. traag,;Sitsircli (stnurtaJ), V. a, bestrwren, bek:adden; vrrdankeren. g. traegheld,vadzigheid. vadvg. — gishness Slate e (nl)oes'), e. nin e. —, v. u•laten alloopen. Smirk (sTnurk), S. getneekt laebje. —, v. Ta. ge. meakt !lichen, m' smaller. —y, R. stroomend. Slumber (slutn'bur), —, v. n. Smile (timajt'), [smote. smitten], v. a. treffce. sluimeren. — er, s. sluitneraar. --ice, a. Plaiti, clean, dooden; kaotijden, tutelttlgen, bedroovect; verwekkend; slaper1;7. bekoren, doers onzylmmmen (with), neerhalen; v, Slump (slump), v. n. in de madder plomp.. n sel,akken„ batmen, —r., n. treff,, dooder, ruist. Slur (slur), g, trick; sehandviak; verwijt; kunst- Smith (nntith'), a. amid. — craft, stnidnarnbacitt. — cry, greop, 'costs; verbindingoleeken. —, v. a. be• a. sinGderij;amidswerk; kuelbak.—ing, viekken, bemarsen; schanclvlekilen; bedriegen - s. bet smeden. verbergen; lot hernloopen oier (o -,er)• Stull)! (omit), s. rood teem, condor!. Slosh (slusj"), 0. madder, 'dtjk (bij dooi). smock (nFacek'). s. vrouwenhemd. —faced, vet. . modderig, slobber's. wi(id, me)sjeqschtig. --frock, boerenkiel. vytudipolen. — race, wedloop van vrouwen. — lets, Slut ,slut'), slant!, mornebel, slot. --tisk, Fs. — tishly, ad. ni,rnig, slordtg; s. zonder kenid. s. mornigheid; tie , terlijklteid. Smoke (smook'), s. rook. —biack,roetzwart.— box, Sly (slay), a. .—ly, ad. alaw, loos, 'upon the — , ter rookkast. — dry, v. a. rooken. —jack, (,,aort v.) sluilm — blade, — boots, gestep.on kwant• breadspit. —,. v. R. ranker; bernaken; Noor den s. siuwheid, loosh,td. get linildrn; (out) opsporen, uitvarschen, v. ct. kletR„, roaken; beapeuren; etch sertoornen. — less, a. Smack (amok;, n. manic, go-ar, klap; anashkentle kun; ernakschi2, —, v. a. zonder rook. — r, s. cooker. sm.kken; doen klappcn: smakkend kusse ► ; Smolt laves (einio'ki-nests), a, rookeligheid. •-•y, n. rmaken, rieken (o•); sin,kkem, !(tappen. a. rookerig. R. Sngooth tomaelli'l R. --ly, atl. glad. effen, Small (sin , all'), e. halal (dun) gedeelte. klein; tijn, dun; gelling. to look — , verlogen zijn. ' zacht; aril; vloelend; vriendelijk. — ckinned, bearcards, Cage hearten. — coin, deloos. — faced, •ininz3ain, zacbtaardig. - trees, dun bier. — money, klein geld, pasmnnt. — clothes. pl, zoittsi,j). — to:igued, gad van tong. —, (snyiellen), v. a. glad (gelt*, zacht, vloetend) broth. —coal, houtshool;holeogruitc.—craft,klein maken; effenen; verzachten; bedaren; bevredigen; vaartuig. --pox, kinderpoklien. — age, s• water- eppe. — ish, R. klein, popper;};. --area, a, kleia. vi,ten;(up)opyrcolijken. —nrato.giadheid,zachtheld. beleefahaid. vloelendbeid. held, gerIng,had. Senna (mmeolt), s. blanwsel. Smother (ennuth'ur), s. rook, dwahn, anderdruksmart; pronker. —, a king. — , v. a. doenittikken,,orstikkenounoren; Smart lameart'l, r. — ly, ad. ncherp, laijtend, ate:tend, krilijk; he- (up) overweldigeu; v. n. dwalmen; stikken. trig, "innig, bite; levend1 ,4, slug; opgenchikt; Smoalder (smool'aiur,, v. 11. amend.. —ing, a. muteulend. isierltik, net; slaw; § knot, --money, roonkoop; v. it, zecr doe., smudge (smudiP, n. ctikdamp; v. R. bekladden. afkoop. — pije 1kide.1; 0.et , .. — en (nn)ttaren', v. R. op, Smug (ernug'). a , — ly, ad, net, !map, opgeschikt, pte;INnlijk • — ness, s. nethetd, t,)pzenAtkt heid. Ischikkon, mooi Maken. beid;h,vigheid;levrtidig:leol; , Teclijkheid,netheid. Sitmggl o (nmtegl) v. n. smukkelen, Smirch etnec)), r. ,t.akt ve , britizeling• ti•smakkelear,i;Iniker.—ing,o. smakkelarij. v. R. smakken; verbrilzelen. Scum tot (smut"), n, koolzwart, roetvlek; hatitgdeuw; vuiln teal. —, v. a. null waken, bemornen; branSmestcln • 1,sinetsji, e. smaa%; zweem; blevewpo,)t day !oaken; v. rt. brandig; na (vaget). — tily. ad. — ty, a. berookr, marsig'; nr , indig,; sail. ---tiness, Smatter (scriet'tur), — ing, o . opparvtakkigekcn- erne onpervlakkige kennim beAit. n. berooktheid, morsigbeld; branctIgheid; —, v• o. hallgeteerde. ten, oppervlakktg apreken. smear (a)niec"),:t. son,ersel, eat0. —, crier.. Snack (snek'), a. aand,c1; baestlge Totteltijd,--^r, o. dPeth,bber. (-ti, n. shattsoom. R. srnerig; kteverig. toesmeren; bezoedeIcti. Smenth ismieth), n. smient, zeeend. Snaffle (onet'il), s. kaproen, tuns. —, v. R. he Smell (smell), n. rank, gene. proenen; in loom bonier. Smell (smell') [smelt"], v. a. ruiker; (out) nit- Snag (aneg'), s. bolt, knoest; uittiteliende punt: tafel- vormehen; v. n. risken (of, near). wateralek,, —, tooth, dubbele tand. — ged, (-gid), punti, rank; s. ruttier; 11,1Tit, - in g, schrtimer. i Snail (sneer). e. Oat; Inisard, — clover, — trefoil' — bottle, rculilleschle.


Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com
DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

In welk land Bitcoin is legaal


Glimp„ m. color, veil, gloss, pretext, glimpse. --lash, hypocritical mile. —lachen, to smile hyoocritieeliy. —ig, by. epecious, plausible. eiltuster, as. glittering, sparkle. —en, on. w. to glitter, to glister, to sparkle. —worm, glowworm. — ig, by. & — ins, v. rlittaring, glisterhg, sparkling. G Hating., v. trellis, espalier, G lip, tn. sGt. —pen, ov. w. to slit; on. w. to slip, to steal away. —per, nt. deserter. —ping, v. slitting; slipping. Gin bra, v. globe. —Coal, on the avevage, rough. teloed, ro. glow, glowing heat, — embers, flame; ardor, gloss. Gieeet saes , ay. w. to make red-hot ; on. w. to glow, to be red-hot. —Mite, Blowing-heat, ignition. —oven. annealing (ealcineting) filen/kite, Meer. —etaat, state of being red-het —end, by. glowing, burning, red-hot. —ing, v. glowing; burning. Gloiell en, on. w. to slope. —cad., be. sloping. —lase, v. slope, elopement. (hoar, in. lustre, glow; glory. o. entail alley, lane; gap. Giverete, on. ve„ to shine, to glimmer, to glitter. Georle, v. glory, fame, lustre, splendor; nimbus. —TO, glorious. —zucht, ambition. —zuchtig, ambitious. Woe, Glosse, v. gloss, marginal note. —sera makes op, to gloss Upon. G istip, Y. trap, suave. de efeur stoat op et. -. the door is ajar. ter —a, eteOthily. —en, on w, to peep, to leer, to sueak along. —en, m. —end, rn. sneaking fellow, 'sneaker. —itch, be, false, eneaking• litter eta, on. w. to leer, to eye, to peep. —jag, v. leerieg, peeping, ,4pyleg. Giant- der, m. —ster, v. peeper, eye:, spy. Geed. m. God, god, em wit, for God's eske, for God a mercy. —dank, tow. — 10j, tow. thank God ! God ha praised ! —geleerd, theological. —geleerde, iheologiet. divine. —geleerdheid, theology, divinity. --sewifti, sacred,, hallowed. —lievend, pious. --loochenuar, —looehening, at helm. —nonseh,God-roan.—spraak, oracle. —rergeten, igepious, reprobate, desperately wicked. —verzaker, atheist. —vereoting, arheiena. ---rreezend,—vruchtig, pious'(-ly), devout (-Iy). •--vreeeendheiel, —rruchtigheid, piety, devotion, --vaig, godly, blessed, pious (-ly), devout (.1y). —talighed, godliness, blentdeese, devotion —e. behaagtilik, pious (-lye —ewoardig, worthy of God, godly, —endrank, me net.. —engedacht, race of god,. —euleer, mythology. —ensp)jI, ambrosia. —abode, divine messenger. —edienai, religion ; —haat, religious hatred ; ra;lgiouo zeal; —lecraa,„ clergyman, neiniater of religion; —onderwijzer, teacher of religion ; —eefening, dteine service; —.Hog, religion-war; —vrijaeid, religions lieerty. —sdienstig, religious (-ly), devout religiouenese. —8dracht, (-4). —edienetigheict procession,. —agave, gift of God. —ageriekt, —oordee, ordeal. —speeant, divite messenger. —.We, hospital, asylum; house of God, temple. —earteraar,, blasphemer. —slastering, blasphemy, —alusterlijk, blasphemoue (-ly), —mooed, (Weide.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Xanthle (zen'thik), a. geel acting,. Mph Ian (niri-es), a. swaardvisch. —aid (-ojd), Xebec (zi'bek). s. sjehek (oorlogavaartu)g). a. zwaardvormlg. Nonodorhy gastvrijhaid. Xylography (zaj•log're-flb), a. houtanijkunst. Xeroph agy (ni-rore-dnjih), a. gebruik vf.n Xyster (zi 'tur), a. eehrapmes, beenvOl. droge epthen. —thalmy (-rop'thel-mih), s. droge oogontsteking.

big, to bluster., to beak. -a preker, bragger, roguery, squish trick. noester, --ruder. grandfather. -vorat, grand-duke. Gut, v. codling. bw. dry; frank ( ly), sincere (-ly); --- tegelbeasaarder , lord Gut, be. liberal (-ly), cordial ( ly), kind (-ly). -hartay, I,eper of the great seal. -elijite. bw.groatly.-heicl, be. & bw. frank (-1y); liberal (-1y), cordial (-ly), v. greatnen, largeness, Witless, bulkineAs; tall- kind (-ty). -itartigheid, frankness; liberality, new-, height; importance, enormity, grandeur, eminence, magnitude, nobienees; - ran eiet, cordiality, kindness. magnanimity. -je, a. grandam, granny. -etch, Guldellus, tn. golding. on. guilder, florin. -stale,gullder-ploccsr. grand, Gulden, by. & b e. proud (-ly), haughty ( - UV; triavLificent,noble(-bly).-schhold,v.pride,baughtl - Gulden, by. golden. - petal, golden number, tress; grandeur. magnificence, nobleness. -te, vlies, golden fleece. v. greetnese„ gee, extent, capacity; burden (van Goisiheld, v. dryness; zie Gu3hattrtIgheld. Gulp, Y, billow; drought, gulp; flap. -et, on. w. eery erhip); stature; magnitude. to gulp down. G ro a. trench. o. gross, wholesale; mace, generality; main Guizt,g, be. & low. greedy (-ily), gluttonous (-1y). body. -, v. --se, so. engrossed copy. -setren, ov . -aard, in. glutton, greedy-gut. -Acid, v. grandincus, gluttony. w. to engross; to exaggerate. -sier, on. wholesale• Gunn en. ov. w. to grant, to Vouthsafe; not to dealer- -crab, wholueale-trade. G rot, v. grot, grotto, cave. - aver!, rock-work, envy. -er, m. granter. betoUsest, to grunt a favor. G tease, v. favor. eeite fretted wen k. werkrnaker. rock-work-maker. our sae - ver.oeken, to beg for custom. --tojay, C. Greeeneffille, law. Zie favor-hooting. -bet°. - bootie, favor, mark of gravel, grit, rubbish; powder; coal- (at,sle, m. at v. favorite. fa ion ---podia, grace. -dr,ing, quite dry, hone-dry. - hole, shunt, bv. & bw. favorable (-t.ly), kind (- ► y)• growing-iron. -trooper, coal- eeal place. , be. Zie Gnat, by. not with young, sterile. gravel- merchant. (darts, v. gouge. --en, on. w. to gouge; on w. to ,„,teine (out). Grratzig, by. geavelly. gritty. -head, v. grittiness tn; reit, a. groats; thrayh, ref., -mot:n, oat-m.11- G uttegom, v. gamboge. -teaotee,omittd 4,f•, be. cold, bleek, ebarp, keen; unkind. -held, 0-tt-rneal-porridAe. mill. -tenbrii, waterv. coldness, bleakness, keenness; unkindness. meal, ouckwheat-meal.. -teepee', gruel, Gynnatt4 iek, . gymnastics, pl. gruel. tartalter, tn. core chandler, meal-man. -waren.,
- 433 belly, paunch-belly, gorbellied person. —bastig, —kuidig, —vellig, thick-skinned, thick coated. thick-shelled. —bek, chub•faced person. —bekkly, —koonig,—wangig, eh ub.cheaked,ohn b-fac ed. —bladerig, thick-leave& —bloedig,thick-blooded.—kop„ jolt-head , numskull , thick-skull, blockhead. —koppig, thick-headed, thick-skulled, chubby. —lijvig, thick-bodied, thick-set, corpulent. —lippig, blubber-lipped. —nekkig , thick-necked . —neuzig, thick-nosed. —acidly, be. rather thick. —Arid. v. thickness; deepness. —ken, or. & on. w. to thicken; to grow thick; to curdle, to clot, —herd, m. fat (plump) fellow, —te, v. thickness, bigness. Dikniaals, Dlkwerl, bw. often, often times, frequently. Dille, v. dill. 'thing, o. thing. MUnheer. -.11, Mr. Thingum. Ding on, on. w. to bargain, to cheapen; to aspire (tot, to strive (for). —er, m. —stir, v. bargainer; st river. Diostaal, v. solid arguments. by spreekt —, he speaks to the purpose. Diusdag, m. Tuesday. Diplom a, o. diploma. —aat, m. diplomatist. Dircant, in. descant, treble. Mach, .n. table. —yenoot, fellow-boarder, messmate; guest, Discosee seven, or. w. to discount. —o, o. discount. Diesel, m. thin, beam; adze, aldice. —b000r,thill, beam. —paard, thill-horse, wheeler. Distal, m. thistle. —bloom, thistle-flower. —rink, thistle-finch. —ig,by chietly. Distill ateur, m. distiller. —mile, v. distillation. —germ ov. w. to distill. —eerglas, —kolf, retort, still. Dit, yaw. Ohio. DU°, bw. dtto. Dobbs', tn. game at dice. een pities — hebben, to hove a lucky throw at dice. —biker, —hares, —hroes, dice-box. —epel, dice-playing; gams at dice. —steen, die; square; cube. —ziek, given to dicing (gambling). —suet, fondness of dicing (gambling). —aar, dice-player, gambler. —mil., v. dicing, dice-playing, gambling. —en, on. w. to play at dice, to gamble; tepee twaal f ooges —, to play a desperate game, to be in a hopeiesa state. Dubber, m. float, quill, cork; small boat; buoy; bunch of bulrushes. —on, on. w. to float; to fluctuate, to waver. —ing, v. fluctuation. Duch, vw. but, yet, however. Doehter, v. daughter; girl. jonge —, girl. trodden. spinste.i. —skied, grauct - child.—aman, son in-law, Doctor, m. doctor. — in de letteren. doctor of letters. —eat, o. doctorate, doctorahip. —eerie, on. w. to be admitted a doctor. Dodderig, be. drowsy. —held, v. drowsiness. Dodo!, o. foul egg. Dodoor, m, & v. humdrum, drone. Doedninak, tn. bag-pipe. —speler, bag-piper. Dock. in. eloat, towel; swaddling-band; shawl. —, o. cloth, linen, cane ase. —maker, cloth-maker. —veld, brooch. —acheerder, cloth-shesdier. -en, ay. w. to cozeu, to take in, to impose upon; to
C). Object (ob'dzjekt),s. voorwerp; doel, voornemen. 0 (0), int. o ! —glass, objectief-glae. Oaf (not'), s. wiaselkind; domoor, stumpert. —ish, a. dom, onnoozel. —ishness, s. domheid; Object lob'dzjekt'), v. a. tegenwerpen, voorhouonnoozelheid, den; v. n. inbrengen (against); bezwaar waken Oak (ook), a. elk; eikenhout. —apple, galnoot.: (to). —ion (-dzjek'sjun`,E1. tegenwerping, bezwaar. —bark, eikenschors. —evergreen, steekpalm.—fern,1 —ionable (-dzjek'sjun-), a. vatbaar voor tegenwereikenvaren. —grove, eikenbosch. —leather, etken- ping, onaannemelijk. —ire, a. —ively, ad. voorwerpelijk, objectief. —ive case, vierde naainv.,1, zwam. —tree, eikenboom. —en (o'kn). a. eiken; voorwerp. —iveness, —ivity l•tiv'it-iih), a. year—grove, eikenbosch. —ling (-lieng), a. jonge eik. -um, a. work, pluiatouw. —y, a. eikachtig; hard.' werpelijkheid. —or, s. tegenwerper. Oar (oor'), a. roeirlem; roerstok. —, v. a. do n. Objurga te (oh'dzjuegeet), v. a. berispen, beknorren. —tion (-gee'sjun), a. beriaping, verwijt. roelen. —y, a. riemvormig. —tory (-ge-tur-rih). s; berispend, verwijtend. Oasis (o'e-81s), e. oasis. Obla to (ob'leet), a. platrond. —lion (-lee'ajun), Oast (oost), s. hopeest. Oat (not'), a. haver; herderafluit. —bread, haver- s, offerande. brood. --cake, haverkoek. —malt, havermout. Oblecta te (ob-lek'teet), v. a. verlustigen. stree—meal, havermeel. —straw, haverstroo. —en(o tn), len. —tion (-tee'sjun). s. veriustiging. Obliges te (obni-geet), v. a. verbinden, verpllcha. haver-; van (met) haver. ten. —lion (-gee't, jun), a. verbintenis, verpliehOath (oath'), a. eed; vloek. by —, upon an —, btj ting; schuldbrief. —tory (-ge-tar-rih), a. verbin(onder) cede. to make —, to take an —, zweren. to put one to his —, iemand den eed afvorderen. dead (on, voor). —able, a. bevoegd om eels' eed to Boon. —breaking, Obllg e (o-blajdzr), v. a. verbinden, verplichten. —ed (-blajdzjd'), a. gedwongen; (to) verplicht. —ee a. meineed. lob-lid-zjie'), 8. verplichte; schuldeischer. —er, Oats toots), pl. haver. Obduc a (ob-djoes), v. a. overtrekken. --lion a. verpliehter. —ing. a. —ingly, ad. verbindend; verplichtend, heleefd. ingness, s. verbindende (-duk'sjun), s. overtrekking. krseht; beleefdheid. —or (ob-li-gor'), a. verplich.►ardvochtigheid; Obdara cy (ob'djoe-re-sih), a. verstoktheid. —te (-reet), v. a. verharden, ver- ter, schuldenaar. stokt maken. —te, a. —tely, ad. (-ret), bardvoch- Oblique e (ob-liek', -lajk), a. —ely, ad. achuin, fig; verstokt; —fences (-ret.), —tion (-re'sjun). a. acheef, zijdelingseh; verborgen.—eness,—ity (-ilk , wit- tih), s. echuinheid; afwijking, verkee. dheid. hardvochtigheid, verstoktheid. Obedlen ce (o-bi'di-ens), a, gehoorzaamheid. Oblitera be (ob-lit'ur-eet), v. a. uitwisFchen. —lion (-ee'sjun). a. uitwissching. —t, a. —ay, ad. geboornaam. Obeleakn ce (o-bee'sens), s. bulging. —t, a. on- Obilwl on lob-liv'i-un), a. vergetelheid; act of —, vergiffenis, arnnestie. —ous, a. vergeetachtig. derdanig, gehoorzaam. a. Obeli's cal (o-be-lia'kel), a. naaldvormig. —k Oblong (ob'long), a. —ly, ad, langwerpig. langwerpig vierkant. —ness, a. langwerpigheid. (ob'e-lisk), a. obelisk, gedenknaald; kruisje (+). Obloquy (oblo-kwih), a. laster, amend, verwijt. Obee e (0-bies'), a. zwaarlijvig, log, vet. —eneso, Obluctation (ob-luk-tee'sjun), a. tegenstand. —ity (-bes'it•ti,h), s. zwaarlijvigheid. Obey (0-bee'), v. a. gehoorzamen. —er, a. gehoor- Obmuteecence (ob-injoe-tes'sens), a. verstomwing; stilzwijgen. zamer. Obfusca to (ob-fus'keet), v. a. verduisteren. —tion Obnoxious lob-nok'sjus), a. —ly, ad. onder hevig, onderworpen; strafbaar; aanstoo.eltjk, (-kee'sjun). a. verduistering. Obit (o'bit), a. ijkdienst; overlijden. —ual, —uary hatelijk, (to,. —conscience, kwaad gevveten. —neat, (-birjoe.). a. dood-, siert, begrafenis-. —uary s. onderhevigheid; stralbaarheid; hatelijkheid. Obnublla te (ob-njoe'bi-leet), v. a. omwolken ; ..bit'joe.), a, aterflijet.
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.

Heeft Coinbase hebben een debetkaart

×