NO WAY. How do some many people trust Coinbase with their money When their website’s software is full of faulty programs that they won’t or can’t fix. IE, I tried to add a new debit card to my account. I gave them my cards info and was told to check my account for two small charges made by coinbase and enter the amounts in a designated page. Both amounts were over $3.00, but the verification page only allowed me to submit amounts under $2.00. I was never able to add another card to my account. For me, no big deal,… Read more »
333 t'h) The te (vt.',10 A. kleferig —ieiily —salty (-kos'it-tih),s. kleierigheid. 'Viscount (varkaatint), e. burggraaf. -08, a. burggravin. —ahip,—y,s. burggraafachap. ViSeetilti (viackus), a. kievesig, teal. V Ante I vaja), a. schroet; loodtrekker. Vial ble (viz'ibl), a. —6ly, ad. sichtbaar; blijkhaar. —bility—tlenesc, a. zichtbaarheid; blijkbaatheid. Vision (7tzros), a, gezik..ht, verschijning. —at, a. van een :drooingeztcht. —ary, a. ingebeeld, hersenschimmig. --ary, —let, a. geestenziener; dweper. Vl It (viz'it), a. bezoek. v. a. bezoeken; besichtigen; doorzoeken; v. n. bezoeken Adepten. —able, a. aan besichtiging (doorsoeking) underworpen. —ant, a. bezoeker. —atlas (•ee'sjun), a. bezoek; besoeking; beslchtiging; doorsoeking. —atorial (-e•to'ri- ► ), a. van eene bezIchtiging uoorzoeking. e. (het) bezoeken, ens ; --card, visite-kaartje. —committee, commissle van ondersoek. —or, a. bezoeker, bezichtiger; vial-
(brenk), 8. boekweit. ." v. :i alii. 41 3n b:i°14:' 7; B (bresj), a. bracts, breekbaar. oondwer( dhrauukl ie au.; vb. unig. i z7c;h }b'ueigg'en— geel koper; onbeBowel (baaul), v. a. ontweien. —less, a. Greed,; Brass (braes), s. mesalag, sciaaamdheid. —band, orkeat van koperen instru-8, s. ingewanden; medelijden. v. n. menten. —color, koperkleur. —ore, kalamijnBoyeer (bau'ur), 8. prieel; boeganker. kopergieterij. —works, koperdraad. stem. —wire, won.. —y, a. belommerd. koperachtig. § Bowie - knife (bol-najf), a. long, breed mes. —ine88, s. koperachtigheid. —y, a. Brat (bret), s. kind, wtcht, nest. Bowl tbool), a. born, beker; bal. to play at balspelen.v. a. & n. werpen,kegelen, , Bravado (bre-vee'do), a. anoeverb. dapper. —, v. . -green, s. grasperk voor 'Brave (breev), a. —ly, ad. braaf; —jag, a. balspel ; a. trotseeren;' uitdagen; v. n. pochen. —ry, a. het balspel. Box (bobs), s. duos, kilt; loge; hoisje; koetabok;, moed, dapperheid; proukerij. oorveeg. —en, a. van bokaboomen- of paltnhout. Brawl (braowl), a. rumoer, getier. —, v. a. verdrijven; v. n. schreeuwen; kijven; tieren. boutijzer. —tree, boksboona; palm. —and in eerie duos slaiten; Brawn (braown), s. vleesch van een wild zwijn; needle, ktfruPas. a. gespierdheid. —y, a. vuistslagen geven; v. n. boksen. —cr. s.bokser. ; spierkracht. Boy (boj), s. knaap, joegen. —hood, jongensleef-1 gesifierdV. a. tijd. —ish, —like, a. jongensaChtig. —Wale. 8 Bray Ihree), 8. gebalk, geschreeuw. —,—er, 8. • filjnwrijven; v. n. balken, schreeuwen. k mderachtigheid. balker; stamper. lirabbie (breb'b1), s. gekibbel, krakeel. —, v. a. (breezy. v. a. soldeeren; oubeschaamd Braze krakeeien. —r, a. krakeeler. a. metalen; onbeschaamd. —afaced, Brace (brees), s. paar, koepel; haak ; band; make.. a. onbeschaamd. —nness, s. koperachtigheid; houvast. — 8, a. koeteveeren; bretels; haakjes; onbeschaamdbeid. —n, v. n. onbesehaamtt zijn. brassen. —, v. a. binden, rekken; opbrassen. (bree'zjur), s. koperslager; kolenpan, Brazier Bracelet (brees"lit), s. armband. komfoor. Brtsch (brek), K. beak. Braziel-hout. Brach), gragsher (bre•kiere.fur), s, snelschrij- Brazil (bre-ziel'), s. breuk; brem;inbreuk; onmiu. ver. —grophy, m. snelschrijven. —logy (-kil'ud- Breach (brietsj), s. Bread (bred), s. brood. to get one's —,Ajn brood s. kertheid in ultdrukkimr- verdienen. —chipder, bakkerskuecht. —basket, Brack (brek), s. barst, break, scheur; (bet) zilte. broodboom. —tree, —et, s. klarup; knie- of krornhout. —ets, s. broodmand. haakjes. —ish, a. brak, ziltig. —ishness, 8. Breadth (bredth), a, breedte; basin. Break (breek), 8. break; afbreking; rem. — of brakheid, ziitheid. day, krieken van den day. Brad (bred', s. spijker zonder kop. Brag (breg), s. geseoef, blefferi). — gadocio (0 - Break (breek), {broke, broken], v. a. breken; fnuisnnever, pocher. ken; oven.; voorsnijden; dresseeren, temmen; do'sji-o), —gart, (breegert , -, a. overtreden. (down) afbreken. (from, of) ontwen—gart, 8. —ging ly, ad, snoevend, pochend. nen, afbrengen van. (off afbreken, stake.. (up) v. n. pochen, anoeven. afdauken. —, v. n. aanbreken; bankroet gaan. Braid (breed), a. viecht; veterband; knoop. (away) verdwijnen. (forth) to vourschijn korneu. v. a. vlechten. (front) met geweld scheiden van. (in upon) losBrall (breel), v. a. geien. —8 (breelz), s. geitouwen. gaan op; mtoren. (into) overgaau tot. (out) nitBrain (bre.en), a. brein, bermenen; verstand. breken. (through) heenslaan door. (up) opbreken. ., a. de hersenen inslaan; verijdelen. --less, a, (with) breken met; veroan van. —able, a. breakherseupan. —sick, ijlhoofdig. hermenlooe. —er, ilrait (breet), s. ruwe diamant. baar. —age, a. breking; korting daarvoor. —.man, Brak e (breeki, a. varenkruid; braantbosebje; s. broker; breekijzer; branding; golf. vlablaraak; neuspranger; kneedtrog; rem. —e, temmer. Breakfast (brekIest), a. ontbijt. — . v. n. ontv. a. braken (hennep). —y, a. doornig, raw. bijten (upon, met). Bramble (brenehl), s. braanastruik. Breasts (briem). a. brasem. Brasilia (bra'min), s. indische priester. a. borst, bor,em. —, v. a. het Bran (bren), s. zernelen, gruis. —ny, a. zemelig. Breast (brest),—backslap, zijpardoen. —beam, hoofd Wed.. Branch (braant , j , 8. talc; armkandelaar. lijstbalk. —bone, borstbeen. —high, tot aan de v. a. in takken verdee!en; v. n. getakt zijn, burst. —hook, boegstuk. —knot , borststrik. uitloopen. —ed. a. getakt. —er, a. stamvader; —plough, boratharnas. —pin, borstspeld. takschieter; takkeling. —less, a. solider takken. turfschop. —rate, buikseising. —work, borst—y, a. getakt, vol takken. Brand (breed), s. brandhout; brandkjz er; wernag. v. Breath (broth), a. adem; windje. to take —, schaudvlek, brandinerk, zwaard; toorts. a. bra.ndruerken. —er, s. brandmerken. —goose, adem halen. —less, a.v.ademloos. a. inademen, uitademen; wilde ganm. —iron, brandijzer. —new, splinter- Breath e (brieth), —one's last, den geest geven; v. n. ademeu, meow. zuchten; (after) hakeu naar. —able, a. dat v. a. zwaaien, Brassdish (laren'disj)., s. zvvaai. s. ademhaling. ingeademd ban tiretndling (brendliengl, s. spoelworm. —any hole, luehtgat. Brandy (bree'dilik s. brandevvijn. Branyle (bren'g1). s. twist, krakeel. —, v. n. Bred (bred), part. well —, all —, wel, slecht opgevoed. krakeeleu. —r, s, krakeeler. 

REM. —REP. middel; herstel; verhaal (in rethten); v. a. genem; herstellen, verhelpen. Remem ber (re-;nem'bur)., v. a. (ztch) herinneren; gedenken, in herinnering brengen. —trance (-brena), a. herieneriag; aandenken, gedachtenis. —brancer (-bren-aur), a. herinneraar. Remigra te (renal greet),v. ti. terugkeeren. tion (-gree'ajun), a. terugkeer. Remind (re-majnd'), v. a. herinneren, indachtig maken (of, aan). Reminiscen ce (rern-i• nis'aens), a. berinttering. —trial (--een'ejel), a. herinnevend. Remise (re-majz'), v. a. ongeven, laten raven. Remiss (re-miss'), a. —ly, ad. slap, traag; nalatig. —ible, a. vergefelijk. —ion (-misrun), a. verstepPing, verflauwing; kw" tschelding, vergiffesis. —ire, R. kwtjtechelden , vergevend. —nets, a. t1auwheid; nalatigheld. Remit (re-mit'), v. a. kwijtschelden, vergeven; doen verslappen; ongeven; terug-, toezenden, overmaken, remittesren, overgeven; v.n. verelappen; !linemen. —ment, a. gijzeling op nieuw; kwijtseheldimr. —tanre. s. overmeking, -_mdse. —tent, a. tusechenpoozend. —ter, a. kwijtschelder; overzender, -maker, remittent. Remnant (rem'nent), a. overig. —, a. overscbot, rentje; lap. Remodel (rt-mod 1 11), v. a. vervormen, omwerken. Remonatr ance (re-mon'strr, , , S. vertoog, bezwaar; aenmaning. —ant, a. bezwaren (vertoogen) indienend; a. remonstrant. —ate (-street), v. n. bezwaren opperen, vertoogen doe!, —ation (rem-un-stree'sjun), s. vertoog, annreanirg. Remora (rem'o-re), a. beletsal; zuigvisch. Remorse (re-morn'), a. wroeging, nerouw. —j'nl, a. berouwvol (for); vol medelijden (of) —less, a. veratokt; hardvochtig. e. onbarmharttgheid, wreediteid. Remote (re-moot'), a. —ly, ad. afgelegen, verwijderd, ver; vreemd, afgetrokken, (from). —ness., a. verte, afgelegenheid. Remount (ri-maaunt'), V. R. weder beetijgen; v. n. weder opetkjgen. Remov able (re-moev'kb1), R. verplaatabaar; te verwijderen. —al, a. verwijdering; afzetting; verplaataing; verhuizing. —e, a. verwijdering; afzetting; verplaatstng; trap, grand; zet; kleine afeland; afgenomen 8chotel. —e, v. a. verwijderen; wegruimen; afzetten; varplaateen; — the cloth, de tafel afnemen. —e v. n. itch verwijderen; verhutzen. —ed (-neoevd'), a. verwijderdi ere.legen. —ednese (-id-nese), a. verwridering, afgelegenheid. —er, a. die verwijdert; wegrutmer, verplaatmer. Remonera tie (re-m)oe'nur-ih?e),a.beloonbeer. —te ( eet), v. 0. beloonen. —tion (-ee'sjun), a. belooning. —tire (-e-tiv), —tory (-e-turieh), a. beloonsnd. Remurmur (rl-mremnr), v. a. — n. murmelend weerkaataen. — weergalmen. Renal (ri'nell a. van de nieren; nier-. Renard (ree'urd), a. reintje, you. Ilenesc once (re nea'seus), --carp, s. wedergebnorte, bernteuwde groei; herleving. —ent, a. vrederopkomend; herlevend. —ible, a. vernieuwbear; geechtkt om te herleren.

Is er een alternatief voor Coinbase


Litharge (lith'erdzj), a. gild. loodglid. — of gold, goudglid. — of silver, zilverglid. Lithe (lajth'), a. buigzaam, zacht, lenig. —, v. a. zacht (lenig) waken; verzaehten. —nose, s. buigzaamheid, lenigheid. —come, a. buigzaam. Eithic (lith'11), a. van den steen. —acid, blaassteenzuur. Lithograph (lith'e-gref), a. steendrukplaat. —, v. a. op steen sehrijven; steendrukken, —er, (li-thog're-fur), s. steendrukker. —ie (-grerik), R. steendruk. —y (li-thog're-tlh), a. ateendruickuna.,
W Zit (weet'), s. leer, hinderiaag. to lay — for, —tag, a. — ingiv, ad. zwervend, ronddolend; on;ItaPn Jeggen, strikken apannen. v. a. & 12, zsker, onbeatendig. waeltten, verwachten; vergezellen; volgen. (at) Wane (ween), a. (het) afnemen; vernal. —, v. n. bedl , nen• (for) wachten op. (on. upon) bedienen., afnemen, vervallen. tan dlenste etaen; zijne opwachting rneken bij; Wan mass (won'neie), a. bleekheld, ftetahald. begeleiden; volgen, —er, s. fan (bediende); Op. —nick, a. een weinig bleek, net., ► ammitr; preeenteerblad. a. het wachten. Want (wont), e. behoefte, gebrek, gents; mob. to egeleiden, bedienen; in —, dtenetdoend; —boy, be in — of, noodtg hebben. for — of, bij gebrek loop'Ingen; --gentleman, kamerdtenser; —maid, van. —, v. a. nnodig hebben, behoeven, gebrele —woman, oppasster; kamermeisje; kanienter. —s, hebben *RIO: ontbreken; wenechen, veriangen pi. stadsmurikanten, kerszangers. (van); v. n. gebrek hebben (for, in, lien), rnissen, (weev),.. verstootene. v. a. verlaten;buf- ontbreken; in gebreke blijven; to kort komen ten de beecherming der wetetellen.Zie toWnves. (in), moetim; veriangen1 'ilk, van). —ed, a. noodig, Wreke (week'), 8. (het) waken; nachtwake; kerk- gevrasgd; you are —. !Len vraagt near n. —ing, wijdingsfeeet; kietwater, zog. —robin, arons- a. & part. ontbrekend; behoevend; u1tgezonderd; wortel. v weklren; v. n. waken ., ontwa- s. gebrek, behoefte. —less, a. gegood, welgesteld ken --;uf, a. —fully, ad. weakzaam; wakend. Wanton, (won'tun), a. —/y,ad•wellustig,wuipsch, —fulness, s. waakettamheid; stapeloosheid. weelderig; uitgelaten, dartel, balddadig; vroolijk, (wee'ku), v. a. waken; v. n. ontwaken. echaikachtig; low. —, 8. lichtmle; liehtekooil —er, n. wekker; opwekker. beuzelaar. —, v. n. dartelen, uitgelaten rijn• sitoeien, mallen. —nest, a. wulpechheid, weelWeaver (wee'kur), 8. wekker; welter. derigheid; uitgelatenheid, dartelheid; eehalksch%Val (weal), s. striem, !greet); berghout. held. Walk (want'), n, wandeling; wandelpteats, loon; gang, tred; ruimte. to take a —, eene wandel', ► g Wamentake (wep'n-teek), a. distrikt, kanton; ho nde p rdtael. (teen. —, v. ar. bewendeten, doorloopen; doen etappen; Wet., — the rounds, de rondo doer, (wop'pnd), a. neerelachtig, bedroefd; —, v. n. wandelen, ;roan; etappen; spoken. (about) verwelkt, afgeleefd. rondloopen. (in) bienentreden. (off) rieh wegina- War (v, aor'), s. oaring, keijg; wapenen; legermacht; vijandetUkheid. to be at —, in oorlog On. ken (on) voortwandelon. (out) uttgaan. —er, e. to make (on, upon), den oorlog aandoen. wandelaer, voetgenger; voider; boachwachter. —beat, —beaten, —worn, door oorlogen uttgeout. ---ing het wandel en; —cane., —staff, —stick. wandelstok; --fire, dwaa I ileht; —place, wandei- —cry, oerlogskreet. —horse —steed, strijdros. —effiee, minieterie van oorlog. —proof, tegen een' pleats. %Vail (wao!P ► , rt. moor, wand; wal, veetingwerk. to S•L , A1 beetand; s. beproefde dapperheid. —rocket, give (to take) the—, de hnorer and late n (nemen). congreeische vutriti,j1. —scot, oorlogabelesting. —time, oorlogettid. v. a. beoorlogen; v. n. —creeper, muurepecht. —eye, eroene etAar, glee • oorlog voeren, etrOden (against. upon. with). oog. —eyed,Oaloogic —fern, muur veren. —flower, muurbtoene. —fruit, spalterooft. —gun. --piece, Wart)! to (waor'b1), a. lowing; gekweel; ealtgehaekbus. —hook , muurhaak. --knot, 8childknoop. -e, a. a. & n. kwellen, zingers, kwinke—louse, wandlute. —moss, eikenmoh. —nail, epeleeren; (doen) trillen, —er, e. kweeler; ranger; liernagel. —pepper, muurpeper huistook. —rue, eangvogel. —ing, s. gekweel, moor-,, et eenrnit. --3ided,atijf, met rethte zijden. Ward (waned'), o. wscht, bewaking, hdeeherming; —tree, leiboom. —wert, wilds viler. —, v. A. met afwering; voogdkj; pleegkind; siterkte, vesting; Pe't' moor oenr, en; verstarken; (up) diahtmetsebesetting; gekeneaal; etadswbk, kanton; hech• 1 - a. —ing, s. beuuring; metsetwerk, tents; week lin een slot); eleutelbaard. —mote, NiVallet (waorlit), 8. rei,eak, knepzak; avijkvergadering, eltting van het kantongeeecht. —penni„waakloon. —robs, kleerkas. -room, groote kwebbe. kajnit. --., v. a. bewaken; (from) bewaren, be• (wol'iup), s. horde slag; klomp. v. sebermen voor; (off) ofweren, atwenden; v. n. a. afrossen; v. n- Medea), koken. woken, op eijue hoede zijn; rich dckken. —en, Wallow (w WIG), o. waggeing, draaiende gang; (weord'n), a. oprlener, bestuurder, hooldnnan; wenteling. —, v. a. & n. (etch) rotten, wentelon. rector; voogd; opsiener der out zeehavens; ponds—er s. ear viw entelalr; rondsel. a. voxpeer. —ens ,iip (waord'n-), a. opeienerschap; reeseheald, smakelooe. ithneu, a. verechaaldheid ; torachap; voogdijschap. —er, s. wachter, be smekeloosheitt. aarder; herautestaf. s. voogdij; minderWn Inuit (witornut), a. okkernoot; notehootn. iarigheid• —husk, --peel. noteboleter. —tree, nntebnorn, Ware (went'), s, wear. koopwaar, Dutch —, Vot con (waerrus), —Iron (-ttun),s. walrus. dalftsch aar dewerk, plateelwerk. small —e, emitsWit!tr (wawte), se Walk -, v, n. waleen. terijen; Mein liner- en etaalwerk. —house, pak• Welly (weetih), R. vol. ateeteen, etrepen. huts, magazijn; —book, pakhuisboek; —charges, 1%nm:bite (worn'hi)., v n. mietelijk rijn, draaien. pakhulaonkosten, —hour; —clerk, pekhuimbedien 'Wan (won), a, bleek, fletr. de; keeper, —man, mactazijn., pakhuiemeester; Waled ( wood), a. staf f, roede; teoverstef. grotsier; —vent, pakhuishuur. —house, v. a. op Wander (won'etur). v. n. ewerven, ronddolen; slaan. —housing. a. (het) opelaan, opslag. reeskallen; (fro)n) afdwalen, afwijken van. —er , e. ronddoler, ewerveling; landlooper; ardwitier. Warl (wrer'), ar,. Zit Aware. —, a. n. Zie to itewatre. —lees, a. onvoorzicktig, —ing, es onerwerving; afetweling; verhijetering.
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica

Wat is het verschil tussen Coinbase en Coinbase pro


Aft (aaft), ad. achter. After (aaf'tur), ad. daarna• nadat. here—, later, naderhand. —all, met dat al; ten slotte. § —night, bij avond; in de avonduren.—wards,naderhand. —, prp. na, achter; near, volgene. —, a. nakomend, later. —ages, —times, toekom,t. clap, naklucht. —cost, nakosten. —crop, nRoogst. —game, noodmiddel. —life, latere Ieeftijd. —math, etgroen. —noon, namiddag. —pains, naweeen. —taste, nasmaak. —wit, te last inzien; mosterd ate den maalttjd, —wit is every body's wit, ale het kali' verdronken is, dempt men den .put. Again (e-gee'), ad, weder, op nieuw, w as much —, nog eens zoo veal. — and —, herhaalde malen. —at, prp. tegen; jegens; over —, tegenover; —the grain, tegen den dread. Agape (e-greepl, ad. aangapend. to stand —, met open mond mean luisteren. Agaric (eg'e-rik), s, bladderzwam. Agate (eg'et), a. agaat. § Agave (e-gee'vi), s. amerikaansehe boom-aloe. Agaze (e-geee), v. a. verbazen. Age (eedzj), e. leeftijd, ouderdom; eeuw, of —, meerderjarig. to come to —, mondig worden, old —, oude dag. under —, minderjarig, golden —, gouden eeuw. middle —s, middeleeuwen. —d, a. oud; bejaard. Agen cy (ee'dzjen-sih), s. werking; agentschap. —da (ee-dzjen'de), aanteekenboek. —t, a. we, bend; s. agent; werkend middel. Agglomerat a (eg-glom'ur-eet), v. a. ophoopen; opwinden. (-ee'sjun), s. ophooping. Aggiutinat a (eg-gloe'ti-neat) v. a. samenkijmen; vereenigen. —ion (-nee'sjun), s. aaneenlijming; vereeniging. Aggrandize (eg'gren-dajz), v. a. vergrooten. —vent, n. vergrooting. Aggravat a (eg'gre-veet), v. a. verergeren; verbitteren. —ing, a. verbitterend. — ion (-veettjun), a. verzwaring; verbittering. Aggregat a (eg'gri-get), e. verzameling. —, a. opeengehoopt. (-geet). v. a. samenhoopen, seczamelen; inlijven. —ion (-gee'sjun),.e. verzameling; hoop; aanneming. (-gee-ttv), a. pezamenlijk. Aggress (eg-gros'), v. a. aanvallen. —ion (-ejun), a. annual. —ire, a. aanvallend. —or, s. aanvaller. Aggriev artce (eg-grIev'ens), a. grief; verdriet. —e, v. a. bedroeven; kwellen. Aggroup (eg-groep'), v. a. groepeeren. Aghast (e-gaast') a. ontzet. Ook Agast. Agli a ledzyt1), a. slug, handig. —eness, —ity (e-dzjiVit-t,h), a. vlugheid. Agio (re'dzji-o), s. opgeld, agIo. Agist (ed-zjist"), v. a. weiden. Agita R le (edzr-i-tibl), a. beweegbaar, behandelhaar. —te (-feet), a. a. sehokken, verontrusten; in opechudding brengen; behandelen (een vraagstuk). —tion (-tee'sjen), s. opechudding; gemoedsbeweging; bebandeling. —tor, (-tee-tar), e. beroerder, onrustittaier. Aglet (Wilt), s. nestelbesiag; kolfje aan de stofdraden. Agnail (eg'neel), s. dwangnagel. Agnate (es'neet). a. van vadera zijde verwant

BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Wat doet de S staat voor Bitcoin


telligence office. —ing, v. employing, spending; boarding; me Annbeeteding. Beateedet•r, n. Zie Beeteder. B. eteektseans3 , re. head-band; bor. Elestek, o. compass; plan, draught; r'ckoning. — en voorraarden, specification and conditions. ten — sunken, to 'point the maps, in ten korter — brenpen, to abridge. Ilesteken, ov. w. to bestiek; to adorn, to garnish, to lard; to undertake, to attempt, Beefed, v. spiced biscuit. o. direction, Mating. Ment; nomination; fuss, bustle, ado. —geld, —loon, postage, carrier's fee. —kantoor, forwarding-home. !Bente* en, on. w. to rob; to bereave. — lag, V. robbing. Denten en, ov. w. to appoint; to deliver, to carry, to forward, to bespeak, to order, to get made; to manage, to arrange; to nominate; ter aarde —, to bury, to inter. —er, e.. postman, carrier. —ing, v. delivery; order, commission. ilitesteonnet, m. crony. Heaters d, by. appointed, fixed; designed, destined; bound (naur, for, to). —men, on. w. to appoint, to fix; to design — , to destine (for). —mar, m. appointer. —ming, v. destination. eleeteetnuer, v. grandam, granny. Beef Tnspelers, ov. w. to stamp, (met den naam van) to call, to name, to style Ilcstendig, by. kbw. lasting (-1y), durable ( - bly), Permanent (Ay); steady (•D ► , stable (-lily), settled. — en, on. W. to atabilitate, to confirm. —held, n. permanence, steadinees, stability. Resterveis, ov. w. to die of; on. w. to tern pale, — livid; to dry up; to grow tender. laten — , to mortify. Ilieste,Istsr, to. gaffer, grandeire, old man. Beetevesten, on. w. to steer towards, — for. etitlest, o. —en, on. w. ie Beetnur. Beettji; en, on. w. to .;limb up, to ascend, to scale. —ing, v. ascending, settlingov w. to point. to dot. Iltstok en, ov. w. to batter, to harass. —er, Tn. harasser, aggressor. —ins . , a. harassment, assault, aggression. Bcetoyp ron, on. w. to darn, to mend; to fill up. —ing, v. darning, tt ending; fl; (lag up. Beetorm en, on. W. to storm, to assail, to fall upon; to importune, to overwhelm. —er, in. atormer. —ing, v. storm, assault. Bestorten, on. w. to spill (to ehedi upon. IiieSiterVitti., by. dead; pale, livid; stale; orphan. Bentrnif elkjk, be. blamable, reprehensible. —eltilcheid, v. reprehensibility. --en, ov. ws to rebuke, to reprehend, to corract,to punish. — er, to rebuker, corrector, punisher. —ing, v. rebuke, correction, punishment. Heatrali en, on. W. to beam capon, to irradiate. —ing,v. beaming upon, irradiation. Dectrett en, ov. W. to pave. —ing, v. paving; pavement. liestrUd en, on. w. to fight, to combat; to oppugn; to dispute, to controvert; to defray, to afford. —er, in, opponent, adversary, antagonist. —fag, v comeating; opposition, controversy; defrayment.

Just like bitcoin, litecoin is a crytocurrency that is generated by mining. Litecoin was created in October 2011 by former Google engineer Charles Lee. The motivation behind its creation was to improve upon bitcoin. The key difference for end-users being the 2.5 minute time to generate a block, as opposed to bitcoin’s 10 minutes. Charles Lee now works for Coinbase, one of the most popular online bitcoin wallets.


scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.
GOE,—GRA. CloradvInden. to. w. to think fit, — proper, to approve, to choose. o. approbation, leave, pleasure. Goedwillas, by. & bw. —held, v. Zie 11g. —held. GoeRik, by. & bw. pretty (-ily), handsome (-1y), goodly. —held, v. prettiness, handeoneeness, goodliness. (lineman, rn. arbiter, umpire. Golf, v. wave, billow, surge; gulf. —breker, breakwater. —geklots —slag, beating of the waves. —achtig, by. wavy. Got,' en, on. w. to swell, to aurge, to wove, to undulate. —lag, v. swelling, waving, quilulation. G rpm., v. gum. torabioche —. gum arable. —boom, guru-tree. —elastiek, India-rubber; caoutehoec. —hare, gum resin. —houdead, --.4jk, gummy. —kwast, gum-hreeh. gum-lae. —water, gum-water. —achtig, be. gummous, guinicy. - men, ov. w. to gum. —met, no. guminer. bv. gummy. —mig heid, v. gumminess. —ming, v. gumming. Goaded, v. gondola. —ier, rn. gondolier. Goats, m. burr, buzzing. —tot, lizgig, humming. tp. Gun. en. on. w. to buzz, to hum. —er,rn. buzzer. —leg, v. buzzing. Goochei raw, m. —aarster, v. juggler, conjurer. —ar tj , v. juggling, legerdemain. —co. on. w. to juggle, to conjure. —hal, juggler's ball. —bac, juggler 's cup. —kunst, JusgirY • —.Pet. spell, enchantment. —tasch„juggler's bag. —icier, juggle. Goof, v. throw, cast. —en, ov. w. to throw, to test, to fling. —er, m. —star., v. thrower. Goer, by. & bw. sour (-1y); rancid (-1y), rusty; dirty (-ilyi; nasty (-ily), naughty (-ily). by. rather sour, sourish; —net, why. —held, v. —igketd, v. sourness; rancidity, rustinese; uses; nastiness, naughtiness. Goot, v. gutter, kennel, sink. drain. —gat, hole of a kennel. —Wet, moulding-tlate. —PUP, gutterpips. —.teen, sink ; in den —, under she pump. —water, kennel-water, dirty-water. Gnrd, v. futtock, ri 5 Gordel, m. girdle, belt. —geop, buckle of a belt. —maker, girdier, belt-maker. Gorden, on. w. to gird, to furl. GordUn, v. & o. curtain. —koord ; curtain-rope, -.trims. —preek, curtain-lecture. —ring, curtain-ring. —rattle, curtain-rod. —rot, curtainpulley. (lording, v. girding; rib. Goren, on. w. to turn sour. Gorgel, in. throat; gullet, throttle. —drank, gargle, gargarism. —peewit, bronclioeele. —klep, uvula. —water. gsrgariene. -en, ov. & on. w. to gargle, to gacgerize. —big, v. gargling. Goes, v. alluvial ground, Goat, v. groets, oateeeal. —beating, oatmeal-pudding. —moien, hulling mill. —ebrij, —epap, oatmeal-porridge. —catchier, cotquean, niggard. g, by. messiest, measly; bin, ill. —igheid„ v. measles. Gatelike*, m. pederero. gold-ore. goal, (loud, o, gold; ore. ongewerkt gin —.gold-leaf. geplet , beaten gold, getrokken

BUaettesiven, ov, & on. w. to shove to, to approach. m. coition. —, rxi. & v. bed-fallow. —liter, v. bed-fellow, concubine. m. bedlikigiap en, on. w. to copulate. — v. copulation. fellow. BUsteepers, ev. w. to drag to. Ilkj4mank, tn. tang, tinge, aftertaste. HUrtinlitan,ov. w. to throw to, to odd. B Ut10101, y. odd money. Blispreak, v. motto, inscription; metaphor. BUspring en, ov. w. to assist, to aid, to succor. —er, rn. succorer. —lag, v. v. assisting, succoring. 111Ustann, 07. W. to freest, to succor, to support, to hack. Militant% no. aesietance, succor, support, relief. —er, tn. assistant, supporter. IBUsiell en, no. w. to add, to join, —ing, v. adding; apposition. 81,14terf, bv.. confused, troubled, at a loss. het spoor — , out of the way, astray; out, wrong. —, bw. extremely, sadly. —nis,.y. confusion, perplexit y. Dv. crazy. —zinnigkeid, v. craziness. BLit, v. gap. —hatter, gap-maker. nehttg, by. biting, mordacious. —achtigheid, v. mordacity, --en, on w. to bite; op de tandem —, to grind the teeth. —tnidelei, corrosive. —end, by. biting, sharp, acrid, tort, sorcostic; corrosive. —er, in. biter; tooth. de, bw. betimes, timely, in due time. ▪ wind-fall;:approbo1111Jv nil, in. ae.indentol] tiou, applause. --fen, on. w. to fall to, to side
tNR.-1/NS Unronted (un-raztt'id), a. ulet in wanorde gebraeht. Unroyal (un-roj'el), a onkoninklijk. VeroMe (un -rura), v. n. kalm (atil) worden. —d, a. kalm, stil; ongeplooid, Uncut ed a. niet bestuurd. —Lip, ad. —y, a. ouregeerbaar; weerepannig; toomeloos. —mess (-1-ness), a. onhandelbaarheid„ o atembaarheld, weerspannigheid. Unrunspie (en-rum'pl), v. a ontriml.,1 en. Unsaddle (un-eaci'd1), v. a. ontzadelen. —d, a. ongersdeld. Unsafe (an-seet') a. —ly, ad. onveilig. a. onvellIgheld. Unsold (nn-sed'), a. ongezegd. Unsalable (un-seell el), a onveirkoopbaar. Unsalted Inn•saolt'id), a. ongezouten. ongegroet. Unsalutad Uneenet1 lied (ttu-aengk'ti-fajri), a. ongehdligd„ ongea kid. —oned (-ejund), R. outtekrachUgd. En/Anted (un neelid), a. onverzadixd. Unsatisfuot lore (un-set-is -fek'sj an), a. ontevredenheld. —orily (-tur-114111), —ory (-tur-rib), a. onvoldoend —orinees (-tur-i-1, a. onvoldoenditeid. lineation labia (un•set'is-faj-t5i), a. onverzade113k. (•fajd), a. onvoldatm, ontevredigd. —ping (-faj-leng), A. onvoldoend. Unsaturated (un-set'Joe-ree-tid), a. onverzadigd. Usasavor ily (un-,ee'vur-11-lib), ad. —y, a. onsmakeltjk. —iness (4- nees). e. onsartkelijkheid. Unsay (un-see') [lm], v. a. herroepen. UnSCRII able (uu-Akee'llb)), a. onbeatijgbaar, —e (-skeel'), r. a. van eahubben (rfehlitere) ontdoen. —y, a. niet schilferig. Unscanned (un-aftend'), a. ondoorzocht; onov erlegd. Unscared (ue-skeerd') a onver schrikt. Unecarred (ups-Outerd'), a, zonder I Meek... Uneonthed (an-skeet kV), a. ongedeerd, onbesehadigd. Unscattered (un-aket'turd), a. niet verstrooid. Unscholastic (un-ako-les'tik), a. niet hoolseh; ongentudeerd. Unschooled (un- skeeld'), a. net onderwezen, ongeleerd. Unselentific (un-sat-en-tirik), a. —ally, ad. onwetensehappelij k. Unscorched (un-skorlait'), a. onverzengd, ongesuhroe td. Unseoured (un-skaurd'), a. ongesehuurd. Unseratehed (nu-skretsW), a. ongekrabd; ongeschamperd. Unsoreened (un-skriend'), a. onbesehut. Unscrew (on skroen, v. a. lossehroeven. UnacrIptural (un.skrIptloa 111), a. onaeltrittnurlijk, Uneccupuloue(un•skroe'ploe-lus),a niet nauwgezet. Unseal (un-sie2), v. A. ontzegelen. —ed (•sield') a. ongezeeld. Uneenus (dun-stem'), a. a. lostoroen. —ed (-81eme), a. ongezoomd. Uneentreh able (un-surtsribl). a. —ably, ad. on. doorgrondeltjk. —ableneas, a. ondoorgrondelkik —ed(•atirtaje), a. niet onderzocht.
slakkenkl ►ver. —flower. slakkenbloem. —leech, Snow (sus'), 8. sneeuw; snauw (schip). —ball, bloackuiger. —paced., langraam. —,hell,elakken- sneetrwbal.—bird,--buntimsneeuvavogel.—blind, Pn ecus, blind. —br oth, gesmolten sneeuw. huts. —titcne,slakkensteen.—waterolokkenwater. 8D8C11WiReht; hoop mneenw. —drop, sneeuwklokte. —like. a. stakachttg; langzaam —finch aneeuwvink. —flake, :meetly v log. —shoe, Snake (sneek'), r,. slang. hooded —, brilsiang. sneenwschoen. —slip, sneeawstorting, )swine. —lines, degenvi,h. —gourd, slangvisch. -- ; fish. —white, smelt wwit. — ,a. n. sneeuwen. —y, a. bepl. sch.erlijnen —root. siangentvortcl. --stone, anurebuwist usbn,)e,eurkinto; erseti.n. slangonstton. a,umon'horen. —weed, slargen- sn --nosed, stompneuzig. kruid. —wood, slangoahout. —, v. a. doorhaion, bekijven; aficnotten; weerhononlzelend. Snaky (snee'ltih), a ,31Faut4ehtig., den. Situp (rnep'), s. )coup,, lcnip, krrk; hap, beet; a. snuif; snuifsel. to take —. snuiven. vara,t; rOootje. —dragon, leeuwenbek, kalrgmnit Snuff (snuff'), to lake — at Iin —), kwalijk nemen.--box,souifv. a. (bloom); seeker re pal. —scuk, kuapzak. door. —taker, snuirer. —, V. a. opsnuiven ,up); gna,,,, varigen; happy.; broken; toegr,uwen; , ; v.eknizvurtivoern; (at ) zich ergeriruenikoenvec sndletintennecitosuotptr br. eklinean p. wegkopen. p(,01 () ,taefibo‘). va. tn ; .(aptevazi)gz'e a. —pishly, Silts litre (8nurfurz), s. pl. snuiter. a pair of —,een breken, beroten; happen at). aflutter. —dish, —pan, —tray. snniterbakje. ad. gon, elijk, bite. —isicnec8, s. gemelijkheid, Snuffle (anurfl), v. a. door den neus spreken. —8 bitsbeid. isnurlie). pi neurperstopping. v. a. verstrikken. Snare (sneer). a. strik. (snaarl'), a. vervikkeling; twist. —, v. a. Snuffy (snurfth),, a. net Knutf (annitael)bemorst; lie btgeritakt. vervrikkelea, verwarren; v. n. grornmen, boorSnug (snag'), a. —ly, ad. ingemoffeld, ingedoken, ran. —er, a. knnrrepot. theist ineen; verscholen; lief, aardig; rustig; goSunry (si,oe'rih) a. verstrikkend. inakkelijk. v. n. Zie, to Snuggle. —nese, a. Smite!' (snetsj') a. rub; hap; brokstut; ocgwenk. diehthetd; gemakkelijkheid; rustigheid; terugge(up) —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen; trokkeRheid. oprr.pen; v. n. grill)... happen fat), —.gill, ad. Snuggle (snug'g1), V. n. dicht bijcen (warm) ligtivricheaponzen sciti elij;T; met rukken; gen.. Snook istlier), s, rsluiper, kruiper. —, v. in. slut- pen, kraipen. —er, a. keuiper; baker. —ing , a. So (so), Rd. 7.00, dun, zondanig„ zulk; nu, weinu. —, cal,* duo., daarom; derhalve; mute. a. —ingnese., —ingly, ad. kruipend; ;Rag; vrekkig. Sock (cook'), v. a. 8t n. weeken, siurpen; inzweltruiperij. laoglicid; vrelckZgheid. gee; zuipen. —er, a. weaker; striper. —iny, a. doorS,tettp (sniep), a. beris ping, uttbrander. --, v. a. uringend; (1 , ,dringen: bekijven, doo•halon. blik. —, v. n. Soup (coop'). a. seep. —apple —berry, zeepappel, Su,er (mire'), s hooner.18 loch, --soot. —ashes, pl. zee•asch. —berry-tree, seep. spotachtig ]lichen, grijnzen; (at) den netts on boor' —boiler, zeepzieder. —dish, zeephakje. hales 'nor; hespotten. —er, a. rpltter. —ingly, —earth, voldermearde. —hause, zeopziederij. —lees, ad. spot-teed, schampor. pl. (het) helderste van de zeepziedersloog. —rock, a. niszing; —wort, niesktutd. Sssecz a —stone. speksteen. —soda, pl. zeepsop. —tray, —e. v. n. "Awn. —ing , a. gonlee; —powler,nies- zeepbak. —weed, —icort, zeepkruid. —works, pl. ponder. zeepntederij. --, v. a. reopen, inzeepen. —y, a. Suet (snot), s. vet (van wildbraad). p a Itoirgi z oaer —in ohned, o e e_d ee,r .r pf; d,zerit S41 8 b(.17,1 S. hooge vlueht.--, v. n. hoog vliegen, opstijgen; zich •erheffen, vitistje lache s, Sul ff (snit')!, v. n. rsnuvert, snuffelen; (at. on) be- Sob (sob), a. snik. —, v. n, gnikken. Sober (so'bur), a. —ly, ad. sober, matlg; nuchter; snuffolen. verstandig: hedaard„ erustig; sedig; ingetogen. Snigger ,sailegur), v. n. Zie to Ststekter. —minded, kcslm, bezadigd. —, v. a. ontmuchteren; Sntgpto (snig'g1), v. n. poeren, peuren. inatiren, a. matigheid; nuchterheid, beSnip isnlp') a. knip, anode; s,(irportjo, broke; daarciheid; ingetogenhe1d.. aandeel. —, v. a. knippeu; (up) openkntppen. Sobriety (so- bra)'e-tih), 8. Zie Sobernean. Snipe (gnftjp), e. snip; damoor. —pet Sec (gok'), 8. re,htagehied; vrtjdom van leendienst. Snip per (anip i par), a. knipper: nitanijder. —age, a. ploeg-, boorenleen. —alter, s. —man, be(-pit), a. stukje, aneedje. —pings (-piengz), pl. titter van een hoerenleen. afkrapsel. —snap i noel)), a. woordenwisaoliug. Social bie —bly, ad. gezeilig; vergetribbel. eenighaar. —ler —bility snot. —, v. n. anotteren. 8, —61 eness, 8. ge. Snivel (sniv1), gezeischapswagen. (-tar), a. rnotterasr, janIcer. Soria! (so'sjel), a. —ly, ad. maatschappelijk; geSnot, (snob), a. pluert; sehoenmakersknecht. zellig. —ism, s. socialism's. —ist, s. socialist. Snoti re (snoet), a. 314apie, datje. v.n.snor- —ity tih), —nese, a. gezelligheld. Snore (rnolr') s. gRanork, geronk. Society Ito sare-tih), s. maatsohappij; vereenlken.. ronkon. —r, a. another, rocker. gingaenootschap; gezelachap. Snort (anon'), v. n. snui,en. —er, G. anuiver. Sock issolt'), a. sok; ploegschaar; bilispel. —et (-it), Snot (snot') s. snot. —ly, R. snotterig. a. holte, kas, pijp. Snout (enttut'). a. souls; tuft. —ed, a. net sea' a. anuitschtig. Socle (sokl, hold), a. onderatel, voetettAt. Sli nit (eel, to it, neat' mna,,,l);
Zaffre (zet"fnr), a. tatter (snort yin kohattkalk). Zany (zee'nth), e.haneworat. Zen (We), s. mats. Zeal (ztel), a. tver. Zsialot (hel'ut), a. Oversee, dweper. —ry, e. blinds jjver, dweperij. Zealous (zeruz), a. —ly, ad. ijverig. —sees, a. ij verigheid,, ijver. Zebra (zi'bre), a, zebra, woudezel. Zeehln (sl'kin, eje-klen'), a zechien, zece h i no (ltaliainache gouden flaunt) (plant). Zedoary (sedio.e.rih), s. r. ..t. Zenith (ii-nith), s. zenith, t Zeolite (aPul-lajt), a ichnim,t,ti, zeoliet. Zephyr (zet'ir), a. tear, weatenwind. Zero (zt'ro), s. nut, zero; vriespuot. Zest (zest), a. brit, middelechotje (in ease okkernoot); citroen-, oraujeschilletje; /meek, gear. —, v. a- gem*/ oaken. Zetetle (ze-tet'lk), a. navorochend, opaporend. -a, pl. het h.:Hazen near onbekende grootheden.
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


made. keen, — toupee, Lunt ertu, o. lanteraloo, lanterloo. etaan, — varen, — Lap, m. patch, shred; clout; remnant; rag, tatter; weten,— aim ale de t'erschillende werkwoorden. drunkard; slap, box on the ear. —pen, ov. w. to Lallerbuona, m. bar, beam. patch, to botch; to mend. —ent)der, botching LatIlJaa,o Latin. —ack,bv. Latin. tailor, botcher. •—teerk, patch-work. —woord, Loathes, v. bleeding. botch. —calf, bad delve; stuff. --eetieen, to quack; Laasinlet,tn.latiniat. to botch up, to repair roughly; to refit; to pal- Latoeu,o. orichalch, latten. Bate, to disguise. —salver, ignorant phy.iclau„ lLats, v. flap. quack: botcher. —zulverij, quackery; botching. Latter, or. w. to cover with 1 dile. —pedeken, patch-work quilt. —penseand, basket Late', v. letLiCe. fOrrOrd.RIIte,Ishread,ete —lienntarkt,rag-market, Laurier, m. -tree. —bee, laurel-berry. —bla4, laurel-leaf. —boons, laurel. -, here, laurelold-clothes market. lbszpie,, a. Zie Leap. roar het koaden, to make cherry. —teak, laurel-branch. —en, on. w. to crown with laurel. a fool of, to cheat. IT.tapper, na. Fetcher, botcher; mender; cobbler. 11A/twee, by. & bw. lukewarm (-17), tepid HY). —en, ov. & on, w. to make (to grow) lukewarm. v. patching, botching. Lardeer en, ov. w. to lard. —priem, larding- Lauwer, m. laurel, —krona, crown of laurel, pin. —speetje, [titre of bacon. —epek, —eel, o. laurel-wreath. —tak, twig of laurel. ov. w. lard, fat pork. to laurel, to laureate. Lurie, v. fudge.. fiddle-stick. —nicer, trithng Lauw held, v. —te, v. lukewarmness, lukewoman, gossip. warmth, tepidity. 1.arlan, on. w. to trifle. Lava, v. lava, —atrostn, torrent of lava. lLarliksboornt, m. larch. Eaves, v. lovage,loyage-brandy. Coach, v. piece; elect; jointur•, ream, scarf; Laveeren, on. w. to Javeer, to tack about; to notch; groin. —titer, —na s'el, two-inches nail, reel, to stagger. rotching-knife. double deck-naii. Level; v. leave. —es, on. W. to loiter, to keep Lasech en, ov. w, to join, to scarf. —lug, v. holiday. Leven, ov. w. to refresh, to comfort; to quench. joining, scariing. Lost, m. load, burden, weight; cargo; order, Eaveariel, v. lavender. mandate; charge; duty, tax; grievance, annoy- Lawaal. o. noise, hubbub. to ba ordered, ten Lawine, v. avalanche. arse, trouble. —in -- kebben, —e leggen. to charge with. —, 0. la't (two tuns). Cesar et, o. lazaretto. —if, v. leprosy. een eckp run 100 —, a ship of 200 tuns. —breken, Lazarus, m. I vsar„ leper. —huis, spite!, lazaretto break bulk. —balken, orlop•beams. —beest, to. —klep,leper's clicket. —dier, beast of burden. —brief, mandate. —dr.- Easureu,bw. azure, of lapis lazuli. gend, bearing a burden. —dreger„ porter. —geld, IL azuur„ o. azure, lapis tonnage, laatage. —giver, constituent, principal. Leh. Cobbs, •. rennet, rennet. —paard,pick-hoiee,aumpter horse.--poet,burden. Lebbig, be. tasting ' of rennet; spiteful, malici. —whip, transport, -ship. —*Dagen, waggon. 'v. taste of rennet; spitefulness, ous. La stage, • wharf. animosity. Lectuur, v. reading, perusal. 1Lasteloos, bv. without a mandate. Casten, or. w. to ..rder, to decree. Lade break. v. hard (painful) labor. —brakes, lLaster, on calumny, ',lender. —daad, Albany. ov. w. to overtire, to torment. —brakig, by. —dieht. slar.deroue poem, lamf oan.—mond,—fong, painful, toilsome. —breath, v. fracture of a limb. slanderous tongue, slanderer, detractor. —pen, Ledekant, o. bedstead. slandering pen. —cede, ea)uannlatirg defainatorY) Ledensan, re. lie Leenean —malen, uay. Zie speech. —aehrift„ libel, liMp0,11. -t 4e1, calum- Lidnattat. —nutter, m. bone-setter, surgeon. slander, abusive language, blasphemy,.—ziek, —pop, v. puppet; lay-figure. slanderous. - zeckt, slanderousness, pronenees to Leader, o. leather. —bereider, ler.ther-dresser, calumny. —aar, gin. —aa , eter, v. calumniator, currier. —goal, leather things. —kor,per, skinner, plunderer, defamer, detractor. —.lastly, cv. ca- fell-monger, leather-dealer. —achtig, hv. like lumnions, slancieroue. ov. w. to calumniate. leather, leathery. en, bv. leather. to slander, to derame, to blaspheme. —lug, a. Ledsivratter,o. Pynovia. slander, 'slandering, detraction; blaeplaemy. Ledifi, by. empty, void, spare; unoccupied, bv. & bw. caluinniatury, slanderous (-1y), Was- to idle. to be out of —e tijd, leisure. — phernous ( , 1y), work. —, bw. idly, without employment. —gang, Lostlfg, hr. troublesome, burdensome. — vaiten, idleness, ditemp,nynnent. —ganger, idler. —mato trouble (urn, tor). —held, v. troublesome- ken, —en, on. w. to empty. —head, v. emptiness; idleness. —ing, v. emptying. Cat, r. lath. —Icerk, lath-work. o. Lead, by. ,net —e oogen, with regret. T. ntafel, v. cheat of drawe , s wrong, hurt, harm, grief, injury. —let duet ov. w, to let, ‘e leave; to allow —, to —, I am sorry for it. —dragead, by. mounting. permit to 'lifer to; to leave off; to bid, to —wesen, o. regret. order, to command; to bleed, to let blood; to Loaf regal, m regimen, diet. life•time, heave (een zucht); (era wind) to break wind. — age. —toekt, provialons, victuals. waken, to get made, to cause (to order) to be Leog, be. Zie Ledis. —loopen, to empty one 'a
Cobalt (ko'baolt), s. kobalt. —it (ko-baollik), —ence, a. gelijktijdig bestaan. —eat, a. gelijktijdig bestaand. a. kobaltachtig. v, a. op- Coexten d (ko-eke-tend'), v. a. even ver uitCobble (kob'b1), a. visschersboot. strekken. —sion (-ten'sjun), a. gelijke omvang. lappen, knoeien. —r, a. knoeier, schoenlapper. Coeciferous (kok-sirur-us), a. bessendragend. I —sive (-ten'siv), a. gelijk ultgestrekt. Coffee (kof'fle), a. koffle. —berry, koffieboon. Cochineal (kotsre-niel), a. cochenille. —biggin, Illtreerpot. —cup, koftlekopje. —house. Cott'teary (kok'll-e-rits), a. schroefvormig. kofCochlettted (kokli-eet-id), a. Zie CochleorY• koffiehuis. —kitchen, kofflebranderij. Cock (kok'), a. haan; mennetje; kraan; kerf; ha- fiemolen. —pot, kofflekan. nengekraai, hooiopper; boot; optoomael; wkizer, Coffer (korfur), a. koffer, geldkist; achat; geeveriaar. —, v. a. opzetten, opsteken;optoomen, deelte van een kroonwerk; bedekte gang. —, apannen; v. n. cone hooge horst zetten. v, a. in een' koffer sluiten; opgaren; (up) potten. —dam, kistdam, —er, a. schatmeester; potter. hoop, haantje de voorste. —boat, kleine sloop.Coffin (korfln), a. doodkist; hoer; peperhuisje; —brained, onbezonnen, wuft. —bread, scheeps beachuit. —chafer, meikever. —crowing, hanen- taartvorm. —maker, doodkistenmaker. —, v. a. gekraai. —fight, —match, banengevecht. —loft, in eene doodkist leggen. zolderkamertje, vliering. —pigeon, duffer. —pit. Cog (bog'), a. tand (van een rad); kleine boot; v. a. van tanden voorhanenmat. —'s.comb, haneeam; fat. —shut, oche- fact. —wheel, kamrad. —,to — the dice, valsch meravond. —spur, hanespoor. —sure, a. zeer ze• Men; misleiden, vleien. liegen. —ger ker. —'s-tread, hanetred. —swain, bootsman. dobbelen. v. n. flikflooien; (-gur), a. bedrieger; flikflooier. —fiery, a. bedrie—throwing, haanknuppelen. —weed, hanekruid. gerij. —ging, a. bedriegelijk. —ging, a. bedrog. Cockade (kok-eed'), s. kokarde. Cogen cy (ko'dzjen-sih), 0. kracht, vermogen. Cockatrice (kok'e traj8), s. baziliskus. Cocker (kok'ur), a. hanenfokker. —, v. a. ver- —t, a. —tly, ad. krachtig, dringend. Coggle-stone (kog'gl-stoon), a. kiezelsteentie. troetelen. —el (-il), s. jonge haan. Cogita ble (kod'zji tibl), a. denkbaar. —te (•teet), Cocket (kok'it), a. tolbriefje. v. n. deniren. —tion (-tee'ajun), a. overdenking. Cockle (kok'kl), s. kammossel; korenroos. —, v. —tire (-tee-tiv), a. denkend. a. & n. kronkelen, plooien, krutIen. Cockney (kok'nih), a. bewoner van Londen;bot- Cogna te (kog'neet), a. verwant. —tion (kugnee'siun), a. verwant8chap. muil, ploert. Cocoa (balm), s. cacaoboom. —nut. Itokosnoot. Cognition (kug-nis'sjun), a. kennis. kenCocoon (ko-koen'), a. cocoa (van zijeewormen). Cognizable (kog'ni-z1b11, a. aan gerechteltike nisneming onderworpen. —zance (-zens), a. rechCoctile (kok'til), a. gehakken (van eteen). terlijke kennianeming, onderzoek; wapenteeken, CoctIon (kok'ajun), a, koking, verterin'g. onderscheidingateeken. Cod (kod'), e. schil, peul; kabeljauw. —fish, stok- visch, kabeljauw. —liver oil, levertraan. —pep- Cognomin al (kug-nom's-nel), a. tot den toeper, piment, —ware, peulvruchten. —dy, a. naam behooreod. —ation (-nee'sjun), a. toenaam; (net) geven van een' toet.aam. settling. Cognosc ence' (kug-nos'sens), a. kennia. —ible, Coddle (kod'd1), a. a. stoven, zacht koken. a. kennelijk, —ire, a. kennend. —ire faculty, kenCode (bond), a. wetboek. vermogen. Codger (kod'dzjur), a. verb. Codicil (kod'i-s11), s. aanhangeel (op een tes- Coguardlan (ko-gaard'jen), a. toeziend voogd. tament). Cohabit (ko-lieb'it), v. n. samenwonen. —ant, Codling (kod'lleng), a. jonge kabeljauw; etoof- a. medebewoner. —ation (-tee'sjun), s. 8amenwooing. appel. Coheir (ko-eer'), s.. mede-erfgenaam. —ess, s. Coeftleacy (ko.erfl-ke-sih), a. or. Coefticien cy (ko-ef-fis'sjen-sih), a. medewer- mede-erfgename. samenhangen, overeenking. —t, a, medewerker; a. niedewerkend, sa- Cohere (ko-bier), v. a. samenhang. —nt, a. —ntly, stemmen. —ace, —ncy, lnenwerkend. ek), a. onderbuiks-. passion, bulk- ad. samenhangend. Coeliac Cube sion (ko-hrzjun), a. samenhang; aantrekloop. kingskracht. —sire ( air), a. —sively (-sly-lib), ad. Coempflon (ko-emp'sjun), a opkooping. samenhangend. —siveness (-air-ness), rs. semenCoequal (ko-i'kwel), a. gelijk. —ity hangende eigenschap it-tih), a. gelijkheid. Cohort (ko'hort). a. krtigsbende. Coerc e (ko-urs'), v. a. bedwingen. —ible, a. bekap, bait. —ed, a. een kap dwingbaar, —ion (ko-neeitin), e. betellgeling. Coif (kojn, a. kepsel, dragend. —fare (kojefjoer), a. kapael, hoofdtooi. dwang. —ire (-siv), a. bedwingend. Coessenflall (ko-es-sen'ojel), a. —ty, ad. van gelijk Coil (kojl), a. opgeschoten kabet; rumoer, gev. a. (up) opachteten (den babe!). raaa. a. geflikheid van wezen. wezen. —ity Coetaneous (ko.i-tee'ni-us), a. gelijk van ja- Coln (kojn'), s. mnnt; muntstempel; hock; wig. v. a. muntee; current —, gangbare munt. ren, gelijktijdig, (to. with), verdichten, verzinnen. —age, a. mnnting; muntCoetern al (ko i tur'nel), a. --ally, ad. mede loon; atempel; verdichting. eeuvvig. —ity, a. mede-eeuwigheid. Coev al (ko-i'vel), a. gelijkjarige; tijdgenoot. Coincide (ko-in-sajd'), v. n. samenloopen; sementreffen; overeenkomen (in with). —ace (koal, —ous, R. gelijktijdig, even and, (to. with). fn'si-dens), s. eamenloop, overeenstemming. —nt Coexist (ko-egz-let'), v. n. gelijktijdig zije.

to hobble, to limp, to halt. -Wet, liMper, —.lg, be. hobbling, limping. Hand, m. dog ; dog-star. —eketliteg, dog-chain. —enendee, old pieces of ropes and cabled.—enhaor, dog's hair. —enliok, dog-kennel. —enjongen, dogkeeper; stable-boy. —enleer, dog-skin. —emits*, dog's nose. —enras, canine race. —eastager, dogwhipper, beadle. —enwacht, dog-watch. —ensiekte, dog's disease. —eszweep, dog-whip., —3beet, bite of a dog. —.Naar,, watery pustule. —tblotin, dandelion. —adages, dog-days, caniattlar days. --edietei, anthemis. —sdolheid, canine madness, hydrophobia. —edraf, gtound-try. —agree, dog 'egress, canine-grams. —shonger, canine-hunger. —ejong, puppy. —,kerb, dog-berry. -alone, doghouse, tick. —,room, dog-roes. —ester, dog-star. —sto.g, hound's tongue; cynoglossum. —trot, rascal, wounded. —en, on. w. bet cal er —,there will he some strife. Honderd, tw. & 0. hundred; cent. tell! ten —, live per cent. in het at random. —bladig, cant!. —deelsg, centigrade. —handig, boring a hundred hands. —jarig., centennial, centenary. —jarige, centenarian. —oo.qig, hundred-eyed. --tat, hundred, centenary. —taltig, centenary. —voetig, centiped. —road. centuple. —romdig, be. & centuple, hundredfold. —ertei„ be. of a hundred sorts. —moat, —toerf, bw. a hundred times. —ate, by. hundredth; o. hundredth (part), centesimal. Ilkondeeb, by, doggish, currish; unkind, Impolite,, rude; cynic. —Amid, v. unkindness, impoliteness. Houser, m. hunger, appetite;eager desire. — !abbe., to be hungry. — 'Odra, to starve. ran — 81 urren, to die with hunger, to starve. —dood, starvation. —lOder, starveling; pinch-belly. —snood, famine. —en, on. w. to be hungry, to hunger (Aar, after, for), —ig, bv, hungry; sharpset, greedy. —igheid, v. hungrinese; greediness. llonig, m. honey. —b(v. bee. —dame, honey-deW, mildew. —drank, —so(nt, mead, hydromel. —resat, —seats, honey-comb. —water, honled water.—zoef, as sweet as Loney. Honk, o. starting-post; home. ran — sijn, to be absent. — gone. bie — bliken, to remain at home. van - goon, to leave home. >ti ssofd,o. head; brains, judgment, sense, memory; chief, leader; top: pier, mote. — roar —, one by one. sit bet by heart, mental (-1y(. wen het — tot de voeten, from top to toe. het —kites Actives, to be in had spirits. to despond. over het — *angels, to be impending, to threaten. stin breken met, to trouble one's head about.ientand tilt het — praten, to dissuade a. o. from. wit —e van, on account ot. out dies --e, therefore. —aan/eager, first author, — contriver. —aanvat, principal attack. —aanroerder, commander In chief. . —maker. , —oder, ye obblic vein. —altaar,hixb-Altstr sheet-anchor. —artiket, chief article; leading article, —balk, architrave. —bend, bead-band, fillet. —bedskiti.g. coveting' for the head. —begrsp, principal eotIon; general contents, mammary. —beetanddeel, principal element. —beau's?, chief direction. —bestusrder, chief director. —boobs, principal argument. —hesigheid, chief business. —boor, trepan. —borstal, —seanier., head brush. —breken, —braking, trouble, sere. —brekesteg,

.1 —J US. 161 goochelaar. —cry, P. goechelarii. —tag, a. (hot, Jeirlettlet Icsits (dzjoe-ris-tiik'sjun), e. rechtsge• goochelen; bedriegerij. —ingly, ad. bedriegelijk. "hied. —ional, a. gerechteltjk. —ire, a. rechterltk. Jugula r (dzjoe'gjoe-ler), a. van de keel. s. keel- Juriapruden ce (dzjoe-ris-proe'dens), a. recta. ader. —tc (-lest), v. a. worgen. —floe (-leesjun), a. geleerdheid. —t, a. reehtsgeleerd. —tial (-den' ajel), worgiug. a. van (betreffende) de rechtsgeleerdheid. Juice (dzjoes'), s. sap. —cleat, a. sappeloos. —iness Jur let (dzjoe'rist), s. rechtsgeleerde. —or (-ur), (-1-ness), a. sappigheid. --y, a. sappig. s. gezworene. Jujube (dzjoe'dzjoeb), s, jujube, roode borstbes. Jury (dzjoe'rih), a. jury, rechtbank van gezwoJuke (dajoek), v. a. roesten (van vogets); toeknik- renen. —box, bank der gezworenen. —leg, houken. teu been. —man, gezworene. —mast, rit,o d. Ju lap (dzjoe'lep), —leg, s. koeldrank. mast. Julian (dzjoe'li- en.), a. jeliaanech. — account,ju- Just (dzjust), a. rechtvaardig, oprecht, billijk, Paansche tijdrekening. eerlijk, uauwkeurig. —, ad. joist, even. — by, July (dzjoe-lajn, s. Juli, booimaand. dicht bit. but, — pas. — note, aanstonds, no. —, Jilinart (dzjoe'maart), s. buipaard, -ezel. s. Zie Joust. Jumble (dzjunfb1), a. reengelutoes. —, v. a. door Justice (dzjutetis), a. gerechtigheid, rechtvaarelkander rrnijten; v. n. geschud worden. —meat, digheid, bitlijkheid; rechtspleging; rechter. chief s. Zie Jumble. —r. s. verwarder. —, opperrechter. — of the peace, vredereclater. Jump (drjume), a. sprong; kens; IR"fie. —, v. a. in —, van rechtewege. —meat, a. rechtspieging. op 't spel zetten, wages; overbeen spring.. —r, a. rechtsbedeeler. —ship, a. rechterschap. —, stapnen, overstaan; v. n. epringen, huppeleu; Justlela bits (dzjum-tisfi-ibl), a. veneer vane hotsen; ;at) gretig aangrij pen. —r, a. springer. rechterlijke kennIsneming. —ry (-e-rih), a. rechtaJuncate (dzjun'ket), s. kaaskoek; lekkernij. bedeeler. Juncous (dzjung'kus), a. vol biezen. Justif lable (dzjueti fsj-ibl), a. to rechtvaardiJuntt Ion (dzjungk'sjun), s. vereeniging. —ore gen. —iableneas, s. rechtvaardigbaarheid. —iubly, (-tjoer), 8. need, voeg, gewricht; vereeniging; ad. op cone wijze, die to rechtveardigen is. —icatijdagewricht, station. lion (41.-kee'sjun) a. rechtvaardiging. —icatire , June (clajben), a. Junt, zamermaand. —icatory (-tiri-ke-), a. rochtvaardigend, bewijJungle (tzjung'g1), s, dicht botch. mad. —icator (41-kee-tur), —jer (-faj-ur), s. recbt Junior (dzjoen'jur), a. ouder. —, a. oudere. vaardiger, verdediger. —y (-raj), v. a. rechtvtterJuniper (dzjoe'ni.eur), a. jeneverboom. —berry, digen, verdedigen; rechtvaardig makes. jerteverbes. --tree, jeneverboorn. Justle (dzjua's1), s. echok, bottling. —, v. a. Junk (djungk'), s. jonk; slapping. —axe, mastbijl. stooten, duwen; v. n. schokken, botsen; strij-bottle , g ► azen ttesch. den (for). Junket (d,jungk'it), a. gebok; lekkernij, snoe- Just iy (dzjuseliW, ad. met goed recht; rechtvaa•perij. —, v. n. smullen, snoepert. —ing, a. smt-,1- ,, dig; nauw4e urig. —nest, a. rechtvaardigheid, partij. ! billijkheid; juistheld, nauwkeurigheid. Junto (dzjun'to), .. vergadering; partij; eedge ;Jut (dzjuti, s. uitstek. —window, uitspringend span. ream. —, v. n. ultspringen, overhangen. —ty, a. Jurist (dij.e're.t), a. gczworene, schepen. --ory, a. I uitstek; havendam, -Itoofd; v. n. Zie.to Jut. onder cede. ,Juveibll e (dzjoe've-nil), a. jeugdig, —ity (•nil'Juridical (dzjoe-rid'ikl), a. —1y, ad. gerechtellik. ! it-tih), a. jeugdigheid. Jurlaconsult (dzjoe-ria-kon'sult), a. rechtsge; Juxtaposition (dzjuks-teepo-zisj'un), s, naast• leerde. • elkander-plaateing.

131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
—0U8hCSti, a. cngte, gebrek ahU ritimte. —late laaaalla finny (ku-di-re bii'it•tihl, n. na v (-pea'i-teat), v. a. onbekwaam lijkheid. —ble a. onvriendelijk, atug, krachteloos maken, (for, to). —ty ongezeilig. a. onbekwaamheid. Itualrectntion (in-ef-fek-tee'sjun), s. ongekun- steldheid, ongedwongenheid. incarcera te (in-kaar'sur-eet), v. a. gevangen inallena his (in-eerjen-ibl), a. --bly, ad. onver- zetten. —lion (-ee'sjun), a. gevaugeuzetting. vreemdbaar. —bleness, a. onvervreemdbaarheid. Incarn (in-kaarn'), v. a. met vleesch bedekken; v. n. vleesch zetten. —adine (-e-din), a. vleeschInaliceental (in-el-t-men'tei), a. niet voedzaam. kleurig. —ate (-ct), a. met vleesch nekleed, vleesch lnamissible (in-e-mis'aibl), a. onverliesbaar. geworden.. —ate (-eat), a. a. met vleesch bekleeinamorata (in-em ur-ree'to), a. minnaar. den. —ation (-ker-nee'ejun), a. vleeschzetting; s.ledige ruimte. inane (in-een'), a. ledig, ijl. Inanl wale (in-en'i•met), a. levenloos, onbe- vleesch-, menschwording; vlieschkleur. —alive (-e-tiv), a. vleeschmakend. zield. —lion (-c-nisj'un), s. ledigheid; krachte- Incase (in-kees'), v. a. in een' koker aluiten; looeheid. —ty, a. ledigheid; ijdetheid. inappeten ce (in-ep'pe-tens), —cy, a. gebrek bedekken, inwikkelen. Incastell ated (in-kes'til-leet•id), a. (als) in aan eetlust. inapplica hie( in-ap'pli-kibl), a. ontoepaaae- een kasteel opgesloten. —ed, a. ingemetseld; onbruikbaar. —bility (-ke-bil'ittitt), a. ontoe- hoevig (van paarden). paerelWtheid. —lion (•kee'sjun), s. nalatigheid, Incatenaticn (in-ket-e-nee'sjun), a.aaneenschabelong. teraagheid. Inapposite (in-ep'pozit), a. ongepast, onvoeg- Incautious (en-kao'sjus), a. —ly, ad. onvoorziebtig (of). —now, h. onvoorziehugheid. VIIIIII, ondienstig. Inappreciable (in-ep-pri'sj-ibl), a. onachatbaar. IncnaratIou (in-ke-vee'sjun), a. uitholling. Inapprehens lisle (in-ep-pri-hen'sibl), a. on Incendiary (in-sen'di-e-rih), a. brandstichtend; opruiend; oproerig. verstaanbaar. —ire, a. onoplettend (of). s. brandstichter; stokeInappropriate (in-ep-pro'pri-et), a. ongepast. brand. Inaptitude (in-ep'ti-Hoed), a. ongeschiktheid. Incense (inisens), a, wierook. v. a. beInarable (in-er'ibl), a. onbepAoegbaar. wierooken. Inarch (in-aartsj'), v. a. at,igen, enter. Incens e (in-sent'), v. a. warren, verbitteren. —orient, a. toorn, woede, verbitteriUg. --ion Inarticula te (in•er-tik'joe-let), a. onduidelijk. a. aanateking; ontbranding. —ive, a. onveretaanbaar. —tote., —lion (-lee'sjuu),s. en- sarrend; opruiend. —or, a. stokel'rand. —asp, a. duidelij kheid. wierookvat. Inartllicial tin-anr.ti•tb,j'el), a. .—ly, ad. kun- Incentive (in-sen'tiv), a. aonaporend, aanvustelooe, ongekunsteld. rend (to). —, a. prikkel, spoorslag; drtjtveer. Inasmuch, (Zia Insomuch.) Inattention (in-et-ten'ajun), a. onopletteadheid. incept ion (in-sep'sjun), a. aanvang, begin. —ive, a. —ively, ad. onoplettend. —ive, R. beginnend. —or. a. beginner, Inaudi ble (in-aow'dibt), a. —tly, ad. onhoor- InceratIon (in-se-ree'sje.n), a. bedekking met was; weekmaking. boar. Inaugura I (in-aow'gjoe-rel), —tory (-re-tur-rih), Incertitude (in-sueti-tjoed), a. onzekerheid. a. inwijdings-. —te i - reet), v. a. inwijden. —tion Incrssan cy (in-kses'een-sih), a. aanhoudendheid. —t, a. —tly, ad. onophoudelijk. (-ree'sjun), a. inwijding. lnauration (in-aow-ree'sjun), s. vergulding. Incest (in'sest), a. bloedschande. --nous, a. Inauspicious (in-aow-spispe.10, a. —ly, ad. on- —uously, ad. (-sest'joe-us.), bloedschendig. gunetig, onheilspellend. Inch (intsj), a. duim (meat); kleinigheid. at an—, a. aanhanging, onafechei- op een hear. not an —, Keen aaaje. every —, geInbeing heel en al. — by —, by —a, aura voor voet, bangdelijkheid. In born (in'born), a. aangeboren, ingeschapen zamerhaud, van lieverlede; apaarzaa-m. —meat, atuk van een' duim lang; by —, atlenga. —. v. a. (with). —breathed (briettfld'), a. ingeblazen, inNe. (out) bij duimen meted; karig toemeten. —, v. n. ademd. —bred, a. inlandsch; aangeboren. Incase (in-keedzy), v. a. in eene boot aluiten; langzaam vorderen (wijken). InchastIty (in - tsjeetit - tih), a. onkuischheid. opsluiten. —meat, a. opslulting. Ida kniculable (in-kel'kjoe-libl), a. onbereken- incised (intejd), a. duimen bevatton , i. lnchoat e (in'ko-et), a. —ely, ad. aangevangen. bear. Incaleseenee (in-ke-lea'scns), a. warinwording. —ion (-ee'sjun), a. begin, aanvang. —ice (.1to'eIncandesces' ce (in.ken-des'isens). a. gloeibitte. tiv), a. aanvaugend. Inelden ce (in'sf-dens), s. toeval; inval (van de —t, a. gloeiend. Incur-Atact Ion (in , ken-tee'sjun), s. betoovering; cane lijn op de andere). —t, a. toevallig; btikotooverspreuk, -formulier. —cry, (-lien'te-tur-rih),1 mend; elgen (to). —t, a. voorval; bijkomend Kea. betooverend. val. —tat, a. —tally, ad. (-dent'cl-), toevallig; Incanton (in-ken'tn), v. a. tot eon kantou vor-1 btjkomend. men. 'llucluera te (in-sin'ur-eet), v. a. tot ascii verHint:apt% ble (in-kee'pi!,1). a. onbekwaam (of). branden. —lion (-ee'ajun), a. verbranding tot —tleneea, a. onbekwaam- Recs. —bility heid. Incipient (in-sip'i-ent), a. beginnend. Incapacl ous (in.ke-pee'sjos), a. eng. niet ruin, incIrcumscrIptible (in•sur-kum-ekript'ibl), a,
Litholug 1st (ii thol'ud-zjist), a. sieenkenner.1 loopen, struaitsikpeo. 4 —er, a, lindleoper, a treatelijper. —y, a. steenkunde. 1Lithotom 1st (!t-thot'um-ist), e. steensnijder Gonna (loom'), a. leem, kleiaarde. —, v. a. met learn of kis! bestrijken. —y, a. leemachtig. (arta). —y, e, het anijden van den steen. Litiga nt (lit'i-gent), a, procedeerend; s. prove- Lean (loon'), a. leenIng. —office, leenkantoor. voerder. —te (-geet), v. a. betwisten; v. n. prose- b — v. a. leenen. deeren. tion (-gee'sjun), s. rechtsgeding, prom. !Loath (loath'), a. afkeerig, wars, ongenegen (to). — ly, a. walgelijk, stuitend; ad. met tegenzin. Litigious (11-tidzyus), a. —)y, ad. pleitziek, —nese, a. tegenzin, afkeer. betwistbaar; in gesehil. —nesa, a. pleitzueht. Loath e (loath'), v. a. walgen van, verfoeleu; 'Minos, Litmus (lit'muis). s. lakmoes. v. n. walgen. —er, a. walger, verfoeier. —ful, Litter (lit'tur), a. draagbaar; stroo; istroomat! warping (van dieren); broedeel, dracht; wanorde. a. walgelijk, verafechuwd; hatcnd. —ing, a. rommel. —, v. a. werpen, jongen; overhoop walging, aikeer. —imply, ad. Diet: afkeer. —ly, werpen, van strooing voorzien; v. n. van stroei- a. & ad. —nest, a. Zie onder Loath. —seine, ing voorzien zun. a. walgeluk. —somenets. s. walgalijkheid. L ittle (litql), a. kleia, weinio, goring. —, —one, Lob (lob'), a, lummel, vlegel; regenworm. —coo , lummel. —lolly, a. mengelmoes; gerdtenat, waa. weinigje. —, ad. we!. kleintje, kind,;e. nig. —nese, s. kleinheid, geringheid. I terpap. —lollyb6y, doctorajongen. —aided, overhangend. —'a-pound, bedelaarsgevangenia. —, v. Littoral (lit'to-ral), a. van den oever, never-. a. laten vallen. Llturg lc (11-tur'dzjik), —ical, a. van de kerk- orde, liturgisch. —y (lit'ur-dzjih), s. kerkarde, Lobate (lo'bet), a. lellig, met lobben. liturgie. Lobby (lob'bih). a. portaal, voorzaal, wash, L ive (lis'), v. n. levee (on, van); bestaan (by,l kamer. van); wonen; (out) overleven; (up to) levee over- Lobe (1001V), a. kwab, lel, lob. —d (-id),. a ;lie eankomatig. —long, n. lang, langdurig, ver-1 Lobate. —let (-lit), a. lellet;e, kwabbetje. LobsteF (lob'stur), a- zeekreeft. velend. Live (lajv') a. levend, levendig; ongebluscht. Lobule (lob'joel), 8. lelletje, kwabbetje; zaci-stock, veestapel. —lihood (-1I-hoed), s. levens- ' buisje. onderhoud, kostwinning. —lineal (-11-ness), a. Local (lo'kel), a. —ly, ad. planteelijk. —ity (•kel'it-tIh), plPatselijae gesteldheid. loiendigheid, vroolijkheid. —1y, a. levendig, Lora te (I o'keat), v. a. plaatsen. —tion (-kee'sjun ), vroolijk. Liver (liv'ur), a. levende; lever. the longest —, I a. plaataing. de langatlevende. —color, leverkleur. —colored. Loch ask), a. meet.. leverkleurig. —freckle, levervlekje,sproet.—grown, Lock (lok'), z. slot; alotplaat; beugel; lok; vlok; met eene groote lever. —pyrites,leverkies. —ctone, I schutal nit!, —chain, spanketting. —gate, slutsleversteen. —wort, leverkruid. —ed, a. eene' deur. —keeper, aluiswachter. —paddle, (Nike , lever hebbend; white—, lot; gemeen; hot—, op-1 --ram, zeker grof !Innen. —silt, aluiadrempel. vliegend. —ing, s. leverworst. , —smith, slotenmaker. —weir (-wier). sluisweer. Livery (liv'ur-ih), 8. overgifte; inhezitstelling; Lock (lok'), v. a. aluiten, op-, toesluiten. (in) onderhoud van een paard; gild; livrei. to keep' inaluiten, omvatten. (out) batten Outten. (up) horses at —, huurpaarden hcuden. to stand at —, wegsluiten; stremmen. —, v. n. slulten. —aye, a. sluisgeld, sluiewerk. —er, a. laadje, 'castle; in een' huuratal staan. —coach, huurkoets. bak. —et (-it;, a. alootje; medallion. —horse, huurpaard. —man, livereibediende; glide- Locomot ion (lo-ko-mo'sjun),. beweegkracht, hroeder. —stable, huurstal. voortstuwend vermogen; plaatsverandering. —rye Livid (llv'id), a. loodkleurig. —ity (II-vid . - (-ay), a. voortetuwend, van pleats veranderend; —neas, a. loodkleur. a. atoomwagen, locomotief, Living (liv'ieng), a. beyond, levendig. —,s. host- winning, bestaan; predikantsplaats. —ly, ad. in Loculament (10Vjoe-le-ment), a. zaadhuieje. Locust (lo'kust), s. sprinkhaan. —tree, ameri!even. kaansche acacia. Livre (laj'vur), a. livre (fransche munt). I.Ixivi al (like-Ivq-el), --ma, a. loogachtig, van Locutions (lo-kjoe'aitin), a. epreekwijze. loog. —ate (-set), v. a. loogen, uitloogen. —ation Lode (lood), z. Zie Loatii. (-eesjun), s. uitlooging. —um, 0. loog. Lodge (lodzP, s. loge; huisje; optrekje; vertrelife; Lizard (liz'urd), s. hagedis. —fish, hagedisviech. hol. —, v. a herbergen, huievesten; bewaren; (lesser) —flower, stinkend standelkruid. —atone. neerleggen, plaatsen; beleggen (geld); v. n. wohagedissteen. —tail, liagedisraart• nen; gaan liggen. —ment, a. plaatsing; "'going; Lo (in), int. ale! kijk ophooping; verschansing. —r, a. inwoaer; karstCoach (loots)), a. grondel. ganger; !ogee, Bast. load (load', a. lading, vracht, last; mijnader. Lodging (lodzrieng),a.huievesting,logies.—house, gang. —mark, mark van den diepgang. —star, koethuis. —room, logeerkamer. pool-, noordstar; leidstar. —stone, zeiiateen. Loft (loft'), a. verdieping; zolder. cock—, vileLoad load') [loaded. loadce, laden!, v. a. laden, ring. —iness (-imess), s. hoogte; verhevenheid; bevraehten; overladen; bezwaren; vervalschen trotschheid. —i/y, ad. —y, a. hang; verheven; (dobbelatee ►en). —er, a. leder, bevrachter. trotech. Loaf (loot'), 0. (een) brood. — of sugar, sulker- Log (log'), s. blok; log. to heave the —, logger' brood. —sugar, broodsuiker. 4 —, v. n. land- met bet log melee. —board, logtatel, —book
419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,

Hoe werkt Bitcoin winst maken


REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-
4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.
o ( aje a n),e sm. edeal, n , s a, ab. °;o!enntp. el. Share a na nd rot l n nee bo e g et ahaar, nto _ dea l ada:eln r.—,v. (in. a ie a ; r,. eeel deal nemen se,icrra, hap; bewchutting. —e, v. denier, deelhlbber. (from).( - tiff Shttrk (sjaarkl, a. haai; bedrieger; bedrog. a. v. a. wegkapen; v. n. bedrtegen; Febuirnloopen. — er, a gelukzoaker; schuirnioaper, opilchter. a. senaduwing. schaduwan. ir ii tl a)adaerp'3, . ,,zoi;k()h. et_) , Feala. er_ (1-,ass)., s. 1...)errijkheid. Sharp p:a iy , e ,,hde .rp oe ehtaeor nr ;
Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.
Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.
bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.
bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.

Wat bepaalt de prijs van Bitcoin


drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-
EXO.•-EXP. den. -te (-eel), v. a. bueten, verzoeuen, *wetter Env...MAE (ekt,Thr-rill), a. verbiddelijk. -nees, s. goed maken. -tion (ee'sjun). a. boeting, ververbiddelijkheid. buiten- zoening. -tory (-e-tur• rill), a. boetedoende, booExorbitan cc (egz-orthi-tens), tend, -aa,rifice, zoenoffer. sporigheid, verregaandhehi. -1, a. -fly. ad . butExpilation, (eks-pi-lee'sjun), a. plundering; vertenaporig, Nerregaand, sehreenwend. waarloazing van den eigendo:n van ininderjartgen. Exorc lee (eks'or-sajz), v. a. bezweren, nitbann en . -jet, a. duivelbanner. a. gees- Expla' action (eks-pi-ree'sjun), a. uttademing; lactate ademtoeht,overlijden;nitwasemtng;affoop, tenbezwering. elude; vervaltijd. -e (-pair'), v. a. uitademen; nitExordit at (egz-or'di-e1). a. inleidend, aanhef , wasemen; v. n. ten etude loopen, vervallen; den inleiding, aanbef. -urn. a. fend. geese geven. Exottive (egz•or'civ), a. opgaand, oostelijk. Explain (eks-pleen"), a. a. verklaren, uttleggen. Exosseoun (eaz-os'st-us), a. beenderloos. -able, a. verklaarbaar. -er, a. verklaarder, toeExostosis leks-os-to's(s), a. beenuitwas. Lxotcr lc (eks.o-ter'ik), a. openbaar. -y liehter. Explanat Ion (eks-ple-nee'sjun), a. verilaring, s. duidelijke (algerneene) zaak. ieks , nitlegging. -ory (-plen'e-tur•rib), a. verklarend, Exotic (C1,7.-ot'ik), a. uitheemsch nitheeraseh ophelderend. gewas. Expao al (cks-pond'), v. a. uitzetten; uitspreiden; Explei lye (ektip(e tin), -ory, a. aanvullend. nithreidem v. n, zwellen; zich opene ► . -se (-pens'), -eve a. nanvallend woord, etopwoorci. m.uitgestrektheid; -ofhearen, nitsp.sel. -aitility Explica bin (eks'plt-kibl), a. vcrklaarbaar. --to (-beet), v. a. ont ,:ouwen, uttleggen, verklaren. s. nitzetbaarheid. -aiole (-pen' -tion (-kee'sjun).,s. entvouwing, uttlegging, vernib)), a. nitcetbaar. -aeon (-pen'sjun), a. uitzetting,nitspreiding; ultgebreidbeid. -sive (•pen's ►v), klaring. -tine (-kee•tiv), -tory (kee-tur-rih), a. verklarend. -tor (kee'tur), a. uttlegger. a. nitzettend; uitspreidend. Expatiate (eks-pee'sji•eet), v. u. rondwandelen; Explicit (.10 - nlieit), a, -ly, ad. dutdelijk, holduidelijkheid,bepnaidheid. der, bepaald. inn. upon) uitweideri over. e (eka-plood'), v. a. uttdrijven,doen nitExpatria te (eks•peetri•eet), v. a. verbannen. Explod baraten; Wide atkenren; uitjouwen; v. n. -lion (-ee'sjun), a. verbanning; ultwijkinK. barateu, ontploffen. Expect' (eks-pekt . ), v. a. verwaaten.§veronder• (eke-plait:), a. bedrijlc heldendt ad. stel3en, meenen. -able, a. to verwachten. --ante, Exploit a. onderzoe--anry, a. verwa, chting, hoop. -ant, a. verwaelt- Explor ation (eks'plur-reesjun), king, navoraching. -ator (eks'pltYr-ree-tur), a. ontend, s. verwachter. -ation (-tee'sjun), a. varderzoeker, navorseher. -atory (-plor'e-tur-rth), wachtiug, -er, a. verwachter. Expeetora nt (aka-pek'tur-rent), a. oplossend, R. onderzoekend, -e (-ploor'), v. a. onderzoeken, navorschen, nasporen. opgevend; slijmoplossend rniddei. -te (-reet), Explo aloe (eks•plo'zjun), a. uitbarating, ontv. a. ophoesten, opgeven; v. n. alijm opgeven. plofting. -sive (-sin) a. ontploffend, uttbarstend. -lion (-ree'sjun), s. aphoesting, opgeving. -tine Exponent (eka-po'nent), a. machtswijzer, expo(-se eiv), u. opgeving, bevorderend. nent. -ial (-nen'ejel), a. exponenten betrefExpedien ce (eks-pi'di-ens), -cy,s.geschiktheid, fend. dienstigheid, doelmatigheid; spoed. -t, a. -tly, Export (ekepoort), a. uitvoer; uttvoer-artikel. ad. geschikt, passend, dienstig; raadzaam. -t, Export (eks-poort'), v. a. uitvoeren. -able. a. a. nitwewttulpmiddel. dat uitgevoerd kau worden. -ation (-par-tee' Exped It e(eks'pe-dajt), a. -ely, ad. anti, vaardig, sjun), s. uitvoer. a. uitvoerder. vlug, g.makkelijk. -c, v. a. bespoedigen; bevor (term afienden. -ion (-disrun), s. snelheid, Expos a (eks-pooz 1 ), v. a. blootleggen; blootmpoed; afzending; zending,tucht.-iona,a. -loudly, etellen; to koon zetten (for sale); can de kaak Ptellen. -ition (-ztayurt), a. blootlegging; verad. ,,,tisj'us-), *lug, vaardig, suel. Expel (eks-pen,v. a. uitdrijven, vitwerpen. -ler, klariug; tentoonstelling. -itive, -itory, a. blootleggend, verklarend. -itor(pnz't. ), a. verdrijv tr. s. ver. klaarder, uitlegger, Expend eks-pend'), v. a. uitgeven, beateden; verExpostulft te (ekes-post'joe-het), v. n. vertu°. k*visten. (-di-tjoer), s. uitgaaf; kosten. gen doen (upon); zich vrijmoedig beklagen (for --es, Expeos e leks•pens'), s3, nitgaaf, with). -lion (-lee'sjun), a. vertoog, erriattge beonkostcn. -ire, a. kostbaar, &Inv; verkwistend. apreking beklag. -tor, a. redetwister, klager. -inept, ad. verkwistend. -ivenees, s. kostbaar-tory (-1e-tar-), a. eerie klacht...(een vertoog) be• held; helzend. Experience (eks-pi'ri-ens). a. ervaring, ondervinding; proet. -, v. a. ondervinden; beproeven. Exposure (eks-po'zjoer), r,. blootstelling; ten(-cur), s. pruefnemer. toonstelling, blootgesteldbeld. ervaren, bedreven. d, a. Experiment (eks•per'i-ment), s. prod, proefne- Expound (eIN-paarnd'). v. a. outvouwen, ver- er, a. utelegger, verklaarder. klaren. ming. -, v. a. beproeven, onderzoehen; onder- (elia-pres'), a. -Rj., ad. joist gelijkend; vinden; v. n. proeven nemen. --al. a. -ally, ad, Express ultdrukkelijk, bepaald; dutdeltik. -, a. tjthode; (-men'tel-),proefondervindelijk.-alist (-men'tel-), v, a. nitdrukken. -11.1e, a. uitboodschap. --er, s. proefnemer. -ion (preaj'un), a. uitdrukking. -inc. Expert (eks-port'), a. -iy, ad. ervaren,bedreven., drukleaar. a. -ively, ad. ultdrukkeltjk. -iventss, a. nadruk, a. bedrevenheid. A. pelmet kunneude wor- , klem. • Vxpitt hie (eits'pi
ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.
On February 16, 2018, Coinbase admitted that some customers were overcharged in error for credit and debit purchases of cryptocurrencies. The problem was initiated when banks and card issuers changed the merchant category code (MCC) for cryptocurrency purchases earlier this month. This meant that cryptocurrency payments would now be processed as "cash advances", meaning that banks and credit card issuers could begin charging customers cash-advance fees for cryptocurrency purchases. Any customers who purchased cryptocurrency on their exchange between January 22 and February 11, 2018 could have been affected. At first, Visa blamed Coinbase, telling the Financial Times on February 16 that it had "not made any systems changes that would result in the duplicate transactions cardholders are reporting." However, the latest statement from Visa and Worldpay on the Coinbase blog clarifies: "This issue was not caused by Coinbase."[45]

zin —, lust hebben. —ed, a. geetreept. —el (-i1), L ing (lieng), a, heide; leng. e. lijatje. Linger (ling'gur), v. n. sultkelen, kwijnen; talmen, dralen; weifelen; (after) smachten near. Listen (lis'an), v. n. luistercn, hooren (to). —er, a. luisteraar. —er,s. Lamer. —ing , a. —ingly, ad. di alend, talList fail (list'foel), R. oplettend. —less, a. —lessly, mend, leuterachtig. ad. onoplettend; onverschillig (of,voor).—lessness, Linget (ling'git), s. tongeije; Mang, staaf. a. onoptettendkeidi . onverschilligheid. Lingo (ling'go), a. teal. Einguadertai (ling-gwe-den'tel), a. met behulp Lists (lists). pl. strud- worstel-, renperk. Litany (lit'e-uih), s. fitanie. van tong en tanden uitgesproken. Lingual (ling'gwel), R. tie tang betreffend; tong-. Liters i (lit'ueel), R. —lly, Rd. letteclijk. —lily (-e-rib), s. letterlijke hereekenia. (-el'it — , 8. tongletter., a. letterkubdig. —te (-et), a. geletterd; a. geEingulform m), R. tongvormig. Linguist (ling'gwist), a. taelkenner.—ic(-gwis'tik), a. taalkundig. —ice, pl. vergelijkende tealetndie. /Liniment (lin'iment), a. erneersel, null. Lining (lajeieng), a. voeringi stootlap. Link (lingk'), s. achakel, schalm; toorts. —hoy, —man, toortsdrager. —, v. a. aaneen ketenen( to); aaneenschakelen, verbinden; v. n. verbonden zkjn (in). L innet (lin'nit), a. vlasvink. Linseed (lin'sied), lijnzaad. —oil. lijnolie. halfwolLinsey-woolsey len; getecee, Bering. —, a. half garen en half 'pollen scot. Llivelu•k Clini , to10,
— um. (-e - me), K Panama. —dora (-do're), my. Pandora, —nonia (•no'ni e), g. Pannanie. —theme, (thi-un), g. Pantheon. Paraguay (per-e- se', -gaj'), g. Paraguay. & m, Paris. —ian (pa-rizren), Paris Ver'ig)• a. Par' sch; 1. Parijzeurtar. Par ices. (paar'kur), m, Parker. —ma (-me), g, Parma. —name 1-nes'aus), g. Pornaseus. Pear (paar), an. Parr. —y, (per'rih), m. Parry. Parthenon (paar'the-non), g. Parthenon. Parthia (paar'thi-e), g- Parthie• Pat (pet), f. root Martha & Patrick. Patagonia (pet e-go'ni-e)., g. Patagonie, a Patagoniach: i. Patagonier. Patrick (peVrik), m. Patrick. —ty, f. soon Martha; Matje. Paul (prior), m. Paulus. —ina (-aj'ne), w. Pauline. rn. Paulus. Pavia (pa-vi'a), g. Pavia. Peel (piel), m. Peel. Peg (peg'), — pp ( - l0), r. soar Margaret; Grietje Griot. —anus ( e-sua), my. Palatine. Pekin (-king'). g. Peking. Pelagla (pa-lee'dzjt-e), w. Pelagla. —ns (-enz), r. Pelagian., Peloponnesug (pel-up-un-ni'aus), g. the —, de Peloponnesue. Penn (peon'), m. Penn. —sylvania (-811-vea'ni-e), g. PentylvaniS. Pere last (par'ei-vel), m. Percival. —y,' tn. Perry. Peri clog (per'ik-liez), m. Pericles. —paten. (-1-pe-teViks), ph. peripatetische (wandelende) wijegeeren. Peru anabueo (pur-nem-bjoe'ko), Pernambuco. —el (pur'n11), w. Petronella, Proternel. Persepolis (par-sep'o-its), g. Persepolis. POirZettlii (pur'sjoes), m. Perseus. Penal as (pur'sjt-e), g. Perste. —en, a. Perzlsch; 1. Pens, Perziaan. —us, ru. Porcine. Peru (pe-moe.), g. Peru. —elan (-vi-en), a. Perusanseb; 1. Peruaau. Peter (pVtur), m. Petrue, Pieter. —aburg (-turnburg), g. Petersburg. Petrarch (pl'traark), m. Petrarca. Phar sob (fes i ro), m. Farao, —laces (far-1-siez'), r.Farizsers. Phil (fill, —ly,voor:Phiiip; Flip. —, w. Phyllis. —adelphid g. Philadelphia. —emon m. Philemon. —ip m. Phliippus, Philip. Flip. —ippi (-ip'paj), g, Philippi. —ippinee ( pins), g. the—. de Philippbnsche eilanden. —ietine 1-18•taja), I. Filistijn. Phoek e (11'bi), my. Phebe. —us, my. Phebus. Phoenicia (d-niert-e),'g. Phenicie. —n, a. Floenicisch; i. Phenicier.
HEE.—HEL Iiiirettets,bv. & bw. hoarse (-1y). —achtly,bv. someIleelial,o. universe. what hoarse, --Acid, v. hoareeness. Heel bane, be. curable,healable. —en, ov. & on. w. to cure, to heal. —kracht, sanative (healing) Ilieeater, m. shrub. —geteae, shrub. —achtig, be. power. —foetid. medicinal herb. el —kunde, shrubby. (ran koortel; batty, surgery. —kundig. surgical. —kundige, —.eater, Sleet, ha. hot, sultry, burning irritable, testy; lewd (op) eager after, fond of. surgeon. —ssiddel, healing-remedy. —pleieter, op —er daad, in the very act. —etranen ac*reicn, healing-plaster. —tleeich, flesh easily healing. bw. hotly, warmly; eagerly, to weep bitterly. Reel held, v. wholeness, entireness; reservedness, toe, there Wes hot work briskly. het sing er —big, v. curing, healing. von de noald, new off the irons. —hoofd, hotHee/star, v. Zie Melee. & bw. hat-headed, littera, o. farm. —raad, dike-reeve. —raadschap, braille.' person. —hoofdig, be—hoofdigheid, v. hothasty ( - fly), passionate (-ly). office of a dike-reeve. —stede, farm. —stederld, headedneee, hastiness, paettionateness. —en, ov. tax upon farm, —ewortel, marsh-mallows, to heat, to orate hut, to chafe. w. glean, bw. away. -- en weer, to and fro. bid; II"congas's, on. w. to go away. dot goat nog al iliveteen, ov. w. to call, to name; to ordereto liegen, to on. w. to be called, to be carved. keen, that will do. give the Ile. hoe heet gij? what is your name? itieettkomen, on. w. to get away. o. escape. Ileetheld, v. hotness; hestinese, irritableness; een goed — tcehen, to make ones eacepe. lewdness. II eenloopeta, on. w. to run away. tarp get you gone! — over, to do carelessly, to bungle Clefs hiniwe, v. dregs, leer, sediment. — dee Yolks, (the) rabble. (to botch) up. icera, ov. w. to lift, to heave; to roles, to levy. Ileensnoatan„ on. w. to be obliged to go. wear --boom, lever. —deeg, leaven. —offer,heeve offerreactdat keen? what will it come to? ing. fee, m. —ster, v. colour. —ling, v. raising; linen refs, v. de -arture; voyage out. —reizen, on. tax. w. to set out, to depart. Halt. o. Zie Hecht. IlleenrUden, on. w. to ride (to drive) away. & bw. Ziellewtg. Illemnsleepen,ov. w. to drag along. garden. shears. )Flies , tingle, v. ireege. feechaar, ilieensluipen, on. w. to steal (to sneak) /nitay. — geyser, firing by platoons. lifeenallappen, on. w. to mar ch off. If es, tsw. ho I hone ! Ifeentoeht, no, departure, marching oil. net, v. heath; broom. —bezen,, broom. —Noon, II veontriekketr, on. w. to set (to march off. wild teyine. —boender, broom. —brand, heathIleenvaren, on. w. to net sail, to eat off. fire. —damp, —rook. heath smeke. —krskel, heath.Ilfeenvileden, pn, W. to fly, to escape. cricket. Zie ook Heide. ileen.ellen, on. w .to salt sway. Del, v. beetle, rammer. —baas, ram-master. —blok, neenzUts, on. w. to be gone, to be far off. rammer. —petal, pile. —atel:ing, ramming-frame. lleep,v.ohopping-knife. —week, piling, pile-work. m, master, lord; Lord (God, Christ); gentleman, air; king (in 't kaartspe!). de groote —, the Heide, v. heath; broom. —Wens, wild thyme, heath. flower. — grond, —Nod, —veld, heath. Grand Seignor. den yr. 00ten sitkangen (epee.), —krutcl, —plant, heather. to lord it. nt(ine —en, gentlemen. de — A, Mr. A. —dom, de — A en B, Messrs A. and B. —, o. Zie illeir. hi eideca, m. heathen, pagan, gentile; gipey. o. heathenism, paganism. —ash, be. & ha. —gemaad, feudal gift. —ova, your (his) rev crence. heathen, heathenish (-ly), pagan; terrible (- hip), endtenst, statute-labor. —enexia, manor-house, annoying. mansion; gentleman's house. enkneeht, footman., servant. —enlogement, hotel for gentleteer. —en- Iieldin, v. gipsy. to pile; on. w. to loon, high wages. —tenstraat, public street. f. - Itch en, or. w. to ram (in), draw a great deal of water, to go very deep . to weg, high-way. --alhtig, be. gent!emaniike. pitch, to plunge. —er, xri, rammer. —ing,v . rembe. manorial, belonging to a lord; lev & bw . mleg. grand (-Iy), magnificent (Ay), delicious (-1y), delightful (-Iy). —1(ikheid, v.:eeigniorage.zeigniory, lie-il, o. heppiness ; prosperity; bliss, saleetion. —belle, good wish. •—beelerio,demiroutt after bliss, manor; lordship; grandeur, magnificence, delight—bron, —font ein, source eat (salv att.), fulness; eternal, bliss. fountain (of bliss. — drank, toast, health. --rVic, v. imIltersehaehlig, be. imperious. ralutary, t'teelul. —wensch, felicitation. periousness. d, xnn. Sevior. Illeerselanp, e. master, lord, gentleman; fellow. v. dominion, power, (Rove ...sign) authority, latrilhoit, v. halibut; brill. bw. holy (-11y), carrel (-Iy). verequig, be. role, sway, empire. —one; en, to rule, to bear, been, to eationiZe., ter saiLt, —arond„ eve, klaren, sway. os aecruna. — bitter, bitter. holy. —makend. sanctiIllearech en, on. w. to rule, to reign, V; coverer; to domineer; to rage, to prevail. —eueet, ambi- fying. — maker, sanctifier. —makinp, eauctiflcatton. —scherder, secrilegist. — sehesedig, — schention, despotism. —etteetig, be. & So'. ambitioue wend, eet,rileg , otia. —schennis, sacrIlisge. —erre(-1y), imperious (-ly). —zuchtigheid, ambition. kend, —yerklaring, cenonleation. --gout, o. sancimperiousnees. end, be. reigeing, domirant, tuary; relic; —shui4je, eepository of :sacred thing, prevailing; —c godsdienet, established religion. Act —er, m. ruler, governor. es, v. governess. hte'iIlg a, m. & v. saint; patron, patrounta. —e der —en, the Holy of ilolits. —enbeeld, image —lag, a. reign, dominion.
vaamhout. —, v. a. aan hempen (stapels) zetten; standdeelen; meeldraden. (up) opetapelen. Stammer (stem'mur), v. n. stamelen. —er, stamelaer. —ing, a. gestamel. —ing, a. —ingty, ad stamelenl. scheft, hecht; spert; (Nig; knots; strophe; notes- Stomp (teeny'), s. etempel, mere; eegel; ofdruk, balk; steno. —officer, stafaticier. —snake, etch- plant, prent; snort, slag; gezag stamp (met den slang. —tree, rijowitg. —wood. dulghout. voet). —colter, etempelsutider. —duty, zegetrecht. v. a. etampen; etempeStore (stee), s. herb. —beetle, vliegend herb.. — snit, —office, zegelkantoor. mondklem (bij peerdee). —'s-lorn-tr,:e,itert.ho- len, zegelen; ijken; munten; v. D. stampen.—er, renbochn. a. stamper; sternnelaar. zegelaar. Stage (steedzr)„ s. Etellege; tooneel,sehouwplitats; Stanch (staanten, a. hecht, sleek, goat; vast; pleisterplaitts, station; greed. —box, echouwburge. standvastig; opreeht. —, v. a. stelpen; stremmen; loge. —coach, postkoetn, thlieenee. —driver, pus. v. n. stilstean, ophouden. —er, stepper. —less, tiljon. —pigeon, postduif. —play, tooneelspel, a. niet to otelpen. —nos, s. hechttreid, etevie-player, tooneeispeler. held; vastheid. riter,tooneelecb riper. —r, s. tooneelapeler; nude von. Stanchion (sten'ejun), s. abut, echo°, Staggord (steg'gnrd),s. vierjarig hert. Stand (stencil, a. stand, plante, etandplaate: post; Stagger (steg'kur), v. a. & r. (darn) waggelen, staking, atiletand; keerpust; tegenstand; stele wankelen, aarzelen; don ontstellen; twifelen. laadje; etandaard, tort; veriegenheid. to be at a —iog)y, ad. —, geen rand mere weten. to make a —, vtilhou. —er,s• weggeleert weirPL.r. den- tegenstnnd bieden. to put to a —, in ter. wagg.ler.d; aarzelend. --s (-gure.),p1. duizeligheid legenhetd bronzes. (bij naarden). Stagna tatty (ateg'nen-silt), Et. etileteed. —at, ' Stand (stend) [stood (stood)], v. R. ultntaan; nitone's ground, staudhouden. •. te, atilsttand, stil. —te (-neet), v. n. etiletaan. —lion houden. vaetstaan; blijven sta.; tatandhou. 1-nee'sjun), a. stilstend; staking. sta.; Staid (steed.), a. heradigd, etemmig. —Ness, s. den; annhouden; bltiven; rich beviuden, liggen; bersdledheid, stemmiebeid. ! geldig zijn; koere zetten. — fair for, aenepraak Stain csisen'), R. vlek; echandvlek; schande. (iftzteht( hebben op. — good, geidig zijs. — v. a. vlekkee, beeoedelen; boot kleuren, drukkert. awe, vreezen, eerhiedigen. — in need of, noodig —er„ s. bevlekker; bontkleurder. —less, a. hebben. — on points, relfstennig rijn. (against) loos, onbesmet. ! weerstenn, rich verzetten tegen. (aside) op Ode Stair (steer'), a. trap, tre , le. —carpet, trapkleed. gnat, (between) ale tuaschenpernoon —case, trap. —rod, eon is van een trapkleed. —a, (betwixt) in den weg eta., hinderen. (be) tilt den tel. trap; a pair of —, eere trap; one pair of —' weg gran; bijstaan, ondersteunen; rich verlaten high, op de eerste verdiepteg; down —, beneden; op; tegenwoordig zijn. for) de plaate bekleeden van; beteekenen; ocean near; verdedigen. (forth) S !I b (s' ten eetitn), s. kolensteiger. op den voorgrond treden; rich verteonen. (in) Stake (steak), o. stank, peal; inzet; to Buten konien op; bentaan in. (in for knees klein aanheetd. to be i lie) at —, op het spel i3outa. zetten soar; binnenloopen. (off) beregtrrden, op to lay at —, op bet spat zetten. —, een' ofetand bliiven; weigertn; nitkomen. (out) paten voorrien; afpalen (out); zetten. inzetten, uitsteken; standhonden; wederstand bieden. (to) op het epel zetten. volherden in; gestand does; rich enderwerpeu Steleet is iate.lek'llk), --lent, a. aruipsteenact, non. (up) onetime, etch optiChten. (up for) Tertig. —its (-test), s. druipsteen. dedigen, oecletesteunen. (up to) opge.wassen Stalagmite s, wrateteen. Cage]• (Upon) berueten op: aandringen op; trotsch *fielder (ataol'dur), s. stelling (sour eon vat). rijn op. (with; hestaanbear On met. strooken Stele (steel'), s. —by, ad. slid, vereederd; ver- met; twisten met. —crop, wore:1.111d, —stilt, echaald; krachteloos. —mate, pat (in 't echaak- etilstand, runt. Opel). Miran.; long handvatsel; apart; rut, Standard (erend'urd), a. standeard; bonier; meatbier, paardepia: hoer. —, v. n. pissen. —news, s. net', grondalag, riehtenoer; allool, keur; atm. oudbeid; verschaaldheid. —beater, etandearddrager. Stalk (staok'), o etreget; schacht (eener pen); Stand er (stend'ur), o. /denuder; nude boomatam; deftige tree, —, v. e„ eet -tIg steppes; prone toesehouwer; —up. a . parlijkieser. nteppen deer,; elulpen. —er, a. stepper; echakel- a. staande; bestendig, duurzeam, vast. —ing, a.
Smelt (nrielt , ), s. spieri.ng . —, v. a. cmelten (arts). of. to.) —back, luilak. —fever, sluipkoorts. ed, — paced, langznani van gang;sluipend. —match,' — er, s. ertascrelter; smelthroes. --ery, s. mule!. teri.j. lont. — witted, trasg van begrip. slang. —nets, s. laugLeamitcid. ISnocrk (murk). R. & V. n. • Smirk. Slabber (slub'bur), v. R. siordig verrit hten, of- Suzerain ismorlin), s. grondel. knosien;bemorcen..—jogly„ at ∎ , :ordig, knlei,rig. Smi•ker (ismilekur), v. n. verlield Ionic.. • - ing, vcrlielde blik, lank. Sludge (sludzj), s. WO, molder. Slue (sloe), V. a. orntireaien. Suitt e (map), g!ivnlach; vriendelijke bit!, — c, v. n, glimtachen ;at); (on. upon) taelaciten. Sing (aloe), y . klomp, tarok; schro:',T;lceglooper; wegslak; aleeht zeiler; hinderni, — port?, (-gur(1),, — er, e. glimlaeier. — ingly, ad„ s. luiaard. a. --giehly. traag,;Sitsircli (stnurtaJ), V. a, bestrwren, bek:adden; vrrdankeren. g. traegheld,vadzigheid. vadvg. — gishness Slate e (nl)oes'), e. nin e. —, v. u•laten alloopen. Smirk (sTnurk), S. getneekt laebje. —, v. Ta. ge. meakt !lichen, m' smaller. —y, R. stroomend. Slumber (slutn'bur), —, v. n. Smile (timajt'), [smote. smitten], v. a. treffce. sluimeren. — er, s. sluitneraar. --ice, a. Plaiti, clean, dooden; kaotijden, tutelttlgen, bedroovect; verwekkend; slaper1;7. bekoren, doers onzylmmmen (with), neerhalen; v, Slump (slump), v. n. in de madder plomp.. n sel,akken„ batmen, —r., n. treff,, dooder, ruist. Slur (slur), g, trick; sehandviak; verwijt; kunst- Smith (nntith'), a. amid. — craft, stnidnarnbacitt. — cry, greop, 'costs; verbindingoleeken. —, v. a. be• a. sinGderij;amidswerk; kuelbak.—ing, viekken, bemarsen; schanclvlekilen; bedriegen - s. bet smeden. verbergen; lot hernloopen oier (o -,er)• Stull)! (omit), s. rood teem, condor!. Slosh (slusj"), 0. madder, 'dtjk (bij dooi). smock (nFacek'). s. vrouwenhemd. —faced, vet. . modderig, slobber's. wi(id, me)sjeqschtig. --frock, boerenkiel. vytudipolen. — race, wedloop van vrouwen. — lets, Slut ,slut'), slant!, mornebel, slot. --tisk, Fs. — tishly, ad. ni,rnig, slordtg; s. zonder kenid. s. mornigheid; tie , terlijklteid. Smoke (smook'), s. rook. —biack,roetzwart.— box, Sly (slay), a. .—ly, ad. alaw, loos, 'upon the — , ter rookkast. — dry, v. a. rooken. —jack, (,,aort v.) sluilm — blade, — boots, gestep.on kwant• breadspit. —,. v. R. ranker; bernaken; Noor den s. siuwheid, loosh,td. get linildrn; (out) opsporen, uitvarschen, v. ct. kletR„, roaken; beapeuren; etch sertoornen. — less, a. Smack (amok;, n. manic, go-ar, klap; anashkentle kun; ernakschi2, —, v. a. zonder rook. — r, s. cooker. sm.kken; doen klappcn: smakkend kusse ► ; Smolt laves (einio'ki-nests), a, rookeligheid. •-•y, n. rmaken, rieken (o•); sin,kkem, !(tappen. a. rookerig. R. Sngooth tomaelli'l R. --ly, atl. glad. effen, Small (sin , all'), e. halal (dun) gedeelte. klein; tijn, dun; gelling. to look — , verlogen zijn. ' zacht; aril; vloelend; vriendelijk. — ckinned, bearcards, Cage hearten. — coin, deloos. — faced, •ininz3ain, zacbtaardig. - trees, dun bier. — money, klein geld, pasmnnt. — clothes. pl, zoittsi,j). — to:igued, gad van tong. —, (snyiellen), v. a. glad (gelt*, zacht, vloetend) broth. —coal, houtshool;holeogruitc.—craft,klein maken; effenen; verzachten; bedaren; bevredigen; vaartuig. --pox, kinderpoklien. — age, s• water- eppe. — ish, R. klein, popper;};. --area, a, kleia. vi,ten;(up)opyrcolijken. —nrato.giadheid,zachtheld. beleefahaid. vloelendbeid. held, gerIng,had. Senna (mmeolt), s. blanwsel. Smother (ennuth'ur), s. rook, dwahn, anderdruksmart; pronker. —, a king. — , v. a. doenittikken,,orstikkenounoren; Smart lameart'l, r. — ly, ad. ncherp, laijtend, ate:tend, krilijk; he- (up) overweldigeu; v. n. dwalmen; stikken. trig, "innig, bite; levend1 ,4, slug; opgenchikt; Smoalder (smool'aiur,, v. 11. amend.. —ing, a. muteulend. isierltik, net; slaw; § knot, --money, roonkoop; v. it, zecr doe., smudge (smudiP, n. ctikdamp; v. R. bekladden. afkoop. — pije 1kide.1; 0.et , .. — en (nn)ttaren', v. R. op, Smug (ernug'). a , — ly, ad, net, !map, opgeschikt, pte;INnlijk • — ness, s. nethetd, t,)pzenAtkt heid. Ischikkon, mooi Maken. beid;h,vigheid;levrtidig:leol; , Teclijkheid,netheid. Sitmggl o (nmtegl) v. n. smukkelen, Smirch etnec)), r. ,t.akt ve , britizeling• ti•smakkelear,i;Iniker.—ing,o. smakkelarij. v. R. smakken; verbrilzelen. Scum tot (smut"), n, koolzwart, roetvlek; hatitgdeuw; vuiln teal. —, v. a. null waken, bemornen; branSmestcln • 1,sinetsji, e. smaa%; zweem; blevewpo,)t day !oaken; v. rt. brandig; na (vaget). — tily. ad. — ty, a. berookr, marsig'; nr , indig,; sail. ---tiness, Smatter (scriet'tur), — ing, o . opparvtakkigekcn- erne onpervlakkige kennim beAit. n. berooktheid, morsigbeld; branctIgheid; —, v• o. hallgeteerde. ten, oppervlakktg apreken. smear (a)niec"),:t. son,ersel, eat0. —, crier.. Snack (snek'), a. aand,c1; baestlge Totteltijd,--^r, o. dPeth,bber. (-ti, n. shattsoom. R. srnerig; kteverig. toesmeren; bezoedeIcti. Smenth ismieth), n. smient, zeeend. Snaffle (onet'il), s. kaproen, tuns. —, v. R. he Smell (smell), n. rank, gene. proenen; in loom bonier. Smell (smell') [smelt"], v. a. ruiker; (out) nit- Snag (aneg'), s. bolt, knoest; uittiteliende punt: tafel- vormehen; v. n. risken (of, near). wateralek,, —, tooth, dubbele tand. — ged, (-gid), punti, rank; s. ruttier; 11,1Tit, - in g, schrtimer. i Snail (sneer). e. Oat; Inisard, — clover, — trefoil' — bottle, rculilleschle.

(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Waar kan ik kopen online Bitcoin


'ranch (ientaj), g. zeelt. Tend (tend'), v. a. oppugn'', verplegen; bedlenen; bewaken; hoeden; v. n. etch rIehten; streyen; atrekken; doelen; (upon) bedlenen, volgen, -- ante, lie oppaletng, verpt eel. g Jae(' —ency, a. strekkong, nelging. —er, a. °roaster, verpleger; aenbiethng; bod; ad viesjacht, tender, 'oarrax4e, agen. --er, v. a. aanbieden; met teederheid behantelen Tender (ten'tur), a. —ly, ad. teeter; zaelit; zwak, week; gevoettg; bezorgt ; zorgvuldtg; dterbaar. —loin, Ituit: (van een runt). —bodied, zwak, tender. —hearted, teerhartig. —heartednece, a. teerbartigheid. —aided, nk. —ling, a. treetelkind. —nett, a. teeterbei•; zaehtbeid; zwek belt; weekbeit; geraelteheid; zorgvultigheit. Ten &Inoue (ten'di-nut), a. vezelip, pez)g. —don (-dun), a. pees. —dril (.dril), a. hechtrank; a. hechtend, klirarnent. Tenebr Ions (te-nt'bri-us), —out (ten'ebrue), a. tanker, dilator, eamher. —otity (ten-e-bratelt-tth), a. duteterbeid. Tenement (ten'e-rent), a. gepaebt stuk grand; woning, woonhuts. —al —nry (-ment'.), a, ge hoard, gepaebt; le peehten Teneemus (te-nez'mue), u. aandrang tot atoelgang. Tenet (ten'it). a. I eerstok. grondatelling. Tenfold (ten'toold), a. tienvoudig. Tennis (ten'nis), a, kaatsepel. —ball, kaatabal. —court, kaatebaan. Ten oat (ten'un), a. pin, lip, etaart; —awe, schrohzone. —or (-lir), a. beloop, gewone loop; geeteldheid; wijze; inhond, zin; tenor. Tense (tees). a tijd. Tens a (tent'), a. —ely, ad. stiff, etrak, geepannen. —cocoa, —itp, P. strakheid, gespannenheid. —ible, —lie (41), a. epannaar, rekbanr. —ion (-jun), x. spanning. —ire, a spannend. —or, a. trek-pier. Tent (toot'), a. tent; wtekje; tintwijn. —bed, veldbed. —cloth. tentlinnen. --maker, tentenmaker. —pin, tent pin. —pole, tentpaal. —probe, tenth., —wine. tintwijn. —wort, vrouwenhaar, mnurkrutd. —. v. a. tenten, pollen; v. n. in liens tent arena.. Tent no le (tent'ikl), a. voel,priet —afire (-e-tin), bedekt. a. bPpraevend. —ed, a. net Tenter (ten%ur), a. spenraam, -hook. --hook, v. o.. spanners, rekken; v. n. gespanhaak. spannen worden, rekken. to be on the —a . In oarlegenheld zijn. to keep upon the —s met achoone belofteu peelen. Tenth (tenth'), a. &s. tiende. —iv, ad. ten tlende. tib), a. njnbeld, dunheid. Tenut (ten'joe-ue)„ a. tljn, dun. Tenure (ten'per, -jur), s ieenroceigheid, wij ze bezit. oat (voorwaarte) Tap efe,rtion (tap e fek'sjun), a. lauwm eking —id (tepld), a. lanw. —idity (te-pld'it•tib), —or (ti'por), a. lauwheid. —ify (tepl-fej), v. a. & n. lauw make.n (warden). Terre (tr.rs),a. Zie Tiaree. Terebinth (ter'e-binth), a. t erpenthnboom. —ins (-Inuth'in), a. terpentijnachtig. Terebra to (ter'e-breet), v. a. toarboren. —lion (-hree'ajun), a. doorboring.
NO WAY. How do some many people trust Coinbase with their money When their website’s software is full of faulty programs that they won’t or can’t fix. IE, I tried to add a new debit card to my account. I gave them my cards info and was told to check my account for two small charges made by coinbase and enter the amounts in a designated page. Both amounts were over $3.00, but the verification page only allowed me to submit amounts under $2.00. I was never able to add another card to my account. For me, no big deal,… Read more »
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
1N'1'..•1NV. (-spelt'sjun), s. inwendige ziciiiigen. cornier testament. —final ( ti-nel), a. tot het ingewand behoorend. —fine (-tin), a. inwendig, nauwlettende beschouwing. binnenlandsch. —inea (-tinz), pl. ingewanden. Intro *version lin-tro-vur'ejun), s: (het) binnenwaarts keeren. —red (-vurt'). v. a. naar intiurnil 1 (in-thraol'), v. a. in elavernij brengen. binnen keeren. —ment, s. alavernij. s. vertrouwelijkheid. Intros de (in-troed')„ v. a. in-, opdriagen; v. 0. Intlina try zich indringen (into); lastig valien (on, upon). —N., a. —tely, ad. (-met.), innig, vertrouwelijk. —der, s. indringen. --sion (troe'zjun), s. indr:n—te (-loet), a, boezemvriend. —te (-meet), v. a. te kennen geven, een' wenk geven van. —lion ging; aanmatiging. —sire (-troe'siv), a. indrin(-inee'Fjun), s. aanduiding, zijdelingacho weak. gond, lastig. Intltnitia te (in-tim'i-deet), v. a. bevreesd maken. Intrust (in-trust'), v. a. vertrouwen, toevertrouwen (to, with). - lion (-dee'sjun), s. aanjaging van vreee. Intuit ion (in-tjue-iarun), s. aanschouwing. Into (in'toe)., prp. in. tot in Intolera ble tin.tornr-ibi), a. —bly, ad. on- —ive, a. --irety, ad. (-tjoe'i-tiv-), aanschonwelijk. verdragelijk. —bleness. a. onverdragelijkbeid. Intusnesc e ('in-tjoe-mes'), v. n. zweilen, op-nee (-ens), —lion (-ee'ajun), a. onverdraavaan, zwellen. —enee, a. opzwelling; gezwel. Intwitie (in-twajn'). Intwist (in-twist"), v.- a, held. —nt, (-cut), a. onverdraagzaam. doorviecaten. Intoinb (in-toern'), v, a. bijzetten (in een gra). Inton ate (in'to-neet), v. n. donderen; den toon Inunibrate (in-um'breet), v. a. be.schaduwen. aangaven. —ation (-nee'sjun), a. gedonder; toon- Inetnetioo (in unk'sjun), s. calving. geving, aanheffing. —e (-toon'), v. a. aanheffen; Inunda to (in-un'deet), v. a. overstroomen. —lion (-dee'sjun). s. overstrooming. v. a. den toon aangeven, I ntort (in - tort'), v, a. listen draaien, winden. Inarbanity (in-ur-bea'it-tih),conwelleven.diteid. Intoxica to (in-toks'i-hreet), v. a. drunken (op- Inure (in-jeer'), v. a. gcwerineu (to); v. n. in gewonden) maken. —ten, a. drunken; opgewon- werking treden. —ment, a. gewoonte. 0.en, (with), —lion (-kee'ajtm), s, dronketuichap; Thrau•n (in-urn'), v. a. in eene lijkbus pinataen. InuslU'allon (in joe-zi-tee'sjun), s. ongewoonte, opgewondenheld. Intracta hie (in-trekt'ibl)„ a. —bly, ad. onhan- ongebruikeiijkheid. delhaar , weerspannig. (-te-bil'it-tih) , Lanni e (in-joe'til), a. nutteloos. —ity (-111Pit- bleness , s. onhandelbaerheid, weerspannig- tih), a. nuttelooeheid. Invade (in-veed'), v. a. vtjandelijk binnendrinheid. aanranden. —r, s, aanvaller, aanrander, intreinquilllty a. onrust. overweldiger. ongerustheid. ingrains lent (in4ieu'ajent), a. onvergankelijk. Isavaeiid (in-vel'id), 'i. zwak, kraehteloos, islet (-ve-lied'), a. verminkt, ongeschilt voor geld ig. —Hire, a. —itively, ad. („trens'i-tiv -), onove, den dienst;,a. verminkte, invalide. —ate (-deet), gonkelijk. miNsible v. a. krachteloos maken. (in-trens-mis'ailb!), a. niet (-ve-lid'it-tih), krachteloosheid, ongeldigheid. over te zenden. —mutable (-mjoe'tibl), a. on- Invalun ble (in-verjoe-ibi, a. —bly, ad. onwaarveranderibk. deerbaar. intrent (in.triet'), v. r . Zie to Entreat. Intrencle (in-trensj"), v. a. verschanscn; met Invarla ble (in-vee'ri-ibl), a. —bly, ad. onveranderlijk. —bleneta, s. onveranderlijkheid. veren maken; v. II. (on, upon) inbreuk maken op, —.lent, a. veesehansing. inva sion (in-vee'zjun). s. vijandelijke inval, overIaavaa Intrepid (in-trep'id), a. —ly, ad. onversehrok- weldiging. —sire (-sit), a. invallend, aanrandend. Icen, onversaagd. —ity (-tre-pid'it-tih), a. Invective (in-vek'tiv), a. —ly, ad. sciiimpend, onverschroIkenheid. bijtend. —, a. snhimprede,scheldwoord; bijtende —teness (-ket-), a. in- Intric,, try spot, bitter verwijt. gewikkeldheld; netelighaid. — te, a. —tely, ad. Inveigh (in-vee'), v.n.s.chimpen, bevig uitvaren, (-ken.), iugevvikkeld; netelig; verward. giapen (against). —er, a. echimper, schelder, Intrigue (in-trieg'), a. kuiperij ; list, kunst- Inveigle (in-vi'g1), v. a. verleiden. —ment,s.verleiding. --r, 3. verleider. greep; verwikkeling, knonp. —, v. n. kuipen, heirnelijke aanslagen maken. —r, s. intrigant, Invelled (in-veeldl, a. gesluisrd. Invent!' ble (in-ven'dibl), a. onverkoopbaar. gelukzneker. —5ility a. onverkoopbaarheid. Intrinsic (in-trin'sik), — ca. a. —ally, ad. inner- Invent (in-vent'), v. a, uitvinden; verzilunen, nitlijk, wezenlijk. denken. —er, —or, a. ultvinder; verzinncr, Introduce (in-tro-djoes'), v. a. invogren, inlei. denkcr. fit, —ire, a. vindingrijk. —ion (-ven'den, inbrengen (into); bnicend fl akeu (to). --r, sjun), a. uitvinding. vinding; verzinsel. —ressos. e. invoerder, inleider. (in-tro-dult'sjun), a. invoering, nitvindstar; verzinsler. introdoe Welding. —tire, --tory, a. inleidend, voorat- Invosstor lal (in-ven-to'ri-e1)„ a. van den inven,aril. —wily, ad. bij inventaris. —y (in'ven-turgaand. Introgrcto.lcon (in , tro-gresj'un), a. intrede, rib), a. boedellijst, inventaris;v.a,inventariseeren. I n t ro no,,, s i on (in_tr(,-roimjiria), a. inzending; Inver se (in-viirsl, a. —rely, ad. omgekeerd. toe-, billeting, —mit (•mit,'), v. a. ibzenden ; umkeering, omzetting. -t (- v ur V), v. a. om keer en, omzeti,en. toe-, inlaten. }0. („•urvid.), o.avekeerd. introspect ii•iro-apekr), V. a. van I,innen be-
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,

Kan Bitcoin betalingen worden getraceerd


SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

Kan Blockchain werken zonder mijnwerkers


1;44 RAG.—RAS. Ragged (reegid), a. schabberig; in lompen ge- Random (ren'dum), a. toeval, goed geluk. at kleed; row. —school, school voor havelooze kinin 't wilde. —shot, sehot in 't wilde. deren. a. achabberigheid. Randy (ren'dih), a. ongebonden, wulpach. Raging (ree'dzjieng), a. het wooden, razen. — Range (reendz)', a. rid, Masse, rang; omvang; a, —ly, ad. woedend, razend. guirnte; dracht van geechut; omzwerving; Ragoo, Ragout (ra•goe'), a. ragotit. boom; zeef; sport; keukenhaard. —, v. a. in orde Ra ales (reg'stur), v. n. pocgen; stollen rangschikken; opatapelen; overspringen; Rail (reel'), a. richel, dwarsbalk; elagboom; lenV. n. in i orde geeteld zgn; omzwerven. —r, a. ning, latwerk; hek; spoorstaer; wachtelkoning; landlooper; epeorhond; boschwachter. regeling. road, —way, epoorweg. —shifter, draat- Rank (rengk'), a. —ly, ad. welig; geil, tochtig; echgfwachter. —, v. a. omrasteren; ep eene rg stork, grot; overdreven; ranzig, vansig. —, a. rg; plaatsen; v. n. schimpen, smalen, lasteren, gelid, rang; greed. —, v. s. rangschikken; op (against, at,) --er a. spotter. —ing, a. traliewerk, sane sir (ign) plaateen; v. n. geraegsch'At (ge• 'mining; spotterng. —mg, a. —ingly, ad. apottend. plaatst) zgn, (with) denzeliden rang hebben als. Raillery (rei'lur-ih), a. boert, scherta. Rankle (reng'kl), v. n. ontstoken zgn, etteren, Raiment (ree'mint), s. kleeding. invreten. Rain (reen'), a. regen. regenvogel. —bow, Rankness (rengk'ness), a. weligheid, geilheid; regenboog. —bow fish, regenboogvisch; livereiranzigheid. knecht. —deer, zie Reindeer. —fowl, groene Benny (ren'n1h), a. spitsmnia. specht. —gauge, regenmeter. regentijd. Ransack (renisek), v. a. plunderen; dooranuf—water, regenwater. felon. v. n. reonen. —inert, v. a. regenachtlgheid. —y, a. reganachtig. Ransom (ren'snm), a. loageld, ranteoen, Raise (reez'), v. a. oplichten, opheffen, opzett'en, a. vrijkoopen. —er, a. vrijkooper. a. solioprichten; verhoogen; verheffen; doeurgzen; doen der losgeld. ontataan, verwekken; opweltken; aanvuren; het- Rant (rent'), a. hnogdravendheid, grootspraak. fen, licbten, werven; opbreken. —r, e. opheffer; —, v. n. hoogdravend spreken, noeven. —er, a. opriehter; heifer. grootapreker. Raisin (ree'zn), a. rozijn. Rentipole (re:en-pool), a. 'wild, uitgelaten; RaJah (ree'dzje), a. Radjah (indisch vorst). —, a. losbol, wildzang. a. ranonkel. Rake (reek'), a. hark; lichtmie; kielwater. —, v. Ranunculus (re-nung'kjoe a. harken; bijeenschrapen, Inrekenen, opal:elen Rap (rep), a. slag, tit; valsche moot. —, v. a. & (up); opwroeten (up), v. n. harken; echrapen; een n. alaan, kloppen; wegrukken; ontvoeren; opgelos leven leicten; (into) wroeten nauwkeurig togen doen zgn (with); (out) uitstooten. onderzoeken. —hell, lichtmis. —deny, loabandig. Rapaci one (re-pee'sjus), a. —may, ad. roof—shame, schaamtelooze. —r, a. hacker; schraper; —ty (••peent-tib), a. roofzucbt; —sness, ou wroeter; straatveger; pooh. g uizigheid. Rak hag (ree'kieng), a. schraperig; a. het harken, Rape (reap'), s. roof; bait; schaking; onteering; schrapen. —ish, a. liederlijk, ongebonden. reap, knol; mop. —cake, raapkoek. —oil, raapolie. Rally (rellih), a. bereeniging; aeherte. —, v. a. —seed, rammed. hereenigen, weder verramelen; bespotten; v. n. Rapid (rep'id), a. —ly, ad. anal. —, a. sniffle rich weder verzamelert; schertsen. Eamon. —ity (re- pid'it-tih), —ness, a. enelheid. Ram (rem'), a. ram; storrhram. —rod, laadatok. Rapier (ree'iri-ur), e. rapier. —fish, zwaardvisch. —, v. a. vullen, instampen. Rapine (rep to), a. plundering, roof. Ramage (rem'idrj), a. takken; gekweel. —velvet, Rappee (rep-pie') a. now), (snuff). gebloemd fluweel. Rapper (rep'pur), a. kiopper. Rambl e (rem . b1), s. omzwerving;nitatapje. —e, Rapt (rept), a. verrukt, opgetogen. v. n. rondzwerven, —er, a. zwerver. —ing, a. Raptor a (repe)oer), a.. verrukking. —ed, a. —ingly, ad. zwervend; verward. verrukt, medegesleept (at. with). —oars, a. verRamif !cation (rem-if-i-kee'sjun), a. vertakrukkend. king. —y (rem'ilaj), v. a. in takken verdeelen; Rare (seer'), a. zeldzaam; dun, Wu; half rauw; v. n. zich vertakken. uitmuntend. —ripe, vroegrfjp; a. vroege vnieht. RAIIIM er (rem'mur), e. heiblok; laadatok. —ish, Raree (ree'r1), —show, a. rarekiek, a. garstig; Beret' action (rer-e-fek'ejun), s. verdunning. Ram one (re-moos'); —ours (ree'mue), a. takkig, iable (reee-faj-ibl), a. verdunbaar. —y (rer'egetakt. faj), v. a. & n. (zich) verdunnen. Ramp (Temp') a. eprong. —, v. n. klimmen, Rare ly (reer'lih), ad. zelden, zeer wel. —seas, springen, stoeien. (lacy, e. overhand; overvloed. a. Zie Rarity. —ant, a. heerschend, stggen d; overvloedig; dartel. Rarity (ree'rit- tih), a. zeidzaamheid; (ook: rer'itRampart (rem'paari), a. wal. ilk), dunheid, Ramson (rem'zn), a. wild knoflook. Rascal (raae'kel), a. sehelm, schurk. —ity (res. Rancescent (ren-ses'aent), a. ranzig wordend. kel'it-tih), 0. schurkerg. —lion (res-kellun), s, Rancid (ren'sid), a. ranzig. —ity (-sid'it-tib), gemeene kerel. —ly, a. schurkachtig, gemeen. —neat, a. ranzi held. Rase (reez), v. a. Zie to Raze. Rancor (reng' ur), s. wrok, boosaardigheid. Rash (rear), a. —ly, ad. overgid, onbezonnen. —, —sus, a. —ously, ad. wrevelig, boosaard1g. s. uitslag. —ness, a. overgling,onbezonnenheid. Rand (rend), a. rand, zoom. —er, a. reepje spek.
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Hoe kan ik ruilen cryptogeld voor contant geld

×