Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.
So the app is pretty great when it comes to buying crypto, they can give you the funds immediately at the current price of the crypto, so high purchasing fees and selling it on a quick time line are virtually non existent when you are making small orders, most likely biggers as well. Not so fast... if you purchased it through your bank, because the allowance is higher on it than 25$ for a new card, your funds are basically frozen for 2 weeks. You can not cash out, nor you can send crypto to another wallet, so if you are looking for something to transaction with this isn’t the greatest app to do it with. I’m stuck with funds frozen for already 10 days, and now I have to wait another 5 for the banks to clear it, when on the card is faster, but you are stuck with the same high cost for selling it which comes out to bite you in the but for the fees. Yes, I can sell it and wait at usd wallet so the price doesn’t fluctuate, but again, if you want to get the funds out they are the power delay and have no intention to speed the process and again, you are in lala land waiting for it! Before, it’s not used be this bad but seems like delays and restrictions will expand. For the high cost of buying, and buying always at a higher price than it actually is, it makes even more worthless, even waisting time and resources just on trying to obtain some btc. There are better apps and cheaper apps that don’t cause you such issues. Good luck crypto fans

113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to
BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,
305 epaatzeamheiti, huishoudelijkbeid. —i/y, ad. —y, Thumb (them'), a. dam. —bend, duleasband. a. voorspoedig; euinig, spaarzeam.—iness(-1-nees), —breldth, dulmsbreedte. —cleat, lieklamp.—latch, blink met ere' drukker. —lock, veerelot. .• suitifichuid. —tees, a. verkwistend. Thrill (thrill), a. drilboor; toehtgat; doordrin- lactate droppel wijn op den nagel; to drink —, gentle loon; trifler. —, v. a. boren, doernoren; op bet del metje af drinken. —.piece, peep. doordringen; v, n. indringen ; rillen, trillen ; —screw, staarteehroef. —stall, dulmeling. tut ten. a. beduimelen, onhandig behandelen; doorbladeren. Thaler }trap') [throve, thriven (tkrIv'n)], v. a. bares, wehig groeien, toenemen; gedkien., rijk Thump (thump'), a. stomp. —, v. a. & n. atomworden, vaorepoed kebben. a. voorspoedig pan, etooten; vallen. —en; a. atomper. groot, pinup. man. —ing, a. voorspoedig. Throat (throat'), a. keel, stmt; ingang; klauw, Thunder (thun'dur), a. donder. —bold, blikeem kale. —band, keelriem. —block, gordineblok flits; banblikeern. —clap, donderslag. —cloud, —broil, groote gel. —buckle, gesp van den keel. onweettiwolk. —shower, denderbui. —stone, donclew. —flap, strotklepje. —halliard, gaffelval. dersteen. —storm, zwaar onweder. —struck, ale —pipe, luebtpij p. —root, watersteenbrelre, -mean- van den donder getrotfen, verplet. —, v. a. do !mild, —seizing, hartbindsel. —wort, halakruid. n. donderen. —er, a. donderaar. a. dondeThrob (throb' ► a. klopping. —, v. n. kloppen. rend; a. bet donderen. Thud hie (thjoe'ribl), a. vrierookvat. —few). —bitty, a. kloaping, hartklopping. Throdden (throd'dn), v. rt. gedijen, waysen, (-rll'ur-us), a. avieeeo!e voorthrengend. —fication (-rif-i-kee'sjun), 8. bewierooking. toenemen. Throe (duo), a. barerninood; doodsanget, dnode- Thursday (thero'dee), a. donderdog. Than (thus), ad. due, Aldus, zoo. v. a. & n. bevig (doen) !lidera. atrijd. Throne (throne), s, troon. —, v. a. op den troon Thwack (chwek), s. slag. —, v. a. clean. Thwart (thwnort'), a. —lie, ad. dwars; hinderplaatsen. s. daft (roethank). —, v. a. doorlijk, Isetig. Throng (throng), a. drab, bedrijvig, —, s. ge- ad. kruieen; dwarshoomen; v. n. strijdig v. a. & n. dringen, (elk,nder) verdrin- drang. Ken; veratoppen. dwars. —skips, ad. dwarsseheeps. —ways, ad. overThrust)! a (throe'i) a. Water; getouw. —ing, a. dwars. —big, a. —inryly, ad. hinderlajk, dwaredrij keelgezwel (btj bet rundviv ► . vend. —tress, a. dwaiebeld. MOO, Thy (thaj), pr. uw, tee e, uwen. Throttle (thrutit1). a. luchtpijp. Thy hue- (thaj'in), a. —wood, cypressenhont. klep. —. v. a. & n. worgen, eteoren, etikken. Theead • (taim'), a. tbijm. —y, a. vol tijrn. Tbrourah (throe" ► , ad. door a door, geheel. a. prp .ioor. —ly, ad. Zia T.norestahly. —out Thyre a (tbues'), a. tuiltje, kroontje. bacchutestaf. (-nut), ad. steeds, overal; prp geheel door. Th ynelf (th+self')„ pr. u zelven, u zelve. Throw (thro"), a. worp, elag; inepanning; wee. Throw (thro') [threw (throe). thrown (throon)], Tiara (ta)-ee're), a. driedubbele !croon. v. a. werpen, emijten; ate,ont- s neder-,tilt-,wee- Tibia (tib'i•e), a. acheenbeen; butt. —1 (-el), a. van hetatcheenbeen; butt-. werpen; twijnen; draaien. —one's self on (upon), zleh verlaten op. (about) in 't road we'll., (away) Tice (tale), le a. —meat, a. Zie to Entice. wegwerpen; vet.• wieten; to erornle richten. (bark) Tick (tilt'), a. burg, eredlet; ti.jk; getik; tee k, terugwerpen, -driiven. (by) verwerpen; ter zijde sehapeluis. —, v. a. do n. tikken, borgen. —en leggen. (down) nederwerpeu; Gra verhaleu; ver- (tik'n ► , --ing, s. beddetijk (stop). woeeten. (in) inbrengen; inlasachen. (off) afwer- Ticket (WOW, a, brietje, lootje, kaartje. — of pen; verwerpen; ultdrtjven, veretooten. (out) nit- leave, verlotpas. —collector, brietesephaler. werpen; nitstooten; verbannen; to verstsan ge- —porter, briefjesrondbrenger. —, v. a. vm2 can yea. (up) opwerpeu; wegwerpen; gpgeven. kaartje voorzien, merken. v. n. werpen; dobbelen. (about) op rniddelen den- Tickl a (tik'kl), v. a. kittelen; v. n. kitteling zinnenstreeler. —er, a. die werper. —ster gevoelen; ken, intddelen beproeven. (-stun), a. twijner. kittelt. •—ing, a. lateling. —ish, a. kittelaebtig; Thrum (thrum'), a. dreun, dreamett, grof garen. netelig; wankelend. —istiness, kittelachtigheld; —cap, wolien mute. --hat, ruige hued. —, v. a. neteligheid; oneekerbeid. & n. knoopen, vleelten, met iranje ornzoomen; 'tad MO, a. zacht, lekker. —bit, lekker beetje. mtg., op deeunen. Tidal (verde!), a. van het getij. apekken; aleeht Thrush (thrusr), n. 'Oster; apruw. Tfele3De (tideil ► , v. a. lietkooeen, troetelen. Tide (tajd'), a. tij, gett); vied; stream; did; or Thrust (thrust), a. stoat, ateek; Rantd. Thrust (thrust') [thrust], v. a. Moot., doyen, loop. —duty, havenge/d. —gate, vioeddeur, slate. steken; doorboren; istoppen. — one's self into, —gauge, peilsehaal. —harbor, binner haven. —'sztch dringen (mengen) in. (away) wegetooten. nian,—waster, tolneambte. —, v. a. met den etroono medevoeren; v. rt. met den stroem medegaan; tb (down) near initiation stooten. (in) inateken; en vloed hebben, vaseen; voorvallen, stooten. Indriiven. (off) wegstooten. (on) aan-, troortdrijvenevooltdutien.(out)uttdrtjven.(through) Tldi ly (tardtl•lih), ad. Zie 'tidy. —seas (•didoorstoken. (upon) wija makes. —, v. n. stooten; neon), a netheld. zioh werpen (at); indringen (ix); (into) zieh. men- Tidings (tardiengt), s. pl. nieuwe., beriekten. gee in; (on) voortdringen. —er, a. *tooter; aan• Tidy (taj'dih), a. net ; gelegen, meet; veering. waiter. a. echortje, kwijliapje; overtret.
A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,
(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.
Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,
tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.

I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.
ad. (se-ten'ik-I, satansch, duivelachtig. Sand ed leend'idl. a. zand , ,,,bar; zandkleurig; ge. sandeihout. Satchel iset'sjii), e. zak ,e; boekentasch. (-urn), spiick.ld; — less, a. onverz9.— iness (-i-nese) a. zandignaid. — ish, R. ran-tacit- Sate (seet'), v. a. verzadigen. d ( - i - vur), a. glasseliaim. — wick ( - wlisj), lig. Satellite (set'il-lajt), a. trawant; wachter. zandig; dunbelale boterhain met vleesch. —y, a. s. Sati ate (see'sjt-et), a. verzadlgd, zat of with. los, rot; zandkleurig. - tare — ate ( - eet), v. a. verzadigen. — ety (se Sane (-oen), a. gezond van zinnen. s. verzadigdheid, zatheid. Sangiulf erons iseng-gwirur-us), a. bloedvoeetlasbloem. — ribrend; bleed•. — ication ( - i - kee'sjun), a. bloedma- Saitln nieoin), s. satijn. —flower, bon, zijden lint. — spar, satijnspaath. — wood, making. tijnhout. — et ( - et';, s. halfsatijn. Saragnin ary (senegwin-e-rih), a. bloeddorstig. spot-,hea. bloed rood; bloedrijk; levendig, Soatlr a (set'vr; ook: see'cajr), a. satire, — e kelsehrirt. —ic, —lent, a. —icaily, ad. tae-tir'ik-). •rooltjk; houpvol; vurfg. — eneas, s. bIoedkleur, satiriek, bekelend, btjtend. —let, a. satirenschrijbloedri)kheid; levendigheid; vertrouwen. — eons ver, hekeldictiter.—ixe (-ajz), v. a, bekeIen, door— ity ( - gwin% (-gwin'i-us), R, bloedritk; listen it - t,h), a. Zie SangtainenesN. Satisfaet Ion (net-Is-fek'sjun), B. voldoening; Saciele isen'tkn, s. wondltsuld. genoegen. — ire, —ory. a- —orily ( - tur - ii-lih), ad. Sari es (see'ni-iez), a. dun. etter. —ous, a. etvoidoend. —oriness Our-i-ness!, a. bevrediging, tertg; etterend. toereikendheid. Sanit airy (sea% te-rih), a. gezontibelds, —y, a. Satia• ler (set'is.faj-ur), s. bevrediger; die volgezondbeid. duet. — y ( - NJ), v. a. Zit at, voldoen, genoegen gme.; Sap (asp';, s. sap; spint; mijngang; ondermijning. verzsdigen, (with); bevtedigen; betalen; overtni— , v. a. ondermijnen; v. n. beimelijk te werk gen (of). gaan. Sapid (sep1 , 1), a. smakelijk. —ity (se-pid'it-tib), SatiV. (see'llv), a. in err' tutu gezaaid. Satrap (see'trep); s. satraap. —y (seere-pih), B. s. smakelijkheid. landvoogdij. .Sapien ice (sPe'pi-ens), a• wiir• Sap less (sep'ieas), a. sappeloos, droop. — ling,s. Saturn bie (stiejoe-ribl), a. verzadiAbaar. a. verzadigend. —te 1-reet), v. a. verzadlgen. jonic boomple. —tion 1-req'sjun), a. ver.digieg. sap...acetic. , Bep-o-nee'sjus), a. zeepachtig. Sapor ;ree'por), a. rmaak, gear. (sep-ur- Saturday, (set'ur-dee), a. zaturdag. Saturn Iset'urn), a. Saturnua; loud; zwart. — ale ririk), a. sknaakgevend. —out (sep'ur-us), a. scna-
ongevormd. —sakes (-ene'kn), a. niet vemakt, stet verlaten. (-ti-fajd), a. onveraterkt. Unfortunate (un-for'tjoe-net), a. —1y, rd, ongetukkign—nets, a. ongeluk. Unfought (un-faot') a. ongevockten. Unfound (un-feanne) a. niet gevonden. a. ongegrond. Unirst med (un-freemd'), a. ongevormd; sunder Mat. —ternal (-fre-tur'nel), a. onbroederlijk. U frecd I un-fried'), a. onbevrijd. Unfreeze (nn-frter),Y. n. dooten. Unfrequent (un-fri'kwent), a —ly, ad. acidzaem. --ed (-kwent'id), a. onbezocht. Unfriend ed (un-frend'id), a. onbevriend. —linens (-11-neas), a. onvriendeltjkheld. —1y, a. onvrienUnfrozen (un-fro'zn), a. onbevroren. Unfruitful (un-froerfoell, a. —1y, ad. onvruchtbear. —nese, a. onyruchtbaerheld. Unfulfilled (un-toel'illd), a. onvervuld. Unfurl tun-furl'), v. a. uttapreiden, losTr,oien. Unfurnfels (un-far'ntej), v. a. rut., a ontbleoten, berooven. —ed (-niajt), a. el - oorsten, outbloat, onverzorgd; ongemeub ee . d. Ungaged (un-geedzjd'), a. ong ijkt. Ungatn (un-geen'), a. .nk en, lump. —fu:, a. linkschheld, onvoordeelig. —lineei lonspha!d. —ly, a. Z!e Ungain. Ungalled (un.gaold'), a. onbesehedigd, ougs. deerd. Ungar nlizts (nn-gaar'nieJ), v. a. van steraden ontdoen, oqtblooten. —rieoned (-ger'risnd), a. zonder b setting. —tered (-turd), a. fonder Sousebanden. Un7e nernd (un-geth'urd), a. stet verzameld, ingezameld. Ungener rated (un-dzjen'ur-ee-tid), a. ougeboren. —alive (-e-tty), a. onyruchtbaar. —out, a. —oulty, red. onedelmoedig; outdo], Ian. Ungenlal Ittn.dzient-ell, a. stet aangeboren; ongunstig; onvriendeltj k, streng. Urgent eel (un-dzjen-tier ► , a. —eelly„ ad. on wet levend, onbeleotd. —eelneee, s. onwellevend, onbeleefdheld. Ungentle (un-dzjen't1), a. onzacht, ruw; oube leefd. —manlike, —manly. a. onwellevend, onfat toenlijk. —neat, t. onzachthaid, ruwhetd. Ungifted, (un-eift'id ►, a. onbegaafd. Ungli dad (un-gild'id). —t, a. onverguld. UngIrd (un.gurd') [(Yr.], v. a. losgorden. Ungtrt (un-gurr), ongegord, Unglazed (un-gleezd'), a. sander glasen; onverglased. Ungloritled (un-glo'rt-fajd), a. ongeprezen, onyerheelItikt. Ungloved (un-gluvd'), a. fonder handsehoenene Unglue (un-gloe'), v. a. van de lijm:ontdoen, losmakes. —4, a. ovgelikod. Lifland (un-god'), v. a. van de goddeltjkbetd be. rooven. —lily, ad. --/y, a. goddeloos. —linen (-linens), s. goddeloosheid. Ungotten (un-gortn), a. onverkregen; ongeteeld. Unworn, able (un-gneurn-ibl), n. —ably, ad. onitandeltaar, alert is regeeren. —ablate's, a. onhandelbaarhaid, onteW,aarbeld. —ed (-gnu' urnd), a. regeertaglons; toomelooe.

delboom. —, v. a. dagteekenen; v. n. (from)rekenen, aanvangen. —r, a. dagteekehaar. Ds- tive (dee'tiv), a. gegeven, benoemd (door de rechtbank). —, a. dativus. Datum (deetuni), Data (deete), s. gegeven, gegevens. Daub (daob'), a. kladstuk, prul. v. a. bemorsen, bcameren; kladsehilderen; bewimpelen; v. n. huichelen. —er, s.kladschilder;. lage vleier. —erv, a. kladdert; kunstgreep. —sag, a. sets klevends; gips, pleisterkalk; kladackilderi). —y, a. kleverig, smerig. Daughter (dao'tur), a. dochter. —in-late, schoon dochter. —ly, a. ale eene dochter. Daunt (daant'), v. a. ontmoedigen, afschrikken. —less, a. onverschrokken, —leanest, a. °riversaagdheid. Dauphin (dao'fln), a. dauphin. Davit (dee'vlt), s. kipstut; doove jut. —guy, ophouder. —rope, vanglijn. Daw (daow), a. kauw, kraal. Dawdle (daoled1), v. n. talmen, benzelen. —r, a. leuteraar, beuzelaar. Dawk (dank), a. kerf; keep. —, v. a. inkeepen, inkervea, Dawn (daon) a. schemering, dageraad. —, v. n. achemeren, gloren, krieken, dagen. Day (dee), a. dag; daglicht. to —, heden. —ly, dagelkiks. from — to —, van dog tot dag. every other —,om den anderen dag. this — sennight, van daag voor acht (lege], to carry the den slag winnen. —s of grace, respijtdagem. lay—s, ligdagen. —bed,ruatbed. —book, dagboek. —break, —spring, het aanbreken van den dag. —coal, bovenste kolenlaag. —dream, droom in wakenden toestand). dagdiertje. —labor, dagwerk. —laborer, daglooner. —light, daglicht. —s-man, scheidsman. —scholar, dagscholier. —school,dagschool. —star, rnorgenster. —time. dagtijd. in the —time, over dag. —work, dagwerk. —'s-work, het werk vita iênen dag. —writ, dagverlof. Daze (-deco), a. zekere blinkende steen. Dag.z1 e (deez1), v. a. verblinden; v. n. verblind zijn, achemeren. —ing, a. —in ly, ad. verblindend. Deacon (die'kn), a. diaken; deken. —ess, a. dia. beams. —ry, ---,hip, a. diakensehap. Dead (dad'), a. dood, levenloos; doodach, stil; as mat; werkeloos; blind (zonder opening). —alive, levered a door-nail, dood ale eon pier. dood. —bargain, apotprijs.—beat, zetter. — block, doodshoofdblok. —barn, doodgeLoren. —calm, doodstilte. —drink, verschaalde drank. —doing, doodelijk, verwoeetend.—door,looze deur.—drunic, atomdronken. —eye. puttingblok. —hearted, versaagd. —killing, onmiddellijk doodend. —lift, hopelooze toestand. —lights, luiken, stormblinden. ledige tiesschen (lijken). —neap, dood geti). —nettle, doovenetel. —pledge, dood pand. —reckoning, gissing omtrent den gang van het schip. —sleep, diepe alaap. —struck, doodelijk ontsteld. —water, kielwater; atilataand water. —wind, tegenwind. —wood, tegenkiel, alemphout. —work, dood deal (deal van het sehip boven water). Dead (ded'), a. (de) looden; doodatilte. in the — of winter (of the night), in bet hirtJe van den win-
Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.
Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.

125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
pride one's self on. Boueneatakor, m. bow-maker. Bohm, m. hubbub, bustle. Bok, m. he-goat, buck ; box (eener koet.); crab, jock, trestle ; andiron ; blunder ; booby, uncivil fellow. ten— nation,, to commit a blonder. —sta. vast, leap-frog. —kesprong, caper, capriole; —en waken, to cot capers. —.shear, goat's hair. —en. leder, —envel, buck-skin. ...mimes. buck-skin. —aboard, goat 's beard. —eb/ok, tackle of paints. —sboon, lupine. —edam, goat 's-thorn. —shores, goat's born; fenugreek; hook. —spout, goat's foot; (the God) Pan. Bokaall, v. bumper, large ,risking-glass. Wok oebtlg, hr. & bw. lewd (-;y), lascivious 1-ly); ale Bokkig. je, o. kid; stool. —hip, by. & bbw. uncivil 1-11y;, surly (-)y), rude (-1y), dogged (.1y). —hicksid, v. rudeness, doggedness. Bokklog, m. red herring; kry jest, rebuke, lecture. --droger, curer of red herrings. --hang, herring-hangs. Baku, v. breeches. Bolas co, on. w. to box. —er, m. boxer. Bog, bv. bloated, puffy, bulbous, globular, convex. —, m. ball, globs ; bulb ; roll ; crown (van *es hoed); bead,' pate ; clever fellow. —Peas, bowlir.ggreen. —geese's, bulbous tplant. —rend, globulous, convex, spherical. —rondheid, globoeity, convexness, apheriralnees. —vormig, globular. —wank, bulwark, bastion, rampart. —werken, to fortify; to manage, to bring about. -ten , n6 maggot ; whim, freak. —!'enbakkir, roll-baksr, —aehtig, by. globulous, bulbous ; somewhat —aehtigheid, v. globuloasness, bulbousBolder, v. mildew; roll of which Manua Is Made. ...11040811. (a kind of) stage•/ ageon. Holhold, v. bloatedness, puffiness, convexity.
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.

Gerommall, r. rumbling. Geronk, a, snoring. Gerontnen, be. curdled, clotted. — Used. clotted blood, gore. too gswonnen coo —, Ill gotten, ill spent; lightly come, lightly gone. G tiros. a. bustle of carriages. Gerst, v. barley. —akker, barley-field. — 000f, barley harvest. —ebier, beer brewed of barley. —ebrij, burley-porridge. —ebrood, barley bread. —edrank, —enat, —ewater, barley water. —sport, barley groats. —ekoek, barley-cake. —ekorrel, barley-corn. —emeel, barley meal. —ear.), barleyetraw, Geetteht, o. report, tumor; noise; tome, reputation. tog retort, in een geed (kwaad) — staan, to have a good (bad) reputation. er 1COpt een — , It Is reported, a rumor is abroad. G *ruin', be. long, considerable. (ieretteele, o. purling, murmur, rushing, roaring Ivan een stroorn); widening (von den wind ; rustling (can bladere.); tingling ((se de sores). Geruit, be. checkered, squared, (ierust, be. & bw. quiet (-1y), cairn (-1y), tranquil (.1y), easy (-11ye secure (-1y). —stellen, to set at ease, to pacify. —stelleed„ tranquillizing. —*telling, tranquillization. —heid, v. quietness, qui• etude, caltnners, tranquillity, ease, security. Germ!, v. yarrow, miltoil. Gesanantek, o. loitering, lingering. linear, o. taunting, plovoking. Gestbattycl, be. notched. Gestitacher, o. chaffering, chaffery. Gerithakeerd, a. checkered, varigated. G racked, o, sound, shouting. Geasehapen, be created. stead — *Nan, to be in a deplorable (pitiful) condition. —held, a. state, situation, condition. G esebarre I, a. scratching, sprawling, shuffling. Gesthater, o. burst (peel) of laughter. eecliet, oorInging. esei. en,er, o. glimrrbring. twilight. Gesettenk, o. present, gift, donation. ten —e, as a pre,ent. Geatheron, o. fencing. Grasekeritautgel, n. skirmishing, skirmish. Geseherts, o. joking.jeeting. efeeschetter, re, sound, iloerieh. Gescheurct , be. torn, rent, ragged; burst, created. —heid, v. raggedness, barstennese. G eschleal b oak, o. —rol,history,records i annals. —kande, history; historical keowledg —kundig, by, histories!, well-read in history; bw. Wet°, —kundie,e, historian. —schrijver., histories, historiographee. —en, on. W. to happen, to take place, to occur, to come to pass, to befall. —eats, v. history. Gesehlkt, be. & bw. fit (-11y), proper (-1y), apt (for), suiteble (-bly),adapted (for); orderly,nsodest, well-behaved. —heid, v. fitness, aptness, suitableness; modesty, sedateness. Gooch'', o. difference, dispute. —punt, point of difference, point in question. o. scoffing, abusing, gibe. Geschlt ter, o. glittering, flashing. G aschok, e. shaking, jolting. Geschonamel,o, swinging; bustle, jumbling.


291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.
zin —, lust hebben. —ed, a. geetreept. —el (-i1), L ing (lieng), a, heide; leng. e. lijatje. Linger (ling'gur), v. n. sultkelen, kwijnen; talmen, dralen; weifelen; (after) smachten near. Listen (lis'an), v. n. luistercn, hooren (to). —er, a. luisteraar. —er,s. Lamer. —ing , a. —ingly, ad. di alend, talList fail (list'foel), R. oplettend. —less, a. —lessly, mend, leuterachtig. ad. onoplettend; onverschillig (of,voor).—lessness, Linget (ling'git), s. tongeije; Mang, staaf. a. onoptettendkeidi . onverschilligheid. Lingo (ling'go), a. teal. Einguadertai (ling-gwe-den'tel), a. met behulp Lists (lists). pl. strud- worstel-, renperk. Litany (lit'e-uih), s. fitanie. van tong en tanden uitgesproken. Lingual (ling'gwel), R. tie tang betreffend; tong-. Liters i (lit'ueel), R. —lly, Rd. letteclijk. —lily (-e-rib), s. letterlijke hereekenia. (-el'it — , 8. tongletter., a. letterkubdig. —te (-et), a. geletterd; a. geEingulform m), R. tongvormig. Linguist (ling'gwist), a. taelkenner.—ic(-gwis'tik), a. taalkundig. —ice, pl. vergelijkende tealetndie. /Liniment (lin'iment), a. erneersel, null. Lining (lajeieng), a. voeringi stootlap. Link (lingk'), s. achakel, schalm; toorts. —hoy, —man, toortsdrager. —, v. a. aaneen ketenen( to); aaneenschakelen, verbinden; v. n. verbonden zkjn (in). L innet (lin'nit), a. vlasvink. Linseed (lin'sied), lijnzaad. —oil. lijnolie. halfwolLinsey-woolsey len; getecee, Bering. —, a. half garen en half 'pollen scot. Llivelu•k Clini , to10,
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet

Waar kan ik verkoop BTC voor contant geld


Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to
White (wnjt'), a. wit ; blanks. —, v. a. Zie to Whiten., a. witachtig. —n (wer.n), v. a. wit maken; witten; blacken; v. n. wit wooden (with. van). —nor (wajt'n-nr), —ster, s. wittily; bleeker. —nest, a. witheiti, blankheil; relnheit. —a (wa)tz), pl. witte aloed. Whither (with'ur), ad. werwaarte, waarheen. —.ever (eo-ev'ur), ad. waarbsen ook. Whit log (waytteng), e. witviech, wijting; witbalk. —ish, a. witachtig. —Wines*, a. witaebtigheid. Whit leather (wit'leth ur), a. teemleer. —low (.40). e. fljt, vijt. —ster, a. wilier; bleeker. Whitaun (wit'sun), a. pilaster-. —day, —tide, pink , terdag, pink3ter. Whittle (wit't1), a. sec-, knipmes; fijne melting; dock. —, v. a. entjden, snipperen; omdoen, omhangen; wetten, scherpen. Whity (wartih), a. witachtig, licht. Whir, (wiz), s. penis, germs. —, v. n. suizen, gonzen. Who (hoe'), pr. wie, die. —ever, (-ev-ur), —so, —soccer (-so ev'ur). pr. al wie, wie ook. 'Whole (hool'), a. geheel ; heel, gnat. —, a.Ireheel. upon the —, over 't geheel; alien wel besebouwd. Wholesale (hool-aeel), a. in 't groot handelend. — merchant, groothandelaar, groseier. a. handel in 't groot. by in 't groot. Whoteioonte (bool'sum), a. —ly, ad. gezond, Ineilzaam; nuttig; atngenasm. —nets, e. gezondheid, hetizaamheid. Wholly (hool'ith), ad. geheel, geheel en al. Whom (hoem), pr. \vim diem. —sooner (.so-ea'nr), pr. wien ook, wie het ook zij. Whoop (hoep'), s. geschreenw, gejouw; hop (vogel). v. a, naschreeuwen, nitionwen; a. n. echreenwen. —ing, s. jaolatgeschreeuw; —cough, kink hoest. Whoot (host), v. a, & n. Zte to Hoot. Whop (wop), a. & a. Zi9 Whap. W bore (hoer'), o hoer. —house, berdeel. —master; —monger. hoerenwaard ; hoeren!ooper. —son, hoerekind. —, v. a. verleiden, tot hoer maken; (away), verhoeren; v. n. hoereeren. —dom (-dune), e. hoerendom; hoererij; afgoderij. —like, a. Lie Whorish. Whorish (hoor'iej), a. —1y, ad. ontuchtig, hoerachtik. —nest, s. hoerachtightid. 'Whortle (wneti). —berry, s. blauwe bee, hetdebee. Whose (hoe.), pr. ',dens, welke, wier, welker. n. snot. Whur (wur), s. gesnor; gesnater. ren; brauwen, de letter r to scherp nitepreken. Whurt (wart), a. Zie Whortie-berry. Why (waj), ad. wattrorn; wel. nu. (wik), a. (kaerse-) pit, lampenkatoen. Wicked (wik'id), a. —iy, ad. stecht, ondeugend, boosaardig; boon, snot, d, goddeloos; verderfelijk. —nest, u. bombed, enoodheid, goddelooeheid. —ed Wfcker (wik'ur), a. teentje, wilgetak. (-nod), a. teenen, von teenen geviochten. Wicket (wik'it), a. deurt)e; roortje. Wide (wajd'), a. breed, wijd; ruim, uitgestrekt; grout; vet, verwijderd. —, ad. ver, in de vents; wijd. far and wtjd an zijd. — awake, klaar

Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc

Mocht Cryptocurrencies worden beschouwd als een kasequivalent


In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

D. Hand, v. dead, act, action. achievement. op hector betrappen, to take in the very act (deed). —cook, v. Zie Felt. Hangs, by. a day; on the day. des —, by day, by the day. — te voren, the day before. —daarna, the following day. Daagsackker, o. kedze-oucher. 'Meow/3h, by. doily, every-day.. Daagstsr, v. Zie Hager. Deal, v. pump-dale. [Molder, m. dollar, Dater, bw. there. vw. as, since, because, whereas. Dearaau, bw. at (on, to, about) :it, thereat, thereon, thereto. nonreader, bw. behind it, there bellnd. Demirel, be. of that, thereof. Doarbeueden, bw. down (below) there, beneath that, therebeneatb. Daarbenevena, by. betides (that). DaarbU,bw. thereat, thereto; isbr sides. DnerbInusn. bw . within there. Deerboven, bw. up (above) there. Daarbuiten, by. without (there); besides. Daardoor, bw. by (through) it, thereby. Daerenboven, bw. moreover, besides.
Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.

Hoe kan ik kopen Bitcoins

×