PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
PRE. a. (jveraar voor de booge geeatelijkheid. —lure (-tjoer), 8. waardigheid van prelaat. Prefect (pre-lekt'). v. n. eene voorlezing houden (upon). —ion (-lek'ajun), a. voorlezing, — or, B. voorlezer, lector. Prelibation (pre-laj-bee'ajun), a. voorsmaak. Preliminary (pre-lirn'i-ne-rih), a. voorafgaand, inleidend. a. voorloopig punt, voorloopige stap, PreIts de (prel'joed), a. voorapel; inleiding. —de. (Pre-ljoe.1), v. a. & n. preludeeren; iuleiden; voor berei den. —dial,—sive,—sory, a. (-pre-Joe'-) inleidend; voorbereidend. Pr emniur a (pri-me•tjoer'), a. —ely, ad te vroeg rijp; ontijd;g, voorbarig. —sty, a. ontijdiaheld, voorbarigheid. Premedita to (prented'i-tet),..—teiy,ad.vooraf overlegd; voorbedachtelijk, —te(-teet), v. a, & n. vooraf overleggen. —tion (-tee.sjun), a. voordacha, voorafgaand overleg. Premices tprem'ia-lz), pi. eeratelingen. Premier (pri'mjur), a. eerate minister. Premise (pre-maje), v. a. voorop stellen. vooraf ala praemitsen stellen. —a. (peeinilaten 18-'.!2), pl. voorop gezette atellingen, praemissen; htitt hula en erve. P,etnium (pri'mi urn), a. premie; belooning. premonl 811 pri-mon'isj), v. a. voorat waarschuwen. —shinent. —Con (-mo-nisrun). a. voorafgaande waarachuwing. —tare ,,.(-i-tur-rth), a. voorat vvartrschu wend. Premunstrate (pri•mon'street), v, a. vooraf toonen en bewijzen. P,eatorse (pri-more), a. getand, aftebeten. PrenaDtkon (pre.mosejun), a. aandrift. Prom4ini re (pram-joe-narrih), a. verbeurdver,larin•; misdeed, die met verbeurdverklaring pri..:estraft wordt; uiterste verlegenheld mjoe-nisrun), a. voorkoming cener tegenwerrdnif-tory (p •a-rnjle'ni-tur-rih), a. eene geldboete vastatellend. Pr ...Ult. to (pri-nom'i-neet), v. a. vooraf lenoeraen. —tion (-nee'sjan(, a. ,.voorstgeanae henoeming. Prenotion (pri.no'sjun,, a. voorkennia; voorsmaak. P ,ene lee (pratetts), a. [& v. a. Lie Apprentice P eeobtain (pH-ob.-teen'', a. a. vooraf verkrijgen. Preoccup ancy (pri-olt'kJoe-pen-sih), a. 'roegere In-bezit-neming. —ate (greet), v• a. die to Preoccupy, —ation vroegere in-bezit-rzemIng; vroeger bezit; vooringenoneenheld. —y (-paj), v. a. vroeger in bezit neaten, voorinne rnen. Preorninate (pri-om'i neat), v. a. voorapellen. I.reopinCon (pri-o-pin'jun), a. veroordeel. Preoption (pri-op'e)un), a. voorkeur. Preordain (pri-ur-deen'), v. a. vooraf beachikken. — verordauen. Preurdina nce (prt-or'di newt), —lion (-net, qua), s. vroegere beachlkking of verordening. —te (-net), a. vooraf betchikt. Preparat ion (prep-e.rees'ajun), N. berelding; voorbereiding; toebereldsel; voorbereidbeid, (for;. a. —ively, ad. (pre-pers tiv-), —ory, a. --oray, ,td. (pre-per'e-tur.), voorberetdend, voorloopig (to). —iv* (pre-per'e-tiv), a. toebereidael
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.

435 tined; ale Doophek. —kind, god child. —kked, christening-drest,baptismair obe.—essal,obristeninpfeast. —seam, christian name. —plechtighind, ceremony of christening. —ease, egg-sauce. —wader, god-tattier, —vont, font. baptistery. —water, baptismal water. --eosin& Mennonite. en. & v. child (person) to be ' baptized, child held up to baptism. —es, ov. w. to dip, to plunge; to mix, to adulterate; to baptize, to christen; to duck (bii teelleden); to DEW, to surname. —er, m. dipper, plunger; baptIzer; Baptist. —ing, v. dipping, plunging; baptizing, christening. —eel, 0. baptism. Door, bw. & vs. through; by; thoroughly; qUite — en —, thorougly, quite. — elkander, one with another, on an average. — midden, in two, asunder. het panache jeer —, all the year round, throughout the year. Doorbakkesa, wv. w. to bake thoroughly; on. w. to continue baking. —, by. well-baked, welldone. Doorlsaretea, on. w. to burst (to:crack) asunder. Dcsorbouken, ov. w. to beat asunder. DoorbUten, ov. w. to bite through; to earrode. Illawrbentioren, ov. w. to peruse, to run over curaorily . Doorbiazen, us. w. to blow through, — asunder, on. w. to blow on. Dourbor en, ov. w. to bore through, to pierce, to perforate; to stab; to sink (een sal" ,ing, v. piercing, perforation. Doorbouwen, on. w. to continue building. Doorbraak, v. breach, rupture. Doorbratien, ov. w. to roast thoroughly; on. w. to continue roasting. —, by. well-roasted, well done. Doorbrandan, ov. &on. w. to burn, —through, — thoroughly; to continue burning. Doorbreken, ov. w. to break, — to pieces, — through; on, w. to break, to burst (forth, through); to pierce the clouds; to become prevailing, Doorbreng en, ov. w. to get (to lead) through; to pass, to spend; to squander, to waste, to die, ni p ate. —er, m. —*ter, v. 'squanderer, spendthrift. Doorbulgen, or. w. to -break by bending; on. w. to bend, to give way. Doordacht, by. dully considered, well-weighed. Doordaneees, or. w. to wear out by dancing. Doordeukvn, ov. w. to perpend, to consider maturely, to run over in one 'a mind; On. w. to reflect., to ponder. Doordian, vw. as, since, whereas. Doordoen, ov. w. to get through; to blot (to strike) out, to cancel: on. w. to continue, to go on. Dourdraafater, v. Zie Doordraver. Doordraal en. ov. w. to run riot, to live in debauchery. —er, m. wild spark, rioter. kioordrngen, 05. w. to carry (to bear) through. Doordraw en, on. w. to trot on firmly ; to pass trotting; to hurry on. DoordrUlfeter, v. Zie DoordrUvar. Doordrijv en. ov. w. to drive (to push) through; to enforce, to push, to carry through, to effectuate; het —, to carry one 's point; on. w. to float through. —er, m. forcer, obstinate person.
What is the point of being insured if they will never admit wrongdoing? It is rare that an employee will steal your funds. My account was almost emptied when they sent my funds to someone in the Netherlands. Coinbase has done nothing to get them back for me. I had not even accessed my account for a week, yet they accuse me of doing something that caused this to happen. I would never give anyone my password, there’s no one else here to use my computer, my internet provider said I got no messages from Coinbase (2 step verification) on… Read more »
Weal (wiel), a. welzijn. welvaitrt; striern, atreep. I nvre-it'h''')!Inat.erVkbdeil; welvaart. —ily. ad. Wealth o acltro —y, a. rift, vermogend. —mess (-1-neal), a, Welgesteldbeid. Wean (mien'), C. a. spenen; afwennen. —el (-id), —nag, a. geepeend kind; — dier. Weapon (wep'n), a. wapen. —ed (-and), a. gewalkend. —less, a. ongewepend, weerl000. Wear (weer), a. (bet) dragen, dracht; alk)tinX, (wier), dam, bade, waterkeering; elljtaadje. vischfaik. — and tear, het verelijten; rampen an wederwaardighoden. Wear (weer') [wore, worn, (woorn)]. v. a. dragen, aanhebben; afdragen, afalljten; verteren; efenattan; gewennen. (away) veislijten. (of. out) atellkjten, afdragan. (out) uttputten: ten elide brengen. —, v. n. zleh houden (In het dragen ► , duren. (away. off) verslijten; vervallen (on) verstrijken. (out) afelijten; &firemen. —aide, a_ dranbehr. —er, as. drager; verelijter. —ing, s. bet dragen! —app, b(w leteedArde17 .11. vermoeid. —!new(.1-11e.S), reraineldhatd; verveling. —isms, a. —isomely, ad. (-1-sum.), vermosiend; lastig ; vervelend. —isomeness (-i.aurn-)„ a. lautlglield; verveling. --y, ave. rvpasol-la. (of) ; (of) nat. —y, v. a. venmoelan; Wectaand (wle'ind), a. luehtpkip. Wencel (wi'zl). a. wezel. —fared, sthrad van aslaat. —gutted, mager. Weathe., (wetteur), a. wader. stress of swain. wear. —beaten, door etormen getetaterd ; errweerd; bevaren. —bit, slag van het alikertonw om den boy van het braadapil. —board, loefzii de; waterbord. —bound, door het wader opgehouden. —braces, pl. loefbrassen. —rock, wearitaau. - coal, v. a. onder het bij!eggen over ern' anderen boeg wenden. —driven, door den storm gedresen. —gage, wterwilzer ; loot —pieces , wearglee. —headed, ongeatadig, wirpelturtg. —leech, lostlijk, —line. windsteek. —moot, dtcht wader den wind liggend. —proof, legen het wader beatand. —quarter, windviering op de loafzijde. —sail, geteerd reit, presenning. —sheet, loefachoot. —shore, loef-, opperwal. —shrouds, pl. loetw ant . —side, loefzij de. —spy, wetrprofeet. —tack, loefhalo webrkundig. Weather (weth'ur), v. a. eau de lucht bloat stellen. luchtee; te loevert (te borer ► ) zetlen; met moeite omzetlen; uttetaan, detonation, te boven komen (out). —1y, a. te )never; eh1P, eehip, dot gord hij den wind zellt.
delboom. —, v. a. dagteekenen; v. n. (from)rekenen, aanvangen. —r, a. dagteekehaar. Ds- tive (dee'tiv), a. gegeven, benoemd (door de rechtbank). —, a. dativus. Datum (deetuni), Data (deete), s. gegeven, gegevens. Daub (daob'), a. kladstuk, prul. v. a. bemorsen, bcameren; kladsehilderen; bewimpelen; v. n. huichelen. —er, s.kladschilder;. lage vleier. —erv, a. kladdert; kunstgreep. —sag, a. sets klevends; gips, pleisterkalk; kladackilderi). —y, a. kleverig, smerig. Daughter (dao'tur), a. dochter. —in-late, schoon dochter. —ly, a. ale eene dochter. Daunt (daant'), v. a. ontmoedigen, afschrikken. —less, a. onverschrokken, —leanest, a. °riversaagdheid. Dauphin (dao'fln), a. dauphin. Davit (dee'vlt), s. kipstut; doove jut. —guy, ophouder. —rope, vanglijn. Daw (daow), a. kauw, kraal. Dawdle (daoled1), v. n. talmen, benzelen. —r, a. leuteraar, beuzelaar. Dawk (dank), a. kerf; keep. —, v. a. inkeepen, inkervea, Dawn (daon) a. schemering, dageraad. —, v. n. achemeren, gloren, krieken, dagen. Day (dee), a. dag; daglicht. to —, heden. —ly, dagelkiks. from — to —, van dog tot dag. every other —,om den anderen dag. this — sennight, van daag voor acht (lege], to carry the den slag winnen. —s of grace, respijtdagem. lay—s, ligdagen. —bed,ruatbed. —book, dagboek. —break, —spring, het aanbreken van den dag. —coal, bovenste kolenlaag. —dream, droom in wakenden toestand). dagdiertje. —labor, dagwerk. —laborer, daglooner. —light, daglicht. —s-man, scheidsman. —scholar, dagscholier. —school,dagschool. —star, rnorgenster. —time. dagtijd. in the —time, over dag. —work, dagwerk. —'s-work, het werk vita iênen dag. —writ, dagverlof. Daze (-deco), a. zekere blinkende steen. Dag.z1 e (deez1), v. a. verblinden; v. n. verblind zijn, achemeren. —ing, a. —in ly, ad. verblindend. Deacon (die'kn), a. diaken; deken. —ess, a. dia. beams. —ry, ---,hip, a. diakensehap. Dead (dad'), a. dood, levenloos; doodach, stil; as mat; werkeloos; blind (zonder opening). —alive, levered a door-nail, dood ale eon pier. dood. —bargain, apotprijs.—beat, zetter. — block, doodshoofdblok. —barn, doodgeLoren. —calm, doodstilte. —drink, verschaalde drank. —doing, doodelijk, verwoeetend.—door,looze deur.—drunic, atomdronken. —eye. puttingblok. —hearted, versaagd. —killing, onmiddellijk doodend. —lift, hopelooze toestand. —lights, luiken, stormblinden. ledige tiesschen (lijken). —neap, dood geti). —nettle, doovenetel. —pledge, dood pand. —reckoning, gissing omtrent den gang van het schip. —sleep, diepe alaap. —struck, doodelijk ontsteld. —water, kielwater; atilataand water. —wind, tegenwind. —wood, tegenkiel, alemphout. —work, dood deal (deal van het sehip boven water). Dead (ded'), a. (de) looden; doodatilte. in the — of winter (of the night), in bet hirtJe van den win-
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Ik kocht cryptogeld wat nu


—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold
Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-
Faeultelt, v. faculty. Fagot, v. bassoon. —blazer, basal:Wet. Fail' ems, on. w. to fall, to break, to become a bankrupt. —let, hr. Insolvent, broken, bankrupt. —let, —iseement,o. failure, insolvency, bankruptcy. Fakkell. inc. torch, link; luminary. —draper, torch-bearer, link-man. —hicht, torca light. Falhala, v. furbelow. Fallen, on. w. to miss, to fail. Palle, v, mantle, veil. Fattekant, by. & bw. otherwise, wrong, false ( - 13r , , deceitful (-ly), treacherous Or. Fali,..evouvv en, on. w. to coax, to wheedle. to dissemble. —er, m. —ster, v. coaxer, wheedler, dissembler. Falkonet, o. falconet. Faienelle, m, forger; cheat, impostor. Fantlillie, v. family, relation.; tribe. —betrekking, relationship, kindred. —gek, —ziek,fond of one's relations. —goed, faml!y-estate. —graf, faml lyvault. —heefd, head of a family. —kring, domestic circle. —kwaal, family-vault; hereditary disorder. —leven, family-life —noon*, family• came. —rand, family-council. ---,auk, family . piece. —tree,family-feature;etraracteristic.—trett,
Barkers, o. barracan. liarkas, v. long boat, H arm. m. barbel. liarnsbartig, bv. & bw. merciful ;Ay). v. mercy. Bormte, v. heap of earth. o. heat. midst. liornen, on. w. to ti,rn, Barnsiteesk a. amber. -en, be. amber. Barometer, m. barometer. Boron, m. baron. -en, v. baroness. --ie. v. Iwo ny -ache.), o. barony, baronage. liairrevoet er, To. one that goes barefoot; -breeder, barefooted friar, Cordelicr. -s, bw, barefoot. liarrioad e, v. barricade. -eeren, ov. W. to barricade. B ernalls, be. & low. fierce ( - 1y). harsh ( - )y), gruff -ly). tart (-Jy). -heid, v. fiercenesri, harshttans, gruffness, tartness.
to hobble, to limp, to halt. -Wet, liMper, —.lg, be. hobbling, limping. Hand, m. dog ; dog-star. —eketliteg, dog-chain. —enendee, old pieces of ropes and cabled.—enhaor, dog's hair. —enliok, dog-kennel. —enjongen, dogkeeper; stable-boy. —enleer, dog-skin. —emits*, dog's nose. —enras, canine race. —eastager, dogwhipper, beadle. —enwacht, dog-watch. —ensiekte, dog's disease. —eszweep, dog-whip., —3beet, bite of a dog. —.Naar,, watery pustule. —tblotin, dandelion. —adages, dog-days, caniattlar days. --edietei, anthemis. —sdolheid, canine madness, hydrophobia. —edraf, gtound-try. —agree, dog 'egress, canine-grams. —shonger, canine-hunger. —ejong, puppy. —,kerb, dog-berry. -alone, doghouse, tick. —,room, dog-roes. —ester, dog-star. —sto.g, hound's tongue; cynoglossum. —trot, rascal, wounded. —en, on. w. bet cal er —,there will he some strife. Honderd, tw. & 0. hundred; cent. tell! ten —, live per cent. in het at random. —bladig, cant!. —deelsg, centigrade. —handig, boring a hundred hands. —jarig., centennial, centenary. —jarige, centenarian. —oo.qig, hundred-eyed. --tat, hundred, centenary. —taltig, centenary. —voetig, centiped. —road. centuple. —romdig, be. & centuple, hundredfold. —ertei„ be. of a hundred sorts. —moat, —toerf, bw. a hundred times. —ate, by. hundredth; o. hundredth (part), centesimal. Ilkondeeb, by, doggish, currish; unkind, Impolite,, rude; cynic. —Amid, v. unkindness, impoliteness. Houser, m. hunger, appetite;eager desire. — !abbe., to be hungry. — 'Odra, to starve. ran — 81 urren, to die with hunger, to starve. —dood, starvation. —lOder, starveling; pinch-belly. —snood, famine. —en, on. w. to be hungry, to hunger (Aar, after, for), —ig, bv, hungry; sharpset, greedy. —igheid, v. hungrinese; greediness. llonig, m. honey. —b(v. bee. —dame, honey-deW, mildew. —drank, —so(nt, mead, hydromel. —resat, —seats, honey-comb. —water, honled water.—zoef, as sweet as Loney. Honk, o. starting-post; home. ran — sijn, to be absent. — gone. bie — bliken, to remain at home. van - goon, to leave home. >ti ssofd,o. head; brains, judgment, sense, memory; chief, leader; top: pier, mote. — roar —, one by one. sit bet by heart, mental (-1y(. wen het — tot de voeten, from top to toe. het —kites Actives, to be in had spirits. to despond. over het — *angels, to be impending, to threaten. stin breken met, to trouble one's head about.ientand tilt het — praten, to dissuade a. o. from. wit —e van, on account ot. out dies --e, therefore. —aan/eager, first author, — contriver. —aanvat, principal attack. —aanroerder, commander In chief. . —maker. , —oder, ye obblic vein. —altaar,hixb-Altstr sheet-anchor. —artiket, chief article; leading article, —balk, architrave. —bend, bead-band, fillet. —bedskiti.g. coveting' for the head. —begrsp, principal eotIon; general contents, mammary. —beetanddeel, principal element. —beau's?, chief direction. —bestusrder, chief director. —boobs, principal argument. —hesigheid, chief business. —boor, trepan. —borstal, —seanier., head brush. —breken, —braking, trouble, sere. —brekesteg,
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,

Heeft u een bankrekening voor Bitcoin nodig


Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
DIV.— POL. Si Divid able (di-vajd'ibl), a. verdeelbaar. —a, v. a. neeakundige behandeling zijn. —al, a, doctoraal. deelen, Beholden; verdeelen; v. n. uiteengeoln; —ate (-et), a. doctor-graad. —ate (eat), v. a. tot oneenig worden. —edly, ad. afzonderlijh. —er, doctor bevorderen. a. geneeskuudige vrouw. a. verdeeler; deeler; soort van kompas. —era, a. —a, s. valsehe dobbeisteenen.—s' commons (-kona' 'wort van passer. munz), collegie van civilians (rechtageleerden) in Dividend (divq-dend), s. deeltal; winstaan- Louden. —ship, a. leeraarechap, doctoraat. deal, dividend. Doctress (dok'tress), a. Zie Doctoress. Divinat ion (div-i-nee'sjun), s. waarzegging. Doctrin eel (dok'tri-nel), a. —ally, ad. cinder—or (div'i nee-tur), a. waarzegger. —ory, (di. wijzend; leerstellig. —e (-trin), a. leer; leervin e-tur-rih), a. waarzeggend. stelsel. Divine (di- v ajn'), a. —ly, ad. goddelijk. —, s. god- Document (dok'joe ment), a. bewijestuk; do , geleerde, geeatelijke. —, v. a. voorzeggen; v. n. cument. —, v. a. onderrichten; van voorschrifien gleam —r, a. waarzegger. —ress,.. waarzegeter, (documenten) vobrzlen. —al (-ment'el), a. tot eon plying (dajv 'ieng), a. & a. —bell, duikerklok. voorachrift beboorend; in documenten vervat. Divinity (di-vin'it-tih), s. godheid; godgeleerti—ary (-ment'e-rilt), ad. volgena documenten. held. Dodder (dod'dur), s. viltkruid, cuacuta, Divis ibility (di-viz-i-bil'it-tih), —ibleness, (-viz' Dodecagon (do- dek'e-gon), a. twaalfhoek. ibl.), a. deelbaarheid. —We (-ViVibi), R. deel• Dodge (dodzj'), v. a. behendig ontwilken (outbear. —ion (-vizrun), a. verdecling; verdeeldsnappen); v. n. ter zijde springen; draaien, met held; afdeeling. —ive (-vaj'siv), a. verdeelend. list to werk gaan (with). —r, a. draaier, ;wet—or (-vaj'zur), a. deeler. felattr. Divorc e (di-voora'), —ement, s. echtscheiding; Doe (do), a. hinds; vviij fie. —rabbit, wtjtjeskonijn. scheiding. —e, v. a. scheiden. —ee Doer (doe'ur), a. dader, bedrijver, doener. a. geacheiden peraoon. —er, a. echtscheider. Doff (dof), v. a. afdoen; uitdoen; atiiehten; uit—ive, a. echtscheidend, atellen. Divuigation (div-ul-gee'sjun), a. ruchtbaar- Dog (dog'), a. houd; hondster; mannetje; schelm, making. grappenmaker; vuurbok; houvast. to give to the —s, Divul ge (di-vuldzj'), v. a. verbreiden, openbawegsmijten. to go to the —a, telgronde gaan. ran. —ger, a, versprelder. (-vul'sjun), s. —, v. a. naapeuren; § ale een' bond behandewegrukking. --sive (-cureiv), a. wegrukkend. len; v. n. ale een hand zwoegen. —appetite, Wizen (dayzn), v. a. opschikken. hondahonger. —bane, hondsdood. —berry, korDizz insets (diz'zi-ness), a. duizeligheid. —y, a. noelje. hagedoorn. —buffer, hondendief. duizelig; wuft; v. a. duizelig mahen. —cheap, schandekoop. —collar, -halsband. —days, Do (doe) [did. done (don)] v. a. doen, makes, hondsdagen. —fish, haai. fly, hondsvlieg. —fox, verrichteu, volbrengen. —to death, ter dood been- mannetjes-vos. —hearted, hardvochtig. —hole, gee. — a part, eene rol spelen. (away) wegdoen. hondenhol; kot. —keeper, honden-oppaeser. —kenkeukentatijn. (into) venal. in. (off) afdoen. (on) aandoen. nel, hondenhok. (out) uitwisschen, uitdoen. (over) overtrekken; hondendoktor. —louse, hondsluis. —mad, bondsherhalen. (up) opvouwen; Ran kant maken; indol. —muzzle, muilkorf. —rose, hondercos.—'s ear, hondsgras. pakken. —, v. n. handelen; zich bevinden; vol—'a-grass, ezeleoor (in een boek). doende On. how do you —, hoe vaart gil ? I do —sick, ziek ale een bond. —sleep, hazenalaap. not know it, ik weet het niet. I de love her, ik —'s-meat, hondenkost. —star, hondseter.—'s-weed, bemin hoar waarlijk. do but come, koin slechts. biealook. —tooth, oogtand. —triek,gemeenestreek. pray do! eilieve, doe 't toch this won't —, dat —trot, pruikenmakersdrafje. —vane, verklikker. niet. § do tell) och koml is het mogelijkl — (by) —watch, hondeuwacht. —weary, moede als een hande handelen len jegens. (for) toereikend voor. hood. —whistle, dievenfiuitje. —wood, kornoel, (with) aanvangen met. —all, s. albedril. —little, jehout. a. leeglooper. Doge (doodzj), a. doge. Docibillty (doe- i-bil'it-tih), a. leerzrainheid, Dogged (dog'gid), a. —ly, ad. kribbig, norach. leergierigheid; gezeggeltjkheid. —ness, a. gemelijkheid, norachheid. Dori bie (doe'ibl), a. leerzaam; gezeggelijk. Dogger (dog'gur), a. visscherspink. —bleness, (dosil'it-tih), a. leerzaamheid; Doggerel (dorgur-i1), a. ellendig, Bleeht. a. gezeggelijkheid. —le (doa'il), a. leerzaam; gedwee. rumelarij. —rhymes, kreupeiverzen. DocIty (dos'it-tih), s. vlugheid van bevatting. Doggish (dogVisj), a. —ly, ad. hondsch. Docimacy (doag-me-sih), a. kunst om metaal- Dogma (dog'me), e. leerstuk, leerstelling. —tic ens to beproeaen. —Neal, a. —Neatly, ad. (dug inet'ik ),leeretellig; a. Dock (dole). a. dolt; staartriem; wilde roving. meesterachtig. —ticalness ( met —, v. a. in het dok brengen; kappen, ophinden leerstelligheid; meesterachtigbeid. —list, a. on(van paardeustaarten); korten. dry —, droog dok. derwijzer van leersteliingen; die op besliseenden v. n. leeretellingen floating —. drijvend doh. —yard, werf. —age, a. —tize, (-tajz), toon spreekt. —due, dokgeld. —et (dok'it), a. lijtaje van henvoordragen; meesterachtig beslissen. delsartikelen; adrea; uittreksel; lijst van orde; Dolly tdorlih), a. start van wollen stof; servet. v. a. op de naam- of ordelijst plaatsen. Doings (doeleugz), a. ,erriehtingen, bedrijven. Doctor (dok'tur), a. doctor; geneesheer. —, v. a. Dolt (dojt'), a. —kin, s. dolt. tot doctor bevorderen; geneeakundig bebande- Dote (dool'), n. deel; gift; droefheid. —, v. a.uitIan; v. n. de geneeskunde uitoefenen; onder gedeelen. — meadow, gemeenteweide. ful, —some.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


Seeing (sieleng), conj. daai, aangezien. Seek (nick') [sought (soot)], v. a. zoeken; •taan near; v,, n. (after) opzoeken; streeen near; (for) zoeken. to be to —, in veriegcnheld (rood) zlin. —sorrow, zelfkweller. —er, a. zoeker. Seel isle!), v. a. b!inddneken; (up) wegsluiten; v. n. slingeren, overhellen. Seem (diem'), v. n. schijnen. —er, a. die acbijnt. —ing, a. schijn. voorkomen; meaning. —ing, a. —ing/y, ad. sehijnbaar. —ingress, a. schtjn bearbeid. ( 11 nose). a, betamelijkheid, —/y, a. welvoegelkik; betamelijk. Seer (arur), s. ziener, profeet, See•aaw (sie'sao), a. wip, echo mmel; (het) slingeren. —, v. n. wippen,echommelen. Scribe (sieth'), v. a. & n. koken, xieden. —r, a. /taker; kookpan, ketel. Segar ei-gear'), a. Zie Cigar. Segment ,meg'ment), a. segment. Segrega te (segire-geetl, v. a. afzonderen. —lion (-gee'sjuni, e. afzondering. Seigneurial (at-njoe'ri-e1), a. onafhankelijk; heerschappellik. Seignior (sen'jur), a. beer, grand-Jeenbeer. grand Groote Beer. —age, a. oppermacht. —y, a. heerlijkheid. Selo (silent, a. zegen, elagnet. Selty (erit-tih), a eigenaardigbeid. Selz able (sieeibl), a. grtjebaar, neemleiar. —e, v. a. grijpen, vatten; nemen, bemacht igen; nen an.gen: aantaaten; in bealag newer; sjorren, beknijpen; V. IL (on. upon) in benlzg nemen; zich reeester maken van. —er, s. grijper; bealaglegger. —in, a. bezitnerning; hem t. —mite., a. hindsel, sjorring. —or, a. beslaglogger. —are (-Jur), a. bezitneming; aangehaa)d goed; Seldom (aerdum), ad. zelden, zeldzaam. —news, a. zeldtaam held. Select (ae-lekt'), a. uitgezoeht, uitgelezen. —, v. a. uitkiesert. —ion (-lek'sjun), a. keur. —nest, e. tiftgelezenheid. —or, a. uitille•er. Seien its tael'e-najt), a. epiegelateen. —ogrephy 1-nog're-1111), a. maandbesehriking. Self (colt' , , pr. zelf, zelve, zelren. one's zlch zeiven. —, a. vigen. —abasement, a. zeifverlaiging. —,buse, a. zeltbevlekking. —active, a zel fwer!tend. —assumption, —conceit, 0. eigenwaen. inbeelding. —conceited, a ittaldunkend, verwsand. —confidence, seltvertrou•eu. —conscious, a. selfbewust.—eonsciousnest,m.zelfbe.uet7tn.—control, s. zelfbeheersching. —deceit, zelfhedrog. —defence, a. zelfverdedigeng. —denial, r. zelfverloochenIng. —coded, a. zelfzechtig —ends. p1. eigenbelang. —esteem. e. zelfachting. —evident, a. klaarblijkeltjk. —extinguisher, a. zeltdom per. —heal, s. wordkruid. —interest, a. eigenbelang. —interested, ft, belangzuehtig. —love, a. eigenliefde. —moving, a. van melt hewegend. —murder, a. zelfmoord. —murderer, a. zelfmoordenaar. —opens, pl. natutu lijke openingen of holten. —opinion, a eigenween. —possessi,n, a. eeiNeheersehing hedaardheld. —praise. an eivenlof. —preservation, a. selfbehnud.—renuneiation,,zeifverzat inK.—rrpruach, e. zeifverw kit. —same, a. juin dezelltie. —seeking., a. zelfzuchtig; s. zelfzuaht. —sufficienee, a. selfgenoegtaarnheid, eigenwaan. —aufeircient, a. loot-
N1 EA- —NES. lee Member (.1,eal'bur), a, lid, ded; medelid. baatzu..ht. —y, a. Neil, gehtturd ; inhalig ; a. knurling. a. lidmaatschap . Membranaceous (mem -bre-nee'sjus), a. vliezig, Mercer (mur'sur), a. kramer; handelaar in zijdeu en wollen stoffen. —y, s. kramerij; zkjden en vliesachtig. wollen etoffen. Menrbran e (mcm'breen). s. thes. —eous (-bree'Merchandise (muetsjen•dajz),.s.koopmanschep; ni-us), —out (-bre-nus), a. vliezig, vliesachtig. koopwaar. —, v. n. handel druven. Memento (me- men'to), s. herinnering, weak; Merchant (rauetsjent), a. koopman.'—man, !coopgedeukteeken. Memoir (me•moje, mem'wer). s. gedenkschrift; vaardijschip. —able, a. verkoopbaar, gewild. pl. gedenkwaardigheden. —line, R. near koopmansstiji. -a, vertoog; verslag. Memor able (mem'ur-ribl), a. —ably, ad. gedenk- Merci ful (mur'si- foel), a. —fully, ad. barmhartig. —fulness, s. barmhartigheid. —less, a. —lastly, waardig. — antlum (iren'dum), s. vertoog; aanad. onbarnehartig. —lesaness, s. onbermhartigheid. teekening.—book,aanteekenboekje.—ative (-e-tie), a. herinnerend; hertnnerings-, —sal (me-mo'ri-el), Mercurial (mer-eloe'ri-el), a. van (met) kwi' - • zilver; levendig, vlug; aanwtzend. s. levendig a. herinnerend; a. gedenkstuk, -teeken, • schrift; (me mo'ri-el-ht), —ialist mensch; kwikmiddel. —ize (-aja), v. a. met kwik. verslag; verweeschrift. daortrekken, e. echrijver van een gedenkschrift, verzoekschrift of verslag. —ialize a. a. een Itlercury (mur'kjoe-rih), s. Mercurius, bode; kw ik, -.jiver; levendigheid. verzoekschrift (verslag) aenbieden. —ize (-ajz), v. a. opteekenen, in 't geheugen prenten. —y, s. Mercy (mur'sih), a. barmhartigheid, genade; wilgeheugen; herinnering; aandeneen. lekeur. —seat, troon der genade. Mend (murd), e. vail, drek. Men (men), pl, meuschen; mannen. v. a. dreigen, Mere (mier'), a. meer; greets. —, a. —ly, ad. boater, Menace (men'es), s. bedreiging. enkel, bloat, slechts. bedreigen. —r. a. dreiger. Menacle (men'ikl), a. uithouder. ". tig ; ebtedir7e l'elliejk(.m2rnees-st,rtsi 1;Ot a ' crAgi.dh; 'ber,c1 Menage (me-naazj , , —rie. —ry (.na'zje-rih), a. diergaarde, menagerie. gelijkheid. lelenagogue (men'e-gog), s. stondenbevorderend Merganser ( - mer-gen'-zur), a. dulkeend. Merge (murdzj), v. a. indompelen; v. n. verzinken. middel. Men aid (men'ed), —ild, a. bontgevlakt (van rtieridl an (me-rid'i-en), a. van de middaghoogte; midday-; hoogst; s. midday; -him, merldiaan; toprot wil 1). , v. a. verbeteren; verstellen, lappunt. —one/ (-un-e1), a. van de mtddagltjn, zuideMend (inend ► lijk. —ionality (-un-el'It-tit), s. zuidelijke stand, pen. — one's pace, anen tred versnellen. — , middaghoogte. v. n. beter warden. —able, a. verbeterlijk; verstelbaar. —er, s. verbeteraar; versteller, lapper. Merino (me-ri'no), s. merino-schaap; merinos. Mendaci oua (men-dee'sjus). a. leugcnachtig. Merit (mer'it), s. verdiensto. —, v. a. verdienen. —or;ous, a. —oriously, ad. (-i-to'ri-us.), verdien• —ty (-des'it-till), a. leugenachtighei d.. stelijk. —oriouanese (-i-to'ri-us-), a. verdiensteMe ndlc an cy (men'di-ken-sth), s.bede/arij. —ant, a. bedelend, doodarm; a. bedelaar; bedelmonnik. lijkheid. —ate (-beet), v. a. bedelen. —ity (-dis'it-tih), a. Merl tnot (mer'l-tut), s. schommel, Edinger. Merl c (murl'), a. morel. —in, s.steenvalk. —on bedelarij. (-un),.. tinne, plat. Menial (,:ii"ni-el), a. gering, dienstbaar, knechs. dienstbode. Mermaid (muemeed(, s. meermin. —'s-trumpet, telijk. /Meninges (me.niu'dzjiez), p1. hersenvliezen. zeeslak. Merman (murimen),.. meerman. Menlecaeaa (ma.nis'kao), s. holbolle lens. Merri ly (mer'ri - lih), a. aruolijk. — meat, — aces, Mcniver (nlen'i-var), a. zeker siberisch bout. (me-nol'id-zjih), a. maandweizer. s. vreagde, vroolijkheid. Menology M ensal (men'eel), a. de tate' betreffend. —es Merry (reeerih), a. vroolijk, kortewijlig. (ornate zich vroolijk maken. —andrew, heuswerst. (.siez), p1. maandstonden. —n.aking, s. vroolijke partij. —thought, vortvorMenatru al (men'siroe-e1), —out, a. ma indemig borstbeen (van een' vogel). kleine lijkseh; snaand-, —suit, a. de atonden hebbend. mug. a. oplossend middel. nen.ura hie (mens'joe-ribl),a. meetbaar. — bility ratersion (mur'sjun), a. indompeling. (-re-bil'it-tih), e. n.eetbaarheid. —/, a. van (ale) Meseeins (mi-sierne), v. i. nag duskt. eene meat. —te ( - reel), v. a. metro. —tion !-ree , Mesenter lc (mez'en-ter-ik), a. vau het darmvlies. —y, a. darmvlies. O..), F. meting. Mental (men'tel), a. — 1?1. ad. aerstalidelki h. ; inner - Mesh (meaj'), s. meas. —,v. a. vangen, veretrikken. 13,jk, stilzwijgend. —y, a. bettormig. Mention (men'sjun), s. melding. —, v. a. mel- Meslio (meznin), a. & s. Zie Matins, den, vermelden, ge•ag maken van. Mesne (mien), a. tusschenkomend, midden. Mephit in —ical, a. atinkend, ye, Mess (mess'), a. gerecht; poetic; tafel; sehotel; bak; pestend. —is (Mlle), —Um (-neeri tizm), s. mengelmoea; voile boel. —boy, bakajongen.—mate, bakagaat. —, v. n. rah erten. aao den bak e ten. kende uitdempieg. M era el ous (me-ree'ejus),a.helder,klaar;krachtig. Message (mea'aidzj), F. boodschap. Mercantile (mur'ken-til), a. handela-. Messenger (mes'sin.dzjur), a. bode ;kabellaring. ercenvr iness (mur'se-ne•ri nee.), a. v Messiah (moo-s sj'e), s. Measles.
Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar
Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water- 

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


Barnacle (baaenikl), a. eentlenmossel; boom- Baste (beest), v. a. afroaaen; aaneen rijgen. gabs. ---s, s, neuspranger, brit. Bastinii de (bas-ti-need'), v. a. stokslagen eBarotnet er (be - rom'i - tur), s. barometer. — Hven. —do, a. dracht stokslagen. eat (-met'rikl), a. tot den barometer behoorend. Bastion (beat'jun), a. bolwerk, bastion. Baron (ber'un), a. baron, vrijheer; man. —age, Bat (bet), a. knuppel; kolfstok; viedermul, — , a. baronsebap. —ass, a. barones. —et, a. baronet. v. n. knives, halsiaan. —ial (he-ro'ni-e1), a. van een' baron. —g, s. vrij- Hatch (betsj), s. bakael. heerlijkheid. Hate (beet), a, twist, gesehil. —, v. a. verminBa•otich (be-roesP), a. open rjjtuig. deren (front. of). fat, a. twistziek. —meat, a. Harriman (beere-ken), a. barkan (wollen stof). afkorting. Barrack (ber'rek), a. barak. — a, a. kazerne. Batfowling (bet'faaul-ieug), a. vogelvangat bij Barra for (ber're•tur), a. twistatoker. —try, a. nacht. bedrog in rechtazaken; onrechtmatige handeling Bath (baath), s. bad. —keeper, badmeester. van den kapitein tegenover zijnen reeder. spinsbek. Barrel (beerilf, a. vat, ton; geweerloop; spit; Bath e (beeth), v. a. wasschen, becTaelen; v. n. trammel (van een horologie). —organ, draaiorbatten. —ing-place, badplaata. —ing-tub, badget. —, v. a. in eene ton kuipen. kuip. Barren (beern), a. —ly, ad. dor, onvruchtbaar, Hating (bee'tieng), prp. behoudena. schraal. s. onvruchtbare vlakte. —nest, a. Batist (bet-ist'I, a. batist. onvruchtbaarheid. —wort, bisschopsmuts (eene Batoon (be - toen'), s. knuppel; kommando - straf. illattalia (bet - teelle), s. slagorde. plant). Barricade Cber-ri-keetil, a. straatversperring. Battalion bet - terjun), a. bataillon. —, v, a. versperren. Batten (bet'in), v. R. mesten, vruchtbaar maBarrier (beeri-ur), a. slagboom; grenspaal. ken; v. n. vet worden. a. lat. Barrister (ber'ris tur), a. pleiter, rechtsgeleerde. Batter (bet'tur), s. besiag, deeg. — , v. a. benBarrow (ber'ro), s. draagbaar; kruiwagen; grafken, rammeien; vernielen. —ing-ram, atormram. henvel; geoneden zwijn. —y, s. batterij; klopparaij. Barshot (haarNot, 8. stangkogels. Battle (bet'tl), a. veldstag, slag. —, v. n. slag Barter (baar'tur), a. ruilhandel. —, v. n.' leveren. —array, slagorde. —axe, atrij d bijl. —dore, handel drijven. —er, a. railer. raket. —meat, a. kanteeling. Hartrain (baar'trem), a. muurkruid. Bay in (bev'in), a, takkenhos. Iflaryta )be-rafte), s. baryta (aardsoort). Hawbl a (b40 ,01, b1), s, beuzeling. —ing, a. nietsHarytone (ber'l-toon), a. bariton. beduidend, beuzelachtig. Basalt (he-eaolt'), s. bazalt, zuilsteen. —ie, a. Bawcock (baow'kok , , a. kwast, fat. bezel taehtig. Bawd )baowd'), a. koppelaar. —ily, ad. —y, R. Basanite (bes'e-najt), a. toetssteen. ontuchtig. —iness, —ry, a. ontuchtig geanap, Base (bees), s. grondslag; voetstuk. —, a. twig, ontucht. 811001; Bering, gemeen. —, v. a. gronden; ver- Bawl (baowl), v. n. schreeuwen, tieren. —er, a. valschen. —born, van geringe afkomst, onecht. schreeuwer, balker. —ing, a. geschreeuw, ge—hearted, —minded, laaghartig. —tenure, landbalk. hoeve. —ly, long. —neat, s laagheid,snoodheid; IBawrel (haow'rit), s. fazanthavik. geringheid; onechtheid. (baow'sin), a. das. Bashaw (be-shao'), a. bassa; pasha. Bay (bee', a. baai, inham; ruimte; lattrierboom; Bashful (besrfoel), a. —1y, ad. verlegen, blonde. verlegenheid. —salt, zeezout. —window, bong—nets, a, verlegenheid, blooheid. venster. to stand at —, zich stet weten to redBasil (bez'll), a. achutne kant van een' beitel; den. to keep at —, in verlegenheid laten. —, R. p..,e.looide yacht; bazilicum. —, v. a. schuins bijroodbrnin, vaalbruin. —horse, vospaard. — ,v. a. slij pen. aanblaffen; v. n. blaffen. Basilica (be-ziri-ke), a. vorstelijke zeal; prach- Bayard (bee'fird), a bruin paard; domoor. tige kerk. Bayonet )ber'un - net), a. hajonet. Basilicon (be-ziPi-kon), a. koningszalf. 4 Bayou (baPoe), s. kanaal. Basilisk (bez'i - liski, s. basiliskus. Bazar (be-zaar'), a. bazar. B asin )hee'sn), a, belcken; bassin; dok. He (bit [was (woz). been (bin)], v. n. zijn, wezen. Basis (bee'sis). a. gronttslag. let laat maar loopen. to — had, to — told, Bask (baask), v. a. to koesteren zetten; v. n. verkrijgbaar. to koop. zich koesteren. Beach (bietsf), a. strand, oever. — ed, a. door de Basket (baaekit), a. liorf, mand. —hilt, opengegotten bespoeld. —y, a. oevers hebbende. werkt gevest. —maker, mandenmaktr. —man, Beacon (bie'kn), s. bank, lichttoren. —age, a. laatdrager. bakengeld. B ass (bees), a. bas. —non (bee-soen'1, a. fagot, Bead (bled), s. kraal. —8, a. parelsnoer, rozenbaseon. —string, basalt., baaviool. krans; sehuimblaasjes of parelne, —cuffs, Bass - relief (bea-ri-lien, a. half verheven beeldhandlubben met kroalnes. — roll, lijst van perwerk. Bonen voor welke gebeden wordt. — tree, paterBastard (barteturd), s. bastaard; a. onecht. —ize nosterboom. — anon, gehnurde bidder. (-ajz), v. a. voor bastaard verklaren. —y, s. on- Beadle (bie'd1), a. bode, pedal. eehte geboorte. Beagle (bie'gl), a. hazewind

Mfspolnl (mis-point' ), v. a. verkeerCpuncteeren. Misprint (mis-print'), s. drukfout. v. a. verkeerd drukken. • e (min-praje), v. a. onjuist opvatten; minachten. —ion (-prizj'un), s. verzuim; verheling; missing; minachting. Misproc ► meing (mis-pro•siedleng), s. verkeerde (onregelmatige) handelwijze. Mispro nounce (mis-pro-naauns'(, v. a. & n. verkeerd uitspreken. —nuneiatioa (-nun eji-ee , ',jun), a. verkeerde uitspraak. NtIsproportion (mie-pro-poor'sjun), v.a.onevenredig v erdeel en. Misquot e (mis-kwoot"), v. a. verkeerd ae-nhalen. —ation (-tee'sjun), 8. verkeerde aanhaling. M I srate (rnis-ceet"), v., a. onjuist begrooten. Misreeli al (mis-re-sfirtel), a. onjuist bericht (verhaal). —e (-8ajt'), v. a. onjuist opzeggen, — berichten, verhalen. Misreckon (mis-rek'kn), v. a. misrekenen. Misrela to (mis-re-lost'), v. a. onjuist verhalen. —tion (-lee'sjun), 8. onjuist verhaal. Misreingmber (mis•re-mem'bur), v. a. zich onjuist herinneren. Misreport (mis-re-poort'), a. valsch bericht, — gerucht. v. a. onjuist berichten. Misrepresent (mis-rep-re-zent' ► , v. a. verkeerd vooratellen. —ation (-tee'f-jun), s. verkeerde voorstelling. —er, a. die verkeerd voorstelt, verdraaier. Misrule (mis-roeV), s. mallards, getter, oproer; wanbestuur. Miss (miss), 8,juffrouw,mejuffrouw,bijzit; genic —, v. a. & n. misses; eau misslag begaan; —fire, weigeren (van een geweer). Missal (mis'sel),.. miaboek. Missay (mis- see') [irr], v. a. verkeerd zeggen; v. n. rich verspreken. Iil iseervc (mitr(surv'), v. a. ontrouw dienen. Misshape (arras-sheep'), v. a. misvorrnen. —d,—n (-shee'pn), a. misvormd, misn:aakt. Minaile (rie.:411), a. werpbaar, werp-. —,s. werptuig. Missing (mis'sieng), a. vermist, wag. Mission (misj'un), a. tending; gezantochap.—ary, a. zendeling-; a. zendeling. Missive (miteeiv), a. gezonden, geworpen, send-, warp-. a. zend b def. Misspeak (mis-spiek') [lrr], v. a. siecht uitspreken ; v. n. zich verspreken.
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.

In welke landen cryptogeld illegaal


4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.

cryptogeld 60 minuten


In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]
(-to-rih), a. van eon' pip; a. eentaurus, boog- Salt (saolt'), a. zout; wulpech, e. sow.; sehutter. amakelijkheid; geestigheid; zeeman. —box, toutpot. —butter, gezouten borer. —eat, zoutklompje. Sago (see-go, sago, —powder, sagomeel. —tree, —cellar, soutvaatje. —duty, tmpost op het vont. esgopatrn. —wine, paimwijn. Sngy (see'dzjits), a. met, sane toebereid. —eel, ingelegde paling. —house, zontk-et. zoutbron. —maker, vsutzieder. —man, zoutkuoSaid (sed), a. gezegd, bovengenoemd. per. —marsh, sooty ,Pi. —meat, gezouten vleeseh. Sail (eel"), a. zest; vleugel. to make —, zeilen bij— mine, —pit, zotttgroeve. —porter, zoutdrager. zetton. to set —, order set! gaan. to strike —, de zeilen strijkers. —broad, ouch ala eon sell ult. —spring, zoutbron. —trade. zouthandel —water, spreidend. —cloth, zeildoek. —loft, zeilkamer. tout water. —work, zoutziederij. —wort, tout--maker, zeilmaker. —room. zeilkooi. —yard, re. kruid. v. a. zouten. zeilgaren. v. a. bevoren; doorrliegen; Salta IA (eel'tent), a. mpringend. —tion (-tee'sjun), doorklieven; v. n. zeilen; s (bet) apringen; Mopping. drijven. —able, a. bevaari► aar. zeikr. —or, a. matroos; zee- Salt er (saolt'ur), s. inzuuter; zoutkooper. — ern, man . a. zoutkeet. —iag, a. het zouten; —tub, vieesehS:0,11 ,11,11% (seen'fojn), a. spurrie. kuip. —ish, a. zoutaohtig, brek. —less, a. onAezouten; zouteloos, —ly, ad. zoutachtig. --nest, a. Saint (seent'), a. hailige. -, v. a. tieing verklazoutbeid. ran; v. a. den heilige uithangen. —cal,a.beiliF; gewijd; vroom. —like, —ly, a. als ten hellige, het- Saltpetre (siolt-pi'tur), a saipeter. lig. —Alsip, a. heitigheid. Saltalbrl ous (ae-ljoe'bri-us), a. —.gay, ad. geSake (seeks, s, doel, beweegreden, Wil. for the — of, smt. heilzasm. —ousness, —4, a. gezondheid; ter wine van for God's —, on Gods wit, for my —, heilz,mheid. ram mijuenrwil. Saint arinesti (serjoe to-ri•), a. heilzaantheid. Sttkgr (are'lcar), a. reigervallf; ieldmIang. —ary, a. hailsaaba. —ation (-i.ee'sijun), it. het goonsnit ( ,,e1), e. zo..tt. ten, groet. —atory (se-ijcete.), a. begroetend. Salithie (seel'ibl), a. verkoopbaar. —seas, a. ver- —e (se-ljoet'), a. groat; km, —e (se ijoet'), v. C. koophaarlte,d. Froeten; begroeten; human. —et (se-ljoe'tur)„ a. Salad' T. (se lee'sjus), a. —ously, ad. geil, Oa- groeter, begroeter. --iferous (-tif'ur•us), a. helltig, — tat (..les'it tih), a, geilheid. zaam. Salad (tel'ed), a. salade, al, —disk, mlasehotel. Salva isle (servibli, a. zalig kunnende :worden. —oil, P11 ,1•0iie — paraler, watereppe, tookruid, —bility (-ve-bil'it tlh), —bigness, s. mogelt.jkheld SttlanTiOtl der lael'e-men-dust, a. salamander. ow salts to worden. --pie (-vidzj), a. bergloon. --drine 1-men'drial, a salamanderaelitig. —lion (-vee'sjun), s. eedding; zaligmaking; sangSalary (sere-rib.), a. salaris, hezoldiging. heid. —tory (-ve-tur•rib), s.bereplaate. Sale sees), s. verkoop; verkooping, veiling. to Salve (ssav'), a. tall, hulp. —, v. a. zalven; heeler; offer (pat up) ,for —, to hasp bieden. —'s-mass redden, hergen. Salv er (sal'vur), m. presenteerblasidje. —o, s. soarttnialz , ), zie Saleonsan. Snlep (se'lep), a. Weir, salepwortel. behoud; tiltvlueht. —oro. berger. Ststeesnan pseelereen), a. verkooper; koopmen S..nzbo (sem'bo), a. kind van een' neger en tens in gemaakte kleederen; beentenkooper. mulattin. Sally sat (meelt-enti, a. uttsp•ingend; klimmend. Same (seem'), a zelfde;genoemde. —ness,a. eenSaltferosse (se lir, um), a. sontvoortbrengend• zelvigheid, gelijkheid. Stollliable (sell fa)-t bl),a. zontvormend. ---:cation. 8 a na I et (sem'ltt), e. zalmpie. (-if-i-kee'sjun), m. zoutvorming. —y, v. a, in zout Sanzpliire (sene'fir), s. zeevenkel. aeranderen. Sample (sem'pl), s. steal, monster. —r, a. paSall got (sel'i.got), a. waternoot. —nation (-nee' Croon, merkl,p mjitn), a. waessehing met pekel. Manes hie (sen'ibl), a. geneesibk. --tire, —tory Snilln . Ige•Ittill . ), - 0., a. zouthoudend, zoutach. (sen'e-), a. genezend. rig, silt. — e, a. zoutgroe,e, zoutkeet. Sanetif !cation (sengk-tlf-i kee'sjun), a. heiligMalls' ft (se-lej've), a, speeksel. --al, —out, —any making. —ier Isengk'ti-fat-ur), e. heiligmaer. (sel'i-ve-rih)„ a. speaselachtig; epeeksel-,kwill-. —y (sengk'ti fajl, v. a. heiligen. —ale (sel'i-vecfl, v. a. door kwilling zuiveren; SanetInzon loos (sengk-ti-ntoini-us), a. —iously, ad, beilig, mehijnheilig. —iousne“, —y (sengklia .ii. k•i)len. — ation leel-i-vee'sjun), a. kwiiling. man-nib), a. betligneid; sehilitheiligheld. Mallet (eel'ilt), s.', heirs. Sallow !sePlo), rt. zieketijk, bleek. --, a. water- Planet Ion (aengk'stjun), e. bekrachtlging. —, v. wit .. — ness, a. ziekelijke kleer, hleekheid. a. hekraehtigen. —blade (-ti-tjoect, —ill, a. heiSally (Bernt , s. uit,al; uttstapje: slipper; along; ligheta. —uary (-tjoe-e-rih), is. beingdorn; vrijirvvinkelag. — port,uttval - , vliedpoort. --, v. n.uit- plaats. Sand isenW)., a. sand; sandbank. —a. pl. ?Andvallen, ultepringen. Salsnagutni11 (sal :ne-gun'di.), a. haringsta woestiju. —bag, zaudismk. — bath, —heat. zandbad. Salmon (reesoun), ,,,, zai.„ —peals, pi. Jong , . —beetle, zandkever.—blind,btiMende.—box,zand• poker. —crab, zandkrab, — crack, kwetsing atn van 7 timen- — pipe, zeitmkerf. —trout, zolmforel- Saloon (se•leen'), a. malon, snot. den boat —eel, smelt. —flood, zandhoos. —hill. . strstodzwaluw. —mortar, zandheuvel. —.art., Saloois (se-loep% Salop (se,'1up', e . ealep. Sale ify (sel'e - nbl,R• bok , ba ,int• —.gin , . (- , 410e- zandkalk. —pink, eandanjelter. —piper. stranddIji-ente), , zilttg. Cooper, zandsnip. —pit., 7andgroeve. —stone ,zand-

Apparent, (eP•peer'ent), a. —/y, ad, blijkbaar; minx; bevatting; vrees (for. of); verdenleng. oogenschijnlijk; waarschijnlijk. —sive, a. bevattelijk; beducht (of). —.lively, ad. Apparit ion (ep.pe.rnesjun), s. verschijning; met schroom. —siveness, s. bevattelijkhetd; bespook. —or (ep-per'i-tur), a. pedel, bode. duchtheid. Appeal (sp-ptel'), a. hooger beroep; heschuldi- Apprentice (ep-pren'tia), a. leerjongen. —, v. a. ging (against). —to arms, toevlucht tot de wape- in de leer doen. —hood, —ship, a. leertijd. nen. —, v. n, zieh beroepen op (to). Apprise (ep-prajzi, v, a. (of) bericht ;;even. Appear (ep-pier'), v, n. verschijnen; achijnen, Apprise lep-prajz'), v. a. Zie Appraise. blijken. —acre, s. verschijning; schijn, voor- Approach (ep-prootsj'), a. nadering, toegang. komen. lines of—, loopgraven. —es, a. belegeringswerken. Appease able lep-pieznit11, a. bevredigbaar. —, v. a. naderbrengen (of); v. n. naderen. —able, —ableness, e. handelbaarheid. —e, v. a. bevredi- a. genaakbaar. —less, a. ongenaakbaar. —ment, gen. aussen. —ement, a. bevrediging. a. nadering. Appell ant (ep•pellent), a. appellant. —ation Approba tion (ep-pro-bee'sjun), a. goedkeuring. (-lee'sjunl. a. benaming. —atory (-e-tur-rih), R. —tire len' pro-bee-tiv), —tory (ep'pro-bee-tor rih), een hooger beroep inhoudende. —ee, goedkenrend. a. gedaagde. —or, a. eischer. Appropri able (ep-pro'pri-ibl), a. toeeigenbaar; Append (ep-pend"), v. R. aanhangen. —age (-didzj), aanwendhaar. —ate (-et, a. eigensardig, aanhangsel. —ant (-dent), a. bijgevoegd. —ant, stig. —ate (-eet), v. a. toeeigenen; bestemmen —ence, —ix, a. aanhanpel. (for. to); aanwenden (to). —ation (ee'sjun), a. toeAppertain iep•pur-teen'), v. n. toebehooren. eigening; beatemming; aanwending. ' Appet ence (ep'pi tens), —ency, a. zinnelijke Approv able (ep-proev'ibl, ), a. goedkeurenalust; vurige hegeerte. —ent, R. hakend, vurig waardig. —al, a. goedkeuring. —e, v. a. goedkeubegeerend. —ibility (-Oh il'it•tih), a. begeerlijk- r. (of); verbeteren; toonen. —meat, s. goedheid. —ible, a. begeerlijk. —ite, (-tajt), a. vurige keuring. —er, a. goedkeurder; verklikker. begeerte; eetlust. Approxitna te (ep-prokel-met), a. nabij, na Ran Appian d (ep-Aland'), a. R. toejuichen. (to). — (-meet), •. a. nabij brengen; v. n. nabij (ep- komen. —tion (-mee'sjun), a. benadering. —tire plans'), s. toejuiching. —sive (-plao-sir), a. toe- jutchend, (-me-tiv). a. nabijkomend. Apple (ep'pl), a. appel. —paring, appelschil.—man- Appuls e (ep-pule'), a. botaing, raking. —ire, a. ger, appelen-venter. —pie, —tart, appeltaart. botsend; aandrijvend. —sauce, appelmoea. —tree, appelboom. —yard, Appurtenance (ell- puete-nenal, a. toebehooren, appelboomgaard. —t, a. bijbehoorend. Appli able lep-plaribl,)a,thepasselijk (to).—ance, Apri cation tep-ri- kee'sjunl, s. blootatelling aan a. toepasaing. --cability (ep-pli•ke-bant-tih), a. de zon. —city (e-prialt.tih), a. zonnewarmte. toepanselijkheid. —cot (ee'pri-kot), a. abrikoos. Applica ble lep'pli-kibl), a. toepasselijk. —ble- April (ee'pril), a. april; graamaand. nes* a. toepasselijkheid. —nt, a. die aanzoe'g Apron (ee'purnl., a. schort; achootavel. —hold, duet; § vlijtig student. —tion (-kee'sjun), a. toe- vrouwenleen. —man, ambachtsman. passing: aanzoek; vlijt. —tory (-ke-tur-rib), a. Apt (ept), a. —ly, ad bekwaam, geschikt; getoepassend; nanzoekend. neigd. —, v. a. geschikt maken. —itude (ep'tiApply (ep-plaj.), v. a. toepaasen, aanwenden; v. n. tjoed, —neat, a. geachiktheid, aanleg. (to) van toepassing zijn; zich wenden tot; a.- Aqua rius (e-kwee'ri-us), s. waterman (in den tack do. out (for). dlerenriem), —tic (e-kwet'it), a. in bet water levend; a. waterplant. —tic-bird, watervogel. Appoint (op-pojnt'), v. a. b.palen, beatemmen; asnatellen; ultrusten. § —able, a, benoembaar; Ague duct (ek'wi-dukt), a. waterleiding. —out geschikt um aangesteld te warden. —ee (ep-pojn- (ee'kwi-us), a. waterig. tie'), a. aangestelde. —er, a. die aanatelt, be- Aquiline (elewi-lin), a. arendachtig. —nose,hapaalt, enz. —meat, a. bepaling; aanstelling; viksnen, Aquo se (ee'kwoos), a. waterig. —lily (ee-kwos' rusting: jaarwedde. Apportion (ep-poor'sjun), v. a. gelijkmatig it-tih), a. watcrigheid. verdeelen. —er, a. verdeeler. —ment, a. verdeeling. Arabesque (ere•besk), a. loorwerk. Apposite (ep'po-zit), a. —ly, ad. gepast, dienstig. Arable (er'ibl), R. beploegbaar. —nets, a. geachiktheid. Araneous (e•ree'ni-us), a. apinnewebachtig. Aration (er-ee'sjun), a. landbebouwizrg, ontApposition (ep-po-zis'ojun), a. tomeging- ginning. Appraise (ep-preee), v. a. waardeeren; achat- ten. —ment, a. waardeering; schatting. —r, a Arbalist (aar'be-list). s. kruisboog. —er,s.kruishoogschntter. schatter. Apprecia isle (ep-pia'sji-ibll, a. achatbaar, Arbt ter :aar"bi-tur), s. acheidsman. —trable, a. taxeerbaar. —te, v. a. waarschatten; op prija willekeurig; bealisbaar. —trary. a. —traray, ad. willekeurig. —trariness,a,willekeurigheid.—trate stellen; v. n. § in waarde atijgen. —lion (-ee' v. a. besliasen; v. n. uitspraak doen. —tration sjun), a. waarschatting; waardeering; § duur- der wording. (-tree'ajun), a. schaidarechterlijke uitspraak. Appreben d (ep-pri-bend'), v. a. gevangen ne- —trator. a. scheidarechter. (-hen'sibl), a. Arbor (aar'bur), a. prieel, bosachage. —coats (acemen; hegrijpen; duchten. begrt ipelijk. --slots (-hen'sjun), a. gevangenne- bo'ri-ua), a. b oomachtig. —went (-reesent),

Is cryptogeld belastbaar in Canada

×