a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.
Aldus moeten de directeuren-generaal en de diensthoofden de redelijke zekerheid verschaffen dat de middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (efficiëntie, doeltreffendheid en zuinigheid) en dat het systeem van interne controle de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgt. eur-lex.europa.eu
Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...
Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Zal Bitcoin maken een comeback


Aanteeken tsar, frt. register, annotator. —bock, o. memorandum-book. --4,oekje, o. pocket- book, note-book. —en, ov. w to mark; to note (down); to enter, to register; to betroth. —ing, v. marking; noting down; entering, registration; note, annotation; bateothment. 'tants' en, ov. 7ie Aankwoeken. AftntUg en, or. w. to impute to, to lay to any one'e charge. —er, rn.imputer.—ing,v.imputation. Aantlikken, on w. to knock, to rep (at). AsntImaneren, ov. wale Aanboaaven. Aantocht, ra. approach. in — sijn, to approach. Aantokkelen, or. w. to tickle, to incite, Aantoon en, ay. w. to chow, to point out, to indicate, to denote, to demonstrate, to exhibit. —ende vatic, indicative mood. —er, m. shower, Indicator, demonstrator. —ing, v. showing, indication, demonstration. tanttedeo, or. w. to tread down; on. w. to approach; to fail in; to mend one's pace. Aantretion, or. w. to meet with, to find, to fall ( to light) upon, to fall in with. Aanstonds, bw. presently, immediately, direcf,y, Anntrekk elUk, hr. attractive, charming, captiv ating; sensible, easily affected, — concerned, forthwith, anon. Aanstookster, v. Zie Aanstoker. tender-bearted, touchy. —elijkheid, v. attractiveAanstoosnen, on. w. *omen —, to approach nests, charm; eensibil ty, touchiness. — en, ov. Tv. to draw near, tight, to give a pull at, to stretch, (steaming). Aanstoot, m. offence, scandal. — gjden, to be to strain; to attract; to put on; to myrrh (agninst. molested, to suffer injury. steen des —a, stumt. w. to take to heart, to be grieved on); rich bv. & bw. offeneive ( )ykkinaliat; to meddle with, to take a concern (an interest) bling•block. shoe-horn, —ing, in. —end, by. attractive. —er, daloue (-1y). —elijkheid, v. offenslaeitese, scandalousness. —en, ov. w. to push —, to knock —, v. attraction. —ingskrneht, v. power of attraction. to strike (against, on), to ram in; on. w. to stam- Aantronwen, or. w. ZleAtstshtswidn. mer. —ing, v. pushing, shock, collision. Aanvaard en, or. w. to accept, to teke posses. Aanstorman, on. w. (tomes —), to storm against; son of; to begin, to enter Ryon, to set out upon. v. to rush in —, to burst (upon ► . —cr. m. —.ter, v. accepter, undertaker, Aantston wen, or. w. to stow, to trim the hold. Viking possession of; beginning, entering upon. Aanstcralcn, ov. w. to shine (to beam) on. &ens. I, m. attack, charge, onset; tit. —len, ov. w. to attack, to assail, to aggress; on. w. to fell Aanstrand on, on. w. to *trend, to drive ashore. against); to begin; (op) sae ov. w. —lend, by. —ing, v. stranding. offensive. —ter, so. aggressor, assailant. Aanstreelan, or. W. to court one's friendship. Amnion's. he. & bw. amiable (-bly), lovely, Aanstrepen,ov.w. to mark. Ainstreven, an. w. to come hither. charming (•13?), graceful (-1y), —head, v. amiableAnnstrUk en, ov. w. to color, to paint, to coughness, loveliness, gracefulness, charm. oast, to white-wash; komen —, to corne strutting Analysing:, na. beginning, origin, prime. een — along. —er, in. painter, white- washer. —lug, v. Renton, to begin. —en, ov. w. to begin, to enter painting, w hite-washing. upon, to undertake, to do —er, ro. —ater, v. beAanstrIkk en, ov. w. to festen, to knit to, —ing, ginner; novice. —e-,, (i Corn.) fleet, initial. v. fastening, knitting to. primary (-fly), origAtm vankelijk, & Aanstrompellen, on. w. komen —, to come inal (-4), first; at first. stumbling along. Aanvar an, or. w. to run aboard (foul) of; on. w. Aanstroonsen, ov. w. to float down; on. w. to run —. to sail (against); Amen —, to sail hither, (komen —), to now near; to flock hither. to 'approach. —ing, v. running aboard, shock. Aanstuilven, a v. w. (homes —), to rush in upon; Aanvatt en, ov, to seize, to catch; to not to rush hither. about, to manage. —ing , v. taking, catching hold Aanstuwsn, or. w, to drive (to push) on; zie ook of; undertaking. Aanstonsven. Assuirecht en, or. w. to tempt. --er, m. tempter. Aansukkelen„ on. w. komen to come drud- —ing, v. temptation. ging (jogging) along. Aturvegen, ov. w. to sweep (out). Aansullen, on. w, to slide (against). home's —, to Annversterven, on. w. Zie Aanbesterven. cornenliding along. onvertrouwen, ov. w. Aanbetrouswen. &fantail, o. number, great many, quantity. Aanverwaut, a. reletod (allied) to; congenial. —, Aantast en, or. w. to touch, to take hold of; to m. & •. relation; kinsmen, kinswoman. attack, to seize upon' to hurt, to blast, to blem- Aanvetten, ov. w, to grease. ish, to stain, to tarns .h; to exhaust, to weaken Aanylecht on, or. w. to braid (to twist) to. —kg, —kg, v. taking hold of; attack. v. braiding (twisting) to.
W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin met Ira


Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.
bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.
a. bepaaldheid. —tion (niebjun), a. bepaling; v erkl firing. Definitive (de-ftn'i-tiv), a. —ly, ad. beslissend, bepaald. —, a. bepalingswoord. —neat, a. bestissendheid; bepaaldheid. Deflagra billty (def-le.gre-bil'it-tih), a, verbrandbaarheid. —ble (de-flee'gribli, A. verbrandboar. —te (derie•greet), v. A. in brand stekeu; v. n. in brand vlitgen. —tion (.gree'sjun),s. verbranding. Deflect (de-flekt'). v. a. doen afwijken; v. n. wijken. —ion (flek'sjun), a. afwijking, afwending. Deflexuee (de.fleks'joer), s. afwijking. Deliora te (de•flo'reet), a. tutgebloeid. —tion (def-lo-ree'sjun),s. maagdenschennis; bloemlezing. Deflour (de-flauwe), v. a. ontoieren; onteeren. —er, a. maagdenschender. Delia ous (de/4.-us), a. afvloetend. —xion (deIlakelun), a. afvloeiing; lazing. Defoedation Idef-e•dee'tlun , , a. bezoedeling. Defoliation (de-fo-li-ee'sjun), a. (l;at) afvallen der biaderen. Deforce (de-loon"), v. a. met geweld onthouden. —meet, e. gesvelddadige onthouding. Deform (de-form'), v, A. misvormen, schenden, — ation (def.ur-mee'ejun), s. mismaking. —ed. a. —edly, ad. miamaakt, wanstaltig, — ity, a. mismaaktheid; wanstaltigheid. Defraud (de-frond') v. a. bedriegen; berooven; ontfutaelen. — ation (lef-rao-dee'sjun), a. bedrog; berooving. —or, a. bedrieger; ontfutselaar. Defray (de-free"), v. a. bestrijden (kosten).—er, a. bekoatiger. —ment, e. bestrijcling (der koaten). Deft (deft'), a. —ly, ad. aardig; vlug: knap. Defunct (de-funkt'), a. overieden. —, a, over. ledene. Defy (defer), v. a. tarten; uitdagen. Degarnish (di-gaaentsj), v. a. ontsieren, ont. . blooten, ontdoen van hezetting. Deeper acy (de-dzjen'ur-e-sih), a. ontaarding, vw.bastering. —ate, a. — ately, ad. ontaard. —ate, v. n. ontaarden, verbaoteren. — ateneos, — ation ( - ee'sjun), s. ontaarding. — one, e. — ously, ad. verbasterd. Degluti nate (de-gloe'ti•neet), v. a. von de lijm ion makers; ontwarren. —lion (deg-loe-tie'ajun), s. inzweiging. Dcgrad ation (deg.re.dee'sjun), e. verlaging; ontaarding; verdorvenheid. —e (de-greed'), v. a. verlegen; vernederen. — ing, a. — ingly, ad. (degreed'ieng - 1, onteerend; vernederend. Degree (de-griel, a. grand; trap; rang. by —a, trapawijze. 4 to a —, in groote mate. Degustation (deg-us•tee'sjun), a. proeving. Dehisce (de-his'), v, n. —nee, s. opengaan,gapen (van planten). Dehorta tion (di-hor.ioe'sjun), a. afrading. —tory (de-hor'te-tur-rib), a. afradend. Del chic (dils-said), a. godsmoord; godsmoorder. —fication (if-fi.keesjun), a. vergoding. —fier (-if- fej- ur), a. vergoder. —fY (if-fail, a. a. vorgoden• Deign (deep), v. a. vergunnen; v. n. itch varwaardigen. De loon (di'izm), s. godisterij. —tot, a. godiat. — istic, — istical,a. (-is'tilt-), godistisch. —JO a, ,C;Odbeid.
Cobalt (ko'baolt), s. kobalt. —it (ko-baollik), —ence, a. gelijktijdig bestaan. —eat, a. gelijktijdig bestaand. a. kobaltachtig. v, a. op- Coexten d (ko-eke-tend'), v. a. even ver uitCobble (kob'b1), a. visschersboot. strekken. —sion (-ten'sjun), a. gelijke omvang. lappen, knoeien. —r, a. knoeier, schoenlapper. Coeciferous (kok-sirur-us), a. bessendragend. I —sive (-ten'siv), a. gelijk ultgestrekt. Coffee (kof'fle), a. koffle. —berry, koffieboon. Cochineal (kotsre-niel), a. cochenille. —biggin, Illtreerpot. —cup, koftlekopje. —house. Cott'teary (kok'll-e-rits), a. schroefvormig. kofCochlettted (kokli-eet-id), a. Zie CochleorY• koffiehuis. —kitchen, kofflebranderij. Cock (kok'), a. haan; mennetje; kraan; kerf; ha- fiemolen. —pot, kofflekan. nengekraai, hooiopper; boot; optoomael; wkizer, Coffer (korfur), a. koffer, geldkist; achat; geeveriaar. —, v. a. opzetten, opsteken;optoomen, deelte van een kroonwerk; bedekte gang. —, apannen; v. n. cone hooge horst zetten. v, a. in een' koffer sluiten; opgaren; (up) potten. —dam, kistdam, —er, a. schatmeester; potter. hoop, haantje de voorste. —boat, kleine sloop.Coffin (korfln), a. doodkist; hoer; peperhuisje; —brained, onbezonnen, wuft. —bread, scheeps beachuit. —chafer, meikever. —crowing, hanen- taartvorm. —maker, doodkistenmaker. —, v. a. gekraai. —fight, —match, banengevecht. —loft, in eene doodkist leggen. zolderkamertje, vliering. —pigeon, duffer. —pit. Cog (bog'), a. tand (van een rad); kleine boot; v. a. van tanden voorhanenmat. —'s.comb, haneeam; fat. —shut, oche- fact. —wheel, kamrad. —,to — the dice, valsch meravond. —spur, hanespoor. —sure, a. zeer ze• Men; misleiden, vleien. liegen. —ger ker. —'s-tread, hanetred. —swain, bootsman. dobbelen. v. n. flikflooien; (-gur), a. bedrieger; flikflooier. —fiery, a. bedrie—throwing, haanknuppelen. —weed, hanekruid. gerij. —ging, a. bedriegelijk. —ging, a. bedrog. Cockade (kok-eed'), s. kokarde. Cogen cy (ko'dzjen-sih), 0. kracht, vermogen. Cockatrice (kok'e traj8), s. baziliskus. Cocker (kok'ur), a. hanenfokker. —, v. a. ver- —t, a. —tly, ad. krachtig, dringend. Coggle-stone (kog'gl-stoon), a. kiezelsteentie. troetelen. —el (-il), s. jonge haan. Cogita ble (kod'zji tibl), a. denkbaar. —te (•teet), Cocket (kok'it), a. tolbriefje. v. n. deniren. —tion (-tee'ajun), a. overdenking. Cockle (kok'kl), s. kammossel; korenroos. —, v. —tire (-tee-tiv), a. denkend. a. & n. kronkelen, plooien, krutIen. Cockney (kok'nih), a. bewoner van Londen;bot- Cogna te (kog'neet), a. verwant. —tion (kugnee'siun), a. verwant8chap. muil, ploert. Cocoa (balm), s. cacaoboom. —nut. Itokosnoot. Cognition (kug-nis'sjun), a. kennis. kenCocoon (ko-koen'), a. cocoa (van zijeewormen). Cognizable (kog'ni-z1b11, a. aan gerechteltike nisneming onderworpen. —zance (-zens), a. rechCoctile (kok'til), a. gehakken (van eteen). terlijke kennianeming, onderzoek; wapenteeken, CoctIon (kok'ajun), a, koking, verterin'g. onderscheidingateeken. Cod (kod'), e. schil, peul; kabeljauw. —fish, stok- visch, kabeljauw. —liver oil, levertraan. —pep- Cognomin al (kug-nom's-nel), a. tot den toeper, piment, —ware, peulvruchten. —dy, a. naam behooreod. —ation (-nee'sjun), a. toenaam; (net) geven van een' toet.aam. settling. Cognosc ence' (kug-nos'sens), a. kennia. —ible, Coddle (kod'd1), a. a. stoven, zacht koken. a. kennelijk, —ire, a. kennend. —ire faculty, kenCode (bond), a. wetboek. vermogen. Codger (kod'dzjur), a. verb. Codicil (kod'i-s11), s. aanhangeel (op een tes- Coguardlan (ko-gaard'jen), a. toeziend voogd. tament). Cohabit (ko-lieb'it), v. n. samenwonen. —ant, Codling (kod'lleng), a. jonge kabeljauw; etoof- a. medebewoner. —ation (-tee'sjun), s. 8amenwooing. appel. Coheir (ko-eer'), s.. mede-erfgenaam. —ess, s. Coeftleacy (ko.erfl-ke-sih), a. or. Coefticien cy (ko-ef-fis'sjen-sih), a. medewer- mede-erfgename. samenhangen, overeenking. —t, a, medewerker; a. niedewerkend, sa- Cohere (ko-bier), v. a. samenhang. —nt, a. —ntly, stemmen. —ace, —ncy, lnenwerkend. ek), a. onderbuiks-. passion, bulk- ad. samenhangend. Coeliac Cube sion (ko-hrzjun), a. samenhang; aantrekloop. kingskracht. —sire ( air), a. —sively (-sly-lib), ad. Coempflon (ko-emp'sjun), a opkooping. samenhangend. —siveness (-air-ness), rs. semenCoequal (ko-i'kwel), a. gelijk. —ity hangende eigenschap it-tih), a. gelijkheid. Cohort (ko'hort). a. krtigsbende. Coerc e (ko-urs'), v. a. bedwingen. —ible, a. bekap, bait. —ed, a. een kap dwingbaar, —ion (ko-neeitin), e. betellgeling. Coif (kojn, a. kepsel, dragend. —fare (kojefjoer), a. kapael, hoofdtooi. dwang. —ire (-siv), a. bedwingend. Coessenflall (ko-es-sen'ojel), a. —ty, ad. van gelijk Coil (kojl), a. opgeschoten kabet; rumoer, gev. a. (up) opachteten (den babe!). raaa. a. geflikheid van wezen. wezen. —ity Coetaneous (ko.i-tee'ni-us), a. gelijk van ja- Coln (kojn'), s. mnnt; muntstempel; hock; wig. v. a. muntee; current —, gangbare munt. ren, gelijktijdig, (to. with), verdichten, verzinnen. —age, a. mnnting; muntCoetern al (ko i tur'nel), a. --ally, ad. mede loon; atempel; verdichting. eeuvvig. —ity, a. mede-eeuwigheid. Coev al (ko-i'vel), a. gelijkjarige; tijdgenoot. Coincide (ko-in-sajd'), v. n. samenloopen; sementreffen; overeenkomen (in with). —ace (koal, —ous, R. gelijktijdig, even and, (to. with). fn'si-dens), s. eamenloop, overeenstemming. —nt Coexist (ko-egz-let'), v. n. gelijktijdig zije.
139 & n. Peon; Vervolgt n. (after) najagen; nasporen. v• a. ,chillen, voor top en take' drijven. (down) ontmoedigen. (for, jagen op. (out) 0113130pa-len• in den romp schieten; op strand zetten; ren, uitvorsehen. (up and down) van elle z,,jden v. n. drijvee, dobberen. —y, a, met achillen, zoeken. —er, a. jager, iachthond, -paard. —lag, hu 1 zig. into a. jacht, jachtvermeak. —ing-horn, jachthoren. liuvu (hum), a. gegona, gebrom, genettrie. —ing-match, jachtrartij. —ing-moon, waesende hat —, v. a. neurien; bedotten; v. n, neurien; mean. —ing-nag, jaehtpaard. in -seat. jaehtgonzen, brommen. lisminn (pe'men), a. —ly, ad. menschelijk.—e, a. hub,. -slot. —rem, a.jagerin. —sman,jager. —manship, jagerschap. — ely, ad. (joe-mean'), menschlievend, rninzaam, s. menschenkenner; letterkundige, Hurdle (hur'di), s. teenen horde; schanskort heusch. —ist, v. a. met horden bezetten. —ides ( ► en'it-tiz), pl. de fraaie wetenschappen. s. mensehheid; menschelijk- liurds (hurdz), pl. Zie Herds. it held; minzaambeid, heuechheid. —ire (-ajz,, v. Ilordyegu'rely (huedih-guedih), s. lier. Hurl (hurl'), s. worp; oploop; rumaer. —, v. a. a. beschaven. —kind (-kajndl, a. menschdom. n. dwarrelen. Humble (um'b1), a. Humbly, ad. nederig; onder- werpen, slingeren; uitstooten; danig; gering. —bee, hommel. —bee-eater, bijen- —tat, strijdkolf. —wind, dwarlwind. —er,s.werwolf. —mouthed, deemoedig in 't spreken, gedwee. per, slingeraar. —jug, a. zeker balseel. —y-burly (-bur-lih), s. verwarring, gewoel, rutitoer. —plant, kruidje-roer-mij-niet. —, v. a. vernede- ren, krenken; verootmoedigen. —ness, a. nederig- Hurrah (hoe-ra') int. hone Hurricane (hur'rlekeen); s. orkaan. heid. —r, a. vernederaae. Humbug (hum'bng), a. bluffed], bedrog; wind, Harr led (hur'rid), a. overijld. —ier (-riur), s. v. a. bedriegen, aandrijver, jachter. —y, a. groote haact, overlarie; bluffer, windmaker. bedotten. ijling; drukte; opschudding. --y, v. a. jachten; Humdrum (hum'drum), a. alaperig, onnoozel, bespoedigen; haastig verrichten; (away. off; ant-, lijzig, —, a. do ► mor, druiloor. wegvoeren; (on) aandrijven; overWen; (out) verllunsect Ijoe-mikt'), —ate, v. a. bevochtlgen. jagen. —y, v. n. ham maken, Wen; (away ng. wegijlen. , —ation (ee'sjun), bevochtlgi Numeral (joe'me-rel), a, tot den schnuder be- Hurst (hurst), s. botichje. Hurt (hurt') [hurt], v. a. letsel doen, bezeeren , hooread. a. letsel; bezeering; kwetsen; benadeelen. Humid (joe'mid), a. vochtig. —ity (-mid'it-t1h), kwetsuur; nadeel; schade. —ful, a. —fully, ad. —ness, s. vochtigheid. schadelijk, nadeelig. —fulness, s. schadelijkheid. liumill ate (joe-miri-eet), a- a. verned"ren; verootmoedigen. —ation (-ee'ejun), a. vernedering, —less, a. onschadelijk; ongedeerd. —lessness, a. verootmoediging. —ty, a. nederigheid, ootmoed. onschadelijkheid, ongeschondenheid. Ilum suer (hum'mur), a. gonzer; nervier. —ming, Hurtle (hur't1)„ v. a. voortduwen, hevig stooten, rondalingeren; v. n. botsen; kletteren, schera. gegons; geneurie. —mtng-ale, krachtig bier. card- mutselen. —berry, blauwben. -ming-bird, kolibrie. —mock (-muk), hoogte, heuveltje. —mums (-mumz), pl. warms Husband (hutthend), e. echtgenoot, huisvader; baden. mannetje (van dieren); landbouwer. v. a. Humor (joe'mur), a. vocht, sap; gemoedsatem- zuinig beheeren; bebouwen. —man,landbouwer. ming; goads luim; luimtge inval; gril. out of —less, a. zonder man. —ly, a. & ad. huishondein eene kwade lutm. —. v. a. zichschikken near, lijk. —ry, s. landbouw; huishoudkunde; huiste wills zijn, aan luimen toegeven. —al, a. van houdelijkheid, zuinigheid. geestig menseh. Hush (Misr), int. atil I sue I —, a. stil,. bedaard de vochten. —ist, e. luimig. —sun, a. —curtly, ad. grillig, luimig, geestig. —, v. a. still en, tot zwijgen brengen; (up) lumen , v. n. sill zijn. —money, steekpen—ousnesa, a. grilligheid, luimigheid. —some, a. amoren. n into -.tamely. ad . gemelijk; luimig. Hump (hump'), s. —back, bochel, bult. —backed, littak (husk') a. schil. dop, bast. —, v. a. schilgebocheld. len. —ed, a. met titbit, huls of bast; gepeld. Hunch (buntaj'), a. bochel, bolt; stoat, duw. geechild. —iness, a. bamtigheid; heeschheid. —y, —back, bochel. — backed, gebocheld, —, v. a. a. schillig; droog, hem), (htaz'zih), a. Huss ar (hua-zaar'), a, huzaan horten, stooten; krom buigen. sloerle, Peeks; huiehomiltjke Huntired (hun'drid), a. honderd. —, a. honderd- vrouwmensch tal; district. —court, kantongerecht. —fold, hon- vrouw. derdvoudig. —weight. centenaar. —er,a. kanton- Hustings (hustlengz). pl. otadsgerecht In Londen); verkiezingsplaate. reehter. —th, a. honderdete. (hus's1), v. a. hutselen. hung-beef (hung'biet), a. gerookt vleesch. Hunger (hung'gur), a. honger; aterk verlangen. Iluvwlfis (huezif), a. huisvrouw; alechte hula-bit, —bitten, a. door den !longer gekweld. houdster, konkel; naaidoos.v. a. zuinig —starved, uttgehongerd. —starve, a. a. doen ver- beheeren. —ly. a. & ad. huishou'delijk. —ry, a. hongeren, —, v. n. hanger.; hunkeren, (after. huishoudelijkheidi beatier eener huishouding. for). —ed, a. —ly, a. & ad, hongerig. lint (hut), s. but, barak,.foods. —, v. a. In eene illungr y (hunlegrih), a. —ily, ad. hongerig, hon- barak of loods bergen. Hutch (hutsj), a, meelkist, baktrog; rattenval; gerend; schraal, —y evil, Londshonger. konijnenhok. —, v. a. bewaren. Hnnks (hungks), a. hongerlijder, vrek. Hunt (hunt' ► , s. jaeht;) koppel hamlet,. —, v. a. Iluzza (hoe-zee'), int. hoezee 1 —, a. vreugdege-
CafeI a (oaf kl), s. kring; tijdkring. —aid (saj'klojd), a. radltjn. —opaedia (-klo-pi'di-e), —opede (-klopled), a. encyclopedia. —opean (-klo-pren), —opic (-klop'ik), a. cyclo'pisch; reusachtig, ontzaggelijk. Cygnet (sig'nit), a. jonge mean. Cyllnd er (sirin-dur), a. cylinder. —sic (ail-iin' drib), —Heal. a. cilindervormig. Cyani!. (sim-maar'), 8. samaar. Cymbal (sim'bel), a. cimbaal. —ist, —player, cimbaalspeler. Cynic (sin'ik), s. hondsehe wijvgeer. —, —al, a. —ally, ad. cynisch, hondach. —fitness, s. hondschheid.—isni(-i-sizm),s.menschenschawheidicynisme.
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
By the time the Erasmus Programme was adopted in June 1987, the European Commission had been supporting pilot student exchanges for 6 years. It proposed the original Erasmus Programme in early 1986, but reaction from the then Member States varied: those with substantial exchange programmes of their own (essentially France, Germany and the United Kingdom) were broadly hostile; the remaining countries were broadly in favour. Exchanges between the Member States and the European Commission deteriorated, and the latter withdrew the proposal in early 1987 to protest against the inadequacy of the triennial budget proposed by some Member States.[1]
Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.

Hoe kan ik kopen Bitcoins

×