Pick (Mk . ), 5. bikijzer, puntige hamer; tanden-stoker; (het) uitgekipte. -axe, houweel. -fork, hooivork. -lock, looper; die sloten openeteekt -pocket, -purse, benrzensnijder. -thank, Inklooter, plutmetrijker, -tooth, tandenstoker. -, v. a. prikken, pikken; bikken, plukken; uitkippen; sorteeren; sehoonmaken, zuiveren, afklui. yen; opensteken; plunderer, op den kop tikken; versamelen; uitpluisen. -acquaintance, kennis maken. - a quarrel,twist zoeken.- thanks,pluin, strijken. (out) ultpikken; - a livelihood, een bestaan vinden. (up) oppikkan; opcklen; - straws, vergeefeelle moeite doen. -, v. n. peuzelen, kieskanwen,• langzaam en nauwkeurig werkee. Pickapack (pik . e•pek), ad. op den rug. Picked :(pirid), a. puntig, 'pits; gemeakt, ingebeeld. -ness, e. puntigheid. Plckeer (pik•ler . ), v. n. schermuteelen; zeeschuimen. Picker (pik'ur), e. pikker; uttzwker; plul.ker; houweel;tandenCoker.-ofquarrels,twlatzo , ker. -el (41), e. enoekje. -weed, snoeikruid. -oon (•oeu . ), a. Lie Picture...me -y, a. kleine diet. Picket (pik . it), N. steak, paal; ;piker (veldwacht en !Tel). -, v. a. met palen vastzetten. kenen, Picking (pik . ieng), 8. het plukken, uitzoeken, nelezen, opzamelen. -.a (•iengz), pl. snippers, vuilnis, afval. Pickle (pik'kl), 5. pekel; zuur, ingemaykt goed; benarde toestand. -mixed -a. vat.: a, allerIei. -herring, pekelharing; hansworst. -, v. a. peke. len, inmaken. Picnic (pik . nik), s. botje bij-botjes-raaaltijd. Piero lite (pirro-lajt), s. bittersteen.- -met (-met), 5. gaistof, bitterzoet. Pict oriel (pik-to . ri•e1), a. sehilders- . van de sehilderkunst; gelllustreerd; afgebeeld. -oral (pikt .joe-rel), a. afgebeeld; s. afbeeldsel. Picture (pikt'joer), s. Behilderti; Ribe,Idsel; tatereel. -book, prentenboek. -drawer, sehilder. -drawing, het schilderen. -galery, -room, sehIlderilfaal. -, v. a. schilderen; afschiideren. - like, a. ale eene schilderjj. Picturesque (pikt-joe-reek"), a. sehilderachtlg. Piddle (pid'd1), v. n. kieskouwen; beuzelen. -r, s. kteskauwer; beuzelaar. Pie (par), s. pastel; eketer; misboek. - bald (-baold), a. bout. Piece (pies'), e. stuk; geldstuk; geschrift; sehilderstuk; geweer, hanon; dead, a -, per atuk. - by -, stuk voor stuk. - of wit, geestige inval. of a -, van dezelfde snort. -goods, stukgoederen. -work, werk per sank. -, v. a. lap en, verstellen; samenvoegen; (out) verlengen, rekk en; (up) oplappen, -, v. n. zicn aaneen hechten; sl uiten, passim. -less, a. nit 66n stuk, geheel, - meal, a. & ad. stukswijze, aan stukken. -r, s. lapper. Pied (pajd'), a. boat, geschakeerd. -ness, s. bontheid. Pieled (pield), a. geschild; kealhoofdig. Plepowder (parpau-dar), a. - court, gerechtehot op jaarmarkteu, marktgerecht. Pier (pier'), s. brugpIller; eteenen beer; haven.

glean. —on (-on), s. (talker (eend). —r, a. dompe. Plinth (plinth), s. plint, rollaag. laar, dutker; pompatok. Plod (plod'), v. n. sloven; blokken. —der, a. Plunket (plungk'it), s. waterblauw. glover; blokker. Plot (plot'), a. pleikje gronds, veld; aanleg; plan, Pluperfect (ploe'pur-fekt), a. meer dan vole maekt verleden. ontwerp; komplot, samenswering, intrigue, aans. slag, knoop. —, v. a. smeden; ontwerpen; v. n. Plural (ploe'rel), a. --/y ad. meervoudig. meervoud. —sat a. geesteljke, die meer dan tin samenspannen, sea' aanslag smeden. —ter, s. kerepel heeft. —sty (-rellt-tih), e, meartalligsamenzweerder; ontwsrper. held, veelheid. Plough (plan'), a. ploeg; ploegschaaf. —beam, plosgbalk. —boy, ploegjongen. —colter, ploeg Plush (pluej"), a. plain, pluche. —er, s. (aoort van) zeehond. kouter. —handle, ploegstaart. —iron, sponningached!. —knife, ploegmes. —land, bouw land. Pluvi al4ploe'vl-e1). —out, a. regen-; regenachtig. —a/ s. miegewaad, koorkleed. —man, ploeger; landbouwer; vlegel. —monday, eerste mammies na Driekoningen; ploegieest. Ply (plan, a. bocht; vouw,plooi; nelging; gewoonte. —, v. a. inspannen; Ijv erig waarnemen, —raker, ploegijzer. —shaft, ploegboom. —share, gebruiken, behartigev; zich toeleggen op; drinploegschaar. —staff, —stilt, —tail, ploegetaart. gend verzoeken; bewegen; overatelpen (with); v. n. ploegmaker, —, v. a. beploegen; v. n. buigen, toe even ijverig werken, gin best doen; ploegen. —er, s. ploeger; landbouwer. —ing, s. laveeren. —er, s. Zie Filer. het ploegen. Pneum atic (njoe-met'll,), a. lucht-, wind.; van Plover (pluv'ur), a. pluvier, regenvogel. de lucht (de luchtleer,. den wind). —atics, a. Pluck (pluk'), e. ruk, trek; omloop, ingewand; luchtkunde; geestenleer. —otology (-me-torudinoed. —, v. a. rukken, trekken; plukken, (down) zjih), a. lucht-; geestenleer. — onia neerslaan; neerrukken. (off! at-, uitplukken. (up) uitrukken; uitroeien; opbeuren, (moed) schepe. longonteteking. —onic (-mon'ik), a. van de longen, a. longmiddel. pen. —er, a. plukker; uitroeier. Plug (plug), s. plug, pin, stop, prop; kraan; Poach (pootsjl, v. a. sacht koken; viuchtig ontwerpen; doorsteken, doorboren; stroopen; v. n. stinger. —, v. a. dichtatoppen. wild atroopen; vochtig an. —ard, a. poeleend. Plum (plum'), a. pruim; roziju; le0,000 pd. Merl.; —iness (-1.-ness), s. vochtigheid, —er, e. stroo millionair. —auger —a, bruidsuikers. —cake, prui—y. a. vocht g, moeraseig. mentaartie, krentenkoekje. —porridge, brtj met prutmen of rozijnen. —pudding, podding met Peck (pole), a. yak, pokzweer. —hole, —mark, pokput. —fretten,—marked,—pitted,pokdalig.—wood, prnimen of roziinen. —tree, pruimeboom. pokhout. Plumage (ploe'midzj). s. veeren; vederbos. zonder geld. Plumb (plum'), g. achietlood, dieplood. —line, Pocket Ipok'it), a. zak. out of —book, zakboekje. —glass, zakspiegeitje. —hole, schietlood. —, a. & ad. loodreeht. loodltjn. —rule, zakgat. —handkerchief, zakdoek. —knife, zakmes. —down, reeht near beneden. orer,recht over. —, —money, zakgeld. —, v. a. in den zak steken, v. a. peilen, in het load zetten. —ago (-bee'go), (- bi-us), opateken; (up) opsteken; verkroppen. . leoderts, potlood. —eon ( -bi-en), loodgieter. Pock hives (pokl-nes), a. pokkigheid; vezieriek, a. loodaehtig; leoden, zwaar. a. pokkig; venerisch. —y, —cry, s. loodgleterswerk; loodgieterij. Plum a (ploerel, e. veder, vederboa, pluim; Pod pod ), s.sebil, bast, dop. —ware, peulvrecht. —, v. n. rich zetten, peulen bekomen. trotsehheid; lawyer, eereteeken; —alum, 'pluimaluin; —striker, pluiraetrijker. —e,v. a. (de veeren) Podagr a (pod'e-gre), a. podegra, voeijicht. —le, —ical (po-deg'rik-), a. jichtig. reinigen; met veeren (ten' yederbos) tooien; uitplukken; — one 'a self on, etch laten voorstean Podge (podzj), s. posh, pins. op. —cleat, a. ve-derloos, kcal. —igerous (mid , Po em (po'em), a. gedicht, diehtsiuk. —est/ (4-sih), sjnr-us), a. gevederd. —iped (-i-ped), a. rulg- I a. lie Poetry. Poet (po'it), a. dlchter. —aster (-es-tur), a. rtjpootig. Plummet (plum'init), a. schiet-, dieplood. melaar. —tea, a. dichteres. —ic,—ical, a. —ically, ad. (po-et'ilz.), dicliterWk. —sea (-eViks), pl, leer Plums ose (ploe- moos% —ous, a. gevederd; 'cederder dichtkunst. —ire (ajz), v. n. dichten. —ry, achtig, donzig. —osity (-raos'it-tih), a. gevederda. dtchtkunat; gedichten. held; donslcheid. Plump (plump'), a. —1y, ad. vleezig, poezelig; Poignan cy (pornen-sih), a. acherpheid; etekeligheid. —t, a. —fly, ad. scherp; stekeltg. vet. —, ad. plomb. —, v. a. & n. vleesig (dik, vet) makes (warden); nederploffen. —er, a. prop Point (pojnt'), s. punt; stip; spits; nestei; oog an het spel); stift, naald; kant; kompasstreek; of pruim (in den mond); grove leugen. —ness, keep, doel; toestand; grand; uitslag; soot, toon. s. vleezigheid, gesetheid, —y, a. vleesig, gezet, —a, pl. seizingen; puncturen. — of sight, — of poezelig. Plum ule (ploe'mjoel), s. kiem, plulmpje. —y, view, gezichtspunt. to gain one's —, ztjn doel bereiken. to bring to a —, ten elude brat:igen. at a. gevederd, donzig. Plunder Iplun'dur), s. bolt, roof. —, v. cplunall —a, in ails opzichten, geheel. —blank, e. mikpunt; waterpas-, kernachot; ad. rechtetreeks, deren, rooven. —er, s. plunderaar. regelrecht. punctuur-gaatjes. —maker, Plunge (plundsjl, s. indompeling, induiking, nestel-, kantmaker. —screw, punetuur-schroef. nederploffing; plot; (het) *lean van paardeu; seilpunt. verlegenheid, klern. —, v. a. indompelen; s torten; v. n. duiken; zieh I "torten; springen en Point (pojntl, v. a. aanpunten, teherpen; stip8
Board (board). s. plank, bard; knot; commissie, raad; bordpapier; scheepsboord. on —, aan boord. — of trade, rechtbank van koophandel. —wages, koatteld. Board (hooch), v. a. bepla.. 'An; aanklampen, enteren; in den kost nemen; v. n. in den boat zijn, —er, a, kostganger. —ing-house, koathuis. —ing-school, kostachool. Boast (boost), a. pocherkj, snoeverij. v, a, ophentelen, pochen met; v. n. anoeven, pochen
KE fetter). —linie, detail-gorge. —antsteking s inflammation of the throat. —punt, angle of the polygon. --seder, pharyngotomiet. —stoat, ogee, eyma'chime —tering,t aringtolphthisie. —ziekte, disease of the throat, Fore throat, quinsy. Keen,v. chap, germ. Keep, v. notch, jag. Kerr, m. turn, time ; tour; circuit. to — gaan, to .eclat, to oppose, to check. —en, ov. w. to turn; to avert, to prevent, to stop, to resist; on. w. to turn ; to return. —biok, quarter-block. —dam, dike. —dicht, ronleau. —kring, tropic. —krings- (in sacs.), tropical. —weer, blind alley, toru-again alloy. —xijde, revenue. --ing„ v. turntug ; averting, eto opine, reeimtance ; return. Keep, tn. —hand, Cox-dug. wolf-dog. — jeskruid, mallows. Keeet, m. kernel; pith, marrow, quintessence. Keel, v. salt-works; shed, outhouse. ---en, ov. to refine. Kent en. on. w. to bark, to yelp ; to bawl. —er, ra barker, yelper; bawler. Keg, a. wedge.
Macadamize (mek-ed'am-ajz), v. a. macadamieen tijdachrift. aeeren (wegen). Maggot (meg'gut), a. made; kuur, gril. —inns (-i-ness), s. madigheid; grilligheid. —y, a. vol Macar out (mek-e-ro'nib), a. macaroni; menmaden; grillig. gelmoes; fat, kwast. —0Lie (-ron'ik), a. gemength a. mengelmoes, poeepas. —son (-roen'), Magi (mee'dtjaj), p1. Viljten nit het °oaten; tc..)-

This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


1/00 invited to a burial. —eenvoudip, by. very simple; bw. very simply. —eetlijk, most honest. —der, useless creature. —geberen, still-born. —graver, grave-digger, sexton. —head,shroud.—kiet,coffin, —Mead, pall, shroud. —klok, passing-bell, knell. —(aches (sick), to die (to split one's sides) with laughter. —lied, funeral song, dirge —Loo pen, ov. w. to outrun; on. w to have no outlet; sick t. W. to kill one's self with running. —maul, funeral repast. —makes, to kill. —martelen, to kill by torturing. —swede. fatigued to death, worn out with fatigue —athlete's, to shoot. —.timidly, deserving death. —statist, to slay. —sloop, sleep of death. —slag, man-sla ughter. —.lager, manslayer. —8110, last gasp. —.tea, mortaistat,tatisk blow; finishing stroke. —steken, to stab. —era. very calm silent as the grave. —straf, pain of death, capital punishment. —atriJd, agony, pangs of death —stuip, convulsive pang of deem. —scales, to be killed by a fall. —verf, dead color, paleness of death. —serves, to paint in dead colors; gedoodverfd warden met, to be said, to be designated for. —venlig, deadly pale, livid. —nj. and, mortal enemy. —events, sentence of death. —wad, mortal wound. —wile. (de. atr000a), to stem the tide. —sick, deadly sick. —ziekte, mortal dieease.—goademortal sin. —eseak,extremely weak. —cadet's, death dance. —enkop, eoput mortuum. —essmarach, funeral march. —enrijk, mini of the dead. —sangat agony; mortal anguish. —abtenderan, dead man's bones. —abeneesed, almost suffocating; in a mortal anguish. —nbenauwdheid, sie Doevrisangst. —impel, angel of death. —agevaar, peril of death. danger of life. —ahoofd, skull. —akoofdblok, dead-block, —snood, peril of death; mortal anguish. —sour, hour of death. —motet, death-sweat. —e, m. & v. dead person, corpse. —ekk„ be. & bw. deadly, mord ferous,mo rtal ( - 1y), —*Wkheid, v. mortality, fat.lneag —en, on, w. to kill; to slay, to mortify; to curb. —er, m. killer, slayer. —ling, v. kaling, cloying; mortification. —sea, by. & bw. dead (-lye, du'l (4y); livid, wan; lonely, solitary. —seishesd, v. deadlines.; lividness; loneliness. Hoof, by. deaf (sour, to); extinguished, dead; benumbed. —pot, extinguisher, etouffoir. —eons, deaf and dumb. —atomised, deaf-and dumbness. —etonameninrichting, deaf-and-dumb asylum. —acktig, be. daagah. —held, v. deafness. Dose), m. thaw. —weder,—weer, thawing weather. —en, onp. w. to thaw. Dooler, m. yolk. Hoot hof, c. labyrinth, maze. —weg, rn. Zie Dwaalweg. Hoop, m. baptism; christening; sauce. ten — hamlet', to present at the font, to stand godfather (god-mother) to. —bekken, baptismal basin. —book, —register, register of baptism. —coed, certificate of baptism. —dug, eshristening-day. —formalise, formulary of baptism. —getstige, witness to the ceremony of christening; god-father. god-mother. --peed, christening-dregs. —heifer, god-father. —heater, god-mother. —hek. rail that surrounds the pulpit in a church; generated place in a church where baptism iv administered; chancel. —hale, house where a child is bap-
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Is cryptogeld legaal in Turkije


notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


Marmot (maar'mut), a> marmot., bergrat. Maroon (me--roen'1, a. boschneger. —, v. a. op eene onbewoonde )(tat aan land zetten. rlarplot (maar'plot), a. spelbreker. Marque i(rnaark), a. kaperechip; -brief. letters of —, kaperbrieven. Marquee (mer-;fie'), a. velcItent. Martiraess (maar-kwis), a. markies. Mavtguetry (maar'ke-trib ► , a. ingelegd week. Marquasate (maar'kwie-et), s. markiezaat. Marrer (maaernr). a. bederver. Marriage (meeridzj), a. huwaijk. —articles, huwelijksvoorwaardert. —bed, huwelijksbed. —day, trouwdag. —dress, trouwkleed. — favors, brul• loftsruikers, -strikjes. —.portion., huwelijkagoed. —song, bruiloftelied. —supper, bruiloftamaal, tie, huwelijksband. —able, a. huwbaar.


Fabian (tee'bi-en), m. Fabtaan. Falkland (faok'lend), g. Falkland.. L'alusouth (fermuth), R. Falmouth. Folstaff(faol'sten, tn. Faiststf. f. voor Frances; Fanny. Fan (fen'), Faroe (fa'ro) Islauds g. Faroer-ellanden. Fawkes (tacks), m, Fawkes. Felix (fl'ilke), m. Ferdinand (fuedi-nend), in. Ferdinand. Fer guseon (Nevi a-un), in. Ferguson. —managh (-ina'ne), g. Fermanagh. —rartt (-ra're), g. Ferrara. Fielding (field'ieng). tn. Fielding. Fingal (fing'ge1),m• F Finland Ifinileud), g. Finland. —er, i. Finlanier. Flendars Illean'durz), g. Vlaftuderen. Flavian (flee'vi en), in. nevi.. VIeemsch, 'Nem Ism ( flem'ieng), Flor a my. Flora. —ence g. Florence; m. Florentius, w. Floren tie. —entine (flarten-Wm), a. Florentijnieh; I. Florentijner. —ida (MITT de). g. Finishing (finsrieng), g. vlissingen. Folkestone (fook'ston), g. Folkestene.
v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
Tynapase (tim'pen), a. trornme1; trommelvliea; timpaan; paneel. —tat, v. paukalager. (-40, v. a. opapannen; v. n. trammels'''. —um, C. trammainline. —y, a. trovamelzucht. Type (tajp'), a. zinnebeeld; voorbeeld, model; atempel; denkletter. —fonndinv, het lattergieten. —meta, a. letterspijs. -Matta. Typh non (taj-foenn, a. typhon (orkaan). —us (taftus), a. typhue (zeauwkourta). Typi a (tip'ik), —cal, a. —catty, ad. voorbeeldend; zinnebeeldig, liguurlijk. —camera, a. (het) voorbeeldende; ztnuebeeldige. —fy (.1.taj), v. a. nunneheeldig vooratellen. Typograph er (taj-porre-fur), a. boakdrukker. —ic, —ical„ a. —lenity, ad. (tip-o-grel'ik-), van de boekdrukkunst; druk-; zinnebealdig. —y, a. Tyrratatt is (taj-ren'nikh —ical, a. ad, despotiach, tiranniach, gewelddadig. (-INajd), a. ttranuenmoord; -moorder. --ice (sleet, najz)„ v. n. ate titan heersehen —y (tir'ennth), a. dwingelandij, gaweidanaoj. Tyr neat (tarrent), a. dwingeland, gaweldenaar. Oran. —a., a. beginner. uteuweling. Tythe (tajth), a. Zia Tltha.
a. bedervend. —less, a. onbederfelijk; onamkoopbartr. —1y, ad. bedorven, snood. —ness,: a. bedorvenheld. Corsair (kor'seer), s. zeeroover; roofschip. Corse (kors. bonen), s. lijk. Corselet (kors'itt), a borntharnan. Cornet (kor'sir), s. korset, bears. Cortege (kor'reezj), s, stoet, gevolg. ieal, —irate fort ex (kor'teks), R. sehars. (-ti ket), —irate , / ( ti keet'id), R. 1,ChOrtiRChtig. —ieose ( ti koos'), a. banOg, mehorsig. Coronet' sat (kttr run'kent), a. flikkerend. —te ( beet), v. n. tionkeren, blikkeren. —lion (korus kee'njen), s. flikkering. Corvette (kor vet'), s. korvet. • Corvine (kor'ain), a. raafachtig. Corynab (kor'im), a, bezientros; bloemkroon. —ifei.ous ( Wrier-us), a, tronsen• (bloemkroon ) dragend. — Maus (im'bjoe-lus), a. kleine trosnen hebbend Cosecant ,koesi'kent), s. medesnijlijn. Cosey (ko'zih), a. geborgen, wermpies, beha--its,
—ned (-mane), a. verwijfd; onbemand. —nered (-nurd), a. —forty (-nur-111, ►, a. & ad. ongemanierd, onmanierlijk. —neriineaa (-nur-11.), a. ongemenierdheid. Unmeasured (un-rne, joerd'), a. onberneat. Unmet keel (nu-msarkt'), a. ougemerkt. —red (-maard'), a. onbeschadigd. ongeachonden. —Tied ( meerid), a. ongehnwd. —ry (-mer'rih), v. a. scheiden. Unmasculine (un•mes'irjoe•lin), a. onmanne!ijk. Unmask (un- reaaek'), v. a. & n. (etch) ontmaekaren. —ed (-nunekt'e, a. ontrnamkerd;ongemaskerd. Uomast (un-mean;'), v. a. ontnuteten. —ed, a. sonder mast. U lamteaster able (un-maas'tur-lb1), s. onbedwingboar. —ed (-turd), a. onbedwongen. Unmatch (un-meter), v. a. ontparen. sebeiden. —able, a. weergaloos. —ed (-metejt'), a. wagspa ard; onvergellj kelb k, zonder weerga. Unmeen lug (nn-mien'teng), a. niete beteekenend; dweae. —t (-ment'), a. niet gemmed. Unaueaaur able (un-mesrotr-ibl e -mesrur-). a. —ably, ad. onmetelijk. —ableness, a. onmetelijkhaid. —ed (-nerd. -nod), a. ongemeten. Unlinked Hated (un-med'i tee-tid), a. onoveriegd, onoverdaeht. —dling (-Cleng), a. niet bemoeiztek, zich nlet iniatend. Unineet (un-inlet'), a. —ly, ad. ongepaet, ongesehikt (for). —nese, a. ongepastheid, ongeschiktheld. Unmellowed (un-mellood), a. niet murw, niet Unmelodions (un-me-lo'di-ua)...onwelinidend.
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]
onvermidcluk. a. —ately, (214..8 o. omerzadelukheid. --ety Insaturabie (in - sei.'joe - ribl), a. onverzadeliik, Inscribe (in - skrajb'), v. a. in-, opschrijven (in. on. with); opdragen Ito). loseript ion (in - skrip'sjun), s. opsehrift; titel; opdracht. —ire, a. met ten opschrift. Inscroll (in-skrool'), v. a. op eene rot zetten. Inscruta ble an - skroe'tibl), a. — bly, ad. ondoorgrondelijk —bility —bleness, a. ondoorgroiadelijkheid. Insculp (in - skulp'), v. a. insnijden, graveeren. —ture (-tjoer), a. ingesneden schrift, anijwerk. Inseam (in-aiem"1„ v. a. merken (mot een' naad of lltteeken). Insect (in'sekt), s. insect. —ile (-sek'till, a. inaectachtig. —ion •sek'sjun), a. insnljding. —ivoroue (-iv'ur-us), a. lnsectenetend. lnsecur a (in - se - kjoer'), a. --ely, ad, ouzeker, onveilig. —ity, s. onzekerheid, onveiligheid. Insemina te (in-semi-neet), v. a. bezaaien. (-nee'sjun), a. bezaaiing. Insensate (in-sen'set), a. zinnekpa, stomp. lessens& ble (in-sen'sibl), a. —bly. ad. oagevoelig, gevottioos (of. to). —bility —bleness, a. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (in - sen'sjent), a. gevoelloos. Insepara ble (in-aep'e-ribl), a. —bly, ad. onseheidbaar. —6itiiy —bleneu, onscheidbaarheid. Insert (in-curt' ► , v. a. inplaatsen, inlasschen. —ion (-sur'sjun), a. invoeging, inlassching; invoegsel. Inshnded (in - sjeed'id), a. geschaduwd. Insheil (in-sjell"), v. a, in eene achaal of schelp sluiten. InNhei:er (in- sjel'tur), v. a. beschutten. Insh•ine (in - sjraln' ►, v, a. Lie to Enshrine. s.binInside (in'esajel!, a. inwendig, binnen-. nenzijde. luridi ate (in - sid'i - eet), v. a. belagen, beloereu. ously. ad . arglisa. — a. belager. —ona, —ator, tig, belageud. —ousness, s. arglistigheid, verraderlijkheid. Insight (in'sajt), a. insicht. Insigssit. (in-sig'ui-e), pl. eere-, onderscheidingsteekenen. Insignifica nee (in-Sig - niPi - keno), — ey, a. onbeduidendheid. —t, a. —tly, ad. onbeduidend, nietig. Insincer e (in-ein-sier'), a. —ely, ad. onoprecht. a. oprechtheid. —ity Int;inew (in-sin'(oe), v. a. 7ersterken. Insinua nt (in-sin'joe-ent), a. indringend. — le 1-net), v. a. in-, opdringen, ingang verschaffen, (into); te verstaan geven; v. n. rich indringen; CCU' weak geven —'ion (-ee'sjun), a. bud-ringing; overreding; wenk. —tire (-e tiv), a. indringend; overhalend. Iublpld (in-cip'id), a. — ly, ad. smakeloos. laf. s. smakeloosheid. —ity (-si-pid'it-tih), lafheid. Insipl•nce (in-sip't-ens), s. yerstandeloosheid. Insist tin-sist'), v. a. aanhouden, aandringen, ataan op. (on. upon). — ent. a. our into rustend. —urn (-joer), a. standvaatigheid.
—ness, s. stilte, --ing , a. stilling; kalmte; etilewijeendheid. Stilt (mtilti), s. stelt. —bird, eteltleoper (vogel). —, v. a. op etelten zetten. Si traulti cal (rAtim'joe-lent), a. & s. prikkelen.d, opwekkend (middel). —te (-leaf), v. a. prikkelen; tram per.. —floe (-lee'sjun), s. Raneporing. —tire (- lee•tiv), a. & s.iea` tta>retel tint. —tor ( lee-tar),s. sanspourder. Sting (4ing), s prikkel; angel.; steek: 'kneeing. Sting (sting) [stung], V. a. ,,tet,on; kwetaen, grieyen. — less, a, zonder angel.. — eteek. sd —e i a.vrekkig. —iness Sting i,iy (-dt)i-neste, s.vreifkigheid. Stiogo (stintego), s. and (zwaer) bier. Stink (stisigle ',stank. Stink (stis , gk' [stunk], v. n. stinken. —art!, a. • nkerd. —er, s ,tinker. Stint (stint), a. bepaling, beperking; rnaat; grens; hoeveeleetd. —, v. ft. beperken,bekrimpen; tegerse, n. np , eouden. St Sipe istajp,, 9. steeirje. vie...enetengel. Stir cod (etsjipenti)_ s. bezoldiging. —, v. a. bezoldigen. —iary (-pee'di-e-rib), a. bezoldigd,loontrekkend; s. bezo!eligae, loont•ekkende. (siip'pi), v. a. & n,. etippen puneteerest. St Stip:nit-a te fetijejoe-leeti, v. a. bepalen, bedingen; • n. Lepalen, overeest komen. -ken (-lee'-seluiv, a. beveling; boding; verdrag. —tor, a. bedinger; verdrarmaker. Ati pet le (si i p"joel)., ft. bijbiad, bladaanhangeel. Stir (star), a. opachudd(ne, beweging; Koreas; verge,. -, v. R. bewegen; reeve's, omvoeren, verschteten; oppoken ; op 't tapijt brengen; opwekken, annvuven, v. n. zich bewegen, verreeren; opstaan; pleat, grijpen; in trek komen; (about) rondloopen; omloop zijn; (abroad. oat) stit,eaan. St Vet, (step. ), tr. eid•-appel- —wort, krnisk , uidStir-love (.itir'i-us!, a. ijskegeleelstig. St ir less (stueless), a. onitewegeiijk. —rer, a. beo weger; roery :; roer,tolc; St tett' (etic'rup), g. etijgbeugel. iron. —, ketplaat. ▪ of a horse, ringpaarden. —stocking, rij-, slopkous, St i (eh (stifsr), s. steek; stiknaad. change—, keaing—frt. steel, cross—, kruies seek. —took. brochure. lomgegaan, alt, to bead. —wart, kamille. — , v. a. & 0. neaten, Stikhen; innahlen; ventellen; (up) Mc:A.11/10m. Stith:* ( , tit.I .C11 4 ), n. aaabeeld. —, v. a. smeden. V. e. v,,:steppen; doen etikken, beet Stive —r,s. stui , er. f;toe.k (r!took), v. a. ,topress, oppoken. S tont 0,feet, .,. berinelijn, Si occatio (stok-kee - do), a. degenstoet. Stock (stok'e, s. stab, peal; Rtarri; blok; lummel; steel, band,:ateel; etropdas; onderlaag; vee, teestapel; gealseht; v oorraad; kapitaal, fends, sidle, effect; eels, Golf. —account, kapitaalrekenipx. --adventurer, epeculant in effecter'. —broker, nisikelaer i.n effeeten. —dove, houtduif. —exchange, effectenbeers. —fiats, etokviseh. —fowler, donderhue. —gilly-flower, iakool, vioiier. —grafting, epieetentieg, —holder, netie- bender, kapitIliet. —jobber, die windhandel drijft in effecten. —job-
bath. —kogel, atmosphere. —kringslucht, atmospheric air. —ea, on. w. to vapor, to emit steam; to smoke. —er, ro. smoker. —tg, by. fogey, damp, dampish, hazy; brokenw laded, pursy. —igheid, e.fogginess,dampishness, purstness. Den, bw. then. ate en. —, now and them, sometimes. —, ow. than, but. Dant g, bw. ..nucb, very. extremely. Dank, m. thanks, in —, guilefully, thankfully. — went, to thank, to acknowledge. — zeggen, to give Ito return) thanks. Gode stj —, thank (led. tepen soil en —, in spite of one's teeth, against the grain. — betuiging, —sagging, thanks. giving. —day, day of thanksgiving. —gebed, grace. —lied, song of thanksgiving. —offer, thank-offering. —bear,. be. & hoe. thankful (-1y), grafiful ik u I thank you. —Oaarlseid, v. thankfulness, gratitude. —en, or. w. to thank; to give thanks, to say grace; to refute; to — hebben, east, to be obliged (indOted) to... for. ik dank u (afictizend), no, I thank you. Dans, m. dance. aan den — geraken, to fall a fighting. den — ontspringen, to have a narrow escape. —feest,ball. —Aids, denting room. —kanst, (art of) dancing. —lee, dancing-isseon. —lied. daneing-tane. —Lustig, fond of d an ging. —meester,dancing-master. —part(j, dancing-party, ball. —pas, dancing-step. —echoenen, pumps. —school, dam. dug-reboot. —teekoning,chorography. — zaaf,dancing.room. —en, or. & oat. w. to dance. —er, m. —eree, v. dancer; pertner. Dapper, hr. brave, valiant, bold. —,bw, bravely, boldly; very much, heartily, at a pretty (flee) rate. —.held, v. bravery, valor, boldness. Darn', m. gut. den — vollen, to eat gluttonly. —been, iliac bone. —break, enterocele. -ScUling, Iliac passion, colic, gripes. — kanaal, intestinal canal. —kronkel, twisting in the gut.. —net, caul, kelt. —sop, chyle. —ached, mesentery. —*near, gut-string, cat-gut. —Wits, peritoneum. Dartel, by. & bw. lively, playful (-Iy), wanton (-Iy). —en, on. w. to wanton, to sport, to frisk, to d ally. —had, v. liveliness, playfuinees, sportiveness, wantonness. Das, v. neck-cloth, cravat. —, m. badger. —hond, basset, terrier. —genre!, skin of a badger. Dat, vnw. which. that. —, vw. that. Dateeren, ov. & en. w. to date. Datum, me date. Dauw, m. dew. voor dag en—, zie Dag. —droppel, dew-drop. —worn, ring-worm, tetter. by. dewy. Dnuwtl, v. lazy slut. —star, m.loiterer. —achtig, be. loitering, siovenly, —ary, T. loitering. —ea, on. w. to loiter. Danwen, on. w. to dew. Dever en, on. w. to shake, to quake, —end, hr. violent, loud. —kg, v. shaking, quaking. De, I. the. Deballoteeren, or. w. to black-ball. Debat ten, ce my. debate, discussion. Debet, be. & o. debit; debts; Dr (debtor). — ado, to owe. in het — brengen, to pail (to place) Leto the debit, to carry to the debit. - -s(jele, debit,

405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114


AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


v, erasure; to get over, to bring to bear. Doordring banes, by. penetrable, pervious, permeable. --6earkeido. penetrability, perviousness. rebuke. permeability. --ea, ov. w. to pervade, to per- Doorheen, bw. through. er —, through it. meate; to pierce ; to penetrate (into). on. w. to Doorbeet, be, thoroughly heats'', very hot. press through, to penetrate into. —end, by. pen- Doorbelpen, ov. w. to help through, to back; to run through, to diesipate. etrat: ng, penetrative, piercing, keen, acute, shrill, sharp. —endheid, v. penetrativeness, penetration, Dsattrhotivuots, or. w. Zoe Doorbakken. acuteness ; keenness; shrillness. —er, at. pene- Doorhuppelen, on.w. to Alp (to jump) through. Doorbuteeten, or. w. to jumble (together). , trator. —ing, v. penetration. Dooringen, ov. w. to drive (to chase) through; Doordrongen, by, (roe) impressed with. to dissipate; on. w. to hoot ott; to drive (to vide) oordroog, ov. thoroughly dry. very fast through. Doordrutpco, on. w. to drip through; to steal Doorkaketen, on. w. to continue prating, to away. tattle on. Doopodrukken, ov. w. to welts through. — out; Doorkeppen, or. w. Zie Door hakken. on. w. to blot; to continue to gall (ern petard), Doorkorven, or. W. to carve to pierce, to mines. prey sing, — printing. Doorkenvelen, on. w. to continue chatting. Doorduwen, ov. w. to push through. Dooreen, bw. one with another; pell-mell, con- Doorktjken, ov. w. to examine narrowly; on. w. to look (to peep) through. fusedly; upon the wole, on An average. Dooreenhaspeten, ov. w. to mingle confused- Doorklauteren, ov. w. to climb all over; on. w. to climb through. ly, to entangle, to huddle together. Iflooreenkluteen, or. w. to beat up together. Doorkielnzen, or. 'w. to strain, to filtrate. Dooreenloopoo, on. w. to run together ; to Doorkileaven, ov. w. to split through; to cleave. Doorkillinneen, or. & on. w. .Zie Doorklaurun pell-mell. — confusedly. t ergo. Dooreeninengen, ov. w. to mix together. Dooremnwerpen, ov. w. to Jumble (to huddle) Doorkluteen, ov. w. to beat up together. Doorknobbeien Doorknagext , Doortogether. finauwen, cv. w. to' gnaw through; to consume, Dooraten, oy. w. to eat through; on. w. to conto corrode. tinue eating; to make haste in eating. 2loorgaan, ov. w. to wear out with walking; to Door kneden, ov. w. to kneed thoroughly, — well. —leered, by. elaborate, highly finished; wellwalk (one 'a feet) sore; to peruse, to examine; versed, skilled (in). kneedlarid,v . great skill. on. NV, to go (to walk, to pass) through, to cross; to walk on, to mend one 'a pace; to steal away; Doorknoppen., Ov. w. to cut through. to elope; to take fright, to run away ; to wear Doorkokon, or. & on. w. to boll thoroughly. korner), on. w. to come (to get) through; Door off; to break, to burst; to pa. (veer, for); to take. to become general, to succeed, to be carried (60 to recover, to come (to get) off. —tenet, v. stemming,; to drag (van een onkel.). —d, by. con- passage, issue, event. tinual; common, 1111.1. —de bete, thorough bass. Doorkowl, by. quite chilled, very cold. Doorkrnbbelen, Doorkrabben, °v. w. to —s, bw. commonly, uenaliy. scratch open; to sers.tch out. Doorgaug, m. pavaoge, thoroughfare; transit. DoorkriUgen, ov. w. to get through. Doorgeleord, be. thoroughly learned. Doorkruiden, on. w. to season all over, to Doorgesiokaus, be. concerted, contylvtd. Doorgevon, or. & on. w. to give (to reach ; epics thoroughly. Poorkvelpen, ov. w. to creep through, -- ell through ; to continue giving, — dealing. over; to pry into; to wear out with creeping; Doorettet en, ov. on. w. to pour through; to on. w. to creep through. Percolate, to strain; to continue pouring, — (tastDoorkrasleen, ov. ay. to cross, to ramble over. ing. —inp, v. percolation ,. straining. Dootrictennon, on. w. to be able to get through; Doortelsece.„ oto w. to cOutimue termerting. to be tolerable. dot kan er niet door, that will 1PoorAlUden, on. w. to elide (to slip; through. not do indeed; I cannot put up with it. Doorgossa, ice. extremely good-natured. Doorgooless e ;ov. w. to throw (to fling) through, Detorlaten, or. w. to let pass; to transmits Doorlecrd, by. erudite. — out of; to break by throwing. Doorgrnv en,"ov. w. to dig* through, to open; Iloorietden, ov. w. to lend (to conduct) through. Doorisklbon, on. w. to drop (to leak) through. on. w. to continue digging. —ing, v open;ng. Doorgrfeven, ov.w. to grieve (to sting, to wound) nuorloven, or. w. to lice over, to pass. Doorlex en, or. w. to read over, to peruse; on. to the quirk. w. to read on, to continue reading. —en. by. read, Doorgroefen, on. w. to grow through; to conwell-read. —ing, v. perusal. tlnue growing, to grow on. Dourgrond en, ov. w. to penetrate (into), to Dooritrbten, ov. w. to light throogh; on, w. to lightening. fathom out. —er, en. eearcher. —leg, v. penetrat- chine through; to continue Doorliggen, ov. w. to gall (to make sore) with ing, penetration, fathoming. t. w. to be bed•sore. lying. sick Doorhakken„ ov. w. to hew (to cut) through, D *melts op, m.oassage, gate-way; lowness. to cleave; on. w. to continue hewing. or w. to run (to pass) through, to traverse; to Doorhat eat, ov. w. to pull -to draw) through, peruse. to run (to glance) over, to run sore, to to moieten, to site; to starch; to erase, to cross, wear off with walking; on. w. to run through; to to strike out; to rebuke, to lecture; to recover;
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.

465 Glerst, v. millet. —koorte, millary fever. —korrel, m. guesser. —leg, v. guessing, conjecture; estimatron. millet-corn. Gict, v. yeast. —achtig, by. yeasty, yeast-like. Gletel.ing, m. black-bird. Glet en, ay. w. to pour, to shed; to water; to en, on. w. to ferment, to rise, to as ork. —ing, v. fermentation. it pours. het regent dat het giet, coat, to found. —meter. bucket, pail. —Alas, foundery. —kunat, Glateren, by. yesterday. — avood, laA night. foundery. —lepet. casting-ladle. —trecater, cast- Git, v. & 0. jet. — zwart, jet-blank, jetty. ing-funnel. —vat, ewer, watering-pot. —vrrm, Gitsehr, v. guitar. casting-mould, proplasm. —er, rn, pourer; found- Gittesorn, v. Zie Guttegona. er; watering-pot, watering-scoop. —era', v. found- Witten, bv. Jetty. ery. —ing, v. pouring, watering; casting, found- Gliatataiss, a. little gluts. het — lichtert, to tope. under ten zitten, to crack a bottle. — op den lug. —set, o. cast. valreep, parting-cup. Calf, o. Zie Gift. Glad, by. smooth, bright, polished, sleek; olipGift, v. gift, present, deflation. poisoned pesy; plain; cunning, sly. eerie —de tang, a flipGift, o. poison, venom, bane. — baker, cup. —meager, poisoner. —werend, Antidotal. —kg., pant tongue. een —de atjl, a smooth (fluent) by. poisonous, venomous, deleterious; slender- style. —bek, beardless youth; false jewel, 'mitaing. tion-stone. —boenert, to scour bright. —makes, to smooth, to polish. —stager, hammerer. —skiGU, vnw. thou, you. ye . —lieden. you, ye. bw. entirely, totally, cornlii,jbelen, on. w. to snicker, to titter. pen, to polish. afaaan, to give a flat refusal. pletely. iets ea Uk, v. Zie filek. GUI. o. 'wort. —bier, beer in the cooler. —kuip, —dighsid, v. —held, v. smoothness, hrightnete; cooler. —en, on. w. to ferment, to work; to be slipperiness; cunning, slyness, —meg, bw. Zie Meld. greatly desirous (of). —big, v. fermentation, GAnns, m. lustre, splendor, radiance, brilliancy; moderate desire. Lrightness; gloss. —steer, polisher. be. taljn, o. tackle. —balk, cackle-beam. —tour°, bran. respieneent, radiant, brilliant; glorious; bright. ti tip, v. ehiverinr. —en, on. w. to gasp; to shiv,r. —rtjkheid, v. reeplendency, radiance, brilliancy; GU eel ans., In. hostage. —en, ov. w. to imprison gloriousness; brightness. (for debt). —brief, warrant (or arresting a debtor. —korner, prison for debtors, spunging-house, Glenz en, ov„ w. to polish, to calender, to set a gloss upon; ou. w. to shine, to sparkle. —er, —recht, right of imprisoning for debt. —ing, v. m. glosser; polisher. —ig, be. glossy. —igheid, imprisonment for debt)- v. glossiness. ti II, m. shriek, esrearn, yell, sharp cry. Gild, Glide, o. euild.:corporation. —oe, very fat Gloss, o. glass; window-pane; hour-glass, hair an ox. —et'ier, beer of a guild. —ebode, —eknecht, hour. — blazes, to blow glass. —bluzen, glassmaking, glas-blowing. —blazer, glass-maker. beadle (messenger) of a guild. —eboek, register glass-blower. —bfezerv, glass-house s glass-works. (rolls of a guild —ebrief, bill of incorporation, charter. —eOroeder, freeman (member) of a guild. —gal, glass-gall, sandiver. —gordvn, window-chute; —ekaster, hall of a gelid. —emeester, curtain. —hamlet, glass-trade. — huts, glass-house. piaster (foreman, deacon) of a corporation. —e• —koraal, glees-bead.. —kruid, pellitory. —cog, penning, medal of a guild. —erecht, rights (laws) glass-eye; wall-eyed horse. —oven, glass-furnace. of a guild; risht of being incorporated. —roam, glass-window. —ruit, pane. —scherf, shiver of clam —schilder, painter upon (0111 an, ov. w, to saw slanting, obliquely; on. w. to shriek, to ecream, to yell. —er, m screatn- —schuint, frit. —1 7 ijper, glass-grinder. —sntider, —vocht, vitreous humor (of the eye). V. shrieking, screaming. —inghout, glass-cutter. or. — lag, —week, glass • work, glass-wares. —minket, g lasso. timber sawed obliquely. Gludotr, Glade, by. yon, yonder. glide en weer, shop. —achtig, by. vitreous, glassy. . Glnsebarzout, o. Glaubefe-salt; sulphate of to and fro; for a moment. GIndech, yon, yonder. GInnesinp pen, on. w. to titter, to chuckle, to Ginien, be. glass, of glass. —deur, glass-door. —kas, cupboard with glass-doors. —maker, glazier. giggle. --per, in. —ater, v. giggler. —apuit, squirt to clean the window-panes with. G issislikers., on. w. to neigh; to sneer, to rin. Gips, o. gypsum, psrget, plaster. —afgieteel, Glazig, by. glassy. —held, v. glassiness. plaster-east. —beeld, figure of target-atone. Glatzunr, o. glazing; enamel. —brander, plaster-maker. —brandevij, —oven, Girls, by. glazed, varnished. —were, glazed wares. plaster-kiln. —gieter, plaster-caster. —kalk, par- Giant", y. groove; furrow, ravine• get-lime, plaster. —norm, plaster-mould. —werb, Glibber en, on. w. to slide, to slip. —ig, slipperiness, slippery. planter-work, stucco. —werker, plasterer. —act:. bv. of piaster. —en, on, Gild, o. —kruid, yarrow, milfoll. tip, be. gypseoue. w. to do over with gypsum, to plaster, to corer GIU den, on. w. to glide, to slide. —bean, slide. GitutRech, m. smile. —en, on. w. to smile. with plaster. GIs, v. guess, conjecture. bij de —, by guess, Gitlin wens, m. w. to glimmer, to glow, to gleam. —hout, touch-wood. —norm, glow-worm. guessingly, at random. Glap en, ov. w. to blame, to reprove. —er, tn. —mend, by. glowing, shining, bright. Glimmer, m, glimmer, mica. —aarde, micaceous blamer, reprover. —ing, v. reproof. GIBB en, Os. & on. to guess, to conjecture. —er, earth, mica.
CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte,
v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e
Blissquernsdee (met-kur-eed'), s. utatikerade; verMarried (mer'rid), a. gehuwd, ecittelija. mommilag. Marroon (rner-then'), a. kastanjebrurn. a. menu, hoop; mil- —book, minMarrow imer'ro), s. merg; (het) beste, kern. Manna (mites"), a. boek. —priest, mispriester. groote erwt. -bone, mergpijp. —fat, Massacre (mes'se-kur), s. alachting, bloedhad. zonder merg. —y, a. mergrijk; pittig. v. a. vermoordeo, ombrengen. Marry (meerilt), v. a. uithuwen; v. n. buwen, Maaseber (mes'se-tur), e. kanwspier. zebrr! trouwen. —, int. vvaarlijk 1 Marsh (marsh, a. moeras, noel. —bilberry, woe- Massicot (mes'sl-kot), a. loodgeel. Mans' mess (mes'si-nes), —ittenese, s. rnassiefheid. —crowrood Nijfrietorkruid. rasbee. —cinquefoil, foot, watereppe. —elder, waterviier. —fever, moo- —lye, —y, mas3ief, gedegen, dlcht; stevig, raskoorts. —gentian, longbloem. — ground, moe- zwaar, plomp. (veer rassigegrond. —groundsel, aschkruid. —horsetail, Minot imaast'), a. mast; meat-, bosehvoeder varkeno). head—, groote mast. —beans, zeilbalk. moeratisig land.—mallow, poelkannekruid. den meet. —head, top van maluwroose —marigold, waterhoefblad. —mint, —coat, broeking orn nornmer —hound, masthead. —imp, waterden mast. tuinmunt. —moss, stermos. —pennyworth, navelkruid. —pine, pnelden. —rocket, poel-, van den mast. —ed, a. bemint. jongsheer; opperkoortsklaver. —samphire, gluts— zoutks aid. —tare, Master (maaetur), a. meeater;—of the horse, 'ital. heer. poelwikke. —titmouse, poel-, ',traces. —trefoil, achipper; (mis'tur), de equipage-rnee,,ter, havenmeeater. —attendant, waterklaver. —worm, waterworn', -poliep. —builder, bonwrehipperaboek. —book, Marshal (maar'ejell, a. maarsehalk; opzierter; meeater. kon—gunner; sehippertrhut; —cabin, v. a. 'Toler', rangschikken; leaden. meeater. provoost. naeesterhand. —key, looper. -ler, a. beachlkker, rangschikrzer. —skip, a. stabelmajoor. —hand, —lode, hoofdader (in eeae mijn). —piece, meesmaarschalksahap. terstuk. —pit, looierskuip. —shipbuilder, se'leepsMarshy (maarierth , , a. moerattnig. Marsupial ( mer-sjoe'pl -el), a. buideldragend , bouwmeester. —sin, erfzonde. —sinew, hoofdpees. —string,hoofdanaar.—stroke,nAesterwark.—teeth, a. baideldier. kiezen. —touch. (de) imitate hand. —work, meesMart (maart), a. re.'arkt; vertier; l:ory terwerk. —wort, meesterwortel. ittartmgou (maar'te-gen), o. wilde lelie. Master (maas'tur), v. a. vermeesteren, bedwinMartello (mer-telgo), a. alarers;osen. gen; goad uitvoeren; v. n. uitmunten. rful, a. Mortsn. Marten (maar'in), a. Martial (maaesis1), a. krijohaftig, krijga . —fully, ad. gebiedend, gewelddadig; nteesterlijk. —caurt,krijgsraad.— law, krijearecht. — particles, —less, a. zonder meeater; onhandelbaar. —like, kjzerdeelen. a. meesterachtig, —linen, 0. meesterlkjkheid. — ty, meesteroehap. Martin (maar'tinl, a. /eerier; 11111111,WalUW. a. & ad. meesterlijk. —ship, a. —mc, (-mere, a. St. Maarten. —y. a. heersehappij; rneerderheid; bekwaarnheid. Martinet (maar-ti-net'), a. huiszwaluw; streug Blita:145 (mes'tik), a. mastikboom; -gore. —ate (-ti-kze'ejun), —ation (-ti-beet), v. a. kauwen. bevelvoerder; detnpeording. a. out to Martingale (maar'tin-geel), a. springriem; spaan- a. kauwiag. —atory kauwen, kauw-; s. kauwinithid. ache cutter. —stay, nevelateg. Mart let (maartnit), s. Pie Martin. --nets (-nits), Mastiff (eaaaetif), a. bulliond, bandhond. Mastless (maaseleas), a. zonder marten; zonder pl. nokgordingen, geitouwen. g. a. mar- eikels. Martyr (matuitir), a. martelaar. telen. —dam (••durn), a. rnartelttarsehap, mantel- Masalin (meelin), s. Zie hood. —ology (-ol'ud ajih), a. geachiedenis (hock) Mastoid (meetojd), a. tepetvoemte. Mesattsitsgy (men-tol'ud-zjih), a. natuurlijke hisher martelaren. ver- torte der zoogdieren. Marvel (maaevil), a. wonder. —, v. n. mestvoeder. wonderen (at). —lour, a. —lously, ad. (-las.), Plenty (rnattletili), a. lijk earl wonderbaar- Mat (is -1.V), a. mat. —bed, matraa. —weed, matwonderbaar. —loosneos •v. a. met marten bedekken; vlechten. , bies. lkjkheid. s. matador. Mary (mee'rih), --bud, a. 'die Marigold. --mss Matadore (met-e-door'), Match (metT), a. zwavelstok, lent, wedstrijd; (-mes), a. Maria-boodschap. huwelijk, partij, -weesergade,atel. —box, lueifersMantle (mes'kl), a. cult. —lock, moistzwavelstokkenmeisje. dooa;e. —girl, MikaCtIMIC (meekjoe-liu), a. inanne:ijlt. -fleas, slo. —maker, vervaardiger van lucifero of awes. mannelkikheid. Ighsh (mssr), a. menelmoett; paardendrank; apoe- velstokken; koppelaar. —paper, haneuregister. line. —, v. a. mengen; brouwen. —ing-tub, snout- —tub, kardoeskoker. —, v. a. evenaren; opgekuip. —y. a. gemeugd. wassen ztjrs tepee; ten huwelijk geven; v. n. WHO( (maiskl, s. masker, mom; maskerade; trouwen; overeenkomen. —able, a. vereenigba ,tr, dekmantel, voorwendsel. —, v. a. & n. (zieh) geachikt. —less, a. weergaloos. —lessttess, a. weermaskaren, vermomeaen. —er, a. gemaskerde. galoosheid. Mate (meet'), a. achaakmat. —, a. maat, mak—tap, s. maskerade. MeNlitn (meth"), a. gemengd, half om halt. ker, helper, gade; mannetje, wijfje; etuurman. a. ongepaard; —b; cad, s. masteluin. —, v. a. sehaakmat mitten. —less, Mason (mee'sn), a. metselaar; vrijmetselaar. —ic minder moat of helper. (me-son'ik), a. van he vrijmetselarij, vrkjmetse- Mat ?Oaf (me-ti'ri-el), a. —1y, ad. atoffellik; gewiehtig, wezenlijk. —ism, a. materialismus. —ist, loans . — ry, H. metselwerk ; v rij aretee I arkj.
zieh. rir,hten. —er, a. aankleeder; kapper; bereider; aFrichter; keukentafel. —ing, a. aankleeden; toebereiding; verband; —box, kapdoos; —glass, toiletspiegel; —gown, kamerjapon; —room, kleedkamer; —table, kaptafel. —y, a. opzichtig gekleed. Dribble (drib'131), v. n. afdruppelen; kwijnen. —t, a. kleine soul; kladachuld. Drier (draj'ur), a. oparogend Drift (drift'), a. aandrift; ophooping; stream, geweld; atrekking. — of ice, drijfijs. — of sand, bewegend zand. — of snow, sneeuwstor ►n. —wind, stormwind. —wood, drijfhout. —, v. a & n. ophoopen, bijeendrijven. Drill (drill, a. drilboor; voor; greppel, beekje; exereitie; aap. v. a. boren; voortaleepen; aftappen; zaaien (met eon' zaaiploee); dril len; voor den gek houden; v. n. zacht vioeten. —bow, drilboog. —box, zaadstrooier. —plough, zaaiptoeg. Drink (drink'). a. drank. —money, drinkgeld. —offering, drankoffer. Drink (drink') [drank. drunk], v. a. & n. drinken; zuipen; (away. down) weedrinken (verdriet). (in) inzuigen. (off. up) opdrinken. —able, a. drinkbear. —er, s drinker. Drinking (drinkleng), a. (het) drinken; dronkenachap. —bout, —match, drinkpartij. —cup, drinkbeker. —glass, drinkglam. —gossip, drinkdrinklied ster. —horn, driukhoren. Drip (drip'), v. a. bedruppelen; v. n. druipen. —ping, a. braadvet. —ping-pan, braadpan. —pingstone, leksteen. Drive (draj,), s. rit; rijtoertje. Drive (draje), [drove (droov). driven (driv'n)_l, v. a. voortdrijven; rijden, mennen; noodzeken; errv °Igen- (away) wegdrOven. (back) terugdrijven. (in. into) indrijven in. (off) afdrijven; uitatrllen. (on) voortdrijven. (out) uitdrijven. (to) drijven naar; aanzetten tot. —, v. n„ drijven; rijden; beoogen. (against) zich richten naar. (at) van zinc zfin; in het achild voeten. (on) voortsnellen; eprijden. (up) voorrijden. —r, s. Edrijver; voer man; § slavenopzichter. Drivel (driv'v1).... never, kwijl. —, v. n. zabberen, kwijnen. —ler, s, kwijlbaard; dwaaa. Drizsl e (driVz1), s. stofregen. —e, v. a. in fijne droppels doen vallen; v. n. motteren, stofregenen. —y, a. motterig. a. grapDroll (drool'), a. snaaksch, kluchtig. v, n. grappen Timken, penmaker; klucht. schertsen (upon, over). —ery, a. boerterij, seakerij. Dromedary (drum'e-de rih), a. dromedaria. Dross e (droon'), a. hommel; luiaard; gegona. —e, v. n. gonzen; luieren. —ish, a. traag, vadzig. Droop (droop), v. n. nederbangen, kwijnen; bezw ij men. Drop (drop'), a. droppel; oorbel. —serene, zwarte steer. —stone, druipsteen. —, v. a. laten droppelen; beeprenkelen; laten varen; laten vallen. to — anchor, het anker laten vallen. (in) indroppelen. v. n. druipen; calico; vergaan; ophouden; verdwijnen. (in) binnen snellen. (off) vallen; zijn' post verliezen; verminderen; titeryen; etil heengaan. —let (-lit), a. droppeltje. —ping, a. afdruipsel; val. —pingly, ad. in droppelt, -8, a. droppels (artsenW; tabletjes.

illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler

Kan Bitcoins worden gehackt


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]
diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.
produce of the country, fruits of the soil. —weer, general levy of the people; dike. —snag, highway. . —werk, tillage. —wind, land-wind, -breeze. —winning, conquest. revenue of lands. ,—mat, —.satin, native —oaken, pubric affairs. — sickle, epidemical disease, epidemi c. —eight, rural prospect. —sheer, lord of the manor. —shuts, house for the assembly of the states. —aided, native. —ekneeht, soldier, lansquenet. —elcieten, taxe, of the coentry. --eioedes, countrymen. —surUse, custom of a country, Laindelljk, by. agreetic, rural, rusticot. —held, v. ruralnese, countryliire appearance. Landers, ov. Jt on. w. to land. Litraderig, by. wearied, sick and tired, lowspirited. —held, v. weariness, being sick and tired, low-spiritedness. Landers Vete, v. my. fields, grounds. lauded estate. Landing, a. lending, deecent. —eptaale, landing, place, —troepen, landing-troops. Landouw, v. field, country. Landsebap, o. province; landscape —eckilder, Ian &gape-paint er. latianneernarts, bw. towards the land, Lang, by. long; tell, high. — van edam, longwinded. bw. long, a long while. aedert —, long since. —Irciardig, long-boarded. —been, m. & v. long-legged person; V. father long-leg. —Seenig, having long legs. —dradig, prolix, tedtous, tiresome. —dradigheid, prolixity, tediousness. —durig, lone, ;tiering, durable. —durigheid, length, lastingness, durability. —hate, m. -& v, tong-necked person; v. long-necked bottle. —halsig, long-necked. —hand, long-handed parson. —handig, long-handed, iongimenotie. —harig, long-hatred. m. & v. chinned person. —lenders. m. & v. long-waisted person. —leveed, —levendkeid, lorgevity. —Wag, longwaisted. —news, rt. & v. long-nosed person. —oor, v. long-eared person; an. ass, master Grizzle. —toad, in. & v. long-toothed person, sweet-tooth. —tong, m. & v. blabber, tell-tale. —rverpig, oblong; — rend, oval. —werpigkeid, oblongness. be. & bw. tedious (-1y), longsome. —putiligheid,, tediousness, i_ongromenee, Langachtig,bv. longish, rather long. Langen, ov. w, to reach, to hand. Le,ngett, v. thread-lace. • Langheld, v. longneee, length; tallness. Lungs, vs. along. tamget, by. & bw. longest. op eirn —, at longest. —1svende, longest liver, survivor. Knennnantre, rv. & bw. slow (-13), tardy 1-ily), liugering (-Iy). v. slowness, tardiness. Lanweennerttnnd, hw. by degreee, gradually. Lan Utnoedig, by. forbearing. long-suffering, longeelmoun bw. patiently. —hsid, v. forbearance, longanineity. Lana, v. lance. --icr, act. Lancer. Lantuttra, Lantaren. v. lantern; glass-roof, sty-lieht. Made —, dark lantern. —drage; len. tern. carrier; lantern-fly. —geld, lanteru-money. —opsteker, lamp-lighter. —peal, lamp-post. Lanterfant, m. idler, loiterer. —ex on. w. to idle, to loiter. —oil, v. idling, loitering.

don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
bawler, blusterer. —er, —erd, m. register, list, CAt alegue. Blafisaken, on. w. can Zie Bissaskoken, sax. liteik en, ov, w. to asoren, to singe; to bream; on. w. t6 burn, to he inflamed (with). —end, be. burning, ardent, inflamed. —er, in flat-, handeaudlestick. —erns, ov. w. to scorch. ;Amen, o. is —, in blank. — krediat, credit in blank, open credit. Munk, be. white, blank; cloan,bright, shining; naked, bare; drowned, overflowed. —, in. blank, six•doit-piece. twee —en, a penny half-penny. Blanket done, v. paint-box. —eel, o. paint, cosuteri, —ten, ov. w. to paint; siee t. w, to paint one's face. IDItinskb el d, v. whiteness; brightness; purity. Blares, on. w. to blister. Ilitaten, on. w. to bleat. Bleuw, ha. & o. bine. — nog, black eye. het laten, to leave (a thing) no it is. —e btoempjes. stories. —s boodsekap, —e uitriucht, idle pretext, poor (pitiful) shift. — elstante kijken, to look blue (over, on). ergens — a fkomen, to be deceived in one's expectations. —board, bluff-beard, bugbear. bes, bilberry. —boekje, libel, pamphlet. —Isom, blue-stocking —oogig , hlue.eyel.—schuit, scurvy. —steen, iazulite. —verve, bine-dyer, dyer in blue. —met, gerfalcon, issuer. —mar, Prussic acid. —.hag, by. bluish. —en, ow. w. to blue, to dye blue; on. w. to grow blue. —held, v. blur11,188; lividness. — sel, o. emelt, blue-powder. —tje, o. inn loosen, to be refused, to get the slip. —tjes,bw. coolly. Matz en. or. & on. w. to blow; to sound (de tvomp,t);to .vind (den horen), to play on (the flute); to huff (eerie elanach(jo; to ewarger, to brag; an de bus —, to pay a fine, to come down. —earn. blower;huffer. Blrszueu, o. banner; cost of arms; blazonry. Bleak, v. bleaching; bleachery. —loon, bleacher's by. pale; light, Yee. —veld, bleaching-field. feint. sucht, greets sickness. —achtig, by. pallets, somewhat pale. —en, ov & on. w. to bleach, to blanch. -es, m. —erin, —ales.. v. bleacher, blancher. —er)), v. bleaching; bleacbery. —era/road, mastiff, bandog. —erd, m. pale-red Rhenish wine. v. paleness. 111.1, a, Way, bleak. b'ain, blister. Me. v, tore-luck, blaze, white spot. —, m. horse (with a blaze) Bleu, bv Zie Blond. Wick, v, Zie Hilide, a. be: tista. MU di., so . & bw glad (of), gladly, pleased (with), joyful (-ly). — dee4ap, Y. gladness, joy, joyfulues. —eindend, br. tragicomical; --tr.,. epel, tragi-comedy, —veettig, by. & bw. jovial ly), cheerful (.1y), merry (-11y). —geestigheid, v. joviality, cheerfulness, mirth —head, a. gladUP., joyfulness; vrijheid iiberty above all. ltILjk, o. token; proof., evidence. —bans, by. & bw. evident 1.1y), clear (-Iy), ananifest (-1y), °bad... -1y) —baurhe'd, v. evidence, clearness, obviousness. —en, on. w. to appear (from), to be eatdent, — obvious; (loan —, to show, to prove, to
Coinbase is a all around awesome platform to quickly and swiftly get into the world of crypto assets. Trusted them from day one and so far so good ! The only negative situation I have encountered has been 1 . I bought $25 dollars of bitcoin and was charged twice but only got $25 worth of bitcoin .... contacted coinbase and that very same day got a email back from them saying they knew about the situation and that they where on top of it because it happened to more people that week... a day or two pass and I received another email saying my problem was resolved..... it wasn’t and still hasn’t been resolved! Thank God I only bought $25 and not a lot more ! It’s $25 I’m not going to be after anyone for that little amount of money but it definitely impacted my good experience with coinbase and their over all standing with me , my friends and my family after this situation that has still not been resolved .

De verzekerde wil het beveiligingsbeleid toepassen dat voor de groep besloten werd met behoud van de specifieke behoeften en de autonomie van het beheer in elk filiaal op basis van het bijzondere profiel van de debiteurenportefeuille (franchise, verzekerd bedrag) van elkeen en het financiële vermogen om deel te nemen aan het programma (premie). tc-re.com
266 ken. the narrow — a, het engeleche kennel. — action, zeegevecht. — anemone, zsenetel. — bunk, zeeoever; seedjjk.—bar,zeezwaluw. — battle, zeeclog. — bathed, dour de zee beepoeld. — beast, seernormer. — beat, — beaten, door de zee geteisterd — bee., zeebrems •—belt, seegrhs. — bind-weed, zeewinde. — blubber, seenetei, kwal. — board, a. zeekust; ad, zeewaarts. — boat, zeesehip. — born, door he are voortgeb racht;op zee geboren —bound, door ele zee begrened. — boy scheepsjongen. — breach, inbreking van he zee. — bread, scheepsbesehult. — breaks, El. branding. — breeze, zeewind. — brief, zeebrief. — built, voor de zee gebound, — burning, (hit) doen stranden (van eon echip). — cabbage, — cafe, gladde zeetooi. — calf, zeekalf, rob. — campion, zeelijmkruid. — cap, schippersmuts. — captain, seheepskepitein — card, windrooe. — carp, zeekarper — cask, zoeton. — cat, hondsbaai. — celandine. sehelkruid. — chart, zee kaart. — circled. door he zee ingesloten . —coal, ateenkool. — coast, zeekast — rob, seemeruw. — cork, zeehaan. — cock - roach,; zeeduizendbeer. —co/ewort, zeekool. —compass, zeekompaa. — coot, zeedulyel. — cow, seeker, we1rus. — cot, zeespin. — daffodil, zeelelie. —damaged, door zeewater heschedied. — dog, zeehoed rob. — dotterel, zeeklerit. — drag, zeebeslog (ttan echepen). — dragon, zee iraak --drake, zee kra ai seedend. — eagle. zeeurend. — ear, zeeeor, —eel, zeeeal — egg, zeedi. ,engagement, zeegevecht. —expression, ze,mansnitdrukking. —fairy, zeenimf. —fans, pi. zee. mos — facer, zeevaarder. — faring, zeevarend, —fencible, kustw achter. —fennel , zeevenkel seetileg. —fish, zeevtvch. —forces, p1. seemacht. —fowl, zeevogel — gage, — gauge„diepganie. — garland, zeebloem. — gate, hoite tussekea twee golves. — girdle, seespons. — girt, door he zee onrringd. —god, zeegod. —gown, sehipperept. — grape, zeebies. —grass. zeeeres. — green, a. zeegenes; a. steenbreke. —gudgeoa,seegrnudel. gull, zeemeee w. — hare, kieuw worm. — hedge - hog, zeeeget. — hen, zen corn. — hog, bruinvisch. —holly, hraakdiatel. onbewoond eilond. — horse, zee-, nijtpaard. --lacee, pl. zeedreden. —/ampeg, geoote zuiger. — langazge, zeenaanstaal. — lead, dieplood. — leek, seeajuin. — legs, p1. zee'eoeten. — letter, seheepspaapoort. — latucee, wolfernelk. seel•euw, — loach, nijlerondel. —tongs, pi. seeachutm, zeelong. — loom, boutvleueel. — maid , Ineermie. —man , woman ; matrons. — manship, zeevaartkunde.—map,zeekaart.—niark, zeebaken. — martin, zees wal uw. — mew, zeenaeeuw. — monster, seeeionster. —moon, zeeeter, -mean — mos, koraelplant. — needle, zeen.ild• — nettle, seen•rei. —nymph, zeenimf. —oak, .teeelk , —officer, zeeolficier. —onion, zeeejuin. — ooze, zeemodder. — otter, zeeotter. —pad, zeester. --panther, zeepouter. --parrot, zee papeerai. — partridge, seepatrijs; tong. — pheasant, zeefezaat. —pie, zeeekster, -anip. — piece, zeestuk. — pool, zoui,e. — port, zeshaven —pudding, zeenetel. seeheurn. — purslain , etriakrnelde. — quadrant. Jaeobestaf. — quince, zeebal. — risk, zeegevaer, — robber, zeeiuover. --rocket, zeere.ket. — room, ratite zee, — rover, zeeroover. — ruff. zeebrasem. — rush, zeebies. — salt, zeezout. — samphire, zee-
481 Ifoovesaaor. m. farmer. 11114eetewei I, v w. though, although. Floozee, tow. huzzah! humeri Ilicsozoor, hw. bow much. —, vw. though, although. o. court. zijn — liof. in. yard, court-yard. snakes bed, to pay (to make) one 's court to, to court. open—, open table.—arte,eourt-phyeician. —borAier, barber in ordinary. —hediende, officer (servant) at court. —dame, lauy of honor. —dienst, cottrt•serviee.—gebruik, court-etiquette.— perecht, —kanser, superior court of justice. —gezin, courtiers. —howl, mestiff, watch-dee. —heeding. court; state. —jonker, page. —jeer., maid of honor. —kaneelier, court-chancellor. —kapel, coart-chapel.—kapelann.—prediker,court-chaplain. —komijn, caraway. —deem, court-life. --wester, steward. —meesterschap, stewardship. —nor, court-jester, fool, —road, privy council; privy councellor. —roan, court-mourning. —,tad, rendence. —etede, farm, country-seat; —anker, sheet-anchor.--atoet, retinue of a prince. —svocht, guard of the court. —Igoe/der, yeoman of the guard; watch-dog. —vesper, courteeineer. Hvelfollik, be. & bw. courteous (-1y), genteel (-1y). —held, v. courteousness, courtesy, genteelness. IIssfje, o. establishment for o'td people. Hok, o. pen, kennel, 'sty; dungeon; dock. —duif, tame pigeon. —itentin, tame rabbit. —rest, homekeeping. Hokkeling, m. & v. calf one year old; overgrown soy. — girl. Hokken, on. w. to squat, to crouch; to renounce 't kaartspel), Aet kohl, there's some obstacle; it. won 't do. o. hole, hollow, cavity; don, cave, cavern; dead (ran den noelet). cc — rakes, to take fright. to run away; to take bad courses; to be wend,ing, to go a wool-gathering, to be perplexed. — over bol, helter-skelter; head over heeds, precipitately. lloi, hr. hollow, empty, deep, concave. —ader, vena CSC!, —beitel, —ijser. gouge. —blok, wooden shoe. —60/140, faeetioue, comical, droll. —boa, glutton. —buikig. empty-bellied, gluttonous. —keel, chamfer; glutton. —oogig, hollow-eyed. —rend, concave. —rearbleid,concavtty.—wangt(g, hollow-checked. -WOrt41, hart-wort, birch-wort. —achtig, be. somewhat hollow. vy., head over lioldordebolder, bw. topsy-turvy, heels. Holheld, v. hollow nese. 11 ollav, tow. bode! hold Holies, on. w. (to take fright and; run away; to wander, to rove, to riot. to revel. Holligheld, v. hollowness, cavity. Holster. tn. holster, rate. Hone, v. hollow, cavity; pit . Horn, v. milt, soft roe I trill. —bears, renter, uott•roed perch. —bokking, soft•roed real herring. Houttntl, m. drone, humble-bee. Hommel en, on. w. to ham, to beet. —lag, v. humming, buzzing. Hammer, nt. milts,. —gat, sheave-hole. Hong), v. lump, lunch. Hompel ear, ra. limper, hobbler —en, on. w.
(WV RUA, 59 Rove (roov',, v. a. doorzwerven; v. n. rondzwal- Rufous (roe'llth), a , .• "d 3 cli t i ,, • ken. —r, rs. zwerve,; seesehultiter. (rug'), S. duffel; ruwe 4eken; kleedje. How (ran), e. rumoer s , tandie. —, v. u. Veren. Rug I A. —gedly, ad. (-01.), TuIg; hobbc11 ,7; ruw; wret”r, How (ro'), a. rlj —, v . a, & u. roelen. —barge, knorriti. —Deanne, s. ruigte; ruweeirt; bareehhetd. — boat, roeischuit. —lock. roeiklamp. t Hug lice (toe'd4jlen), a, 1),,, endvrvidl, raw. - ose poort. —er, a. rooter. (-goo*'), —ous (.gua),: a. timpslig. —osity Rowel (rauw11), s, raderne; helon (heartinuer). -it-tiht, a. rimPel , g'heldv• seta' setup zetten. rRuin (roe'in), a. vsl, verve), instorting, Roweu e, stoppelveld; nagroa. gang; verderf; puintloop. —, v. a vei'woesten; te Royal (1'0' 0 1), ad. koninklUlt. gronde rienten; in 't verderf *torten; v. n. vers. koningagezindheid, —ist, e . koningagezinde. vallen; instorten; to gronde xattn. —rm.', R. - cue ( -APO, a. koninklijk waken. —ty, —ously, ad. bouwvallig; verdeetelijk. —ousnese, koningsehap. bouwvalligheid; verderfolijkheid. Rub a. wrijving; steak; oneffenheld; zwa- lute (roe)'), a, liniaal; duitnntok; regel, orde, rirheid, hinderpaal. stone, wetste,n. —, v. a. voorsehrift; model; riehtsnoer; reseering. —, v. a. wri,jven; achuren, polljaren; kw enen, hinderen. het,linieeren; regolea; regeereu (over), —r, (down) roskammen; afurekiv,n. (off) afwrijveri. ocher; bestuurder; linleal. (out) uitwissehen. (up) gbvd wr,jven; opwekken. (rum), a. zonderilog. ouderwetoch. - v. n. wripen; ren eon' we bonen. —bee, s. rum; dorpspredikant. wriiver; wrkjflan; viji; alijpstetn; robber; India Rombi a, (Turri' ►l.1), B. gerommal, geotommel; goat-eiflatlek. N. puin; afval, vaunts; —e, V. n. zitplaate (achter een prullen. len. —ing, a. Zia Illosube.ie. Itubeerent (rue-bes'sent), a. roodwordend. fiumllit. ttt (roe'ml-nent), a. herkauwend; IFitobl eon (rue' R. roahont. —rood (-kun)), herkauweod dicer• —te ( - nrst#, v. a. & a. roodachtic blezend. --ed (-WA), a, robijnrood. kanwen; overpeinz,n (on. upon , . — tion —.fie (-birth), a. roodmakend. — fy (-fa)), herkanwing; overpeinzang. —tor (-ueeA. ajuu), rood waken.

--tine, ( - ee'sjun), a. sehatting; waardeering. - ter Vaean cy (vet'ken-all,), a. leagte; ledige ruimte, (-ee-tut), a. echatter; watudeerder. ledige tajd; itenate; opngevallen betrekking; -. v. a. achatve,cantie; gedaehtenloosheld„ -t, a. ledig, onbe• Value (verjoe), a. waarde, ten, Iv aardeeren: aehten; in waarde evenaren; vetzee; onvervuid, vacant; geduchtenloos. gelijken. - one's self upon, zich laten voerstaan Vaea th (ves'keet), v. a. a:Amin:en; opgeven; to op. -, v. a. (on upon) trekken, afgeven op. &Jet doen. -action (ve-keb'ejun), a. aitchaffing; -less, a. zonder waerde. -r (-ur), a. echatter. Tusttiltl • vaeantie. (-it), V neciu ate (vek'sin-nee*.), v. a, inenten -ation Valor e (velv'), a. klep: deurvleugel. -et-sitar -ule (-joel), a. klepje; kleine vouwdeur. (-ee'Pjun), a. koepokinenting. -ator, a. Zie Vac•os•er), a. kiep-. chilst. -e (ook : -vain), a. koe-, van de Icon; harnas. -- inoculation, koepokinenenting; - infection, Vatnbraeo (vem'breeti), a. armplaat, Vamp (vamp'), a. overlear. -, v. a. lappen, eer-, matter, koepokstot. -ist, e. inenter atellen (up). - er, s. tapper, verateller. -ire (-sir), Vaellita any (ves'eil.len - sik), a. wankellAg; a. vampier, bloedzulger. -te (-feet)., v. n. wankel.; weafelen.. Van (wen') a. wan; waxier; vleugel, wink; hail--tion (-lee'sjnn), v. wankeling; weifeling. kar, voorhoede. -courier ( - kosei - nr), a. Ivor%Taco. ity (ve.kjoe'it- tih), e. ledigheli; 'Adige looper, voorbode. --guard, a. voorhaede. -, v. a. -um (oak"(•eit'joe-ns), a. Wttouen. joe-um), a. ledige rulmte. Vandal In (yen-dank), a. barbaarech, vernlelend. Vade-mecum (vee-de-ani'kurn), a, zakboekje ; (ven'del-lzm), a. barbaarschheid, vernielhandboek. zucbt. Verrone, (ve'frus), a. loos, schalksch. a. l and- Vat, d yk* (yen-dajk'), a. ultgetaude haiskraag. iraga bond, (veg'e.bond), a. zwervend. (ven), a vaantje, w eerhaan; vizier; windlooper. -age, -lel), n. landlooperij. vieugel, maker. Vagary (a e-gee'rih), a. grit, knur. Va,.;Ina (ve-dzjayne), a. ocheede. -/ (oak ; ved , Vsng (yang), ...lel (in eene penneschacht); geard. Vanilla (ve nille), a. vanitle. zji-nel), a. von de scheeae. V agran cy (vee'gren-s:h), a. rondzwerving„ -e, Van lab (ven'isj), v. rt. verdwtjneu (away.fron). -ity, a. ijdelheid. a. zwervend, 8, river , . landtuoper V a_outte(veeg'),a. --ly, HA. °nem ervend; onbepaaid, Vanquish (veng'kwisj), v. a. overwinnen. -er, a. overwinnaar. Vali (veal'), a. 8c v. a. Zle Veil. Vantage (nen'tit14), a. unaided, winat. -groaaci, Valle (vaelz), a. pl. fooien, vernal. meerderheid; gun:stip stand. Vain (even'), a. -ly, ad. vergeefech, vrtichteloos: Vapid (vep'id), a. t aum, dnf, verscbaald. -ity to vergeefa; to take in kidel (of); vergeefsch• in -ness, a. ft/Inv/held, verschaaldrnisbrniken. -glorious, a. --gloriously, ad. verwaand; snoevend. -glory (-gin' held. e. vermaandheith grootspraak, snoeverij Vapor (vee'pur), a. damp, wapem. -, v. a. vet.dampen (away. out); V. n. dampen, uitdampen; -ness, s. ijdelheld; raietigheid. suoeven, pocky -er, a. anoever, pocher. -orb, Valiant° (vel'ens), a< valletjo (non bedgordtjnen). a. dampig; grill . -out, a. (tamale. ; opgeblazen. Valle ( veal), a. dal, vallei. -a (-pure), pl. , ampen, winden, opetijgioaen. Valecilet ton (vel-e-dik'elun), a. vaarwel, aflab. a. ZieVai etheidegroet. -cry, a. afscheidsen. Valentine (vel'en-tajn), s. St. Velten's liefje; Varee Iver'k), a Vail able (vee'rt. :bp, a. -ably, ad. veranderlijk. St. Velten's minnr brierje. -ability (-e-bil'it-tih), -ableness, s. veranderltik• Valerian (ve-li'rl-en), a. valeriaan. held. -anca (-ens), a. versehil, oneenigheld, to Valet (vent)... kneeht. hediende. set at -, oneenig maken (-ee'sjun), e. V aletutlinar inn (vel-eajoe-dianae'ri-en), -y veran˚ veracbillendheld; afoijkine. -cot' ), R. ziekelijk; as. ziekelijk mensah. (verl-koos), -roue (reel-kn.), a. aderspattlg. Vallnat (vellent).. a. -1y, ad. dapper. -netts, s. -epate (-e-geet), v. a. bespikkelen, kakelbont dapperheid. • sehak, eren. -egation (-e- gee'sjuh), a. yeel.kisurig • Valid (vel'id), a. -ly, ad. clerk, bondig, gadig. heid; schakeering. -ety (ve.rare-tih), a. afwiese. -ity -ness, a. ktacbt, bondigheid, ling, verandering; versebeldenheld, -clout (vs. gelatighetd. raro-lus)., a. pokachtig. -one, a. -nicely, ed. Valium (ve-liez'), a. valley, mantelzak. verecheiden; veranderlijk. Visitation (vel - lee'sinn), v. verschauaing. Varix (vee'rike), e. adergerwel. Valley (vel'lth),n. dal, valley. Valor (va,"ur), v. dapperheid, -one, a. -oualy, Varlet (vaaelit), a. knecht, page; achurk, Kebobbejak. ad. dapper. Value blew (verioe-iial), a. kostbaar. -Maness, a. Varuytsh (wtenixi), a. vents, lak; verglaaseel; -, V. a. vernissen, verlakken; vereeizen; kostbaarheid. -tiles (-111z), pl. kostbaarheden.

121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


GOE,—GRA. CloradvInden. to. w. to think fit, — proper, to approve, to choose. o. approbation, leave, pleasure. Goedwillas, by. & bw. —held, v. Zie 11g. —held. GoeRik, by. & bw. pretty (-ily), handsome (-1y), goodly. —held, v. prettiness, handeoneeness, goodliness. (lineman, rn. arbiter, umpire. Golf, v. wave, billow, surge; gulf. —breker, breakwater. —geklots —slag, beating of the waves. —achtig, by. wavy. Got,' en, on. w. to swell, to aurge, to wove, to undulate. —lag, v. swelling, waving, quilulation. G rpm., v. gum. torabioche —. gum arable. —boom, guru-tree. —elastiek, India-rubber; caoutehoec. —hare, gum resin. —houdead, --.4jk, gummy. —kwast, gum-hreeh. gum-lae. —water, gum-water. —achtig, be. gummous, guinicy. - men, ov. w. to gum. —met, no. guminer. bv. gummy. —mig heid, v. gumminess. —ming, v. gumming. Goaded, v. gondola. —ier, rn. gondolier. Goats, m. burr, buzzing. —tot, lizgig, humming. tp. Gun. en. on. w. to buzz, to hum. —er,rn. buzzer. —leg, v. buzzing. Goochei raw, m. —aarster, v. juggler, conjurer. —ar tj , v. juggling, legerdemain. —co. on. w. to juggle, to conjure. —hal, juggler's ball. —bac, juggler 's cup. —kunst, JusgirY • —.Pet. spell, enchantment. —tasch„juggler's bag. —icier, juggle. Goof, v. throw, cast. —en, ov. w. to throw, to test, to fling. —er, m. —star., v. thrower. Goer, by. & bw. sour (-1y); rancid (-1y), rusty; dirty (-ilyi; nasty (-ily), naughty (-ily). by. rather sour, sourish; —net, why. —held, v. —igketd, v. sourness; rancidity, rustinese; uses; nastiness, naughtiness. Goot, v. gutter, kennel, sink. drain. —gat, hole of a kennel. —Wet, moulding-tlate. —PUP, gutterpips. —.teen, sink ; in den —, under she pump. —water, kennel-water, dirty-water. Gnrd, v. futtock, ri 5 Gordel, m. girdle, belt. —geop, buckle of a belt. —maker, girdier, belt-maker. Gorden, on. w. to gird, to furl. GordUn, v. & o. curtain. —koord ; curtain-rope, -.trims. —preek, curtain-lecture. —ring, curtain-ring. —rattle, curtain-rod. —rot, curtainpulley. (lording, v. girding; rib. Goren, on. w. to turn sour. Gorgel, in. throat; gullet, throttle. —drank, gargle, gargarism. —peewit, bronclioeele. —klep, uvula. —water. gsrgariene. -en, ov. & on. w. to gargle, to gacgerize. —big, v. gargling. Goes, v. alluvial ground, Goat, v. groets, oateeeal. —beating, oatmeal-pudding. —moien, hulling mill. —ebrij, —epap, oatmeal-porridge. —catchier, cotquean, niggard. g, by. messiest, measly; bin, ill. —igheid„ v. measles. Gatelike*, m. pederero. gold-ore. goal, (loud, o, gold; ore. ongewerkt gin —.gold-leaf. geplet , beaten gold, getrokken
I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.

Is Blockchain legaal in India


Drops ical (drop'sikl), —ied aid), a. wate•a. waterzucht. zuchtig. Dross (dros'), a. schuim; roast; uitsehot. a. onzuiverheid. —y, a. onzaiver; slecht. Drought (draut'), —inese, a. droogte; donut. —y, a. droog; dorstig. Drove (droov'), a. kudde, drift. —r, a. veedrijver. Drown (draaun), v. a. verdrinken; overatroomen; overatelpen; smoren; v. n. verdrinken. Drows e (draauzl. v. a. slaperig maken; v. n. elaperig zijn. a. slaperigheid. —ity, ad. —y, a. elaperig; —headed, domme lig, dof; —style, stroeve stij1; —tale, vervelend verhaal. Drub (drub'), a. slag, klap. —, v. a. afrossen. —bing, a. pak elev. Drudg e (drudzr), a. zwoeger, clover. —e, v. n. zwoegen, :sloven. —cry, a. zwaar work. —ingly, ad. zwoegend. Drug (drug'), a. drogerij; prul. —, v. a. met drogerijen bereiden. —get (-git), a. droget. —gist (-gist), a drogist. Druid (droe'id), a. DruTtle. —ical ( id'ikl), a. druidisch. Drum (drum'), a. trom; trommel; trommelvlies; speelgezelschap, —, v. a. tromme!en (up, bijeen); v. n. trommelen. —major, tamboer-majoor. —mer, a. tamboer. --stick, trommelstok. Drunk (drungk'), a. dronken. —ard (-urd), a. dronkaard. —en, R. —only, ad. (dreng'kn.), drossken, beechonken. —enness, a. 1)88CLIOIlkeRheid. Dry (drar), a. droog; dor; doratig; atreng; bijtend. —, v. a. droog makes; lechgen; v. n. tirogen. —eyed, met droge oogen. —goods, atukgoederen. —nurse, a. droge min, v, a. opvoeden zonder to zoogen. —rub, droogsehuren. —salter, koopman in gerookt vleesch. —shod, a. & ad. met droge voeten. —ing, a. (het) dragon. —ing place, o-yard, droogplaats. —ly, ad. droog, droogjea. —ness, a. droogte; derstigheid. Dual (djoe'el), R. twee uitdrukkend. —, a. tweevoud. —:em, s. tweegodenleer. —brae (-ist'ik), a. nit twee bestaand. (el'it-tih), a. tweeheld, dubbelbeid. Dub (dub), v. a. tot ridder elaan; v. n. slaan, klappen. Dubious (tijoe'bi-us), a. —ly, ad. twVelachtig. —nese, a. twijfelachtigheid. Dubita ble a. twijfelachtig. —tion (-tee'sjun), s. twijfeling. Ducal (djoe'kel), a. hertogelijk. Ducat (duk'et), a. dukaat. —eon (-e-teen'), a. dukaton. Duch ess (dutsress). s. hertoein. —y,a.hertogdom. Duck (duk'), s. send; liefje; hoofdknik, duiking; court van zeildoek —coy. lokspijs. —hunting, eendenjacht. —meat, —weed, kroos. —legged, kortbeenig. Duck (duk'), v. a. indompelen; doopen (outlet de Linie); kielhalen; lokken; v. n. duiken; diep buigen, kruipen. —er, a. duiker; kruiper. —ing, s. (het) duiken. —ing-stool, dompelstoel. —ling, a. taling. Duct (dukt), a. galeibuis, OP. Ductil e (duk'til), a. rekbaar, insehikkelijk. —ity (-til'it-tih), —eness, c. rekbaarheid; inschikkelijkheid.

tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

In welk land Bitcoin is legaal


BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld

×