91 —et, s. begiftiger. —ment, a, begiftiging; gave; begaafdheid. Endue (en-djoe'), v. a. bekleeden, begiftigen. Endur able , en-djoerilb1), a. verdragelijk. —anee, s. verduring, lijdzaamheid; voortdnur. —e (-d)oer'), v. a. verduren, doorstaan, verdragen; v. n. duren; lijden. —er, a. lijder; volharder. Endwise (end'wajz), ad. overeind, rechtop. Enemy (en'e-mih), e. vijand; duivel. a profeseen verklaarde vijand. sed Energetic (en-ur-dzjet'ik), — al, a. —ally, ad. krachtig, nadrukkelijk. Energ ize (ereur-dejajz), v„ a. kracbt bfjzetten. —y (dzjih), a. kracht, nadruk; geestkraeht. Enerva te (e-nur'7et), a. verzwakt, ontzenuwd. —te (seat), v. ontzenuwen. —tion, (en-ur-vee' sjun), ontzenuwing; verwiji'dheid. Enfeeble (81)&131), v. a. verzwakken. Enfeoff (en-fen, v. a. in leen afstaan; beleenen. —ment, a. beleenIng; leenbrief. Enfetter (en-feVtur), v. a. kluisteten, in boeien klinken. Enfilade (en-bleed'), a. rij; rechte lijn; nauwe pas. —, v. a. bestrkjken. Enforce (en•foors'), v. a. veraterken; aandringen; doordrijven; afdwingen; v. n. met geweld beproeven. —able. a. dwingbaar. —meat, s. geweld, dwang; eandrang, doordrijving; drangrade. —r, s. dwinger; aandringer. Enfranchise (en-fren'tsjiz), v. a. bevrijden; burgerrecht green. —ment, a. bevrijding. —r, bevrijder. Engag e (en-geedzy). v. a. verpanden,Tverbin• den; aanwerven; overhangen; bezig houden; wikkelen in; aantasten; a. n. zich verbinden; deb bernoeien met; alaags geraken. —ement, s. verpending; verbintenis; bezigheid; heweegreden; gevecht. — er, 11. die zich tot seta verbindt. —lag, a, —tingly, ad. innemend. Engaol (en-dzjeel'), v. a. kerkeren. Engariand ien-gaargend), v. a. met kransen tooien. Engarrison (en ger'rizn), v. a. bezetten; met garnizoen beleggen. Engender (en-deen'dur), v. a. voortbrengen, n; verwekken, kweeken; v. n. paren; anttee ataan. —er. s. icier; voortbrenger, oorzaak. Engine (en'dzjin), a. werktuig, brandapuit; middel; knnatgreep. —driver, —man, machinist. —er. ( nice), a. ingenieur; machinist. —ering (-nier' ieng), a. werktulgkunde; genie; civil —, burgerBike genie; military —, militatre genie. —ry, a. machinerie; artil1erie, krijgstulg, Engird (en-gurd'), v. a. omgorden. Englad (en gledN, v. a. verblijden. Englut (en-011V), v. a. inzwelgen. Engorge (en gordzj'), v. a. inzwelgen; v. n. gulzig eten (drinken)• Engrall (en-greer), v. a. inkerven. Engrain (en. green') v. a. in de wol verven. Engrapple (en-grep'pl), v. a. aangrtjpen; v. n. handgemeen warden. Engrasp (en-gratsep'), v. grijpen. Engrav e (en-greer) v. a. graveeren; inprenten; begraven. —er, a. plaatanijder, graveur. —ing, a. graveerkunst; gravure, pleat.
held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-
Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
:lot THA.-TEN. Tea Olen, a. thee. - board, -tray, theeblad, Teleecop ca (tel.'s-stoop), a. teleakoop. -ie, -ical (-sitoynk.), a. teleekopisch. -caddy, tteekistje. -canister, theebue. -chest, theettat. -cup, theeltopje. -dish,thaeachoteltje. Tell (tell') [told (tepid)], v, a. & n. Reggen, toolden; vertellen; verklikken; barren; uttwerking -kettle, theeketel. -kitchen, thee-machine. --pot, theepot. -eervies, -set thmss , viss. -spoon, doers, (abroad) bckend maker, (of) am-toren: verwliten. I cannot -, .0, -west Wet- --ftwtnn. theelepeltje. -table,:theetafel. -things, pi. thee- upon the cards, de heart legAen. -tale, A. WOgoad. -voider, waterpot. belachtig, wrklikkend; s. babbelaar; oorblazer. Teach (tiend') [taught (MO], v. a. c nderw(jenn, -er, a. verteller; rekeraar; stentopnerner; be'term-able, a.leersaam. -ableness,s. leersaam- taalmeester. held. -er, e. onderwgzer. -in7, a. onderwije. Teatera rictus (tern• e-ree'i 1-11e), a. v ermeiel, Teague (tteg), a. ler (ale schel dnaern). roekeloos. -ity (te-rner'it-tih), a. vermetelbeld, Teal (tiel), a. taling. Team (Item'), a. span; vlucht. -, v. a. in-, eon- roekeloosheid. Temper (tem'yo,), e. temper„ tempering, men. eptnnen. -*ter (-star), a. voermart. Tear (tear'), a. scholar, torn. ging; nerd; lulm, gemoedsgesteldheld; bed/LardTear (tear' [tore. torn (toots)], v. A. seheuren, held; gehardheid. to de out of -, in eene eleehre verseheuren; (from) ontseheuren; (qff)atmeheuren; luim On. - v. a. temperen, toengen; matigen, (up) openscheuren; opbreken; v. rt. rano, tier., ve aachtert; harden; gesehlkt, (p.send)makcn, in-er, s schearder; raker. flatten; wen. -ament (-e-rnent), a, keistel.; ReTear Olen, a. traan. -falling, -;flat, a, tranen moedagesteldheld; varroengIng. -ante, a. mattfcstortend, weenend. - fey:, a. sonder trafien. held; bedaardhe14. -ate, a. -ately, ad. (-et-). Tease (ties'), v. a. kammen; kaarden; plagen, matig; gematigd, bedaard - ateneet (-et-1. a. matigheld; gematigdheid. -adze (-e-tiv), a. ten, kwellen. -1 W0%0, a. kaardedistel; kaard; v. a. perend, nustigend. -attire (-e Oyer), N. hOoorkammen, kaareen. -1e, (tit'cl-ur), a. kammer; lijke menging; gestyldheid; warmtegraad, ternkaarder. -r, a. kwel ler, plager. peratuur, gematigdkeld. -ed (-wird), a. g.Tent (tiet), e. tiler, tepel. Teed ly (teter11-11h), ad. knorrtg"gemeitjk. atemd, gelnimd; ttomperd, geltard; -er-en -, • gelijkinoedlg. -ness (-i-neon), s. knorrigheid, fiemeliCkheid. Technic al (tek'olkl), a. --ally, ad. kunatmalig, Tempest (tem'pest), a. storm; ontveder.-f, eaten, kunst-, teehnisch. -s, pl. leer der kunaten en -tort, door storm geteisterd, -, v. a. tfit,teren, ambaehten. techntek verontrusten; v. n. stormen. Tempestuous (tans-pese(ne-us), a. --ty, ad . Technology (tek-nol'ud tjth), teehnologie. storm. chtig. --ness, a. atorrnachtigi.eld. Tetchy f,teterlh), a. knorrig, gemelijk. Trusplar (tem'plar), e. tempelter; student_ in de Tectonic (tek-ton'ik), a. bouvvkunatig. reehten. -der, Ted ited), v. a. (gernaald gr.) sprettien. Temple (tem' pl), ciempel;slaitp our' het hoard). a. & v. a. Zia Tether. -t (-pill), a. stuitbout; runt, scut. Todiate& (ti'djue), i. -1y, ad. vervelend; lastig; langdradig, -ness, a. verveiendheld; lang.lra. Temper at (tem'pur-el), a, _ally, ad. iijdelljk, wereldllik; van de alapen. -ality (-el'A•tett), a. digheid. -ale (-ell), pt. -city, a. wereldlijke yruederett Tedium (ti'dI-um), e, verveling, valg. tijTeem (tienin, , a. bares, werpen; voortbrengen; of inkomsten. -arity, ad. -ary, a. (-e-rth-).,ikjaftdelijk; verganke?ijk. -arivtess (-e-ri.), a. 1 v. n. (want) manger -, drachtlg -, vol skin van; wernelen van. -er, a. berende. --Jul, a. swan- lijktteid; verganketbkh ,, id. -ire (At), v. n. tich ger, draehtig; boordevol; a emelend. -ing, a. near den ttjd (de ornstandigheden) s•hikken; vrnehtbasr. -less, a. onvrnehtbar,r. dralen. -Izer (.aj.zur), a. 034v:inner, tamer; Teener (liinas). a. pl. leeftild tuaschen dertien en weerhaan, &eater. Tempt (ternt'), v. a. In verzoektng hrengest; betwintig jaar. Miss in her -. huwbaar meleje. Teeth (tleth), a. pl. van Tooth. to the -, vlak proeven; verlelden; aaneporen. -able, a :tan In het aangesteht. versoeking blootgasteld. -ation (-ee'sjun), it. Teeth (tleth'), v. n. tendon krtjgen. -leg, v. bet versoeking; aunrechting. -cr. a. verzoeker, ver• letder. --leg, a. -ingly, Rd. verleidelijk. -rose, 'Widen kriagen. a. verntekster, verlerdater. Teetotal ti-tole1), a geheel., voikomen. -er, a- matIghe dsman, afechaffer van able geestruke Temse (tense'), a. zee. -. -11(teutst . ), a. hjtt draulten. -ton, a. strange ontatoudlug van she gesitt; - bread, tljn wittebrood. Ten (ten), a. lien. geeetrijka dranken. Tenable (ten'ibl), a. houdbaar. Tex (lex), A. tweelarig reek/tit. Togas tsar (tarjoe-ler), a dakpanvormig. -cent Tense' ems )te-nee'i.jus), a. -ously, ad. eauklevend; tact; vasthoudend (of, eon); hardnek(-meat), a. bekleedael, huidje, viiee. tip'; getrouv; gterle. -ousneis, -ty (.nex'lt-tih,„ Tahoe (te•hr ► , a. gegiehel. -, v. n. giehelen. a, aarikleving; veathoudendheid; bardnekklgbeld; Tell (tiel),.. nude. lindehoom. Telary (trio-rib), a. eptunend; 'web-. -, a. mph, gierigh(td. Tenancy (ten'en-sib)., a. pacht,Pachtl.g. newel). Telegr am (tare-greys), s. telegram. -aph (-Iry at), Tenant (totem), a. yachter, huunler; bewoner, a. telegrant; v. a.telegrafeeren. -aphic (-grerik), pin, lip. -saw, sebrobettag. -, v. n. in hour a. telegransoh. -aphy (to-leg're-flh), a. tele. bobber). -able, a. bunrhaar. -lees, a. onvergrate. huurd. -ry, a. (de) gesamenlitke pachters.
1/00 invited to a burial. —eenvoudip, by. very simple; bw. very simply. —eetlijk, most honest. —der, useless creature. —geberen, still-born. —graver, grave-digger, sexton. —head,shroud.—kiet,coffin, —Mead, pall, shroud. —klok, passing-bell, knell. —(aches (sick), to die (to split one's sides) with laughter. —lied, funeral song, dirge —Loo pen, ov. w. to outrun; on. w to have no outlet; sick t. W. to kill one's self with running. —maul, funeral repast. —makes, to kill. —martelen, to kill by torturing. —swede. fatigued to death, worn out with fatigue —athlete's, to shoot. —.timidly, deserving death. —statist, to slay. —sloop, sleep of death. —slag, man-sla ughter. —.lager, manslayer. —8110, last gasp. —.tea, mortaistat,tatisk blow; finishing stroke. —steken, to stab. —era. very calm silent as the grave. —straf, pain of death, capital punishment. —atriJd, agony, pangs of death —stuip, convulsive pang of deem. —scales, to be killed by a fall. —verf, dead color, paleness of death. —serves, to paint in dead colors; gedoodverfd warden met, to be said, to be designated for. —venlig, deadly pale, livid. —nj. and, mortal enemy. —events, sentence of death. —wad, mortal wound. —wile. (de. atr000a), to stem the tide. —sick, deadly sick. —ziekte, mortal dieease.—goademortal sin. —eseak,extremely weak. —cadet's, death dance. —enkop, eoput mortuum. —essmarach, funeral march. —enrijk, mini of the dead. —sangat agony; mortal anguish. —abtenderan, dead man's bones. —abeneesed, almost suffocating; in a mortal anguish. —nbenauwdheid, sie Doevrisangst. —impel, angel of death. —agevaar, peril of death. danger of life. —ahoofd, skull. —akoofdblok, dead-block, —snood, peril of death; mortal anguish. —sour, hour of death. —motet, death-sweat. —e, m. & v. dead person, corpse. —ekk„ be. & bw. deadly, mord ferous,mo rtal ( - 1y), —*Wkheid, v. mortality, fat.lneag —en, on, w. to kill; to slay, to mortify; to curb. —er, m. killer, slayer. —ling, v. kaling, cloying; mortification. —sea, by. & bw. dead (-lye, du'l (4y); livid, wan; lonely, solitary. —seishesd, v. deadlines.; lividness; loneliness. Hoof, by. deaf (sour, to); extinguished, dead; benumbed. —pot, extinguisher, etouffoir. —eons, deaf and dumb. —atomised, deaf-and dumbness. —etonameninrichting, deaf-and-dumb asylum. —acktig, be. daagah. —held, v. deafness. Dose), m. thaw. —weder,—weer, thawing weather. —en, onp. w. to thaw. Dooler, m. yolk. Hoot hof, c. labyrinth, maze. —weg, rn. Zie Dwaalweg. Hoop, m. baptism; christening; sauce. ten — hamlet', to present at the font, to stand godfather (god-mother) to. —bekken, baptismal basin. —book, —register, register of baptism. —coed, certificate of baptism. —dug, eshristening-day. —formalise, formulary of baptism. —getstige, witness to the ceremony of christening; god-father. god-mother. --peed, christening-dregs. —heifer, god-father. —heater, god-mother. —hek. rail that surrounds the pulpit in a church; generated place in a church where baptism iv administered; chancel. —hale, house where a child is bap-

RET—RHE. 255 Retrench (re-trentan, v. a. afsntjcien; beanoelen, dee% ommekeer; keerzijde. —e, v. a. omkeereti; vernietigen. —ed, a. —edly, ad. omgekeerd, ave. beperken; verecheneen, v. n. sick bekrimose. rcchts. —eless, a. onomstooteltjk. —ely, ad. om. —meat, a. bcsnoeing, beperking; bekrimpinin gckeerd. —ible, a vernietigbear. —ion (-ajun), verschansing. Retribute (re-trib'joet), v. a. terugbetalen; vers. omkeering; terugvalling, (recht van) opvolging, ionary (-8„ina-e-rih), a. terugkeerend. gelden. —tins (ret-rc-bj e'sju n), a. terugbetaling; vergelding. —tory, a. terugbetalend; ver- Revert (re-vurt'), a. herhaling. —, v. a. veran• deren; omkeeren; terugkaatsen; v. as terugkeeren, geldend. terugvallen. —ible, a. terugvallend, weder over Iletriev able (re-trievlb1), a herstelbaar. —e. te gaan. —lee, a. veranderend, omkeerend. v. a. herstellen; terngbekomen; terugbrengen. Iletroaet (ri'tro-ekt), v. n. terugwerken. —inn Revery (re'vur-rih), a. Zie Reverie. (-ek'sjuu), a. terugwerking. —ive (-ekt'tv), a. te- Revert (re-vest'; , v. a. weder bekleeden. —iary A-e.rthi, a. kieedkamer, aacriatij. rugwerkend. Retrocession (rl-tro-sesrun), a. terugwijking. Reviction (re-vik'sjun), a. herieving. Retrograd alien (ret-ro-gre-dee'sjun). a. tereg - Revictual (ri-vit'1), v. n. wader van levenamiddeleu voorzien. gang, terugwijking —e (reero.greed), a. achterReview (re-vjoel, a. herziening, overzicht; ultgaand; v. n. terugtreden, achterult gaan. wapenschouwing, monstering; beoordeeling, re Retrogression (ret-ro-gresj'un), a. teruggang, cenaie. —, v. a herzien, overzien; in oogenachouw terugwijking. nenen, mouderen; beoordecien. —al, a. recensie. Retrospect (ret'ru-spekt). a. tetugblik. —ion —er., a. onderzoeker; recensent. (-spek'sjor), a. (het) tetugzien. —ive (-spelit'iv), Revile (re-vajle), v. a. amaden, beschimpen.—ment, a. terugziend. a. beschimping. —r, a. schimper, beachimper. Retrude (re-treed'), v. a. terugstooten. Reefs al (ra-vajz'el), a. herziening. —e, a. her. Retund (re-tund'), v. a. stomp waken. ziening; revisie. —e, v. a. herzien; revideeren, Return (re-turn'). a. terugkeer, -komst; terug—er, a. herziener; corrector. —ion (.vizyun), a, geve, zending; overmaking, remise; vergeiding; herziening; revisie. —it (-vieit), v. a. weder be• voordeel; verwiaseling, opvolging; ouzel; terugzoeken. , ailing, instorting; bericht, vets) ag; retourvracht. by — of mail, per ommegaande. in —, daartegen. Rev's, al (re-vajv'el), a. herieving. —e, v. a doen herieeen, verlevendigen; opwekicen; ver. —, v. a. teruegeven, -zenden; beantwoorden; nteuwen; weder in heriunering brengen; v. n. gelden; berichten; — thadcs, dank betuigen. v. n. herlevern tot de vorige gednante terngkeeren. terugkeeren, -komen; ant', .rden. —able, a. —er, a. verlevendiger; opwekker; opwekking. terug te geven, te zenden. —er, a. terugzenRevlsff icate (r•viv'if-i-keet), —y (-raj), v. a. der; oeermaker. doen herleven; verleve•digen. —ication (-kee'Reunion (ri-joeniun), s hereeuiging. ejun), a. wederopwekking. Reunite (ri-joe-najt' e v. a. hereenigen; verzoeRevora ble (rev'o-k1b1), a. herroepelijk. —tienen; v. n, weder bteen komen. nes*, a. herroepeltjk. —te (-keeti, v. a. herrnepen. Reveal (re-viel'), y r a. epenbaren; ontdekken. lion (-kee'sjun), a. herroeping. —er, a. openbaarder, ontdekker. Revel (reel!), a. luidruchtig vermeak. —rout, Revoke (re•voor), v. a herroepen; intrekken, oprozrige hoop; luidruct.tigverneaak (re-vel'), opheffen; afzweren; beteugelen; v. n. verzaken (in 't kaertspel). v. a. terugtrekken. —, v. n. rinkeirooier, bragger, —ler, a. rinkeirooier. —ry, s. luidruchtig Revolt (re-vot ), a steal, opstand, plichtverzuim. —, v. a. in opstand brengen; op de vlucht varmaak; brasserij. slaan; v. n. in opstand komen; afvallen (from). Revelation (rev-e-lee'sjun), a. openbaring. Revenge (re-vender). a. wreak, vergelding —er, a. opatandeling; afvallige. —iag, a,. stuiv. a. wren en (of. on. upon). —ful, a. —fully, ad. tend (to). wraakgietig. —fulness, a. wraakzuctlit, —a, a. llevotation (rev-o ljoe'ejun, s. omdraaling, =loop; omweuteling. —ary, a. omwentelingawreker. Revenue (rev'e-njoe), a, inkomatea. — cutter, gezinci. —lot, a. omwentelingageainde. —ire (-ajz), ee a. omverwerpen; eene omwenteling bewer• a. wachtacbip. Reverberant (re-vueburent), a. weerkaatsend. ken in. —te (-eat), v. a. terugkaatsen; v. n. weerkast- Revoiv e (re-volv'), v. a. &n. omwente1en, omdraMen; overienken; terugvallen, — ency, a. ge. sen; weergalmen. —tion (-ee'sjun), n. terugkaet. durige omwenteling. —er, a. revolver-pistool. sing. —tory (-e-tur-rth), a. terugkaatsend; a. I ilevoinit (ri-vom'it), v. R. weder ultbraken. reverbereeroven. Retails ion (re vul'sjun), a. afvoering, efleiding Revere (re-vier''). v. a. eeren, vereeren. (der rochten). —ive, a. afvoerend, afdrtjvend. Reve•en cc (rev'ur-ens), a. eerbied; eerbetoon; bulging; eerwaardigheid. —ce, v. a. eerbiedigen. Reward (re-waord''), s, belooning. vergeldiug. —, v. a. beloonen, vergelden. —able, a. beloon—car, a. vereerder. —d, a. eerwaardig. —t, a. bear. —er, a. belooner. —fly, ad. —fiat, a. —tially, ad. (-en'ajel-.), earReword (ri-wurd'), v. a. woordelijk herhalen. Hever er (re-vier'ur), s. vereerder. —ie (rev-ur- klibachltis (re-kartiz), a. engelache alekte. lRhapsod Ica' (rep-eod'ikl), a' onsamenhangend, ie'), a. mij ► nerIng, droomerij. saarngeraapt. —y (rep-eo-dih), a. eamenraapael. Revers al (re-vurisel), a. veranderend; vernietlgend; a. veraudering; vernietIging. —e, a. tegen- Rheniab (rien'isj), a. rijirsch. —. a. rijnerijn,
—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.

Wat is Bitcoin Zambia


Z7.3 Shrew (sjroe), a. feeka, helleveeg. —, —mouse, Shuttle (ejut't1), e. achietspoel. —cock, pluimbal. s. —1y, ad. schuw, beschroontd, be• spitsmuis. Sh}' .1; ft hterhoudend; achterdoehtig; onnichtig. d Shrewd (ejeced.), a. —1y, ad. slues, listig, loos, v. n. chlchtig zijn (worden). —tires, schuw—nem. e. sluvrheld, lnosheid. achterhoudendheld; beachroomdheld; held, Shrewigh (ajroe'nj), a. —ly, ad.twistziek, snib re.hichtigheid. big. heftig. —ness, a. twistzucht, heftigheid. Shriek (ajriek), s. gii. —, v. n. gillen,achreeuwen. Siblin nt (sin'i-lent), a. sirsend; s, sisletter. 1-leo'ajuu), a. closing. Shrleval (sjrie'vel), a. van eels.' sheriff. —ty, Sibyl (etb'il), a, atbylle, waaraegater.;—lice (-lajn), sheriffschap. a. eibyllijnach; voorapeliend. Shrift (ejrift), e. biecht. Sive ate (sikikpet), v. a. drngen. —alive ( ke-tivl, Shrike (sjr)k), a. steenvalk, sperwer. a, & a. opdroogend (middel). —ity (-sit , tih), a. Shrill (airiil'). a. —y, ad. achel, aehrii. —, v. a. drropte, mat eene sehelle stem zingen of uitspreken; (forth) uttgillen; v. n. gitlen. —ing, a. gillende Sick laik'), a. ziek; mtsFelijk; (of) moede. —.en taik'Ic ► l, v. a. & n. ziek waken (worden). —ish, toot, —nese, a. schelheid, actirithetit, a. ziekelijk; misselijk. —liness 1 1 1- noes). a. . 1 . Shrimp (ajrimp), a. garnaal, dreumes, kelkjkheid. --ly a. & ad. zie4elijg. —ness, a. Shrine (sjrajni, reltquientaitje; aitaar. tinkle; mimaelijkheid. Shrink (sjrink), a. krimeing, rimrel; huivering. a. Nikkei. Shrink )ajrink I [shrunkj,v • a- then sanientrekken Sickle (krimpen); (up) °p ► ilter]. (de schnudera); v. a. Side isajd'i, a. zUdeltugsch; zij-. —, a. Ode., karat; part'). —by —, naast elkand.er. —arms, pl. zijdkrimpen, 'neon krimpen; sidderen. (at) zich opt- geweer, —blow,. clog van ter aijde, —board, hut. mitten over. (from) terugdeinzen your. (under) bezwijken onder (up) ineen krimpen. duig. —box, zij-loge. —counter, windveer. profiel. fish. @cheat, %yang (v.n eel , ' CaArore, ahriv,zn tsjriv'n)], v. a. & Shrive mast). —glance, zijdelingische bilk. —lantern, biechten. —r, s. bieehtvader. a)agianiaarn. —lays, p1. verache jachthomden. Shrivel (ajriv 1 11, v. a. & to rinapelen; krimpen. Shroud (mica. d'),e.dood kl eel; bemehuttl ng. —cleat, —notes, k ant tep,kenibgen. —rope. viclreep.— saddle, teoneelscherm, couitsze. Trouc•enl3del. wanthiamp. hook, wantiaaak. —knot, w:tntknoop. titan, helper (tan den. Boater); —shoot, zijloot. —stopper, wantsto p per. —taek/e, wanttaice. partkjaihn. —stick, bindsteeg. —taking, het kit —truck, wontk)oot. —. v. a. bekieeden, :Len tan partij. —treed. p1. zijstukken (yen eon' ken; verbergen; beechutten; v, a. zic ► verbergen; voetgeziehr van ter :dia.,. mart). beachutting zoeken. --a, pl. want., hoofdtouwen. elui- ►neur. — wind, zilpad voetstraat. Shrove (ejroov'), a. Vacten. —nundag, eerste urn- wind. —, v. a. vierkant snakes; ondereteunen, ch); In 'de Vasten. --tide, —tuesdag, dog v(56r de kiezen; t; v. n. overhellen; part',) hr t houden Varsten, vastenavond, yaw—Zing. (with , partij iciezen voor; op de zijde Shrub (mirub'), a. attnik, heez ter: drew., (Noon a. zij waartsch, Odeft. iteltend, schutia. van) punch. —, v. a. van arraiken zuiveren; af- lingsch; ad. zkjwitart.m., ail aelings. —ways (-weed, cameos. —berg(-bur-rih), a. hers ,. erplantsc..n. i-wajz), ad. van i,er zijde, —wise a. atruikachaig; vol struiken oaf heesters. Sider at (eid'ur-el), —col (-Vri-e1), a. sterren-. Shruff (Oreff),•s, metaalachuim. —aced, a. verweerd, verzengl. —corophy (-ug're& n. Shrug isjruga, a. schouderophaling. fili), a. ataaigraveerkunst. (de ac)touders) °Otten. Shudder lajud'dur)... rillinhr, siddering. —, v. n, Sidle leardlt, v. n. zildelings loopen. Siege (siedzj), a. beteg; belegering; aetei. huiveren, sidderen (at. with). a. door8chtubtirg, liat, kunst- Sieve (sir), e, seer. ShssM e v. a. sitters; onderzoehen. uitpluizen; grcep. —e, v, a. dooreen echudden; verwatren. Sift poleen; (Gut uitvorachen. —er, a. titter; uttplui(away) heimelijk wegmaken. (in) op eene lintfge zee; meeibuil. wijze inbrengen. (off`) van tick afschuiven, tick (saj), a. zuclat. —, v. u. zuehten ?at, over); v. n. het- —e, armaken van. (up) samendansen. (after. for) haters► aelen; de koarten doorschieten; wa;rgelen; ducal- op richt. by--, en, uitviuchten znekeit. (off') zieh wegpakken. Sight kaajt!), a. geziehti vizier. a t vat, aenzien.. —'s-man, die van het bled ziugt of (through) doarheen slaan,—woratelen. (up) oproe- s; eelt. —less, a. blind; --live. rig lkjeenkomen. —er, s. deorschudder, heart- a. bekoorlijk, --ly, neon), a. bekoorlijkheld. bedrieger. —ing, a. —ingly, ad. Hotly, be- oogelijk. driegelijk, op eane mlinksche wijze; waggelend. Sigh (ard'zjil), s. zegel. —ing, a. ultvlucht, draaierij. Shun (,.fun'), v. a. verreijden; vlieden, schuaven. Sign is,j1.0)„ s. teeken, merk; went.; uiti► angbord; hainctteekening. —post, onite ► leeliening. —less, a. onverrnijdelijk. v. a. mijipaal; post van can uithangbord. 'Aiwa (njunt), v. a. op Pen an.ler spoor brengen. te,konen, merke ► ; ondertee)ienen; aantoonen. s. Shast Wet), a- ges.loten; vrij, bevrijd. Signal tsig'nel), a. teeken, nein. —, o. —tit, ad. tang; deksel, klep; deurtje. uitstekerni. --ize (-ajz), v. a. doeu ultblinken; Shut (siut 3 ) [shut], a. a- aluitea, dichtmaken; be- onderscheiden. aluiten; lasschen. (from) utteluiten van, (in) in- eluiten. (out) uitsluiten. (up) opslui ten; dieht- Signature (si,ene-tjonr), a. handteekening. v. n. zieh aluiten., dichtgaan. —ter, Signer (aajteur), s. onderteekenlar. eluiten. Signet (aig'ult), a. zegei. —ring, zegelring. a. eluiter; veneteriulk, Wind.
capital puoiehment, pain of death. —string, necklace; halter, rope; quinsy, squinancy. neck - piece. — lalie, tack - tackle. — vrtead, — triesdin, bosom- friend. --seen'e, capital crime. — zed, Arap„ shoulder - belt. Meister, m. halter. Unit, v. halt. — &Aden, to halt, to make a halt, to stop. alleavesertera, ON. NV. to halve, to divide into halves. IItsive-stateron, v. half-moon• crescent. Halwerwegam, bw. half-way. 111,aleezolless, ova w. to new-foot. linleen, to. me. red - weede. — , on. w. to drudge; to draw tiet the lia!eers; to veer. hams, v. ham, —meiee., ham-tone. —meet, hamgrease.

'ranch (ientaj), g. zeelt. Tend (tend'), v. a. oppugn'', verplegen; bedlenen; bewaken; hoeden; v. n. etch rIehten; streyen; atrekken; doelen; (upon) bedlenen, volgen, -- ante, lie oppaletng, verpt eel. g Jae(' —ency, a. strekkong, nelging. —er, a. °roaster, verpleger; aenbiethng; bod; ad viesjacht, tender, 'oarrax4e, agen. --er, v. a. aanbieden; met teederheid behantelen Tender (ten'tur), a. —ly, ad. teeter; zaelit; zwak, week; gevoettg; bezorgt ; zorgvuldtg; dterbaar. —loin, Ituit: (van een runt). —bodied, zwak, tender. —hearted, teerhartig. —heartednece, a. teerbartigheid. —aided, nk. —ling, a. treetelkind. —nett, a. teeterbei•; zaehtbeid; zwek belt; weekbeit; geraelteheid; zorgvultigheit. Ten &Inoue (ten'di-nut), a. vezelip, pez)g. —don (-dun), a. pees. —dril (.dril), a. hechtrank; a. hechtend, klirarnent. Tenebr Ions (te-nt'bri-us), —out (ten'ebrue), a. tanker, dilator, eamher. —otity (ten-e-bratelt-tth), a. duteterbeid. Tenement (ten'e-rent), a. gepaebt stuk grand; woning, woonhuts. —al —nry (-ment'.), a, ge hoard, gepaebt; le peehten Teneemus (te-nez'mue), u. aandrang tot atoelgang. Tenet (ten'it). a. I eerstok. grondatelling. Tenfold (ten'toold), a. tienvoudig. Tennis (ten'nis), a, kaatsepel. —ball, kaatabal. —court, kaatebaan. Ten oat (ten'un), a. pin, lip, etaart; —awe, schrohzone. —or (-lir), a. beloop, gewone loop; geeteldheid; wijze; inhond, zin; tenor. Tense (tees). a tijd. Tens a (tent'), a. —ely, ad. stiff, etrak, geepannen. —cocoa, —itp, P. strakheid, gespannenheid. —ible, —lie (41), a. epannaar, rekbanr. —ion (-jun), x. spanning. —ire, a spannend. —or, a. trek-pier. Tent (toot'), a. tent; wtekje; tintwijn. —bed, veldbed. —cloth. tentlinnen. --maker, tentenmaker. —pin, tent pin. —pole, tentpaal. —probe, tenth., —wine. tintwijn. —wort, vrouwenhaar, mnurkrutd. —. v. a. tenten, pollen; v. n. in liens tent arena.. Tent no le (tent'ikl), a. voel,priet —afire (-e-tin), bedekt. a. bPpraevend. —ed, a. net Tenter (ten%ur), a. spenraam, -hook. --hook, v. o.. spanners, rekken; v. n. gespanhaak. spannen worden, rekken. to be on the —a . In oarlegenheld zijn. to keep upon the —s met achoone belofteu peelen. Tenth (tenth'), a. &s. tiende. —iv, ad. ten tlende. tib), a. njnbeld, dunheid. Tenut (ten'joe-ue)„ a. tljn, dun. Tenure (ten'per, -jur), s ieenroceigheid, wij ze bezit. oat (voorwaarte) Tap efe,rtion (tap e fek'sjun), a. lauwm eking —id (tepld), a. lanw. —idity (te-pld'it•tib), —or (ti'por), a. lauwheid. —ify (tepl-fej), v. a. & n. lauw make.n (warden). Terre (tr.rs),a. Zie Tiaree. Terebinth (ter'e-binth), a. t erpenthnboom. —ins (-Inuth'in), a. terpentijnachtig. Terebra to (ter'e-breet), v. a. toarboren. —lion (-hree'ajun), a. doorboring.
b fur •WOrea. —achtig, by. eoopery. --- en, by. copper, brass, brazen. —en, on. w. to copper. K oplo, v. copy, imitation, —beck, copy-hook. 'inspirer en, or. w. to copy, to transcribe. —geld, —loon, copy-money. —machine, copying-press. —week, copy-writing. Koos' 1st, m, copier, copying-clerk. Kopij, v. copy, manuscrtpt. —re,cht, copy-right. o. cup. KoPP. 1 , m• stri.g, leash; thong, strap, belt, o. couple. pair, brace. —aar, m, baldrick. —nuttier, v, pimp, pander, oswd, procurer, gobetween.—or(j.v. pimpirgo making up of matches. en— on. w. to couple, to match; to join; een gekoppeld huwelijk, a made-up watch. —teeken, hyphen. —woord, copula; conjunctien. v. coupling, matching. joining; copulation. Kemp on. w' to cup. —gins, cup, cuppingglass. —per, m. copper. Kipp pares...0/1g., rn. ;one Monday. Kopp4g, be. bw. heady (-lip, obstinate (-Iy), b born (-Iy). a. headineee, obstinacy, mtubbornness. Kopping, v. cupping. Horned, in. chorister. —meester, ehiot olager. Ke^ tresat.% u. bead. —, a. coral. —afloat, coral agate. —bank, —rif„coral- re,af.—boons,coral-tree.—krxiii, coral- -eort. —vieiehef, coral-river, -fisher. —viestherij, eora:41.hery. —achtig, be. coraltine. Ktivainess, be- coral, coralline. Kos, re, me. Koran. Korleroi-1, m. corbel. iherors4)1,er, rn. Conte:ter. Korr:irm,o cordon, line of troop,. Rowels, on. w. to retch, to beck, to vomit.. Ki:ororre, o. corn, grain. —oar, ear of corn. —akker, —veld, corn field. —bran,co,n-ex,hanice. —bijter, —bout, cora-weevil, celonder, —Mout, the like the corn flower, ,.labs blue. —Moon, core-flower, blue-bottle; (roods) c 'ern-rose. —brander, dietiller. distillCry. Orandcwijn, brand y.—rlorseder, throatier. —drafter. corn-porter. --gaffel, pinch-fort:. —g,rf, —cch6of, sheaf of corn —halm, cornorteilk. —handet, corn-trade. —liandelaar, —keeper, COI n-rntrehAut, .chandler. —harp, corn • dome. —hoop, heap of corn. —hula, —.hoot., granary. —hi4ze„ coat, chair, boil. —kre. grass-hopper. —land, corn- la, d, field. —lick • ter, corn-lighter. —mower, —reaps, —motat,cornmewsure. —rnagnrys, corn-magazine. —markt, corn-market. —meter, CO:a-MeasUrer; corn-meter. —waren, coreorniti. —000st, earn-harvest. —root, corn-roeo. —schwa, corn-balance. —whip, cornahlp, corn.shoyel. —sikkel, reaping-hook, scythe. —wan, wonnow. —wanizer, winnower. corn-weevil. —zak, corn-beg. —solder., carn-loft., granary. Wort', ra, biteket, hamper, dorrer, frail. Korte*Inie., m. wocd-cook, —hea, wood-hen. Koriarkder, in. coriander. Kortiol, v. pollen. Kornet, m. cornet, ensign, —, v. cornet, buglehorn. o. cornet. tioratfie, v. cornice, Karr nekike, v. dog berty,corneU an cherry. --town. cornal•tree, contelion tree.
Bombard (bum-beard'), v. a. bombardeeren. Bore (boor), s. boor; bocrgat; wOdte, vervelend —ier. (bum-ber-dier'), a. bombardier. —tnent, a. mensch; lastige zaak. —, v. a. boreu; vervelen. bombardement. —r, a. boor; boarder. Bombast.' (bum'be-zien), a. bombazijn. Boreal (bo'ri-e1), a. noordelijk. Bombast (bum'bartet), a. i)del gezwets; hoog- Boreas (bo'ri-em), a. noordewiud. dravenda Vaal; katoenen stof. —ic (barts'tik), a. Born (born), part. geboren. base oneeht. hoogdravend. Borne (boom), part. gedragen. Bombycineus (bunt-bis'i-nus), a. zijden; zijde- Borough (bur'o), e. vlek, landetadje. wo rrnkleurig. Borrow (boriro), v. a. borgen, outleenen. —er, Botnbyx (bom'biks), a. zijdeworm. s. ontleener. Bonasus (bo-nee'sus), a. buffel-os. Boseage (bos'kidzi), a. bosschage. Bond (bond), a. band, boei; verbond; verbinte- Bosky (bos'kiii), a. boschrij k. nis;schulibewija;entrepOt. —holder, 'louder eener Bosom (boe'zum), a. boezem. schoot. —friend, obligatie. —maid, —man. —man- servant, lijf- boezemvriend. —, v. a. geheim houden. eigene. --eereice,lijfeigenschap. —s/ave,lijfeigene. Boss (boss), a. bult, knopje; boas. rneester —man, borg. —, a. dienatbaar, lijfeigen. —age, —age, s, uitspringende steen. —ed, —y, a. bultig; a, slavernij; gevangenschap. met knoppen versierd. Bond (bond), v. a. opalaan; zekeratelling geven. Botan;c (bo-ten'ik), —al, a. kruidkundig. —8, Bone (boon), a. been; groat. —a, s.dobbelateenen; a. kruidkunde. gebeente. 4 to make no blues (of),geen gew etens. Bolan 1st (boVe-nist), a. kruidkundige —ize bezwaar maken (van). —lace, kant. —setter, heel- (-najz), v. n. de kruidkunde beoefenen. —y, a. meeater. —setting, beenzetting. —spavin, spatten, kruidkunde. —less, a. zonder beenderen, graten of tanden. Botch (botsj), s. gezwel; lapwerk; stopwoord. Bone (boon), v. a. ontbeenen, ontgraten. —, v. a. lappen, broddelen. —er, a. lapper, Bonfire (bon'fajr), a. vreugdevuur, knoeier. —ery, s. broddelarij. Bonnet (hon'nit), a. hoed; mute; ravelijn; bon- Both (booth), a. beide; conj. zoo wel ale. net (zeil) Bother (botieur), a. kwelling; § wanorde, stoorBonny (bon'nih), A. Bonnily, ad bevallig, vroo- nis. —, v. a. kwellen, ergeren. lijk, aardig. —clabber, hang-op. te), s. wormen paarden). Hots (ba Bonum- magnum (bo'num-meg'num),s.konings- Bottle (bot't1), e. flesch; bundel. —flower, korenpruim. bloem. —nosed, dikneuzig. —screw, kurketrekker. Bony (bo'nih), a. beenachtig, vol graten. —stand, fiesscheblaadje. —, v. a. op fleaachen Booby (boe'bih), a. lummel; zeeooievaar. tappen. § Boohoo (boe-toe'), v. n. hard achreeuwen. Bottom (bot'tum), a. bodem, grond; bezinksel; Book (hoek),'s. bock. —binder, boekbtnder. —case kiel; dal; kluwen. —, v. a. gronden; steunen; boekenkeist. —keeper, boekhouder. (keeping), (bet) opwinden; v. n. berusten op (on. upon). —land, boekhouden. —learned, belczen,—/earning, bele- vruchtbaar, vlak oeverland. —less, a. bodemloos. zenheid. —madness., boekenkoorts. —mate, school- —ry, s. bodemerij. makker. —oath, eed op den bijbel. —seller, bolsi'. flood (baud), a. moutworm. verkooper. —trade, boekhandel. —worm, book- *gouge (boedzj). v. n. opzwellen. worm. —id., a. geleerd. —, v. a. boeken; to boek Bough (bau), a. talc. atellen, Bounce (baauns), S. bons; bluf. v. n. apringen; Boom (boem), a. leizeilspier; boom; baken. — bonzen; bluffen. —r, a. windmaker; leugen. v. d. not groote vaart aankomen. Bound (baaund), a. grens; grenapaal; sprong. Boon (boen), a. gunst; geachenk. —, a. aardig, —, v. a. beperken; begrenzen; v. n. apringen. vroolijk. —, a. gebonden; (for) bestemd near, —ary, a. Boor (beer), s. vlegel, lomperd. —ish, a. boersch, scheidspaal; grenv. —en, port. verplieht, verrochuldigd. --less, a. onbeperkt, grenzenloos. lomp. —ishness, s. boerschheid, Bounteous (baaun'ti-us), a. —ly, ad. mild; noose(boez), a. koeetal. Hooey (bo 'bih), a. beschonken. vriendeltik; goedgunatig. —news, a. mildheid; vriendelijkbeid. Boot (boet), a. learn; winst; bak (in cone koets). to —, ad. op den troop toe, —ed, a. gelaarsd. Donut y (baaun'tih), a. goedheid; milddadigheid; —hose, laarzekous, broeklaars. jack, laarzen- premie. a. mild; vriendelijk. kneebt. —leg, laarzeschacht. —tree, laarzeleest. Bourgeois (bur-dzjoiel, a. naam eener Mehra —less, a. zonder laarzen; vergeefsch. —8, a. drukletter; burger, —, a. burgerlijk. echoenpoetser in eon hotel. —, v. a. baton, Bourn (boors), a. grens. bevoordeelen. Bons e (boez), v. n. bekeren, zuipen. —y, a. Booth (booth), a. tent, kraarn. beschonken, drunken. Booty (boe'tih), a. bolt, roof. Boast (baut), a. beurt, beer, maal; poging; Bopeep (bo-piep'), to play at —, wegkruinertje,, proef. achuilhoekje spelert. Bow (bo), 8- boy • strijkstok. —anchor, vertui. hand. —legged, krombeenig. Borable (bo'rtb1), a. hoorbaar. an ker. —hand, rechter Borax (bo'reks), e. borax. —line, boeglijn. —man, boogschutter. —net, runt. Border (bor'dur), a, rand, grens, zoom. —, v. a. —piece, boegatuk. —shot , boogacbot. —sprit, omzoomen; a. n. (on. upon) grenzen, belenden. boegspriet. —string, boogpees. —window, nit—er, a. grensbewoner. springend venster. —yer (-fur), a. boogechutter
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


C). Object (ob'dzjekt),s. voorwerp; doel, voornemen. 0 (0), int. o ! —glass, objectief-glae. Oaf (not'), s. wiaselkind; domoor, stumpert. —ish, a. dom, onnoozel. —ishness, s. domheid; Object lob'dzjekt'), v. a. tegenwerpen, voorhouonnoozelheid, den; v. n. inbrengen (against); bezwaar waken Oak (ook), a. elk; eikenhout. —apple, galnoot.: (to). —ion (-dzjek'sjun`,E1. tegenwerping, bezwaar. —bark, eikenschors. —evergreen, steekpalm.—fern,1 —ionable (-dzjek'sjun-), a. vatbaar voor tegenwereikenvaren. —grove, eikenbosch. —leather, etken- ping, onaannemelijk. —ire, a. —ively, ad. voorwerpelijk, objectief. —ive case, vierde naainv.,1, zwam. —tree, eikenboom. —en (o'kn). a. eiken; voorwerp. —iveness, —ivity l•tiv'it-iih), a. year—grove, eikenbosch. —ling (-lieng), a. jonge eik. -um, a. work, pluiatouw. —y, a. eikachtig; hard.' werpelijkheid. —or, s. tegenwerper. Oar (oor'), a. roeirlem; roerstok. —, v. a. do n. Objurga te (oh'dzjuegeet), v. a. berispen, beknorren. —tion (-gee'sjun), a. beriaping, verwijt. roelen. —y, a. riemvormig. —tory (-ge-tur-rih). s; berispend, verwijtend. Oasis (o'e-81s), e. oasis. Obla to (ob'leet), a. platrond. —lion (-lee'ajun), Oast (oost), s. hopeest. Oat (not'), a. haver; herderafluit. —bread, haver- s, offerande. brood. --cake, haverkoek. —malt, havermout. Oblecta te (ob-lek'teet), v. a. verlustigen. stree—meal, havermeel. —straw, haverstroo. —en(o tn), len. —tion (-tee'sjun). s. veriustiging. Obliges te (obni-geet), v. a. verbinden, verpllcha. haver-; van (met) haver. ten. —lion (-gee't, jun), a. verbintenis, verpliehOath (oath'), a. eed; vloek. by —, upon an —, btj ting; schuldbrief. —tory (-ge-tar-rih), a. verbin(onder) cede. to make —, to take an —, zweren. to put one to his —, iemand den eed afvorderen. dead (on, voor). —able, a. bevoegd om eels' eed to Boon. —breaking, Obllg e (o-blajdzr), v. a. verbinden, verplichten. —ed (-blajdzjd'), a. gedwongen; (to) verplicht. —ee a. meineed. lob-lid-zjie'), 8. verplichte; schuldeischer. —er, Oats toots), pl. haver. Obduc a (ob-djoes), v. a. overtrekken. --lion a. verpliehter. —ing. a. —ingly, ad. verbindend; verplichtend, heleefd. ingness, s. verbindende (-duk'sjun), s. overtrekking. krseht; beleefdheid. —or (ob-li-gor'), a. verplich.►ardvochtigheid; Obdara cy (ob'djoe-re-sih), a. verstoktheid. —te (-reet), v. a. verharden, ver- ter, schuldenaar. stokt maken. —te, a. —tely, ad. (-ret), bardvoch- Oblique e (ob-liek', -lajk), a. —ely, ad. achuin, fig; verstokt; —fences (-ret.), —tion (-re'sjun). a. acheef, zijdelingseh; verborgen.—eness,—ity (-ilk , wit- tih), s. echuinheid; afwijking, verkee. dheid. hardvochtigheid, verstoktheid. Obedlen ce (o-bi'di-ens), a, gehoorzaamheid. Oblitera be (ob-lit'ur-eet), v. a. uitwisFchen. —lion (-ee'sjun). a. uitwissching. —t, a. —ay, ad. geboornaam. Obeleakn ce (o-bee'sens), s. bulging. —t, a. on- Obilwl on lob-liv'i-un), a. vergetelheid; act of —, vergiffenis, arnnestie. —ous, a. vergeetachtig. derdanig, gehoorzaam. a. Obeli's cal (o-be-lia'kel), a. naaldvormig. —k Oblong (ob'long), a. —ly, ad, langwerpig. langwerpig vierkant. —ness, a. langwerpigheid. (ob'e-lisk), a. obelisk, gedenknaald; kruisje (+). Obloquy (oblo-kwih), a. laster, amend, verwijt. Obee e (0-bies'), a. zwaarlijvig, log, vet. —eneso, Obluctation (ob-luk-tee'sjun), a. tegenstand. —ity (-bes'it•ti,h), s. zwaarlijvigheid. Obey (0-bee'), v. a. gehoorzamen. —er, a. gehoor- Obmuteecence (ob-injoe-tes'sens), a. verstomwing; stilzwijgen. zamer. Obfusca to (ob-fus'keet), v. a. verduisteren. —tion Obnoxious lob-nok'sjus), a. —ly, ad. onder hevig, onderworpen; strafbaar; aanstoo.eltjk, (-kee'sjun). a. verduistering. Obit (o'bit), a. ijkdienst; overlijden. —ual, —uary hatelijk, (to,. —conscience, kwaad gevveten. —neat, (-birjoe.). a. dood-, siert, begrafenis-. —uary s. onderhevigheid; stralbaarheid; hatelijkheid. Obnublla te (ob-njoe'bi-leet), v. a. omwolken ; ..bit'joe.), a, aterflijet.
bawler, blusterer. —er, —erd, m. register, list, CAt alegue. Blafisaken, on. w. can Zie Bissaskoken, sax. liteik en, ov, w. to asoren, to singe; to bream; on. w. t6 burn, to he inflamed (with). —end, be. burning, ardent, inflamed. —er, in flat-, handeaudlestick. —erns, ov. w. to scorch. ;Amen, o. is —, in blank. — krediat, credit in blank, open credit. Munk, be. white, blank; cloan,bright, shining; naked, bare; drowned, overflowed. —, in. blank, six•doit-piece. twee —en, a penny half-penny. Blanket done, v. paint-box. —eel, o. paint, cosuteri, —ten, ov. w. to paint; siee t. w, to paint one's face. IDItinskb el d, v. whiteness; brightness; purity. Blares, on. w. to blister. Ilitaten, on. w. to bleat. Bleuw, ha. & o. bine. — nog, black eye. het laten, to leave (a thing) no it is. —e btoempjes. stories. —s boodsekap, —e uitriucht, idle pretext, poor (pitiful) shift. — elstante kijken, to look blue (over, on). ergens — a fkomen, to be deceived in one's expectations. —board, bluff-beard, bugbear. bes, bilberry. —boekje, libel, pamphlet. —Isom, blue-stocking —oogig , hlue.eyel.—schuit, scurvy. —steen, iazulite. —verve, bine-dyer, dyer in blue. —met, gerfalcon, issuer. —mar, Prussic acid. —.hag, by. bluish. —en, ow. w. to blue, to dye blue; on. w. to grow blue. —held, v. blur11,188; lividness. — sel, o. emelt, blue-powder. —tje, o. inn loosen, to be refused, to get the slip. —tjes,bw. coolly. Matz en. or. & on. w. to blow; to sound (de tvomp,t);to .vind (den horen), to play on (the flute); to huff (eerie elanach(jo; to ewarger, to brag; an de bus —, to pay a fine, to come down. —earn. blower;huffer. Blrszueu, o. banner; cost of arms; blazonry. Bleak, v. bleaching; bleachery. —loon, bleacher's by. pale; light, Yee. —veld, bleaching-field. feint. sucht, greets sickness. —achtig, by. pallets, somewhat pale. —en, ov & on. w. to bleach, to blanch. -es, m. —erin, —ales.. v. bleacher, blancher. —er)), v. bleaching; bleacbery. —era/road, mastiff, bandog. —erd, m. pale-red Rhenish wine. v. paleness. 111.1, a, Way, bleak. b'ain, blister. Me. v, tore-luck, blaze, white spot. —, m. horse (with a blaze) Bleu, bv Zie Blond. Wick, v, Zie Hilide, a. be: tista. MU di., so . & bw glad (of), gladly, pleased (with), joyful (-ly). — dee4ap, Y. gladness, joy, joyfulues. —eindend, br. tragicomical; --tr.,. epel, tragi-comedy, —veettig, by. & bw. jovial ly), cheerful (.1y), merry (-11y). —geestigheid, v. joviality, cheerfulness, mirth —head, a. gladUP., joyfulness; vrijheid iiberty above all. ltILjk, o. token; proof., evidence. —bans, by. & bw. evident 1.1y), clear (-Iy), ananifest (-1y), °bad... -1y) —baurhe'd, v. evidence, clearness, obviousness. —en, on. w. to appear (from), to be eatdent, — obvious; (loan —, to show, to prove, to
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
oak Cotter en Cottle, a. katoen. —gin, Cotton (kortn), a. katoenen. katoeuzurveringswerktuig. —spun, katoenen ren. —thistle. katoendistel. —tree, katnenboom. —weed, katoenkntid. —y, tt. katoenachtig; vol katoen. —, v. a. met katoen voeren; v. n. ring (pluizigi warden; ziell verdragen (with); § to — to one, behagen in iemand vinden. Conch (kant:D, m. rustbed; ;Rag, nchicht.
c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.

FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Dibble (dib'bi). a. spade; pootstok. —, '_v. a. epijavertering. poten (met eeu pootijzer). Digg er (dig'gur), a. graver, delver. 4 —jags, a. Hibstone !dib'stoon), a. werpsteentje. Dice (data'), s. dobbelsteenen. —, v. n. dobbe- opgravingen; goudveiden; verblijf. len. —box, dobbelbeker. —player, dobbelaar. Dight (dajt), v. a. ultdossen; tooien. Digit (did%jit), a. drie vierden van een' doim; -2', a. do)itelaar. een twaalfde van de middellIjn van son of Dickens (diVenz), int. drommels! maan); getalmerk, cijfer. —al, a. de vingera beDicker (dik'ur), a. tiental (by. huiden). —, v. a. treffend. —eted, a. gevingerd. § ruilen, verruilen.

Wat is het punt van Blockchain


PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-
ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
Litecoin is an open source software project released under the MIT/X11 license which gives you the power to run, modify, and copy the software and to distribute, at your option, modified copies of the software. The software is released in a transparent process that allows for independent verification of binaries and their corresponding source code.
Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.

453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne


plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-
Teredo (te-ri'do),e. paahronn. Tenets (te-riet'1, a. rand, eptterond. Tergenelnone (tar-dzjem'i-nue), a. drIevoudIg. Tergiversa te (tuedsji-sur-seet), a. a. ultvluch • ten soelren. —ties (-Nee'ajnn), a. taitvlucht, &eelerij; veranderlljkh old. Term (turm), a. grena; termijn; term, ultdrnkking; voorwaarde; zittingtijci; etudiethd; =endstonden. to be upon good —a. op een' goeden noel staen. upon any — a, in elk genial. —, v. a. noem RD. Terrnagan cy (tur'me gen-eth), a. onstuimIgheld, woeligheid; twietzucht. —t, a onstuisaig. woelig; twittztek. —t, a. reeks, helleceeg. Tanner (tnrm'ur), a. huurdsr (pachter) vow lien' bepaelden tijd. Tannin able (turm'i-nibl), a. begrenebaar. —at (-nel), a. (Audi etndtgend. —ate (-nest), v. a. (-nee'ejun), a. & n. begrenzen; eindigen. begrenzing; grene; einde, beelutt, ulteang. —afire (-nee'tiv), a. beperkend. —er, a. Zia Oyer. (-nol'ut-zjIh), a. terminol Pee, leer (ken—ology ni s) der kunstwoorden. -ass, a. eindatation. Termite (tnemajt),.. witte mice. Termleme (turm'less), a. onbeperkt, eindelooe. Ternary (tur'ne-rih), a. trietallig. —, a. drietal. Terrace (teeres), a. terra.. Ter repin(ter're-pin), a. (soort van) echildpat. Terraqueons (ter.ree'kwi-ue), a. uit land en water beetaand. Terre one (tur-rien') —stria/ (-rea'tri-el), a. aardsch. —oats (ter'ri-us), a. van aarde; met aarde Termer gd. Terri ble (teeribl), a. —.6iy, ad. yerachrikkelhk. blenees, s. verectrikkelijkheid. Terrier (ter'ri-ur) a. dashond; chneregister; drilhzer, zwikboor. Terrific (tur-rink). a. net rikwekkend. —y (ter% rile)), v. a. vereehrtYken. Territor fel (ter-ri-to'ri-el), a. van het grondgebled. —y (teed-tut-1h), a. grondgebied. Terror (ter'rur), a. schrik, ontateltenis. —struck, met aehrik vervuld. —ism, a. sehrIkbewind. Terse (tore), a. —ly, ad. glad, sierlijk, net. —nese, a. gla.dheid, sierlijkheid, netheld, Tart!, an (tur'ejen), a. derdendasgseh; a. derdendeagache koorta. —ary (-41-e-rth)., a. van de derde vorming. —ate (-sji-eet), v. a. tea derden male does. Tessellate (tes'ail-leet), v. a. met rattan oaken; rultevri;ze inleggen. --d (-id), a. gernit. Test (teat'), a. kapel, stneltkroee; toots; retetief; toet.ing, beproevtng; onderacheid; proefeed. to put to the —, op de proef atellen. — v. a. tactgen; op de proef stele), —able, a. bevoegd am te getuigen. Teettareou (tea-tee'sjue!, a. sehazi-, sehelp-. Teetnanene (tes'te-rnent ► . a. testament. —ary (-ment'e-rib), a. van (volgena) een testament. Testa Sc (tes'te,,t), a. eon testament nalatend. —lion (-tee'sjun), a. getnigents. —tar (-tee'tur), a. oritater. —trix (-tee'triks). a. mile/dater. Teat ed (teet'it), a. getoetat, beproefd. —er, a. ledekanthemel; kopstuk (halve sehelling). (41(1). a. teethe). Testi(' icatlon (tea-ttf-i-kee'ejun), a. betuiging,
inwikkelen; —cloak, wijde mantel; —paper, pakpapier. Wrath(raath'), roth), s. too - n, gramsehap. —fat, a. —fully, ad. toornig, vergramd. —fulness, a. g ► amstorlgheid. —lest, a. sonder gramaehap, be. daard. —y. a. Zie Wrathful. 'Wreak (risk'), s. wrack; drift, woede. —, v. a. (wreak) nitoefenen, koelen (on. upon). —Al, a. —fully, ad. wraakgierig; toornig. —lest, a. niet wraakzuchtig, zRehtinoedig. larreatte (riath), s. krane, vlecht, krnl. Wreath a (rieth'), v. a. vieehten, krullen, strengelen; om-, bekransen; v. n. in elkander gevloohten (gestrengeld) ztjn. —ed (riethd), —y, a gevlochten, gestrengeld; bekranst. Wreck (rek'), a. echipbreuk; verwoesting, ',girded; wrak, zeedrift; overblijfsel. to go to —, te gronde gaan. v. a. doen strandeu; te gronde riohten ; v. n. rchipbreuk lijden.; te gronde gaan. —age, s. aohipbreuk; wrak. —er, a. ;grandam!. Wren (ren), a. winterkoninkje. Wrench (renter), a. ruk; veroringing; veratuiking; schroevendraaier; voorwendsel. —, v. a. rukken; verweingen; verstaiken; (open) openrukken, openloopeu. —ing-sron, breekijser, Wrest (rest' ► , a. ont w ringing; geweid; atemhamer . —, v. a. ontwringen, afpersen; verdraaien; stemmen. —er, s. ontwringer; verdraaier. Wrest! • (reel), v. n. worstelen. —er, 5. worstelaar. —ing, a. worsteling; —place, worstelperk. Wretch (niter), s. ongelukklge, sukkel; ellendeling, sehoft; keret, vent. —ed, a. —edly, ad. ongelu,kkig, armzalig, ellendig, nietewaardig. —edness, a. armaligheid; verstehtelijkheid, nietewaardigheid. --less, a. Zie Reckless. Wriggle (rig'gli, a. bewegelijk, buigzaam. a. beweging. —, v. a. been en weer b.wegen; wringen; wrikken; v. n. slab heen en weer bewegen; wiggelen; kwiepelen. Wrtght (raft), a. werkman, maker. 'IN Mug (ring), a. wringing; foltering. Wring (ring') [wrung• (rang)], v. a. wringen; drukken, persen; kwellen, folteren; verdraaien; (from) ontwringen, afpereen; (off ) afdraaien; (but) ultwringen, ultpereen; v. n. slab wringen, — krommen. —bolt, wringbout. —stave, wringhevel. er, a. wringer. —ing, a. het wringen; pijn, tottering; —machine, wasohbank; —pole, wringij Wrinkle (rinfekl), a. rinapel, kreuk, —, v. a. rImpelen; krenken; oneffen — up the nose, den nous optrekken, v. n. Bich rimpelen; kreuken. Wrist (riot'), e. gewricht van de hand. —band, mouwboord. Writ (tit), a. gesehritt; aanklacht; sehriftelijk bevel. the holy —, de Beilige Sehrift. Writ• (raft') [wrote (root). written (rietn)], v. a. sehrijven; inprenten (in. on); (down) opsebrtiven, opteekenen; (off) afeehrtjven; (out) af., ovens:hityen; v. n. schrtiven; slob noemen; (for) boatellen- —r, a. sehriper. Writhe (rajth). v. a. wringen; veewringen; verdr/mien; v. n. etch wringen, ineen krimpen. Writing (rartieng), a. het sekrijven; gesehrift;
v. meal-trade; xi. Grutterkawisskol. -ach ,,baarkeid. venerableness, reverence. -admi- Gruwel, m. abomination, horrible (atrocious) bragger. raal, lord high-admiral. -Cele, bully; babbler. -Cork, ledger. -krengen, to bring deed. -en, on. ye. (van) zie G•uweu. & bw. horrible (-lily), horrid (-1y), enorrnotte up, to rear. -dadig, grand, magnincent, heroic, (-13 ,, shocking (-lyI, atrocious (-ly). -ijkheid, v. --handsel, magnificence, heroiceinese. --dedigheid, horribleness, horridness, enormity, atrocity. wholesele-tratie, -handelaae, wholesale dealer. -hartig. by. & low. high-minded, proud (-1y). Gruw ets, on. w. (van) to abhor, to hold in -hartigheid, higb-mindednese, pride. -het tog, abamivattou, -- abhorrence. --zaam, by. & bw. grand-duke. -herfoydroo. grand-dukedom. -her- hideous Hy!, atrocious (-1y). -zaamheid, v. hide(metiers., atrociousness. togelijk, grand-ducal. -kertogin, greed-duchess. - hoop., great headed fellow. - kruis, grand-cr... Gu.no, v. guano. -machtig„ mighty, powerful.--ntachtialteid,mighti- Gulch el ass, ov. & on. w. Zit Goothelen.-heil, o. anagellis. to exalt, to gierify. nests. --makers, to enlarg -making, mag,ni)ying,giorifying.-meester,grand - Gallic, v. ieetand de - ncsteken, to make months toaster. -rneesteree4ap, grand mitateri-hip. -moe- (wry faces) at a. o, m. blockhead; coward. -, v. mare that by. & bw. tier, grandmother. mons (-ly). -otordigheid, magnanimity. -ntogend, has never been with young. high-mighty. -moge,dheiti., htgh•mightmess. Galt, m. rogue, wag, urchin, scamp. -enetrsek, bottle-none , 1 psreon. ---oor, lung-eared --sneak roguish trick, piece of roguery. -arilperson, -.dere, grand-phrente. -spraak, bolet- fig, be. & bw. roguish (-ly), waggish(-ly).-aching, biu,ter; grandiloquence. -,:preken„ to talk tigheid, v. roguishness, waggishness. v.

Kan een quantumcomputer mijn Bitcoin


Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.
BEA.—'.)lilt. snavel vormig*; Beak (hick), a. swivel, nab. gebekt. Beaker (ble'kur), s. beker met tuft. Beam (biem), s.balk,boom, disaelboom; schacht; liehtstraal; hertahoren. —compasses,stangkompas, feathers, s!agpennen. — tree, hmgedoorn. — of an anchor, ankerstok. draw—, windas. —, v. n. stralen. —less, a. zonder stralen. —y, a. gehoornd; stralend. Bean (bien a. boon. french—, kidney—, snijboon. —caper, boonkapper. —cod, booneachil. —trefoil, booneboom, Bear (beer), s. beer. she — , berin, greater —, grants Beer. lesser — , kleine Beer. —baiting, berenjacht. —hind, heerwinde. —dog, bullehijter. —fly,beermot.—gorden,berentuin. —herd, —ward, berenleider. —'s breech, —'s foot, —'s wort, berenklanw, beerwortel. —'s-ear, herenoor (plant). Bear (beer) [bore, bare. born], v. a. bare.. Bear (beer) [bare, bare. borne (boorn)], v. a. dragen; omdragen; overbrengen; dulden; v. n. den; vistehtbaar zijn; zich gedrapen. —(away) wegdragen; behalen. (back) terugdrUven. (down) nederdrukken; beschamen. (off( ontvoeren; ofhouden; rotten van. "(on) aanzetten; rotten op. lout) nitateken (up) volhonden. lip against) het hoofd bieden ann. (with) dulden. --able, a. seedraatthaar. —company, gezelachap hoaden. — the charges, de kosten dragon. — hard, strong behandelen. — a part, deal hebben. —away, gabled voeren. —witness, getulgen. Beard (bierd), s, board; weerhaak. v. a. bij den board trekken; trotseeren. —ed, a. gebaard; met weerhaken. —less, A. baardeloos. Bear er (beer'ur), a. drawer, brenger; houder. —jog, s. dracht; ligging; gedrag, howling. Beast (bleat'), s. boost; § posed. —like, —ly, a. beestachtig. —liness, a. beestachtigheid. Beat (blot), s. slag; nachtronde. —, [heat. beaten, beat], a. a. slain, vershan; kloppen, afrossen; bonen; overtreffen; § overzeilen. (back) terugdrilven. (down) afslaan,verminderen; ned , rslaan. —the hoof, to voet germ. —the iron, het, ij,er sineden. —one's brains (oboist), zijne hersenen kwellen met. —, v. n, slaan, kloppen; wooden. —(about) been en weer slain; alingeren; peinzen (op against) het hoofd bieden aan. (up and down) he. en Weer waggelen. (op for) aanwerven. (upon) werken op; voortdurend spreken van. —er. s. klopper, stamper. ing, s, getrommel gek lop; to get (give) a sound —, duchtig klop krijgen (genes). Beatific (bi e-tirik), —al, a. —ally, ad. zaligmakend. —at%on (-et-i-fi-kee sjun), s. zaligmaking. Beatl fy (bi-etl-faj), V. R. zalig spreken. —tide 1-tjoed), s. gelukzaligheid. Beast (ho), s. pronker, fat. —ish, a. pronkeri ,,,,.., fatachtig. Beau team (biOeti - 11$0, R. —teously, ad. —tiful, a. — tifully, ad .fraai, schoon. —tifulness, s.schoonheld. —tify 1-faj), v. a. verfraaien, versieren. —ty (-tih), s. schoonheid, —ty-spot, sehoonheidsvlekje, moesje. Beaver (bie'vur), A. bever; kastoren hoed; vizier. Becalleo (bek-e-fl'kol, s. vijgeneter. Becalm (he-kaam'), v. a. stillest, tot bedaren brengen.
STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

Wat is de beste cryptogeld om te investeren in


Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.

c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.


ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.
Imperfect 'fame or Past Participle, Punt, I. & p. Puf , 1. to Quit, i. & p. p. Ran, Rang, i. Read, 1. & p. p. Rent„1. & p. p. Rld, 1. & p. p. Risen, p. p. Riven, p. p. Rode., 1. & p. Rose, 1. Rot, p. p. Rotten., p. p. Rove, i. Run, 1. & p. p. Rung, I. & p. Said, 1. & p. p. Sat,t. & p. p. Sate. i. & p. p. Saw, 1. Sewn, p. r. Seen, p. p. Sent,i. St p. p. Set, 1, & p, p. Shaken, p. p. Shapen„ p. p. n, p. p. p. p. Sim Shewo, u. p. Shod, I. & P.P. Shone, i. & p. p. Shook, i. Shore. I. Shorn, p. p. Shot, 1. p. p. Should, i. Shown, p. Shred, i. p. p. Shrift, F . r . Shriven., p. p. Shrove,t. Shrunk, 1. & P• P. p. p. Shut, i. & p. p. ti+latea, p. p. Slept, 1. & P. p.
Being a student on exchange really lets you explore new cultures from a completely different perspective. You will meet lots of other exchange students from all over the world, make local friends and by the end of your exchange you maybe even have a home away from home. Our students recommend to just make sure you go on exchange and enjoy it to the fullest. 
BAL,—BAR. (baol',;ur-desj), a. mengelmoes; wertaal. —, v. a. vervaleche, BaldrIck (baold'rik), a. gor lel; dierenriem. Bale (heel), a. beat; elle, de. —, v. a. in Wen darn; lout) uithozen. —ful, a. —fully, ad. droevig. Balk (bask), a. balk; braakgrond; telenratelling. —, v. a. teleuratellen (of). —cr, s. teleursteller; haringaan wijzer. Ball (baol), s. bal, bol. 'cage':; danspartij. Ballad (bel'led), a. ballade. —singer, liedjeszanger. Ballast (bellest), a. ballast. —, v. a. ballaaten. —shot, a. scheef geballast. Ballet lbel'lit (, s. ballet , danaspel. Balloon (bel-loen"), s. bol, luchtbol. Ballot (bel'lut), a. stemballetje; geheime stemming. —, a. n. balloteeren. —ation, (-tee'ejun), a. stemming met balletjes. Balm (beam.), a. balaem; citroenkruid. —, v. a. balsemen; verzaehten. —y, a. bfilneMaChtig. Balsam (baol'sem), a. leniging, troost. —ic, —ical (-sem'ikl), a. balsamiek. —ine (-min), balsamine. Baluster (bel'us-tor), a. atijltje. Balustrade 0,0'ns-treed), a. leuninghek, Bamboo (bem-boe'), a. bamboesriet. Bamboozle (bem-boe'zlI, v. a. bedotten. Ban (ben), a. huwelijksafkondiging; ban. —, v. a, vervloeken„ in den ban daen. Banane (be nee'ne), a. pisangboom. Band (bend), a. bet; band, lint; bende, troeP; plat deketuk. —, v. a. verbinden, vereenigen. —age Ibend'idsj), a. verband. —box, lintdoos, hoededoos. —dog, a. kettinghond. Bandit (ben'dlt), a. bandiet. Bandiet (bend-lit), a. bandje; amulet. Bam:og (ben'dog), a. kettinghond. Bandoleer (ben-do-Tier'), s. bandelier, patroonteach. Bamiroll (bend-roof), a. vaantje, wimpel. Bandy (ben'dih), a. kolfstok. — a. g,ekromd. —leg, krombeen. —legged, krombeen ig. —, v. a. over en weer alms; wiaselen; v. a. wedijveren. Bane (been'(, a. verderf; vergift. v. a. vergifOgee. —ful, a. vergiftig; verderfelijk. fulness a. verderfelijkheid. —wort (-wart), a. nachtsehade. Bang (beng), a. klap, slag. —, v. a.. Mean, atompen; § overtreffen. Bangle (ben'gl(, v. a. (away) verspillen, yeakw isten. Banian (benlen), a. indische ochtendjapon; indieche vijgeboom. Banish (ben'iaj), v. a. verbannen. —er, a. verbanner. —meat, a. verbanning. Bank (beak'), a. never, dam; sandbank; rroeibank; apeelbank; wiseelbank. —, v. a. indarnmen; v. n. bankzaken drijven. § —able, a. gangbear (van banknoten). —er, a. bankler; 4 vieschersvaartuig. —bill, —note, banknoot. —rupt, a. bankroetier; a. bankroet. —ruptcy (-rup-sih), a. bankroet. Banner (ben'nur), s. banter, vaan. —et (-it), a. vaantje; baanderheer. —ol a. vaantje; wimpel. Bannock (ben'nuk), a. haverkoek. Balderdagh
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Zijn Bitcoins legaal in Australie


AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]
W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster. 

Hoe kan ik XRP met GBP kopen


Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.

Wat zijn de nadelen van Bitcoin


Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.
Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed.
Sapp., (sep'pur), a. sapoeur. Sapphire (Bef'tir). a. Baffler. P., Sapp Incas (sep'pi-ness), a. sappigheid. sappig. Sarcas m (saar'kezinl, s. bijtende spot. — tie, — tical, a. — tically, ad. (ser-kes`tik-), schair.per, bbtend. Sareenct (saars'n1t), a. tat. Sarelle (saar"k1), v. a. wtedcn. Sareoo eele (saar . ko-BieU. a. vleescb-, zakbreuk. — logy se, k(Wad - ,jih , , s. leer van de vleezige den(,,,r-ko'me), s• vleezig nit ten de, licbaama. was. — phagoos leer - kore gun), a. visesche:end. — phagus (tier - kOre - gun , , B. sarcophaag. S'ard an (saaridec), — ins i.dajn), a. sardOn (vi,ch). — ius,s. sardijn (nctelgesteente). — onic — ins Iser - don'ik), e.. sardonisch, gemaakt, grijnzend. — oLyx ( - dt+ - rliks), B. sardonyx. Stark Isaark , , n. he ► d. Sarment oar (saar.trien-toos'),—ous (ser-=ent , en), a. rankig. Sarp cloth (tiaarp'kloth), a. paklinnen. — tar s. halve heal (wol). —tier ( -1 i -1., ), a. pak lineen. a. valbek, Naldeur. Sarrasine a. marsapsril. Sitrsapartita v. a. zilten. fljne s. sjerp, gordel; schnlfmain. — bolt, Ma.h
Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc
cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.

—0U8hCSti, a. cngte, gebrek ahU ritimte. —late laaaalla finny (ku-di-re bii'it•tihl, n. na v (-pea'i-teat), v. a. onbekwaam lijkheid. —ble a. onvriendelijk, atug, krachteloos maken, (for, to). —ty ongezeilig. a. onbekwaamheid. Itualrectntion (in-ef-fek-tee'sjun), s. ongekun- steldheid, ongedwongenheid. incarcera te (in-kaar'sur-eet), v. a. gevangen inallena his (in-eerjen-ibl), a. --bly, ad. onver- zetten. —lion (-ee'sjun), a. gevaugeuzetting. vreemdbaar. —bleness, a. onvervreemdbaarheid. Incarn (in-kaarn'), v. a. met vleesch bedekken; v. n. vleesch zetten. —adine (-e-din), a. vleeschInaliceental (in-el-t-men'tei), a. niet voedzaam. kleurig. —ate (-ct), a. met vleesch nekleed, vleesch lnamissible (in-e-mis'aibl), a. onverliesbaar. geworden.. —ate (-eat), a. a. met vleesch bekleeinamorata (in-em ur-ree'to), a. minnaar. den. —ation (-ker-nee'ejun), a. vleeschzetting; s.ledige ruimte. inane (in-een'), a. ledig, ijl. Inanl wale (in-en'i•met), a. levenloos, onbe- vleesch-, menschwording; vlieschkleur. —alive (-e-tiv), a. vleeschmakend. zield. —lion (-c-nisj'un), s. ledigheid; krachte- Incase (in-kees'), v. a. in een' koker aluiten; looeheid. —ty, a. ledigheid; ijdetheid. inappeten ce (in-ep'pe-tens), —cy, a. gebrek bedekken, inwikkelen. Incastell ated (in-kes'til-leet•id), a. (als) in aan eetlust. inapplica hie( in-ap'pli-kibl), a. ontoepaaae- een kasteel opgesloten. —ed, a. ingemetseld; onbruikbaar. —bility (-ke-bil'ittitt), a. ontoe- hoevig (van paarden). paerelWtheid. —lion (•kee'sjun), s. nalatigheid, Incatenaticn (in-ket-e-nee'sjun), a.aaneenschabelong. teraagheid. Inapposite (in-ep'pozit), a. ongepast, onvoeg- Incautious (en-kao'sjus), a. —ly, ad. onvoorziebtig (of). —now, h. onvoorziehugheid. VIIIIII, ondienstig. Inappreciable (in-ep-pri'sj-ibl), a. onachatbaar. IncnaratIou (in-ke-vee'sjun), a. uitholling. Inapprehens lisle (in-ep-pri-hen'sibl), a. on Incendiary (in-sen'di-e-rih), a. brandstichtend; opruiend; oproerig. verstaanbaar. —ire, a. onoplettend (of). s. brandstichter; stokeInappropriate (in-ep-pro'pri-et), a. ongepast. brand. Inaptitude (in-ep'ti-Hoed), a. ongeschiktheid. Incense (inisens), a, wierook. v. a. beInarable (in-er'ibl), a. onbepAoegbaar. wierooken. Inarch (in-aartsj'), v. a. at,igen, enter. Incens e (in-sent'), v. a. warren, verbitteren. —orient, a. toorn, woede, verbitteriUg. --ion Inarticula te (in•er-tik'joe-let), a. onduidelijk. a. aanateking; ontbranding. —ive, a. onveretaanbaar. —tote., —lion (-lee'sjuu),s. en- sarrend; opruiend. —or, a. stokel'rand. —asp, a. duidelij kheid. wierookvat. Inartllicial tin-anr.ti•tb,j'el), a. .—ly, ad. kun- Incentive (in-sen'tiv), a. aonaporend, aanvustelooe, ongekunsteld. rend (to). —, a. prikkel, spoorslag; drtjtveer. Inasmuch, (Zia Insomuch.) Inattention (in-et-ten'ajun), a. onopletteadheid. incept ion (in-sep'sjun), a. aanvang, begin. —ive, a. —ively, ad. onoplettend. —ive, R. beginnend. —or. a. beginner, Inaudi ble (in-aow'dibt), a. —tly, ad. onhoor- InceratIon (in-se-ree'sje.n), a. bedekking met was; weekmaking. boar. Inaugura I (in-aow'gjoe-rel), —tory (-re-tur-rih), Incertitude (in-sueti-tjoed), a. onzekerheid. a. inwijdings-. —te i - reet), v. a. inwijden. —tion Incrssan cy (in-kses'een-sih), a. aanhoudendheid. —t, a. —tly, ad. onophoudelijk. (-ree'sjun), a. inwijding. lnauration (in-aow-ree'sjun), s. vergulding. Incest (in'sest), a. bloedschande. --nous, a. Inauspicious (in-aow-spispe.10, a. —ly, ad. on- —uously, ad. (-sest'joe-us.), bloedschendig. gunetig, onheilspellend. Inch (intsj), a. duim (meat); kleinigheid. at an—, a. aanhanging, onafechei- op een hear. not an —, Keen aaaje. every —, geInbeing heel en al. — by —, by —a, aura voor voet, bangdelijkheid. In born (in'born), a. aangeboren, ingeschapen zamerhaud, van lieverlede; apaarzaa-m. —meat, atuk van een' duim lang; by —, atlenga. —. v. a. (with). —breathed (briettfld'), a. ingeblazen, inNe. (out) bij duimen meted; karig toemeten. —, v. n. ademd. —bred, a. inlandsch; aangeboren. Incase (in-keedzy), v. a. in eene boot aluiten; langzaam vorderen (wijken). InchastIty (in - tsjeetit - tih), a. onkuischheid. opsluiten. —meat, a. opslulting. Ida kniculable (in-kel'kjoe-libl), a. onbereken- incised (intejd), a. duimen bevatton , i. lnchoat e (in'ko-et), a. —ely, ad. aangevangen. bear. Incaleseenee (in-ke-lea'scns), a. warinwording. —ion (-ee'sjun), a. begin, aanvang. —ice (.1to'eIncandesces' ce (in.ken-des'isens). a. gloeibitte. tiv), a. aanvaugend. Inelden ce (in'sf-dens), s. toeval; inval (van de —t, a. gloeiend. Incur-Atact Ion (in , ken-tee'sjun), s. betoovering; cane lijn op de andere). —t, a. toevallig; btikotooverspreuk, -formulier. —cry, (-lien'te-tur-rih),1 mend; elgen (to). —t, a. voorval; bijkomend Kea. betooverend. val. —tat, a. —tally, ad. (-dent'cl-), toevallig; Incanton (in-ken'tn), v. a. tot eon kantou vor-1 btjkomend. men. 'llucluera te (in-sin'ur-eet), v. a. tot ascii verHint:apt% ble (in-kee'pi!,1). a. onbekwaam (of). branden. —lion (-ee'ajun), a. verbranding tot —tleneea, a. onbekwaam- Recs. —bility heid. Incipient (in-sip'i-ent), a. beginnend. Incapacl ous (in.ke-pee'sjos), a. eng. niet ruin, incIrcumscrIptible (in•sur-kum-ekript'ibl), a,
465 Glerst, v. millet. —koorte, millary fever. —korrel, m. guesser. —leg, v. guessing, conjecture; estimatron. millet-corn. Gict, v. yeast. —achtig, by. yeasty, yeast-like. Gletel.ing, m. black-bird. Glet en, ay. w. to pour, to shed; to water; to en, on. w. to ferment, to rise, to as ork. —ing, v. fermentation. it pours. het regent dat het giet, coat, to found. —meter. bucket, pail. —Alas, foundery. —kunat, Glateren, by. yesterday. — avood, laA night. foundery. —lepet. casting-ladle. —trecater, cast- Git, v. & 0. jet. — zwart, jet-blank, jetty. ing-funnel. —vat, ewer, watering-pot. —vrrm, Gitsehr, v. guitar. casting-mould, proplasm. —er, rn, pourer; found- Gittesorn, v. Zie Guttegona. er; watering-pot, watering-scoop. —era', v. found- Witten, bv. Jetty. ery. —ing, v. pouring, watering; casting, found- Gliatataiss, a. little gluts. het — lichtert, to tope. under ten zitten, to crack a bottle. — op den lug. —set, o. cast. valreep, parting-cup. Calf, o. Zie Gift. Glad, by. smooth, bright, polished, sleek; olipGift, v. gift, present, deflation. poisoned pesy; plain; cunning, sly. eerie —de tang, a flipGift, o. poison, venom, bane. — baker, cup. —meager, poisoner. —werend, Antidotal. —kg., pant tongue. een —de atjl, a smooth (fluent) by. poisonous, venomous, deleterious; slender- style. —bek, beardless youth; false jewel, 'mitaing. tion-stone. —boenert, to scour bright. —makes, to smooth, to polish. —stager, hammerer. —skiGU, vnw. thou, you. ye . —lieden. you, ye. bw. entirely, totally, cornlii,jbelen, on. w. to snicker, to titter. pen, to polish. afaaan, to give a flat refusal. pletely. iets ea Uk, v. Zie filek. GUI. o. 'wort. —bier, beer in the cooler. —kuip, —dighsid, v. —held, v. smoothness, hrightnete; cooler. —en, on. w. to ferment, to work; to be slipperiness; cunning, slyness, —meg, bw. Zie Meld. greatly desirous (of). —big, v. fermentation, GAnns, m. lustre, splendor, radiance, brilliancy; moderate desire. Lrightness; gloss. —steer, polisher. be. taljn, o. tackle. —balk, cackle-beam. —tour°, bran. respieneent, radiant, brilliant; glorious; bright. ti tip, v. ehiverinr. —en, on. w. to gasp; to shiv,r. —rtjkheid, v. reeplendency, radiance, brilliancy; GU eel ans., In. hostage. —en, ov. w. to imprison gloriousness; brightness. (for debt). —brief, warrant (or arresting a debtor. —korner, prison for debtors, spunging-house, Glenz en, ov„ w. to polish, to calender, to set a gloss upon; ou. w. to shine, to sparkle. —er, —recht, right of imprisoning for debt. —ing, v. m. glosser; polisher. —ig, be. glossy. —igheid, imprisonment for debt)- v. glossiness. ti II, m. shriek, esrearn, yell, sharp cry. Gild, Glide, o. euild.:corporation. —oe, very fat Gloss, o. glass; window-pane; hour-glass, hair an ox. —et'ier, beer of a guild. —ebode, —eknecht, hour. — blazes, to blow glass. —bluzen, glassmaking, glas-blowing. —blazer, glass-maker. beadle (messenger) of a guild. —eboek, register glass-blower. —bfezerv, glass-house s glass-works. (rolls of a guild —ebrief, bill of incorporation, charter. —eOroeder, freeman (member) of a guild. —gal, glass-gall, sandiver. —gordvn, window-chute; —ekaster, hall of a gelid. —emeester, curtain. —hamlet, glass-trade. — huts, glass-house. piaster (foreman, deacon) of a corporation. —e• —koraal, glees-bead.. —kruid, pellitory. —cog, penning, medal of a guild. —erecht, rights (laws) glass-eye; wall-eyed horse. —oven, glass-furnace. of a guild; risht of being incorporated. —roam, glass-window. —ruit, pane. —scherf, shiver of clam —schilder, painter upon (0111 an, ov. w, to saw slanting, obliquely; on. w. to shriek, to ecream, to yell. —er, m screatn- —schuint, frit. —1 7 ijper, glass-grinder. —sntider, —vocht, vitreous humor (of the eye). V. shrieking, screaming. —inghout, glass-cutter. or. — lag, —week, glass • work, glass-wares. —minket, g lasso. timber sawed obliquely. Gludotr, Glade, by. yon, yonder. glide en weer, shop. —achtig, by. vitreous, glassy. . Glnsebarzout, o. Glaubefe-salt; sulphate of to and fro; for a moment. GIndech, yon, yonder. GInnesinp pen, on. w. to titter, to chuckle, to Ginien, be. glass, of glass. —deur, glass-door. —kas, cupboard with glass-doors. —maker, glazier. giggle. --per, in. —ater, v. giggler. —apuit, squirt to clean the window-panes with. G issislikers., on. w. to neigh; to sneer, to rin. Gips, o. gypsum, psrget, plaster. —afgieteel, Glazig, by. glassy. —held, v. glassiness. plaster-east. —beeld, figure of target-atone. Glatzunr, o. glazing; enamel. —brander, plaster-maker. —brandevij, —oven, Girls, by. glazed, varnished. —were, glazed wares. plaster-kiln. —gieter, plaster-caster. —kalk, par- Giant", y. groove; furrow, ravine• get-lime, plaster. —norm, plaster-mould. —werb, Glibber en, on. w. to slide, to slip. —ig, slipperiness, slippery. planter-work, stucco. —werker, plasterer. —act:. bv. of piaster. —en, on, Gild, o. —kruid, yarrow, milfoll. tip, be. gypseoue. w. to do over with gypsum, to plaster, to corer GIU den, on. w. to glide, to slide. —bean, slide. GitutRech, m. smile. —en, on. w. to smile. with plaster. GIs, v. guess, conjecture. bij de —, by guess, Gitlin wens, m. w. to glimmer, to glow, to gleam. —hout, touch-wood. —norm, glow-worm. guessingly, at random. Glap en, ov. w. to blame, to reprove. —er, tn. —mend, by. glowing, shining, bright. Glimmer, m, glimmer, mica. —aarde, micaceous blamer, reprover. —ing, v. reproof. GIBB en, Os. & on. to guess, to conjecture. —er, earth, mica.
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

cryptogeld nieuws 247


Sebacions (se-bee'sjust, a, talk-. Secant (ei(kent), a. snijdend. —, a. ani,j11jM. Secede (se-Bird"), v. n. sich terugtrekken, — afechfecien from). — r, a. afeeseheidene. Severn (se-torn';, v. a. atscheiden. — meat, • s. afacheiding; afecheidend naiddel. Seceeelon lee-eeerun), a, afecheiding; scheuring; verwijdering. Seca. de (se-deed'), v. a. afzonderen; uitelutten. — Ilion (-k loe'zjun), s. afzondering; Second (seleund), a. tweede; ander; geringer, u bet audere jaar, — hand, haltevery — year, urn aleten; Mt de tweede band. — rnorning,1Whte rouw. —rate. van den tweeden rang. —sight,

BE ti itehoor en, on w. to be fit (proper, suitable), to behoove, ought ; to he required (necessary), to belong (to). —c-n, o. rear —, fitly, properly. hr. & bw. fit (Ay), proper i-ly), becomlne ( ly), due; duly, —liikheid, v. fitnest, properness, becomingness, convenience. o. prone, nation, conservation: safety; coneervatltm —*man, cowervative. —en. or, w. to seep, to hold, to retein; to preserve, to saYe. —enis, y. preservation, safety. calby. note. —en, nation. —ens, vs save, yotvinc —er, m. preserver, never. —ing, T. preservation, eonservat ion; saving. Betionewen, or. w. to hew, to equate, to trim. fileh,Md, by. rod with weeping, wet with tears, Beficifsel, be. lodged. Behtstre, o. shift, expedient. met — ran, with the sit (help) of, by measie of —.am, by. helpful, ready to help, officious, tie behulpiame hand bieden, to 8,8 , st, to nueenr to lend a helping hand. —teemheid, v. helpfulness, readiness to help. Bellintwd, dw got by marriage. —breeder, brother-in-law. —dochter, daughter-te —moeder, mother-in law. —rade, tether-in-law. —soon, sou-in-4 , .- —raster, lerheawelUken, Beituvern, on. w. to get by marriage, Beide, by. & tw. both. te(f —. both of no. eon ran --, either, peen ran —, neither. Belden, oy. w. to terry, to etey; on. w.to wait for. fielder banda, bv. —lei, bv. 0f both cert. Btfer ear, m. chimer. —en, on. w. to chime, to BoUver her, m, zealot; industrious man. eich --en, t. w. to endeavor, to strive, —ing, Y. endeavoring, zeal, close eppl,cation. Beljnelen, ov. wo to cover with boar frost. Bette', In, chisel. —work, chisel-work, corned work. —en, ov. w. to chisel. BeJaard, by. aged. stricken in years. —heid, v.

gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

cryptogeld nieuws 247


Netherlands (neth'ar-lendz), g.the —, de Nederlanden. New eastle (njoe-kaael), g. Newcastle. —foundland (Worland-lend, -faaund%), g. Newfoundland. —Orleans (-ar'llenz), g. Nieuw-Orleans. —stead (njoe'uted), g. Newstead. —ton (njoe'tn),m. Newton. —York (-jork'), g. Nieuw-York Niagara (naj.eee-re), g. the —, dl Niagara. Nicholas (nik'o-les),m. Nicalass„ NIk (nik), f. your Nicholas; Klass, N 'ger (n^)'gur),g. the —, de Niger. Nigriti g. Nigritie. Nile (ILI g. the —, de Nijl. Ninoveh g. Nineve. Noah (ncee),m.Noacti. Noll (no1)1,f.voor Arnold; Nol. Nomodes (1301We-die.), i. Nomaden. Norfolk (nar'fak),g. Norfolk. Nurntatt (noemen), a. Noorsch; i. NOOCIZAZI. dy, g. Normandii , . or way (nor-wile), g. Noorwegen. —teegion (.wi'dzji-en), a. Noorweegsch; 1. Noorweger, Noon —soieh g. Norwich. Nulhla (njoe'bi e), g. Nubie. —n, a. NuMeeh; L. Nubier. Numldla (niot-rnid'i•e), g. Numidie. --n, a. Nunoldisch; t. Numidier. Ni' nip (nump), f. voor Humphrey. Nyckin (nik'in), voor Isaacs.
MEI) —MEI. 531 Medewandelon, on. w. to walk along with, to —schuim, Turkish slay. —spin, sea-spider. —visch, accompany. fish living in lakes. —worts!, sea-holly, --etejin, Medevreek en, on. w. to cooperate, to concur, sea-hog. to contribute. —end, by. cooperative. —or, m. Meerboet, v. mooring-buoy. cooperator, contributor. —kg, v. cooperation, Meerder, be. more, superior. —jarig, of age; — concurrence. warden, to come to age; —verklaring, emancipaMedeivet en, o. privity, consciousness ; condor tion. —jarigheid, majority, full age. —e, m. & v. aijn witkout his knowledge, unknown to better, superior. —en, ov. & on. w. to augment, htm. —mishap, v. privity, joint knowledge. to increase. —held, v. plurality; superiority. —leg, —er, en. one that is privy to a thing, knower, v. increasing. colluder. Meerendeel, o greater part, most part. —4, MedewIllten, on. w. to be willing to go along bw. for the greater (moat) part. with; to prove kind, to favor. Meerle, v. blackbird. Medezenden, ov. w. to bend along with, to *tree peal, m. mooring pile, bollard. —tower, enclose. mooring-rope, headfaet. MedezIngen, ov. & on. w. to sin; with, to join Meee, v. titmouse. voices, to join in a song. Meesmoll en, on. w. to smile, to sneer; to Mediation, by. median, middling. o. middlepout. —er, m. —ater. v. smaller, sneerer. sized paper. —ader, blank vein. —letter, pica. Meast, by. & bw. most ; greates.. —bisdende, —papier, median-paper; (groot) medium, (Mein) highest bidder. —al, bw. moot often, moot times, demy. almost always, mostly, generally. —eedeele, bw. Medlekin, v. medicine, physic. —drank, potion. for the greeter part. —entjids, bw. Pie .fteetat—kW, medicine-chest. —muter, physician. nt. Medletnerren, on. w. to take medicines, to Meeoter, m. master; owner; teacher. ribs -- tin • physic. den, to find one match. etch — make!► van, to MedIseb, be. medicinal, medical. make one 'a self mister of. — worden, to mater, Mee, v. Sic Made. —aloof, garancine-manufac- to get the mastery over, —hand, rooster-hand, tory. —, by. & vs. Pie Made. skilful hand. —kneclit, foreman, bead-journeyman, Meedoogvn d, be, compassionate. —dheid, v. —stuk, meater-piece. —worts!, master-wort —achtig, by. & bw. mnsterly, imperioua (-Iy), magiscompassionateness. —loos, by. pitiless, incom passionate, terial (-Iy). —achtigheid, v. ma:iterlinees; imperiMeegannd, by. compassionate, indulgent. —held, ouenesi, commanding tone. —en,ov, w. to masv. compassionateness. ter, to subdue; to treat; on. w. to cure (to dress) inaekrap, v. madder. wonuds, to play the surgeon. —en, v. mietrees. Meet, o. meal, float. —bale, meal-trough. —bloem, —/(ht, by. & bw. masterly. —1(ikheid, masterHoe., —Zoos, by. masterle s. —schap, v. floor; wild vine. —boom, meal-tree. —buil, bolter. o. master—gevend, farinaceous. --kaik, powder-lime. ship, mastery; freedom. meal-ehest. meal-cake. —kooper, flour- Meet, v. mark, line. ran — arm, from the chandler, meal man. — pap, thick milk, mealbeginning, anew. —bear, by. measurable —hoar • porridge. --eglje, spoon-meat. —slot, meal-dust. held, v. measurableness. m. bill of tun—suiker, powder-sugar. —fon, meal-tub, -cask. nage. —yea, o. metage, m surveyor's —tray, kneading-trough. — worm, mite. --sok, chain. —kunde, —.kunst, v. geometry. —kundig, —kunstig, by. & bw. geometrical (-iy). —kundige, meal-bag. — reef, meal-eive. —achtig, by. mealy, m. & v. geometrician. v. —saver, o. plumbfarinsceoue. line. —loud, o. plummet. —loon, o. money paid Meeloceper, m. Pie Meevaller. for measuring. —roede, v. —stow, m. measuringitf nen en, ov. w. to mean, to think, to believe. to opine ; to intend, to porpose; het good met rod, surveyor's staff. —ster, v. measurer, —tafellje, iemand —, to wish a. o. well. — Ing, v. meaning; o. surveying-board. Meettew, v, mew, gull. opinion; intention, mind. Meepeatee, m. complier, man that has never an Meevalle•, m. —ije, o. tiod-send, windfall. opinion of his own. Macewnrig, kv. & bw. compassionate, tenderMeepich, be. weak, sickly, won. --hed, v. weak- hearted. —heid, v. compaseionateness, compasoion, tender-heartedners. nese, sickiteens , wannees, Meer, be. & bw. more; better (then) niet —, no Mel, m. Bae• May-branch, green bough. —avond, May-eve. — toes, May-flower. —boom. May-pole. more, no longer. te the more rio. den te no much the more. hoe —, the more. hoe longer —baler, May-butte• —4ag, May-day —doom, hoe —.more and more. mat — is, nay, more-over. hawthorn. —drank, May drink. —hoot, wood cut in the month of May. —kers, May-cherry. —hover, —gemeld,—genomnd, above-mentioned. said, aforesaid. — malen, bw. more than once, often, May -hug.— *wand, m onth of May. —merges, Maymorn;ng. —jerk, alay-braneh, — ON. May-time. frequently. —stachtig, heterogeneous, —slacktigheid, heterogeneity. —road, plural. —voudig, Meld, v. girl. !ass; (maid-) servant. —ettkanisr, plural. maid-servants' room. Meer. o. lake. —ual, conger. —kat, baboon, Meter, na. mayor, sheriff; farmer. —0, vimanor; marmoset. —koet, coot, moorhen. —kol, jay, farming- tract, jack-dnw. —krab, sea-srab. —Inas, merman, Melneed, M. perjury. —ig, by perjured, fortriton. -.min, mermaid. —racks, horse-radish. sworn, perfidious; bw. with perjury, perfidiously
zieh. rir,hten. —er, a. aankleeder; kapper; bereider; aFrichter; keukentafel. —ing, a. aankleeden; toebereiding; verband; —box, kapdoos; —glass, toiletspiegel; —gown, kamerjapon; —room, kleedkamer; —table, kaptafel. —y, a. opzichtig gekleed. Dribble (drib'131), v. n. afdruppelen; kwijnen. —t, a. kleine soul; kladachuld. Drier (draj'ur), a. oparogend Drift (drift'), a. aandrift; ophooping; stream, geweld; atrekking. — of ice, drijfijs. — of sand, bewegend zand. — of snow, sneeuwstor ►n. —wind, stormwind. —wood, drijfhout. —, v. a & n. ophoopen, bijeendrijven. Drill (drill, a. drilboor; voor; greppel, beekje; exereitie; aap. v. a. boren; voortaleepen; aftappen; zaaien (met eon' zaaiploee); dril len; voor den gek houden; v. n. zacht vioeten. —bow, drilboog. —box, zaadstrooier. —plough, zaaiptoeg. Drink (drink'). a. drank. —money, drinkgeld. —offering, drankoffer. Drink (drink') [drank. drunk], v. a. & n. drinken; zuipen; (away. down) weedrinken (verdriet). (in) inzuigen. (off. up) opdrinken. —able, a. drinkbear. —er, s drinker. Drinking (drinkleng), a. (het) drinken; dronkenachap. —bout, —match, drinkpartij. —cup, drinkbeker. —glass, drinkglam. —gossip, drinkdrinklied ster. —horn, driukhoren. Drip (drip'), v. a. bedruppelen; v. n. druipen. —ping, a. braadvet. —ping-pan, braadpan. —pingstone, leksteen. Drive (draj,), s. rit; rijtoertje. Drive (draje), [drove (droov). driven (driv'n)_l, v. a. voortdrijven; rijden, mennen; noodzeken; errv °Igen- (away) wegdrOven. (back) terugdrijven. (in. into) indrijven in. (off) afdrijven; uitatrllen. (on) voortdrijven. (out) uitdrijven. (to) drijven naar; aanzetten tot. —, v. n„ drijven; rijden; beoogen. (against) zich richten naar. (at) van zinc zfin; in het achild voeten. (on) voortsnellen; eprijden. (up) voorrijden. —r, s. Edrijver; voer man; § slavenopzichter. Drivel (driv'v1).... never, kwijl. —, v. n. zabberen, kwijnen. —ler, s, kwijlbaard; dwaaa. Drizsl e (driVz1), s. stofregen. —e, v. a. in fijne droppels doen vallen; v. n. motteren, stofregenen. —y, a. motterig. a. grapDroll (drool'), a. snaaksch, kluchtig. v, n. grappen Timken, penmaker; klucht. schertsen (upon, over). —ery, a. boerterij, seakerij. Dromedary (drum'e-de rih), a. dromedaria. Dross e (droon'), a. hommel; luiaard; gegona. —e, v. n. gonzen; luieren. —ish, a. traag, vadzig. Droop (droop), v. n. nederbangen, kwijnen; bezw ij men. Drop (drop'), a. droppel; oorbel. —serene, zwarte steer. —stone, druipsteen. —, v. a. laten droppelen; beeprenkelen; laten varen; laten vallen. to — anchor, het anker laten vallen. (in) indroppelen. v. n. druipen; calico; vergaan; ophouden; verdwijnen. (in) binnen snellen. (off) vallen; zijn' post verliezen; verminderen; titeryen; etil heengaan. —let (-lit), a. droppeltje. —ping, a. afdruipsel; val. —pingly, ad. in droppelt, -8, a. droppels (artsenW; tabletjes.
tlkarnulit, m. comrade, companion. Koroester. v. Dutch oyster. Korporned, tn. coeuoreti. Korpo, o. corps, 'oody. Koree., v. oyster-net. Korrel, v. grain. —en, or. & on. W. to break into grains, to granulate. —ig, by. grainy, granAar. K orren, ov. w. to halo (for oysters) with a dragnet; on 'a. to coo. Koraet, o. pols of stays. corset. K.ornt, v. crust, —achtig, be. ornety. —en, on. W. to cruet, to gather a crust. —ig, by. crusty. —igheed, be, cruetiness. Kart, be'. & bw. short (-Iy), brief (-Iy); tender. — begrip, rbridgmeut, compendium. —s inkaude eummory, epitome. in het —, shortly. in —, warden, in a few words. Cnnen —, shortly. — en toed, in short, ha brief, to be short. em to goon, to be (to cut) short, to be brief. — en bandit, snip-snap. — ran stof, of few words, pert, irritable. to wanting. te komen NJ, to fall (to CO•ne) fi'.0yt of, to fail in, to be a loner by. — en kl , in slaan„ to beat into a jelly, to make root- and brariert-work, —ademig, short-breathed, -winded, aettonatic. —ademigheid, shortness of breath, short-windedneee. asthma. —bondig, b7. & bw. brief (-.13O, concise (-)y), laconic (•ally). —jan, sword. knife, cutlass. —nagelen, to cut (to pare) the nails of. —our, crop-ear. —cores, to crop the ears of. —siaart, bob-tail, curtail•dok, -horse, docked Horse. —staarten, to curtail., to dock. —voer. strong (spirituous) liquors. —wieken, to clip the wings of. —ziebt, short date. —*hag, near-1**We,', short-sighted, purblind; narrow. —zichtigheid, short-aightedneee, myopy. —aehtig, by. rather short. —of, bw. flatly, plainly, abruptly, in a few words. Kortio e, v. brokerage. Kerrie gaited, v. watch .house. --lad, v. cutlaas. Kori1,11 Uk, bw. shortly, briefly. m. small stick (need as fuel). —loge, bw, lately, not long ego. Korien, on. & on. w. to shorten; to clip, to crop; to pant; to abate, to deduct. Korelield, v. shortness, brevity; tenderness. — &halve, bw. for briefuese' sake, for the sake of b. erity. tiortUd, ru„ oyster-season, Knortiog, v. deduction, abatement, allowance, discount. K02101/4 bw. in short, in a word. Koriewekji, v. pastime, fun, jest, sport. —en, on. w. to fan, to jest, to snort. —ig, bv. funny, facetioue, sportive. —igheid, v. funniness, facetiousneon. sport leeriest. ov. W. to put into a basket (hamper). leor O. coroat. Karsoe:„ be. & bw. fretful (-1y). poenish (-ly), haty (-iiy). —hoofd, peevish (hasty) person. —hoofdig, zie 1Roraert. —hoofdigteeid, zie Korr eithelel.—heist, v. pee vishnese, hastiness, touchiness. —ig, be. Zie Kea tier. Kissistelts. en. dewlap. K'ee'i, tn. food, 'victuale, meat; board; livelihood, aubsleterte; cost, expense. in den —

PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.
vaamhout. —, v. a. aan hempen (stapels) zetten; standdeelen; meeldraden. (up) opetapelen. Stammer (stem'mur), v. n. stamelen. —er, stamelaer. —ing, a. gestamel. —ing, a. —ingty, ad stamelenl. scheft, hecht; spert; (Nig; knots; strophe; notes- Stomp (teeny'), s. etempel, mere; eegel; ofdruk, balk; steno. —officer, stafaticier. —snake, etch- plant, prent; snort, slag; gezag stamp (met den slang. —tree, rijowitg. —wood. dulghout. voet). —colter, etempelsutider. —duty, zegetrecht. v. a. etampen; etempeStore (stee), s. herb. —beetle, vliegend herb.. — snit, —office, zegelkantoor. mondklem (bij peerdee). —'s-lorn-tr,:e,itert.ho- len, zegelen; ijken; munten; v. D. stampen.—er, renbochn. a. stamper; sternnelaar. zegelaar. Stage (steedzr)„ s. Etellege; tooneel,sehouwplitats; Stanch (staanten, a. hecht, sleek, goat; vast; pleisterplaitts, station; greed. —box, echouwburge. standvastig; opreeht. —, v. a. stelpen; stremmen; loge. —coach, postkoetn, thlieenee. —driver, pus. v. n. stilstean, ophouden. —er, stepper. —less, tiljon. —pigeon, postduif. —play, tooneelspel, a. niet to otelpen. —nos, s. hechttreid, etevie-player, tooneeispeler. held; vastheid. riter,tooneelecb riper. —r, s. tooneelapeler; nude von. Stanchion (sten'ejun), s. abut, echo°, Staggord (steg'gnrd),s. vierjarig hert. Stand (stencil, a. stand, plante, etandplaate: post; Stagger (steg'kur), v. a. & r. (darn) waggelen, staking, atiletand; keerpust; tegenstand; stele wankelen, aarzelen; don ontstellen; twifelen. laadje; etandaard, tort; veriegenheid. to be at a —iog)y, ad. —, geen rand mere weten. to make a —, vtilhou. —er,s• weggeleert weirPL.r. den- tegenstnnd bieden. to put to a —, in ter. wagg.ler.d; aarzelend. --s (-gure.),p1. duizeligheid legenhetd bronzes. (bij naarden). Stagna tatty (ateg'nen-silt), Et. etileteed. —at, ' Stand (stend) [stood (stood)], v. R. ultntaan; nitone's ground, staudhouden. •. te, atilsttand, stil. —te (-neet), v. n. etiletaan. —lion houden. vaetstaan; blijven sta.; tatandhou. 1-nee'sjun), a. stilstend; staking. sta.; Staid (steed.), a. heradigd, etemmig. —Ness, s. den; annhouden; bltiven; rich beviuden, liggen; bersdledheid, stemmiebeid. ! geldig zijn; koere zetten. — fair for, aenepraak Stain csisen'), R. vlek; echandvlek; schande. (iftzteht( hebben op. — good, geidig zijs. — v. a. vlekkee, beeoedelen; boot kleuren, drukkert. awe, vreezen, eerhiedigen. — in need of, noodig —er„ s. bevlekker; bontkleurder. —less, a. hebben. — on points, relfstennig rijn. (against) loos, onbesmet. ! weerstenn, rich verzetten tegen. (aside) op Ode Stair (steer'), a. trap, tre , le. —carpet, trapkleed. gnat, (between) ale tuaschenpernoon —case, trap. —rod, eon is van een trapkleed. —a, (betwixt) in den weg eta., hinderen. (be) tilt den tel. trap; a pair of —, eere trap; one pair of —' weg gran; bijstaan, ondersteunen; rich verlaten high, op de eerste verdiepteg; down —, beneden; op; tegenwoordig zijn. for) de plaate bekleeden van; beteekenen; ocean near; verdedigen. (forth) S !I b (s' ten eetitn), s. kolensteiger. op den voorgrond treden; rich verteonen. (in) Stake (steak), o. stank, peal; inzet; to Buten konien op; bentaan in. (in for knees klein aanheetd. to be i lie) at —, op het spel i3outa. zetten soar; binnenloopen. (off) beregtrrden, op to lay at —, op bet spat zetten. —, een' ofetand bliiven; weigertn; nitkomen. (out) paten voorrien; afpalen (out); zetten. inzetten, uitsteken; standhonden; wederstand bieden. (to) op het epel zetten. volherden in; gestand does; rich enderwerpeu Steleet is iate.lek'llk), --lent, a. aruipsteenact, non. (up) onetime, etch optiChten. (up for) Tertig. —its (-test), s. druipsteen. dedigen, oecletesteunen. (up to) opge.wassen Stalagmite s, wrateteen. Cage]• (Upon) berueten op: aandringen op; trotsch *fielder (ataol'dur), s. stelling (sour eon vat). rijn op. (with; hestaanbear On met. strooken Stele (steel'), s. —by, ad. slid, vereederd; ver- met; twisten met. —crop, wore:1.111d, —stilt, echaald; krachteloos. —mate, pat (in 't echaak- etilstand, runt. Opel). Miran.; long handvatsel; apart; rut, Standard (erend'urd), a. standeard; bonier; meatbier, paardepia: hoer. —, v. n. pissen. —news, s. net', grondalag, riehtenoer; allool, keur; atm. oudbeid; verschaaldheid. —beater, etandearddrager. Stalk (staok'), o etreget; schacht (eener pen); Stand er (stend'ur), o. /denuder; nude boomatam; deftige tree, —, v. e„ eet -tIg steppes; prone toesehouwer; —up. a . parlijkieser. nteppen deer,; elulpen. —er, a. stepper; echakel- a. staande; bestendig, duurzeam, vast. —ing, a.
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.

n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.


149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


Su-re I tatter (eur-re-but'tur). s quintapilek. Suttee (aut-tie'), e. indtaanscheWeduWe; Verbran. --joinder (-dzjojn'dur), s. tripliek. ding* eener indiaaneche weduwe. ,Surrentier (eur-ren'dur), e. overgaaf. -, v. a. Sniffle (ent't1),a.nettce & n. (z!cli) overgeven. Sut tare (ejoe'tjoer),,a. na g, hechting; naald. vieirept tun (sur..rep'sjun), veracbalkInr, nut- i Swab (swob')., a. dwell. swabber. -, v. a. dwel(-iterne), R. ontfut'eid; in- )en; opzwatteren. -bee, a. dweller; zwabberfuteeling. (AN 'en-), ad kapitem, ecteepsjongen. gestopen; hedriegelijk. Swaddle (ewod, di), a, zwachtel; inter. -, v. a. heirnciijk, steelewijze. zwaehtelen; bakeren; afroseen. e--- nreogat e (aur'w.geet), a plitatevervanger; afgavaardiede; piaatavervaDgend middel.-e. v. a. Swaddling (swod'diteng), a. het zwechtelen; balieren. -band, -cloth, -clout, zwachtel; Wier, 110,e'fiiael, a. yen in de piuts vanging. kinderdoek. S,reoland (sur-raaund', v a. omringon. Swag (sw eg'), v. n. neerhangen (down); slingeStcmtt rt Our-inet'i,e. 0 VEriciA. ren. -belly, hanglittik. -ger (-gur), V. n. razen; v n. bijkomen. t'3a 1-venc enueven, portico. -gerer (-gut-ur), e. anoever„ StaTvey (sur'vee)„ a, overstcht„ opzlcht; opue- porter, wlndbull. -gy(-gilt). a. neerhangend. miag; sehouveing; meting. S wit! n (sweep), s. jangeling, jonge borat; vdjer; Survey (eur-vee'), v. a het opzicht (toe,tcht.) hoc- boeren*,echt, herder. den over; bezicht!gen, echouwen, opnemen; me- Swale (aweel), a. dal, Magic; achaduw. v. a. opgebruiken, variance; schroefen (den vaikea); ten. -ing, R. (het i landmeten. --or. ti.opncliter; lADdeleter. -ors4ip, a. unvbt van opzichter v. n. amelten, aroopen (van kaareen) mete)). Swallet leworliti, a. reijnvrater. Starlit, st , (sur-vaj'vei), -ance, a. overlaying. -e Swallow (-•anta), a. VP1,1111.11 gorge!; allok; (-vajv') v. a. overieven; v. n. tog in 'eve. ztjv,. guizigheid. -fish, knorhaan, zwaluwvisch. -tail, - ar , a I a......gstlevende, -arehip, a. over;evirg. zwaluyetaart. -wort, zwaluwwortel. -, v. a. -ive, a, vattaar Hof) slikken, optlobken; verzv elgen; pans teen; beSuvoapt Stile machtigan; (down) inslikken, Inzwelgen; (up) op-ib:eness a. vatbaat , e;d. slokiren, veralinden, verzwelgen. -er, inIsna-sip'!-en-eih), a. appeming,1 zwelger; s:okop. SuricIp:"en toelating. -1., a. opnemend, aannemend; a. op- Swamp (swomp') a. meeran. -, v. a. doen armor, oaunexer, zinken; in inaellijkheden vikke ►.en. -y, a. S^a ocltn to (;.;s'el-teet), v. a- verwe"" , moer,Off.e.verwekking,ppwekking. Swan (awon'), a. mean. ken. -lion zwanendons; Suspect (sus-pekt'), v. a. verdenken, ',Hecht lammertjesbaai. -ekin, moiton (soort van beef). tou.den; wantrana: en; v, argwean veeden (of). -song, zwanenzang. -eu, a. verdael•. -edness, a. verdachtheld. er, Swap (swop), F. PP v. Zie Swop. -, ad. plots. verienker, die argwaan voedt. R. act, -, int. plot! flap! terdoch,ig, a. entreua, end. Sward (awaord), s. zwoord; grazige oppervlakte, v. a, ophangen (to); °pea°, grasperk. Suspend (sae-pe ten; ophenden; horsen (from). s. °wet°, Swarm (ewaorm), 8 nwerm; gewemel. v. n. ten; Pchorser; tre,Aba,d. --ere ( urz). pl. draag- swermen, wemelen (with). Swart (swaort), A. Zie Syvarth. -, v. a. handen. stisFen, a (spa-peen'), a onsekelheid, zwert (bruin) meken; verdoukeren. a. ban- Swarth (swaorth'), -y, a. -ity„ ad, zwartschtig, looahold; opseb,,ettnr, echorsinx. gend; enz,ker. twijfelachtig: orges,tort; ge- denker, dankerbruln, taankleurig. -inns, a. (•jur0, 8. °plumping; opectocting, rchorst. donkere (bnline) kleur; tuankleur. stoking; stilstand; tchoronc -brid;c, bangbrug. Swamis (sweep), a. gekletter, gernisch; geanoef, twWelachttg. -or;', a ophoudeavd, twij- gezweta. -buckler, -er, a. enoever, zwetaer; eelachtig; a. draagtep0; ly..ddekwa,t. ilzervreter. -, v. n. kletteren, plaetien; anoeven, Sueplel on (sus-pi,fun), R. p.rg•aan, aehter- pochen. dacht. -ow, a. -,only, ed. wantrausig, ach- Swath (swath), a. zwad,atreek, rij; ale Swathe. t4rdoa.ig (of). -nu 7,4, a. wentvouTighetd. Swathe (aueetta), a. zsrachtel., winded:. -, v. Susfilt- at (eun-payre:), e. 1 uchigat; tuts caner a, inzweebtelen, takeren; teperken. waterleiding. -ation (-pi-ree'sjun), n, dieae dem- Swny (.4wee). e. sweat; gezag. macht, heerschappij; v• a. dial, ademea, zuchien. i•vloed; averwicht; lot. -, v. a. zwaalen; re--, Sustain (ova-teen'), v. a. F., hrAgen, dragen, on- geeren, besturen; invioed bebben op; (away up) onderhouden; tualhouden; uitataan, hijvrhen; (down) etrijNen; (from) a'detden van; v. verdure, -arid,, a. houdt,ar; dregelijk. -er, aa, n. zwaa!en, zich nelgen; heerechen; (with) Inondereteuner; vloenl batten op. SID St en smee(sue'te-nens),- khan (ten-tee'sJun), Swr (swiel), v., v. a. & n Zie to Swale. a. onderete -dning, eteun; onderlioud; levenson- Swear (. eel') [wore morn (swoorn)l„ v. a. derhoud. zweren; bezweren; beeedigtn, v. n. zweren (to); Suuner, to (sjoe'owr•reet), v. n. fluisteren; nun slacken. -er, e. zweerder; vloeker. mete', -lion. (-ree , ejun),8 gehilsier; gemermel, Sweat (owes), a. sweet. Sulfite (ajoe'til), a wet da nal!d. vervoordigd. Sweat (met') [sweat.] .v .a. uitzweeten (away. out); Sutter (,ut';ur), zoete!aro:; nv,ketentater, doen zweettn; v. n. no eeten; zutoegen. -el*, a.
GnE;,xy (eel' eke lit), a. Melkweg.; schitte•ende ver. G ailltWOH (getramun), a, gam; triktrak; bedrog; reniging. ( zwetterij. —, v. a. tot ham maken; vastzetteu ; Gailtbanum (gel'be-num), s. zekere barssoort. bedriegen. —ing, S. woeling (van den boegspriet). (geel), a. koelte, windylftag. fresh —,stijie —ing-stole, woelingsgat. koelte. fainting —, ongestadige wind, Gamut (gem'ut), s. toonladder. Gale. (gee'li-e) a. helm; geslacht van zeeligels. Gander (gen'dur), a. gent. —goose, knaapjeskrulta Galess (geenes), a. galja, Gang (geng'), a. bende; ploeg. —board, gangbool d; Galleated (gee'li-eet-id), a. met een' helm gedeki. loopplank. —days, omgangsdagen. —way, gang(infests" (ge-li'ne), s. loodzwavel. board; valreep. —week, omgangoweek. Galiot (geljut), a. galjoot. Ganglion (gen'gli-an), a. peeeknoop. Gall (gaoll'a a. gal; galnoota wrok, kwaadaardia- Gnawer" e (geug'grien), a, kood your. —e, v, a. held; rauwe plek. —bladder, galblaas. —nut, gal invreten; v. a. hood state krijgen. —ous (-gre-nus), noot. —, v, a, afsehaven (de huid); kweilen; Nan. a, ingevreten, rottend. sehrijnen;schuren, achaveelen; zich ergeren. Gant ;et (gentlit), —lope (-loop), a. (het) spitsGallant (gel'ient), a. —ly, ad. braaf, dapperesder- rob loopen, lijk. —, s. dapper man; bezaanavlag. --,,e88, a. GlikillZa (gen'ze), a. wilds Bans (verdieht). braafbeid; dapperheid, —ry, s. braafheid;dagper- Gaol (dzjeel'), a, gevangenita —, v. a. kerkeren. held; zwierigheid; galanterie. —bird, gevangene. —er, a. eipier. bisaliont (gel-laant'a a. —1y,"ad. hoffelijk, plant. Gap (gets'), a. gaping, leenrte; opening; brew; • —, a, . minnaar, vrouwertgek. —, v. n. galani zijn. sehaard. —toothed, met openingen tusaehen de Galleon (gel'li - un), a. galjoeu. tandem Gallery igelle - rthI, a. galerij. —ladder, stereo- Gape (geep'), v. n. geeuwen; gapen. (at) aangaladder. —;.am, baklijst der galerlij. stern—, wester- I pen. (for) hunkeren naar. —r, s. gaper. gang. 1 Garb (gaarb), a. gewaad, kleedine,a uiterlijk; garf. Galliey (gel'lih), s. gale); kombuis; zetplankje, Garbage (gaar'bidzj), a. ingewanden (van een —aline, galeiboef. I beest), afval. Gallifee (ga'sll'ik), a. galachtig. ; Garbel (gaar'bil), a. bodemp!ank. ((ionic (genik), a. gallisch. --an (-ken), R. gal-, Garble (gaar'b1)., v. a. uitziften; vermlatten. —r, likaanseh. —is a (-1i-sizm) , s. fransehe spreek-; a. sifter, uitzoeker. —a, a. otitschot (van het wilze. I gezifte). Gaill gaskins (gel li-ges'kinz), a. wijde brook. Garboserd (gaar'boord), a. kielplank. —matte (-reee'sji-e), a. wartaal. —ntaufry I.MPO' Garbo!! (gaar'bejla a. opsehudding. Cribs), s. hutspot; mengelmoes. —naccous (-nee' Garden (gaar'dn;, a. tutu. —creases, tuinkera. sjua), a. fezantaelitig. —pot, apothekers-potje.. —frame, ream van een' broeibak. —house, . tuinGalion (gel'lun), a. gallon (voehomnat). ; huieje. —mould, tuinaarde. —plot, perk. —tal/age, Galtloont (gel-losn'), a. galon. n tuinbolow. —staff, —ware, tuingroenten. —, v. a. Gallop (gellup). s. galop. —, v. n. galoppeeren. tot thin aanleggen; v.n. tuinieren. —er,s. tuin-er, a. renner; OUR. ; man. —ing , s. tuinbouw, hovenierskunst. Gmlleiway (writ:I-wee), klepper. ' Gargarlstn (gaar'ge-rizna), a. gorgeldrank. Gallows (gel'itte), fs. galg; bretele. —, --bird, Gargle (gaaegl), a. gorgeldrank. —, v. a. gor-clapper, galgebroli. —free, awn d.e galg ontko- gelen. men. —tree, gaighout. , Gargol (gaar'got;), a. gortigheid (der varkene)• Golly (gao'iliha, R. galachtig. —worm, duizena- Garish (geer'isj), a. kie Galrish. poot. i Garland (gaar'lend), a, bloemenkrans. —, v. R. Galocbe (ge-looej'), s. overschoen. I bt kransen. , Garlic (ganelik)„ a, knofionk. —eater, g•rneene Galore (ge-)oar'), a. overyloed. Galva ale (gel-ven'ik), a. galyaniseh. I vent. Glii.Vall. ism (gel'yen-izrn), a, galvanism.. —are' Garment (gaaernent), a. kleedingstuk. (ajz), v. a. galveniqeeren. Garner (gaar'nur), a, korensehuur. —, v. a. in Gambadoes (gam-bee'dooz), s. rij-slopkousen.i de scLnur (op zolder) bergen. Gamble (gem'bl), a. a. ern geld spelen, (away)I Garnet (gaar'nit), a. granaat; taket. yerepelen. —r, e. dabbelaar. Garni,lts (gaar'niaja, 8. garneerael; boeien; wel,LItemboge (gem - boedzj'), a. goottegom, komst. —, v. R. garneeren; boeien; waassettuwen. —er, a. versterder. —went, a. versiersel; wearGambol (garn'bul), z. bokkesprong. --.., v n, huppelen, spring en. schuwirm. Gambrel (gem'brila a. achterpoot van een paavd; Garniture (goiar'ni tjoer), a. verelerael. spanhout. —, v. a. she pooten !Auden; nit- Garret (aer'rit), a. vliering; zolderkameetje. —eer (-ier'), a. vlieringbewoner. spanueu. Game (geem'), a. spot; veldvermaak; wild; jaeht; Garrison (ger'rosn), R. garuizoen. —, v. a. met boert; spat. —cock, keainhaan. —keeper, wild- bezetting voorzien. octal, koddebeier. —pouch, weitaach- —, v. n. Garrot (ger'rut), v, a. knevelen as berooven. am ge ld a p e ie, --sense, a. --comely, ad. dartel, Garrul lily (gee-roe'lit-tih), a. praataelitigheid. spee(ech. —someness, a. dartelheid, speelsaheid. —out; (ger'roe-lus), a. anapaehti•. Garter (gaar'tur), s. kouleband. —, v. a. met —ster (•slur), a. speleie grappenmaker. een' kouseband binden. d'hming (geenfieng), a. (het) spelen. --house, speelbnis. --table, apeeltafea Garth (gaarth), a. kamp, perk; viseltareer; gordel. Gale
Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.
1'1)1, 4•FUR. 239 spelingen overreden; v. n. woordspalingen mapurgeerwinde. —flax, klein vtaskruid. —grain, ken (upon). pergeerkorrels.—nut,purgeernoot.—thorn,echijtPunch (punte)'), 5. priem; stout, stomp; punch basses( ruik. (pone); hansworst; dibsek. —bowl, punch-born PurlUent Ion (pjoe-rif-ikee'sjun ►, a. retniging, —strainer, punch-Reef. —, v. a. doorboren; atoo auivering. —ire, —ory (-rit'i ke-), a. reinigend, ten, stompen. —y, a. knot en dlk. zuiverend. —ory, a. kelkdoek. unch eon (punterun), a. priem. boss; punt- Purl( ler (pjoe'ri-faj-ur), a. reiniger, zuiverear. boor; doorslag; letterstempel; vat. —er, s. goat—y ( -tap, v. a. reinigen, zulveren; louteren; v.n. jesmaker; priem. —inetio (-1-nello), s. hansworst zulver worden. unctated (pungk-teet'id), a. in een —punt ge- Purina (pjoe'rina), s. purtmfeest. trokken; vol gaatjes. Pair Ism (pjoeirizm), s. taalziftertj. —1st, s. tealunctill o (pungk-tillo)., 8. overdreven nanwsifter. gezethed, spitavondigiaeid. —out, a. —oualy, ad. Puritan (pjoeiri-ten), a. Puritein; sehijaheilige. overdreven nauwgezet, stipt, spitavondig, —, —iv, —iC41 ten'ik-), a. puriteineeh. —ouaness,s. overdreven stip theld, spitsvond!ghetd. a. de leer (het stelsel) der PurPeinee. Punctu al (purgkIjoe-e1), a. —ally, ad. stipt, Purity (pjoe'rit-tih), s. reinheid, zuiverheid; nauwgezet. —ality (-el'it-th), —alnees, s. vtipt- onsehuld, kuischheld. held. —ate (-eat), v. a. punctueeren. —ation (-to'. Purl (purl), a, gernurmel, gekabbel; alsembier; gun), s. punetuatle. —re (-tjoer), 0, prikje; v.a. geetIkte rand. —, v. a. stikken; v. n.murmelen, prikken, openprikken, opensteken. kabbelen, Pundle (pued1), a. korte, &like vrouw. Purl leo (pue,joe), e. voorhoat, grens,omtrek. 4 Pung (pang), a. trek-, vraehtelede. —in, a. dwerebalk. —ing, a. gereurinel, gePungen cy (pun'dzjen-eih), a. senerpte; griekabbel, vendheid. —t, a. —tly, ad. stekend, eeherp,teütend. Purloin (pur-lojn'), v. a. eteleen, ontvreemden. Punic (pjoe'nik), 3. puniseh; trouweloos, ver- —er, s. diet. —ing, a. ontvreemding. raderlijk. --eons (ni)'us), a. purperkleurig. ,Purparty (pur'paar-tih), s- aandeel. Puniness (pjoe'ni-neita), a. kleinheid. Purple (pur'pl), a. purperkleurig. PurPer, Punish (puling), v. a. streffen. —able, a, strafpurperkteur. —app'e. purperappel. —cherry, virbear. --'er, a. straTer„ -- meat, a. strut. eint,ehe pruimeboom. —chickweed, rood zandPunic lye (pjoe'ni-tiv), — ory, a. stretfend; straf-, kruid. —emperor, —shades, p1. purperelinder. Punk (pungk). a. lielttekool, slat. purperaluk. —flower, hyacint. —grace, Punster (pun'etur), a lielhebbar van woordroode •eideklaver. hoog purperrood. speltngen. —relvet, dutsendochoon. —whelk, trompetslak. Punt (punt'), a. pont. —, v. n. tegen teen banhier —willow, waterwilg. —, v. a. porparrood verven. epelen. —er, a. pointeur, tegenspeler. (pur'plz), pl. paper-, seharlakenkoorts. Puny (pjoe'nlh). e. a. klein; zwak; gerIng. —, s. Purplish (puripllej), a. purperachttg. nieuweling, onervarene. Purport (pur'poort), s. inboud; ain; strekking. Pup (pup), a. jonge hond. —, v. n. iengen, - v, a. meenen, bedoelen; behelzen. Pupa (pjoe'pe), a. pop (van een Insect). Purpose (puepue), a. oogmerk, doel, elnde; Pupil (pjoe'pil), s. leerling; pupil;oogappel. —a e voornemen; gevolg, uitwerking; voor. a. minderjarigheld; leertijd. —lary, a. van M nbeeid. on —, met ()put. to the —, ter cake. to derjartgen. no —, to vergeefs. —, v. a. beoogen, voornemen ; Puppet (pup'pit). s. draadpop; zot, kweet; nut. v. n. voornemens ztju. —less, a. doelloos. —ly, poppenspel. ad. opzettelijk. Puppy (pup'plh), a. jonge hood; vlegel; lafbek, Purpresture (pur-preat'joer), a. inbreuk. kwast. —, v. n. jongen. s. vlegelachttgheid; Purprlse (pur'prajz), s. omheinde pleats; oinkwasterigheld. heining. Pur rpur), 0. geapin (van katten). v. n. spin- Purr (purr), a. zeeleeuwerik. Lie Pur. nen (ela batten). Purse- (pure, s. beurs. —bearer. betaal-, penningPurblind (nueulejnd), a. bijalend, hortziehtig. meester. —cutter, beurzenentider. —pride, geld—news, a. bijzientlheld. trots. —proud, trotseh op zijn geld. —string, bturNPurchas able (purnejes-ibl), a. koopbaar. —e, koordje. —, v. a. in de beurs steken lop); toehalen, a. hoop, in-, aankoop; spil, tskel; —money, hoopsamentrekken. —r, e. betaal-,vieta die meester. sum. —e, v. a. koopen, aan., inkoopen; verkrkj- PursInesa (pur'et-nasal, s. kortademieheid. on; orvinden; (out) bo•ten. —er, a. kooper. Pueslain (pursnin). a. porselein (groente). —tree, Pure (pjoer'), a. —ly, ad, rein, zuiver; onbevlekt; struikmelde. looter, enkel. —neat. a. reinheid, zuiverheid. Purim able (pur ejoelb!), a. vervolgbaar —ance, Purille (pur'111), Purrie (purfl), a. gRrneerael. a, vervolging; voortzettiog; in — of, tngevolge. Purgation (pur-gee'ejun), a. zutvering. —ont, a. (to) volgens, ingevolge. —e (-ejoe'), v. a. Purgat lye (pur'ge-tiv), a. zuiverend; a. purgeervervolgen, najegen; voort-, doorzetten; navalmtddel. —ory, a. zuiverend; louterend,zevagevuur. gen; v. n. voartgaan; volhouden. —er, a. verPurgat (purde)), s. purgeermiddel. v, a. retvulgar; voortzetter; najager; beoefenaar. nigen !away. off); zulveren (from. of); doen pur- Pursuit (pur-sjoet'), a. vervolging; doorzetting; geeren. —, v. n. zulver worden; purgeeren. I stresen; posing; bealgheld. a. retniger; purgeermtddel. Pursulvant w i-vent), s. staatsbode; onderPurging (puediiieng), sJoal ijvighei d. —bindweed, , beraut; bode.,
Litecoin is an open source software project released under the MIT/X11 license which gives you the power to run, modify, and copy the software and to distribute, at your option, modified copies of the software. The software is released in a transparent process that allows for independent verification of binaries and their corresponding source code.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


Dunbald. Dwere, be. transversal; peevish, cross. bw. Dupllenat, o. duplicate. athwart, across; peevishly, crossly. —bath, cross. Daspillek, o. rebutt.r, surrejoinder. beam, gibbet,tranaom,sleeper. —boom, cross-bar. Dar on, on. w. to last, te continue, to keep, to —boomen, to cross, to thwart. —door, straight remain. across, — through. —draae, crossing-thread. Dart al, m. & v. dare-all. —niet, m. dt v. dare- dr(rfster. —dr(yeer, thwarter, caviller, contra-
CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte, 

GnE;,xy (eel' eke lit), a. Melkweg.; schitte•ende ver. G ailltWOH (getramun), a, gam; triktrak; bedrog; reniging. ( zwetterij. —, v. a. tot ham maken; vastzetteu ; Gailtbanum (gel'be-num), s. zekere barssoort. bedriegen. —ing, S. woeling (van den boegspriet). (geel), a. koelte, windylftag. fresh —,stijie —ing-stole, woelingsgat. koelte. fainting —, ongestadige wind, Gamut (gem'ut), s. toonladder. Gale. (gee'li-e) a. helm; geslacht van zeeligels. Gander (gen'dur), a. gent. —goose, knaapjeskrulta Galess (geenes), a. galja, Gang (geng'), a. bende; ploeg. —board, gangbool d; Galleated (gee'li-eet-id), a. met een' helm gedeki. loopplank. —days, omgangsdagen. —way, gang(infests" (ge-li'ne), s. loodzwavel. board; valreep. —week, omgangoweek. Galiot (geljut), a. galjoot. Ganglion (gen'gli-an), a. peeeknoop. Gall (gaoll'a a. gal; galnoota wrok, kwaadaardia- Gnawer" e (geug'grien), a, kood your. —e, v, a. held; rauwe plek. —bladder, galblaas. —nut, gal invreten; v. a. hood state krijgen. —ous (-gre-nus), noot. —, v, a, afsehaven (de huid); kweilen; Nan. a, ingevreten, rottend. sehrijnen;schuren, achaveelen; zich ergeren. Gant ;et (gentlit), —lope (-loop), a. (het) spitsGallant (gel'ient), a. —ly, ad. braaf, dapperesder- rob loopen, lijk. —, s. dapper man; bezaanavlag. --,,e88, a. GlikillZa (gen'ze), a. wilds Bans (verdieht). braafbeid; dapperheid, —ry, s. braafheid;dagper- Gaol (dzjeel'), a, gevangenita —, v. a. kerkeren. held; zwierigheid; galanterie. —bird, gevangene. —er, a. eipier. bisaliont (gel-laant'a a. —1y,"ad. hoffelijk, plant. Gap (gets'), a. gaping, leenrte; opening; brew; • —, a, . minnaar, vrouwertgek. —, v. n. galani zijn. sehaard. —toothed, met openingen tusaehen de Galleon (gel'li - un), a. galjoeu. tandem Gallery igelle - rthI, a. galerij. —ladder, stereo- Gape (geep'), v. n. geeuwen; gapen. (at) aangaladder. —;.am, baklijst der galerlij. stern—, wester- I pen. (for) hunkeren naar. —r, s. gaper. gang. 1 Garb (gaarb), a. gewaad, kleedine,a uiterlijk; garf. Galliey (gel'lih), s. gale); kombuis; zetplankje, Garbage (gaar'bidzj), a. ingewanden (van een —aline, galeiboef. I beest), afval. Gallifee (ga'sll'ik), a. galachtig. ; Garbel (gaar'bil), a. bodemp!ank. ((ionic (genik), a. gallisch. --an (-ken), R. gal-, Garble (gaar'b1)., v. a. uitziften; vermlatten. —r, likaanseh. —is a (-1i-sizm) , s. fransehe spreek-; a. sifter, uitzoeker. —a, a. otitschot (van het wilze. I gezifte). Gaill gaskins (gel li-ges'kinz), a. wijde brook. Garboserd (gaar'boord), a. kielplank. —matte (-reee'sji-e), a. wartaal. —ntaufry I.MPO' Garbo!! (gaar'bejla a. opsehudding. Cribs), s. hutspot; mengelmoes. —naccous (-nee' Garden (gaar'dn;, a. tutu. —creases, tuinkera. sjua), a. fezantaelitig. —pot, apothekers-potje.. —frame, ream van een' broeibak. —house, . tuinGalion (gel'lun), a. gallon (voehomnat). ; huieje. —mould, tuinaarde. —plot, perk. —tal/age, Galtloont (gel-losn'), a. galon. n tuinbolow. —staff, —ware, tuingroenten. —, v. a. Gallop (gellup). s. galop. —, v. n. galoppeeren. tot thin aanleggen; v.n. tuinieren. —er,s. tuin-er, a. renner; OUR. ; man. —ing , s. tuinbouw, hovenierskunst. Gmlleiway (writ:I-wee), klepper. ' Gargarlstn (gaar'ge-rizna), a. gorgeldrank. Gallows (gel'itte), fs. galg; bretele. —, --bird, Gargle (gaaegl), a. gorgeldrank. —, v. a. gor-clapper, galgebroli. —free, awn d.e galg ontko- gelen. men. —tree, gaighout. , Gargol (gaar'got;), a. gortigheid (der varkene)• Golly (gao'iliha, R. galachtig. —worm, duizena- Garish (geer'isj), a. kie Galrish. poot. i Garland (gaar'lend), a, bloemenkrans. —, v. R. Galocbe (ge-looej'), s. overschoen. I bt kransen. , Garlic (ganelik)„ a, knofionk. —eater, g•rneene Galore (ge-)oar'), a. overyloed. Galva ale (gel-ven'ik), a. galyaniseh. I vent. Glii.Vall. ism (gel'yen-izrn), a, galvanism.. —are' Garment (gaaernent), a. kleedingstuk. (ajz), v. a. galveniqeeren. Garner (gaar'nur), a, korensehuur. —, v. a. in Gambadoes (gam-bee'dooz), s. rij-slopkousen.i de scLnur (op zolder) bergen. Gamble (gem'bl), a. a. ern geld spelen, (away)I Garnet (gaar'nit), a. granaat; taket. yerepelen. —r, e. dabbelaar. Garni,lts (gaar'niaja, 8. garneerael; boeien; wel,LItemboge (gem - boedzj'), a. goottegom, komst. —, v. R. garneeren; boeien; waassettuwen. —er, a. versterder. —went, a. versiersel; wearGambol (garn'bul), z. bokkesprong. --.., v n, huppelen, spring en. schuwirm. Gambrel (gem'brila a. achterpoot van een paavd; Garniture (goiar'ni tjoer), a. verelerael. spanhout. —, v. a. she pooten !Auden; nit- Garret (aer'rit), a. vliering; zolderkameetje. —eer (-ier'), a. vlieringbewoner. spanueu. Game (geem'), a. spot; veldvermaak; wild; jaeht; Garrison (ger'rosn), R. garuizoen. —, v. a. met boert; spat. —cock, keainhaan. —keeper, wild- bezetting voorzien. octal, koddebeier. —pouch, weitaach- —, v. n. Garrot (ger'rut), v, a. knevelen as berooven. am ge ld a p e ie, --sense, a. --comely, ad. dartel, Garrul lily (gee-roe'lit-tih), a. praataelitigheid. spee(ech. —someness, a. dartelheid, speelsaheid. —out; (ger'roe-lus), a. anapaehti•. Garter (gaar'tur), s. kouleband. —, v. a. met —ster (•slur), a. speleie grappenmaker. een' kouseband binden. d'hming (geenfieng), a. (het) spelen. --house, speelbnis. --table, apeeltafea Garth (gaarth), a. kamp, perk; viseltareer; gordel. Gale

1, 11,A . ---ry, a. voorgescitreveu, voneeiuk; a. fortott-1 lieramek). Formula (for'nrioei). a. 'die Formula. Fornica te (for'ni-keet), v. a. hoereeren. --tion (-kee'sjuu), a. hoererij; boog•elving. —tor. a. hoereerder. —trees, a. hooreerater. Forray (for-ree'), a. vijandelijke loyal, strooptocht. —, v. n. rooven, vernielen. Forsake (for-seek') (forsook (for-sock'), forsaken tfor'see'kna, v. a. verlaten, verzaken. —r, a. verzaker, afvallige. Forsay (for-see') [irr.], v, a. verbieden. Forsooth (for-soeth'1, ad. waarit k. inderdaad. Forswear (for-sweer') [hr.] v. a. bij cede ontkennen; afzweren; v. n. valseh zweren. —er, a. meineedige. Fort (toort), a. aterkte, fort. Forte (foor'te), a. aterke nu de. —d, a. veraterkt. Forth (foorth), ad. voort; voorwaarts; batten, te voorachijn. prp. uit. to set —, in het licht seven. and so —, en zoo voorts. —coming, gereed om te verschijnen. —issuing, voor den dag komend. —right, a. rechtuit. —with, ad. op Meande voet, aanstonds. Fortieth (for'tt-ith), a. veertigste. Forth! labia (for'ti-M--ibl), a. versterkbaar. —ication (-11.kee'sjun), s. vesting, , iouw k made; yestingwerk, verschansing. (-faj-u.r), a. verstetker; aanmoediger. —y (-faj)- v. a. venterken; aanmoedigen. Fort tinge (foort'i-lidzj), s.blokhuis. —in, —let, (-lit, a. klein fort. Fortitude (for'ti-tjoed), a. mood; kloakmoedigheld; kracht. Fortnight (fort'n Kit), s. veertien dagen. this day—, hedon over (voor) veertien dagen. Fortress (for'treas), s. eterkte, vesting. Fortuitous (for-tjoe'itus), a. —1y, ad, toevallig. —ness, a. toe,alligheid. Fortuity (for-tjoeit-tih)., a, toeval. Fortunate tforljoe-neet), a. —1y, ad. gelukkig, voorspoedig. —ness, a. goed geluk. Fortune (for'tjoen). a. fortuin, geluk; lot; winselvalligheid; vermogen; rijke pant). by —, bij toeval. good geluk. ill—, ongeluk. —book, (het) rad van avontuur. —hunter, gelukzoeker, tonnesager. —less, a. onbemiddeld; ongelukkig. —teller, waarzegger. Fortune (for'tjoen), v. a- gelukkig:maken; yourspellen; v. n. gebeuren, tretfen. Forty (for'tib), a. veertig. Forum (fo'rum), rechtbank; marktplaats. Forward (for'wurd), a. —/y., ad. uverig, voortvarend; voorbarig; vroeg rup; verwaand; vrijpostig. —8 (-wurdz), ad. voorwaarta. v. a. bevorderen; bespoedigen; afzenden. —er, a. bevorderaar; bespoediger; afzender. —near, s. liver, voortvarendheid; vroegtkidig!Leid, vrij;i9stigheid. Fosse (fos'), a. gracht. —way, heerbaan. Fossil (fos'sill, a. opgedolven. — salt, bergzout. a. opgegraven en versteend voorwerp; fessiel. —sot, a. kenner van fossilien. —ize -rijz), v. a. doen versteenen; v. n. verateenen. Foster (fos'tur), v. a. voedsteren, opkweeken; bevorderen. —age, s. opkweeking; voedaterloon. —er, a, voed,ter; opkw eeker; beschermer.---brother,


Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.
vocd,terkind. —dam, voed• zoogbroeder. titer, mln. —daughter, pleegdochter. —earth, kweekaarde. —father, voedstervader. --land, land tot onderhou.d. —ling, a. voedsterling. —mother, —nurse, voedstermoeder. zoogmuster. —son, pleegzoon. Fattier (foth'ur), s. gewicht van 2400 pond. —, v. a. een lek atoppen. Foul (faun, a. —1y, ad. vuil, morsig; ennuiver; leelijk, slecht; snood; grof; verward; onklear. to make — water, op den grond stooten. to run — of, aanzeilen. —paper, klatipapier. —play, bedriegelijke bandelwijze. —spoken, E. kwaadspreicend. — wind, tegenwind. —ness, a. vuilheid. Foul (faul), v. a. bevuilen, bemorsen, v. n. onMaar worden. Foainsart (fou'mert), s. bunsing. Found (faaund), v. a. gronden, stichten; gieten. —ation (-dee'sjun), s. grond; grondslag ; grandvesting, atiehthig. Founder (faaund'ur), a. gieter; stichter; bevangenheld (bij paarden). —, v. a. kreupel rijdsn; v. n. zinken; mislukken. —ass, a. grondelooe, gevaarlijk. —y, a. gletert. Foundling (fa aund'lieng), a. vondeling.—hospital, vondelingshuis. Foundress (faaund'ress), a. stichtster. Four taln (faaunt'in), s. fontein. bron; oaraprong. —head, hoofdbron, oorsprong. Four tfoor') s. vier. on all —a, op handen en voeten. —cornered, vierhoekig. —fold, viervoudig. —footed, viervoetig. —ling, a. vierling. —score, tachtig. -square, vierkant. —teen, a. veertien. —tecnth, a. veertiende. —th, a. vierde. —thly, ad. ten vierde. —wheeled, vierwielig. Fowl (faauP), a. vogel, govogelte. —, v. a. vogels schieter, —er, a. vogelaar. Fowling (faauPieng), a. vogeljacht. —piece, vogelroer. —shot, ganzenbagel. Vox (foils"), a. v.; eluwert. —es, a. foksjes. —case, vossevel. --chase, —hunt, —hunting, voesenjaeht —evil, vosaenkwaal. —glove, vingerhoedskruld. —hunter, vossenjager. —tail, vossestaart (plant). —trap, vossenval. —ink, —y, a. vosachtig; siw(v, ltstig. Foy (Poj), a, trouw; afscheidsfeest. Fract tfrekt), v. a. breken, schenden. Fraction (frek'sjun), a. bteking, breuk; gebroken getal. — al, —ary, a. eene breuk betreffend. Fractious (frek'sjus). a. —1y, ad. gemelijk, kribbig. —ness, s. kribbigheid. Fracture (frekt'joer), a. break; beenbrezIk. —, v. a. breken. Fragil e (fred'zjil), a. broos, —ity (fre'dzjil'ittih), s. broosheid. Fragiatent (freg'ment), a. atuk, brok, overbliljfact. a. uit brokstukken bestaand. Fragor (free'gor), a. gekraak. Fragran ce (free'gretas), —cy, s.geuriheid. —t, a. —tly, ad. welriekend. Frail (free!'), a, biezen korfje. —, a. broos; swak, onstandvastig. —races, —ty, a. broocheid; zwakheld. Fralse (freez), e. apekkoek ; spaansche miter, rij stormpalen.
gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint


—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.

Hoeveel Bitcoins worden ontgonnen per dag

×