Although there are some similarities between BTC and LTC, you can’t define Litecoin without pointing out some key differences, such as instant and near-zero cost transactions, increased speed of adding a new block into the Blockchain (2.5 minutes against 10 in the Bitcoin network) and a scrypt usage in its Proof-of-Work process to make it easier for regular PC users to mine new blocks against ASIC miners. It is also one of the first cryptocurrencies that adopted SegWit.
Litecoin (LTC or Ł) is a peer-to-peer cryptocurrency and open-source software project released under the MIT/X11 license. Creation and transfer of coins is based on an open source cryptographic protocol and is not managed by any central authority.[citation needed] Litecoin was an early bitcoin spinoff or altcoin, starting in October 2011.[2] In technical details, litecoin is nearly identical to Bitcoin.

WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


UPC.11"111RO. Upeast (up'kaast), e. worp. (ook : -kaavt'),a. in de hoogtegeworpen. Uphand (up-hendl, a. met de hand opgeheven. Upheave (up-MeV), v. a. opheffen. Uphill (up-hill'), a. moeilijk, zwaar; kllmmend. —, ad. bergop. Uphold (up-hoold') [irr.] v. a ophouden; understounen; onderhouden; staande houden. —sr, u onderateuner; ondnrhouder; ondernemer van begrafoniesen. Upholster ar (up-hoonstur-ur), a. kamerbehar, ger, stoffeerder. —y, e.stoffeerderswerk, -beroep; behangoel. Upland (up'lend). a. hooggelagen; ruw, sakeschaard. —, a hoogland. —er,s. hooglander. —ish (-lend'i , j), a. Zie Upland. Uplift (up lift'),v. a. optillen, opheffen. Upmost (up'moost), a. bovenst,boogst. Upon (up -on'), prp. op; blj; over; aan; near, vol. gets; w egens; ten aanz ten van; besig met. —this, hterop. Upper (up'pur), a. boven-, onper-, 1 ...Pt.—hand; overhand, voordeel. —house, Hoogerhute. —leather, bovenleer. —lip, bovenlip. —met, a. bovenet, hooget. Uppish (up'oisj), a. trotach, verwaand. Upraise (up-teen"), v. a. oprichten: verheffen; op. wekken. Uproar (up-rier ► , v, a. oprichten; opkweekeu. Upright (up'rajt), a. —ly, ad. rechtstandinrecht op, overeind; oprecht, reehtschapen. —netts, a. rechtschapenhetd. Uprise (up-rajz') [irr.] , v. n. opataan; rij z en. —a, —lap, e. (het) opgaan, opkomst. Upraise (up'roor), a. oproer; verwarring, geraas. —ions, a. —lowly, id. (-roor'i-us-), oproerig; geram makend, Uproll (up-rooll'), v. a. oprollen. Uproot ( np-roet'), v. a. nntwortel en. Uprouse (up-rant'), v. a. opweklten. Upset (up-set') [ir, ], v. a. outverwerpen; v. n. ornslaan. Upshot (op'ojot), a. besluit; nitkomat, uitslag. Upside (up'sajd), a. bovenzi,jde. — done, ad. het onderate boven. Upspring, Zie Upstart. Upstand (up-stead) [im], v. n. overeind (racht op) tam, Upstart (up'stasrt), s. gelukskInd, parvenu. — (-staart'), v. n. opapringen. Uptear (up-teer') [W.], v. a. nit den grond rukken ; can atukken echeuren. Upturn (up-turn'), v. a. opwoelen ; omploegen. Upward (up'wurd), a. opwanrtech. —a, (•wurds), ad. opwaart, near boven; honor, meet den. Upwind (up-wajnd") [tre ], v. a. opwinden. Uranography (joe-re nog're-ilk), e. hemelbeachrtjving. Urban (ur'ben), a stedelijk. Urban e (ur-been'), a. weitevend,minzattm.—ity (-ben'it-tth), a. wellevendheid, niinzaarnbetd. Urchin (netajin), a. angel; kielue echoic°, deugniet. Ure (joor), a. gewoonte, sleet, gang. Ureter (joe'ri-tur), a. pisleidcr.
sioned by drinking too freely. --intik, trap-door. —meecter, butler. —roam, —venster, cellar-window. —rat, cellar-rat; excise-man. —trap, cellarstairs. —verdieping. eellarage. crane. --en, ov. w. to lay up in a cellar. —lie, o. bottle rose. ov. w. to kill, to cat the throat or. m. cup, glees, chalice; calyx. —dark, pu , rificatory. comrennton-wine. —achtig, hv. —vormig, like in the shape of) a cub-, — calyx Kernel, m. camel. —spares, —shaver, —Mares, mohair. Kternplinnn, an. fighting-cock, game-cock, curlew; quarreller. Kenbear, bv, to be known, knowable, recognizable, manifest. — Timken, to niche known. --held, a. belt recognizable, evidence. KeRen, otn . w. to chop, to split ; to shoot ; to begin, to dawn, to bant forte'. Kenikik, Kentrelkjk, by. known, knowable,
Engross (en-groos'), v. a, opkoopea; zich canmatigen, zich meester maken van; verd;kken; in 't net echrijeen. —er, a. opkooper, inpalmer; grossenschrijver —ment, a. opkooping. inpalming. Enhance (en-haans'), v. a. verhoogen; hooger bieden; verzwaren; verheffen. —meat, a. verhooging; verwarring; verheftIng. —r. s. verhooger; verheffer. Enharden (en-haard'n), v. a. gehard maken; aanmoedtgen. Enigma (-e nig'tne), a. raadael. '—tic, —Heal, a. —tically. ad . (i-nig met'ik-), raadselaehtig, daister. —fiat, a. rsadselmaker. —tine ( tajz), v, n. in raadsels Innen; rpadsela opgeven. Enjail (en-dz eer)," v. a. kerkeren. Enjoin (en- zjoin'), v. a. inecherpen, op het gemoed drukken; gelasten, bevelen. —er. a. gelaster, beveler. — meat, a. bevel. Enjoy (en-dzjoj'), v. a. genieten, In bezit hebben; zich verheugen in. —one's self, zich verheugen. v. n. gelukkig leven. genieter; vruchtgebruiker. —ment, s. genieting; vruchtgebrulk. Enkindle (en-kin'd1), v. a. ontateken; aansporen. Eiklard (en laard'), v. a. met vet begieten; doorapekken. Enlarge (en-laardzy), v. a. vergrooten, uitbrelden; in vrijheid stellen; v. n. zich uitbreiden; (on. upon) uitweiden over. —ment, s. vergrooting, uitbrelding; overdrijving; uitweiding; loslating. —r. a. vergrooter, uitbreider. Enlighten (en-lajt'n), v. a. verlichten; verheugen. —er, a. verlichter; verheuger. —neat, a. verliehting; ontwikkeling. Enlink (en-link), v. a. aaneenachakelen. Enlist (en-list'), v. a. ineehriken; aauwerven; a, n. dienst nemen. —meat, a. aanwerving. Enliven (en-layvn), v. a. verlevendigen, °moolijken. —er, a. verlevendiger. opvroolijker, Enmesh (en.mesj'), v. a. verstrikken. Enmity (en'mit tih), a. vijandeehap; vijandlgheld, kwaadwilligheid. Enneagon (en ni'e gon), a."negenhoek. Enneafical(en ni-eVikl), a, negende. — day, negende tag )eener ziektel. Ennoble (en-no'b1), v. a. veredelen; adelen. —ment. a. veredeling; verhefting tot den adelstand. Ennui (an-wi'), a. verveling. Enodation (en-o-dee'sjun), a. losknooping. Enode (e-need'), a. zonder knoesten. Enorm ity (e-nor'mit-tih), a. ontzaggelijkheld; gruwelijkheid; snoodheid; gruwel. —ous, a. —ously, ad. ontzettend; ijselijk; gruweltjk; bovenma.ig. —ousness, s. Zie Enormity. Enough (e ant'), a. & ad. voldoende, genoegzaam. —, a. genoegzaambeid. —, int. genoegl bond op! Ennunce (e•naauns'), v. a. uiten; verklaren. Enow (a nauw'), a. (mid meerv. van Enough). Enquire, etc. Lie Inquire, etc. Enrage (en-reedzj'), v. a. woedend maken; v. n. woedend worden. Enrank (en-rank'), v. a. rangschikken. Enrapt (en fept'), R. verrukt. —are (-joer), v. a.• bekoren , v errukken
a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.
Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed. 

In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

Wordt alleen Blockchain voor cryptogeld


—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.
Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.
v. n. pralen; voorspoed hebben, bloeien; bloem(flit'), v. n. wegvliegen; verhuizen; fladderen. rijk spreken; zwaaien; krullen trekken; phanta—tiness, s. onbestendigheid. seeren, preludeeren; de .trornpet eteken. —er. Flitch (flitsj), s. zijde (spek). iemand, die voorspoed geniet. —ing, a. —ingly, 11, 114teranouse (flit'tur-maug), a. vleerniuis. ad. bloelend; praleud, weidacb. 11, 1111x (flubs), s. dons; bout; vlashaar. Float (flout"), s. dr)(cend voorwerp; vIrt; dobber; Flout (flout), a. beschimping, smaad. —, v. a. golf. —board, sehoffel (tan eon molenrad). —boat, besehimpen, Broaden; v. n. sehimpen, spotter. vlotschuit. —ground,elecItte ankergrond. —stone, —er. a. becpotter. —tingly, ad. hoonend. drijfatecn. —, v. a. under water zetten; v)ot ma- Flow (flu), s. vloed; stroom; overvloeiing; woorken; v. It. drij yen, dobberen. —age, s. schuim; wat denvloed. — v. a. overetroomen; v. n. vlieteu, op 't water drijft. —ages, a. zeedrift, wrakgoe- vloeien, stroomen; waesen; overvloedig (vol) zen; voortapruiten; loshangen, zwevey. dere.. —cr, a. vlottes•; zciler; dobberaar. —y, a. Flower (flauw'ur).e.bluem;bloesem;bloel;signet. dril vend slot. —de-luce (de-ljoes'), a. zwaardlelie —fence, pauFloating (flootleng), a. drijvend.—bridge. sehipbrug. —capital, vlottend (rouleerend) kapitaal. westaart. —gentle, duizendechoon. —inwoven a. (het) drijven; (•in-woov'n), gebloemd. —piece, bloemetuk. bereensehimrnen. —show, bloemententoonstelling. —stalk, bloemon derwaternetting. stengel. Fioccose (flok-koos'), a. wollig. —culent (flok' Flower (flauw'ur), v. a. met bloemen versieren; kjoe-lent), a. vlokkig; v. is, bloeien; mehuimen. —age, a. gebloemte. —et Flock (flea), a. troop, zwertn; kudde (klein veer; wolvlok; lok. v. n. toestroomen; —together, (-it), a. bloempje. —iness, s. bloeurtrijkheid. a, condor bloemen. —y, a. bloemrilk, gebioemd. sameneeholen. (floneng), a. —1y, ad. vloeiend, overFlowing Floe (floe), a. ijsgang, drijfije. vloedig. Flog( flog'), v. a. afrossen,geeselen. —ging, (gieng), Flowk (flock')) s. bot. —wort, navelkruld. 5. pak sla,ren. Flood (find'), s. vlocd, overatrooming, zondvloed. Fluctu ant (flukt'joe-ent), a. weifelend, dobbe—anchor, vloedanker. —gate, Hluis,verlsat.—mark., rend. —ate (-eel), v. n. golven; weifelen; dobbe. vloedteeken. —tide, wassend tij. —, v. a. over- ran. —ation (-ee'sjun), s. golving; dobbering; onzekerheid. stroomen. s. pijp, sehoorsteenpijp; dons, plots. Flue Flook (floekl, s. ankerklauw; but (nisch). Floor (floor'), a. vloer. verdieping, —cloth, vloer- Fluelin (floe-el'lln), 0. eereprijs (plant). bleed. —head, kim. —rider, vrang van een batten. Pilsen cy (lloe'en sib.), a. vloeiendbeid, welbespraakt'heid. —t, a. —tly, ad. vloeland. —t, s. vrang van een spent. ground—, spoor. —timber, gelijkvloers verdieping. thrashing —, dorsehvloer. vlietend water. —, v. a. bevloeren; op den grond werpen. —ing, Fluid (floe'ld), a. vloeibaar. a. vloeistof. —ity (-Id'it-tib), —ness, a. vioeibaarheid. a. bevloering. Fluke (flock). a. nnkertand; bot. Flop (flop), v. n. klapwieken. Flummery (flum•marih),a.meelbrt); laffe vlelerij. Floral (flo'rel), a. bloemen betreffend. Floren cc (flor'ens), —tine, (•tajn) s. florentijn- Flunkey (flun'kih). s. liverei bediende. Fluor (floe'or), a. vloeiende toestand; vioeispaat h. ache zijde (tat); florentijnsehe wtjn. Flurry (fluerib). a. windvlaag; verwarriug. —, Florescence (flo.rea'sens), a. bloei; bloeitijd. v. a. verontrusten. Floret (flo'rit). a bloempje. Florid (florld), a. —1y, ad. blozend; bloemrijk, Floats (flue)), a. frisch, bloeiend, krachtvol. versierd. —ity (flo-rld'it-tih), —ness, a. blozende overvloedig (in); mild (with); gelljk. —, R. toevloed; vervoering; blos; triller; euite (in 't kleur; bloemrijkheid. kaartspel). v. a. doer blazon, Doted' maFloriferous Illo-rirur-ruel. a. bloemdragend. kes,' (with). —, v. n. gutsen; komen aanstui• Florin (florn's), a. gulden, florijn. yen; blow; schitteren; een' trifler makers. —, Florist (flo'rist), a. bloemkweeker. ad. arms. Floscul e (floe'kjoel), a. bloempje. —ous, a• nit Fluster (flus'tur), a. opwe}ling; opgewonden. bloempjes bestaand. held. —. v. a. iverhItten; verwarren, oc erhaats. Floss (floss'), a. dons (op plauten). —silk, floretten; v. n. opgewonden zijn. (aloe-) Ode. Flut e (Soot'), s. Suit; groef, gleuf. —e, v. a. Flotagc (flolidzj), a. Zie Floatage. groeven; v. n. op de flail epelen. —er, —ist, s. Flote (Soot), v. a. afechuimen. fluitspeler. Flots um (flot'sem), —on (-sun), a. strandFlutter (flut'ter), a. trilling; (enelle en onregelvond. riatige) beweging; verwarring; verbtjstering. Flounce (flaauns), a. volant, strook. —.v. a. met —. v. a. opjagen; verwarren; verontrusten; v. n. strooken versieren; v. n. plonzen, plompen; sparfladderen, zweven, gejaagd zijn. —ing, a. Lie telen, woolen; opvliegen (in drift). Flutter. Flounder (flaaun'dur), a. bit. —man, botboer. Fluvia I ifioe'vi.e1), —tic (-et'ik), —ti/ (-e't11), —, v. n. spartelen. a. riviereu betreffend. Flour (flaur), s. meal, bloom —, v. a. tot meal Flux (fluke';, a. veranderlijk. a. vloeling; maken; met meet bestroolen. stroom; samenloop; uitwerpsel, buikloop; vloeiFlourish (flueisj ), v. n. pralerij; voorspoed, bloei; bearheid; smelting; ameltmiddel. bloody —, Tootle opelering; zwaat, krill; krulletter; voorspel; tromloop. --, v. a. tonelten; door bet tipeek , el ter• petgesehal. —, v. a. versieren; opsieren; ZWAftien; Flit
N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.
Fabian (tee'bi-en), m. Fabtaan. Falkland (faok'lend), g. Falkland.. L'alusouth (fermuth), R. Falmouth. Folstaff(faol'sten, tn. Faiststf. f. voor Frances; Fanny. Fan (fen'), Faroe (fa'ro) Islauds g. Faroer-ellanden. Fawkes (tacks), m, Fawkes. Felix (fl'ilke), m. Ferdinand (fuedi-nend), in. Ferdinand. Fer guseon (Nevi a-un), in. Ferguson. —managh (-ina'ne), g. Fermanagh. —rartt (-ra're), g. Ferrara. Fielding (field'ieng). tn. Fielding. Fingal (fing'ge1),m• F Finland Ifinileud), g. Finland. —er, i. Finlanier. Flendars Illean'durz), g. Vlaftuderen. Flavian (flee'vi en), in. nevi.. VIeemsch, 'Nem Ism ( flem'ieng), Flor a my. Flora. —ence g. Florence; m. Florentius, w. Floren tie. —entine (flarten-Wm), a. Florentijnieh; I. Florentijner. —ida (MITT de). g. Finishing (finsrieng), g. vlissingen. Folkestone (fook'ston), g. Folkestene.
[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy
ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.
PON —POlt. 227 ad. prachtig, pralend; hoogdravend. --ouenese, (-lee'ajun), a. bevoiking. —ou s, s, oue tad. bevolkt, volkrijk. —ousness, :.u berolithel a. Zie Pomposity. Pond (pond'), a. vijver. —weed, zwemkruid, man- Porcelain (porsleen),s.porselein.—elay,—earth, poraeleinarde. —shell, porseleinechelp. gehrortel. Ponder, (pon'dur), V.A. overwerenoverpeinzen; Porch (poortaj), a. overdekte ingang, voorhof, v. n. peinzen, nadeoken (on). —able, a, weegbaar. portaal. —once, s, gewicht, zwaarte. —er, a. overv,eger, Porcine (por'sajn), a. zwijnachtig; —ousness,s. zwaarte. Porcupine (por kjoe-pajn), s. stekelvarken. peinzer. —salty —owl, a. —ously, ad. zwaar, gewichtig. 1Por e (poor'), s. zweetgaatje, purls. v. a. (on. upon) itch verdtepen in. (over) turen op. —iness Ponent (po'nent), a. westelijk. Pcniatd (pon'jurd), s. dolk. v, a. doorateken 1-i-neas), a. poreusheicl. Pork (poork'), a. varkenivleeseh; varken.-6ateher , (met eon' hulk). spekslager. —chop, varkensrib. —er, s. zwijn. —et, Punk (pungk). a. nachtapook, kabouter. Pontage (pon ttdzj), a. bruggegeld. —ling, o. big, jong varken. Pontee (pun-tie'), a. ileAbhouder (14) glas- Por ous (po'rus), a. poreus. —osity(-ros'it-tih), —ousneu, s. poreusheid. blazers). Pontiff (pon'tif), e. hoogepriester; pans. Porphyry (por'fl-rib), a. porlier. Pontitic !pun-tIfn), —al, a. hoogeprieeterlijk; Porp oboe (por'puu), —us, a. bruinvisch. feestelkjk. —ale (-el.), pl. prlesterlijk ambtsge- Parraceous , par-ree'sjus), a. lookgroen. wand. —ate (-kot), s. hoogepriesterschap; pause- Porret (poen°, s. ajalotte. lijke waardigheid. Porridge (por'rldni), a. soep; pap. —belly. papPontifice (pont'i flog, a. brugwerk. bulk. —dish, soepkom. —pot, soepketel. Pontoon (pun torn'), a. schipbrug; pont. Porringer (por'rin-dzjur), s, diep bord, soepPotty (po'nih), a. hit. bord, nehaaltja; laatbekken. Food (pooh), s. poed, pud (russisch gewicht). Port (poort'), b. haven; poort; ingang, opening; Poodle (poedi), a. poedel. geachutpoort; bakboord; tonnemaat; houding, pooh (poe), fat. pooh! b.111 oho! I voorkomen; portwijr, to clear the —, ultloopen. Pool (poet'), s, poet; inzet. ---ccunters, speel- —admiral. havenadrairaal. —bar, poortlegger. --charges , havengelden—eha8e,jaagoort—clear markjes. --snipe, poelsnip, . p . Poop (poop'), s. achtersteven, hut, kampanje. ing, bet uitloopen. —hinge, poorthengsel. —hole, gesekutpoort. -- last. potdeksel, dolboord. —lid, -.awning, zonnetent. —ladder, kampanjeladder. poortluik. --light, kajuitraana. —man. inwoner —lantern, heklantaren. --royal, bovqnkajuit. Poor (poer'), a. — ly, ad. arm; sehraal, dor; eener havenstad. —mote,havengerecht. —padlock, maser; rileudig, armzalig. (de) Armen. valiesslot. —reeve,sehouteener hevenstad. --rope, —box, armbus. —house, armhuis. —john, atok- poortschinkel.--sait,ballastkleed.—ea/e,spoedige vlseh. —law, armenwet. —man's-pepper,. peper- verkoop der lading (b het binnenloopen). wortel. —rate, armengeld. —spirited, moedeloom. poortdrenipel. —tackle, poorttalle. ---timber, iathartig. --4piritedness, a. laCharttgheid. —ish, poorthout. —town, havenrstad. —vein, poortader. a. armelijk, armzalig. —ly, a, ongesteld, lijdend. windpijp. —wine, portwijn. a. armnedigheid; sehraalheid; magerheid; Port (poort'), v. a. dragea; near bakboord wenden. —able, a. draagbaar. —ability (-e-birit-tih), Pop (pop), a. klap, slag, pof. —gun, a. klakke- —ableness, a. draagbaarkeid, —age, s. (het) drabus. —, v. a. and bewegen. (away) haastig rer- gen; draagloon. s. portaal; poort; ingang. bergen. (into) instoppen. (off)afschieten; afeche- —once, handing, voorkomen. pen. (out) later ontglippen. (out of) ult den zak Portcullis (poort-kuPlis), a. vaideur. kloppen. —, v. n. kioppen, potter; nick echielijk Porten d (pur•tend'), v. a. voorspellen. —t, s. vertoonea. (in) binnenstusven. (into) instoppen. kw aad v-aorteeken, voorbode. a.- onheil(off) nick nit he voeten waken. (on, upon) aantref- spallend. ten. (out) near buiten snetlen. Porter (poor'tur), a. pnrtier; krttier; porter ibier). Pope (poop'), a. pane. —fly b korenworm. —,Joan, —age, s. draag-, kruiloon. z'-ker kaartapel. eye,(net) vet in een' schape- Porifollo (poort•foli-o), a. porteteuille. bout. --'s-head, raagbol. --dom. a. paundom. —ry, Portico (poor'ti-ko), a. nuilengang, portieh. a. paungezindheid. Portion (noor'sjun), s. tkandeel; erfdeel, kindsPopinjay (pop'in-dnjee), s. mogul; boom- gedeelte; huwelijksgoed, uitzet. —, v. a. ultdeespeeht; fat, saletjonker. len; (with) ten huwelijk medrgeven. —er, s. nitPopish (po'pinj), s. —ly. ad. pauegesind, paapsch. denier. —ist, s. deelheb ber (eau zekere ink° oaten). Poplar (pop'ler), a. populier. —galls, populler- Port Illness (poort'll-news), s. deftigheid. —ly, knoppen. —tree, popullerboom. a. deftig; voraarlijvig. Poplin (poplin), a. stof van wol en zijde. Portmanteau (poort-men'to), a. valley, mantelPoppy (pop'plh), a. slag bob. zak, Popo' ace tpoplos les), a. gepeupel, grauw. Por2ofse (poort'is), a. Zie Portlast. —ar. a. —arty, ad. volke-; voor het yolk; hij Portrait (pooetreet), a. portret. —painter, porhet volk gezien. —arity a. votkagunst; tretsehilder. —urn (-joer). a. (het) portretschilgesehlktheid voor het volk. —arize (-ler-ajz), v. deren; portret, afbeelding. a. algemeen bemind maken. —ate (-beet), v. R. Portray (poor-tree'), v. a. portretteeren;afbeelbevolken; v. n. nick vermenigvuldigen. —ation den, afschilderen.
Aehtergebanw, o. back-house, out-house: Aehtergevel, m. back , iront. Aehtergraeht, tr. back-canal, back-moat. Achtergrond, m. back-brounde deepening (in eene achilderi)); Bat scene (van het tooneell. Aehterbal sell, ov. w. to overtake, to reach, to Come op with; to discover, to catch; to overreach. —er,, m. overtaken —ing, v. overtaking; catching. Aehterls ale. tn. nape of the neck . Aehterkand, v. back of the bend; hind-quarters (van een petard); yonngeet hand (it, let kaartspel). Aebtarboeds, v, rear. Aehterboofd, o. occIput. Aehterboud en, ov. w. to keep back, to lay aside; to withhold; to conceal; to spare. —end, be. reserved, close. —endheid, v. reserve, resery. y. withholding, concealment. edne4e. Achterhuls,o. beck-house, out-house. iikehtorbut, a. stern•cabin. Aehtertjaer, o hind-elioe. Achterto,bw. behind. Aehterkabel., en. stern•cable. Achtorkasisor. a. back-room. Achterkasteell, o. stern, poop; bum.

Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.
Iniquit nun (in-ilt'wi-tun). a. onreehtvaardig ; snood. —y, a. ontechtvaardigheid; anoodheid. InItia 1 (in-isrei), a. beginnund, aanvangend. —, a. hoofd-, voorletter. —ate (-1-et), a. beginnend, onbedreven. —ate (.1 eet), v. o. onderwbgen (in); inwijden (into); v. n. beghnen. —lion (-i-ee'sjun), s. inwtjding, eerate onderricht. —tory (-1-e-turrib), a. inleidend; a,. Welding. Inject (in-dzjekt'), v. a. inwerpen; inspuiten; —ion (-dgjek'sjun), a. inwerping; inspuiting. Injoin (in-dzjojn'), v. a. Zie to Enjoin. injudicable (in-dzjoe'di-ktb1), a. niet ontvankelijk (in recbten). Injudici al (in-dgjoe-disfel), a. onreehtsgeldig. —ace, a. —weak, ad. onoordeelkundig, ondoordacht. —ousness, e. onoordeelkundigheid. Injunction (in. dzjunk'sjun), a. bevehvoorsehrift. Injur a (in'dzjoer), v. a. onrecht doen; kwetsen ; benadeelen. —tr, a. benadeeler. —toes, a. — isusly, ad. (.tigjoer'i-us-1., be;eedigend; nodeeligf, (to). —iousness -dzjoer'i-u.-), a. (het) kwetsende, Lren. kende. —y, s. onrecht , hoon; let.), achade. Injustice (in-dzjuetis), s. onrechtvaardigheid. Ink (inglr'), a. inkt. —blot, inktalek. —bottle, inktkruik. —box. —horn, inktkoker. —ease, sehrijfdoos. —fish, inktvisch. —pot, inktpot. —stand, lnktkoker; echrijfkistje. —stone, in.ktsteen. —, v. a. met inkt bemoraen. —int., ts. inktachtigheid; gwartheid. —y, a. inktaehtig. Inkle (ing'kl), s. smal garen lint. Inkling (ink"lieng), A. weak, bedekte kennisgeving; veriangeu, neiging. Inloce (in-lees'), v. a. invatten, afzetten, vereleren. Inland (inlend), a. binnenlandoch. —town, landatad. s. binnenland. —er, s. binnenlander. Iniapidate (in-lepl-deet), v, a. doen vereteenen. !Maw (in-lao'): v. a. in de burgerrechten herstellen. Inlay (in'lee), a. ingelegd week, inlegsel. [inlaid], v. a. inleggen. Inlay Inlet (innet), +I. thong; inham, gee!. unlock (in-lok'), v. a. insluiten.Italy (inlih), a. SI ad. innerlbk, inwendig, geheim. s. inwoner, Inmate (in'rceet), a. inwonend. huisgenoot, kommensaal. Inmost (in'moost), a. binnenst. Inn (in'), 8. herberg, logement. —s of court, kollegien voor de studenten in de rechten. —keeper, herbergier, logementhouder. —, v. a. inbrengen; herbergen; v. n. logeeren. Innate (in-tweet'), a. — /y, ad. aangeboren. —neon, a. aan•eborenheid. Innayigable (in-nevi-gibl), a. onbevaarbsar. Inner (in'nur), a. inwentilg, binnen. —moat, a. binnenst. misery atios; (in-nur-vee'sjun), s. zenuwaterking. —e (-ntrre'), v. a. kracht geven. Inning (inleng), s. (het) binnenhalen van den oogst. —s (-lengz), pl. aangeslijkte ingedvkte grond; voorband in 't cricket-spel). Inseoceu ce (tn'no-wens), —ey, a. onechuld; onachadelijkheid. —t, a. ---try, ad. onschuldig (of); onsehadeljk. —t , a. onn000ele, —tteday, onozel e- kinderendag.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.
B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,

Their (cheer), pr. hun, haar. —a, theta.* pr. de (het) hunne, de (het) hare. Theis no (thi'lzm), a. godisterij, tbeisnaue. .-t (-ist), a. godiet, theist. —tic, —tical (-iat'lk.), godiatisch, thelstiech. Them (them), pr. hen, bun, haar. Theme (thlem), a. onderwerp, them ; grond. woord. Themselves (them-selve), pr. rich; z13 zeiven; itch zeiven; het (hun, hear) zeiven. Theu (then), ad. dan; daarop; toen. conj. dan, derholve, daerom. Thence (the.), ad. vandaar, —forth (-foorth"), —forward (for'wurd), ad. van dten tljd af. Theocra cy (thi ok're-eih), s. goderegeering. —tic, —tieal (-o-kret'ik.), a. theoeratiech. Theodolite (thi-od'ul-lajt), a. hoogtemeter. Theogony (thi-og'un.nih), a. afetamming dor heidensehe godheden. Theolog Ian (thi.o.lo , dzji-en), —iet (-ol'ud.rj13t), —ue (thl'o-log), a. godgeleerde. —ie, —iecti, a. —ically, ad. (-led'zjik-), godgeleerd. —y zjih), a, godgeleerdheid. Theorem (thi'o-rem), a. stelling. —atical (-et-ik-), --ie (.rem'ik), a. in atellingen tervat. Theoretic (thi-o-retnic), —al, a. —ally, ad. Met). retiech. Theor lel (thi'o-riot), a. heselegelaar, theoretic.. —ice (rajz), v. it. theorien maken. —y, a. bespiegeling, theorie. Theosophy (chi.os'o-fih), a. goddeltjke wijsheid. Therapeutic (then e-pjoe'tik), a. geneeskundig. —a, a. genecskunde. There (Cheer). ad. dear, er; aldaar. —about, —ebonite , ad. dear omtretit —after (-aaf'tur), ad. daarna;daarnstar. —at (-et'), ad. dear; daaraan; daarover. --by (-bar), ad. daardoor; daarbtj. —fore, ad. daarom, derhaive. —from (.from' ► , ad. daarvan, daaruit. —in (-in'), —tato (-in-toe'), ad. daarin. —of (-ov'), ad. daarvan. —on (-on'). -.upon (.up-on'), ad. daarop. —out (-ant'), ad. daarttit. —to (-toe'), —unto (-on-toe'), ad. deartoe. —under (-un'dur), ad. daaronder. —with (-with' ► , ad. daarmede. —withal (-oat'), ad. dearmode; daarenboven. Therleo (tht'ri.ok, s. tegengif. —al (the-rej'ilti), a, ale tegenglf werkend, Thermal (thur•nael') a. warm. Thermonve ter (tbur-tnom'i-tur), a. warmtemeter, wearglas. —tric, —trivet (-mo-metrrik.), a. van hat wetrgtaa. These (thin), pr. p1. van This, Thesis (thi'ets), a. stalling. Thespian (thes'pl-en), a. dremati,ch, van het treurapel. ognedderrakgr; a its. ei)",urad T Itlu i vveg(rhgh glieiw h6 o oaintew; a pier, r, pees; epierkracht. —ed, a. gewoon, gewend. They (thee), pr. pl. van he, she, it. — say, men seat, Thick (thir), a. (het) dikke; gedrang; dicht ge. boomte. a. & ad. —4., ad. dik; dlcht, vol, gedrongen; troebel; grof; menigvuidig; getneenream; and, to speak —, brouwen. — and threlfold, dabbel an dware. — of hearing, hardhoorend. —bodied. zwaarlijvig. —coated, dik an huid. —head, dikkop; domkop. —head, --headed, dik van
Mfspolnl (mis-point' ), v. a. verkeerCpuncteeren. Misprint (mis-print'), s. drukfout. v. a. verkeerd drukken. • e (min-praje), v. a. onjuist opvatten; minachten. —ion (-prizj'un), s. verzuim; verheling; missing; minachting. Misproc ► meing (mis-pro•siedleng), s. verkeerde (onregelmatige) handelwijze. Mispro nounce (mis-pro-naauns'(, v. a. & n. verkeerd uitspreken. —nuneiatioa (-nun eji-ee , ',jun), a. verkeerde uitspraak. NtIsproportion (mie-pro-poor'sjun), v.a.onevenredig v erdeel en. Misquot e (mis-kwoot"), v. a. verkeerd ae-nhalen. —ation (-tee'sjun), 8. verkeerde aanhaling. M I srate (rnis-ceet"), v., a. onjuist begrooten. Misreeli al (mis-re-sfirtel), a. onjuist bericht (verhaal). —e (-8ajt'), v. a. onjuist opzeggen, — berichten, verhalen. Misreckon (mis-rek'kn), v. a. misrekenen. Misrela to (mis-re-lost'), v. a. onjuist verhalen. —tion (-lee'sjun), 8. onjuist verhaal. Misreingmber (mis•re-mem'bur), v. a. zich onjuist herinneren. Misreport (mis-re-poort'), a. valsch bericht, — gerucht. v. a. onjuist berichten. Misrepresent (mis-rep-re-zent' ► , v. a. verkeerd vooratellen. —ation (-tee'f-jun), s. verkeerde voorstelling. —er, a. die verkeerd voorstelt, verdraaier. Misrule (mis-roeV), s. mallards, getter, oproer; wanbestuur. Miss (miss), 8,juffrouw,mejuffrouw,bijzit; genic —, v. a. & n. misses; eau misslag begaan; —fire, weigeren (van een geweer). Missal (mis'sel),.. miaboek. Missay (mis- see') [irr], v. a. verkeerd zeggen; v. n. rich verspreken. Iil iseervc (mitr(surv'), v. a. ontrouw dienen. Misshape (arras-sheep'), v. a. misvorrnen. —d,—n (-shee'pn), a. misvormd, misn:aakt. Minaile (rie.:411), a. werpbaar, werp-. —,s. werptuig. Missing (mis'sieng), a. vermist, wag. Mission (misj'un), a. tending; gezantochap.—ary, a. zendeling-; a. zendeling. Missive (miteeiv), a. gezonden, geworpen, send-, warp-. a. zend b def. Misspeak (mis-spiek') [lrr], v. a. siecht uitspreken ; v. n. zich verspreken.
Abode, 1. & p. p. Arisen, p. p. Arose, 1. Ate, Awoke,1. Bade, i. p. p. Bare, i. Batten, p. p. Beat, 1. & P. p. Beaten, p. p. Became, 1. Become, p. p. Been, o. p. Began, 1. Bextrt,1 & p. p. Begot, 1. & p. p. Be.xotten, p. p. Begun, 1. & p. p. Beheld, 1. & p. p. Bcnt, & v. p. Bereft, 1. & p. p. Besought, t. & p. p. Bestrid, I. Bestridden, p. p. Betaken, p. p. Betid, i. & p. p. Betook, 1. Bld,1, & p. p. Bidden, p. p. Bit, i. & p. p. Bitten, p. p. Bled, i. & v. I. Blew, i.
SAN.—SA.V. —fastener, keen. —storm, zandhoos. —atvallow,oaverzwainw. veusterboom. —buckle, eeintuur•gegp. rattalbaag. —walk, zandweg. —wort, zandkruid. —, v. a. met raamalot. —knob, reamknou. —saw, sand b.trooten, op het zand zetten. —window, schuifraam. Sanda 1 (ken'den. 8. sandaal, voetzool; — wood Sassafras (ses'ne-tree), s. sassafras. Satan (see'ten), 8. satan. — ic, — ical, a. — ically, sandelhout — rack ( - de-relcf, a. sandrak. 262
CRO.—CUB. ren. to — one's self, het teeken des Kruises ma. 'mien (into, tot). —, v, n. verkritimelen (away), ken. —, v. n. dwars over liggen, overdwars lig- vergaan tot (into. up to). gen; oversteken (over); strijdig zijn met (with), Crump (krump'), a. krom. —footed, a. kromvoe—' prp. dwars over, dwars door. —ing, s, dwars- tig. —shouldered, a. gebocheld. pad; overloop; tegenstand. —ly, ad. kruiswijze, Crumpet (krum'pit), s. kadetje. dwars; gemeltjk. —ness, s, overdwarsheid; ver- Crumple (krum'pl), a. rimpel, kreuk. —, v. a. keerdheid; stuurschheid, sorschheid. kreukelen, verfrommelen; v. n. ineenkrimpen, Crotch (krotsf), s. husk; gaffe!. —es, s. ruim- rimpelen. banden; mikken (voor draaibassen); schepters. Crumpling (krum'plieng,), s. wilde appel. Crotchet (krotsj'it), s. teksthaakje, parenthesis; § Crunch (kruntsj), v. a, met de tandeu verbrijschraag; schoor; kwartnoot; auk, gril, list; vin- zelen. gerling (vats eene sloep). § —y, a. wispelori Crupper (krup'pur), s. staartriem. grilziek. Crural (kroe'rel), a. het been betreffend. —vein, Crotells (krot-ilz), a. hazendrek. schenkelader, dijbeenader. Crouch (krautaj), v. n. laag hukken; kruipen (to, Crusade (kroe-seed), a. kruistocht. —r, s. kruisyour); (under) geduldig verdragen. vaarder. Croup (kroep), s. kruis (van een paard); romp Cruse (kroes), s. kroes, beker, fleschje. (van een' vogel); keelziekte. Cruset (kroe'sit), s. smeltkroes. Cronpade (kroe-peed), s. luchtsprong (van een Crush (krusj). s. kneuzing, botsing; verplettea aril). ring. —, v. a. kneuzen, verpietteren; onderdrukCrout (kraut), a. zuurkool. ken. to — a cup, een glas ledigen to. to — one's Crow ( kroo'),R.kraai;gekraai;breekijzer.§ —bar, v. n. verdtkt spirit, ietnand ontmoedigen. breekijzer. —flower, wilde ramenas. —foot, voet- worden; klinken (met drinkglazen). angel; ranonkel. —keeper, vogelverschrikker. Crust (krust'), s. korst. kissing—, weeke korst. kraaienveder. —toe, hyacinth. —'s-bill, upper—, bovenkorst. —, v. a. omkoraten; v. n. trektang. —'s-feet, rimpels onder de oogen. tot korst worden. —aceous (-tee'sjus), a. geCrow (kroo) [crew * (kroe). crowedj, v. n. kraoien; schubd), geschaald. —ation (-tee'sjun), a. omkorsnot., en. sting. —ily (-it-lih), a. snibbig, bits. —inesa, s. Crowd (kraud'), s. gedrang, menigte. —, V. R. koratigheid; gemelijkheid. —y, a. korstig; gevolproppen, opvullen. to — sails, alle zeilen hij- melijk. zetten. —, v. n. wemelen, driugen. (on) volgen Crutch (krutsj), a. kruk. v. a. met krukken op. (in) i ndringen. —er, s, speeiman, vioolkrasser. ondersteunen. Crown (kragutC), s. kroon; kruin. v. a, kro- Cry (kra)), a. schreeuw, kreet, uitroep; ge'ween, nen; bekronen; dam halen. —glass, kroonglas. geklaag; gekraai; geblaf; roep, faam. v. a. —imperial, — thist/e,keizerskroon(bloem). —land, uitroepen; otnroepen. (down) hekelen; verbieden; —demesne, kroonland. —post, hoofdzuil. —scab, onderdrukken. (up) opvijzelen; hooger bieden. schurft aan de hoeven van ten paard. —wheel, to — quittance, met gelijke munt betalen; verkroonrad. —work, kroonwerk. —er, a. bekroner; gelden. —, V. n. schreeuwen, roepen, krijten; voleinder. klagen; kraaien. (for) schreien van; roepen om. Cruel at (kroe'sji-el), a. kruiswijze. —ate, v. a. (out) lutd klagen. (unto) aanroepen. (out against) kwellen, pIjnigen. morren over. Crucible (kroe'sibl), s. smeltkroes. Cryal (kraj'el), a. reiger. Cruel fe•ous (kroe-sirur-us), —ger°. (-aid' Cryer (kraj'ur), a. giervalk. zjur-us ► , a. kruisdragend. Crypt (kript'), a. krocht, groeve,grafkelder.—ie, Crueir ler (kroe'si-faj-ur), a. kruisiger. —ix —ical, a. geheim. —ography (krip-tog're-fih), s. (Elks), s. kruisbeeld. —ixion (-fiks'jun), s, krui- geheime schrijfkunst. —ology (krip-tol'-ud-zjih), siging. —ores a. kruisvormig. —y (-faj), v. a. s. geheime taal. kruisigen. Crystal! (kris tel), a. kristallen; doorschijnend. Crud e (kroed'), a. —ely,ad.rauw,onrijp; wrang; s. kristal. —line (-lajn), a. kristallen; dooronverduwd; onbekookt. —eness, s. rauwheid, on- schijnend. —line humor, kristallijnen vocht (van rijpheid; onverduwdheid; onbekooktheid.—ity,s. het oog). --lization (-11.-zee'sjun), s. kristallisarauwheid, onrijpheid; onverduwbaarheid. tie. —line (-lajz), v. a. & n. kristalliseeren. Crudle (kroe'd1), v. a. doen stremmen; v. n. Cub (kula'), s. jong, welp; lafbek, koestal, stollen.' licked —, onervaren jong mensch. —, v. a. jonCrudy (kroe'dih), a. dik, gestremd, gen werpen. Cruel (kroe'il), a. —ly, ad. wreed. —ness, —ty, Cubat Ion (kjoe-bee'sjun), a, nederligging. —ory s. wreedheid, onmenschelijkheid. (kjoe'be•tur-rih), a. nederliggend. —ure (kjoe'beCruentous (kroe-en'tus), a. bloedIg. tjoer), s. berekening van kubieken inhoud. Cruet (kroe'it), s. olie- (azijn-)fleschje. Cube (kjoeb), a. teerling; kubiekgetal. — root, Cruise (kroez'), a. kruistocht. —, v. n. kruisen kubiekwortel. (ter zee). —r, s kruiser. Cubic (kjoe'bik), —al, a. —ally, ad. kubiek. — § Cruller (krul'Iur), s. flensje (gebak). number, kubiekgetal. — root, kubiekwortel. —alCrum (krum'), s. kruim; kruimel. v. a. & n, fleas, s. kubiekvormigheid. kruimelen, brokkelen. —my, a. kruimig,, brok- Cubiform (kjoe'bi-torm), a. teerlingvormig. kelig. Cubit (kjoe' bit), s. voorarm; oude ellemaat. —al, Crumble (krum'bl), v. R. kruimelen, verbrok- a. eene el hug.
Jesus (dzji'sus). m Jens. Jewry (dzjoe'r1h), (r. (hut) Joodsche land. Jezabel (dzjez'e-bel), w. Jrzabsl. Jin ((Win"), - ny, f. voor Jane. Joan (dzjoon), v.. Johanna. Job (dzjoob)., m. Job. Joceiln (Jzjoslin),m. Justus, Joost. Joe idujo). f. voor Joseph. John Onion'), m. Jobannec, Jan. —ny, f. tour John; Jamie. —son (-en), m. Johnson. —.ton (• sin), m. Johnston. Jan all (dzka'ne), —as, m. Jona. Jones. Joraathau (dzjon",then), m. J onathan. Jordan (dzIor'drn), g. Jordaan. Joseph (dzjo'zif), m. Joust. Joshua (dzjotroa-e), in. Josua. Jove (dzjoos), my. Jupiter, Juititin. Jud a (dzjoe'del, —ah, m. Juda. ( lz ;.), r. Jodendom. —as, on. Judas. —ea (- di'e), 5. Judea. —ith (-nth). w. Judith. Jug (dzj ugh f. toot Joan; Jans. Jail a (dzjoe'll e), v. Julia. —an, no Julianus. ook —era (-ee'ne), w. Juliana. —era (• g. Gulik. —et (-et), w, Julia, Juliet. m.

Amiabl a tee'mi-ibl.), a. —y, ad. beminnellik. —eness, a. beminnelijkheid. Amianth (em'i-entb), s. steenvlas. Amicable (em'l-kibl), a. --y. ad . vriendschappe10. —mess, a. vriendschappelijkheid. Amid (e-mid'), Amidst (e-midst . ), prp. te midden van, onder. Amiss (e-mis') ad. kwalijk; verkeerd, to onpas, • to take —, kwalijk nemen. Amity (em'it-tih), a. vriendschap. Ammonia (em-ino'ni-e), a. ammonium. Ainmonlae (em-mo'ni.ek), a. & s. ammoniak. sal —, arnmoniakzout. Ammunition (em-mjoe-nia'ajun), a. krijgavoorread. —Lread, kommiesbrood. Amnesty (eneines-tih), a. vergiffenis. Among (e-mungl. Amongst, pep. onder; teaschen, Amorous (em'o-rua), a. (of), —ly, ad. verliefd. —nees, a. verliefdheid. Amorph ous (e-moefus), a. vormeloos. —y, a. vormeloosheid. Ansoet le-morti, ad. doodsch; treurig. —ization. (-ti- zee'sjun), —szment ( -tiz- merit). s. eigendomaoverdracht in de doode hand. —ice (-tiz), v. a. overdragen in de doode band. Amount (e-maaunt'), a. bedrag. —, v. n. (to) bedragen, beloopen. Amour le-moer'), a. minnarij. Ampltibi an (em-fib'i-en), a. amphibie. —ous, a. tweeslachtig. —ousness, a. tweeslachtigheid. Ainphibolog teal (em-fib-o-lod'zjikl), a. dubbelzinnig. —y (em-ti-bol'ud-zjih), s. dubbelzinnigheid. Amphiseli (om-fispi-aj), a. dubbelachaduwige volken. Amphitheatre (em-ii-thi'e-tur),..amphitheater. Ampl e (etri'pl), a. —y, ad. ruim; breedvoerig; mild: rijkelijk. —enesa, a. ruimte; breedvoerigheid; mildhe:d; pracht. Amplification (em-pli•fi-kee'sjan), a. uitbreidiug. Ampll filer (em'pli-faj-url, a. uitbreider. -l'y (-faj), v. a. uitbreiden, vollediger maken; v. n. (on) uitweiden over. —tude (-tjoed), a. nagestrektheid; overvloed gheid. Atnputa te (ern'pjoe-teet), v. a. afzetten. —tion (-tee'ajun), a. afzetting. Amulet (emloe-let), a. talisman. Amus a (e•mjoee), v. a. vermaken; ophouden. —ement, a. vermaak, tijdkarting. —ing, a. vermakelijk, onderhoudend. Atuygdal ate (e•mig'de-let), a. van amandelen. —ins (-lin), a. amandelachtig. An (en), art. een, eene, eenen. Anabapt ism (en-e-bep'tizm), a. leer der wederdoopers. —ist, a. wederdooper. —istic (-tis'tik). s. wederdoopagezind. Anachoret (en-ek'oret), a. kluizenaar. Anachronism (en-ek'ro-nizm), a. miailag in de tijdrekening. Anagram (en'e-gram), a. letterkeer. Anftlects (en'e-lekte), a. bijeenverzamelde ttittrekselm uit schrijvers. Analogical (en-e-lod'zjik)), a. overeenkomatig. Anal ogous (e-nero-gus), a. (to) gelijkvormig.


404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
Panoply (pen'o-plih), a. volledige wapenrusting. Pnracen teals (per.e-sen-ti'sia), s. buiksteek (ter aftapping van het water). —tric ( sen"trik), a. Panorama (pen-o ree'me), a panorama. van het middelpunt afwijkend. Pansy (pen'zill., a. driekleurig viooltje. Pant (paant'), s. hartklvpping. --, v. n. kloppen. Parachronisin (pe rek'ro-nizm), a. misalag in de tijdrekening. beven, hij pen; (after. for) hunkeren, verlangen Parachute (per- e-sjoet.'), a. valscherm. near. Pantaloon (pen.te.loen'), a. hansworst. — 8 Paraclete (per'e-kliet), a. trooater. Parade (ee-reedn, s. praalvertoon, pronk; afwe{-loenz"), pl. (lenge) brook. Pant ar (paant'ur). a. hijger; net. —ess, a. kort- ring; parade; paradeplaats. —, v. a. pronkea met; ademigheid (van valken). parade laten oaken; afweren; v. rt. vertoon maPantile lam (pen'thi-ism ►, F. pan theismus. —ist, ken; optrekken; parade maken. a. pantheist. -on (-thi'un), 8. pantheon, goden. Paradigm tper'e-dim), a. voorbeeld. the fool'. —, Paradis a (per'e-daja), s. paradijs; tempel. Luilekkerland. —kcal (-di-saj'ikl), a. paradijsPanther (pm'thur), a. panter. Pantile (pen'taajl), a. dakpan. Paradox (per'e-doka), s. wonderspreut. —teal, Pantie". (pent'lur). s. hof-, broodmeester. a. —ically, ad. (-doks'ikl.),wonderepreuhig. —ical?mitotic (pen-toefl'), a. pantoffel. Panto graph (pen'to-gref),s.teekenaap. —graphy nets (-dokeikl-), a. achijastr‘jdigheid. s. het gebra iten van den teekenaap. Paradrome (per'e-droorn), a. onovardekte gang. (-tog're —meter (-torn'i-tur), a. almeter. —mime (.Thajg), $, Pa•age (per' sclzj), a. geltj kheid. gebarenspel, pantomime; pantomimist. —mimic Paragog e (per-e-goodzj'), s. woordverlenging. —teal (-god' zjik-), a. woordverlengend. (-mim'ik), a. pantomirnisch Paragon n per'e-gunl, a. model, voorbeeld; matPantom (pen'tun), a. —shoe. pantoffelijzer. ter. —, v. a. vergelijken. evenaren; v. n. wedijvePantry (pen'trilt), a. provisiekamer, -kast. ren. Panurgy (pen'nr-dzjiW, a. bekwaamheid in alles. Paragram (per'e-grem), a. woordspeling. Pap (pep'), s. tepel; pap; vleesch cyan vruehten). Paragraph (per'e•grefi, a, parairraaf; -teeken. —, v. a. met pap voeden —ic, —teal, a. —ically, ad. (-grerik-)., in (bij' paPapa (pe-pa'), a. p , pa, Pap acy (pee'pe-sih), a. patiqdc.m ; psusschap. —a/ rag', fen of afdeelingen. Paraliellon (per-e. Wit un).. a, bijzen. (-Pei), a. pauselijk. Farall poetic (per-el-lek'tik), a. parallactisch. us), R. papavera chug. Papaverouc (pe-pev'ur —ax (per'el-leks , , vorschilzicht (in den stand Papaw (pe pan'), a. meloenhoom; meloen. doe aterren), parallax. Paper (peep), a. pans. a, a. pa- Paraliei (per'et. lel), a. evenwildig, gelijk. Paper (pee'pur), s. papier; nieuvablad. evenwijdice ltjn; gelijkbeid; vergelijking. —, v. a. Pleren; licht, dun. —blurrer, papterverknoeier. evenwtjdig waken; overeenetemmen; vergelijken. book, schrijfboek. —credit, —board, natplank. —ism, a. evenwijdigheid; gelijkbeid. —ogram apier-, wisselkrediet. —currency, omloop van s. parallelogram. —opiped (-o-pay ' andelapapier. —faced, met era, dondsbleek ge- (.1el'o-grem), parallelepipedum. laat. —hanger, hebanger. — hangings, pl. karnerbe. Paralog lam, (p•rel'ud-zjizm), a. drogrede, valvlieger. —knifesvouw. banged!. —kite, (papieren) been. —maker, papier. , ker. —man, koopman in ache sluttrede. —ite(-zjajz), v. n. valsche gevolgtrekiiingen makes. schrijfbehoeften. —manufactory, pa pierfabriek.Parlay slit (pe-rel'i-sis), a. verlamming. —tic, paplermolen; archief van King ' s bench. —tical (per-e-litik.), R. verlamd. --se(per'e-laJ , ), —money, papieren geld. —office, staate-archief. op papier geatoken. —scull. dom. v. a. verlammen. —pins, spelden drukker (verkooper) van g'ekleurd Paramount (per'e-maauut), a. hoogst, opperat. top. —stainer, lord —, opperste leenpapier. —weights, brievendekker. --, v. a. in papier —, a• opperhoofd; leenheer. pakten; bebangen (met papier). hoer. moor (per'e-moeri, a. minnaar. boel; minvlinder. —naceous (-nee , Para Papal() nitres. —nymph (-nimf), a. bruidsjonker; verdedisjus). a vlinderachtlg. gee. —pet (-pet), a. ty.rrativering. PnpIllnry (pep'il-le-riW, a. tepelachtig. ravage. Poraph (per'ef n, 8. naamtrek, naamteeken. —t, (pee'pizrn), a. pausdom. Papis pau'geeind. —try Paraphernalia (per-e-fur-nee'li-e), pl. goetieren, a. zinde. —tical die uttalnitend aan de vrouw toebehooren. (-pie-trih), a. pausdom, paperij. a. pap- Paraphras e (per'e-freez), 8. omschrijving. —e, —y, (pep'pus), a. harig,wollig. OUB Pa pp v. a. omsebrijven; v. n. paraphrasen maken. —t aehtig; week, vieht. —tied (-freetik), a. Papul sac (peploe-li), pl. puistjes, huiduitslag. : (-frest), s. onischrijver. omschrijvend. —ass, a. puistig. Paraaang (per'e-seug), a. perzische mijl. Par (pear), a. gelijke waarde, part to beat (upon a) Paraselene (per-e-se-Iten'), a. bijmaan. gelijlz staan. Paraalt a (per'e-sajt), a. tafelsehuitner; weekerParable (per'ibl), a. gelijkenis. Pnraboll a (pe-reb'n-le), a. kegelanede. —ic, —teal plant. —Sc, ica/ (-sit'ilt.), a. tafelschuimend; — (per-e-bol'it), a. van eene geltkenis; van de plant, wilikernlant. door ge- Parasol (per'e-sol), s, sonnescberm, parasol. tegelanede. —ically (per-e•borik1-), ad.verhalev Paravall (per-e-vee1 1 ), a. achterleenrnertg , tenant B. likjkentesen; ale eene kegelsnede. aehterleenman. van gelijkenissen.
Ellernift cone-nee era, ay. iv. to renu mtpr i to number melting. again —fag, v. renumbering. illerisnaer en, ov. w. to smear (to grace, to ilr.vrou,i, tan, ov. w. to reopen. —kg, v, re- blacken) egain, — anew. — ing, 7. scrizarilg o 1ieuta4;•. (aresaine, blackening) again. atiroreever rear, on. reconeuerer. —en, or, W. to ileeepeldien, ov. we to pin again. IlitrepePen, ov. w. to ploy over again. eeeongeee, — lag, v. reco,que,t• gliererbeht Cat, err. w. to for. (to hire, t0 rent) laseeepeiticat, 07. W. to spell over again. again. — jag, a. 'Owning (hiring) again ; renerol illerspeten, or. w. to spit over again. 23,,,philtvo, 07. 7V. to dig over again. vi a leave. Uersegeal k 10, 0 , . W. to pack 07, aga‘n. —tag.. lii,..fot..,k,s, rev. w. to prick (to eting) again. e plcicng over 111;0, 111,E"liii el, 0.3(enrerY; restoratiom; remedy, redresS. 03er;,...irein, on. W. to eblipi9 again. —bear, bv. reparable, reatorable, retrievable; alierteateeeo, ov. w. to lay (over) again. curable. --lea. cm . w. to replace; to ree,tablisii; Ilierpeell era, ov. W. 1,0 gauge (to eoend) ago.n.,1 tm repair, to restore, to retrieve; on. w. to re —lag, v. gaagiee (fa-reeding , egain. I co , er. --tee-, I, resto er. —ling, v. replacing;
'271 maiseerbekken• —brush, lielteeAwaet. —case,' Shell (aj-,iri, a. plank, bord; vak; andplaat,klip, actieerdaoa. —cloth, acheerdnek. —glass, ,, cheer- harde grand. —piece, verbli.iding,klos. —il, a. vol apiaget. seheermes. —tub, snipperbak, klippen of zansIk ► nken. —s tiengs), p1. epeenders ; Bet-pliers; schaafeel. ; Shell Weir), s, ischil, schwa. dap; sche!p; romp Shaw (ejao , ), 5, 6...hie, Ivan eon huts); buttenzOde; tier; sour, ateekbtad mikvogel. Shawl (IOW), a. ajaal. goat, Angora-gait. (van cen'degen). —almond, kraaltainandel. —fish, Shawn,. lejaorn), a. achalinei. scbetpviecn- --gold, setielpgoad --toe, rieholiak. She NO), pr. zi,j, wijje. —ass, ezelin. bectr,, —assail, huisjetielsk. —work, schelpwerk. —., v. a, berin. kat. —cousin., nicht. —friend, vrien-,, schilien, &wren, schillig, sch, ereu —y, din. —goat, Keit. —neighbor, bunrvrouw. —ser-; liK, vol ,,elietpen; vast, dienstunagd. —*Jaye, alavin. Sheller (ej.el'tur), a, heschutting; achuiiplaats; Sheaf (agar), a. achoof; bundel. —, v. a. tot' heacherming. —, v. a. bedekten; beachutten, beschoven binden. —y, a. ale stub achoven, aehern,u (froml; v. n. schuilen. —er, a. bescliutShear (sjier') [shore, shorn Olooro)], v. h. ache- ter, beecheriner. —less, a. onbeschot, zonder beran; afsnijden, masien. —man —er 14.1301,4,1er. schutting. master_ —water, etornivogel. —icy, C. het t-elic- Shelv e oijelvi. v. a. op eene plan;i zntten ; ren) —time, schaapschering. —ings -ictigz), p1. v. n. athellen — ing, a. sch,ti ► , hellend. —ingneas, iteheerwol• -8 lajierati, pl. schaar• a. schuinte- ---y, a. Shend (sjead), v. a. to groado richten,bederveo; a. scheede; rlettgelsAild. ischeedevogel. —razor, orgelptjp (eene schelp). beriipen. —scaie, bladvliea. —winged, actitldvietigelig. Shepherd (siep'urd), 5. sei,tapherd,„ --!'s club, Sheath e (cjietli'), v. a. opsteken, in de scheede wolkruid. —'8-cress, steenkers. —'s-dog, herdersstekeni van eene Ncheede voorzien; bekteeticri, tiond, —'s-needle,naaldkruld.—'spouch,—'s-purse, overtcokken, dubbelen. —ing, a, ► ekleeding, dubtaachjesitruid , iterder,,tasch. 's-rod , wilde baling; aptj kerhuid. kaardendistel. --ess, a. herded, —let, a. berSheviive 0.1 1 e 0 1, e. tichijf (1a eerie katral); —hole, derlijk. acknjfgat. Sherhet (sjuebit), a. socket. Shed (sje.1), a. loads, lint, werkplatit, Sherd (8)11,1), 8. Zie Shard. Shed (sjed'i, [shed], v. a. vergieten, etorte,n; of- Sheriff (ejer'if), a. sheriff', ,chant• —ally, --duos werpen. — teeth, de tanden verwisselen. —, v. L. (-dum), —ship, a. ambt (gebied) oven eau' -sheriff. uttvallek. —sea, atortzee. —der, atone, wick (-wilt). a. schonregebted. Sheets (ejten'), a. helderheid, glans. —y, a. helder, Sherry (ajer'rih, a, Xerea-wi;n. glineterend. Stew (ajo), a. '3, v. a. Zie Show. Sheep (ejlerl, a. schaap. —, p1. ischapen. —cot, Shlde (njajd), a. stuk hoot, blokje. —fold,nehsapekooi. —hook, herdersstaf. —leather, Shield (aeld) a. echild. —, v. a, b,scherinen, echapenleder. —master, schapeofokker. —pro, beschutten ,from). Behapenhok.—'d-nye.ltefdelonit. — shock s trompet- Shift (sjife), a. vera,dering; uitvItieht, kumitateek. —'s.head, se ► apekop. —shearer, 8 01,4, green, redmiddel; schicht, laag; vrouwenhernd. scheerder. —shearing, sehaapeckeren. —shears. to make —, zich moeite tteven; moeite beblien; p1. schaapachaar. —skin, schapevel. —walk, (with) ',nor lief nernon, zich beheipen. to put achapenweide. —isle, a. --Wily, bedeead, one to his last —, ieniand tot het uiterate brenblonde, onnoozel. —ishness, a. blobbeid, onnoogen. —, v. a, veranderen, verwiaselen; verldeezelheid. den; verstuwen; verbodam , n. (away, off) 'itch vau Sheer (ajler'), a. zuiver, fielder. —, at', plot.den hale achuiven; ontwijken. v. n. eensklaps. —, A. afvalling, giering; zeegt, ten; zich verachoonen; draaien, uitvluchten zoesprang, —draught, —plan, len 'tette/tete, langsteeken; zich behelpen; zorgen; omsehieten (van den kening (van eon uchp, —hook, vriterhaelc. —hulk, wind). —er, a. slime kw's.; kokamact. --log, maetlichter. —lashing, naating der bokkebeenen, n. —ingly, ad, sluw, loos; — sand, origzand. --line, atrook-, deXitjn. --plank, potdekeel. —less, a. hutpeloos, radcloos. —rail, Wet van bet patdekoel —stroke, boven- Shilling (ejtPlieng). a. (engelache) schelling. ate plankeugang. bovenberghout• — , (sj1111h•ejel'iih), a. weifelend, v. n. gieren, avallen, rich verwlideren; (off) aarzelend. afhouden; zich wegscheren. —8 (siter.), pl, hok- Slslly (sjaj'iiii,) ad, Zie Shyly. kebeenen; to break, —, het eliageren vermin- Shlu {oljta'), 8. scheen. —bone, scheenbeea, deren. Shine (ajain), a. schkin; glans; helder wetter. Sheet (ejlet'i, a. beddelaken; brad, pleat, eel; Shine (sjajn) [shone. ,sj000)], v. n. v/akte; (van are zeii). —anchor, plechtblinken anker. —block, sehootblok. —cable, Wee/it- antic, Shingle (ejingigL„ s, (.1,kspaan. v. a. met touw. —copper, bladkoper. —iron, plaadizer. plattelteldekapaLen dekken. —s, —knot , achooteteek. —lead , 1.6od in rol!cn• steenen; bpringend your (huiduicalag,. —lightning, a. vreerlicht. --stoppers, p1. school- Shin int (sk i uteng), —.9, a. glin,terend, blinstoppers. —, v. a, met lakens beleggau; avertrekkend, —brig, a. nekijn,,e1, glans. acheep gain. ken; bedekken. —ing, s, overteek; beddelinnert. Ship 004, ', s. setup. to take Shekel (ajek'1), a. take/. (taunt). —board, schcepeplank: scheepsboord. —boat, Shel drake (Oen/reek), a. roodkop (wilde wean - ). aloep. scheepsjongen. —booker, scheeps—duck(-dub), a. roodkop (wilde send), makelaar. —builder, —wright, scheepmbouivinees-
Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.

Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.


For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.

6enlettergrepig. —ble a. woord (mo-relit-tih), e. zedelijkheid; zedenleer. —ice, van One lettergreep. ( Rig), a. a. eene zedeles trekken nit ; v. n. zedenMosiolheisru (mon'o-thi-izin), a. geloof aan I lessen geven, —iser 1-a.;z-ur), s. zedenpreeker. Adnen Sod. (-elz), pl. zeden; zedelijkheid, xedenkunde. Monoton outs (mo-not'un-nus), a. eentoonig. Morass (mo-rena'), a. moeras. --y, a. moerasnig. —y, s. eentoonigheid. ;Nor bid (mor'bid), a. —ly, ad. ziekelijk. —ness, Monsieur (mon-sjoer', mon'sier), a. Monsieur; n. ziekelijkheid. Franaohman. Mork ;tic (mur. —ifical, a. ztekteveroorMonsoon (mun-noen'). s. passaatwind. zakend. —Mous 1-bielus), R. MaZeIRChtig. —use Monster (mon'atur), a. monster, gedrocht. ; (-boos . ), a, ongesteld, ziekelijk. —osity (bos'itMonstrosity (mun.stros'it-tili), s. noonsteraeb- tih), s. ziekelijkheid. gedroehtelijkheid. Mordaci one (mur-dee'sjus), R. b)jtend, schen,. Iilonatroca (mon'Attus), a. —ty, ad. mounter- --ty bijtendheid, seherpte. achtig, gedrnchtelijt, afgrljaelijk. —ness, e. Zie Mord ant (mor'deat), a. hijtend; s. bijtmiddel. rdottatroalty. —icant (-di-kent). S. bijtend, acl;erp. —ication Montanic rt. van de beaten. (-di kee'sjun), s. b'gting, invreting. Montant (mont'ent), s. halve mean; (bet) your- More (moor), a, & ad,. nicer, meerder. once —, nitdringen. nag pens. some (any) —; nog thee, — and —, hoe Montero Imun.tero), s. rtlpet, -mots. "anger hoe meer. the —... the —..., hoe sneer... Monteth Imon'teth, s. spoeivat. des to nicer—. ea march the —. den to meer. no —, Month (month'), R. maand. vurig vernit itanger. never nooit weer. s. grouter large!, —ly, a. msandelijksch ; ad. maandelijks. bedrag; hoogere grand; heuvel. Monument (mon-joe- meet), a. gedenkteekan ; Noreen (mo-rien'), a. moird. gedenkstuk. (-maned% R. gedenk-, graf-. Morel Imo-reP), s. nachtneha de; morel. —berry, —ally (-ment'el-), ad. ale aandenken, ter ge- , —cherry, jodenkers, kriek. daehtenis. More land (moorlendi, a. bergaehtig land. —over Moo (moe , v. n. loeien, spotters. (-o'vur), ad. daarenboven, bovendien. Mood (moefl'), a. aard, wijze, trent; stemming; Maresqne mo-resin, a. nnoorsell, drift. —iness (-i-ne-so), s. gemelijkheid. —ily, ad. Morganatic (mor-ge-neelk), a. morganatiseh. —y. a. gemelijk; treurig. Morigerous (mo-rid'zjur-us), a. gehoorzaam, Moon (moen'), a. mann; maand. man- onderdanig. strata. —calf, wansehagen vru eht; lnmmal. —.eyed, Morton (mo'ri-on), a. stormhoed, helm. bilziende. —fern, maankr,id. —fish, spiegelviseh. Morisco (mo.ris'ko), s. moorsche dons; moorsche —light, maanlicht. —reed, maankraid. — shine, teal. manenehijn;beuzeling,—struek,maanziek.—trefoil, Morkin (•or'kin), a. gestorven wild. maanklever. —wort, zilverblad. —jolt, a. veran- Morliog (mor'lieng), s. steriwol; doode wol. derlijk. —lees, a. zonder mean. —tiny, a. sal, Mormon Imor'mun), s, Mormoon. stoffel. —Y, a. met erne mass ; maanvormig ; Morn Imorn!, a. ochtend, oebtendstond. besehonken. Morning (morn'leng), s. ochtend, morgenstond. Moor (moer'); a moeras, yarn; Moor. —cock, kor- —gown, ochtendjapon. —prayer, morgesgebed. ham —coat, moerkool. —game, moeranvogeln. —print,oehtendblad.—atar,morgender.—twilight. —hen,korhoen. —land, moera , ,veenland.—'s-head, ochte.ndschemering. moorenkep. —stone, tizernteen. —ish, a. moeras- Morocco (mo-rok'ko), a. marolkijn. gig; moorsch. a. moerassig. Morose (rno-roos'), a. —ly, ad. gemelijk, knot• Moor (moer'), v. a. meeren, vastleggen: vertuien; rig. —ness, a. gemelijkheid, knoreigheid. v. n. ten anker komen. — across under sail, al Morphew (inorlioe), a. dauwworm.

Kun je geld op te nemen uit een Bitcoin ATM


Torts ouo (rorrjoe-ttn), a. gekrnnkeld, gedraald. -osity -ousness, s.gedraatdheld, kronketing, krocamIng. Torture (torrjoer), 5. ',bulging. tottering. -, v. a. ptjnigen, folteren. -r, s. pijniger. Torvous (tor'vz, 4), a. bench, norseh. Tory (Willi), 5. Tory, koningsgezinde. Tose (too.), v. a. karnmen, kaarden. Toss (toss'), 5. warp, stout, ichndding. -pot, zuiplap. v. a. werpen, smijten., slingeren; solleu; verontresten; overleggen; (about) heel en weer alingeren; (off) leegdrinken; (up) in de boogte werpen; v. n. sich been en weer bewegen (op) opgooien. -el ( - ii), s. Zie Tassel. -er, a. werpen, slingeraar. -Sag, a. gealinger; schudding; gesol.

Wat bedoel je met Bitcoin

×