a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring. 

cryptogeld jobs


pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.
206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


Loon, o. reward, recompense ; wages, salary. —bedereer, one that underworks, tinderseller. —peer, pay-master. —trekkend, receiving wages. —trekker, one that receives wages, hireling. —en, or. w. to reward, to recompense; to pay; to make up for, to be worth. Loop, en. course, running, run; cane; career; stream ; dysentery; barrel (ran een geweer); train lean kruit) op den —, in the streets, abroad. op den — goon, to ran away, to take to one 'a heels. —achtig, by. fond of being in the streets. gadding. Loop en, on. w. to run, to walk; to flow, to stream; in het cog to be apparent, under den, root —, to run down ; storm —, to retake en assault, to storm; latest —, to let alone, to let go; (,tat sell) to strike sail. het loopt naar rhjf uur, it is near live. —bean, career, rites ; life ; orbit. —graaf, trench. —jongen, foot boy, errand boy. —kneekt, footman, errand-man. —mass, rumor. —Relate, errand-girl. —perk, race career, lists. —plaats, rallying-place, quarters. —plank, gangw ey, gang-board. —prijs, price for a race. —.chant:. retrenchment, trepan. —schuill Redding gonoip. —stag, man-lope. term. —wagers. go-cart. --end, ov. running, current; instant ; der —et maand. instant; — ruurlje, train of gunpowder. —er, rn. runner, racer; expreee, foot-p. st ; forefoot; upper-mill-stone; muller; bishop (in 't sehiakspeii ; master-key, double key; hoistingrope ; stair-carpet. onrrun quibble, fun ; trick, knack, sleight ; een nessen met, to rake a fool of. Looputb, be. gadding ; proud, ruttish. —held, v. pride. ruttishness. Loaopstsr, v. gadding gossip. Loser, v. to goats, to be lost. Loos, tr. old rope, slack. ll.nos, be. sly, cunning, subtle ; false, spare, empty; sham, mock. —., .bw. —eiijk, bw. slyly, cunningly. —held, v.:elineern cunning, craftiness; Loot, v. layer, shoot, sprig, branch. Loover, v. leaf, tinsel. o. foliage. —tje, o. spangle. Loos an, or. w. to void, to emit; to get rid of; sea zucht —, to heave a sigh ; xijn water —, to make one 'a wate• —ing, v. voiding, evseuetton. Lor, v. rag; worthless thing ; gooe-for-notaing fellow. —rewerk, burgled piece of work. —restdraaien, to /smuggle, to interlope, to trade unlawfully. —rendraaier, —rendraaister, interloper; cheat, sharper. —rendraaierij, smuggling, interloping; cheat, sharping. —renkist, box for rags, —reamand, rag-beeket. —renrrouw, rag-woman. —rensoeker, rag-man. Lording, v. belaying-rope. Lorgavet, o. spy-glass. Lore boon., rn. larch-tree. —.seam, /Tarte. Lorresi, 0^. w. to cheat, to gull, to /sharp. Lorreotie, o. parrot. faserrig, bv. & bw. worthless ; clumsy (-11y). Los, m. lynx. Los, by loose, untied, slack, unconnected, trio; vague, uncertain; lneonatant, unstable; carelesd, Lotten, bv. dt hw. henry (-ily), dill (-y), slow (-1y). —heid,v. heevinees, dullness, slowness. —ig, easy; dissolute, wild, wanton. — genie/It, flying by. Zie Loom. —igheld, v. Zie Loiumhaid. report. met — kruit. without shot. bw. —enzoeker, rag-man, rag-picker. —enhandet, trade with raga. —enkoopman, dealer in rage, rag-min. —entnand, rag -basket. —ensuiker. lump-sugar. Lonapen, ov. w. to cheat, to gull. Lome, erd, in. clown, clutney (unmannerly) fellow. —held, V. clumsiness, nwkwardness, dullum; unmannerlineas, impoliteness. —igheid, v. Zie Lonepheid. Long, in 'nies; lights. —older, 'pulmonary artery. —kruid, long-wort, pulmonar y. —kraal,—ziekte, —zucht, pulmonary diseaee. —ontstekistg, inflammation of the lungs. —pljp, wind-pipe. —tering, phthiste, pulmonary consumption. —neckties, be. phthisical. Look, m. ogle, smickering, sheep's eye. —card, ro. Zie Looker. —en, on. w. to glance, to ogle (at), —er, tn. —star, v. ogler. Loot, v. match, lune. ruiken, to smell a rat. —recht, force of arms. —stok, loot-stock, linstock. Etsociseee star, ni. —aarster, v. denier. —boar, by. deniable. —en, ov. w. to deny. —ing, v. denialo. lead; plummet, plumb; gram, half an ounce. (nederl) decigram. kruit en —, powder —erta, 'lead ore. and chat. —arch, elumbaeine. plumber. —gieterie, plum. ber's trade; — workshop, nlatmbery, lead-work*. —gilt, litharge of lead. —kalk, call of lead, massimot —kleur, lead-color. —aleurig, —vereig,losdcolored ; livid. —Zeikel, plumber's ladle. —16n. eounding- line; plumb-line, plummet; perpendicular. —metual, molder. —mien, lead-mine. —recht, bv. & bw. perpendicular (-1y). —.chunks, dross of lead. —*teen, plurnbaeo. —salter, sugar of lead, — of Saturn. —viiriool, sulphate of lead. —wit, white-lead, ceruse; —motels, w hite-lead-menufactory, white-lead-worke. —coat, salt of saturn. —swan , by. leaden; bw. heavily. —en., lsv. leaden. —en, or. NV. to plumb, to lead. —,fie, o. ticket; hit — leggen, to be a lacer, to pay for the %hole company. laseseds, V. booth, shed. --, m. (coasting-) pilot. —boot, pilot-boat. —geld, pilot's wages, pilotage. —man, pilot. —raarweter, pilot-water. —weaen, pilotage. —en, ov. w. to pilot. Loot', o. folinee, leaves; green. —hat, tabernacle. —4useeafeest, `east of the tabernacles. —rijk, leafy. —went, featooe-work, branches, leave, —worm, caterplilar. —achtig, hr. like leaves. Long, v. lye, hock. —a.ch, buck-ashes. —bak, backing-tub. —doek, bucking-cloth. --water, lye, buck. —.rout, alkali. —soutig, alkaline —achtig, by, alkaline. —en, ov. w. to buck. —inn, v. bucking. Loci, v. oak-bark, tan. —en, or. w. to tan. —kuip, tan-pit, to-a-vat. —star, tannin. —en, ov. w. to tan —er, to. tanner; —stalk, —erij, v. taunter's trade, tanning-brininess; tan-house, tat* yard, tannery. Look, o leak, garlic, scallion. —5ol, cove of —taus, sauce of girlie, onion-sauce. —acntig, by. smelling (tatting) of leek, — of

1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with
L. Lft, v. Zie Lade. --tafel, chest of drawers. Lied bun, v. barrel. —gat, touch-hole. —kruit, priming. —Lepel, charger, charging-ladle. —pan, pan. —prim, priming-needle. —stole, ramrod. Lang, v. layer. ;red, etretutn , row ; tier ; snare, ambush. de voile —, a broad-side. ien.and icsgen legges, to waylay a. o., to lay snares for a. o. Lang, by. & bw. low (-1y), base (-1y), mean (-1y). —hartig, by. & bw. moan (-1y). —loopers, cogged dice. —held, v. lowness, baeeeess, meanness. bw. lowly. —te, V. Iowness; tottom, lower part; valley; in de —, below, down. Lank bane, by. & bw. blamable (-bly), blameful. —baarkeid, v. blamableness. sick, censorious. —stseht, censorlousneas. Lean, v. alley, avenue, walk. Lanes, v. boot. —je, o. half-boot, buskin. Caarxen, ov. w. to put on boots; to breech. Lemma been, a. boot-tree. —kap, top of a boot. —knee/0, —trekker, lock, boot-Jack. —weaker, boot-maker. —echaeht, leg of a boot. —winkel, boot-maker 's shop. Laces, taw. alas Cant, by. & be. late. hoe — is het? what o' clock is it ? Cant band, m. —teindeel, —zwachtel. ligature, bandage, —When, beasts, pallet. —gat, opening in in artery. —User, —1/10m, lancet. —hop, cupping-glass. CarAdankend, by. self-conceited, arrogant. —held, v. self-conceit, arrogance. Lesatst, be. last. op bet —, at the end. ten —e, lastly, at last, finally, at the latest. bw last, lately, the last time. —leden, bv. last, ultimo. —toorgaasde, penultimate. —eitik, bw. lastly, finally. Labaar, v. large linen deck•cloth. Cabbel, v. gossip, blabber. —en, on. w. to gossip, to blab, to prattle. Cabbekak, m. & v. tell-tale, tale becrer, gossip. —ken, on. w. Zie Labben. Labb en, on. w. to gossip, to tell tales. —er, m. tell-tale, tale-bearer. Calabar, by. soft, light, slack. Cabbardaan, m. salt cod, haherdine. Cabbier en, on. w. to shiver. —koelte, soft breeze, loom-gale. tabberlot, m. rake, blackguard. —, v. (a kind of) row-boat. Loch, m. laugh, laughing. — en, on. w. to Laugh (on, at); in sijn vsiatje —, to laugh in one 'e sleeve. —lust, hilarity. —lastly, hilarious. —epier, laughing•muscle. —trek, laughing feature. —etch, laugher, simperer. —end, by. laughing, smiling, cheerful. —et, m. laugher. —je, o. smile. —sten, v. laugher. Ladder, v. ladder. Lade, v. drawer; till (coon geld); box. Lad en, ov. w. to load; to lade, to charge, to
This content is being provided to you for informational purposes only. The content has been prepared by third parties not affiliated with Coinbase Inc or any of its affiliates and Coinbase is not responsible for its content. This content and any information contained therein, does not constitute a recommendation by Coinbase to buy, sell or hold any security, financial product or instrument referenced in the content.
be. & bw. easy (-11y) ; comfortable (-bly), coinmodious (-Iy). —keiejkheid, v. easiness, facility ; comfortableriese, commodioutiness, —shelve, by. for easiness' sake. tetanal, o. foolery, apart, fun. Geanalin , v. consort, lady, spouse. lioneangel, o. mangling. G oroarsterd, hv.. mannerly, well-bred. —held, v. mannerliness, good breeding. Gentling o. tarrying, lingering. Go mantel. o. tormenting, torturing. Gemarkond, be, masked, covered. — bal, masquerade. Gentestigd„ bv. & he, moderate (-Iy), temperate ( ly). —held, v. moderation, temperance. Genenuesv, o. mewing. Gember, v ginger. emaress, by. & bey. common:(-1y), ordinary (-Hy), usual (-ly); vulgar (Ay). low (-ly), mean (-1y). hebben met, to have -- soidaat, private sotdier. in common with. —, o. vulgar, mob, populace, —making, publishing. —plaate, common-place. —elachtig, common, —matt tribune. Genseettelbost, o. republic, commonwealth. —pesinde, republican. G onesonitile, bw. commonly, usually. Gentrensetbap, v. c :immunity, relation, connection ; intercourse, communication ; society. .--pelkik, by. common, joint; bw. in common, jointly. Goenotente, v. commonalty, community; commune, parieh, church; congregation. Ws der —n, horse of Commons. —besteur,, municipality. —grond, commune, parish ground. —keit, common-hall. cherges of a commune. —lid., member of a community. —road, common-council. —recht, right of common, privilege of the pariah, —school, parish-school. —welds, common. —wet, law regulating the management of the affairs of a commune. Gentrenzaane. be. & bw. familiar (-ly), intimate (-1y). —held, v. familiarity, intimacy. Gemmed, be. mentioned, said. Goneeifik, by. & bw. cross (-1y), peevish (-ly), morose (-1y). —held, v. croseress, peevishness, moroseness. le omorkt, v. w. whereas, since, seeing that, in consideration of, (acme*, O. acre, Gentetsel, o. building. Geneiddold, by. average. — genomen, upon an average. GexnUenter, o. revery, doting, dotage. tionsijteerd, bv. mitred. Genets, o. want, absence (ran. of). Gowned, o. mind, conscience. en —e, in conscience. — saandoening, —sbetoeging, emotion, —saard, —egoteldheid, disposition, temper, turn of mind.,—eruct, tranquillity of mind. —satemming, dispotsition,frame of mind. —el(jk, by. & bw. conscientious (-ly). —elOkheid, v. conecientioustess. Genuseederan„ o. mv. minds, hearts, opinions. Gerneeedlie, be, meek, snit; supple. G ennont (to), be, — gams, to go to meet. — tomes, to inset ; to indulge; to assist. — Toms, to object, xien, to expect.

Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


HYG.-BEa• o pliment, to welcome. -ing, v. salutation, greet• accompa ► lot, - ing, a, an- ion; attendant; compenytng; ett,ndance; eaeort; eccompatiiment. toe. ligegrountnen, ov. w. to grumble at. 14eorelnker•lfgen. ov, w, to beatify, Iteseurdlg en, oar. w. to pardon, to forgive. Itegroot era, ov. w. to eitiroste, to compote, to rat, to tax, - ing, 7. estimation, computation, - icy, v. pardo ► . budget. liege, era, to, too to diapole cf. to confer (upoot„ tol,esonot, to liesmirch,tolully. to collate; to abandor., to for.nk, to fail; rieh Illegirspleten, t. w. to go, to repair, to resort; to enter ItiegnSette10 0 , ov. w. Zie Bean...e.lest. io 1-tegirreerig an, on. w. to favor, to grati4. -er, ('nto). to betake one ',A .1f; zirh op reit In. protector. -tog, v. favor, gratification. -ster, set o ► t on a jouruey. .tieh in den erht - , to marry. v. protectress. to i Elle a wife. - er, gin. conferrer. collator; for- uleasiwr ( - 13, ), comfortable Faker, de•erter. -. - ing, a, conferring, collation.; Illel ► erapt WU, Ire. (-WV, delightful t - iy). --1 herd, v plemingnese, zoreaking, thoertion. eontrortaben,sii, comfort, deliehtZioiness. - ziek, it , -aafet en, 01 w. to water, to asperse, to be- be coquettish - .chi. coquetry. v, sprinkie; to drink on the isuccesx of. Ilebs.nd, be. hairy, covered with hair. teetering, ampotoito ► . on w to please, to be agreeable. -, St v. 1:1 ► 11P8, --en, (pr. vr. to Deli/Igen, Haertflig de o. pieriaure. detight, - rtnden (aelteppen1 in, to endow, t i bvist.ow a gift upon, to gift, to pre,nr -take) deiight in, to like. with -or, m. donor. - ing, v. endowmert, do- Hobo) en, on w. to get, to obtoin, on, to ► 411011. compromise; de overteinnng - , to carry the day. IlvostioN v. begien. -ra crone .jack-yarn. - enhof, rn. obtainer, prite-taker. - ing, v. obtaining, cor► vent OC beguire. obtoinment. beginning, (oorrinonce , rent; opening; 0, enirenceo oriKiro source. one., ov. & on w. to Ileholee, bw. except, save begin, to oomtnence, to enter upon, to take rise Bahrnelel en, ov. a, • to handle, to manipulate; to manage, to treat of, - upon; to treat, to use, tyro. from. -tier, rn. -star, v. beginner, to deal with; to attend. - ing, a handling, - rel. o. beginning. oleo eat, rudiment; principle. o.•intpulation; treatment; attendance. - selNoe, bv. unpriociped en, on. w. to hand (o'er), to deliver. illegilanp en_ ov w. to gave p fetlIP (a $0100 to, 11411.111(11g loanding aver, delivery. -ing se coloring, maksog plausible, to pailiat, ng en, on. w tc hung (with tavetry). to ► Itieh palliation. m paper-hanger, upholsterer, - set, Helene en, ay. w. to spy, to leer at, - upon, paper. a. tapeotry, hangings. - lag v. spying, leeriro, (at). Ilettnritg etre, on. w. to take to heart, to mind. Ilie}tioor tier, to ---seer, v. spy, eyer. -enaivaartlip, by. worth reflection -ing i v. taking a.4r. no. ---,orator, v, beguiler, to heart, attention. care. delude - , fascOmitor: - en, ov. te. to beguile, to direrdelude, to enchant, to captivate, to fascinate. iSvbeer, o managemert, admIniatrotion, steelat - , mist...gement. - der, m. mane-lingo v. tegollement, delusion., enchantment, thou, ger, administrator, director -en. ov. w, to ra,ioation; ;Motion. ing, v. Zie manage, to adminietar, to direct Begs neIeri . ov tr. to throw at, -- on -sch,n, on. w. to govern, to rule, to lietArtenfpletnts, v. buriai•plac,,burying-ground, - schen, m. governer, elomineer. sway, to ,hotch yird• master. - setting. v. government, sway, dominagrosty, illtegenevool, Lion. --seer, v, admintatratrix, directress. Begralleui , v. burin:, interment, funeral, liebeksen, ov. w. to bewitch. der, underteher. -fends. burlal-fund. - kosten, etilpen (z103), t. w. to make ehift (with), v. funeral rites, plechtighetd, funeral exruses. se content one's self (with). rich seer moeten oba000lPs. Tho to have bit a acanty allowance. Ileg,rnonorser., ov w, to arter (;o growl) at. contain. W. to bury, to inter. - er, iii. Bebellzeu, ov. w• to ltIo.geri• bw. dexter°. (-iy), handy ha. ourier --ing, a burial, imerment. oily). - held, v. dexterousnesa, handiness. llorwrazen, or. a'. to xraz, Tilet,..pr, by. subject -., liable (to), affected - held, v. lirrotedeess. Illegrin,..t. be. troub!ed iwith). 0 0, w , acr ► limit, to border. Behoed en. or. w. to preserve, to guard, to w. to hcw,i1 ti grimes', protect, to defend, to shelter. - rniddel, BegrUp .24Uk, by. bve. comproharesili:e (-lily). preserver, protector- -ing, v. naive. -er, eltjkheid. v. coin- bw. heedw. to preservation, protection. -zoom. ha. & pr,lienpiblenest, intelligeno , - en, - zaamheld, v. heedful Put (-1y), cautious to comoreliend, to include, to seise to catch, neon, caotion, ,ucompass, to understand, to conceive. of , behalf ran, In (on) ten behoere o uottoo. concept., ideal; approlien• Bel.ef,, a. hebben tan, to - te, v. want, reed, necessity, abrid.gment, compendium, surn• alon„ kart - ter, v. mv. necessaries, oboesbe in want of. of his is oat that dot gnat boven atin --. roary. pities - tiy, be. indigent, necessitous, needy. ophere (beyond his coocept!on)„ Ilrgreet en, on. a. to overgrow, to cover. - d, - tigheid, v. indigence. lliehoeven, on. w, to want, to need; on. w. to 00. 0,711' ► •1. --ing, v. overgrowing. repielte. llitelorott en, on. vc. to salute, to greet, to corn- need, to be rieceslary,


Fuse atIon (fus-keeNjun), a. verdonkering. -011,8 (fus')us), a. donker, dof. Fuse (fjoez), v. a. & n. smelten. Fusee (fjoe-ate'), a. kettingspil; Omer (van Rene bom); vuurroer. Fos' bility (fjoe-zi-bil'it-tih), a. emeltbaarlicid. (fjoe'zibl), a. smeltbaar. Fusil (fjoe'zil), a. emeltbear; vloeiend. —ier, a. (-tier'), fueelier. snaphaan. Fusion (fjoe'zjun), a. smelting; gesmoltenheid. Fuss (fuss), a. opechudding, rumoer. Faust (fast), a. schacht (eener null); dun reuk. —, v. n. duf rieken (smaken). Fustian (fust'jen), a. bombazljnen; hoogdravend. --, a. bumbailjn; bombast. Fustic (fuetik), a. geelhoue. Fustiga to (fuett.geet), v. a. afrossen. —tion (-gee'sjun), a. afrossing. Vast mesa (fus'tt-ness), a. duf held; be - chimnteldheid. —y, a. duf riekend; beschimmeld. Foul{ e (fjoe'til), a. beuzelaeht1g. —ity a. beuzelachtigiteid. Futtock (fut'tuk) t s. buikstuk, rib, titter, opbanger. — of the ',dere, oplanger van een battenspoor. —hook, puttinghaak. —line, verticale doorsnede. —plate, mareputting. —shrouds, puttingtouwen. —staff, sprijbout. —timbers, oplangers. Future (fjoeijoer), a. toekomend; a. toekomst. —ition (-risrun), a, toekometige staat. —ity (-tjoe' rit-tih), a. toekomatieheid. Fuzz (fun'), 8. vezeltjes, pluisjes. —, a. n. ultrafelen, veneer* stuiven. —ball, wo1faveest (pleat). 'Puzzle (Neal), v„ a. dronken maker. (Lie to Fuddle)., la. ruw, gepinkt. Fuzzy fnz'aiii). n Fy (faj), i t. foal!

Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.
tiadestann, ov. W. to observe, to watch, Grading, v. liking, choice. het is niet can mite —, I. is not like it. kept pij —in Set Ws? do you like the house ? will the house suit you ? Gaffe', v. prong, pitch- fork, fork, gaff. —steel, stick of a fork, —stukken, crotches. —land, prong. —vormig, be. forked, forky. (Sagnl, as. wild myrtle. —, o. palate, gums. t;E aggeleeu, on. w. to gabble, to gaggle. Gal, v. gall, bile; wind-gall; choler, rancor. zijne sithraken, to vent one'e spleen (on). —afscheidistg, secretion of bile. —appel, —neat, gall-nut. —bloat, gall- bladder. —koorts, bilious ..fever. —leider, binary duct. —weep, gall-Py. —sick, bilious, choleric, eplenetie. —ziekte, —zucht, bilJou. complaint, jaundice; cholericness, spleen. Galamat, by. & ow. gallant (-1y). gallant, suitor. Galanterle, v. gallantry; courtesy. —n, me. fancy• go o ci s. —wicket, bazar, repository of fancyarticles. Grasses, v. galeae. Gelid, v. galley. —boef, —slaaf, convict, galleyslave. —straf, the galleys. GeterU, Y. gallery. Gnlg, v. gallows ; gibliet; gallowses, suspender, straps. —host, —peal, gallows tree, --estedc, lowe- bird. —emaal, last meal. —stronie, hangingface. —eveld, place o f execution. —enaas, gallows-bird, Gitifile, be. sortable, saleable; easy. —held, v. sortablen ens, saleableness; easiness. Gel,j oeaae,o. prow, galleon., Galljoot, o. galliot. Gail ess, ov, w. to gall. —ig, be. bilious. Geslsn m. sound, reverberation, rebound. —gat, pent-hole. —en, on. w. to sound, to resound. (isles, o. lace, galloon. —neeren, ov. w. to lace, Galop, so. gallop. —peeren, on, w. to gallop. Galp en, on. w. to cry. —leg, v. crying. Gander, m. gander. Gong, m. going, walk, course, tack, way; fare; pace, gait; alley, passage. sijn — goon, to go on, to keep one's course. iemand atin laten gaan, to let a. o. have his own way. aan den — helpen, to set a- going, to set on. aan den— sijn, to be in. —booed, gang-way. —pad, foot-path. —spit, capstan. —boar, by. current. —baarheid, v. currentness. —elje, o. going, tack; errand; lane, alley; ern — met ientand gaan, to keep one close. Gannet', ea. rogue. rascal, wag. Gans, Y. goose. jonge —, green goose. gosling. lifoeder de —, Mother Goose. genuses, by. whole, all. —, bw. wholly. — niet, not at all. Gauze boast, m. leg (wing) of a goose., —drek, goose-dung. —kuiken, gosling. —lever, goose's liver; —pastel, goose-liver-pie. —neb, goose-bill. —pest, goose-pen. —peper, goose-giblets. —poet, goose's foot. —scht,clit, goose-quill. —veer, goosefeather. —vet, goose-skin. —vet, goose-fat, goosegrease. — vleugel, goose-wing. —voet, goose-foot; orech. —nbord, goose-geme-board. —nei, goose egg. —chapel, hail-ehot, small shot. —nhoeder, goose-herd. —nhok, goose-pen. —*japer, goose-
o ( aje a n),e sm. edeal, n , s a, ab. °;o!enntp. el. Share a na nd rot l n nee bo e g et ahaar, nto _ dea l ada:eln r.—,v. (in. a ie a ; r,. eeel deal nemen se,icrra, hap; bewchutting. —e, v. denier, deelhlbber. (from).( - tiff Shttrk (sjaarkl, a. haai; bedrieger; bedrog. a. v. a. wegkapen; v. n. bedrtegen; Febuirnloopen. — er, a gelukzoaker; schuirnioaper, opilchter. a. senaduwing. schaduwan. ir ii tl a)adaerp'3, . ,,zoi;k()h. et_) , Feala. er_ (1-,ass)., s. 1...)errijkheid. Sharp p:a iy , e ,,hde .rp oe ehtaeor nr ;
Yearn (jien'), a. —ling, a. ong, tam. —, v. n. Jongen, lammeren. . Year (flee), a. jeer. in —s, bejaard. —book, jeerbock. ---ling, a. eenjarig; a. eenjarlg beast. --ly, a. & ad. jaarlijkseh; jaarlijks. Yearn (jurn'), v. a. bedroeven, grleven, v. a, hunkeren, smaehten (for), met deernis *awe dean worden, bewogen zkIn (upon. towards. to). —ing, a. amaelttend verlangeu; opwet:ing des hasten, van teedarheid. Yeast (Pest'), a. gist; sehultn. —y, a. glstend; gistachtig; schaimen.d. Yelk ijelk),s. dooter. Yell (jell), a. gtl, kreet; gehull. v. a. (out) ult., gillen, v. a. gillen; huiten. Yellow (jerk)), a. gee!. —. a. girl; jaloersch. —boy, gondstak. —dun, tzabelle-paard. —fever, gate koorta. —George, auinje. —golds, pl. hoerbled. —gum, geelzucht. —hammer, geelvink. —jaundice. geo)tucht. —lead, good eel. —parsnip, gale knol. — peen. —rattle, gels hanekam, lutakruld. —root, warner's) (plant). —sureory, bitterb braid. —warbler, gels goes. —ware, rooinkleurig ateengoed. —weed, woaw (plant). —, v. a. & n. geel klearen (worden). —ish, a. geelaehtlg. —ithness, a. geelachtigheid. —ness,s. geelheid. -s (-looz), pl. geslzucht. Yelp (jelp'), v. n. keffen, blaffen. —er, a. kefter. Yeomen (jo'men),s. kleine grondbezttter, pathter; gardiat, ltjfwaaht; hotbedlende; opslehter;
Dik, be. thick ; big; fat; swollen, bloated; curdled, clotted; clone. — van Auld (vet, schil), thickskinned, thick-coated; insensible. dikke eisd, butt-end. bw. thickly; clots. — gekleedgaan, to dress warmly. err — in zitten, to be monied. - o. thick part; dregs, sediment. grounds (vms kojle); calf (van hot boos). door — en dun, through thick and thin. —bast, -- bulk,-wrens, —oak, ,wag.
ligheid; gebeurlijklteid. —t, a. toevallig; gebeur. Contrast (kun.traast)., V. R. tegenover elkauder stellen; v. n. afsteken bij (with). lijk, --t. s. toeval; aandeel. —tly; ad. bij ge- Contravallation (kon-tre-vel-lee'sjun), s. teval. genverschansing. Connell. al (kun-tin'joe el), a. —ally, ad. aan- houdend, gehtedig- —Ones., s. aanhnudendheid. Contravene (kon.tre.vien'), v. R. weeratreven; belemmeren; o‘ertreden. —r, s. overtreder. —dace, s. onafgebroken opvolging; aanhoudend- heid; voortduur; verblijf; uitstel. —ate (-et), a. Contravention (kon-tre-ven'sjun), s. weer8tresing; overtreding. onafgebroken. —ate (•eet), v. a. nauw verbin- Contr.:version (kon.tre-vur-sjun), a. onikeeriag, den. --ation (-ee'ajun). a. voortzetting. —alive verkeering. (•e-tiv)., a. voortzettend, voortdurend. —ator, a. voortzetter. —e (kun-tin'joe), v. a. von rtzetten ; ('ontrectatioti Ikon- trek. tee'sjun), a. betasting. verschuiven; v. n. voortgaan, solltarden. —ed Contribut ary(kun-trib'joe-te•rib),a belastingschuldig; bijdragend. —e (knn.trib'joet), v. a. & (-joed), a —edly, ad voortdurend, onafgebroken. —ity (kun-tin joe'it-tih), a. samenhang. —ous, a. ' bijdragen, m dewerken (to); helpeu. —ion (kintri-bjoe'sjuu), a. bijdrage; belasting; braudscltat. samenhangend. Ong. —ire. —ory, a. bijdragend, medewerkend. Contort (kun-tort'), v. a. vleeht•n; verdraaien; —or, a. bijdrager; bevorderaar. wringer, —ion (-tor'sjun), 8. verdraai;ng, wrin- Contrista to (kun-tris'teet),v. a. bedroeven. —lion ging. Ikon-trig-tee'sjun), a. bedroeving. Contour (kon-toer'), a. omtrea. Contrabandj(kon'tre-bend), a. verboden. —, a. Contrit e (kon'trajt), a. —ely, ad. verbrijzeld, gebroken van hart; boetvaardtg. —encss s. boetsluikhandel; smokkelwaar. — of war, oorlogs- vaardigheid. —ion (kun-trie'sjun), s. verbrijzeliug; contraband. —ist, R. sluikhandelaar. berouw. Contract (kon'trekt)., a. verdrag; contract; over- Contriv able (kun-trajv'ibl), a. bedenkbaar; eenkomat. doenlijk.—ance,s.uitvindiug;aanalag.—e (.trajv'), Contract (kun-trekt'), v, a. samentrekken; be- korten; overeenkomen; verloven; aanwennen; v. a. uitdenken, beramen; ten uitvoer breitgen; zich op den hale bale. (a disease); aangaan, v. n. een plan beramen. —er, a. uitdenker, antmaken (debts). —, v. n. inkrimpen: een verdrag werper. aluiten. —ed, a. samengetrokken, bekort. —edly, Control (kun-troor), a. tegenregister; toezicht; v. a. order toeztcbtbouden; bedwang; gezag. ad. door saMentreltkiug. —edneu, s. bekortheid; beteugelen; vergelijken. —table, a. aan toezicht bekrompenheid; samentrekking. (i-bil' onderworpen. —ler, s. opziener; toezichthouder; it-Oh). a. samentrekbaarheid. —ible, R. eamen- trekbaar. —i/e (-ii),a. samentrekkend. —ion (-trek' —lership, controleurschap. —went, a. beperking; dwong; opzicht. sjun), s. samentrekking; bekorting. —or, H. Ran- newer; contractant Controversial (kou-tro-vuesjel), a. betwixt worContradance (kon'tre-darns), a. contredans. deed. Contradict (km, tre.dikt,), v. a. tegenspreken. Controver sy(kon'tro-vur-sill),8. twist, geschill tedetwist; geloofsstrijd. —t, v. a. betwisten. —er, a. tegenspreker. —ion (-dik'sjun), a. tegen- spraak; tegenstrijdigheid. —ions (-dik'sjus), a. —table (-vureibl). a. betwiatbaar. —tilt, s. redetegenstrijdig, strijdig; dwarsdrijvend. —iou8ness, twister, twistschrijver. s. tegenstrijdigheid; merit tot tegenspraak. —ive, Contumacious ikon-tjoe-mee'ojua). a. —ly, ad. a. tegenstrijdend, wedersprekend. —orily (-ur-il- weerspannig. —nest, s. weerspannigheid. lth), ad. —ory, a. tegenatrijdig; aandruischend. Contumacy (kon'tjoe-me.sth), s. weerspannigheld; niet-verachijning; scratch. - ary, s. tegenerraak; tegenstellirig. Contradistinct (kon-tre-die-tinkt'), a. tegen- Contumelious (kon-toe-rorli•us), a. —ly, ad. snaadelijk, hoonend; sehnndelijk. —nets, 8. begetoeld, onderscheiden. —ion (-tink'sjun), s. on- leediging; mchandelijkheid. derecheiding door tegenstelling. —ire, a. tegen- Cosvimiselly (kon'tjoe-mi-lib), a. smaad, Noon, gesteld. Contradistinguish (kon tre-dia-ting'gwitej), v. verwijt. a. door tegeuatelling onderscheiden. CODE U N e (kure tjoez'), v. a. kneuzen. —ion (-zjun), Contralndi cant (kon-tre-in'di-kent), s. tegen- a. kneuzing. atrijdig ziekteversehijnsel. —rate, v. a. een af- Conundrunt (ko-nuu'drum), s. raadsel; pots; strikvraag: wtjkend verschijnsel aanwijzen. Contranture (kon'tre-mjoer), a. buitenwal. Conusance of Connusance (kon'joe-zens), s. Contranatural (kon-tre-neejoe-rel), a. tegen- kenniegeving, kennismaking. Cons ales cense (kon-ve-les'aen8), a. heterschap, natuurlijk. Contraposition (kon-tre.po-ziesjun), a. tegen- herstel. —cent, a. betercnd, herstellend. —cent, overgesteldheid; tegenstelling. s. zielte, die herstelt. Contrar les (kon'tre-riez), e. tegenstrijdigheden. Cons-en able (kun-vien'ibl), a. overeenkomend, strookend; voegzaam. —e, v. a. samenroepen; —iety (• raj'e-tih), s. tegenstrijdigheid; oubestaan- (.ril 1:11), ad. strijdig. v. n. bijeenkomen; § passes, gelegen homes. —inert, a. b:tarheid. —ily strijdigheid; tegenstand. —iwise ( ti-wajz), ad. —ieace (-Jens), —iency, s. gemak; geschiktheid. integendeel; omgekeerd; tegenovergesteld. —y, —ient (-jent), a. —iently, ad. geschikt, gemakkelijk; passend, voegzaam; gelegen. a. tegenovergesteld; strudig. —y, s. tegendeel. Convent (kon'vent), a. klooster. — idle (kun - ven' on the — y, integendeel. Contrast Owa'(roaar), a. tcgentoeilinkr, ii!,11. R. heimelijke (godsdienetige) bijec ► konntt.,

Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s 

Biedt Apple accepteren Bitcoin


bring about. —er, m. cheat, deceiver. —lag, T. cheat, decept ion.—je, o. rag; ern coo, het bloeden, a poor shift; er geese onswinden, not to mince the matter. Doel, o. aim, mark, butt, goal. ten — dean can, to be exposed to. —*Elide, purpose. end. —matig, —paesesd, answering the purpose, suitable. —treffend, efficient. —wit, aim ; purpose, view. —en, on. w. (op) to aim at ; to allude to. —en, in. shooting-place. —loos, by. (nerving) to no purpose, unsuitable. —loosheid, v. unsuitableness. Doom eta, ov. w. to doom, to condemn. —enswaardi9, —waardig, by. condemnable, blamable. —cc, m, --ster, v. condemner, judge. —ing, v. condemnation. Doen, ov. & on. w. to do, to make, to perform, to execute, to achieve, to transact; to commit; to put, to place, to set; to pour; to cause in be done, to order, to get; (in) to deal (to trade) in. te — green, to employ for. te — ova, to be feasible (practicable). — alsof, to pretend to, to feign, to make a show of. — tveten, to let know, to send word to, to inform of. het is ass u te you are wanted. te — hebben, to have to do; (met) to meddle with; to be concerned for, to pity. reel to hebten, to be crowded with bueinees; to have a thriving trade. Teat is dear te —? what Is the matter ? dat duet niets ter sake, that is (does) nothing to the ptirpoee.—,o. doing, acting, business. in goeden — sitters, bo be in easy circumstances. van — bobbin, to have ocoesion for. —er,m. doer. —LOA, he. feasible, practicable, pos. ethic. —1(ikheid , v. feasibility, practicableness, possibility. Do:mulct, a1. & v, idler, sluggard, do-nothing. Doezei ear, in. stump. —en, or. w. to stump . Dof, by. faint, smothered; dull, heavy. — m, tuck; knock, buffet; puff. —fen, or. w. to knock, to buffet. —far, m. knocker, buffeter; mile pigeon; rake. —fip„ be. dullish, drowsy, heavy. —figheid, —held, v. faintness, dullnees, heaviness. Dort, v. rower's bench; thwart. Dog, in. mastiff. Doge, in. doge. Flogger, m. cod-fish. —boot, dogger (-boat). Dok, o. dock. droog —, dry dock. drijvend --,.11.olting (wet) dock. —ken, ov. w. to dock, to lay up in a dock; to pay. Dokter, m. doctor, physl elan. —en, on. w. to take physic; to doctor, to play the physician. Doi, m. thowl. —board, gunwale. Doi, by. & bw. mad (-1y), crazy (-1y), furious (-1y), enraged. —driftig, passionate (-Iy), furious (-Iy), rash (1y), headlong. —driftigbeid, passion. Maness, fury, rashnesse—huis, madhouse, bedlam. —hop, mad-cap, hot-brained fellow. —keppig, med- (hot-) brained. —koppigheid, madness, rage. —lekervel. hemlock. —lemon, madman. Doll en, on,. w. to wander, to err, to go eatery; to be mistaken. —end, hr. wandering, erring, errant. —ing, v. erring; error. m. dolphin; dauphin. Doltaeld, v. madness, frenzy, fury. DOM, m. dagger, poniard. —tied', —stoat, stab. Doll on. on. w. to sport, to frolic., to rave, to rant. —igheid, v. madness,.
Id are, s. idea. useless (-1y); frivolous (-1y), trifling (•ly); selfleder, tw. its vow. every, each. —, coneeited. —darns. glutton —telt, thouehtlette vow. every one, every body, any one, any body. (giddy-headed) person. — fallen, to rave. —tuiJewel/a*, tw. & vow. every. tig, thoughtless, giddy headed. —held, v. vainilentaind, vow, somebody, some one, any body, neag, vanity; fruitlessneas; frivo,ityissitconceit. Any one. • m. yew-tree. lots. vow. aomeihicis, any thiug. Lek, m. site, assize; standard-mark: place where bv. & bor. vain (-)y), fruitless (4y), measurer are squared —geld, assize ea fee. —smut,

MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt. 

Kun je de mijne Crypto met een laptop


nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel
Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.
C A T. —CEL. a. his (-is'tikl), a. casuistisch. —ry, a. wetenachap der I Cathedral (ke-thi'drel), s. domkerk. schoppelljk• easuisten. katholiek. Cat (ket'), s. kat; katschip; dubbele drievoet. § to Catholic (keth'o-lik). a. algemeen, (ke-thon-sizm), be made a — of, als werktuig gebruikt worden. a. roomsch-katholiek. —ism —beam, balk, waarop het schot van de luizeplecht a. katholicismus. (aan planten). staat. —block, katblok. —eall,tooneelfluitje (van Catkin (ket'kin), a. katje a ontleedmea; mos; darmCalling (ket'lieng), of keuring). —fall, katlooper. —fish, zeekat.—gut, darmenaar;marling.—harpings,zwichtings.—head, sneer. kraanbalk. —holes, kluizen. —hook, haak van het Catoptrics (ke-top'triks), a. leer der straalbrekatblok. —mint, kattenkruid.—o'nine-tails,zweep king. van negen toe.wen. —'s-eye, katoog(edelgesteente). Cattle (ket't1), s. vet. § —range, veepark. —show, tentoonstelling van vee. —'s-foot, aardveil. —silver, kattenzilver. , § Caucus lkao'kus), s. vergadering tot het atelzuchtje ; geveinsde vriendelijkheid. len van' kandidaten. katteataart (plant). —tackle, kattakel. —in-pan, overlooper. —a-mountain, pardelkat. —he, kater. Caudate (kao'det), a. geataart. Caudle (kao'd1), s. kandeel. —to her kind, Boort zoekt snort. Cauf Omit), a. visehkaar. Cat (ket), v. a. katten. Catachresis (ket-e-kri'sis), a. verkeerd gebruik Caul (kaol), a. darmnet; pruiknet; helm. Cauliflower (kao'll.flau-ur), s. bloemkool. van ten woord. Calla comb (ket'e koom), a. katacombe. —logue Cans able (kao'zibl), a. mogelijk. —al, a. oorzakelijk. —ality (-zel'it-tih), s. oorzakelijkheid. (-loog), a. lijst; katalogus. —logue, v. a. eene —ation (-zee'sjun), a. veroorzaking. —ative (-zehist maken van. § —maran (-mer-en'), a. viol voor schipbreukelingen. —plasm (-plezm), s. tiv), a. veroorzakend. —ator (-zee'tur), a. veroortaker. pappleister. —pult (-putt), a. werptuig her ouden. —ract, (-rekt), s waterval; steer ,op het oog). Cause (kaoz'), a. oorzaak; reden; zaak; proves. Catarrh (ke-taar), a. zinking. —al, —ous, a. —, v. a. veroorzaken. —less, a. zonder oorzaak. zinkingachtig. —r, a. veroorzaker. Catastrophe (ke-tes'tro-fl), a. noodlottige ge- Causeway (keoz'wee), a. straatweg. Causey (kao'zih). s. Zie Causeway. beurtenis; groote ramp; ontknooping. a. bran Catch iketsp, s• vangst, creep, bolt; voordeel; Caustic (kaos'tik), s. bijtmiddel. (tis'it-tih), s. bijtendheid; dead; bijtend. hinderlaag; hank; radtand; pauze; beurtzang; scherpte. —bit, gekat anker. zweem; besmetting. —anchor, (kao'te-lull, a. behoedzaam, liatig. tafelschuimer. —fake, kink (in ten touw). —fly, Cftutei0i. schroeiijzer. —fixation (-i-zee' vliegenvanger (plant). —line, sluitregel. —penny, Canter (kao'tur), s. —ite (•ajz), v. a. branden. —y, ajun), s. branding. oplichter; blauwboekje. —poll, dievenleider. a. brandmiddel. —word, custos, klapper (bij drukkers`. Catch (ketsyl [caught tkaotl], v. a. atten (at); Caution (kao'sjun), a. omzichtigheid; waarschuvangen, betrappen (in); bekomen. — a cold, eene wing; zekerheid, borgtocht. v. a. waarschukowie vatten. —, v. n. besmettelijk zijn. —upon wen. —ary, a. verpand, ad. zorgvuidig, words, op woorden vitten. —able, a. dat gegre- Cautious (kao'sjus), a. s. voorzichtigheid. Pen , en , kan worden. —er, a. vanger, grijper. voorzichtig. —ness, Caval cads (kev'el.keed), s. optocht to paard. —ing, a. besmettelijk. —y, a. inhalig. —ier, a. —wilt, (-e-tier'), a. cutter, ridder. —ier Catchup n ketsrup), s. champignonsaus. ad. ridderlijk, trotsch. —ry (kev'el-rih), s.ruiterv. —a/, a. —ally, ad. Catecheile v. a.uithollen; v.n. Cave (keev), a. hol, grot. vraagswijze. (in) inzakken. Cateehis e (ket'e-kajz), v. a. vragend onder- w'ijzen. —er, s, godsdienstonderwijzer; onder Caveat (kee'vi-et), s. rechterlijke waarschuwing. Cavern (kev'urn), a. spelonk, hol. —ed, —ous, vrager. Cateehis an (ket'e-kizm), a. katechismus. —t, a. vol apelonken. Caviare (key-jeer'), s. kaviaar. s. godsdienstonderwijzer. Catechumen (ket-e-kjoe'men), a. godsdienst- Cavil (kev111, 0. haarklooverij. —, v. a. bedillen; v. n. vitten. —lation (-lee'sjun), s. vitterij. leerling. a. haarkloover. —loss, a. kibbelachtig. —ically, ad. stel- Categor ical ( ket- e-gor'ikl), a. lig, uitdrukkelijk, —y (ket'e-go-rih), s. klasse, Cavil% (kev'in), n. holle weg. Cavity (kev'it-tih), a. holte. ordeaoort. Catenation (ket-e-nee'sjun), s. aaneenachake- Caw (kao), v. n. krassen (ala raven). Cayman (kee'men), a. kaaiman. ling. —less, Cater (kee'tur), S. (de) vier (in het spel). —, v. Cease (sits'), v. a. & n. ophouden,staken. a. onophoudelijk. a. proviandeeren. —cousin, tafeivriend. —er, a. Cecity (sea'it-tih), s. blindheid. spijsverzorger. Cedar (si'der), a. ceder. —n, a. cederhouten. Caterpillar (ket'ur-pil-ier), s. rups. Caterwaul (ket'ur-waol), v. n. krollen, mau- Cede (sled), v. a. afataan; v. n. toegeven. Cell (ellen, v. R. met eene zoldering bedekken. wen. —ing, a. kattengekrol; nachtgetier. —ing, a. zoldering. Cates (keeta), lekkernijeu. Celandlne (sel'en-dajn), a. sehelkruid, swaluwCathartic (ke-tnaer'tik), s. zuiverend middel. krutd. -al, a. zuiverend.
W Wabble (wob'bi), v. n. waggelen. Wad (wod'), a. hoop, boeje, prop; vulhaar; watte. —hook„ krasser, aftrekker. —, v. a. opvullen; met watten voeren. —ding. a. (bet) watteeren; vnieet; watte. Waddl a (wad'd1), v. n. waggelen, etrompelen. —lag, a. —ingty, ad. waggelend, etrompelend. Wade (weed), v. a. dnorwaden; v. n. waden; (into) indrin gen, doorgronden; (through) doorworatelen. Wafer (wee'fo.r), a. ouwel; hostie, wafel. —iron, —large. p1. wafelijser. v. a. ouwelen. Waft (waaft';, a. drijvand voorwerp; wutving (els sein); noodsein. with a —, in ejouw. —, v. a. door de lucht (over het water) voeren; (doen) drijvan; toewniven, wenken; v. n. drOven. —age, a. vervoer; overvaart. —er, a. geleischip; pont; veer; veerman. —are (-joer, -jur), a. be caging; waiving. Wag (wag'), a, 'chalk, spotvogel. —halter, galgetarok. —tail, kwiketaart. —, v. a. schudden; kw'spelen; v. n. etch bewegen; One blezen pekken. Wage (weedzj), a. onderpand. —, v. a. wagen, op het spel mitten; voeren (norlog); verpanden; haven. — one's law, eene schuldvordering bij eerie ontken nen. Wager (wee'cisjuri, a. weddeneehap; aanbi•clIng. to fay a —, wedden. to stake for —, verweddeu,
Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×