Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

Kunt u verkoopt uw ​​Bitcoin voor geld


STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

Wat is de beste cryptogeld om te investeren in


White (wnjt'), a. wit ; blanks. —, v. a. Zie to Whiten., a. witachtig. —n (wer.n), v. a. wit maken; witten; blacken; v. n. wit wooden (with. van). —nor (wajt'n-nr), —ster, s. wittily; bleeker. —nest, a. witheiti, blankheil; relnheit. —a (wa)tz), pl. witte aloed. Whither (with'ur), ad. werwaarte, waarheen. —.ever (eo-ev'ur), ad. waarbsen ook. Whit log (waytteng), e. witviech, wijting; witbalk. —ish, a. witachtig. —Wines*, a. witaebtigheid. Whit leather (wit'leth ur), a. teemleer. —low (.40). e. fljt, vijt. —ster, a. wilier; bleeker. Whitaun (wit'sun), a. pilaster-. —day, —tide, pink , terdag, pink3ter. Whittle (wit't1), a. sec-, knipmes; fijne melting; dock. —, v. a. entjden, snipperen; omdoen, omhangen; wetten, scherpen. Whity (wartih), a. witachtig, licht. Whir, (wiz), s. penis, germs. —, v. n. suizen, gonzen. Who (hoe'), pr. wie, die. —ever, (-ev-ur), —so, —soccer (-so ev'ur). pr. al wie, wie ook. 'Whole (hool'), a. geheel ; heel, gnat. —, a.Ireheel. upon the —, over 't geheel; alien wel besebouwd. Wholesale (hool-aeel), a. in 't groot handelend. — merchant, groothandelaar, groseier. a. handel in 't groot. by in 't groot. Whoteioonte (bool'sum), a. —ly, ad. gezond, Ineilzaam; nuttig; atngenasm. —nets, e. gezondheid, hetizaamheid. Wholly (hool'ith), ad. geheel, geheel en al. Whom (hoem), pr. \vim diem. —sooner (.so-ea'nr), pr. wien ook, wie het ook zij. Whoop (hoep'), s. geschreenw, gejouw; hop (vogel). v. a, naschreeuwen, nitionwen; a. n. echreenwen. —ing, s. jaolatgeschreeuw; —cough, kink hoest. Whoot (host), v. a, & n. Zte to Hoot. Whop (wop), a. & a. Zi9 Whap. W bore (hoer'), o hoer. —house, berdeel. —master; —monger. hoerenwaard ; hoeren!ooper. —son, hoerekind. —, v. a. verleiden, tot hoer maken; (away), verhoeren; v. n. hoereeren. —dom (-dune), e. hoerendom; hoererij; afgoderij. —like, a. Lie Whorish. Whorish (hoor'iej), a. —1y, ad. ontuchtig, hoerachtik. —nest, s. hoerachtightid. 'Whortle (wneti). —berry, s. blauwe bee, hetdebee. Whose (hoe.), pr. ',dens, welke, wier, welker. n. snot. Whur (wur), s. gesnor; gesnater. ren; brauwen, de letter r to scherp nitepreken. Whurt (wart), a. Zie Whortie-berry. Why (waj), ad. wattrorn; wel. nu. (wik), a. (kaerse-) pit, lampenkatoen. Wicked (wik'id), a. —iy, ad. stecht, ondeugend, boosaardig; boon, snot, d, goddeloos; verderfelijk. —nest, u. bombed, enoodheid, goddelooeheid. —ed Wfcker (wik'ur), a. teentje, wilgetak. (-nod), a. teenen, von teenen geviochten. Wicket (wik'it), a. deurt)e; roortje. Wide (wajd'), a. breed, wijd; ruim, uitgestrekt; grout; vet, verwijderd. —, ad. ver, in de vents; wijd. far and wtjd an zijd. — awake, klaar

melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •
Pick (Mk . ), 5. bikijzer, puntige hamer; tanden-stoker; (het) uitgekipte. -axe, houweel. -fork, hooivork. -lock, looper; die sloten openeteekt -pocket, -purse, benrzensnijder. -thank, Inklooter, plutmetrijker, -tooth, tandenstoker. -, v. a. prikken, pikken; bikken, plukken; uitkippen; sorteeren; sehoonmaken, zuiveren, afklui. yen; opensteken; plunderer, op den kop tikken; versamelen; uitpluisen. -acquaintance, kennis maken. - a quarrel,twist zoeken.- thanks,pluin, strijken. (out) ultpikken; - a livelihood, een bestaan vinden. (up) oppikkan; opcklen; - straws, vergeefeelle moeite doen. -, v. n. peuzelen, kieskanwen,• langzaam en nauwkeurig werkee. Pickapack (pik . e•pek), ad. op den rug. Picked :(pirid), a. puntig, 'pits; gemeakt, ingebeeld. -ness, e. puntigheid. Plckeer (pik•ler . ), v. n. schermuteelen; zeeschuimen. Picker (pik'ur), e. pikker; uttzwker; plul.ker; houweel;tandenCoker.-ofquarrels,twlatzo , ker. -el (41), e. enoekje. -weed, snoeikruid. -oon (•oeu . ), a. Lie Picture...me -y, a. kleine diet. Picket (pik . it), N. steak, paal; ;piker (veldwacht en !Tel). -, v. a. met palen vastzetten. kenen, Picking (pik . ieng), 8. het plukken, uitzoeken, nelezen, opzamelen. -.a (•iengz), pl. snippers, vuilnis, afval. Pickle (pik'kl), 5. pekel; zuur, ingemaykt goed; benarde toestand. -mixed -a. vat.: a, allerIei. -herring, pekelharing; hansworst. -, v. a. peke. len, inmaken. Picnic (pik . nik), s. botje bij-botjes-raaaltijd. Piero lite (pirro-lajt), s. bittersteen.- -met (-met), 5. gaistof, bitterzoet. Pict oriel (pik-to . ri•e1), a. sehilders- . van de sehilderkunst; gelllustreerd; afgebeeld. -oral (pikt .joe-rel), a. afgebeeld; s. afbeeldsel. Picture (pikt'joer), s. Behilderti; Ribe,Idsel; tatereel. -book, prentenboek. -drawer, sehilder. -drawing, het schilderen. -galery, -room, sehIlderilfaal. -, v. a. schilderen; afschiideren. - like, a. ale eene schilderjj. Picturesque (pikt-joe-reek"), a. sehilderachtlg. Piddle (pid'd1), v. n. kieskouwen; beuzelen. -r, s. kteskauwer; beuzelaar. Pie (par), s. pastel; eketer; misboek. - bald (-baold), a. bout. Piece (pies'), e. stuk; geldstuk; geschrift; sehilderstuk; geweer, hanon; dead, a -, per atuk. - by -, stuk voor stuk. - of wit, geestige inval. of a -, van dezelfde snort. -goods, stukgoederen. -work, werk per sank. -, v. a. lap en, verstellen; samenvoegen; (out) verlengen, rekk en; (up) oplappen, -, v. n. zicn aaneen hechten; sl uiten, passim. -less, a. nit 66n stuk, geheel, - meal, a. & ad. stukswijze, aan stukken. -r, s. lapper. Pied (pajd'), a. boat, geschakeerd. -ness, s. bontheid. Pieled (pield), a. geschild; kealhoofdig. Plepowder (parpau-dar), a. - court, gerechtehot op jaarmarkteu, marktgerecht. Pier (pier'), s. brugpIller; eteenen beer; haven.
v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e
829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.

shabby (-Hy), slovenly. school tear —loose kinderen, ragged-school. —loosheid, v. indigence; raggedness, shabbiness, slovenliness. Haven, v. harbor, port, haven. —dam, jetty. —geld, harbor-dues. —hoofd,mole,pler. —meester, harbor-master, port-reeve. —stad, port-town. linvenen, ov. w. to clean, to wash and dress; to use (to treat) ill, to drab; to ruffle; to cut up. Haver, v. oate. —akker, oat-field. —bier, oat, beer. —pap, oatraeal-porridge.—esch,wild ash-tree. —pot, grits. —list, oat-chest. —klap, on, ern —, for a straw. —hark, oatcake, bannosk. --reel, oet-meal. —atroo, oat-straw. —oak, sack for oats. Ileac znaat,—zate, v• enuntry-seat, manor. m. hawk, raker-hawk.—afrek, hawk's till. —rkruid, hawk-weed. —sneus, aquiline nose. —astern. hieraciten. o. game of hazard. Hazel mar, an hazel (-tree). filbert-tree; —*bock, grove of hazel-trees; —shout, hazel-wood; —troedje, hazel-twig. —hoes, wood-cork, woodhen. —noot, hazel-nut, filbert. —noteboons, hazelnut tree, filbert-tree. —wortel, hazel-wort. Hazen distal, m. hare-thistle. —jacht, v. herehunting. —koo, m. hare's head; sax-comb, fop; simpleton. —leper. o. form of a hare. — lip, v. m. —pad, a. het — kiezen, to ta bs to 0116% heels. —poot, nn. hare-foot; covvard. —sloop, m. dog's sleep. —spoor, o. track (trate) of a hare, —rel y o. hare's skin. —wind, m. greyhound. Haze peper, v. hare-ragoo. —eprong, m. bare's leap; hind leg of a hare. He, tow. oh! eight boy! hey! I say) liellanefatla, by. covetous. —betel, v. covetousneas. Ilebbelkjk, by. & bw. habitual (1y); becoming (-Iy). — heid, v. habit, costum; becomingnesa. liebben, or. w. to have, er niet veal can —, not to be touch the batter for it. ik toil het —, it ifs my will- tepee wien hebt gU het? whom do you atm at? Hetzucht, v. avidity, covetousness. —ig, by. covetous, rapacious, greedy. Hecht, o, handle, haft. --, be. solid, firm, strong, tight. Hecht en, ov. vv. to fasten, to attach, to join; to stitch, to baste; waarde aan, to set a value upon; on. w. to stick. eich —en aan, to attach one's self te,to cling to.—balk,joint-beam.—naald, suture. —scald, stitching-needle. —pleister, sticking-plaster, c‘urt-plaster. —rank, tendril, clasp. Illechtents, v. custody, confinement, detention. in — neaten, to arrest, to apprehend. v, solidity, firmness, tightness. —ing, v. fastening, attaching, joining. —*el, o. fastening, ligature. Heden, bw. to-day, this day. — acend, this e‘ening. -- veer [over] aeht (veertien) dagen, this day week fortnight). — ten dugs, now-a-days. —daags, bw. now a days. —deagseb, be. modern. Heel, he. whole, entire; sound; healed, reserved. - bw. wholly, entirely, fully; very,much.—Auids, bw. unhurt, safe and sound, with a whole skin.
VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
If you don’t have the Store Item(s)/Expansion or Stuff Pack(s) mentioned in this item installed on your system, the item will download from the Exchange and can still be installed. Upon download of the content, you will see a warning icon in the status section in The Sims 3 Launcher notifying that you are missing content. In place of the missing content you will receive a similar default item in its place, or, no item at all.

Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
455 --Aoudendo secret, close, reserved. —Amsding, secrecy. —korner, cabinet, private room. —road, privy council; privy counsellor. steganography. —sehrijner, secretary, —sinnig, by. bw. mysterious (-ly). mYeteriowsness. —ante, o, mystery . Gehekei, o. hatceelling; criticising, censuring. Gehelutd, by. helrned. Geirsuieite, o. palate; twit,. —letter, palatal letter, palatal. Gehengeu, ov. w. to suffer, to tolerate, to allow. Geheugers. o. memory. —leer, mnemonics. —is, v. remembrance, memory, Gelteveld,bv. leavened. CA ehUg , 0 panting, gasping. Ge311k, o. hiccupping. ehink. o. halting, limping, Gebinalk,o. neighing. Gehabbel, o. jolting; stammering. Gehoest, o. coughing. ti ell° nee', o. bungling, huddling, tenburrapell, o. hobbling, stumbling. ea niaraor, o. beach, OAT; audience; auditory. — geven aa-a, to toys (to lead an) .r to. — vinden bij, to find a hearing with. —bale, auditory canal. --gang, auditor passage. —kande, —leer-, acoustics. —vlies, tympan. —salt, hall of audience, auditory. —geauw, auditory nerve. —40, bv. vertrek, room in which one mey cattily hear what is said or done near it. G ohoornd, by. horned. Gebuorsitern, by. & bw. obedient (ly), entlftil (ly). —held, v. obedience, dutifulness. Goltoorsatnen,ov. & on. w. to obey. i Gebeis,o. tossing, jolting. Gebotsdera, he. obliged, boanden. Gebueht, o. hamlet. Gehtilehel,o. dissembling. Gehuil, o. howl, howling,yelling. Gehulsd, by. lodged, having a bowie, (debunker, o. hankering. Gehuppel,o. skipping, hopping. Gel, v. bran. —form, brail,clew-garnet --tour/seine, clew-block. —en, ov. W. to clew (to clue, to br.,11) up. lied, by. too fat, rook; too much dunked; luxuriant; lascivious, lustful, lewd, lecherous. —held, v. rankness; linurian , y; lasciviousness, lewdness, lechery. Gel:loner, m. spark, glittering. (felt, v. goat, she goat. —eleer, goat 's -leather, kid, kid-leather. —evel, goat's skin. —evleeach, govt's flesh. —enbaard, goat's beard. —enblad, woodbine, honey-suckle. —endrek, goat's dung. —.hoar, goat's hair. —enhoeder, goat-herd. —enmelk, goat's milk. —enmelker, goat-milker, gout. sucker. —enutal, goat-house. o. kid. GeJaagd, by. hurried,. uneasy, agitated, nervous —Acid, T. hurry, uneasiness, agitation. GeJachl, o. hurrying. Geionatner,o.larnenting,lamentation. GeJank, o. howling, yelping. GeJeuk,o. itch,itchIng. Gr./ oel,o. sboutingatir. (b.Jonw,o. hooting. u Itch, o, shouting, cheer, cheering, applause.
ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]
AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.

Wat er precies is Bitcoin


In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

LIC. 521 nese; giddiness, dizziness), —vaardig, by. & bw. by. & bw. charitable (-fly). —rijkheid, *barites light (-ly), rash (-Iy), inconsiderate (-Iy); wan- bleness. —teat, language of love. —eavontuur, ton (-Iy); profane (4). i—vaardigheid, light- amorous intrigue, love•affsir.`—sverklarieg, decnese, rashness, inconsideration; wantonness. Duration of love. —loos, by. & bw. uneharitable profaneness. —rind wild fellow. —similes, bv. & (-b1 ). —loosheid, v. unolitiritableness. bw. light-minded (- y), Sale (-1y). frivolotts(-1y), Lte eltik, bw, lovely, charming (-IA. thoughtless (-ly). —sinnigheid, lightnese, tickle- sweet (-1y). —held, v. loneliness, charmingness. nee., frivolousness, thoughtlessness. —ekooi, Lune, ce sweetheart, dear. love. prostitute, harlot. —eltie, bw. lightly, easily; Lletet, by. dearest, most beloved, favorite; poetslightly, nimbly; poselley. siest. bw. rather, best. — Met, rather not. Lichten, or. & on. Y... to light, to give light; Writ debt AI ket ? which do you like beat ? to grow light, to shine, to lighten; to lift, to 1..telfste, Tn. & v.dear, love, beloved; sweetheart. roles, to bears; to 'sty; to lighten, to take off, Lieg an, or. & on. w. toile. hseten—, to give the to ease; to weigh (het anker); to cause a copy lie to. —sr, mr,iler. to be delivered. de hand to make 013e). af- Mee•, v. lyre, hurdy-gurdy. —dieht, lyric poem. fitinvit. de band — met, to net little severity in I —dicker, lyric poet. —ipeler, ale Lierenseas. to do carelessly, to bungle (to hammer) up.' —sang, ode. —.man, lyre-man. iemand den root to supplant a. o.; to put Lterlanwv, by. lukewarm. —en, ov. w to make a. n. 's noes cut of joint. —d, by. luminous., lukewarm. shining, bright. Line, v. groin. —break, inguinel hernia, bubonoILlehter, m. lighter. —geld, —loon, lighterage, eels. —Devoe', bubo, —klier, inguinai ,gland. —man, lighter-man. —eediss, lighter. —ontsteking, inflammation to the groin. Licht held, v. —igkeid, v. lightness; clearneee; Lip v feting, m. & v. darling, favorite. —s-,i n endues., facility; giddiness; wantonness, levity. Iamb favorite. —ing, v. lightening; levying. raising; levy, 11.11e,ven, ow. w. to love. Lid, o. lid, Joint, alticulstion, limb; member, Liewer, bw. rather. — hebben,to like better. fellow; arti s te; degree, gensration. —roe, 1.1esserd, tn. darling. grass. — slant. so. & v. nitrober; o. limb. —moat- Etevertede (•ast), bw. by little and little,grasehap, membership. —rotting, bamboo. —water, dually. synovia. —wooed, article. leteseertie,o, little &aline% Lied, o. song, ballad, hymn. by. insipid. —, o. deinty, uusubstential Linden., rn. inv. people, wen, folks. dish; stuff, kick-ehsw, fiddle-faddie —fen,ov.nr. Lieder en, o. mv. songs, hymns. —bock, song - to flatter, to fawn, to tondo. —ferii, v. fhttery, book„ hymns-book. —aichter, lyrical poet, com- fawning. pover of songs. —tale:, singing-society. Llg ggese, on. w. to lie; to be situated, — seated; iLtederii,ik, be. & bw. negligent (-1y), careless to be; de wind is gaan —, the wind has abated; (-Iyi, disorderly, loose ( iy), elattIsh (-1/), lewd to kuis —, to board, to lodge; school —, tii be at (-1y). dissolute (-Iy), debauched. —held, v. doe school; voor tens stud —, to be encemped before orderly conduct, looseeese, sluttishness, die- a town; moor anker —, to ride at anchor; op solutenees, debauchery. sterven —, to be at the point of death; leen CledJe, o. little song, tune, ditty. —szanger, —, to leave untouched; — can., to depend upon, —*songster., ballad-singer. to be owing to. —dagen.. runsting-days,lay-days. Lief, be. dear, beloved; precious; lovely, hand- —geld, lying-mousy. —pleats, lying-place. —fend, some, pretty. o. se eetheart, dear, love. del Irv. lying, situated; real. —ging, v. situation; is my —, I am glad. in — of leed, in weal or bedding. woe, once Neve Hes, our blessed Lord. oats litre v. lee. aan ilea. eau — trallen. to fall aYrosito , the blessed Virgin, our Lady. moor — lea. in de — Aix. to be at a pinch, to be in a scrape. nemee, to make up with. —dadig, Or. & bw. charitable (- big), beneficent (-1y).—dadigheld, v. LUslefUk. by, & bw. passive (-le); tolerable (-bly), charitableness, charity; gestickt van —, asylum, 'sufferable (-bly), endurable. —heid, v. passiveness; aims-house. —hebben, to love. —hebbend, loving, tolerablenese,eufferableness. affectionate, —hebber, —he5ster, lover, amateur, LtJde-n, ow. & on. w. to sutler, to endure, to fancier. —detber(i, love, fancy; favorite occupa- undergo; to tolerate, to bevy, to last, to dote. tion, curiosity. —koozen, to corset, to fondle, ik mag bet wel —, I have no *objection to it. ik to stroke,—kooser, caresser. —hoozer(i, caressing, lean hem niet I ennnot bear him, I don't fondling. —hosing, caressing, blandishing., car- like him. —, o. suffering, sufferings, distrese; ems. —Warn, to blandish. —oogen, to ogle. pant.. —sbeker„ —sketk, cup of suffering. —tulip, affable, courteous. —taligheid, v. an- geschiedenis, htetory of the passion of Christ. billty, courteousness. —tallig, lovely, amiable, —steket, passion-text —.week, passion-week. gracious. —talligheia, v. loveliness, amiableness, —d, by. plosive; suffering (age, of with), *Mcgraciousness. ted (sae, by. with). ILIefsie, v. love; charity. —band, tie of love LUdee, M. —es, v. sufferer; patient. brand, — glued, —vuur, flame of love. —dienst, ILUdzanna, by. & bw. pat ent ( ly). —held, v. piece of friendship, friendly service. —drank, patience. philter, v cahrarroi --mrciodk love-potion. o .k ;0,74 bteol lir,;oiwuoifrobn; love-feast; voe.tiagf


405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114
305 epaatzeamheiti, huishoudelijkbeid. —i/y, ad. —y, Thumb (them'), a. dam. —bend, duleasband. a. voorspoedig; euinig, spaarzeam.—iness(-1-nees), —breldth, dulmsbreedte. —cleat, lieklamp.—latch, blink met ere' drukker. —lock, veerelot. .• suitifichuid. —tees, a. verkwistend. Thrill (thrill), a. drilboor; toehtgat; doordrin- lactate droppel wijn op den nagel; to drink —, gentle loon; trifler. —, v. a. boren, doernoren; op bet del metje af drinken. —.piece, peep. doordringen; v, n. indringen ; rillen, trillen ; —screw, staarteehroef. —stall, dulmeling. tut ten. a. beduimelen, onhandig behandelen; doorbladeren. Thaler }trap') [throve, thriven (tkrIv'n)], v. a. bares, wehig groeien, toenemen; gedkien., rijk Thump (thump'), a. stomp. —, v. a. & n. atomworden, vaorepoed kebben. a. voorspoedig pan, etooten; vallen. —en; a. atomper. groot, pinup. man. —ing, a. voorspoedig. Throat (throat'), a. keel, stmt; ingang; klauw, Thunder (thun'dur), a. donder. —bold, blikeem kale. —band, keelriem. —block, gordineblok flits; banblikeern. —clap, donderslag. —cloud, —broil, groote gel. —buckle, gesp van den keel. onweettiwolk. —shower, denderbui. —stone, donclew. —flap, strotklepje. —halliard, gaffelval. dersteen. —storm, zwaar onweder. —struck, ale —pipe, luebtpij p. —root, watersteenbrelre, -mean- van den donder getrotfen, verplet. —, v. a. do !mild, —seizing, hartbindsel. —wort, halakruid. n. donderen. —er, a. donderaar. a. dondeThrob (throb' ► a. klopping. —, v. n. kloppen. rend; a. bet donderen. Thud hie (thjoe'ribl), a. vrierookvat. —few). —bitty, a. kloaping, hartklopping. Throdden (throd'dn), v. rt. gedijen, waysen, (-rll'ur-us), a. avieeeo!e voorthrengend. —fication (-rif-i-kee'sjun), 8. bewierooking. toenemen. Throe (duo), a. barerninood; doodsanget, dnode- Thursday (thero'dee), a. donderdog. Than (thus), ad. due, Aldus, zoo. v. a. & n. bevig (doen) !lidera. atrijd. Throne (throne), s, troon. —, v. a. op den troon Thwack (chwek), s. slag. —, v. a. clean. Thwart (thwnort'), a. —lie, ad. dwars; hinderplaatsen. s. daft (roethank). —, v. a. doorlijk, Isetig. Throng (throng), a. drab, bedrijvig, —, s. ge- ad. kruieen; dwarshoomen; v. n. strijdig v. a. & n. dringen, (elk,nder) verdrin- drang. Ken; veratoppen. dwars. —skips, ad. dwarsseheeps. —ways, ad. overThrust)! a (throe'i) a. Water; getouw. —ing, a. dwars. —big, a. —inryly, ad. hinderlajk, dwaredrij keelgezwel (btj bet rundviv ► . vend. —tress, a. dwaiebeld. MOO, Thy (thaj), pr. uw, tee e, uwen. Throttle (thrutit1). a. luchtpijp. Thy hue- (thaj'in), a. —wood, cypressenhont. klep. —. v. a. & n. worgen, eteoren, etikken. Theead • (taim'), a. tbijm. —y, a. vol tijrn. Tbrourah (throe" ► , ad. door a door, geheel. a. prp .ioor. —ly, ad. Zia T.norestahly. —out Thyre a (tbues'), a. tuiltje, kroontje. bacchutestaf. (-nut), ad. steeds, overal; prp geheel door. Th ynelf (th+self')„ pr. u zelven, u zelve. Throw (thro"), a. worp, elag; inepanning; wee. Throw (thro') [threw (throe). thrown (throon)], Tiara (ta)-ee're), a. driedubbele !croon. v. a. werpen, emijten; ate,ont- s neder-,tilt-,wee- Tibia (tib'i•e), a. acheenbeen; butt. —1 (-el), a. van hetatcheenbeen; butt-. werpen; twijnen; draaien. —one's self on (upon), zleh verlaten op. (about) in 't road we'll., (away) Tice (tale), le a. —meat, a. Zie to Entice. wegwerpen; vet.• wieten; to erornle richten. (bark) Tick (tilt'), a. burg, eredlet; ti.jk; getik; tee k, terugwerpen, -driiven. (by) verwerpen; ter zijde sehapeluis. —, v. a. do n. tikken, borgen. —en leggen. (down) nederwerpeu; Gra verhaleu; ver- (tik'n ► , --ing, s. beddetijk (stop). woeeten. (in) inbrengen; inlasachen. (off) afwer- Ticket (WOW, a, brietje, lootje, kaartje. — of pen; verwerpen; ultdrtjven, veretooten. (out) nit- leave, verlotpas. —collector, brietesephaler. werpen; nitstooten; verbannen; to verstsan ge- —porter, briefjesrondbrenger. —, v. a. vm2 can yea. (up) opwerpeu; wegwerpen; gpgeven. kaartje voorzien, merken. v. n. werpen; dobbelen. (about) op rniddelen den- Tickl a (tik'kl), v. a. kittelen; v. n. kitteling zinnenstreeler. —er, a. die werper. —ster gevoelen; ken, intddelen beproeven. (-stun), a. twijner. kittelt. •—ing, a. lateling. —ish, a. kittelaebtig; Thrum (thrum'), a. dreun, dreamett, grof garen. netelig; wankelend. —istiness, kittelachtigheld; —cap, wolien mute. --hat, ruige hued. —, v. a. neteligheid; oneekerbeid. & n. knoopen, vleelten, met iranje ornzoomen; 'tad MO, a. zacht, lekker. —bit, lekker beetje. mtg., op deeunen. Tidal (verde!), a. van het getij. apekken; aleeht Thrush (thrusr), n. 'Oster; apruw. Tfele3De (tideil ► , v. a. lietkooeen, troetelen. Tide (tajd'), a. tij, gett); vied; stream; did; or Thrust (thrust), a. stoat, ateek; Rantd. Thrust (thrust') [thrust], v. a. Moot., doyen, loop. —duty, havenge/d. —gate, vioeddeur, slate. steken; doorboren; istoppen. — one's self into, —gauge, peilsehaal. —harbor, binner haven. —'sztch dringen (mengen) in. (away) wegetooten. nian,—waster, tolneambte. —, v. a. met den etroono medevoeren; v. rt. met den stroem medegaan; tb (down) near initiation stooten. (in) inateken; en vloed hebben, vaseen; voorvallen, stooten. Indriiven. (off) wegstooten. (on) aan-, troortdrijvenevooltdutien.(out)uttdrtjven.(through) Tldi ly (tardtl•lih), ad. Zie 'tidy. —seas (•didoorstoken. (upon) wija makes. —, v. n. stooten; neon), a netheld. zioh werpen (at); indringen (ix); (into) zieh. men- Tidings (tardiengt), s. pl. nieuwe., beriekten. gee in; (on) voortdringen. —er, a. *tooter; aan• Tidy (taj'dih), a. net ; gelegen, meet; veering. waiter. a. echortje, kwijliapje; overtret.
NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,

Doet Coinbase verslag aan IRS Reddit


ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Mag ik Bitcoin voor contant geld


Coinbase has two core products: a Global Digital Asset Exchange (GDAX) for trading a variety of digital assets on its professional asset trading platform, and a user-facing retail broker of Bitcoin, Bitcoin Cash, Ether, Ethereum Classic, and Litecoin for fiat currency.[24] It also offers an API for developers and merchants to build applications and accept payments in both digital currencies. As of 2018, the company offered buy/sell trading functionality in 32 countries,[42] while the cryptocurrency wallet was available in 190 countries worldwide.[43] On March 26, 2018, Coinbase announced their intention to add support for ERC-20 tokens.[44]


Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
Qs lissif, v. gift, present, donation; talent, endowme at. Gnat', bv. sornd, whole, undamaged. —. bw. readily, entirely. —held, v. soundnetes, good condition; readineas. Gant tee, ov. & on. w. to unite, to couple. —ing, v. coupling. CI stalky, linaiken, 0 , mate. Goal v. thread-bare stripe. Gann, on. w, to go, to walk, to he going; to move; to do; to COI:int/lint (naar) to be bound for. besoekenl to go to visit, to call on. — hales, to fetch, to go for. — loopen, to run off, to take to one's heels. wandelen, to take a w elk. ran elkander --, to go asunder, to separate, hoe cal het mi?. nog — ? what will become of me? loot list :moose het wit, conic what may; at all events. hoe goat het? how are you? hoe gaunt het met ow been? how ie your leg? hoe — de oaken? how go squarer ? het gird hem goed, he is doing very well, things go well with him. de cakes wet, things are in a fair way. dot cal that will do. het goat niet in de doe., the box cannot hold it. op een pond rterlinp twintig shillings, a pound is worth twenty shillings. op eat bock papier — vserentwintag eel, a quire of paper contains twenty-four chests. toes ging het aan een daueen, then they fell a-dancing. —, o, going. een our --a, an hour's walk.
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld


BUJ -81,0. 417 exhibit; /atom -, to give a hint of. -ens, vz. gtine. -korani, red coral. -braid, knotgrass, according to. sanguinary. -lama, lake-warm. martaB1 fj more, v. glad tidings, areeable new s . -mosgon. -plakkomt, bloody edict. -road, bloody dig, be. & bw. joyful (-1y), cheerful (Ay). -moecounoll. --recht, sentence of death, criminal digheid, v. joyfulness, cheerfulness. justice; inquisition. -rckkfer, judge in oriminal o. comedy, play. -diehter, -sehrilver, cases; inquisitor. sanguine, plethoric. writer (author) of comedies, play-wright. -r(ikheid, sanguineness, plethora --rood,blood1111111e en, on. w. to remain, to rest; to stay; to red, crimson. -echande, incest. -schandig, last, to continue; to terry, to wait; to ritand,to -schendend, incestuous. -eehender, Incestuous stop, to leave off; to be left dead, to be kilted, person. -ackuld, capitol crime. -schuldig, blood- lost, to perish; (6(j) to abide by, to oersint guilty. -sputoing, spitting (vomiting) of blood. in, to stick to; waar met het arme kind -? what -*teen, blood-stone, hematite. -etepend, -eta. *atoll become of the poor child ? -end, bv. dulend, stanching blood. -starling, -vergiefing, rable, lasting, permanent. -re, In, one that reblood-shed, slaughter; effusion of blood. -eat, nteins, stay,r; dot kind is Been -,that child won't blood•veasei. -verliee,los of blood. --verioaxt,m. live long. & v. kinsman, kinswoman, relation. -verwant1111k, o. tin-plate, white-iron; tin-box, dust-pan. tchlp, kindred, kin. relationship. -vio, -eloper, tinmat; -sknecht, tinrcan's boil, furuncle. -vink, blood-finch. -vtag, bloody -ken, be of tin-plate. flag. red flag -otek, bloody spot. -vriend) 1111k, o. white pellicle (of the bark of trees). -, --nriencan, zie 1111 ,,edverwant. -warm, blood. by. hare, galled, sore; zich - rtjclen, to begslied warm. -warmte, blood-heat. --water, lymph, on borne-back, to Iwo leather in riding. -oars, serum. - watering, red murrain. -worst, --get, galled back-side. -ken, 07. W. to pull off pudding. -zucht, enc. Zie Blit► editorst,blackenz. the bark. -zuiger, leech, blood-sacker, extortioner. -S14iBilk, ma. white of the eye; look, glance, twinreread, purifying the blood. circumug. Fen - stoat op, to give (to cast) a glance lation- of the blood. -achtig,-Ronillop, be. like blood, at. -oogen, to blink, to twinkle. -tanden, on. -eloos., by. Oloodless. diertje, insect, -cc, w.. to show the teeth. -ruren, to elm,/ lights on. w. to bleed; (voor) to pay for. -icy, by. Ss MI 'signals of dtetress. -rotor" signal-fire,, fake bw. bloody ( - 11y), sanguinary, - ing, v. bleeding. fire. -ken, o'. w. to twinkle, to glance (at); to -je,o. pour bate. tube pale; to glee signals of distress; - each Bloat, m. efflorescence, blowth; bloom, flower, Waxen, to brazen. prime, . flourishing state. -manta, May. -ti,id, BlIkkar en, on. w. to glitter, to s -parkle, to olowth, flowering-time. -en, on, w. to bloom, flash. -a, m. my. eyes; ee ► pass groote opaluan, to flower, to flourish. - end, bv. blooming, flowerto stand staring coo gaping. ing, flouriehtng. -eel, o. blossom. BlIksern, tr. lightning; thunders. -ajleider, con- Dissent, v. flower, blossom; floor; bloom., best ductor. -fate, -zehicht, -straal, flash of lightchoice; virginity. maidenhood; 'menses, worianing, thunderbolt. -emir, lightning. -en, on. w. an 'a terns. --bed, flower-bed. -flail, petal. to lighten; to flash, to fulminate, to swear. -end, -.b0, bulb. -dragead, floriferous -podia, godby. flashing, furious. dess of flowers. -hot`,, 'flower-garden. 11111nd, o. shutter; sprit-sail. -, be. & bw. blind -bilk, bell of a flower, calyx. -kevee, naordella. (-Iy); ignorant; mock, sham. -e deur, mock-door. -knop, flower-bud. -foal, cauliflower. -korj, -e street, blind alley. -e moor, dead wall. -e -mania. flower-basket; liowef otsud. -krona, blip, hidden rock. - odoof, implicit faith. -doe- garland, wreath. -kroon, enrol, corolftt. -Fuseeken, -hokken, ov. w. to blindfold, is hoodwialr; ker, flortst. -kweekerii, fioriculturelflowerigarden. to deceive. -geboren, blind-born. -hokker, m. --(sing, anthology. -markt, flower-market, deceiver. --*man, blind man. -emannetje, -meal, flour. -pap, milk-porridge. -perk, Bowerbuff. -acttig, be. rather bind, par-blind. plot. pot, flower-pot, -rijk, flowery, florid. -s, m. & v. blind man, - woman. -clings, by. -Talker, -tuiltje, nosegay -sekeede, shhuth. blindfold; implicitly -en, or. w. to blind, to -whittler, flower-painter. -steel,-etenget,flower blindfold, to hoodwink. -held, y, blindness. stalk. peduncle. flower-dust, pollen. Blink en, on. w. to shine, to glitter. -worm. -stuk,flower-piece.-tafeifje,flower-siend.-tuitt. glow-worm. flower-garden. --work, fentoons— wording, --sefo 131oed, o. blood, gore; kindred, family extracting, efflorescence. -coed, flower-need. -engek, tion. m. ninny, simpleton, booby. kwaad will that bee• a mania for flowers, anthomaniac. xetten. to breed 111 blood. in kooks -e, in cold -enhandelaar, florist. -enlielhibber. blood. -oder, vein , -eyaat, red-colored agate. flower-Catheter. --eronaker, maker of artiflolai -bed, slaughter, massacre. -6en/ing, black-pudflowers. -enmeisje, flower- goo!. floral ding; ninny, dunce. -blear, -Nein, bloody Ittnttdom. -entiproak, floral 1.p-too,. -enteeit, blotch.-brntioft,St.Barthoiomew'e-night.-dorst, floriculture. -enterituonzteiling, thirst for blood. -dorstig, blood thirsty, bloody. by. flowery. - isf, m. flume. -isterij, v. Zie -doretigheid, thirst fqr blood, bloodiness. -drop- Illostsiskweekertj. -vje, floweret. -pies., o. pot, drop of blood. -batty, -vloeiing, dyeme. small talk; - (see, h'oom-tes, Imperial lea entery, bloody flux. -geld, price of blood -ge Blossom, rrr, b:ossoon, bloom. -knop, bloseornteiginma:tyr.-gierig,ale Blowddorstig.--heet, bud, -en, sir.. w. to blotoona, to bloom. blood-hot. -howl, blood-hound. -kleur, pan- Bleak, o block, log; pig, sow, wedge, chump; 14


Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

cryptogeld jobs


/Eneas (1-ni'es), m. Eneas. bolas (i-o-lus), my. Eolits. /11 ,,schylate (eekilus), m. Eschylus„ ./1",sop (i'zap), mu. Esopus.. g. Eth °pie. /Ethiopia Africa (etri-ke), g. Afrika. —a, a. Afrikaanseh; 1. Afrikaner. Agatha (eg'e-the), w. Agatha. Agincourt (ed'ziin-koort), g. Agincourt. Agnes (eg'niez), w . Agnes. Aixsia-Chapetile (eeks-le-sje-pen, g. Aken. g. AlbaAlban In (el-bee'ni-e), —y nia. —ian, a. albanisch;1, Albanier. Albert (el burt), tn. Albert, Albrecht. Albigenses (el-bi-dzjen'elez), r. Albigenzen. Aiblon (el'bi-un), g. Albion. Alcibiades (8141-bare-diet),m. Alcibiades. Alexan der (el-egz•en'dur), in. Alexander. —dria (dri-e), g. Alexandria. Alfred (el'fred),m. Allred. Algarva (el-gatar've), g. Algarvie.

Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.
Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
Yearn (jien'), a. —ling, a. ong, tam. —, v. n. Jongen, lammeren. . Year (flee), a. jeer. in —s, bejaard. —book, jeerbock. ---ling, a. eenjarig; a. eenjarlg beast. --ly, a. & ad. jaarlijkseh; jaarlijks. Yearn (jurn'), v. a. bedroeven, grleven, v. a, hunkeren, smaehten (for), met deernis *awe dean worden, bewogen zkIn (upon. towards. to). —ing, a. amaelttend verlangeu; opwet:ing des hasten, van teedarheid. Yeast (Pest'), a. gist; sehultn. —y, a. glstend; gistachtig; schaimen.d. Yelk ijelk),s. dooter. Yell (jell), a. gtl, kreet; gehull. v. a. (out) ult., gillen, v. a. gillen; huiten. Yellow (jerk)), a. gee!. —. a. girl; jaloersch. —boy, gondstak. —dun, tzabelle-paard. —fever, gate koorta. —George, auinje. —golds, pl. hoerbled. —gum, geelzucht. —hammer, geelvink. —jaundice. geo)tucht. —lead, good eel. —parsnip, gale knol. — peen. —rattle, gels hanekam, lutakruld. —root, warner's) (plant). —sureory, bitterb braid. —warbler, gels goes. —ware, rooinkleurig ateengoed. —weed, woaw (plant). —, v. a. & n. geel klearen (worden). —ish, a. geelaehtlg. —ithness, a. geelachtigheid. —ness,s. geelheid. -s (-looz), pl. geslzucht. Yelp (jelp'), v. n. keffen, blaffen. —er, a. kefter. Yeomen (jo'men),s. kleine grondbezttter, pathter; gardiat, ltjfwaaht; hotbedlende; opslehter;

Heeft Coinbase hebben rimpel


derivation. —ig, bv. native (of); sprung, descended, issued, derived, (from). Afkondlg en, or. w. to proclaim; to publish, to bid, (huweligsegeboden). —er, m. proclaimer, proclamatton. Afkoaaksel, o. decoction. Afkoop, nr. redemption; composition. —baar, redeemable. —en, ov. w. to boy from; to buy off, — out; to redeem, to ransom. --er, m. buyer; redeemer, ransomer. Afkoratan, ov. w. to take the crest off, to ship off. Alkorf en, or. w. to shorten, to make shorter; to abbreviate, to abridge; to abate, to deduct. —ing, Y. shortening; abbreviation, abridging; abatement, deduction, discount. Aft&rab hems, ay. w. to scrape (to scratch) of!. —Per, m. scraper, scratcher. —bgng, v. scraping, scratching. —eel, o. s-.1rapings. AfkrUgen, or. w. to get down, off, to take (to get) out; to get abated; to get done. Afkrulanelen.ov. & on. w. to crumble (off). Afkruipen, on w. to creep (to crawl) down. Afkunnen, or. w. to be able to do; to get off. Afkuseen, or w, to kiss, to reconcile (to make up) with a kiss; to kiss away. m. indulgence, remission., voile —, plenary indulgence. —brief. letter of indulgence. —hundel, selling of indulgences. —kraisser, vender (seller) of indulgence's. --penning, a hrove-money &find en, ov. w. to unload, to discharge; to Wad, to ship. —er, m. unloader, dtacharger; loader, freighter. —ing,v.unloading, diseharging,londing, shipping. Aflangen, ov. w. to retch down; to deliver. Attaten, ov. w to let down; on. w. to leave 0', to cease; (van) to desist from. Atha*es en, ov. w. to borrow (from). —er, m. borrower. v. borrowing. Aflneren, ov. w. to learn from; to •unlearn; to make (a. o ) forget. Aftegg en, ov. w. to lay (to put) down; to cast away; to throw off; to resign; to lay out (een link); to lay, to set; to do, to make, to perform, to walk ( to ride) over; to depart this life; bei(idenis —, to profess, to make a profession; een brooch —, to pay a visit; erne gelufte —, to make a vow; getuigenis —, to bear witness, to give testimony; rekensehap — to account I forl• —er, m. layer out; layer; old thing. Afield boar, by. inferable, deducible, derivable. —en, or. w. to lead aside, — down, off, to reanise; to tarn the course of to mislead; in divert; to infer, to deduce, to derive. —ende 'eaten, deferents. —er, m. conductor. —ing, v. leading aside, — down, — off; revulsion; diversion, inference, deduetion: derivation. — ingsbuis, —ingspijp, conduit-p!pe --ingegreppel, drain. itillelletas, on. w. to trickle down. Aflekiten, on, w. to drop (to drip) down. Afilever star, m. one that delivers. —en, or. w. to deliver, to send off, —ing, v. delivery; pert, number. Aflez fin, or, w. to gather, to collect; to pluck off; to call over; to proclaim. - er, m. gattserer; proclaimer, reciter. --ing, v. gathering, calling over; proelematien, recital.
D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.

s. wan- Farther (faarlisur), a. ttr ail. veruer. Fartriest (faar'thest), a. & ad. verrt. Her; wain. (faar'khieng), a. penning, oortje, een Fanatic (fe-net'ik), --al, a. —ally, ad. dwees- Varna geen dolt waard. s. dweller, gee.stdrijver. j vierde penny. not worth a ziek, gecstdrijveni. greetFftrthingale (faar'thin-Keel), s. hoepelrok. —vine., —ism (-i-sizm), s. dweepzuclit. Fasces (fes'slez), a. bijbelbundel. drljverii. venster (la:en eene dem). —ner
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.

384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)
QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

cryptogeld jobs


rechtschapen, oneerlijk. —Cy, a. trouweloosheid; onrechtechapenheid. eel, dekmantet. —, v. a. vermommen, bewim- Dismal (diemel), a. —ly, ad. akelig, naar, sompelen. —a, a. vermommar. ber; droevig. —, a. begraver van pestlijken. —8, Disgust tdiz-guat' ► , a. afkeer, walging. —, v. a. a. droefgeestigheid. —near, a. akeligheid,, nearwalgen; ergeren. —ful, —ing, a. —ingly, ad. wal- heid. Dismantle, (diz-men't1), v. a. onimantelmontgelijk. blooten. Dish Idler), a. achotel, eehaal; gerecht. —, v. a. opdisschen (up); 4 verijdelen; vernietigen; arm Dismask (diz-maasit'), v. a. ontmaskeren. vaatdoek. —ful, a. (een) Dismast (diz-maast'), v. a. ontmasten. maken. —cloth, —clout, schotel vol. —stand, tafelkomfoor; tafelmatje. Distnay (diz-mee"), —edness, a. verslagenbeid; —water, vaatwater. achrik; angst. —, v. a. beangstigen, moedelooa idis-e-bil'i, a. ochtendp;ewaad. maken. Dishearten (dies haar'tn), v. a. ontmoedigen. Diame (diem), a. tiende. fiend. Dishevel (dis-sjev'v1), v. a. het hear in wanorde Dismember (diz-mem'bur), v. a. verbrokkelen; verminken. —ment, a. verbrokkeling; verminking. brengen. —led, a. met verwarde haren. Dishing idisriengl., a. holrond. Dismiss (diz-mis'), v. a. wegzenden (tc); afdanDishonest -dit-on'est), a. —ly, ad. oneerlijk; ken (front). —al (-sel), —ion (-mierun), a. afdanoneerhaar; trouweloos. —y, a. oneerlijkheid, onking; ontalag. —ice, a. afdankend. eerbaarheid; ontrouw. Dismortgage (diz- mort'gidzj), v. a. liftmen (een Dishonor !dit-ou'ur), a. oneer. —, v. a. ontpand). eeren. —able, a. —ably, ad. onteerend; eerloos. Dismount (cliz-maaunt"), v. a. nit den zadel Dishumor (diz-joe'muri, a. kwade luim. werpen; demonteeren (geschut); v. n. afstijgen. Disimprovement (dit-im-proev'ment), a. ach- Dlsnatur aline (diz-net'joe-rel-ajz), v. a. het teruitgang; verergering. burgerrecht ontnemen. —ed (-nee'tjoerd), a. ontaard. . Distincarcerate (die-in-kaar'sur-eet), v. a. op Disob, edience (dis-o-bi'di-ens), s. ongehoorvrije voeten stellen. a. ongezaamheid. —edient, a. —ediently, ad. ongehoorBlainelin *Mon (•klajn'), v. a. afkeerig (onge(-bee'), v. a. niet gehoorzamen, overzaam. —ey neigdheid. —e treden. negen) maken. Disinfect idit-in-fekt'1, v. a. zuiveren (van be- Disohligation (die-ob-li-gee'sjun), a. ondienat; ametting). — ing, a. besmetting wegnemend. —ion,' beleediging. Disoblig e (die-o-blajdzji, v. a. ondienst doen; (-fek'sjun), a. zuivering (van besmetting). beleedigen. —ing, a. —ingki, ad. ongedienatig, Disingenuous (die-in-dzjen'joe-us), a. —iy,ad.ononvriendelijk. —ingness, a. onbeleefdheid, ongeoprecht, valach. —near, a. onoprechtheid, valschheid. dienstigheid. Dislober tenon a. onterving. Disorbed (diz'orbds), a. nit zijnen kring ge—it, v. a. onterven. worpen. Disinter (die-in-tur'), v. a. opgraven. —meat, a. Disorder (diz-or'dur), a. wanorde, ongeregeld. opgraving. heid; ontsteltenis; storingiongeeteldheid. —, v. a. Disinterested (diz-in'tur-eat-id), a. —ly, ad. verwatren; doen ontsteillSn; atoren; ongeateld belangeloos. —nese, a. belangeloosheid. maken. —ed, a. onregelmatig; losbandlg; on esteld. —edness, s. ongeregeldheid, losbandigheid. Disinthrall (dis-in-thrao0), v. a. bevrijden. a. bevrijding. —1y, a. & ad. ongeregeld; wanordelijk. —meat, Disinvit ation (dis-in-vi-tee'sjun), s. afeegging Disordinate (diz-or'di-net), a. —1y, ad. ongereeen-r uitnoodiging. —e (.vaj0), v. a. eene nitgeld; buitensporig. noodiging afeeggen. Disorganiz ation (diz-or-gen-i-zee'ejun), a. ontbinding; storing van orde en aamenhang. —e Disinvolve (die-in-volv"), v. a. outwikkelen, ont warren. (-or'gen-ajz), v. a. ontbinden; den aamenhang Disjoin (diz-dzjojn'), v. a. seheiden. —t, v. a. veratoren. ontwriehten; v. n. uiteen vallen. Disown (diz-non'), v. a. niet erkennen; verlooDittlunct (diz-dzjunkt'), a. afgezenderd, gescheichenen; verzaken. den. —ion (-djzunk'sjun), a. afachelding. —ire, Dispair (die-peer' ►, v. a. een pear scheiden. a. —ively, ad. afacheidend, afzonderlijk. Dispansion (die-pen'sjun), a. uitspreiding. Disk (disk), sehijf; werpschijf. Disparage (die-per'idz), v. a. verkleinen, minachting brengen. verguizen; ongelijk verbinDislike (diz-lajk',, a. afkeer; weerzin. —, v. a. niet houden van. —n, v. a. ongelijkend maken. den. —merit, a. verlaging, verguizing; ongelijke vereeniging; aehade. —ness, a. ongelijitheid. Dislimb idit-Inn',, v. a. verminken. Dispar ate (dis'pe-ret), a. ongelijk. —ates (-recta). v. a. uitwiss-chen. a. 'Alt digheden; ongel)jke groothf,den.—ity ( -per' Disilynn it-tih), a. ongelijkheid; strk)digheid. Disloca to (dislo-keet), v. a. ontwrichten; verstuiken. —tine (-kee'sjun), a. verplaataing; ont- Dispark (dia-paark'), v. a. eene omheinde plaits wrichting. open stollen. Dislodge (diz-Iodtj . ), v. a. verdrOvan, does Dispart (dia-paarti, v. a. aeheiden; riehten verLirVven; v. n. vethuizen. (gesehut). 11;isguise (diz'gajzi, a. vermomming; voorwend-
telligence office. —ing, v. employing, spending; boarding; me Annbeeteding. Beateedet•r, n. Zie Beeteder. B. eteektseans3 , re. head-band; bor. Elestek, o. compass; plan, draught; r'ckoning. — en voorraarden, specification and conditions. ten — sunken, to 'point the maps, in ten korter — brenpen, to abridge. Ilesteken, ov. w. to bestiek; to adorn, to garnish, to lard; to undertake, to attempt, Beefed, v. spiced biscuit. o. direction, Mating. Ment; nomination; fuss, bustle, ado. —geld, —loon, postage, carrier's fee. —kantoor, forwarding-home. !Bente* en, on. w. to rob; to bereave. — lag, V. robbing. Denten en, ov. w. to appoint; to deliver, to carry, to forward, to bespeak, to order, to get made; to manage, to arrange; to nominate; ter aarde —, to bury, to inter. —er, e.. postman, carrier. —ing, v. delivery; order, commission. ilitesteonnet, m. crony. Heaters d, by. appointed, fixed; designed, destined; bound (naur, for, to). —men, on. w. to appoint, to fix; to design — , to destine (for). —mar, m. appointer. —ming, v. destination. eleeteetnuer, v. grandam, granny. Beef Tnspelers, ov. w. to stamp, (met den naam van) to call, to name, to style Ilcstendig, by. kbw. lasting (-1y), durable ( - bly), Permanent (Ay); steady (•D ► , stable (-lily), settled. — en, on. W. to atabilitate, to confirm. —held, n. permanence, steadinees, stability. Resterveis, ov. w. to die of; on. w. to tern pale, — livid; to dry up; to grow tender. laten — , to mortify. Ilieste,Istsr, to. gaffer, grandeire, old man. Beetevesten, on. w. to steer towards, — for. etitlest, o. —en, on. w. ie Beetnur. Beettji; en, on. w. to .;limb up, to ascend, to scale. —ing, v. ascending, settlingov w. to point. to dot. Iltstok en, ov. w. to batter, to harass. —er, Tn. harasser, aggressor. —ins . , a. harassment, assault, aggression. Bcetoyp ron, on. w. to darn, to mend; to fill up. —ing, v. darning, tt ending; fl; (lag up. Beetorm en, on. W. to storm, to assail, to fall upon; to importune, to overwhelm. —er, in. atormer. —ing, v. storm, assault. Bestorten, on. w. to spill (to ehedi upon. IiieSiterVitti., by. dead; pale, livid; stale; orphan. Bentrnif elkjk, be. blamable, reprehensible. —eltilcheid, v. reprehensibility. --en, ov. ws to rebuke, to reprehend, to corract,to punish. — er, to rebuker, corrector, punisher. —ing, v. rebuke, correction, punishment. Heatrali en, on. W. to beam capon, to irradiate. —ing,v. beaming upon, irradiation. Dectrett en, ov. W. to pave. —ing, v. paving; pavement. liestrUd en, on. w. to fight, to combat; to oppugn; to dispute, to controvert; to defray, to afford. —er, in, opponent, adversary, antagonist. —fag, v comeating; opposition, controversy; defrayment.

—, v. a. & n. lovers, Hymn (him'), s. lofzingen. —ic (-nik), a. lofzangen betretTend. Ilyp (hip), s. zwaftrinoedigheid. --. v. a. zwaarmoedig maken. Hyper bolo (hai-pur'bo-le), s.hyperbool. —bole. (-1111), a. overdrijving. —bolie,—bolieal. a. —Wisely, ad. (-per•bol'llt-). overdraven, overdrkjvend, —bolize (-lajz). v. a. overdrijven; v. a. bij vergrooting apreken. —borean (-per-bo'ri-en), a. van het hooge Noorden; streng koud . —critic (-per-krit'ik). a. streng km,strechter, letterzifter. —critic, —ethical (-per-kriVik-), a. overdreven atreng, bedilzuchtig, Hyphen (haffin), s.. koppelteeken. Hypnotic (hip-not'ik), s. slaapmiddel. Hypochondria (hip-o-kou'dri•e), a. miltzucht, zwaarmoedigheid, hypochondria. —c, —cal (-dray'. a. miltzuchtig, zwasrmoedig. a. huichelarij, ge• ilypascri sy veinsdheid. —te (hip'o-krit), a. huiehel Aar, sebtinheilige. —tic, —tical. a. —tically, ad, (hiphuiehelachtig, schijnbeilie. Ilyposta sis (haj-pmete-sis), s. zelfstandig wezen, persoonlijkheid; nrine , bezinkmel. —tecal (•1,0-qteVikl), R. wezenlijk, persoonlijk. iiypothe cute (haj-pottei-keet), v. a. verpanden. —cation ( kee'sjun), a, verpanding. — sic, a- voorouderstelling, stelling. —tic, —gee, a. —tically, ad. (-po-thet'ik-), vooronderstellend. Hyssop (hiz'zup), a. hijaop. Hysteric (his-ter'ik), — al, a. van de moederkwaal; met zenuwthevallen beh,bt. —8, pl. moederkwaal; zenuwtoevallen. Ilysterotomy (hia - te-roeuni - mth)„ a. keizersuede.

Wat is 0x relayer


OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).

Is Bitcoin een fiat of grondstof


AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow. 

Sfte10.1!syg (oek'ri-ledzj), s. heiligschennis; beck • yo,f. —iota. a. —tautly, ad. (-11'dzjita.), beingechenr,nd. (-li-dzjist), a. belligsehenner. Stice-LA k.iv (N•:Oris-ten), a. eakristijn, batten. --y, s, eakriatij. Sad (sect', a. —ly, ad. droevig, treurig; somber; neerslac-htig; verdrietig; lafnig; ellerdig; wonderi)jk. —den (sed'dr.), v. a be.droeven; v. n. bedroefd warden (at). —nest, a. treur;ghcld; neerelseittigheiti: errrt. Satliele (sed'd1),.. nodal; halve wandklamp. —back, bale rug. —bag, zadelzak. —bow, —tree, zanelbong. —cloth, zaclelkleed. —horse, rijpaard. —sick, gewond order den 'aide'. —., v. a. zadetcn; be. laden. —r, a. zadeltraker. Safe (seer), a. —ly, ad. veilig; gerust; ongedeerd, behouden. —conduct, vrkjgeleide. —guard. bedekking, gelei.te. vliegenkast; geldkist. —, v. a. verzekeren. —ness, ts. vctilighetd. —ty. s. veitighoitt; bewaring; v eilighddslamp; valve, vetligh.idsklep. Safflower (sef'flau-ur), a. safflaers. Saffron (aerfrun). a. saffraankleurig. —, a. ear-, v. a. met saffraan kleuren. Sag (see), v. a. beladen, does buig,en; v. n. zakken, doorbutgen gadrukt warden. s Saga leee'ge), legendo, sage. eras (se-gee",jusn, a. —ously, ad. sehrander„ seberpzinnig. —tit (-ges'it-tih), a. achrandet bed, seberpzinnigheid. Sagathy iseg'e-thih), a. sergie. sajet. Sage (seedzr), a. salie, waive, wijsgeer. —, a. —ly, ad. wijs. —ness, s. wijaheid. Sagging seg'giang). kromte, loorbuiging. Sagltia it (sedzrittel), a. pijlvormig; —.suture, pijlnood. —rive (-tee'ri-us), e. (de) Schutter. —ry

[...] the Debt Agency endeavours to allocate the orders placed by the co-leads and the selling-group members on the basis of the following criteria: 1. the order is placed by an investor who is not yet registered in the ledger of lead managers, 2. the order is of excellent quality and represents true diversification or is placed by an investor whose loyalty the Agency is particularly keen to secure. debtagency.be


DIetteolioni, v. diagonal. Makes, rn. deacon. —schap, o. deaconship, deaconry. Diakonee, v. deaconess. Dianaant, joa. & o, diamond. —gnat, --porter, diamond-duet, -powder. —atimer, diamond•Cutter. —of, by, diamond, adamantine. Diannseter, in. diameter. Dintrhee, v. Zie Dieht, o. poetry; poem, verses. —adv., pgettell vein. —kundig, poetical. —kunst, (art of) poetry. —hare, poetical whim. —mast, metre. —repel, line of a poem, sterile; —sink, —work, poem. —vane, poetize' rapture, ecstasy. —en, or. w• to •ersity, to compose; to invent, to contrive; on. w. to versify, to write poetry. —er, rn poet. —errs, v. poetess —esprit, be. & bw. poetic, 'poetical (-1y). —erlOkheid, v. Poetic/11nmDicht, by. shut; tight; thick; dense, compact, solid; close. —, bw. tight (-iv; compactly, close. — bit, bard by, close by, near. —en, ov. w. to close, to make close; to mend. —heid, v. tightness; density, compactness, solidity; closeness. vnw. who, which, that, those. DIsset,o. diet, regimen. Dtecf , m. thief. —.hag, bv. & bw. thievish (-ly). --achtigheid, v. thtevishness, m. theft, robbery, larceny; fetterkundio —, plagiarism. Disgene, vnw, Zie Decent.. 11)14init,o. dimity. —an, be. of dimity. Dienftestrunttude, bw. with respect to that. Dien star, m. servant; een — makes, to how. —arts, v. servant; erne makes, to make a courtesy. —der,rn. Zie Gerochtsdienoar.—ea, ov. it on. w. to serve, to be in service; to be of service (use), to suit; to answer. neaten, Monet, m. service, nee, favor, office. to go into the arrx► y, to enlist. een soeken., to look out for a place. — does, to be of service; to be on duty. het is tot uto —, it is at your service, you are welcome to it. de erne. — is de andere werard, one good turn deserves another. —aanbieding, offer of service. —betoon, service. —bode., servant, domestic. — Axis, house of bondage. —Aker—, professional zeal. —jaar, year of service. —kneeht. man servant, footman. -400,,, wage., hire. —niaagd, —add, maid-servant, band-maid. —sickle, risryant.gtrl. —pito/slip, liable to service, bound to serve. —Aid, time of service. —vaardig, by. & bw. ready to serve, officious (-1y). —vaardigheid, readiness to serve, offisioninees. —trii, free from service. obedient. —soak, official (ex officio) buolness. —boar, be. serving, in service; ministering; useful; — makes aan, to make serve. —boarlaid. v. being in service; usefulness; bondage, thraldom. —ire, by. ueeful, serviceable, suitable, pro; ee. —igheid, v. usefulness, serviceableness, suitableness. Dlesafengovolfge, Dienvolgensf, bw. comequently, accordingly. Diet), by. & bw. deep (-ly); profound (•1y), low 1-iyi; far. — gaan, to draw water.—indetkitia, a good deal past fifty. — in seAuldes steken, to be over head and ears in debt. in —e gedachten,
(bep-tis' mel(, a. tot den doop behoorend. —t, a. deeper; doopsgezinde. —tery (bep'tis-ter-ib), a. doopvont• Baptize (bep-tajz"), v. a. doopen. —r (-ur), a. dooper. Bar (bear), a. bout, ataaf; sluitboom, elagboom; toonbank; balie; maatstreep; sandbank; hinderpeal. —iron, staafijzer. —keeper, tapper. —room, gelagkamer. § mosquito —, muskietennet. —,v. a. afsluiten, versperren; verhinderen; uitaluiten. Barb (baarb), a. beard; weerhaak; paardetutg; barbarijsch paard —, v. a. aeheren; optuigen; met weerhaken voorzien. Barbacan (baar'be-ken), a. schietgat; bruggehoofd. Harbar Ian (ber-bee'ri-en), a. barbaar; a. barbaarach. —ie (ber•berlic), a. woest, onbeechaafd. —ism (baar'be-rism), s. woestheid, onbeschaafdheid; barbarierne. —ity (ber-ber'it-tih), s. barbaarschheid. —ice (baariber-ajz), v. a. & n. woest, wreed maken of worden. —ous (baseberus), a. —ously, ad. barbaarach, wreed. —oneness, a. wre , dbeid. Barbecue (baar"be-Irjoe), a. een in ztjn geheel gebraden varken. Barbed (baarbld), a. gebaard; opgetuigd; met weerhaken. Barbel (baar'b1), a. barbeel. Barber (baar'bur), a. barbier. v. a. & n. echeren en kleeden. —monger, fat. Barberry (baar'ber-rihi, a. berberia. Barbet (baar'bit(. a. poedel. Bard (beard), a. bard, dichter, Bare (beer), a. bloat, ongedekt, kaal; arm; onkel. —. v. a. ontblooten, ontdekken. —bone, levend geraamte. —boned, seer mager. —faced, onbeschaamd. — facedness, a. onbeschaamdheid. —foot, a. & ad. barrevoets. —headed, a. & ad. blootshoofds. —of money, zonder geld. —ly, ad. bloot, enkel. — ness, a. naaktheid. Bargain (baaegin), a. koop, beding; voordeel. into the —, op den koop toe. —, v. n. een' koop eluiten, ding en, overeenkomen, (for). —ee(baargin-iel, a. kaoper, aannemer. —er, a. verkooper. Barge (baardzj), a. vracht- of trekachuit. — man, a. schuttevoerder.

Geoffry (dzjiefIrlh), f. voor Godfrey. Georg • (dzjordzr), in. George, J orig. —ha ( i-e), g. Georgie. —iaa (-i'ae), w. Georgina. Ger aid (dzjer'uld), m. Gerald. —ard ( urd), m. Gerard. German (dzjur-msn), a. Duitsch; I. Duitscher. —in (-mee'nt-e), g. Germania. —ices (-men'i-kus). m. Germanieus. —y (-me-nth), g. Dultash• land. G•r trude (gur'troed), v. Gtertraida. —vat (dzjur'ves), m, Servaas. Gethsemane (gith-sem'e-ni),g. Gethseiane. Ghent (gent),;'. Gent. Gilt (gib), f. voor Gilbert; Govert. —ion (gib'bn), in. Gibbon. Gibraltar (dzjib-reoPtur), g. Gibraltar.

Waarom Bitcoin kopen en verkopen prijs is anders


I vuuraanbidder. I Fir a (faje), v. a. afvuren; afateken; in branasteken, aanvuren , aanhitsen (with). —, v- n. vuren, losbranden, (at, upon;. --er, s. afvuurder; brandstiehter. —ing, s. brandstof; (het) vuren; — iron, (fajn'), a. —ly, ad. lijn; seherp; ruiner; fielder; school', fraai; iteurig, net; praehtig,1 brandijzer (der boefsmeden). pronkerig; alien. — fingered, net ikunsiig)bewerkt. Firk (lurk), s. slag, klap. —, v. a. elaan, kas.—shaped,schoon gevormd. —spoken,welbespraakt; tijden. s. tijn- Firkin (fur'kin)„ a. kinnetje; vaatje. manzaarn. -spun, slim .erlegd. held; fraaiheid; loce,heid. —, v. a. vezfijnen, :Firm (furm), a. firma. Firma (fares'), a. --ly, ad. vast, heciata standvaszuiveren, lonteren. tie. ; vastberaden. --, v. a. vaststellen; beveatiFiitetiruw Liar.] v, a. uiteren (laken); gen. s. vastheid, heehtheid, standvasmecca. --er, a. lakenstoppe,; mazer. ; tigheid. Finer (fain'url, s. smelter, 'outer., Finery 9,fajn'ur-rth), s.pronkarij, opsebik; smelt- Firmament (fueme-ment), s. uitspar.sel. —at (-rnent'el), a. hemelsch. oven. First (burst'),ti.eerste,voursterroegste.—,adeeerst, Finesse (tfTes'), s. loosheid; list. ten eeetate. at —, aauvankolijk. —begotten, —born, Villager (fing'gur), a. vinger. to hare a' thing at —bousd,, a. cerstgeboren; a. eermtgeborene. --cost, inone's — s'end, tete. op zijn duimpie keowprn,. —cousin, voile neer nicht). —fruits, eteeravarert. man.a! )Utz cane vittol). reedschap.
AAN rest; to seize, to confiscate; to harbor, to conceal; Antakoppel en, ov. w. to leach, to couple on. w. to continue, to last, to persevere; to —kg, v. coupling. solicit, to sue (om, for), to insist (upon). — end, Atenkorsten, on. w. to get (together, to c ontract) by. & law. continual (-ly). —endheid, v. continua crust, to become crusty, — scurfy, — scabbed. ance, duration. —er, m. peaeverer. —ing, v. Annkransin en, ov, w. to cram p, to fasten with continuation; perseverance; seizure. a cramp-iron. —ing, v. fattening with A c, amptrail tiktinftesppelest, on. w. komen—, to come akipping, (frisking). AfienkrAfgen, ov. w. to get on; to be drest in, to Antal:rum en, ov. w. to ally (to acquire) by mar- lose . riage —ing, v. alliance. Aank rUten, ov. w. to weep (to cry) at. AseiaiJCen, on. w. to hasten (to hurry) to. komen Atenkrulen, ov, w. to bring on a uheel-barrow; —, to hasten hither. to came down adrift. Attoingen, or. w. to drive on; — against; to hurry Annkrulpen, on. w. to creep up (against). home's on. reArik —, to frighte:;; on. w. to drive (to —, to approach creeping. ride) full speed, Aankunnen, or. w. to be a match for. Annkalken.ov.w.to ccatwithlime;to chalk down. Annkwakken, or. W. to fling newt; on. w. to Annknnt en (dich), t. W. to oppose. —beg, v. fail to bounce) against. opposition, resistance. Annkweek sling, m, & v, young plant; pepil. Annkbliren, ov. w. to bark (to yelp) at. —en, ov. w. to cultivate; to breed, to grow, to Aankijiken„ ov. w. to look at. raise, to nurse. —er, tn. —seer, v. cultivator; Annkliangster, v. Zie Aninkinger. breeaer, grower. —ing, v. cultivation, culture; Aanklacht, v. accusation„ indictment. breeding, raising. Ansel:LIN; en, ov. w. to accuse, to indict, to Annkwlspelen, ov. w. to woe the tail at. inform against. —er, m. accuser, complainant, Annlathen,ov. w. to smile at, — upon. plaintiff. —tag, v. accusation. Aantand en, on, w. to land, to come ashore. Annkinrop en, ov. w. to board, to grapple; to —ing, v, landing. arrival. accost. —lay, v. boarding; accosting Anninngen, or. w, to reacts, to baud, to pass. Anakinetweet, ov. w. to rake, Anniappen,ov.w. to patcle , (to botch; on. Aankleed en, ov. w. to dress. —er, m. —.ter, Annlastech en, ov. w. to scarf, to join. —ing, v, dresser . —ing, v. dreseing. v. ec,rfing,joining, junction. AteeetCle e t; m. appurtenance, dependency. —sel, 0. Ann latest, ov, w. to leave on, to let keep on. sticking part. —ster, v. Zie Annktever. Annllavecren, on. w. komen —, to laveer hither. Annklensteeen, or. w. to pinch (to jam) against; Anoieeren, or. w. to learn; on. w. to make to strengthen. progress, to improve. Arinklew en, ov. w. Zie Aanplakken; on w. Annieg, in. arrangement, plan; aim, design; beginning. ; disposition, aptitude; instance. — kebben t() adhere (to stick) to. —er., It. adherent. —ing., v. sticking to; adherence, adhesion. veer (tot), to have a talent for; to be fit for; to Aanktop pen, 07. W. to drive on; on. w. to have a tendency to. —plants, halting- (baiting-, knock (LA), to rap ( at). —per, m. —ater,v. knocker. landing-) place. —gen, ov. w. to arrtnge, to plan; --ping, v. knocking, rapping. to lay oat; to hull d, to construct, to lay the Aanknoop en, 07. w. to knot (to button) to- foundation of; to ap ly. to e m ploy; to becin, to getber; to add; to bsgin; to enter into; to form; contrive, to manage; to direct; o make, to kindle; wetter —, to renew, to resume. —ivy, v. buttoning on. w, to stop, to bast; to at an at, to take one's (knotting) together. —kgspunt, o. starting-point, aim. —ger, m. --eter, v. beginner; contriver, connecting link, ' author; time r. v. stopping, baiting. Ansekomeling, m. & v, neweou..er, stranger; Annield en, tee. w„ to lead this way, — against; novice, apprentice, tyro, stripling. to occasion. —end, be. inducing. —ende eorsaak, Aesnkomen, on. w. to arrive, to come, to ap- prime (drat) cause. —er, m. Wider; inducer, proach, to draw near; to call at; to get at. by; Author. —ing, v. reason, occasiall, inducement; to devolve upon; to thrive, to improve. het laten geven tot, to induce; to give rise to. risk it. Annienen.on,w.ZieAnnieunen. — op, to leave to. het er op laten het Front er maar op aux , the great (lhe poirt Annieneven, ov. W. to temper, to mix, to weaken, to dilute. in) question is .... het komt er niet op aan, it does not matter; never mind, ate het er op son- AnnEeunen, on. w. to lean (Against. on). rich laten —, to accept of, to take kindly. kora, if it comes to the pinch. Annk.ormend, be. arriving; approaching, of-xt; Ann lilehten, on. w. to dawn, to grow light. },ung, rising. Attoligg en, on. w . to lie (against); to &comb. —end, be. accumbent; adjacent. —ing , v. accumbAntikonent, v. arrival, coming, advent. Aankondig en, ov, w. to announce; to give no- ency.juxtapcsition. ti,e, to advertise; to forebode, to portend. —er, AnniUres en, ov. ve. to glue. —er,m gluey, —lag, m. —liter, v. announcer. —ivy, v. announcement; a. gluing. advertisement. , Annioelen, ov. w, to low (to bellow) at. Annkoolen, ov. w. to close (ern drukuorm). Annioeven, on, w. to loot' up, to go to witAdAnnko3p, m. purchase. door —, by acquisition.' ward. —en, ov. w. to purchase, to buy. —er, m, —tier, Annlok kellUk, hr.& by., alluring (.1y), attract. v. purchaser, tuyer. ive enticing. —kel(jkAsid, v. alluringnees,
STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

Wat is de beste cryptogeld om te investeren in


liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,

(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij- 

Hoe wordt Bitcoin gegenereerd


Sfte10.1!syg (oek'ri-ledzj), s. heiligschennis; beck • yo,f. —iota. a. —tautly, ad. (-11'dzjita.), beingechenr,nd. (-li-dzjist), a. belligsehenner. Stice-LA k.iv (N•:Oris-ten), a. eakristijn, batten. --y, s, eakriatij. Sad (sect', a. —ly, ad. droevig, treurig; somber; neerslac-htig; verdrietig; lafnig; ellerdig; wonderi)jk. —den (sed'dr.), v. a be.droeven; v. n. bedroefd warden (at). —nest, a. treur;ghcld; neerelseittigheiti: errrt. Satliele (sed'd1),.. nodal; halve wandklamp. —back, bale rug. —bag, zadelzak. —bow, —tree, zanelbong. —cloth, zaclelkleed. —horse, rijpaard. —sick, gewond order den 'aide'. —., v. a. zadetcn; be. laden. —r, a. zadeltraker. Safe (seer), a. —ly, ad. veilig; gerust; ongedeerd, behouden. —conduct, vrkjgeleide. —guard. bedekking, gelei.te. vliegenkast; geldkist. —, v. a. verzekeren. —ness, ts. vctilighetd. —ty. s. veitighoitt; bewaring; v eilighddslamp; valve, vetligh.idsklep. Safflower (sef'flau-ur), a. safflaers. Saffron (aerfrun). a. saffraankleurig. —, a. ear-, v. a. met saffraan kleuren. Sag (see), v. a. beladen, does buig,en; v. n. zakken, doorbutgen gadrukt warden. s Saga leee'ge), legendo, sage. eras (se-gee",jusn, a. —ously, ad. sehrander„ seberpzinnig. —tit (-ges'it-tih), a. achrandet bed, seberpzinnigheid. Sagathy iseg'e-thih), a. sergie. sajet. Sage (seedzr), a. salie, waive, wijsgeer. —, a. —ly, ad. wijs. —ness, s. wijaheid. Sagging seg'giang). kromte, loorbuiging. Sagltia it (sedzrittel), a. pijlvormig; —.suture, pijlnood. —rive (-tee'ri-us), e. (de) Schutter. —ry
—sekrOvers, or. & on. w. to Write close. —sehroe• ven, or. w. to screw to —.Mules*, ov. w. to shove (to push) into. —1/aan, ov. w. to strike togetber,to join; de handen —, to act of one accord, to make common cause. —slititen, on. wr. to be fit, to fit in (with), to sntt. —ssit,lten, on. w. to melt, to mingle. —inserting. v. melting, mingling. —vloeien, on. w. to flow together, to meet. —rloeiing, v. conflux, confluence. —voegen, ov. w, to join, to adjust, to dove-tail (with). —voeging, v. joining. Itnent en, or. we to graft. to ingraft. to inoculate; to vaccinate. —er, m. inoculator:vaccinator. —ing, V. grafting, ingritfting, inoculation; vaccination. Inetsen, or. w. to etch in. w. to fester, to grow deeper by Inetterais, suppuration. Infanterle,s. foot, infantry. In finnsen, or. w to throw in carelessly. Intflutt,teran, ov. w. to whisper, to prompt, to suggest. Infreni, by. very fine. Imgaan, on. w, to enter, to go (to walk,to step) in, — into; to begin. Ingnarder, m. collector. Ingaeler en, or. NV. to gather, to collect. —ing, v. gathering, collection. Itagnaig, an. entrance, entry, ingress. —rinden,to take. Ingebseld, bv. Imaginary; self- conseited. Itageboren, by. innate; native, born. Ingeeride, m. & v. landholder. Ingcest en, or. w. to inspire. —kg, v. inspiration. Ingekankerd, hr. inveterate. Ingeleand,m. landholder, freeholder. Ingelegd, hr. laid (put) in; pickled, preserved; inlaid, tessellated, mosaic. I ugenteur, m, engineer. lagenonsen, hr. taken; captivated, prepossessed. —he;d, v. prepossession, affection. Ingeschapen,bv. innate, inborn. Ingesloten„ by. enclosed; inclosive,incl tided. Ingetogein, hr. & bw. continent (.13y); modest (-13, ), composed (.;y), sedate (•1y) —he d, v. continence; roodesty,andateness. Ingevni, vw. in case. loge-v en, or. w. to give in, to adminieter; to present; to prompt, to suggest, to inspire. —ing, v. suggest Ion, inspiration. Ingevolge, bw. pursuant (agreeably) to, in consequence of, in compliance with. 110401,17nntc9, o. entrails, bowels. I,,gewelde,o.intestinee. IngewUde, s. adept, initiated. Ingewikkeld, be. intricate. —held, v. Intricatenese, intricacy. Ingovvorteld„ bv. inveterate. Ingezetene, m. &v. inhabitant. Itasslertg, by, very covetous. Inglet en, or. w. to pour in, to infuse. —ing,v. infusion. lisgUts.nt, ov w. to reeve in. InglUden, on. w. to slide in, — into. InglIppen, on. w to slip in, into.
tNR.-1/NS Unronted (un-raztt'id), a. ulet in wanorde gebraeht. Unroyal (un-roj'el), a onkoninklijk. VeroMe (un -rura), v. n. kalm (atil) worden. —d, a. kalm, stil; ongeplooid, Uncut ed a. niet bestuurd. —Lip, ad. —y, a. ouregeerbaar; weerepannig; toomeloos. —mess (-1-ness), a. onhandelbaarheid„ o atembaarheld, weerspannigheid. Unrunspie (en-rum'pl), v. a ontriml.,1 en. Unsaddle (un-eaci'd1), v. a. ontzadelen. —d, a. ongersdeld. Unsafe (an-seet') a. —ly, ad. onveilig. a. onvellIgheld. Unsold (nn-sed'), a. ongezegd. Unsalable (un-seell el), a onveirkoopbaar. Unsalted Inn•saolt'id), a. ongezouten. ongegroet. Unsalutad Uneenet1 lied (ttu-aengk'ti-fajri), a. ongehdligd„ ongea kid. —oned (-ejund), R. outtekrachUgd. En/Anted (un neelid), a. onverzadixd. Unsatisfuot lore (un-set-is -fek'sj an), a. ontevredenheld. —orily (-tur-114111), —ory (-tur-rib), a. onvoldoend —orinees (-tur-i-1, a. onvoldoenditeid. lineation labia (un•set'is-faj-t5i), a. onverzade113k. (•fajd), a. onvoldatm, ontevredigd. —ping (-faj-leng), A. onvoldoend. Unsaturated (un-set'Joe-ree-tid), a. onverzadigd. Usasavor ily (un-,ee'vur-11-lib), ad. —y, a. onsmakeltjk. —iness (4- nees). e. onsartkelijkheid. Unsay (un-see') [lm], v. a. herroepen. UnSCRII able (uu-Akee'llb)), a. onbeatijgbaar, —e (-skeel'), r. a. van eahubben (rfehlitere) ontdoen. —y, a. niet schilferig. Unscanned (un-aftend'), a. ondoorzocht; onov erlegd. Unscared (ue-skeerd') a onver schrikt. Unecarred (ups-Outerd'), a, zonder I Meek... Uneonthed (an-skeet kV), a. ongedeerd, onbesehadigd. Unscattered (un-aket'turd), a. niet verstrooid. Unscholastic (un-ako-les'tik), a. niet hoolseh; ongentudeerd. Unschooled (un- skeeld'), a. net onderwezen, ongeleerd. Unselentific (un-sat-en-tirik), a. —ally, ad. onwetensehappelij k. Unscorched (un-skorlait'), a. onverzengd, ongesuhroe td. Unseoured (un-skaurd'), a. ongesehuurd. Unseratehed (nu-skretsW), a. ongekrabd; ongeschamperd. Unsoreened (un-skriend'), a. onbesehut. Unscrew (on skroen, v. a. lossehroeven. UnacrIptural (un.skrIptloa 111), a. onaeltrittnurlijk, Uneccupuloue(un•skroe'ploe-lus),a niet nauwgezet. Unseal (un-sie2), v. A. ontzegelen. —ed (•sield') a. ongezeeld. Uneenus (dun-stem'), a. a. lostoroen. —ed (-81eme), a. ongezoomd. Uneentreh able (un-surtsribl). a. —ably, ad. on. doorgrondeltjk. —ableneas, a. ondoorgrondelkik —ed(•atirtaje), a. niet onderzocht.

N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Zal crypto ooit herstellen in 2019

×