1' hN. —PER. a. vijfregelig geditht. —style (-etajl,, a. gebouw met vi,lf zutlenrijen. —teach. (-tjoek), a. (de) vie boast: van Mazes. Pentecost (pen'tekost), a. pinksterfeest. —al (-;;oat'el), a. van het pinksterfeest. of Pent house (pent'haue). —ice (-tie), a. dak, luifel. Pentlie (pen'tajl), a. dakpan. (-rul'ti-met), s. voorPenult (pi'nult), s. —imate laatate lettergreep. Penumbra (pe-num'bre), a. halve sehadaw. P..•nurions (pe-nioe'ri-us;, a. —1y, ad. zuinig, karig, vrakkig, behoeftir. —nest', a. vrekkigheid; behoeftiheid. Penury penloe -rib), a. gebrek, armoede. Peon (Won), a. voetaoldaat; pion (in 't sebaskspel. —y, a. jteht-, pioen-roos. People (pi'pl), a. volk; lieden, pereonen; men. — say so, men zegt het. —, v. a bevolken. Pepper ( ep'pur), a. paper. —box, —caster, paper. bus. —cake, peperkoek. —corn, peperkorrel; beuzeling. --grass, pillevaren. —mint, peper caunt. —p/ant, —vine, peperboom. —wort, peperkruid. — , v. a. peperen; afroasen, Peptic (pepitik), a. de sptjavertering bevorderend. Per (pur), prp. per. — cent, ten honderd. as —, volgens. Peradventure (per-ed-ven'tjoer), ad. bij toeval, raissebien. Peragration (per- e-gree'sjun), s. (het; doorreizen. Perambuia te (pur-em' bjoe-leet), v. a. doorloopen; beziehtigen. —tion (-lee'ejun), a. doortrekking; beziehtiging. —tor, s. doortrekker; wegmeter. Perceiv able (pur-siev'ibl), a. —ably, ad. be merkbaar, bespeurbaar. —, v. n. bemerkea, bespeureu, ontwarsn. Percentage (put.- sen'tidzj), a. eijfer (reeht, cornmissie) ten honderd Percepti ble (par-sep'tibl), a. —bly, ad. bemerkbaar, hevattelijk. —baity a. bemerkbaarheid, bevattelijkheid. —on (-sjun),a gewaarwording; begrip. —ve (-tiv), a. gewaarwordead; bogrijpend. ( -tiv'it-tih), a. w aarttemingsvermo gen. Perch (porte)'), a. roade, rek, roest; bears. —, v. a. nzerzetten; v. n. zitten, roesten (on). —er,s. roe.ter (vogel); attaarkaara. Perchance (pur-tajaans'), ad. bij toeval, eellieLt. Perciplen ce (our-sip'i-ena), a. Zte Perception. —t, a. gewaarwordend, waarnemend; a. beseffer, denkend wezen. Percola te (pueko-leet), v. a. & n. doorzijgen. —tion (-lee'sjun), a. doorzij ;lug. Percuss (pur-kus'), v. a. stootenosehokken. —ion (-kusrun),.. slag, stoat, achok —cap, slaghoedje; —gun, pereuseie-geweer. —ive, a. Zie Pereut lent. Pereutlent (pur-kjoe'ajent), a. schokkend, stootend. Perdition (pur.disrun), a. ondergang, verderf, verdoemenia. Perdu, Perduc (pur-djoe'), ad. in hinderlaag.
H ► N.-HAR rUkskunde, commercial geography; —agent, commercial a,_ ent; —batons, balanco of trade; --bedrijf, traffic; —belong, commercial interest; —Zietrekkingen, commercial relations; —bled, commercial (news-) paper; —crisis, co nmercial oriels; —firma, commercial fir.; —gebruik, custom in trade ; —geed, commercial spirit ; —geschiedenis, commercial history; --kantoor, commercial house, — eaahliehment; —ondernenting, commercial enterprise, speculation ; —rein, commercial Journey; —reisiger, (am mmercial) traveller; --rechf, commercial law ; —school, commercial school ; '--steles', commercial system ; branch of trade. --tarief, commercial tariff ; —tractaat, —verdrag, treaty of commerce ; —vaartuig, trading-vessel, merchentrnan; —vereeniging,commer°tat association ; --verkeer. commercial in ercourse . —vloat, merchant-fleet ; —vriend, correspondent, friend ; --trijheid, liberty of trade ; —wetten, commercial law; ; —saak. con; nerctal
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
Board (board). s. plank, bard; knot; commissie, raad; bordpapier; scheepsboord. on —, aan boord. — of trade, rechtbank van koophandel. —wages, koatteld. Board (hooch), v. a. bepla.. 'An; aanklampen, enteren; in den kost nemen; v. n. in den boat zijn, —er, a, kostganger. —ing-house, koathuis. —ing-school, kostachool. Boast (boost), a. pocherkj, snoeverij. v, a, ophentelen, pochen met; v. n. anoeven, pochen
vessel, ship. den - insktas, to frustrate, to foil. op effen riist, to be without debts. -41.4. -sick, bottom-piece. -trekker, turiel. -en, ov. w. to bottotit. v. bottootry; -brief, letter of bottocnry. -toot, bv. bottomless. Roden, my. domestics, servants. -brood, -loos, wages, hire; messenger's fee. -kaiser, servant's hall; beadle's room. Bodoschap, o. office (functions) of a messenger, - of k beadle. Bodin, Y. (female) messenger. Hoe, tow. whew! Ajj yeti - nods ba, he didn't say a word. -man, bug-bear. Heeded, m. estate, property, possession; inheritance; hoasehold-gcods, lumber. -besorgsr, aschild. Bloo, Moo d, by. & bw. bashful (-1y), timid signee, admtnIetrator. -besorgster, sdministra(-1y1 timorous (-1y), coy (-1y) --chard, m. cow- l•ix. -beschrOving, inventory.-houder,-koadster, be (she) that remains possessor of the estate after ard. -Aortic, by. & bw. faint-hearted (-ly). -hartigkeid, v. faint-heartedness. -heid, v. his wife 's (her husband' s) death. -hubs, house of public sales. -banter. desolate -boner, office bashfulness, timorousness, coyness. Moot, by. naked, bare; mere. *set -e voeten, of the COMIllitiii0111.113 for bankruptcies. -Wet. bare foot, bare-footed. ender den -ea Hemel, in inventory. -redder, -selseider, executor, adminthe open air. -leggen, to lay open, to propose. istrator. -redding, -seheiding, liquidation, division of an estate. -state-, to be exposed (to). -skill., to expose (to). -sidling, exposure. -shvgfds, bare-headed. Beef, m, knave, rogue, villain, convict. -aelstig, -sch, br. & bw. knavish (-Iy), roguish ( 4 1y). bare-foot. -, w. merely, barely, -aehtigiseid, v. knaviehneas, knavery, villiaey. only. -en, ov. w. to clear; to tires., to strip of the wool, to pluck off the wool from. -tool, Bteeg, m. bow, prow. over den - mien, to keep the coarse; to go on the old rate, to continue in fell-wool, carrion-wool. -er, m. skin-dresser. one's old path. het over ten anderen wendyn,to -held, v. nakedness, baseness. Bios, an. blush. tack about; to turn over a new leaf, to sing anBlots w el, m. brake. -en, ov.w.to brake,to dress. other tune. bet over all. -en menden, to try every Bion ass, on. w. to blush; doss -, to put to thing, to leave no cone unturned. iesstsnddwars the blush. -end, by. blushing; blushy, rosy. vow. den - bosses, to cross to thwart) a. o. op den -ing, v. blushing. -, all at once. -tinker. bow-anchor, streamBlur, nt, brag. - oilcan, to make display, to anchor. -bandes, breast-hooks. -bruises, to go boast, to brag. -fen, on. w to boast, to brag near the wind, to tack about. -lam, shoulderehotten, splayed. -legger, vessel in turn. -Wit, inset, of. of). for, in. braggart. -ferij, v. braggardlem. bow-line. -slag, tacking about. -.4Priei, bowMunch mereedschap, o. utensils for quenchsprit. -eprietstag, bob•stay. -stnk, bow-piece; ing a fire. -midde/, means to quench. -toestel, gun on the forecastle. -en, on. w. to steer the engine (apparatus) for quenching. -vat, vessel course. -seerlOn, v. halter, -scores, ov. w. to tow, to take in tow. to quench. litoeschen. ov. w. to quench, to extinguish; Noel, v. buoy, shackle, fetter. -bora, side-plank. to slack (Lek), to gratify. -er, in. quencher. -plank, gunwale-board. -reep, buoy-rope. -en -ing, v. quenching. ov. w. to fetter, to chefs; to captivate, 4o fasBlots, be. hard up, out of cash. -, v. bruise, cinate; to plank. Aooggeboeid &sip, deep -waisted contusion. -snorts, purples, spotted fever. -en, ship. -end, by. capti•ating, fascinating, -er„ ov. w. to bruise. m. yacht, pleasure-boat. -set, o. upper plankHobbit!, an. bubble; bump, pimple. -en, on. w. ing. to bubble. -tg, by. with buboles, - bumps. Boek. o. book; quire. is - stellen, to set ,to write) down, to record. to staan roar, to pass -kg, v. bubbling. Boitstjn, v. bobbin, spool. -en, ov. vr. to wind for, tibia - opendoen, to divulge one 's own se on a bobbin, to spool. crets. *tine -en besweren, to take an oath upon hunch, hunch back. -aar, hump, The truth of one 's accounts. -band, binding. Bochel, m. -beoordeelaar,oritie.-teoordieling,-beschouning, m. --amulet, v. hump-back; plodder. -en, ev. w. to plot. critic. -beelatl, clasps. -blades, book-bindBocht, o. trash, stuff, scum, refuse. -, v. brut, ing; bookbinder's trade. -binder, bookbinder; turning, winding, coil; bay, gulf. voor -slcnecht, journeyman-bookbinder; -aeltiet.. bookbinder's paste; -sploep, plough; knife. -bisder(ii in de - springen, to take (to embrace) a. o. 's bookbinding; bookbinder' shop. -sdeelooltime. cause. -ig,, by. crooked, sinuous. -igheid, v. -drukken, printing. -drubber, printer; --ejongen, crookedness, sinuosity. printer's devil; -.0knecht, journeyman-printer. Hod, o offer. bidding. Bode, on & v. messenger, beadle, apparitor; -drukkerii, printing-office. -drisakunst, art of agent's man, roaster. printing, typography. -gesekenk present of a book. -Handel, book-trade. -handelaar, in. bottom; ground, soil, territory,
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Hoe heeft Bitcoin gain-waarde


Sapp., (sep'pur), a. sapoeur. Sapphire (Bef'tir). a. Baffler. P., Sapp Incas (sep'pi-ness), a. sappigheid. sappig. Sarcas m (saar'kezinl, s. bijtende spot. — tie, — tical, a. — tically, ad. (ser-kes`tik-), schair.per, bbtend. Sareenct (saars'n1t), a. tat. Sarelle (saar"k1), v. a. wtedcn. Sareoo eele (saar . ko-BieU. a. vleescb-, zakbreuk. — logy se, k(Wad - ,jih , , s. leer van de vleezige den(,,,r-ko'me), s• vleezig nit ten de, licbaama. was. — phagoos leer - kore gun), a. visesche:end. — phagus (tier - kOre - gun , , B. sarcophaag. S'ard an (saaridec), — ins i.dajn), a. sardOn (vi,ch). — ius,s. sardijn (nctelgesteente). — onic — ins Iser - don'ik), e.. sardonisch, gemaakt, grijnzend. — oLyx ( - dt+ - rliks), B. sardonyx. Stark Isaark , , n. he ► d. Sarment oar (saar.trien-toos'),—ous (ser-=ent , en), a. rankig. Sarp cloth (tiaarp'kloth), a. paklinnen. — tar s. halve heal (wol). —tier ( -1 i -1., ), a. pak lineen. a. valbek, Naldeur. Sarrasine a. marsapsril. Sitrsapartita v. a. zilten. fljne s. sjerp, gordel; schnlfmain. — bolt, Ma.h
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat zijn de belangrijkste Cryptocurrencies


113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to
Equanim ity i(iekwe-nirn'it-tih), a. gelijkmoedigheid. —out' (-kwen'i-mus), a. geltjkmoedig. Equation (e-kwee'sjun), a. vergelijking; equatie. Equator (e-kwee'tur), a. evenaar, evennachtslijn. —ial (i-kwe-to'ri-e1), a. tot den crooner behoorend. Equerry (ek'wer-rila), a. stalmeester. Equestrian (e-kwes'tri-en), a. to paard zittend; . ridderlijk. —atatue, ruiterstandbeeld. Equiangular (1-kwi-eng'gjoe-ler), ti.gelijkhoekig. Equicrural (i-kwi-kroe'rel), a. geltjkbeenig. Equidistan ce(i-kwi. d Wiens 1,.. gelijke afatand, a. —tip, ad. op gelijken Ostend. Equifortnity (i-kwi-forneit-tih), a. geltjkvormigheid. Equilateral (Pkwilet'ur-e1), a. gelijkadig. Equilibr ate t(i-kwi-lArbreet), v. a. in evenwicht brengen. —ation (-1i-bree'ejun), —ium (-lib' ri-um), a. evenwicht. —ioua (-lib'ri•us), a. evenwichtig. —let, (e-kwil'i-briat), s. balanseerder; koorddenser. —ity (-lib'rit-tih), a. gelijkheid van gewicht. Equin eel (e-kwaj'nel), —e (i'kwajn), a. paarden bet reffend. Equi noctial (i-kwi-nok'ejel), a. de nachteve• ning betreffend; s. evennechtsltjn. —nox (i'kwinoks), a. nachtevening. Equinumerant (i-kwi-njoe'mur-eat), a. gelijktallig. Equip (e-kwip'), v. a. uitrusten. —age (ek'svipidij), s. uitrusting; kleeding; reisgoed; gevolg; rijtuig; acheepabemanning. —aged (ek'wi-pidejd), a. wel uitgerust. —meat, a. nitrusting. Equipoise (Pkwi-pojz), a. evenwicht. Equipollen ce (i-kwi-porlens), a. gelijklield von macht (kracht). —t, a. gelijk van macht (kracht). Equiponder ance (1-kwi-pon'dur•ens), s. ge• lijkheid van gewicht. —ant, —oua, a. gelijkwiehtig. —ate, (-eat), v. n. even zwaar wegen. Equit able (ek'wi-tibl), a. —ably, ad. rechtschapen; onpartijdig. —abl oleos, e. held; rechtachapenheid; onpartijdigheid. —alien (-tee'sjun), 5. rijkunst; (het) paardrilden. —y, s. Zie Equitableness. Equivalen ce (e-kwiv'e-lens), a. geltjkheid van waarde. —t, a. van gelijke waarde (kracht, be teekenis); a. tegenwaarde; vergoeding; equivalent. Equivoc al (e-kwiv'o-kel), a. —ally, ad.dubbelzinnig. —alneaa, s. dubbelzinnigheid. —ate (-keet). v. n. dubbelzinnig speeken. —ation (-keesjun), a. (het) dubbelzinnig tontwijkend) spreken.—ator (-keetur), a, dubbeizinnig spreker. Equivoke (ek'wi-vook, a. dubbelzinnige uitdrukking. Era (ie're), s. jaartelling. Eradia te (e.ree'di-eet), v. n. stralen schieten. —lion (-ee'sjun), a. straling. Eradica tc (e-red'i-keet), v. R. ontwortelen. —lion (-kee'sjun), a. ontworteling; uitroeiing. —live (-ke-tiv), a. ultroeiend; in den grond genezend; s. middel, dat in den grond geneest. Eras a (e-reel'), v. a. ultkrabben, doorhalen; slechten. —ement, a. uitwisschlag, doorschrapping; sleehting. —ion (e•ree'zjun), —ure, (e-ree' zjoer), e. ultkrabbing, dcorhaling; slechting. Ere (ear), ad. err, vroeger den. —long, ad. eer-

Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×