n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.

Heeft Coinbase hebben een debetkaart


trotsch zijn (in). Gloss (glos'), s. ophelderende aanteekening; (uiterlijke) glans. —, v. a. toelichtcn; bewimpelen• glanzig makes; v. n. aanteekezingen (glossen) maken (upon). —finial a. opheiderend, toellchtend. —artst (-se-rist) s. glosmensehriper (-maker). —ary, s. verklarende Mat van duistere woorden. —er, s. erklaarder, toelichter; glanzer. a. glanzigheld. —y, a. glanzig. Glottis (glot'tis). s. atemspleet. Glout (giant), v. n. prullen, mokken. Glove (gluv ►, s. handachoen. to be hand and —, onafscheidelijke vrienden zijn. —, v. a. van handschoenen voorzien. —r a, handsehoenmaker. Glow (glo'), s. gloeiing; rum. drift. —worm, glimworm, v. a. gloeien; v. n. gloeien, blaken (with). —ing, a. ad. gloeiend, vurig. Gismo (gleoz" ► , a. vleieru. —, V. n. vleien. —r, s. vleier. Glue (gloe'), a. lijrn. lijmkoker. ,v, a. lijmen. —r (gloe'ur), 8. Ajmer. —y, a. lljmig, kleverig. Glum (ghtto), a. stuurach, Dorsch. Glut (glut), a. overlading, zutheld. overvolheid; verstopping; § wig. — , v. a. inzwelgen; overladen, tat maken; overvoeren. Gluten (gloe'tn), a kleeiatof. Glutin ate (gloe'ti-neet), v. a. vastlii.e.• —, tio, (-nee'sjun), s. vastlijming—ous, a. lijmig, kleverig. —ousness, s. kleverigheld. Gluiton (glut'tn), a. vraat, gulzigaard. —ize (Az), v. n. gulzig eten, zwalgen. —cue, a. —ously, ad. gulzig, schrokkig. —y, a.gulzigheid. Glyph (gar), s. kerf.; uitholling• Glyptles (glip'tiks), a. steensnijkunst. Gnar (naar), s. basest. Gnarl (naarl'), v. n. grommen, brommen; knoll ig zijn. —ed, —y, a. knoestig. Gnash (near), v. a. knarsen; v. n. knarsetanden. a. glimworm. ar dgajgelo"burd), n —ing, s. tandengeknars. on). G 'ito 'pb (-bee•tid),a. bolvormig. Gnat Globate (glo'bet), —d (nee), s.mug.—flower,standelkruid.—snapper, Glo;se (Moog'), a.. Lol; aardbol; globe; bring. vliegeuvanger. —strainer, muggenzifter. celestial —, hemelglobe.1 terrestrial aardglobe. Gnaw (nao), v. a. afenagen; bijten; v. n. kna—animal, kogeldiertje. —fish, kogelvisch —flower. gen. —er (naow'ur), s. hunger. bolranon'kel, knolbloem. — thistle, kogeldistel, Goon e (noom'), a. aardmannetje; kernsprenk. —ical (-ikl), a. gedenksp.reukig; kernachtig. —, v. a. tot een' bol (in een' bring) verzamelen. Glob ose (glo'boos'), a. bolvormig. —osity (-boa' Gnomon (no'men), a. still van een' zonnewijzer. —ice (-mon'ilcs), a. zonnewijzerkunde. it-tih), a, bolvormigheid. ar (gleb'joe-ler),a. bolvornaig. —e (joel), Go (go). a. gang; twang, mode. it is no —, dat goat Diet. —between., middelaar, - -by, lOopje. a. bolletje. —sus, a. bolvorrnig. Glom. (gloom), s. rondachtige bloemtop. —cart, loopwagen. —down, sal; teug. gaan; beenGlower ate Grlorn'ur-eC, —ous, :a. tot een" bol Go (go) [went, gone (g..1], a. gelden. —docverzameld. —ate (-eet), v. a. tot een' bol samengaan; voorbijgaan; gangbaar pakken; ophoopen. —ation (-ee'sjun), s. amentor, dokter worden. —mad, gek wofden. -;by) ophooping. halves, halveeren. —shares, deelnemen aan. —by the worse, aan het slechte eind zijn. down the Gloom (gloom'), s. somberheid; droefgeestigheid. wind, achteruit gaan in de wereld. —to law, een —, v. a. tt n. somber (droefgeestig) maken (worprom; beginnen. — to! , komi toe maar! — upon den). —iness, a. somberheid; zwaarmoedtgheid. tick, op den pof koopen. — with child, zw anger —ily, ad. —y, a. somber; zwaarmoedig. Glorl etl (glo'rid), a. doorluchtig, roeirrijk. zijn. — with young, drachtig zijn. (about) rondgaan ; —fieation (-ri-fl-kee'sjun), a. verbeerlijking. —fy mnloopen; ondernemen; wettden. (abroad) batten
(hee'tritl), s, heat (oi. to). iiritter (lieVtur), n. hoedenmaker. Flentrberie (hao"burk), s. boretharnas, ad. trotsch, hoognaught y (haoitih), a. hartig, aanmatigend; hoog, verheven. —iness, s. trots, aantnatiging. v. a. & n. hales, )haul (haol), 0. heal, trek. trekker, siepen. —aft, voorhouden, aanhalen. —against the wind, weer aanloeven. —close to bij den wind opsteken. —home, aanthe wind, halen. —taught, stijf hales. (in) aanbrassen. (out) (un) geien; langs den kant zeilen. it nu' itiaorn), s. helm, stern. ihaantsfl, s. heap, eehoft; nehterste. Pitiuut (haant'), a. bezoehte pleats; sehuilhoek. hot. —, v. n. dikwijle bezoeken; verontrusten, kwellen; v. n. rondwaren; spoken. —er, U. druk bezoeker. (ho'boj), s. hobo. alave (hey") [had], v. a. hebben; houden; moeten; wennehen; doen. have a care, pas op, seem u in aeltt. have at you, het geldt u. — at heart, ter harte semen. Halve. (hee'vn), s. haven; vrijplaate. —er, s. havenmeester. (hev'ur)., s. bezitter; haver. —sack, ransel, knanzak. Having thevlenel, a, have, bezitting; gedrag. Havoc], (hev'ulr), s. verwoesting. —, v. a. verwoesten. lituw (loss'), s. erfje; hey; hagedoornbes; dal; heuveltje; nitwas onder het oog; gehakkel. kernbijter. —thorn, hagedoorn. —, v. n. hakkelen, stamelen, hanyek (hash') a. havik; gerochel. —eyed, met volkenoogen. —nosed, met een'hmviksneue. —owl, valkuil. —weed, havikakruid. —, v. a. rondventen; v. rt. met valken jagen; rochelen. —ed, hockig, krombekkig. —er, s. rondventer, marskramer; vaikenier. —ing, s. valkenjacht. 11114W.01 . (haOS'tkr)‘ a. kluis, boegseerlijn. (Any (boo'), a. hoof. —cock, hooiopper. —harvest, —time, hooioogst, —tijd. —loft, hooizolder. —maker, master. —making, hooibouw.. —monde, aardveil. —mow, —rick,—stack,hooiberg. —stalk, hooispier. 7.'errz.nerl (hez'ard), a. toeval, wisselvalligheid; kitno; gevear; dobbelspel. —, v. a. wages; v. n. zieh blootstellen, — wagon. —able, a. gewaagd. --er, s. waaghals, speler. —out, a. —ously, ad. gevitarlijk. tenet, (beer " , s navel, mist. Sinzei (hee'z1), s. hazelaer. --earth, bruise aarde. , Taszelhoen . —mould, thin-, pootaarde. —nut, — hazeleoot. —tree, hazelaar. —wort, hazelwortel. --f)i, so. iiehtbruin. (hee'zili), a. nevelig, mietig. lie ()(P), pr. hi); maneetjes-. —cat, hater. —cousin, neer. --goat, bok. —neighbor, buurman. —servant, )(Hecht. Zilend (hod'), s. hoofd; kop ; top, kruin; knop ; liopstuk ; hoofdeneind piiipunt; lemmer (van ,ere bi:11!; galjoen; hoofdpunt; bran, oorsprong; Inerschuitn ; yens( and. over — and ears, tot over Ito ooren. to Give —., ten teugel vieren. to make —, • hootd birder, to take —, eteigeren. — or tail,
klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward- 

Wat is beter Blockchain of CoinBase


Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


t. w. (op) to advise with one's pillow about. Reotecht en, se, w. to decide, to accommodate, to sett:e. —er, m. —ster, v. decider, , aecororoodator. —leg, v. decision. accommodation. Besliespen, be. sharp, settle. Bee.Witen, or. w. to bemire, to bespatter with mud. Bc.iliperi, of. w. to whet (to grind, to polish) entirely. Branca en. ov. w. to decide. —end, by. AD bw. decisive (-1y), final (•1y), poOtIve (iy). —et., rn. decider. —ing, v. decision. Beeioneuser d, by. Intricate. —en, ov. w« to encumber, to embarrass, to bring into trouble, to entangle, to involve. —my, v. envumbrance, embarrassment, trouble, bustle. Best of en, by. inclosed; walled, blocked up; close, private. by — water, when the water is frozen. koliek, iliac peesion. Beall nit, o. conclusion; end; resolution; decision; decree. tot —, to conclude. —clues, by, irresolute, undecided, WPVelfillg. —eloosheid, v. irresolution, indecielon. —en, ov. w. to :terminate, to conclude; to resolve upon, to decide upon, to decree; to inter; in rich —, to contain; — tot, to resolve upon. Besuteer tier, in. —liter, y. beemeare.r. Hamner en, ov. w. to besmear, to grease, to bedaub. —kg, v. besmearing, bedaubing. ileuraet beer, v. Zie fiessioettier. —telijk, by. contagious, infectious. —telijkheid, v, contagious. flees!, infectioueness. —ten, (ay. w. to stain, to infect, to pollute., to defile. —tiny, v. infection, contagion, pollution. Be...seen, or. w. to string. Be wnnuwen, ov w. to snarl at. Beeneden, by« cut, carved, engraved; circumcised. wet —, finely chiselled, well-favored, comely. Ileaneetemrd,bv. covered with snow.' Hesnijd en, ov. w. to cut, to:carve, to engrave; to clip; to circumcise. --tale, v. circumcision. —et, in. carver, engraver; circumcise, —ing, v. carving. engraving; cutting (clipping) off. Besnoel all, ov. w. to prune, to lop; to clip; to lemon, to curtail, to retrench. — er, ni. pruner, lopper; clipper. —ley, v. pruning, lopping; clipping; curtailment. Beenoet,n, ov. w. to string, to tie. Bean oft, by. snotty. Beent42/eleu, ov. w, to snuffle (to smell), at, to pry into. Recluses der, m. —tier, v. sparer, saver. Bespenuen, ov. w. to put to, to span; to string sic'
boar. —sion (-misrun), a. intending, inlating; inspuiting. (im-mit'), v. a. inzenden; inspuiten.—igable (-i-gibl), a. niet to verzaehten; onvermurwboar. Immix (im-mika'), v. a. in. vermengen. —able, a. onvermengbaar. Immobility (im-mo-bifit-tib), a. onbewegelijkheld. Ininitodera te (im-mod'ur-et), R. —tely, ad. ontnatig, overmatig. —twee, —tion en'ajun, e. onmatigheid. Immodest (im-mod'est), a. —ly, ad. onbeseheiden, onbetamelijk; onzedig, onkuiseh. —y, e. onbeseheidenheid, onbetamelijkheid; onsedIgheld, onkuischheid. lfinxnole te (im'mo-leet), v. a. offeren; opofferen. —lion (- lee'sjun), s.offering; opoffering;offer.—tor, a. offeraar. Immomenstous (im•mo•men'tus), a. onbeduidend, nnbelangrijk. Immoral (im-mor'el), a. —ly, ad. zedelooa; onzedelijk. —ity (-mo-rel'it-tib), a. zedeloosheid, onzedelijkheid. Immortal (im-mor'tel), a. —ly, ad. onsterfeliik. —ity (-mur-tel'it-tik), a. onsterfelijkheid. —ire (-ajz), v. a. onaterfelijk maken, vereeuwigan. Immova ble (im-moev'ibl), a. —bly, ad. onbeweegbaar, onwrikbaar. —bleneas, a. onbeweegbaarheld. —61es (-iblz), pl. vaste goederen. Immunity (im-nsjoe'nit.-tih), N. vrijdom; etelling, ontheffing; voorreeht. immure (irn-n!oer'), v. a. ommuren; in-, opalui-ten. (im-mjoe'zikl), a. Zie Unmusical. Immuta ble am-trijoe'tibl), a. —bly, ad. onveranderlijk. —blenese, s. onveranderlij kheid. Imp (imp), s. entrijs; apruit; guit; duiveltje, nikker. —, v. a. enten; vergrooten. Impact (im-pekt), a. indruk, atoot. Impair (ini-peer') v. a. verergeren; besehadigen, benadeelen, verzwakken; v. n. verminderen, afnemen. —er, e. bederver. Impalpable (im-perpibl), a. onvoelbaar. Impalsy (im-paol'zie), v. a. verlammen. Impana te (im-peen'et), a. in't broodstanwezig. —tion (-pe-nee'sjun),.. aanwezigheid in het brood. Impanel (Im-pen'el), v. e. benoemen, oproepen (ala gezworene). v eonofesli ;Vet I it i(c) rakaevnli set (;,mg:poenrg'ee4 fig), dv; na .e h 11111n. It
W Wabble (wob'bi), v. n. waggelen. Wad (wod'), a. hoop, boeje, prop; vulhaar; watte. —hook„ krasser, aftrekker. —, v. a. opvullen; met watten voeren. —ding. a. (bet) watteeren; vnieet; watte. Waddl a (wad'd1), v. n. waggelen, etrompelen. —lag, a. —ingty, ad. waggelend, etrompelend. Wade (weed), v. a. dnorwaden; v. n. waden; (into) indrin gen, doorgronden; (through) doorworatelen. Wafer (wee'fo.r), a. ouwel; hostie, wafel. —iron, —large. p1. wafelijser. v. a. ouwelen. Waft (waaft';, a. drijvand voorwerp; wutving (els sein); noodsein. with a —, in ejouw. —, v. a. door de lucht (over het water) voeren; (doen) drijvan; toewniven, wenken; v. n. drOven. —age, a. vervoer; overvaart. —er, a. geleischip; pont; veer; veerman. —are (-joer, -jur), a. be caging; waiving. Wag (wag'), a, 'chalk, spotvogel. —halter, galgetarok. —tail, kwiketaart. —, v. a. schudden; kw'spelen; v. n. etch bewegen; One blezen pekken. Wage (weedzj), a. onderpand. —, v. a. wagen, op het spel mitten; voeren (norlog); verpanden; haven. — one's law, eene schuldvordering bij eerie ontken nen. Wager (wee'cisjuri, a. weddeneehap; aanbi•clIng. to fay a —, wedden. to stake for —, verweddeu,
(WV RUA, 59 Rove (roov',, v. a. doorzwerven; v. n. rondzwal- Rufous (roe'llth), a , .• "d 3 cli t i ,, • ken. —r, rs. zwerve,; seesehultiter. (rug'), S. duffel; ruwe 4eken; kleedje. How (ran), e. rumoer s , tandie. —, v. u. Veren. Rug I A. —gedly, ad. (-01.), TuIg; hobbc11 ,7; ruw; wret”r, How (ro'), a. rlj —, v . a, & u. roelen. —barge, knorriti. —Deanne, s. ruigte; ruweeirt; bareehhetd. — boat, roeischuit. —lock. roeiklamp. t Hug lice (toe'd4jlen), a, 1),,, endvrvidl, raw. - ose poort. —er, a. rooter. (-goo*'), —ous (.gua),: a. timpslig. —osity Rowel (rauw11), s, raderne; helon (heartinuer). -it-tiht, a. rimPel , g'heldv• seta' setup zetten. rRuin (roe'in), a. vsl, verve), instorting, Roweu e, stoppelveld; nagroa. gang; verderf; puintloop. —, v. a vei'woesten; te Royal (1'0' 0 1), ad. koninklUlt. gronde rienten; in 't verderf *torten; v. n. vers. koningagezindheid, —ist, e . koningagezinde. vallen; instorten; to gronde xattn. —rm.', R. - cue ( -APO, a. koninklijk waken. —ty, —ously, ad. bouwvallig; verdeetelijk. —ousnese, koningsehap. bouwvalligheid; verderfolijkheid. Rub a. wrijving; steak; oneffenheld; zwa- lute (roe)'), a, liniaal; duitnntok; regel, orde, rirheid, hinderpaal. stone, wetste,n. —, v. a. voorsehrift; model; riehtsnoer; reseering. —, v. a. wri,jven; achuren, polljaren; kw enen, hinderen. het,linieeren; regolea; regeereu (over), —r, (down) roskammen; afurekiv,n. (off) afwrijveri. ocher; bestuurder; linleal. (out) uitwissehen. (up) gbvd wr,jven; opwekken. (rum), a. zonderilog. ouderwetoch. - v. n. wripen; ren eon' we bonen. —bee, s. rum; dorpspredikant. wriiver; wrkjflan; viji; alijpstetn; robber; India Rombi a, (Turri' ►l.1), B. gerommal, geotommel; goat-eiflatlek. N. puin; afval, vaunts; —e, V. n. zitplaate (achter een prullen. len. —ing, a. Zia Illosube.ie. Itubeerent (rue-bes'sent), a. roodwordend. fiumllit. ttt (roe'ml-nent), a. herkauwend; IFitobl eon (rue' R. roahont. —rood (-kun)), herkauweod dicer• —te ( - nrst#, v. a. & a. roodachtic blezend. --ed (-WA), a, robijnrood. kanwen; overpeinz,n (on. upon , . — tion —.fie (-birth), a. roodmakend. — fy (-fa)), herkanwing; overpeinzang. —tor (-ueeA. ajuu), rood waken.

diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.


Tartar (taar'tur), i. Tartaar. —las (ter-tee'ri-en), a. Tartaarsch.—us, my. Tartarus. —y,g,Tertarue. Ted (tell'), —dy, f. your Edward. Tees (ties), g. the —, de Etach. Telemachus (te•lein'e-kus), m. Telemachus. Temple. (tem'pl), m. Temple. Tenerife (ten'e-rif), g. Teneriffe. Tennessee (ten-nie-ate'),g. Tennessee. Terenee (ter'ens),m.Terentlas. Terpsichore (tur-siit'ur-1). my. Terpsisitors.

The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Kun je dubbele besteden Bitcoins


Macadamize (mek-ed'am-ajz), v. a. macadamieen tijdachrift. aeeren (wegen). Maggot (meg'gut), a. made; kuur, gril. —inns (-i-ness), s. madigheid; grilligheid. —y, a. vol Macar out (mek-e-ro'nib), a. macaroni; menmaden; grillig. gelmoes; fat, kwast. —0Lie (-ron'ik), a. gemength a. mengelmoes, poeepas. —son (-roen'), Magi (mee'dtjaj), p1. Viljten nit het °oaten; tc..)-
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint

Will Bitcoin bestaan ​​in 10 jaar


Torpent tor'pent, a. Zie Torpid. 'rorpeac oleo (tar-pes'sene), s. verdooving, verstiplog. -eat. a. verdoovend, verstijvend. Torp Id (tor'pid), A. verdoofd, verstijfd; werkelooa, Snow. -idity (tut-pid'it- Oh). -iduess. -itude (-pi-tjoed), -or ( pot), a. verdoovinfr, vernttjfdheid; werkeloosbeid, traaglteld. -orific (-pur-st'llt), a. verdoovend, bedwelrnend. Torrof action (tor-re-tersjun), a. droging, verzenging. -y (tor're-faj), v. a. drogen, ver- 

Wat is Wave portemonnee


s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.
1/00 invited to a burial. —eenvoudip, by. very simple; bw. very simply. —eetlijk, most honest. —der, useless creature. —geberen, still-born. —graver, grave-digger, sexton. —head,shroud.—kiet,coffin, —Mead, pall, shroud. —klok, passing-bell, knell. —(aches (sick), to die (to split one's sides) with laughter. —lied, funeral song, dirge —Loo pen, ov. w. to outrun; on. w to have no outlet; sick t. W. to kill one's self with running. —maul, funeral repast. —makes, to kill. —martelen, to kill by torturing. —swede. fatigued to death, worn out with fatigue —athlete's, to shoot. —.timidly, deserving death. —statist, to slay. —sloop, sleep of death. —slag, man-sla ughter. —.lager, manslayer. —8110, last gasp. —.tea, mortaistat,tatisk blow; finishing stroke. —steken, to stab. —era. very calm silent as the grave. —straf, pain of death, capital punishment. —atriJd, agony, pangs of death —stuip, convulsive pang of deem. —scales, to be killed by a fall. —verf, dead color, paleness of death. —serves, to paint in dead colors; gedoodverfd warden met, to be said, to be designated for. —venlig, deadly pale, livid. —nj. and, mortal enemy. —events, sentence of death. —wad, mortal wound. —wile. (de. atr000a), to stem the tide. —sick, deadly sick. —ziekte, mortal dieease.—goademortal sin. —eseak,extremely weak. —cadet's, death dance. —enkop, eoput mortuum. —essmarach, funeral march. —enrijk, mini of the dead. —sangat agony; mortal anguish. —abtenderan, dead man's bones. —abeneesed, almost suffocating; in a mortal anguish. —nbenauwdheid, sie Doevrisangst. —impel, angel of death. —agevaar, peril of death. danger of life. —ahoofd, skull. —akoofdblok, dead-block, —snood, peril of death; mortal anguish. —sour, hour of death. —motet, death-sweat. —e, m. & v. dead person, corpse. —ekk„ be. & bw. deadly, mord ferous,mo rtal ( - 1y), —*Wkheid, v. mortality, fat.lneag —en, on, w. to kill; to slay, to mortify; to curb. —er, m. killer, slayer. —ling, v. kaling, cloying; mortification. —sea, by. & bw. dead (-lye, du'l (4y); livid, wan; lonely, solitary. —seishesd, v. deadlines.; lividness; loneliness. Hoof, by. deaf (sour, to); extinguished, dead; benumbed. —pot, extinguisher, etouffoir. —eons, deaf and dumb. —atomised, deaf-and dumbness. —etonameninrichting, deaf-and-dumb asylum. —acktig, be. daagah. —held, v. deafness. Dose), m. thaw. —weder,—weer, thawing weather. —en, onp. w. to thaw. Dooler, m. yolk. Hoot hof, c. labyrinth, maze. —weg, rn. Zie Dwaalweg. Hoop, m. baptism; christening; sauce. ten — hamlet', to present at the font, to stand godfather (god-mother) to. —bekken, baptismal basin. —book, —register, register of baptism. —coed, certificate of baptism. —dug, eshristening-day. —formalise, formulary of baptism. —getstige, witness to the ceremony of christening; god-father. god-mother. --peed, christening-dregs. —heifer, god-father. —heater, god-mother. —hek. rail that surrounds the pulpit in a church; generated place in a church where baptism iv administered; chancel. —hale, house where a child is bap-
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Zal crypto ooit herstellen in 2019


w. to prepare, to drees; nick —, t. w. to prepare one 'a self, to snake one 'a self ready. -or, m. —liter, v. preparer, dresser. —ing, v. preparation, dressing. 11,erelde, bw. already. Bereld eel, o. thifig prepared; 'single.. —vaardig,—willig, tcv. tlti bw. ready (•fly), —vaardigheid, —willigheid, v. rex-mese, Weroalk, o. reach; power. binnen fonder) het —, within t; e reach. buiten het —, beyond (out of) the reach. borers taiyn , beyond say sphere. —haar, by. attainable. —en, ON NV, to Moth, to attain Ito) to come to; tijn duet —, to get one 's aim. Beret/ ad, be. travelled. ov. w. to travel over, to frequent. Bes•.ken war, m. calculator, computer. —baar, b7. calculable. —en, ov. w. to celculete, to compute; to charge; to put to ova 's aerouut. —ing, v. calculotion, computettoo ; charging in sicconet. Bes-en kleauvw, TH. acanthus, beer's-foot. —huid, v. bear 's-sitin. —leider, to bear-ward. —oor, 0. . ouricela, bear's-ear —vet, o bear's-gresse Berecass en, ov. w. to invest, to block up, to blockade. —or, sn. b'vieger. —mg, v. investment, blocking up, blockade. Berg , rat. mountain, mount ; ditflcrllty. to — e rijnen, to stand on ,nd, to 'start up. gouden —en helocen, to promise wonders. —aarde, mountaine .rth. —bewoner , niountaineor highlander. —blauw, ultraruarine, mountain-blue. —eagle, parse, neck. --peel, yellow ochre. —peel, mountain-goblin, gnome. --pelt, chamois, wild goat. —gereoht, bergrnote, court of minas —gevaarte, huge mountain. —glee , sock-cristal. —god, mountain-deity. —podia, oread. —grace. moantain- green, chryso.colla —hart, bitumen. —belling, elope of a mountain — liven, ood-cork, inane-cook, wild hen. --hat, ocelo t.. —keten, range of mountains. —kloo f, charm eough, um:Intern-rift. —land, highlatid, upland. —man, mountaineer, highlander, miner. --mule, lemming, dorroo,e. — oZie, petroleum. —pad, mountain-oath. —rat, —rot, mountain-rot, marmot. —eerie, sermon on the mountain. —rug, ridge of a hill. —schot, Highlander. —spits, peek. —stet, miners!. —storting, land slide. —alcoves, moontoiu-stream. —lop. mountain-top —weg, mountain-rood. —werk, mine. —werker, miner. —east, rock-salt. —achtig, be. rnountaduous, hilly. —af, bw. down hill. Bergamot, v. bergamot. —boons, bergamot-tree. bergamot essence. Berg en, ov. w. to sieve; to put by, to lock no, to secure; nick t. w. to wage, to abscond. to get out of the way, berg ye, beware ! take care! —hout, wale, a at — loon, salvage. —pleats, depotitory, store-houee, magazine; refuge. —er, tn. salvor. —lag, v. salvage. bw, up hill. Bericht, o. account, report, Intelligence, notice. information; advice; aevertistment. —veer; sic Beriehter. —schrift, report. —en, ov. w. to let know, to send word to report, to cernmunteate,
tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Pituit nry (pi - tioe'i - te nit), a. slijmleidend; — gland, slijmklier; — membrane, tdijmviie —e (pitejoe-ajt), s. slijm. —ous, a. olijmlg, alijmerig. Pity (pit'ih), a. medelijden. it is a —, het is jam.mer. for — 's sake, in 'a homely imam. —, v. a. medelijden hebbeu met; v. n; medeliidend Pivot (piv'ut,), a. spit, tap. Pix. (pike), s.lcastje, muntkiotje; hostie,altaarkas. Zie PyYt. Plzzlar (piet1), , Pezerik. Placa ble, {plee'llibl), a. verzoetilijk. —bility ( - be 1ai1'it tie). — bleness, a. verzoenlijkheid. Placard iple - kaard'), a. piakaat; verordening. — , v. a. door een plakaat bckend maker; aanplak-
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;

Moet je belastingen op Crypto winsten betalen


196 FOilar . 11 .• itia't-greeol, —cc (grie). 5. flits loud.' —post, wegwe'tzer; geesteltike. —stall, viugerling. of enlverdrandwerk. —, v. a. betasten, fommelen; atrossen; v. n. tie lin5s (fafliengz), s. vajlsel. vingers zetten. —ed, a. gevingerd. —ing, s. yingerzstting; betasting. Fill (tills), s. bekontst; verzadiging. —, v. a. vul- len. vervullen; verzadigen. to — water, water. Fingleftingle (fien'gl-fengl).•s. beuzeling. inne.nen. (out) opvullen; sciaenken. (up) ainvul- Finical (fin'ikl), a. —1y, ad. xnodeziek, fatterig; gemaakt. —fleas, s. gemanktheid. lea; beelaan, innemen. —., v. a. vol worden; achenken. --er, 8. V1111 , 1, StOpWOOrd; trekpeard. leinDs (farnie), s. einde. (lin'isj), s. voltooiing, laatste (streak) s. haarbandje; kroonlijet; gouden Fillet randje; exhijf, lendeatuk. —, v. a. opbindvn (met hand. —, v. a. afmaken, ten einde brengen; v. n. eindtgen., ophouden. —er, s. voleinder. sea lint); met acne kroanlijat venieren, FiZlibeg , fil'ii-beg), s. rokje der Ilooglandera. voltooier. —ing, a. laatsto; —stroke, genadeslag, — jag, s. Fillip (111.'lip), s, knip (met de vingers). —, v. n. knippen lop den neus). Finite (faj'najt), a. —ly, ad. eindig, benerkt. Filly (fil'lih), s merrievettlen. —less, a. oupindig. —nes., s. eindigheid, be(film'), a. vlies. —, v. a, met cen vlies be- perktheid. dekko], —y, a. vliezig. Fluitor, (fin')-tur), s. geziehteinder. It (fil'ter), a. tlitreer, doorzijger, ze'. Finnikin (fin'ni-kin), t. tuimelaar. v. a. doorzligen, kleinzen. Fipple (fip'pl). a. stop (eener fiat). Filth (filth';, a. null. -mess, a. vuitheid. —ily, Fir (far),. a. denneboom, pijnboom. ad. —y, VIlil. Fire (faAr'), s. vuur; brand; glood; drift, hartstocht; 'per. to take —, vim (vuur) vatten. to Filtra to (fit'treet), v. a. doorzijgen, filtreeren. set on — , to set— to, in brand steken. —arms, your—lion (-tree'ejen), a. doorzijging. wapenen. —arrow, vuurpijl. —ball, vuurkogel, Fizoble (firn'bi), a. — hemp, gelline. granaat. —barrel, vuurton (op sea' brander). (fim'bri-et), a. gezoomd, net franjes. Fimbriate — board, schoorsteenscherm. —bear, vuurbaken. — (eel), v. R. zoomen. Fin ,fin'), a. yin. —fooled, —toed, a. zwemeoetig. —boom, brandhaak. —bole, gemeentehout, vrij brand. —brand, brandend bout; stokebrand. —scale, yore., —less, a. zonder vinnen. —like, —orush„ haardbezem. —bucket,brandemmer.—dog, a. vinvormig. —acd (-nid), —ay, a. gevind. haardijzer. —cater, vuurvreter. —engine, brandFinable (fajn'ibl), a. bekoetbear. spuit. —escape, reddingstnestel (hij brand). —fan, Finial (farad), a. laatat; beslissend (to); doode- fork , pook. Wk. --rause, grondoorzaak. —ly, ad. ten slotte, vuuracherm. —fly , lichtworm. —hearth,kombuis.—hook,branethaak. —insurance, eindelijk. brandverzekering. —irons, haardgereedschap. Finance a (fi-nens'), s. inkomen. —es (-sir), s. —lock, vuurroer, snaphaan. —man, spuitgast; geldmiddelen.—ia/ (-sjel), a geldelijk,—ier(fin-en- stoker; driftkop. —new, fonkelnieuw. —office, sier'), s. financier. Elnan, s. twecde smidse (in ijzer- brandwaarborgmaatschappij. —ordeal, vuurproef. violent). —pan, vtlurpan• kruitpan. --place, stookplaats. Finch (lints)), s. yin), —creeper, koelmees. brandspuitprop. —prigger, dial (hij brand). Find ilajnd') [found (faa-end)], v. a. vinden; aan- —proof, vuurvast. —room, kamer met stooktreffen; bevinden; veroehaIkea; vecklaren; goad- plaats. —screen, vuurseherm. —set, haardstel. keuren. —one's self, rich bevinden, varen. —fault — ship, brander. —shovel, haards.chop. —side. a. haardstee; hoekje van den hoard; a. huiselijk. (with), bedillen, %igen op. — in one's heart (to), —tongs, haardtang. —ward, —warden, brandtrek hebben. (out) ontdekken; ontraadselen; op- ineeater. --wood, brandhout.--work,—works,vuurloosen. --cc, s. vinder, uitvinde.r.,ontdekker. — ing, e. solid; mania. —logs , a. schoanmakerege-week. — worker, vuurwerkmaker. —worshipper,
bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility

Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.
383 AAR.— AC1.1. eight-leered, octopetalons. —dik, —dubber, by. eightfold. octuple. —ehalf„ by. seven seed a half. —eting, M. eighth. Aebteloom, be. & bw. careless (-4.). uomindful (-1y), negligent (-ly). —Acid, v. carelessnose, u,.voindfuineee, negligence. Aebteen, ov. w. to esteem; to value; to mind. —swaarclifb, by. respecteble, honorable. Acbtendeol, o. half a peck; eighth part. siin, to Aehter, bw. & az. behind, after. er i(in, to be in the have guessed right. er niet eikander, five times running. dark. viemoca — gavot, to go to slow. Aviators/nu, hw. behind; in the rear. —konen. on. Yr. tofollow (to loiter, to linger) behind. —sidling, v. neglect. Achtera f, bw. out of the way, isolated. Aehterbaks, bw. secretly, privately, raiderhand. AehterblUfster, v. Zie Aebterbltiver. Acta erblijv en, on. w. to linger (to stay) behind, to tarry. to lag. —er, m. straggler, terrier, lag. —lag, v. staying behind, lagging. Achterbout, ne hind-leg. Aehterburgevnt, tn. Zie h. chtargracltt. Aclatorbauri, v. remote quarter. Aehterdeel, o hind-part. itehterdek, o poop. Aehterdeor, v. hack-door; shift, loop-hole. Aebterdoeht„ v. suspicion..— hebben oratrent, to eurpret• —ig, by. suspicious. Achte•dwaretnavv., o stern-cable, 'mime. Acittoreb, v. dead neap. 3w. coneecutiyely, sueAehtereen, ceselvely. Aelatorelade, a. hind-part, tail. Aeihtortent, law. van —, (from) behind. near —, beck's ard. ten --, in arrears; behindhhud. Aehtererven, m. after-heirs; posterity. Aehtergalerli, v. stern-gallery. Acbitergeng, me back -paeluge; looseness, diar-
to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Hoe vaak wordt Bitcoin waardeverandering


11,R1.—INN Ingenious (in- dzji'ni.uo), a. —ty, ad. geeatiti, vernuftig, vindingrijk. —ness, r„ geestigheid, vernuftigheid. Ingen it (in-dzjen'it), a. aangeboren, ingeeehapen. —uity (•dgje-njoe'it-tih), s. verneftigheid, bekwaantheid, genie. —uses -joe-us), a. —uously, openhartig„ ongeveinsd; rechtschapen. —uousness, s. openhartigheid, ongeveinsdheld. Ingest (in-dzjeat'), v. a. inalikken. —ion (•(un), a. insl(kking. Inglorious (in-glo'ri-us), a. —ly, ad. roemloos, schandelijk. —nets, e. roemlooaheid, sehandelijkheid. Ingot (Ing'got), a. boar, Rotel'. Ingraft (in-graaft'),v.a.inenten;inprenten, ((n.on). —meat, a. elating; ent. Ingrain (in-green'), v. a. in de wol verveu. —ed. a. in de wol geverfd; diep ingeworteld. Ingrate (in-greet'), a. ondankbaar. —iate skeet), v. a. in gunst tirengen (tol; — one's self with, zich in dringen, bemind waken bij. —itude (-gretl-tjoed), a. ondankbaarheid. Ingrawkinite (in-grev'i-deet), v. a. bezwangeren. Ingredient (in-gri'di-ant), a. bestanddeel. 'agrees (In'gres), —ion (-grew nn), a. ingang, toegang. Inguinai (ing'gwi-nel), a. van de lies. —gland, liesklier. Inguif (in-gulf'), v. a. verzwelgen; in een' afgrond etorten. Ingurgita to (in-guedzji-teet(4 v. a. inzwelgen; v. n. zwelgen, zuipen. —tion (-tee'ejun), Is. ingwelging; zwelgerij. Ingustable (in-gus'tibl), a. emakeloos. Inhabit (in-heb'it,) v. 'a. bewonen; a... wonen. —aney, 0. woonable, a. bewconbaar. -pleat s, woning. —ant,—er, s. betvoner; inwoner. —ation(-tee'sjun),s.woriing; bew °fling; bevolking. Inhale (in-heel'), v. a. Wedeln.. Inharmoni e (in-hcr.mon'ik), —cal, —ous (-mo' ni-us), a onw2Iluidend. Inhearse (in-hers';, v. a. bt;zetten, begraven. Joiner e (in-hier'), v., n. inkleven, aanhangen. —race, —ency, a. inwoning, oonkleving. --eat. a. —ently, ad. aanklevend, onafscheidelbk; (in) aangeboren; (to) inwonend. Inherit (in-her'it), v. a. erven. —able, a. erfelijk. —anee, s. erfenis, crfgoed. —or, —real, —rix, a. erfgeuaarn. Inhesion (in-bi'zjun), s. aankleving, onafscheidelijkheid. Inhibit (inhibIt.), v. a. verhinderen, verbieden. —ion (-bisj'un), a. verhindering, verbod. Inhoaop (in-hoep'), v. P. inkulpen; iusluiten. Inhospita hie (in-hos'pl-tibl), a. —6/y, ad. OAherbergzaam. —bleness, —lily (-tel'it-tib), a. onherbergzaamheid, 'ohm's an (in-joe men), a. —only, ad. onmensehelijk, barbaarseh. —unity (-rnen'it-tih), a. onmenschelijkheid. —ate, ;—e (• om"), v. a. begraven. —alien (•mce'sjun), a. begraving. Inimical (in-im'ikI), a. —ly, ad. vijandeltk strijdig (to). Inlmita tale (In-iml-tibl), a. —bly, ad. onnavolgbaar. (-te-bil'it-tih), a. onnavolgbaarheld,
Wk. keertg; niet etrijdig. Ito). —quested (-kweet-1d), (-kaol'ibl), a. onberroepeliik- --ceived (-eletd'), a. onverzoebt. —quitable (-kwartIbl)„ a. niet te a. ntet ontvvngen, niet aangenomen. vergelden. —quited (-kwartld), a. onvetgolden. Unrecitened (un-rek'und), a. ongerekend. —aembling (-zein'blleng), a. ongelbkend (to). Corte claimed (ue-re-kleertid''), a. niet opge- etecht; onverbeterd; ongetemd. —compensed (rek , - cenled (-zent'td), a. zonder wrok. (rek-unUnresery a (un-re.zurr), a. openhartighetd. —ed um-genet), a. onbeloond. —concileable a. onverznenlijk; onvereentgbaer. —eon- (-zurvd'). a. —erlly, ad, onvocabehouden; zonder yoorbehoud: epenharttg; vrijmoedig, ailed (-rek'un-sajld), a. onoarzoend. —corded a. ntet, wederetaan; ( kord'td), a. onverrneld, niet to boek ;meted. U.resist ed (iin-re-ziat'id), —lug, a. geen weerat4nd bie—covered (-kuY'rird), a. nlet terug bekomen; niet onweeretaenbaar. dead (to); lijdeltjk. Irredeezn- bereteld. —deenable(-diem'ibl),a. (an-re-zoleibl), a. onogtoabaar. able —deemed (-diemd'), a. niet vrijgekoeht. Unresolw able beelotteloos. —dressed (-dreet') a. onverholpen. —dared —ed (-maul% a. onopgelost; a. niet oploesend; beeluiteloos. (-djoeet'), a. ntet herleid; onverminderd; untie- Unrespeet ed (un-re-spektnd), a. ongaerd, ondwongen. geaeht. —Ad, a. —fully, ad. oneerbiedtg. —fulness, Urireeve (un-riey') v. a. utterheren, Unre lined (-rn-re-fajnd'), a. ongezuiverd; onba- a. oneerbiedigheid. a. onttitgesteld; Reheard. —fleeting (-flekt'leng), a. onbedachtz Ram. Unre spited (nu-rea'pit-id). (-re-sponeibl), a. —forirabie ( torm'I',1), a. ntet te hervormen. zonder verpoozing. —sponsible —formed (-forced'), a. onhervormd. —fr,eted niet Yerantwoordelijk. a. onrunt. —icy, a. ruetelooe. (-freajtl, a. Unrest (un-reat'), (-frektitd), a. ongebroken. —freaked (un-re-atoord% a. niet hersteld; enverkwikt. —gareed (-gaerd'id)... a. niet genteht, Unro stored teruggegeven. —strained (-streend'), a. on.yeronallitzaamd. —generate (-dejen'ar-et), a. niet niet beperkt,onbetemmerd: teugellooe.—tentive (-ten' wedergeboren. --giolered (-red'ajte-turd), a. niet zwak (van het geheuaangeteekend. —gulated (-reg'joe-lee-tid), a. on- tin), a. niet onthoudend, gen. —tracted (-trekt'id), a. niet herroepen. geregeld. —vealed (-yield% a. ongeopenbaard. —venged UnreIgned (un-emend'). a. leugeliooe. Unre levied (un-re-tWekt'id), a. onverworpen. (-vendzjd'), a, ongewroken. —vengeful (-vender , - eted) —joieing (-dzjoy,ieng), a niet verblijdend, droe- foci), a. niet wraakraehtig.—verendf(rev'ur (-vurst'), nlet eere aardlg; oneerbiedig. —verged vig —toted (-lee'tid,, a. onvermeld; onverw ant a.a. niet argesehaft, herroepen, — vernietlgd. (to). —/axing (-19kOteng), a. oncermoeti. —letting —warded (.1ent'leng), a. onbutgzeam, onverbiddalijk; niet —robed (•yookt% a. niet herroepen. verflauwend, (-11ev'tbt), a. niet te ver- (-waord'id). a. onbeloond. (-(teed'), a. Wet geholpen,— vet, Unriddle (un-rid'd1), v. a. ontraadeelen; ophelpen. enteet; ntet at geloet.—etorkable (-neaark'- town. ,b1), a. onmerkbaar; ntet metkwaerdtg. —medied Unrifled (an•rarftd), a. ongeplunderd; ntet trokken (van geweren). niet verhol pen. (-rem'e-dtd)., --geed Unremember ed (-un-rereern'burd), a niet her- Unrig (un-rig'), v. a. onttakelen, aftulgen. (-rigd'), a. ongetakeld; afgantgi. Innerd —ing, a. niet indsebtig. Unresnett ed (yin-re-mit'tid), a. nnovergegeven; Unrighteous (un-yart,jus), a. —1y, ad. onreehtougereehtigheld. —mesa,.. veardtg, goddeloon. xenhandend; ntet overgemaakt. —ing, a. —ia'ly, Unriert ful (un-raWfoel), a. onreetstmattg. ad, onophoudelijk. Unremovable (un-re-rnorn tb1), a. —ably, ad. Unring (un-nine), v. a van riagen ontdoen. (un-rip'„ v. a ZIe to Rip. onverplqatebaar, onwriktntar. —ed (.moevd'), UK), verplaatet; onbewegelijk. Unripe (un-rejp'), a. onvijp. —nese, a. onrijpheld. R. ntet weggeruimd, Uttre nelved (un-re njoedi, a. nlet vernienwd. Unrivalled (un-raj'veld), a. zonder mededinger; weergaloos, niet geevenatird. (-peed'), a. nlet terugbetaald, onvergoi- —fed, a. onden. —p,irable (-peer'in1), a. onherstelbaar. Unrivet (un- rty'llt), v. a. loeslaan. gektonken. paired (-peerd'), a ntet hersteld. —pealable a. ontkleeden (-pield'), Unrobe (un-roobl,v. —pealed (-piel'ib:), a. onherroepelbk• Unroll (an-roof'), v. a. ontrollen. a Met h,roepen. —pealed (-plet td), a. . nlet Unroof (un-roet% v. a. van het dak berooven. herhaeld. v. a. van den roeatjagen. Unrepent ant (an-re-pent'ent), —ing, a. on- Unroost (un-roest% Unroot !un-ro et'), v. a. ontwortelen, u itroeien. be etyeardig. —ed, a. enl,erousvd. a. glad, baareleloos. Unrepinfng (nn-re.),,rning), a. —/y, hd. ge- Unrough (tan-run, (un-reaundld), a. niet gerond. Unrounded di:dtg, gelaten.
DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.

Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
Decipher, (de-sarfur), v. a. ontcijferen, ont- Decrease (de-kries') a. vermindering; aineming; Riflemen (van de maan). —, v. A. vermiaderen, 'warren. —er, s. ontcijferaar, verklaarder. doen verralien; v. n. Riflemen, minder worden. Decision (de-siezjun), s. beslissing, beslechDecree (de-krie'), a. bealuit, verordening. —, v. a. ting; bealuit; uitslag. uitvaardigen, verordenen, bepalen; v. n. een Decis lye (de-marsiv), a. —vely, ad. bealiaaend; bealuit uitvaardigen. bepaald. —iveneu, a. bealisaendheid; bet. bealisDecrement (derre-mentl, a. vermindering. sende. —ory, a. beslisaend, beeindigend. Deck Idek"), a. dek, verdek; apel kaarten. main —, Decrepit (de-krep'it), a. afgeleefd. —ate, v. a. & n. verkalken, verknetteren (in het vuur), —ation geschutdek. quarter—, haltdek. —, v. a. beklee(-teetijun), a. verkalking, geknetter. —news, -rude den; versieren, (with) —hook, dekband. —plank, (-i-tjoed), a. hooge ouderdom, afgeleefdheid. dekdeel. —transom, dekworp. —er, a. versierder; Decrescent Ide-kres'sentl, a. afnemend. bekleeder, double- (two-) decker, a. tweedekker. Decret al (de-krietal), a. een decreet betrefthree decker , a. driedekker. fend; s. pauselijk edict; wetboek. —als. a. deDeclaim (de-kleeml v. a. voordragen; v. n. deeretalen. —ist, a. keener der decretalen. —ire, clarneeren; uitvaren tegen (against. on). —er, a. A. bepalend. —orily, ad. —ory, a. (dekare-turhoogdravend redenaar. rih•), beslissend, bepaald. peelama tion (dek-le•rneesiun). a. hartatochtelijke redevoering. —tor (cekne-mee-tur), a. Deer lanl (de-krarel), a. ultkrijting, minachting. —ier (-kraj'ur) a. uitkrijter; lasteraar. —y (-bra)'), oogd ra vend redenaar. —tory (de-klem'e-turv. a. uitkrijten; in kwaden reuk brengen. rib), a. boogdravend. a. nederDeclar able (de-kleer'ibl), a. verklaarbaar. Decimal) ence (de-kum'bens), —carp. ligging; verootmoediging. —eat, a, nederliggend. —ation (dek-lee-ree'sjunl, a. verklaring; klacht. —iture (-bi-tjoer), a. bedlegericheid. —alive (-kler'e•tiv), a. verklarend; aantoonend, —atory (-kleee-tur-rih)„ a. uitdrukkelijk; bepaald Decnple tdek'oepl), a. tienveudig. —, a. tienv. a. vertienvoudigen, voud. verklarend. —e, v. a. verklaren, uitleggen; v. n. —rent, —site, zich verklaren; (off) afzien van. —edly, ad. rond- Decor sloe (de-kuesjun), affoop. a. afloopend. borstig. —er, a. verklaarder. v. a. met echerpehoeken Deelnslon, (de-klen'ajun), a. vacant; verbuiging; De cuss ft te (de-kueseetl, dooranijden. —tion (dek-us-see'sjun), a. dooranil § atwijzing, weigering. ding. Pectin able ( de.klajnIbl), a. verbuigbaar. —ation Dedaious a. met kronkelenden rand. a• nijging; afhelling; afne- Dedecor (ded'e-lus), ate (de-dek'ur-reet) v. a, onteieren; ming; afwijking; afwijzing; verbuiging; —aloe onteeren, te schP.nde brengen. —ation (-ree'sjun), (de-klin'e-tur-rih) a. af—atory (dek'li-nee-tur). a. vervallen-verklaring van eereteekenen; oatwijkingswijzer. —e, a. afnerning, verval. —e, v. R. siering. —ous, a. ontsterend, emadelijk. nederbnigen; aislaan, weigeren; verbuigen; v. n, Dedenlitlon (ded-en-tis'ajtm), a. vealea der afwijken; bellen; Riflemen; weigerachtig atin. tan den. Declly 'tons —ous (de-klarvus), Didica to (ded'i-keet), a. toegewijd. —te, v. a. a. hellend. —ity, a. afhelling. toewijden; opdragen. —'ion (-kee'sjun), a. toeDecoct ide-kokt'), v. a. afkoken. —ion (-kok'sjun), wijding; opdaktit. —tor, a. toewijder; opdrager. a. afkokinc, afkooksel. —ice, a. atkokend. —ure —tory, a. toeifijdend, opdragend. —tory-epiatte, (-tj,;er), a. afkookael. opdraellt. Decolla te (de-korleet), v. a. onthoofden. —lion Dedition (de-dia'ajurt), a. overgave. idek-u1-lee'sjun), a. ontbalzing (van Johannea Deduc a (de-djoes'), v. a. aftrekken; afteiden den Dooper). (nit lets opmaken), —ement, a. afleiding, gevolgDecolor (de-kul'uff , v. a. doen verkleuren; trekking. —ible, a. of te leiden. —ive, a. ontlee—atinn (-nr-ee'sjun), a. ontkleuring, nend; afieidend, Decolorize, v. a. 'Lie Decolor. (de-dukt'), a. a. aftrekken, verminderen; Decom pose (di-ktun-pooz'). v. a. ontbinden, Deduct wegnemen. (-duk'sjun), a. aftrekking; oplossen; v. n. zich ontbinden. —posit (-poz'it) a. gevolgtrekking. —ire, a. —it-ely, ad. a? dubbel sam en gest el d.—ivosition(- korn te leiden; to betoogen; afieidend; betoogend. a. dnbbele samenRtelling; ontbinding. —pound Deed (died'), a. dead, handeling; dokument,akte. (-paaund'), a, dubbel mamengesteld; v. n, dubbel v. a. bij akte — of trust, akte van volmacht. § samenatelien; ontbinden. --poundaNe (-paaund" overdragen. —less, a. werkelooa. —y, a. werkibll, a. voor dlibbele eamenstelling (oplossing, ZAAM, bedrijvig. In the very deed, op heeterdaad. ontbinding) vatbaar. Deem (diem"), v. a. & n. oordeelen., het er voor Decor nee Idek'ur-rcet), v. a. veraieren. —anon rec ht er(o het ell and Man). houden. —s er, (..,,,, ,jun) a. versiering; versierael. —afar, a.' Deep (diep') a. & ad. diep; donkey (van kle.tr); ad. (de-ko'rus-), wel—.sly, versierder. —nun, a. geheim; diepzinnig; grondig; zwaar; liRtig, gevengelijk, betamelijk. —um (de-ko'rum), a. wel.slepen. —drawing, diepgaand. —mouthed, diep van stem. —musing, diep peinzend, —read, zeer Ileeortien te (de-kor'tl.keet), v. a. ontschorsen. belezen. —toned, diep van toon. —vaulted, diep a. ontbarsting. , , —lion (-Iree'sjun yea elfd. —waisted, met een 'nor- en aehterdelt. lok—bird, Decoy (de-kof), a. lokanse valstrik. —, a. diepte; zee. —en (die'pn), a. a. nitdiepen; vogel. jokeeud. —, v. a. lokken, verleiverdonkeren; nederdrukken; v. n. dieper warden; den; bedriegen. —man, a. vogelaar. —pond, a. danker warden. —1y, ad. diep; grooteltjks; diepeenJenicool.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


Kremlin, v. crown, pate; top, summit; tuft. —punt, —step, zenith, —.whoring, tonsure. bw. ereepingly, by stealth. Krulin ten, on. w. to creep, to crawl; to cringe; to sneak. —get, —hot, lurking-hole. —haantje, —hennetje, chicken of a small. breed. —era.!, be. creeping, crawling; cringing; pedierte, reptiles. —er, m. —eter, v. creeper; sorry walker; cringer; blockhead. Kruk, o. cross; cross work; lower part of the beck, rump, neat, cod-piece; croup, crupper, aeries, sharp; grief, effiletion. — of /mint, cross or pile. —afnemaing, descent from the cross. —band, cross-beam; cross-cover, band. —beeld, crucifix.; diaper. —been, rump. —berg, mount Calvary —bee, —bezie,!‘,00seberry. —besseboom,woonaberry.baeb, —betting, cross-piece 31 the bits. —beog, cross. bow. —boom, pairna christi. —broeder„ —draper, cross-bearer, sufferer. —dogma, rogation-week. —distel, sea holly. —dood, death on the cross. —doom, buck-thorn. —secant, apostle. —etadsa, ten guilders. —Awe& cross, wood of the cross; beam. —kerb, crone-church. —Mantis, cross-beam. —boot, charcoal. —kosiin, exoss-bar-window. bring, colure. —loan, croea-alley. —leer, doctrine of the cross. —net, square finking-net. —pact, standard of the cross. —pad, —weg. cross-read. —pooq, port of the gunner's room, —ra, mizzen, yard. —racy*, cross-her- window.—rientepurcingie. —echerp, cross-bar-shot. —see*, transom. —anemic, crucial (transvereel incision. —stack, cross. stitch. —steng, mizzen-topmast. —atraat, cross-street. —stab, loin. —tomtit, —roaart, cruisade. banner of the cross. —',smarmier, cruisader. —verkeffing, a xvltatton. —rindeng, invention of the renal. . cruciform, cross-eliaped. —werk, mizcross-work. —wits, teijee, crosswise zen-topee.11.—tettsreep, eal„ mizzen-tepsail•hallard. Kruiselluge, bw. crosswise. across. "(ruin en, or. w. to cross; to crucify; on. w. to cruise. —hock, —plaats, cruising-latitude. —punt, intersection. —timid, erniee. —er, m. cruiser. Krulalpg en, ov. w. to crucify. —ing, v. crucifixion. Kruluing, v. crossing', cruising. Krule)r, o. croelet; obelisk it). Krselt, 0. gunpowder, powder. — OP de pane gel" miog. —bum, gunpowder-box. —damp, smoke of gutipow der. —boors, —horen. powder-horn. —hula, powder-ioagazine.powder-miii, —kamer. powderroom. —last, powder-cheat. —koker, powder-case, charge of a gun. —lantaarn, dark lantern. —Lepel, cbargsng-ladle. —meet, measure for gunpowder. —inagt:zijn, —toren, gunpowder-magazine. —maker, gunpoorder-maker. —molen,—stoof,gunpow. der mill, —ton, powder-barrel. --teagen,powder cart. firullevagesse, m. Zieonder Krullen. Krutteutunt, v. balm-teint,eurled mint. Kruk, m. bungler, poor hand; sickly person. v. snitch; perch; pommel; handle, crank. winch. —ken, on. w. to use crutches; to languish. to be sickly, — ailing. —ker, m. one that walks with crutchee, sickly person. --big, bv. sickly, ailing. lingering. go; Kriel, v. our% 'scroll, volute; .flo 

Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;
220 Phaeton ffee'i-tun), a. phaeton (rijtuig). Phalanx Ifee'lengks, tel'engka), s. phalanx, gesloten krOgsbende, lidheentje der vingcrs en teenen. Phantasm (fen'tezm), -a (-tes'ine), s. droombeeld, heraenachim. -aftoria (-go'ri-e), a. vertooning van geestverschuningen. Phantom (fen'tum), 8. spook, droombeeld. pharis ale (fer-i-seelk), -aical, -ean (-si'en), a. farizeesch, schtinhoilig. -aiim (fer'l-see-itm), a. leer der Farizten; sebijnheiligheld. -ee (fee1 ale), a. Farizeer; achijnheilige. Pharsnac antic (faar-me-ejoe'tik), a. van de artseniamengkunde. -entice. pl . -y (faaeme-sih), artaenijmengkunde. -opceta (-ko-pi'e), s. arteenijboek. -opoliet (-kop'o-list), a. artsenijbe;elder. Pharos (fee'ros), s. vuurtoren. Pharyn gotonoy (fer-in-got'um•mih), a. luchtpbpsnede. -x it fer'ingks), a. strottenhoofd. plans e (feez), -is (fee'ais), a. schijngestalte. pheasant (fez'ont), a. fazant. painted -, gondlekensche fazant. pencilled -, zilverlakensche fazant. -poet, fazantkuiken. -walk, -ry, a. fazantentuin. Phees e ;fiez')., a. kwade luim. -e, v. a. hammen, rossen; mishandelen; verminderen. -y. a. elecht geluimd. Phenix (11'niks), a. tenths. Phenomenon (fe-nom"e-non), a. versehijnsel. Phial (faj'el), R. &genie. -, v. a. in can fieschje bewaren. Philanthrop ic (111-en- throp'ik) , -ical, a. menschlievead.-ist(fl-len'thro-pist),s.menschenvriend. -y (f1-!en'thro-pih), a. menschenliefde. Philippic (11-lip'pik), a. smaadrede. Philolog ar (ti-loVud• zjur) -int, e. taalgeleerde, philoloog. -ic, -ical (fil-o-lnd'zjik-), a. taalkundig, taalgeleerd. -y, s, taalwetenmchap, taalgeleerdheid. Philont nth (111'0-meth), a. beminnaar der geleerdheid. -el, -ela (-mi'le), a. nachtegaal, filomeel. Philonoph er (11-los'o-fur). s. wijageer. -ic, -ical, (fil-o-zorik-), a. wijageerig. . (-fizm), a. valsche wijsbegeerte.-ist,s.schunaqze,schijnphilosoof. -ice (-fajz). v. n. philosofeeren. -y, s. wijabegeerte; natural natuurkunde. Philter ilPturi, a. minnedrenk. -, v. a. door een' minnedrank betooveren. Phi. (fiz), s. gezicht, tronie. Phlebotom fat (fle-bot'o.mist , , 8. aderlater. -ice ( majz), v. a. aderlaten. -y, a. aderlating. Phlegm (flem), a. slijm, waterig yacht; coverschilligheid, kcelheid, bcdaardheid. Phlegm agogue (fleg'me-gog), a. slijmafdrijvend middel. -atic, a. -atically, ad. (metlk•)., alijrnig; onverschillig, koel, bedaard. -on (-mun), a. bloedzweer; ontsteking. -canoe ( - mun-ua), a. ontstoken. Phleme (fiiem), s. Zie Fleam. Ohloglst lc (fio-dzjisqik), a. brandstofhoudend -on (-tun , , z. brandatof. Platen", (fl Zie Phenix. Phon etic (fo-net'ik), a. van den klank; blankaanduidend. -etics, pl. -ice (fon'iks), a. geluid..
Coinbase is not just a “wallet” for digital money, it is an entire platform that makes it is possible to store, transfer, buy and sell it. The process of signing up is similar to any other website. After logging in, it is possible to choose any national currency in the settings to show the relative rate of Bitcoin. In order to transfer money, it is necessary to add some to the account and then submit the information about the receiver. The latest news concerning Coinbase is that access to its system is now available for 24 countries. Coinbase offers two-factor authentication, exchange on stock markets where all operations are possible without leaving the account, instant confirmation of transfers, and partnership programs which gives users $10 for inviting friends to join the platform.
c. Cab (keh), a. cabriolet. —, v. a. naloopen, pakken. § Cahoot (Ire-hoot"), a. bende; vereeniging. Cabal (ke-bel'), a. kabaal, kuiperij. —, v. n . kui- kee'tif)„ s. schurk. a.snood,schelmachtig. pen. —ler, a. kuiper; intrigant. Cajole (ke-dzjool'), v. a. vleien, liefkoozen. —r. Cabal a (keb'e-le), a. joodsche overlevering; ge- a. victor, pluimatraker. heime wetenschap. —lot, a. kenner der gehei- Cake ikeek), a. kook. —, v. a. & n. tot Ice menleer. —istie , —istical (keb-e-lis'tik-) , a. bakken. —twelfth —, driekoningenkoek. geheim, verhorgen. Calab.ish (kel'e-besj), a. kalabas. Cabbage (keb'bidzj), s. kool; lappen. —, v. a. Calamaneo (kel-e-men'ko), a. kalmink. door hot oog van de sehaar Italen; v. n. tot Calamine (kel'e-majn), s. kalameinsteen. kroppen groeien. —lettuce, kropaalade. —worm, Calamit ous (ke-leml-tus), a. rampspoedig. —y, koolrups, s. onheil, ramp. Cabin (keb'inl, a. hut; kajuit. —, v. a. In eene Cantinas (kel'e-mus), s. kalmus. but opaluiten; v. n. in eene but woven. —boy, Catfish (ke-lesj"), a. hales; gijden kap. kajnitsjongen. —et, a. kabinet; bijzonder ver- Calear (kel'ker), s. calctneeroven. —ious (keltrek. —et-councii,kabinetsraad.—et-maker,schrijn- kee'ri-us), a. kalkachtig. werker. Calceated (kel'sji-ee-tid), a. geschoeid. Cable (kee'bl), o. kabel. to bend the —, den Ica- Calci nate (kersi-neet), v. a. verkalken. —nubel wegnemen. to keckle (serve) the —, den babel tion (-nee'sjunl, a. verkalking. —natary, (-sin'emet slapping bekleeden. to splice the —, den tur-rih), a. calcineervat. —ne (kat-Rain ;., v. a. kabel Rplitsen. to play cheap the —, den' kabel & n. verkalken. —urn, a. kalkmetsal. langzaam nitlaten. to play (veer) more —, meer Calenlat a (kerkjoe-leet)., v. a. berekenen, bekabel vieren. —bitt, kabeibeting. —clinch, anker- grooten; v. n. voorzien; denken, § meenen, gesteek. —lid, splitshoren. kabelslag. —'s- leaven. —ion (-lee'sjun), a. berekening. I, length, kabelitlengte. —tier, kabelgat. —yarn, ha- berekenaar. —ory, a. berekenend. belgaren. —d, a. met een' hotel vastgemaakt. Calculons (leel'kjoe a. steenig, zandig. —t (kee'blit), s. slaglijn , paardelijn. Caldron Ikaol'drun). s. groote ketel. Cabman (keb'men), voerman van eene cab. Cale faction (kel-e-fek'sjun), a. verwarning. Caboose (he-hoes'), a. kombuis. —factive, —factory, a. verwarmend. —fy (kel'eCabriolet a. cabriolet. faj), v. a. & n. verhitten. Cacao (4eekol, a• cacao. Calendar (kel'en - der), s. almanak. Cachalot (ketsre-lot), a. potvisch. Calender (keren-dur), a. 1Rkenpers, wangel; Caebeetie, —al ike-kertik-), a. kwaadsappig. klander. —, v. a. persen, mangelen. Cincheyzy (ke-kok'sih), a. kwaadsapp!gheid. a. Berate dag der maand. Calends Cachinnation (kek-in.nee'sjun), a. echaterlach. At the Greek — op St. Jutmis. Cackle (kek'Acl), a. gekakel. —, v. n.kakelen. —r, Calentnre (kel'en-tjoee), a. heete koorts. a. kakelsar. Caleseenee (ke-lea'sens), a. heetwording. Cacography (ke-kog'rafih), s. wanspelling. Calf , knat), a. half; knit. —skin. kRlfsleder.. Cacophony Ike-korun-nth), s. wangeluid. pluck, kalfsomloop. —'s-foot, kalfsvoet (plant). Cad (keel), a. cenducteur bij eene omnibus. 's-smout, leeuwenbek (plant). Cadavereas ike-dev'ur-usl, s. lijkachtig. Caliber (keri-bur), a. kaliber; gehalte; inhout Caddy s. theekistje. —spoon, theelepeltje. snort; waarde. Cade (heed), s. vaatje. —, a. tam, gedwee. Calico (keri-ko), a. calica, ruw katoen. v. a. opfokken. Calld (kel'id). a. heat. —ity Cadence (kee'dens), warmte, a. toonval. hate. —act, a. verwarmingsbuis. Cadet (ke-det'), s. kadet; jongere zoon of broeder. CallgInons (ke-lid'gji-nus), a. duister. b Cadger iketi'zjur), s. venter; marskramer. Caliph (kee'lif), a. kalif. —ate Cadaelty (ke-djoe-stt-tih), s. afgeleefdheid. kalifaat. drag (keg), 8. vaatje. Caliver Ike'.'i-vur), a. handbus. Cage (keedzj), s. knot, hok, dierpork; gevangenis. Calk (kaok), v. a. kalfaten; § scherp zetten (poor-, v. a. in cone kooi sluaen. —work, doorbroken den). —or, a. kalfater. —ins, a. kalkoenen (win work. de hoefbzer), —ing-iron, breettwijzer.

n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

Wat werd Bitcoins startprijs


(-kee'sjun), s. verdnokering.. n-it), a. —ly, ad. oneindig. —fleas, Infos e (in-fjoee), v. a. ingteten; laten trekken; inprenten, inboezemen (into). —er, a. inprenter, a. orteine:4heid. —sintat, (-fitt-i-tea'i,rnel), a. oneindig klein. inboezemer. —ibility (-zi-bil'it-tih), s. onsmeltIn 'hitt lee (in-fin'i-tiv),a.onheraald.--vde(-tjoed), haarheid. —ible, a. Ingietbaar; onsmeltbaar. —ion (-fjoe'zjun), s. ingieting; doortrehking; aftreksel; —y. a. oneindigheid. Infirm (in-furm), a. zwak, gebrekkelijk(utith, van); inprenting, inboezeming. —ire (-fjoe'siv), a. instortend, inwerkend. bealuiteloog. —ary, a. ziekenhnis. — ity, — ness, Ingtithering (in'geth-ur-ieng), s. inzameling; a, zwaltheid, gebrekkelijkheid. Inflks (in-filts'), v. a. indrijven, inzetten; inoogst. l nffnite'
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.

(-kee'sjun), s. verdnokering.. n-it), a. —ly, ad. oneindig. —fleas, Infos e (in-fjoee), v. a. ingteten; laten trekken; inprenten, inboezemen (into). —er, a. inprenter, a. orteine:4heid. —sintat, (-fitt-i-tea'i,rnel), a. oneindig klein. inboezemer. —ibility (-zi-bil'it-tih), s. onsmeltIn 'hitt lee (in-fin'i-tiv),a.onheraald.--vde(-tjoed), haarheid. —ible, a. Ingietbaar; onsmeltbaar. —ion (-fjoe'zjun), s. ingieting; doortrehking; aftreksel; —y. a. oneindigheid. Infirm (in-furm), a. zwak, gebrekkelijk(utith, van); inprenting, inboezeming. —ire (-fjoe'siv), a. instortend, inwerkend. bealuiteloog. —ary, a. ziekenhnis. — ity, — ness, Ingtithering (in'geth-ur-ieng), s. inzameling; a, zwaltheid, gebrekkelijkheid. Inflks (in-filts'), v. a. indrijven, inzetten; inoogst. l nffnite'
25 Altana en (bi-tjoe'mn), a. jodenlijm. —inous. Men (bile), a. saint. Bleach (blietsji), V. a. & n. bleeken. —ery (-mi-nut), a. aardpeknchtig. joe-ler), a. twee- (blietspur-rih), s. bleekerij. Biwaiv a (barvelv), —ular Bleak (bliek). a. blei, bliek, —, a. —ly, ad. kIl, schalig. koud, bleek. —near, a. bleekbeid, koude. Blvious (beryl-us), a. met twee wegen. Bivouac (biv'oewek), a. bivak. Blear (bider), a. tranend, dof, &lister. —. v. a. Blab (bleb), a. snapper. —, v. a. & n. snappen. verduisteren, drachtig maken.—eyed,drcIpoog'sg, —bee, a. snapper, kletser. —edness, Jeep rogigheid. Black (blek), a. zwart; never. in — and white, Bleat (bliet), s. gebiaat. —, v. n. blaten. zwart op wit. —, a. zwart, donker. —act. wet Bleed (blind) [bled], v. a. aderlaten; v. n. bloeden. —ing, s. bloeding: aderlattng. tegen de atroopera. —amber, zwart aardpek. —amoor, moriaan. —berry, braambea. —bird, Blemish (blem'isj), a. vlek, kind. —, v. a. bezmalken. meerl. —browed, stuursch. —rattle, rundvee. —deed, snoode dead. —earth, tuinaarde. —fared, Blench (hlentsj), v. n. terugdeinzen, wijken. bruin van gelaat. —friar, dominikaan. —game, Blend (blend), v. a. vermengen. bruin wild. —guard, gemeene kerel. —jack, leeren Bless (bless), v. a. zegenen; )oven. —ed, a. zalig, baker. potlood. •—leg, vakche epeler; gelukkig. —edness. a. gelukzaligheid. —ing, s. oplichter, —martin, mu urz waluw. —monday, zegen. paaschmaandag, ongeluksdag. —pudding, blond- Blight (Wait), a. meeldauw; scherpte; bedert.—, v. a. verzengen, bederven, worst. —smith, grofsmid. —thorn, sleedoorn. —work, grofsmidswerk. —iPh, a. zwartachtig. Blind (blajnd), R. —ly, ad. blind; dauber; dom. born—, blindgeboren. stone—, stekehlind, —fold, —ness, a. z wartheid. —ing, a. schoensmeer. a, geblinddoekt. —fold, v. a. blinddoeken. Black (blek), Blacken (blek'kn), v. a. zwart ma- —man's-buff, blindernannetje. —aide, zwakke zi,j de. ken; v. n. zwart warden. s. zonneblind, acherm; Bladder (bled'dur), a. bleat, blear. —nut, pim- —nets, a. blindheid. bliridoek. pelnoot. Blade (bleed), s. lemmet, klieg; apiertje; grap- Blind (blajnd), v. a. verblinden; blinddoeken. pige vent. pair of —8, gerenklos. —bone, schou- Blink (blink), s. vluchtige blik; achijn. —. v. n. derblad. —smith, zwaardveger. —d, a. met spier- gluren, knipoogen. —ard. (•urd). s. knipooger. —era (-urn), a. oogkleppen. tjes. Blue (bliss), a. zaligheid. —ful, a, —fully, ad. Blain (bleen), s. blear, blein. v. a. gelukzalig. —fulness, a. gelukzaligheid. Blame e (bleem'), s. herimping, blaam. bemchuldigen; berispen (for). —able, a. iaakbaar. Blister (blis'tur), s. blear; trekpleister. —, v. a. blaren doen trekken; v. n. blaren trekken. —ableness, a. laakbaarheid. —efal, a. schuldig, stratbaar. —eless, a. onberispelijk. —eworthy, a. Blithe blajth), a. —ly, ad. —some, a. blljde, verheugd. —ness, —someness, a. vroolijkheid, laakbaltr. hlijdechap. Blanch (hlaantsj), v. R. mitten; blacken; schil- Bloat (bloat). v. a, doen zwellen; v. n. opzwellen. len; v. n. wit warden; ontwijken. Bland (blend), a. zacht; zoet, vleiend; vriende- —ed. R. opxeblazen, npgezwollen, —edness, a. lijk. —iloquence (blen-dil'o•kwens), a. vleitaat. opgezwollenheid —er, a. batting. —ish, v. a. vleien, streelen. —ishment , a. vleierij, Blobber(blohlbur),a.bohbel.—lipped,a.diklippig. liefkoozing. Blob-checked (blobitsjiekt), a. dikmangig• Blank (blenk), s. blank, white ruimte; doelwit; Block (blot), a. blot; katrol; heedevorm; beletsel; § blok huizen. .-head. domkop. —headed, niet; blinde warp; leemte. R. wit, blank, bleek; onbesehreven. —verse, rijmlooze dicht- dom. —house, blokhuis. —tin, bloktin. —ish, a. dom, bat. —ishness, a. domheid. maat. —, v. a. vernietigen; verlegen maken. Blanket (blenk'it), a. wollen deken. Block (blok), v, a. afsluiten, inaluiten. versperran (up). Blare (bleer), v. n. loeien, bulderen. Blarney (trlaar'nih), a. walgelijke vleierij. Blockade (blok-eed'), a. insluitIng, blokkade. Blasphent e (bles-flem'), v. a. & n. (hod las- —. v. a. blokkeereu. teren. —er, a. godslasteraar. —ous (blesql-mus), Blond-lace (hlondlees). a. blonde, a. godslasterlijk. —y, a. godslastering. Blood (blvd), s. bloed; afstamming. —flower, Blast (hlaast), a. rukwind: geschal; meeldauw! afrikaanschetulp. —guiltiness,bloedschuld. —hot, pestziekte, —pipe, stoompijp. v, a. plotse- bloedwarm. —hound, bloedhond. —letter, aderling bederven (verzengen, verdorren, doen aprin- later. —shed, bloedstorting. —shedder, moordegen, vernietigen), doen —ing, a. near. —shot, —shotten, volbloedig. —stained, met verwoesting. bloed bevlekt. —sucker, bloedzuiger. —thirsty, Blatant (blea'tent), a. bulkend, loeiend. bloeddorstig. —vessel, bloedvat. —warm, bloedflintier (blet'tur), n, v. razen, tieren. warm, —wire, geldboete wegens doodslag. —wort, Blaze (hleez), a. alum; glued; gerucht; blew; bloedwortel. —less, a. bloedeloos. —y, a. —.ay § wegwijzer (kerfjes in boomen). —, v. a. rucht- (-il. lib), ad. bloedig. bloeddorstig. —y-flux, bear maken (abroad); boomen merken; v. n. roode loop. —y-minded, bloedgierig. vlammen, flikkeren. Blood (bind.), v. a. bebloeden, aan bloed geBlazon (blee'zn), a. wapenkunde; praal. v. a. wennen; verhitten. wapenachilden verklaren: versieren; ruchtbaFtr Bloom (bloem), a. bloesem, bloei; wafts. —, v. a. wapenkunde. maken. —y, a. bloeiend. n. bloelen.
HYG.-BEa• o pliment, to welcome. -ing, v. salutation, greet• accompa ► lot, - ing, a, an- ion; attendant; compenytng; ett,ndance; eaeort; eccompatiiment. toe. ligegrountnen, ov. w. to grumble at. 14eorelnker•lfgen. ov, w, to beatify, Iteseurdlg en, oar. w. to pardon, to forgive. Itegroot era, ov. w. to eitiroste, to compote, to rat, to tax, - ing, 7. estimation, computation, - icy, v. pardo ► . budget. liege, era, to, too to diapole cf. to confer (upoot„ tol,esonot, to liesmirch,tolully. to collate; to abandor., to for.nk, to fail; rieh Illegirspleten, t. w. to go, to repair, to resort; to enter ItiegnSette10 0 , ov. w. Zie Bean...e.lest. io 1-tegirreerig an, on. w. to favor, to grati4. -er, ('nto). to betake one ',A .1f; zirh op reit In. protector. -tog, v. favor, gratification. -ster, set o ► t on a jouruey. .tieh in den erht - , to marry. v. protectress. to i Elle a wife. - er, gin. conferrer. collator; for- uleasiwr ( - 13, ), comfortable Faker, de•erter. -. - ing, a, conferring, collation.; Illel ► erapt WU, Ire. (-WV, delightful t - iy). --1 herd, v plemingnese, zoreaking, thoertion. eontrortaben,sii, comfort, deliehtZioiness. - ziek, it , -aafet en, 01 w. to water, to asperse, to be- be coquettish - .chi. coquetry. v, sprinkie; to drink on the isuccesx of. Ilebs.nd, be. hairy, covered with hair. teetering, ampotoito ► . on w to please, to be agreeable. -, St v. 1:1 ► 11P8, --en, (pr. vr. to Deli/Igen, Haertflig de o. pieriaure. detight, - rtnden (aelteppen1 in, to endow, t i bvist.ow a gift upon, to gift, to pre,nr -take) deiight in, to like. with -or, m. donor. - ing, v. endowmert, do- Hobo) en, on w. to get, to obtoin, on, to ► 411011. compromise; de overteinnng - , to carry the day. IlvostioN v. begien. -ra crone .jack-yarn. - enhof, rn. obtainer, prite-taker. - ing, v. obtaining, cor► vent OC beguire. obtoinment. beginning, (oorrinonce , rent; opening; 0, enirenceo oriKiro source. one., ov. & on w. to Ileholee, bw. except, save begin, to oomtnence, to enter upon, to take rise Bahrnelel en, ov. a, • to handle, to manipulate; to manage, to treat of, - upon; to treat, to use, tyro. from. -tier, rn. -star, v. beginner, to deal with; to attend. - ing, a handling, - rel. o. beginning. oleo eat, rudiment; principle. o.•intpulation; treatment; attendance. - selNoe, bv. unpriociped en, on. w. to hand (o'er), to deliver. illegilanp en_ ov w. to gave p fetlIP (a $0100 to, 11411.111(11g loanding aver, delivery. -ing se coloring, maksog plausible, to pailiat, ng en, on. w tc hung (with tavetry). to ► Itieh palliation. m paper-hanger, upholsterer, - set, Helene en, ay. w. to spy, to leer at, - upon, paper. a. tapeotry, hangings. - lag v. spying, leeriro, (at). Ilettnritg etre, on. w. to take to heart, to mind. Ilie}tioor tier, to ---seer, v. spy, eyer. -enaivaartlip, by. worth reflection -ing i v. taking a.4r. no. ---,orator, v, beguiler, to heart, attention. care. delude - , fascOmitor: - en, ov. te. to beguile, to direrdelude, to enchant, to captivate, to fascinate. iSvbeer, o managemert, admIniatrotion, steelat - , mist...gement. - der, m. mane-lingo v. tegollement, delusion., enchantment, thou, ger, administrator, director -en. ov. w, to ra,ioation; ;Motion. ing, v. Zie manage, to adminietar, to direct Begs neIeri . ov tr. to throw at, -- on -sch,n, on. w. to govern, to rule, to lietArtenfpletnts, v. buriai•plac,,burying-ground, - schen, m. governer, elomineer. sway, to ,hotch yird• master. - setting. v. government, sway, dominagrosty, illtegenevool, Lion. --seer, v, admintatratrix, directress. Begralleui , v. burin:, interment, funeral, liebeksen, ov. w. to bewitch. der, underteher. -fends. burlal-fund. - kosten, etilpen (z103), t. w. to make ehift (with), v. funeral rites, plechtighetd, funeral exruses. se content one's self (with). rich seer moeten oba000lPs. Tho to have bit a acanty allowance. Ileg,rnonorser., ov w, to arter (;o growl) at. contain. W. to bury, to inter. - er, iii. Bebellzeu, ov. w• to ltIo.geri• bw. dexter°. (-iy), handy ha. ourier --ing, a burial, imerment. oily). - held, v. dexterousnesa, handiness. llorwrazen, or. a'. to xraz, Tilet,..pr, by. subject -., liable (to), affected - held, v. lirrotedeess. Illegrin,..t. be. troub!ed iwith). 0 0, w , acr ► limit, to border. Behoed en. or. w. to preserve, to guard, to w. to hcw,i1 ti grimes', protect, to defend, to shelter. - rniddel, BegrUp .24Uk, by. bve. comproharesili:e (-lily). preserver, protector- -ing, v. naive. -er, eltjkheid. v. coin- bw. heedw. to preservation, protection. -zoom. ha. & pr,lienpiblenest, intelligeno , - en, - zaamheld, v. heedful Put (-1y), cautious to comoreliend, to include, to seise to catch, neon, caotion, ,ucompass, to understand, to conceive. of , behalf ran, In (on) ten behoere o uottoo. concept., ideal; approlien• Bel.ef,, a. hebben tan, to - te, v. want, reed, necessity, abrid.gment, compendium, surn• alon„ kart - ter, v. mv. necessaries, oboesbe in want of. of his is oat that dot gnat boven atin --. roary. pities - tiy, be. indigent, necessitous, needy. ophere (beyond his coocept!on)„ Ilrgreet en, on. a. to overgrow, to cover. - d, - tigheid, v. indigence. lliehoeven, on. w, to want, to need; on. w. to 00. 0,711' ► •1. --ing, v. overgrowing. repielte. llitelorott en, on. vc. to salute, to greet, to corn- need, to be rieceslary,
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet
s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.
keen, eertijds. when — Omit come, in vervolg; met der tkjd. —enough, vroeg genon. —6ezeoeted, vergaen van ouderdom. —enduring, standboudend, duurzaam. zandlooper. —keeper, —piece, chronometer, aurwerk. —pleaser,—server, weerhaan, hut chilies, —serving, she knit naar den wind baegend. —tables, pl. Wet der uren van vertrek en aankomat. -warns, door ouderdom vergaan. —, v. a. near den tijd regeien; den rashten tijd kiezen voor. —fat, a. —futtp, ati. Zis Timely. —less, a. —leanly, ad. ontijdtg, voorbarig. —linens (-ii-ness), S. tijdislheid, gepastheid. a. tijdig, gepaat. Timid (tim'id), a. —ly, ad. schroomvallig, bedeesd. blonde. —ity (-id'it- fib), a. nchroomvalligheld, bedeeadheid. Tiralst (tajm'ist), a. maathouder; tie Timeserver. TinaGineer (tim-un-ter'), s. roerouger, man aan 't mom TImoroue (tim'ur-us), a. —ly, ad. vreesaehtig. —ness, s. vressachtigheid. Ten (tin'), a. tin; bilk. —foil, bladtin. —glees, bismuth. —man, tinnegieter; bliksiager. vertind plaatiizer. tinmijn. —ore, tinerts. v. a. vertinnen. —tack, tinnea spijkertje. Thema' (ting'kel), a. rowe borax. s. kleur; tint; Timet (tingkt'), a. gekieurd. viek.—,v. a. kieureu, 'craven. —are (-joer, -jur), s. kleur; sehkjn, zweem; tinctuur, aftreksel; vat. verven; eon' zo eam (eene tint) geven. Tinder I tIn'dttr), s. louder. —box, tonderdoos. 'rise (tajal, s. tone; verlegenheid, nowt. —, v. a. in brand steken; inslaiten; v. a. lijden; woeden. — man, hoschwachter. v. a. & n. Thug (dug) s. klank, geklingel. (down) klingeten, Tinge Rind*, a. kleartje; geurtje, smaakje; zweena; viek. —, v. a. kleuren; eon' zweena teens tint) geven. Ting)) a (ting'g1), v. u. Clinton; buiten; tintelen, jeaken. —ing, s. tutting, gesuts; getintel. (tingle), v. n. Lie to Tinkle. T v. a. & n. Tinker (ting'knr), a. ketellapper. lappen, opiappen (up). Tlnkl (tinekil, v. a. & a. (doom) Minton, ritts. gerinkel; getnit. kelen; tuiten. tingraver. Trims ed (dud), a. vertind. —er, —ing, e. het vertinnen; vertined. —y (tin'ulh), a. tinhoudend; tinachtig. Tinsel (tin's11), a. klatergoud. —, a. schijnbaar, oppervlakkig. —, v. a. met klatergoud venter.. Tint (tint), 8. tint, kleur. —, v. a. Oaten, kieuren. Tiny (tarnih), a. klein, nietig, goring. Tip (tip'), s. top, punt, uiteinde, slag, worp;stofkolfje. —staff, dienderastok; gerechtsdienaar. —toe, top de, teenen; to stand on —, op de teenen stain. —top, a. hoog, boogst; uitstekend; a. hoogste greed, bests, voornaamste. —, v. a. beslats; lieht aenraken; omverpen (down. eeer);v. n (off; valleu; (off. over) uittntjpen, ster,vea. —pet s. halskraag. Tippl e (tIp'pl), s. drank. —e, v. a. & n. pimpelen, zuipen. —ed (tip'pid), a. drunken. —sr, a. drinkebroer,pimpelaar.—ing-honse,kroes.
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.

(-to-rih), a. van eon' pip; a. eentaurus, boog- Salt (saolt'), a. zout; wulpech, e. sow.; sehutter. amakelijkheid; geestigheid; zeeman. —box, toutpot. —butter, gezouten borer. —eat, zoutklompje. Sago (see-go, sago, —powder, sagomeel. —tree, —cellar, soutvaatje. —duty, tmpost op het vont. esgopatrn. —wine, paimwijn. Sngy (see'dzjits), a. met, sane toebereid. —eel, ingelegde paling. —house, zontk-et. zoutbron. —maker, vsutzieder. —man, zoutkuoSaid (sed), a. gezegd, bovengenoemd. per. —marsh, sooty ,Pi. —meat, gezouten vleeseh. Sail (eel"), a. zest; vleugel. to make —, zeilen bij— mine, —pit, zotttgroeve. —porter, zoutdrager. zetton. to set —, order set! gaan. to strike —, de zeilen strijkers. —broad, ouch ala eon sell ult. —spring, zoutbron. —trade. zouthandel —water, spreidend. —cloth, zeildoek. —loft, zeilkamer. tout water. —work, zoutziederij. —wort, tout--maker, zeilmaker. —room. zeilkooi. —yard, re. kruid. v. a. zouten. zeilgaren. v. a. bevoren; doorrliegen; Salta IA (eel'tent), a. mpringend. —tion (-tee'sjun), doorklieven; v. n. zeilen; s (bet) apringen; Mopping. drijven. —able, a. bevaari► aar. zeikr. —or, a. matroos; zee- Salt er (saolt'ur), s. inzuuter; zoutkooper. — ern, man . a. zoutkeet. —iag, a. het zouten; —tub, vieesehS:0,11 ,11,11% (seen'fojn), a. spurrie. kuip. —ish, a. zoutaohtig, brek. —less, a. onAezouten; zouteloos, —ly, ad. zoutachtig. --nest, a. Saint (seent'), a. hailige. -, v. a. tieing verklazoutbeid. ran; v. a. den heilige uithangen. —cal,a.beiliF; gewijd; vroom. —like, —ly, a. als ten hellige, het- Saltpetre (siolt-pi'tur), a saipeter. lig. —Alsip, a. heitigheid. Saltalbrl ous (ae-ljoe'bri-us), a. —.gay, ad. geSake (seeks, s, doel, beweegreden, Wil. for the — of, smt. heilzasm. —ousness, —4, a. gezondheid; ter wine van for God's —, on Gods wit, for my —, heilz,mheid. ram mijuenrwil. Saint arinesti (serjoe to-ri•), a. heilzaantheid. Sttkgr (are'lcar), a. reigervallf; ieldmIang. —ary, a. hailsaaba. —ation (-i.ee'sijun), it. het goonsnit ( ,,e1), e. zo..tt. ten, groet. —atory (se-ijcete.), a. begroetend. Salithie (seel'ibl), a. verkoopbaar. —seas, a. ver- —e (se-ljoet'), a. groat; km, —e (se ijoet'), v. C. koophaarlte,d. Froeten; begroeten; human. —et (se-ljoe'tur)„ a. Salad' T. (se lee'sjus), a. —ously, ad. geil, Oa- groeter, begroeter. --iferous (-tif'ur•us), a. helltig, — tat (..les'it tih), a, geilheid. zaam. Salad (tel'ed), a. salade, al, —disk, mlasehotel. Salva isle (servibli, a. zalig kunnende :worden. —oil, P11 ,1•0iie — paraler, watereppe, tookruid, —bility (-ve-bil'it tlh), —bigness, s. mogelt.jkheld SttlanTiOtl der lael'e-men-dust, a. salamander. ow salts to worden. --pie (-vidzj), a. bergloon. --drine 1-men'drial, a salamanderaelitig. —lion (-vee'sjun), s. eedding; zaligmaking; sangSalary (sere-rib.), a. salaris, hezoldiging. heid. —tory (-ve-tur•rib), s.bereplaate. Sale sees), s. verkoop; verkooping, veiling. to Salve (ssav'), a. tall, hulp. —, v. a. zalven; heeler; offer (pat up) ,for —, to hasp bieden. —'s-mass redden, hergen. Salv er (sal'vur), m. presenteerblasidje. —o, s. soarttnialz , ), zie Saleonsan. Snlep (se'lep), a. Weir, salepwortel. behoud; tiltvlueht. —oro. berger. Ststeesnan pseelereen), a. verkooper; koopmen S..nzbo (sem'bo), a. kind van een' neger en tens in gemaakte kleederen; beentenkooper. mulattin. Sally sat (meelt-enti, a. uttsp•ingend; klimmend. Same (seem'), a zelfde;genoemde. —ness,a. eenSaltferosse (se lir, um), a. sontvoortbrengend• zelvigheid, gelijkheid. Stollliable (sell fa)-t bl),a. zontvormend. ---:cation. 8 a na I et (sem'ltt), e. zalmpie. (-if-i-kee'sjun), m. zoutvorming. —y, v. a, in zout Sanzpliire (sene'fir), s. zeevenkel. aeranderen. Sample (sem'pl), s. steal, monster. —r, a. paSall got (sel'i.got), a. waternoot. —nation (-nee' Croon, merkl,p mjitn), a. waessehing met pekel. Manes hie (sen'ibl), a. geneesibk. --tire, —tory Snilln . Ige•Ittill . ), - 0., a. zouthoudend, zoutach. (sen'e-), a. genezend. rig, silt. — e, a. zoutgroe,e, zoutkeet. Sanetif !cation (sengk-tlf-i kee'sjun), a. heiligMalls' ft (se-lej've), a, speeksel. --al, —out, —any making. —ier Isengk'ti-fat-ur), e. heiligmaer. (sel'i-ve-rih)„ a. speaselachtig; epeeksel-,kwill-. —y (sengk'ti fajl, v. a. heiligen. —ale (sel'i-vecfl, v. a. door kwilling zuiveren; SanetInzon loos (sengk-ti-ntoini-us), a. —iously, ad, beilig, mehijnheilig. —iousne“, —y (sengklia .ii. k•i)len. — ation leel-i-vee'sjun), a. kwiiling. man-nib), a. betligneid; sehilitheiligheld. Mallet (eel'ilt), s.', heirs. Sallow !sePlo), rt. zieketijk, bleek. --, a. water- Planet Ion (aengk'stjun), e. bekrachtlging. —, v. wit .. — ness, a. ziekelijke kleer, hleekheid. a. hekraehtigen. —blade (-ti-tjoect, —ill, a. heiSally (Bernt , s. uit,al; uttstapje: slipper; along; ligheta. —uary (-tjoe-e-rih), is. beingdorn; vrijirvvinkelag. — port,uttval - , vliedpoort. --, v. n.uit- plaats. Sand isenW)., a. sand; sandbank. —a. pl. ?Andvallen, ultepringen. Salsnagutni11 (sal :ne-gun'di.), a. haringsta woestiju. —bag, zaudismk. — bath, —heat. zandbad. Salmon (reesoun), ,,,, zai.„ —peals, pi. Jong , . —beetle, zandkever.—blind,btiMende.—box,zand• poker. —crab, zandkrab, — crack, kwetsing atn van 7 timen- — pipe, zeitmkerf. —trout, zolmforel- Saloon (se•leen'), a. malon, snot. den boat —eel, smelt. —flood, zandhoos. —hill. . strstodzwaluw. —mortar, zandheuvel. —.art., Saloois (se-loep% Salop (se,'1up', e . ealep. Sale ify (sel'e - nbl,R• bok , ba ,int• —.gin , . (- , 410e- zandkalk. —pink, eandanjelter. —piper. stranddIji-ente), , zilttg. Cooper, zandsnip. —pit., 7andgroeve. —stone ,zand-


What is the point of being insured if they will never admit wrongdoing? It is rare that an employee will steal your funds. My account was almost emptied when they sent my funds to someone in the Netherlands. Coinbase has done nothing to get them back for me. I had not even accessed my account for a week, yet they accuse me of doing something that caused this to happen. I would never give anyone my password, there’s no one else here to use my computer, my internet provider said I got no messages from Coinbase (2 step verification) on… Read more »
SPE Spell (spell') [spell s ], v. PI, speiten; betooveren; Spilt Ater (tipin'nur), s. apinuer; spin. —.sting, s. het SPintle" , .Pinfflachlue; — wheel, spin attossen. er, B. speller.—ing, r. spelling; —book, newiel. speiboek. Spin sue (spni'nus), —ose(-ItoOs'), —y, a, doornig; Spelt (Epele), a. spelt. —er, a„ spiauter. netelig„ moeielijk. —osity (-nos'it.tih), s. doornigbesteden, uitgeven; R. [spent], v. Spend (spend') heid nzteligheid. verkwisten; afmatten; v. n. uitgaven doen; verlo ern goon. --er, s. hesteder, uitgever; verkwistee. SpIti tiler (splrflitts:), a. spinster;jonge doehter. —stry (-strip), s. spinsel. —thrift, a. doorbren ger, verkweSter. I Spiracle (spir'ikl e. luehtgat. Spare (spier), a. R. vragen, uit-, nevorechen. Sperm (spurm).s. dteriijk zaad. —aceti(-e-st-tih)„ Spiral (eparrs1), a, —ally. ad . sehreervormig, spi(-etsik-), ! relit —alness, s. spiraalvorm. —e, a. sehroef-, n, wa)sehot, spermaceti. —atic, slakke-, spiraelliin; spits; torenspits; v1( ebt. —e, —atocele uit nod beeteend; v. n. spits opse , ,eten. —ed (epajrd), a. spits toea. toad-, zekbreuk. Spew (spjoe), v. a. uItspuwen, uitbraken; v. n.1 loopend Spirit (splr'it), a. geeet; zie1; gemoed, aard, stemspuwen, broken. Sphecel ate isfes'e-leet), v. e. doen veraterven; I niing; vroolij kheid ; sour, ipier,rnoed, geeetkracht; neiging; gevoelen, begrip; genie. —a, pl. levensv. n het keudvuur kriigen. —us, s.koudvuur. geeeten; stemming; geestrijke drankea ; to be in t4 ph Egn inns ,sfeg'nern), s. veenmos. (high) —, opgeruiind zijn; in tow —, neer elachtlgSpleen. ,stien), s. wig; titaniet. v a. hesielen; bemoedigen, aansposen, (up); Sphere (slier'), a. efeer, bol; loopbaan;kring. (away) door list wegvoeren. —ed, a. —edly, ad. • f. a road.; in eene steer plaativn. levendig, moedig, vurig, geestrijk. high— id, opal!y, ad. bolrond.—alnees, Spheric !ster . ik), neerslaehtig. —ednesp„ a. gegeruirnd. a. bolvormigheid. -ity moedegeeteldheid; levendigheid, vurigheid —less, der sfsren, afeerkeenis, a. levers loos: ,eesteloos; meedeloos. --ous, a. onSpher old (sti'rojd), s. spheroide. —n/e(sfer'-joel), etoffelijk eerlijnd; levendig, vurig. s. sf,ertje. kietne be!. Spiritual (so)eit-joe- el), a. —4, ad. geestelijk. Sphlre trrOtIngk'tur), s s. sluitspier. a. spiritualismus. —ist, s. spiritualist. Spic a- iepajs') s.specerj, kru'derij; smask;zweem; —ity (-el'it-tih), a. geestelijk held, onstoffeiijk—apple, anijsappel; —gingerbread, pepe , keek, haid; godevruebt. —ization (-i-zee'sjun)., a. ter-nut, pepernoot. —e, v. a, kru.iden. —er, a. ban- geeetelij king. —ice tajz), v. a. vergeestelijken; delaar in specerijen; kruidenier. —cry, S. speeerij; overhalen. —ty, e. geestelijkbeid. bergplaata van epeeertjen. —iness (-i-ness), a. Spirituous (spir'it-toe-us), R. geestrijk; levendig, krui:tigh•id,gekruidheid. vurig. —seas, s. geeetrijkheid. Spick ispik"), —end span, R. kersverReh. spick-and- Spirt (sport'.,a. uitspuiting; straal; ijver. —, v. R. spannew, splinternieuw. & n. smuts,: (up) (apspuiten. Spicknel (spik'nii). a. dills. vol aces; Spirtle (apur'tl), v. a. wegspuiten; verstroeien. Spleo as (spa) boos':, —us (spark.), R. puntig. --sites (-kos'it-tih), a. volheid van aeon; S'piry (sparribl, a. spits tneloopend; kronkeiend. Spasm sited (epie'see•tid), a. verdikt. —itude ( alsinntigheid, splteheid. -tjoed),.. dikte. Splcul sir Ispthloe-ter), a. printig, spits. —ate Spit (spit% a. speeksel; braadepit. —box, spuw(-leet), v. a. puntig maken. bakje, —fire, heel hoofd. —pin, lardeerpt.nopeetie. S picy imparsi It). a. kruieig, gekruid. Spider (spafdur), a. spin. —catcher, spinnenvan- —, v. a spates; aan het spit ateken. n. spuwen. ger. —shanked, spillebeenig. —web, spin noweb. Spit (spit', [spit], a. hospitaal, ziekenhuis. Spatial spinnekog Islak). —wort, spinnekruW. Spiteliccock ispitsrkok), a. gebakken paling. —, Spigot 1,spleat),s.spte,zwikje. v. a. (paling) bakken. Split e (spajk."), s. oar; groote spiiker; houten pin; spijt, wrevel, weak, nijd. in — of, pent: spije; —nard (-nurd),spiikhalsem. —e, v. a. Spite (spa) to weerw il van. out of — , tut spit t. —, v. R. krenspilkeren; vernagelen (vp); van punters voorzien. ken, ergeren; vertoorneu. —fat, a. —fully, ad. -y, a. puntig. epijtig, wrevelig; booliaardig. —fulness, a. week; Spill (spill), s. pin, spijltje, spie; spaantje,strookje boosnardigheid. pepier. 13. Spill (spill') [spilt*], a. a. worsen, stort,i; ver- Spit ter (sint'tur), a. spawer; jong hert. bet spuwen; —box, epuwbakje, kwispedoor —11e nielan. —age, a. (het) getitorte; verlies. —er, a. (epit't1), a. specked]. —to. (-toen'), a. spuw n storteribeneelroede. —ing.linee, noodgordingen. bakje. Spin (pin') [spun], v. a. spinnen; does draelen; uitrekken inotp inut) rak ken, op de lenge bean Splash (splesY), a, gespat slijk. — board, spatbord. v. a. bespatten; v. a. spatter, —y, a. beepat, echui von; v. n, spinnen; draaien; viieteo. slijkerig. Spin web (spin'itsj), --age, s. epinazie. —fasted, Spinal (spernel), e.. ruggegraats-. —marrow, rug- Splay (splee'), a. sehuinsehe verwtding. met kromme voeteu. —mouth, wijcie mond. —, v. prernerg. a. de schoft verrekken. Spindle (spixed1), s. spil i ttengelistander. —lags, v. n. stengele sehteten. Spleen (splien"),.. milt; miltzucht; zwatirmoedigspillebeenen. —sick, miltSpin e (spajn'), a. ru,geg..aat ; dorm.—el (-11), a. heed; grit, kwade luim; weak; slug. zuehtig; zwaarmoedig. —met, miltkruid. —ful, bleekroode robije. —et (spin'it, spinet'), s. —y, a. nailtzueltig; zwatirmoedig;gemelijk. spinet.
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
op het ape( setten. —, v. a. verwedden; v. n. wedden. Wages (wee'dzjiz), a. pl. loon, hunr. Waggery (weg'gur-ib,), s. snake rtj. Waggish (veg'xi-j), a. --ly, ad. sehalkeebtig. —neat, a. echalkachtigheld. Waggle 'weg'gl), v. a. & n. (doen) waggelen. verwikken. Wagon (weg'un), rt. wagen, vrachtwagen. —age, a. voerloou. —er, a. veerman, vraohtrijder; eonducts!' r. Waif (reef), a. onbeheard goad. Wail (reel'), a. jammer-, weekiacht. —, v. a. & n. jammeren weeklagen (over). —ful, a. jamme • rend, droevig. —ing, a. weeklacht. Wain (wean'), a. wagen. Charles's —, de groote Beer. —house, tvagenaehuur. —load, wagenvracht. —rope, wagentouw. —age, a. wagenvracht. Wainscot (ween'skut), a. wagenachot, lambrinearing. —, v. a. (met wegenechot) beklseden, betingelen. —ing, a. wagenschot. Weir (weer), a. etuk timmerhout (6 void lang en 1 voet breed). Waist (weefttl, a. middels midi tidek, kill, —band. broekaband. —cloth, achanakieed. —coat (wee'. knt), a. vest. —rail, rahout. —skirt, halfhemdje. —era (-art), pl. kutigalten.
Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin met Ira


DIgnifleatIon (dig-nit-fl-kee'ajun), a. verlielling. Desna fled (dig'ni-fajd), a. doorluchtig, hoogwaardig. —fy (-fall, a. a. verhoogen, verheifen. —tarp, a. waardigheidsbeklee der; kerkvoogd. —ty, a. waardigheid. Digraph dargref), e. tweeklank. Digress (di-gress"), v. n. afwijken; uitweiden. —ton (-ajun), a. uitweiding. —ire, a. —irely, ad. uitweidend. DUudicat a (di-dzjeredi keel), v. a. vonnisaen, uitwijzen. —ion (-kee'sjun), a. uitwijzing, vonnis. Dike (dajk), a. grach', greb; dam. —, v. a. inAiken. Dilaoerat e (di-les'ur-eet), v. a. vaneen scheuren. —ion (-ee'sjun), 0. vaneenacheuring. Dilapidat a (di-lepii-deet), v. a. omverhalen; verkwiaten; v. n. vervallen. —ion (-dee'sjun). s vervalling; sleeping; doorbrenging. —or, a. Blooper; doorbrenger. Dilat ability (di-lee-te-bil'it a. uitzetbaarheld. —able, a. uitzetbear. —ation (dil-e tee'ajun), a. uitzetting. —e (-leet'), v. a. doen uitzetten, verwilden; v. n. uitzetten; uitweiden. —or, e. verwijder. —oriness (diPe-tur-), a. traagheid; talmerigheid. —orily, ad. — ory, e. (dille-tur-) traag; vadzig; talmerig. Dilection (di-lek'mjun), s. innige genegenheid. Dilemma (di-lem'me), a. klemrede; verlegenheld; dilemma. Dilettante (dil-et-ten'te), a. dilettant; lief hebber. Diligen ce &Jens), s. vltjt, naarstigheid; reiswagen. —t, a. —fly, ad. naaratig, vlijtig. Dill (dill), a. dille. § —, v. a. bedaren; lenigen. Dilly-dally (diPlih-del-lihl, v. n. talmen. Dilucid (di-ljoe'sid), a. klaar, holder. —ate, a. a. ophelderen, verklaren. —alien (-dee'sjun), a. opheldering; toelichting. Diluent (dilloe-ent), a. verdunnend. verdunnend middel. Dilut e A. dun, 'ierdund; v. a. verdunnen, aanlengen. —er, a. verdunner; verdunnend middel. —ion (-1joe'sjun), s. verdun• aanlenging. Diluvl al (di-ljoe'vi-el), —an, a. den zondvloed betreffend. Dim (dim'), a. —ly, ad. duiater, • schemerig. —sighted, slecht van gezicnt. —, v. a. verduisteren. benevelen. —mish, a. duieterachtig; dof. —nes a. duiaterheid; kortziehtigheid. Dime Itlainf), a. een tiende dollar. DiMen sion (di-men'sjun), s. afmeting; omvang, uitgebreldheid. ---siOntesd, a. onmetelijk. —sity, a. uitgebreldheid, omvang. —sive, a. atmetend; do grenzen aanvvijzend. Dimidia te (di-mid'i•eet), v. a. halveeren. —tion 1-ee'sjnnl, a. halveering. Dimin ish (di-min'isj), v. a. verminderen, verkleinen; v. n. verminderen, afnemen. —ution (dim-i-njoe'sjun), a. vermindering. Diminutiv," (di-min'joe.tiv), a. —ly, ad. klein, goring; verkleind. a. verkleinwoord. —ness, a. geringheid. Dimiss ion (di-mis'sjun), a. ontslag; wegzending. —ory (dim'is-sur-rih), a. ontslaand; near sea' anderen rechtar verwijzend. Dimity (dim'it-tili), a. diemet.
146 onbeKrensbanr., —spection (-gpek'sjun). a. OD, n- Incompasslontite (in-kurn-pettrun-et), A. ad. onmeédoogend. —ness, a. onmeedoogendheid. zachtigheid. Incis e (in...30, v. a. insnijden. — ion ( - sizri.ii), Incompatil tie (In-kum-pot'ibl), a. —bly, ad. onbestaanbaar (with). —bility (-1.bil'it.tih), a. — ore (-sizj'oer)„ s. insnijding; snede. —ire, onbestaanbaarheid. ( - sajs' - ), a. insnijdend. — or ( - sajs'ur), s. snijta ad. knelt ant (in - saftent)., a. prikkel, opwekk,rd Inconspeten ce (in-kom'pe-tens), —cy, s. onmiddel. — ation (-si-tee'sjun), —ement, s. Ramp° bevoegdheid. —t, a. —tly, ad. onbevoegd (to). ring, prikkelIng, ophitsing. —e, v. a. aan,p0- Incomplete (in-kum-pliet"), a. —ly, ad. onvolren, prilckelen, ophitsen, — cr, s. aanspoorder, ledig, onvolkomen. —ness, a. onvolledigheid, ophitser. onvo lkomenheid. Inclv filly (in-si-vil'it-tih), s. onbeleddheid. Incomplian ce (in-kum-plarens), a. oninsehikkelijkheid. —t. a. oninscbikkelijk (with). -ism (-siv'rzm), s. gebrek aan burgerzin. Inciasp (in-klaasp"), T. a. omvatten, vasthouden, Incompos tte (in-kum-poz'it), a. niet amengesteld, eenvoudig. —title (-pos'ibl), a. onverInclitvatc,-1 (in'kle-veet-id), a. bevestigd. s. onbarmhar- eenigbaar. Inclemen cy tigheid, guurbeid. —t, a. onbarmbartig; guur. Incomprehensi ble (in-kom-prd-ben'sibl), a. —hly, ad. onbegrijpelijk. liraciln able (in-klajn'ibl), a. geneigd, gezind —bleness, s. onbegrweltkheid. —on (..ajun), ((a). —ation (-kli.nee'sjun), s. neiging; geneigd- afwijking. — atory, onbevattelijkheid. —ve (-sIv), a. onbevattelijk; heid; genegenheid; beperkt. a. —atorily, ad. (.klin'e-tur-), overhellend. —e, a. onsaa, a. neigen; geneigd waken, (to); v, n. overhel- Inconapressi ble (in-kum.pres'sibl), s. onsamenlen, geneigd zijn, (to). — er, s. hellende tonne- mendrukbaar. —bility drukbaarheid. wijzer. Incolumputible (in-kum-pjoe'tibl), a. onbere(in-klip"), v. a. omvatten, ornhelzen. kenbaar. Inclolster (in-klojs'tur), v. a. in ten klooster Inconcealable(in - kun-siel'ibl),a.onverbergbaar. opsluiten. Inclose (in-klooz), v. a. —ore (-zjoer), a. Zie Inconcelva ble (in-kun.aiev'ibl), a. —bly, ad. —blend°, a. oubegrijpelijkheid. onbegrijpelijk. Enclos e, --are. —ly, ad. Incloud (in. klaud' I, v. a. omwolken; verduisteren. Inconclusive (in - kun - kloe'ziv), a. niets bewijzend, niet beslissend, onafdoend. Irwin de (in - kloedl, v. a. insluiten, in zich be- —neon, s. geniis aan bondigheid, onbeslissendgrijpen. —sion (-kloe'zjun), a. insluiting. —sive, held. a, —sively, ad. (-kloe'siv.), insluitend; ingeslo- Inconcoct (in-kun-kokt'), —ed, a. onverteerd, ten, daaronder hegrepen, (of ). (-kok'sjun), a. onverteerdheid. Inconguleable (in-ko-eg'ioe-libl), a. niet stol- Inconcntring (in-kuu-kur'rieng), a. niet overboar. Iriceerclble (in-ko.ur'sibl), a. onbedwingbaar. eenstemmend. Incogit ancy (in-kodzri-ten-sih), s. iedachte- Inconcussible (in-kun-kus'aibl), a. onwrikbaar. loosheid. --ant, a. gedachteroos. —ative (-to-tiv), Incondensable (in-kun-den'sibl), a. onverdika. zonder denkverrnogen. bear. Incolleren ce (in-ko-hPrens), —cy, s. gebrek Incondite (in.knn'dit), a. ruw; onbesehaatd. aan samenhang. —t, a. —tty, ad. onsamenhan- Inconforan able (in-kiln-form'ibl), a. ongelijkvormig. —ity, a. ongelijkvormigheid. gond, zonder verband. inconabusti ale (in-kuna-bus'tibi), a. onbrand- Incongcnlal (in-kun-dzji'ni-el), a. ongelijksoortig. baar. —bility (41.-bil'it-tili). —blends, s. on- Incongru enco (in-kong'groe-ens), —ity (-kunbrandbaarheid. groe'it-tih), s. ongepasthetd, gebrek aan overIncome (in'kum), s. inkomaten. Incomniensurn ble (in.lcum-rnens'joe•ribt), een , in ► ming. —eat, —oats, a. —nasty, ad. niet paesend, niet strookend, ongerijmd (with). —te (-ret), a. onderling onmeetbaar. —bility (-re Ineonnection (in-kun-nek'ejun), a. getais van bil'it-tih), s. onderiinge onrneetbaarheid. Incomin Iscible (in - k,m - mi.'8ibl), a. onver - samenhane. (-rnikst'joer), s. ouvermengd- Iuconsequen ce (in-kon'ee-kwens), s. valsche mengbaar. gevolgtrekking, ongerijmdheid. —t, a. niet volheid. Incommod e (in-kuni - mood'), v. a. lastig vat- geed; zich niet geiijkblijvend. —tial (kwen'ejel), a. zonder gevolg; onbelangrtjk. len, hinderers. —ions, a. —iously, ad. lastig, on- Incoassidera tale (in-kun-sid'ur-ibl), a. onbegemakkelijk. —iousness, a, lastigheid; ongemaks. onbelangrijkheid. langrijk, gering. kelijkheid. —te, a. —tety, ad. (-et ), aehtelooe, onbedachtlincornmunica ble (in-kum-rnjoe'ni-kibl), a zaam (of). —terted (-et.), —tion (-eirsjun), -tly, ad. onmededeelhaar.—bility (-ke.bil'it tih), teloosherd, onbedaehtzaamheid. onmededeelbaarheid. —tive (-ke-tiv), a. achtet • Inconsisten en tin-kun-sist'ens), —cy, s. onhoudend. bestaanbaarheid; onbestendigheid. —t, a. —tly, Incommutta ble (in-kurn-mjoet'ibl), a. onver- ad. onbestaanbaar, in tegentipraak (with); ons. onverander- anderlijk. —bility gerijrnd. iijkheid. Inconsola ble (in.kurposool'ibl), a. —bly ad. Incompact (in-kum-pekt'), a. los, ijl. incompara ble (in-kum'pe-ribl). a. —bly, ad. ontroostbaar. onvergelijkelkjk. —bleness, 6. onvergelijkeltjkheid. inconeonan co (in..kon'eo.nens), —eV, a. wan-
D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-

Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]
Bei aAn, or. w. to afflom, to assent to. Being, o. pursuit, also. —en, os7. 7, - . to pursue, to strive (to stead) for, to aspire to; to obtain. —er, m. pursuer, striver. —ing, v. pursuing, striving (for). IleJlginneeren, ov. W. to regret, to lament, to deplore —.mantis', bv. lamentable, dee torah', 11..11 , gen on, ov. w. to meet (with); to treat, to use; On. W. to happen, to befall. —icy, v. treatment, usage, reception. link, in. mouth, muzzle, jaw, chaps, snout; Kullet; beak, bill; nib; socket, homer (eener lamp) --ken trekken, to make (wry) faces. —kesnjider. but ►y., hector. Bekettid, by. half dead, a little touched. (ran flack); abashed, at a Ioes ; at a nonplus; full of rents, — creeks. Ergent afkomen, to get the worse of it. Bee al', by. quite exhausted, over-apent with fatigue. —rfideet, to over-ride, to jade. Beknkken„ ov. w. to beebite. BeknIken, or. w. to plaster, to cover with lime Beknflen, ov. w. to pereuade. tee whe:,dle (into), to slander.
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

Hoe lang duurt het om een ​​Bitcoin mijne


PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

gen z cryptogeld


Z7.3 Shrew (sjroe), a. feeka, helleveeg. —, —mouse, Shuttle (ejut't1), e. achietspoel. —cock, pluimbal. s. —1y, ad. schuw, beschroontd, be• spitsmuis. Sh}' .1; ft hterhoudend; achterdoehtig; onnichtig. d Shrewd (ejeced.), a. —1y, ad. slues, listig, loos, v. n. chlchtig zijn (worden). —tires, schuw—nem. e. sluvrheld, lnosheid. achterhoudendheld; beachroomdheld; held, Shrewigh (ajroe'nj), a. —ly, ad.twistziek, snib re.hichtigheid. big. heftig. —ness, a. twistzucht, heftigheid. Shriek (ajriek), s. gii. —, v. n. gillen,achreeuwen. Siblin nt (sin'i-lent), a. sirsend; s, sisletter. 1-leo'ajuu), a. closing. Shrleval (sjrie'vel), a. van eels.' sheriff. —ty, Sibyl (etb'il), a, atbylle, waaraegater.;—lice (-lajn), sheriffschap. a. eibyllijnach; voorapeliend. Shrift (ejrift), e. biecht. Sive ate (sikikpet), v. a. drngen. —alive ( ke-tivl, Shrike (sjr)k), a. steenvalk, sperwer. a, & a. opdroogend (middel). —ity (-sit , tih), a. Shrill (airiil'). a. —y, ad. achel, aehrii. —, v. a. drropte, mat eene sehelle stem zingen of uitspreken; (forth) uttgillen; v. n. gitlen. —ing, a. gillende Sick laik'), a. ziek; mtsFelijk; (of) moede. —.en taik'Ic ► l, v. a. & n. ziek waken (worden). —ish, toot, —nese, a. schelheid, actirithetit, a. ziekelijk; misselijk. —liness 1 1 1- noes). a. . 1 . Shrimp (ajrimp), a. garnaal, dreumes, kelkjkheid. --ly a. & ad. zie4elijg. —ness, a. Shrine (sjrajni, reltquientaitje; aitaar. tinkle; mimaelijkheid. Shrink (sjrink), a. krimeing, rimrel; huivering. a. Nikkei. Shrink )ajrink I [shrunkj,v • a- then sanientrekken Sickle (krimpen); (up) °p ► ilter]. (de schnudera); v. a. Side isajd'i, a. zUdeltugsch; zij-. —, a. Ode., karat; part'). —by —, naast elkand.er. —arms, pl. zijdkrimpen, 'neon krimpen; sidderen. (at) zich opt- geweer, —blow,. clog van ter aijde, —board, hut. mitten over. (from) terugdeinzen your. (under) bezwijken onder (up) ineen krimpen. duig. —box, zij-loge. —counter, windveer. profiel. fish. @cheat, %yang (v.n eel , ' CaArore, ahriv,zn tsjriv'n)], v. a. & Shrive mast). —glance, zijdelingische bilk. —lantern, biechten. —r, s. bieehtvader. a)agianiaarn. —lays, p1. verache jachthomden. Shrivel (ajriv 1 11, v. a. & to rinapelen; krimpen. Shroud (mica. d'),e.dood kl eel; bemehuttl ng. —cleat, —notes, k ant tep,kenibgen. —rope. viclreep.— saddle, teoneelscherm, couitsze. Trouc•enl3del. wanthiamp. hook, wantiaaak. —knot, w:tntknoop. titan, helper (tan den. Boater); —shoot, zijloot. —stopper, wantsto p per. —taek/e, wanttaice. partkjaihn. —stick, bindsteeg. —taking, het kit —truck, wontk)oot. —. v. a. bekieeden, :Len tan partij. —treed. p1. zijstukken (yen eon' ken; verbergen; beechutten; v, a. zic ► verbergen; voetgeziehr van ter :dia.,. mart). beachutting zoeken. --a, pl. want., hoofdtouwen. elui- ►neur. — wind, zilpad voetstraat. Shrove (ejroov'), a. Vacten. —nundag, eerste urn- wind. —, v. a. vierkant snakes; ondereteunen, ch); In 'de Vasten. --tide, —tuesdag, dog v(56r de kiezen; t; v. n. overhellen; part',) hr t houden Varsten, vastenavond, yaw—Zing. (with , partij iciezen voor; op de zijde Shrub (mirub'), a. attnik, heez ter: drew., (Noon a. zij waartsch, Odeft. iteltend, schutia. van) punch. —, v. a. van arraiken zuiveren; af- lingsch; ad. zkjwitart.m., ail aelings. —ways (-weed, cameos. —berg(-bur-rih), a. hers ,. erplantsc..n. i-wajz), ad. van i,er zijde, —wise a. atruikachaig; vol struiken oaf heesters. Sider at (eid'ur-el), —col (-Vri-e1), a. sterren-. Shruff (Oreff),•s, metaalachuim. —aced, a. verweerd, verzengl. —corophy (-ug're& n. Shrug isjruga, a. schouderophaling. fili), a. ataaigraveerkunst. (de ac)touders) °Otten. Shudder lajud'dur)... rillinhr, siddering. —, v. n, Sidle leardlt, v. n. zildelings loopen. Siege (siedzj), a. beteg; belegering; aetei. huiveren, sidderen (at. with). a. door8chtubtirg, liat, kunst- Sieve (sir), e, seer. ShssM e v. a. sitters; onderzoehen. uitpluizen; grcep. —e, v, a. dooreen echudden; verwatren. Sift poleen; (Gut uitvorachen. —er, a. titter; uttplui(away) heimelijk wegmaken. (in) op eene lintfge zee; meeibuil. wijze inbrengen. (off`) van tick afschuiven, tick (saj), a. zuclat. —, v. u. zuehten ?at, over); v. n. het- —e, armaken van. (up) samendansen. (after. for) haters► aelen; de koarten doorschieten; wa;rgelen; ducal- op richt. by--, en, uitviuchten znekeit. (off') zieh wegpakken. Sight kaajt!), a. geziehti vizier. a t vat, aenzien.. —'s-man, die van het bled ziugt of (through) doarheen slaan,—woratelen. (up) oproe- s; eelt. —less, a. blind; --live. rig lkjeenkomen. —er, s. deorschudder, heart- a. bekoorlijk, --ly, neon), a. bekoorlijkheld. bedrieger. —ing, a. —ingly, ad. Hotly, be- oogelijk. driegelijk, op eane mlinksche wijze; waggelend. Sigh (ard'zjil), s. zegel. —ing, a. ultvlucht, draaierij. Shun (,.fun'), v. a. verreijden; vlieden, schuaven. Sign is,j1.0)„ s. teeken, merk; went.; uiti► angbord; hainctteekening. —post, onite ► leeliening. —less, a. onverrnijdelijk. v. a. mijipaal; post van can uithangbord. 'Aiwa (njunt), v. a. op Pen an.ler spoor brengen. te,konen, merke ► ; ondertee)ienen; aantoonen. s. Shast Wet), a- ges.loten; vrij, bevrijd. Signal tsig'nel), a. teeken, nein. —, o. —tit, ad. tang; deksel, klep; deurtje. uitstekerni. --ize (-ajz), v. a. doeu ultblinken; Shut (siut 3 ) [shut], a. a- aluitea, dichtmaken; be- onderscheiden. aluiten; lasschen. (from) utteluiten van, (in) in- eluiten. (out) uitsluiten. (up) opslui ten; dieht- Signature (si,ene-tjonr), a. handteekening. v. n. zieh aluiten., dichtgaan. —ter, Signer (aajteur), s. onderteekenlar. eluiten. Signet (aig'ult), a. zegei. —ring, zegelring. a. eluiter; veneteriulk, Wind.
PON —POlt. 227 ad. prachtig, pralend; hoogdravend. --ouenese, (-lee'ajun), a. bevoiking. —ou s, s, oue tad. bevolkt, volkrijk. —ousness, :.u berolithel a. Zie Pomposity. Pond (pond'), a. vijver. —weed, zwemkruid, man- Porcelain (porsleen),s.porselein.—elay,—earth, poraeleinarde. —shell, porseleinechelp. gehrortel. Ponder, (pon'dur), V.A. overwerenoverpeinzen; Porch (poortaj), a. overdekte ingang, voorhof, v. n. peinzen, nadeoken (on). —able, a, weegbaar. portaal. —once, s, gewicht, zwaarte. —er, a. overv,eger, Porcine (por'sajn), a. zwijnachtig; —ousness,s. zwaarte. Porcupine (por kjoe-pajn), s. stekelvarken. peinzer. —salty —owl, a. —ously, ad. zwaar, gewichtig. 1Por e (poor'), s. zweetgaatje, purls. v. a. (on. upon) itch verdtepen in. (over) turen op. —iness Ponent (po'nent), a. westelijk. Pcniatd (pon'jurd), s. dolk. v, a. doorateken 1-i-neas), a. poreusheicl. Pork (poork'), a. varkenivleeseh; varken.-6ateher , (met eon' hulk). spekslager. —chop, varkensrib. —er, s. zwijn. —et, Punk (pungk). a. nachtapook, kabouter. Pontage (pon ttdzj), a. bruggegeld. —ling, o. big, jong varken. Pontee (pun-tie'), a. ileAbhouder (14) glas- Por ous (po'rus), a. poreus. —osity(-ros'it-tih), —ousneu, s. poreusheid. blazers). Pontiff (pon'tif), e. hoogepriester; pans. Porphyry (por'fl-rib), a. porlier. Pontitic !pun-tIfn), —al, a. hoogeprieeterlijk; Porp oboe (por'puu), —us, a. bruinvisch. feestelkjk. —ale (-el.), pl. prlesterlijk ambtsge- Parraceous , par-ree'sjus), a. lookgroen. wand. —ate (-kot), s. hoogepriesterschap; pause- Porret (poen°, s. ajalotte. lijke waardigheid. Porridge (por'rldni), a. soep; pap. —belly. papPontifice (pont'i flog, a. brugwerk. bulk. —dish, soepkom. —pot, soepketel. Pontoon (pun torn'), a. schipbrug; pont. Porringer (por'rin-dzjur), s, diep bord, soepPotty (po'nih), a. hit. bord, nehaaltja; laatbekken. Food (pooh), s. poed, pud (russisch gewicht). Port (poort'), b. haven; poort; ingang, opening; Poodle (poedi), a. poedel. geachutpoort; bakboord; tonnemaat; houding, pooh (poe), fat. pooh! b.111 oho! I voorkomen; portwijr, to clear the —, ultloopen. Pool (poet'), s, poet; inzet. ---ccunters, speel- —admiral. havenadrairaal. —bar, poortlegger. --charges , havengelden—eha8e,jaagoort—clear markjes. --snipe, poelsnip, . p . Poop (poop'), s. achtersteven, hut, kampanje. ing, bet uitloopen. —hinge, poorthengsel. —hole, gesekutpoort. -- last. potdeksel, dolboord. —lid, -.awning, zonnetent. —ladder, kampanjeladder. poortluik. --light, kajuitraana. —man. inwoner —lantern, heklantaren. --royal, bovqnkajuit. Poor (poer'), a. — ly, ad. arm; sehraal, dor; eener havenstad. —mote,havengerecht. —padlock, maser; rileudig, armzalig. (de) Armen. valiesslot. —reeve,sehouteener hevenstad. --rope, —box, armbus. —house, armhuis. —john, atok- poortschinkel.--sait,ballastkleed.—ea/e,spoedige vlseh. —law, armenwet. —man's-pepper,. peper- verkoop der lading (b het binnenloopen). wortel. —rate, armengeld. —spirited, moedeloom. poortdrenipel. —tackle, poorttalle. ---timber, iathartig. --4piritedness, a. laCharttgheid. —ish, poorthout. —town, havenrstad. —vein, poortader. a. armelijk, armzalig. —ly, a, ongesteld, lijdend. windpijp. —wine, portwijn. a. armnedigheid; sehraalheid; magerheid; Port (poort'), v. a. dragea; near bakboord wenden. —able, a. draagbaar. —ability (-e-birit-tih), Pop (pop), a. klap, slag, pof. —gun, a. klakke- —ableness, a. draagbaarkeid, —age, s. (het) drabus. —, v. a. and bewegen. (away) haastig rer- gen; draagloon. s. portaal; poort; ingang. bergen. (into) instoppen. (off)afschieten; afeche- —once, handing, voorkomen. pen. (out) later ontglippen. (out of) ult den zak Portcullis (poort-kuPlis), a. vaideur. kloppen. —, v. n. kioppen, potter; nick echielijk Porten d (pur•tend'), v. a. voorspellen. —t, s. vertoonea. (in) binnenstusven. (into) instoppen. kw aad v-aorteeken, voorbode. a.- onheil(off) nick nit he voeten waken. (on, upon) aantref- spallend. ten. (out) near buiten snetlen. Porter (poor'tur), a. pnrtier; krttier; porter ibier). Pope (poop'), a. pane. —fly b korenworm. —,Joan, —age, s. draag-, kruiloon. z'-ker kaartapel. eye,(net) vet in een' schape- Porifollo (poort•foli-o), a. porteteuille. bout. --'s-head, raagbol. --dom. a. paundom. —ry, Portico (poor'ti-ko), a. nuilengang, portieh. a. paungezindheid. Portion (noor'sjun), s. tkandeel; erfdeel, kindsPopinjay (pop'in-dnjee), s. mogul; boom- gedeelte; huwelijksgoed, uitzet. —, v. a. ultdeespeeht; fat, saletjonker. len; (with) ten huwelijk medrgeven. —er, s. nitPopish (po'pinj), s. —ly. ad. pauegesind, paapsch. denier. —ist, s. deelheb ber (eau zekere ink° oaten). Poplar (pop'ler), a. populier. —galls, populler- Port Illness (poort'll-news), s. deftigheid. —ly, knoppen. —tree, popullerboom. a. deftig; voraarlijvig. Poplin (poplin), a. stof van wol en zijde. Portmanteau (poort-men'to), a. valley, mantelPoppy (pop'plh), a. slag bob. zak, Popo' ace tpoplos les), a. gepeupel, grauw. Por2ofse (poort'is), a. Zie Portlast. —ar. a. —arty, ad. volke-; voor het yolk; hij Portrait (pooetreet), a. portret. —painter, porhet volk gezien. —arity a. votkagunst; tretsehilder. —urn (-joer). a. (het) portretschilgesehlktheid voor het volk. —arize (-ler-ajz), v. deren; portret, afbeelding. a. algemeen bemind maken. —ate (-beet), v. R. Portray (poor-tree'), v. a. portretteeren;afbeelbevolken; v. n. nick vermenigvuldigen. —ation den, afschilderen.

Kunt u kopen Bitcoin op Robinhood


A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

cryptogeld zcash


atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.

This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


to tall erty, t0 grow poor. aan den drank (to take) to drinking. G trammel, o. rattling. G erased, be. edged, bordered; (van munten) mill —e dukaten, ring-ducats. G crate', o. rattling. Gerlach', o, (court of) justice, tribunal; jurisdiction, course, dish, service. jongste —, lost judgment, dooms-day. racy het dayen, to summon, to enter an action ageinst. houden, to administerjustice, to hear causes. —abode. appar itor, summoner. —.day, court-day. —sdienaar, tipstaff, summoner; constable. —ado!, court at justice. —sko;ten, law-charges, law-expenses —splaats, place of execution. —Lava, justiceroom. —sniffing, session, assizes. —, be, & bw . just (-1y), equVable (-blye —eligc, be. & bw. judicial ;-ly), legal (Iy); tervolyen, to punue at law. —ig, be. & ow. just (.1y), lawful (-ly), righteous Hyl. —igd, bv. authorised, qualified, entitled.. —iyheid, v. justice, equity; righteousness eredder, o. co.earing, arranging, G tweed, be. & bw. ready (-11y). —make), to prepare. —e'ljk, bw. readily. —held, v. readiness; brengen, to prepare, to make ready. t1,1 stresedeeleap, o. utensil., tools, implements, inetrtunent•; rigging, tackle. Gereforsneerd, be. reformed. Geregeld, be' regulated, regular, orderly, fixed, set. —heid, v. regularity, order. beret, Gzrelde, o, utensils, tools, implements; things, stuff. Gerels, o. travelling. (ierekcn, o, reckoning, calculations. Gerekt, br. tedious. —heid, v• tediousnets. Si a rel, o, !tieing, ranting, chat. Gereotel,o. rattle, rattling, prattle. Genf kamsr, v. escriety, vestry. —sehaat v. join r's plane. G trite", In. notch. coons-groove, Geribd, by. ribbed, nerved. (ierlclit,o. Zie G erect& G aerlsaf, o. accommodation. convenience, comfort. —JO, be. accommodating, convenient. cornmodioue, comfortable, serviceable. —elijkieid, v. a,commodetion, convenience, commediouenees. Gerleven„ or. w. to accommodate, to oblige. Garti, o. riding. erkitn,e). rhyming. Gerikkik, o. croaking (of frogs). Gering, by.low, mean, vile; smell, trilling. — ariaten, —echatten, to undervalue, to el,ght. —*chatting. ftoregerd. —heid, v. lo wneee, meanness; smallness, triflingnees. Getlogd, he. ringed. Gerinkel, o, jingle. citing. Gerit, o. bustle, stir. GerItsti,o. rustling. Gerothel, o. rattling, epawling. Geroep, o. calling, call, shouts, clamor. Zie Optist Geroer, o. stirring. Gerraezemoes, o. bustle, stir. Geroffel, o. bungling, botching. Gsrol,o.rolling.
--tine, ( - ee'sjun), a. sehatting; waardeering. - ter Vaean cy (vet'ken-all,), a. leagte; ledige ruimte, (-ee-tut), a. echatter; watudeerder. ledige tajd; itenate; opngevallen betrekking; -. v. a. achatve,cantie; gedaehtenloosheld„ -t, a. ledig, onbe• Value (verjoe), a. waarde, ten, Iv aardeeren: aehten; in waarde evenaren; vetzee; onvervuid, vacant; geduchtenloos. gelijken. - one's self upon, zich laten voerstaan Vaea th (ves'keet), v. a. a:Amin:en; opgeven; to op. -, v. a. (on upon) trekken, afgeven op. &Jet doen. -action (ve-keb'ejun), a. aitchaffing; -less, a. zonder waerde. -r (-ur), a. echatter. Tusttiltl • vaeantie. (-it), V neciu ate (vek'sin-nee*.), v. a, inenten -ation Valor e (velv'), a. klep: deurvleugel. -et-sitar -ule (-joel), a. klepje; kleine vouwdeur. (-ee'Pjun), a. koepokinenting. -ator, a. Zie Vac•os•er), a. kiep-. chilst. -e (ook : -vain), a. koe-, van de Icon; harnas. -- inoculation, koepokinenenting; - infection, Vatnbraeo (vem'breeti), a. armplaat, Vamp (vamp'), a. overlear. -, v. a. lappen, eer-, matter, koepokstot. -ist, e. inenter atellen (up). - er, s. tapper, verateller. -ire (-sir), Vaellita any (ves'eil.len - sik), a. wankellAg; a. vampier, bloedzulger. -te (-feet)., v. n. wankel.; weafelen.. Van (wen') a. wan; waxier; vleugel, wink; hail--tion (-lee'sjnn), v. wankeling; weifeling. kar, voorhoede. -courier ( - kosei - nr), a. Ivor%Taco. ity (ve.kjoe'it- tih), e. ledigheli; 'Adige looper, voorbode. --guard, a. voorhaede. -, v. a. -um (oak"(•eit'joe-ns), a. Wttouen. joe-um), a. ledige rulmte. Vandal In (yen-dank), a. barbaarech, vernlelend. Vade-mecum (vee-de-ani'kurn), a, zakboekje ; (ven'del-lzm), a. barbaarschheid, vernielhandboek. zucbt. Verrone, (ve'frus), a. loos, schalksch. a. l and- Vat, d yk* (yen-dajk'), a. ultgetaude haiskraag. iraga bond, (veg'e.bond), a. zwervend. (ven), a vaantje, w eerhaan; vizier; windlooper. -age, -lel), n. landlooperij. vieugel, maker. Vagary (a e-gee'rih), a. grit, knur. Va,.;Ina (ve-dzjayne), a. ocheede. -/ (oak ; ved , Vsng (yang), ...lel (in eene penneschacht); geard. Vanilla (ve nille), a. vanitle. zji-nel), a. von de scheeae. V agran cy (vee'gren-s:h), a. rondzwerving„ -e, Van lab (ven'isj), v. rt. verdwtjneu (away.fron). -ity, a. ijdelheid. a. zwervend, 8, river , . landtuoper V a_outte(veeg'),a. --ly, HA. °nem ervend; onbepaaid, Vanquish (veng'kwisj), v. a. overwinnen. -er, a. overwinnaar. Vali (veal'), a. 8c v. a. Zle Veil. Vantage (nen'tit14), a. unaided, winat. -groaaci, Valle (vaelz), a. pl. fooien, vernal. meerderheid; gun:stip stand. Vain (even'), a. -ly, ad. vergeefech, vrtichteloos: Vapid (vep'id), a. t aum, dnf, verscbaald. -ity to vergeefa; to take in kidel (of); vergeefsch• in -ness, a. ft/Inv/held, verschaaldrnisbrniken. -glorious, a. --gloriously, ad. verwaand; snoevend. -glory (-gin' held. e. vermaandheith grootspraak, snoeverij Vapor (vee'pur), a. damp, wapem. -, v. a. vet.dampen (away. out); V. n. dampen, uitdampen; -ness, s. ijdelheld; raietigheid. suoeven, pocky -er, a. anoever, pocher. -orb, Valiant° (vel'ens), a< valletjo (non bedgordtjnen). a. dampig; grill . -out, a. (tamale. ; opgeblazen. Valle ( veal), a. dal, vallei. -a (-pure), pl. , ampen, winden, opetijgioaen. Valecilet ton (vel-e-dik'elun), a. vaarwel, aflab. a. ZieVai etheidegroet. -cry, a. afscheidsen. Valentine (vel'en-tajn), s. St. Velten's liefje; Varee Iver'k), a Vail able (vee'rt. :bp, a. -ably, ad. veranderlijk. St. Velten's minnr brierje. -ability (-e-bil'it-tih), -ableness, s. veranderltik• Valerian (ve-li'rl-en), a. valeriaan. held. -anca (-ens), a. versehil, oneenigheld, to Valet (vent)... kneeht. hediende. set at -, oneenig maken (-ee'sjun), e. V aletutlinar inn (vel-eajoe-dianae'ri-en), -y veran˚ veracbillendheld; afoijkine. -cot' ), R. ziekelijk; as. ziekelijk mensah. (verl-koos), -roue (reel-kn.), a. aderspattlg. Vallnat (vellent).. a. -1y, ad. dapper. -netts, s. -epate (-e-geet), v. a. bespikkelen, kakelbont dapperheid. • sehak, eren. -egation (-e- gee'sjuh), a. yeel.kisurig • Valid (vel'id), a. -ly, ad. clerk, bondig, gadig. heid; schakeering. -ety (ve.rare-tih), a. afwiese. -ity -ness, a. ktacbt, bondigheid, ling, verandering; versebeldenheld, -clout (vs. gelatighetd. raro-lus)., a. pokachtig. -one, a. -nicely, ed. Valium (ve-liez'), a. valley, mantelzak. verecheiden; veranderlijk. Visitation (vel - lee'sinn), v. verschauaing. Varix (vee'rike), e. adergerwel. Valley (vel'lth),n. dal, valley. Valor (va,"ur), v. dapperheid, -one, a. -oualy, Varlet (vaaelit), a. knecht, page; achurk, Kebobbejak. ad. dapper. Value blew (verioe-iial), a. kostbaar. -Maness, a. Varuytsh (wtenixi), a. vents, lak; verglaaseel; -, V. a. vernissen, verlakken; vereeizen; kostbaarheid. -tiles (-111z), pl. kostbaarheden.
GES.—UES• 461 Gesnik, o.sobbing. Gesnipper, o. clipping, snipping. Geffinoef,o. boasting, bragging, boast. Gesnoel, o. lopping, pruning, clipping. Genie's, o. snooping, junketing. Gssnor, o. buzzing, whizzing. • Gesnork, o. snoring; boasting, bragging. G esnotter, o, snivelling. Gesnulfell, o. sniffing, snuffing, rummage. Gesorteord, a. assorted. G esp, m. buckle. —enmaker, buckle-maker. Gespalk, o.splinting. Gespan, o. team, net, span; beams and rafters of a roof; mate. G•spartel,o. struggling, sprawling. Geapeel, o. playing, dalliance. Geapeld, be. pinned. Gespelen, ri1. me. play-fellows. Gespen, o v. w. to buckle. Gesplerd, be. muscular, vigorous. —Acid, v. muscularity, strength. GespIkkeld, bv. spotted, speckled. hoopla, o. spinning; spun yarn. Gespook„ o. haunting; noise, ado. Gespoord, be, spurred. getaarad en —, booted and spurred. Gespost, bv. mockery. scoffing, railing. Geopr ► k, o. conversation, disc .urns. ern — aanknoopen, to enter into conversation. Act — eibreken, to drop the conversation. Geoprenkei, o. sprinkling. Geoprokkell, o gathering, picking up. Gespssis, o. bustle; rabble, scum. Gespuxw, o. spitting. Gest, v. yeast. Gostaaird, be. confirmed. Gestaaid, be. steeled. Goetftehlts,bv. yeasty. Gestadig, - 13v. & bw. steady (-ily), continual (-1y), constant ( ly), settled. —heid, v. steadiness, continuance, constancy, settleduess. Geste:He, —nts, v. figure, shape, form, size; stature. Gestamel, o. stammering. Gestensp, o. braying, stampii g. Genternpvoet, o stamping, trampling. G estrus d, bw. — doers, — OlOven, to keep. hesteen,o. groaning, moaning. Gesteente, o. precious stones, jewels; monument, tomb-stone. (iestel, o. structure, construction; triune, constitution. Geeteld, be. established; set, situated. — zijs op. to be fond of, to be bent on. —, vw. supposed.. —heid, v. situation, state, condition, nature. Gesteltesalis, v. Zie Gesteldheld. Gcsteand, bv. disposed. Zie Gestenipeld, be. stamped. Geste.), on. w. to ferment, to rise, to work. Gesternd, bv. etary, Gesternte, o. state, star, constellation. gelnisAig —, kind eonstellation, propitious star. hastens:, o. groaning, moaning Gest tette, o. edifice, building; establishnielit, institution; hospital, asylum. Gnat ig, be. yeasty. —ing, v. fermentation.

types cryptogeld


LIES. disposer, —kin", v. management, arrangement; disposal. fiesehtldee en, or. w. to p::int. —jog, v . painting. Silesellehesentsi d, v. mouldy; bashful. —dheid, v. mouldiness; bashfulness. —en, on. w. to mould. to grow mouldy. Beechisesp en, or. w, to a huee, to insult, to join, to taunt, to asperse, to jeer at, to scoff (at). —cr., in. —liter, v. insulter, jeerer, scoffer. —Sap, v. insult, taunt, scoffingr. Heschonken, by. intoxic a te, drunken, in liquor. —Acid, v. drunkenness, tipnine,s. Beethoren , dw. van Illescheren ; zie dip woord. Hesehot, o. wainscot, partition; produce; bulkhead. lilleachonsw eltik, be, speculative contemplative. —en, ov, w. to look at, to view, to behold; to Consider, to regard, to contemplate. —enuTectordip, be. worth to be seen. —er, in v. viewer, spectator, contemplator; mpectatra,,a. —kg., v. viewing; consideration, contemplation. Ileaehrei elkik, bv.. deplorable. —en, ov. w. to deplore, to weep for, to bewail. to lament. —ensweardig, by. Zie Beschreleellak. —er, rn. deplore?, bewailer, larnenter. —ing, v. deploration, bewailing. IliesobrUda,e, ov. w. to bestride. Berschrliv ers, ov. w. to write upon; to describe; to write to, to convoke. —er, m. describer, author. —ing, v. description; convocation; --:injet, schedule of Taxability. Beachroonsd, by. en bw. timid (-Iy), Timorous (-1y), bashful (-,/y). —held., v. timidity, MinorTreenail.. Besehult, v. biscuit. —bakker, biscuit-baker. Sesehuldlg bane', by. accusable„ chargeable. —de, m. & v, accused. —en, ov. w. to accuse —, to impeseh (of), to charge (with). —er, m. —seer, v. accuser, impeacher. —ing, v. accuyttion, impeachment. Beschut eel, o. fence; shelter„ protection. —stcr, v. protectress, defender. —ten, ov. w. to screen, to shelter, to protect, to defend. —ter, Tn. protector, defender. —tiny, v. protection, shelter, defence. Bevel, o. notion, idea, sense. —felijk, by. comprehensible, sensible. —feloos, be. ;Henbeleas. —fen, ov. w. to conceive, to comprehend. ---flay, v. conception, comprehension. Bodeen, UY. w. to cover, to overlay; to clout —, to beset —, to stud (reef np(ikers); to bind about, to hoop, to tip; to tag (lien veter); to shoe teen peard); to take up —, to fill (pleats); to seize, to ley an embargo on; to furl (ten sell); to snake (steel, kelk, eat.); in bode—, to fine, to mulct; on. w. to mould, to grow dull, to tarnish. Beelabberen, or. w. to slabber, to beslubber. Beellag, o. seizure, arrest, embargo; commanation, termination; iron-work, hoots, bands; garniture, ferrule, clasps, studs, clouts; tag, shoe; batter. in — nemen, teggen op, to seize., to con• fiscete, die ,aak heeft hear —, that affair is settled (concluded). Berl/wen, or. W. to sleep upon; to lie with ,
II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&

Is crypto gokken illegaal


—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.

Kunt u een hoop geld mijnbouw Bitcoins te maken


Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;

LIES. disposer, —kin", v. management, arrangement; disposal. fiesehtldee en, or. w. to p::int. —jog, v . painting. Silesellehesentsi d, v. mouldy; bashful. —dheid, v. mouldiness; bashfulness. —en, on. w. to mould. to grow mouldy. Beechisesp en, or. w, to a huee, to insult, to join, to taunt, to asperse, to jeer at, to scoff (at). —cr., in. —liter, v. insulter, jeerer, scoffer. —Sap, v. insult, taunt, scoffingr. Heschonken, by. intoxic a te, drunken, in liquor. —Acid, v. drunkenness, tipnine,s. Beethoren , dw. van Illescheren ; zie dip woord. Hesehot, o. wainscot, partition; produce; bulkhead. lilleachonsw eltik, be, speculative contemplative. —en, ov, w. to look at, to view, to behold; to Consider, to regard, to contemplate. —enuTectordip, be. worth to be seen. —er, in v. viewer, spectator, contemplator; mpectatra,,a. —kg., v. viewing; consideration, contemplation. Ileaehrei elkik, bv.. deplorable. —en, ov. w. to deplore, to weep for, to bewail. to lament. —ensweardig, by. Zie Beschreleellak. —er, rn. deplore?, bewailer, larnenter. —ing, v. deploration, bewailing. IliesobrUda,e, ov. w. to bestride. Berschrliv ers, ov. w. to write upon; to describe; to write to, to convoke. —er, m. describer, author. —ing, v. description; convocation; --:injet, schedule of Taxability. Beachroonsd, by. en bw. timid (-Iy), Timorous (-1y), bashful (-,/y). —held., v. timidity, MinorTreenail.. Besehult, v. biscuit. —bakker, biscuit-baker. Sesehuldlg bane', by. accusable„ chargeable. —de, m. & v, accused. —en, ov. w. to accuse —, to impeseh (of), to charge (with). —er, m. —seer, v. accuser, impeacher. —ing, v. accuyttion, impeachment. Beschut eel, o. fence; shelter„ protection. —stcr, v. protectress, defender. —ten, ov. w. to screen, to shelter, to protect, to defend. —ter, Tn. protector, defender. —tiny, v. protection, shelter, defence. Bevel, o. notion, idea, sense. —felijk, by. comprehensible, sensible. —feloos, be. ;Henbeleas. —fen, ov. w. to conceive, to comprehend. ---flay, v. conception, comprehension. Bodeen, UY. w. to cover, to overlay; to clout —, to beset —, to stud (reef np(ikers); to bind about, to hoop, to tip; to tag (lien veter); to shoe teen peard); to take up —, to fill (pleats); to seize, to ley an embargo on; to furl (ten sell); to snake (steel, kelk, eat.); in bode—, to fine, to mulct; on. w. to mould, to grow dull, to tarnish. Beelabberen, or. w. to slabber, to beslubber. Beellag, o. seizure, arrest, embargo; commanation, termination; iron-work, hoots, bands; garniture, ferrule, clasps, studs, clouts; tag, shoe; batter. in — nemen, teggen op, to seize., to con• fiscete, die ,aak heeft hear —, that affair is settled (concluded). Berl/wen, or. W. to sleep upon; to lie with ,
Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
1100.—B0 U. long-boat. kleine jolly-boat. serif in de —, kit& ran Hessen, first come, first (served. —egeeel, sailor, mariner. —Moak, boat-hook. —moo, boatswain. —sonanessaat, boatswain's mate. —stoma, boat rope, boat's hawser. —svolk, Brew. footmen, ov. wg.to form, to figure, to fashion. Booze, m. evil one, devil, fiend. o. evil. Borat. o. (a kind of) fins wool, — woollen thread. ford, o. plate, trencher; board, shelf. —papier, paste-board. —papieren, Irv. paste-board. Bordeel, o. brothel, bawdy- bone. —brok, whoremonger, rake. —header, —houdster, bagnio-keeper, bawd. —tail, bawdy-language, obscenities. ribaldry. Hordes, o. step, flight of steps; landing-plena. Bordla, be. stiff, hard. —held, v. 'fitness. fordurea, on. w. to embroider. It ,irduur der, m. —star, v embroiderer. —Patter,, embroidering. cotton. —naald, ern b ro lderingneedle. —patroon, pattern for embroidering. —roam, embroidering-frame. —tool, —eel, o. embroidery. —ieerker, embroiderer. Boreal, ov. W. to bore, to perforate, to pierce. in den gron(I t 3 sink, to run down. Borg, In. warrantee, gu irantee; bail, pledge, security. ou (upon) credit, — trust, — tick. — 61(iven (stain) veer, to warrant, to answer for, to go bail for. — atellen, to procure (to give) bail, — security. —stetter, bailor. —stetling. —44e4t, bailing; ball, security. —tochtettik, be. & bw. upon bail. —en, ov. w. to take to give) upon trust, — upon credit. —er, m. —star, v. one that takes (gives) upon credit. Boring, v. boring, perforation. piercing. Borne', tut. bubble; dram. —Pack, dram-bottle. gin-glass. —en, on. w. to bubble; to dram. —tag, v. bubbling. Borst, m. lad, youth. —, v„ breast, chest, bosom; brisket. set op de — kW...to be (short- breathed. lone kooge setten, to assame airs. —alder, thoracic vein. —balsem, pectoral balsam. —beeld, bust. —been, breast-bons, sternum. —besie,jnjo be. —besiebeem, jujube-tree. —drankje. pectoral de- coctlon. —gesseel, empyema. —narnas, breastplate, mileage. —holt*, cavity of the chest. —jawed:, breast-jewel. —has, chest. —Mier, pectoral gland. —koekje, pectoral lozenge, psstil. —.1ewaal, —sickle, pectoral disease, disease of the chest. —lap, breast-cloth, stomacher, pectoral; plastron. —middel, pectoral. —p/aat,breast-plate, plastron, poltral; (a kind of) sugar-cake. —rte., poitrel. —rok, under-waistcoat; Guernsey-shirt. —stale, bust, tie foratptaat. —taiker, pectoral sugar. --vin, breast fin. —Wigs, pleura. —vormip, mammiform. —wipes, corselet. —wering, parapet, merlon. —steeer, pectoral sore, ulcer in the breast. Borstal, nt. brirtle; brush. —dread, brush-wire. —maker, brush • maker. —cchlig, ig, be. bristly —ex ov. w. to brush. Bort, o.gie Hoortu. Boa, m bundle, bunch, truss, tuft, bush, sheaf. —, v. Zie Bus. Bosch, a. wood, forest. —bewaarder, --yachter, fort st.leeper,foregar —bewoner,fotester.—beeie,

Although there are some similarities between BTC and LTC, you can’t define Litecoin without pointing out some key differences, such as instant and near-zero cost transactions, increased speed of adding a new block into the Blockchain (2.5 minutes against 10 in the Bitcoin network) and a scrypt usage in its Proof-of-Work process to make it easier for regular PC users to mine new blocks against ASIC miners. It is also one of the first cryptocurrencies that adopted SegWit.
delboom. —, v. a. dagteekenen; v. n. (from)rekenen, aanvangen. —r, a. dagteekehaar. Ds- tive (dee'tiv), a. gegeven, benoemd (door de rechtbank). —, a. dativus. Datum (deetuni), Data (deete), s. gegeven, gegevens. Daub (daob'), a. kladstuk, prul. v. a. bemorsen, bcameren; kladsehilderen; bewimpelen; v. n. huichelen. —er, s.kladschilder;. lage vleier. —erv, a. kladdert; kunstgreep. —sag, a. sets klevends; gips, pleisterkalk; kladackilderi). —y, a. kleverig, smerig. Daughter (dao'tur), a. dochter. —in-late, schoon dochter. —ly, a. ale eene dochter. Daunt (daant'), v. a. ontmoedigen, afschrikken. —less, a. onverschrokken, —leanest, a. °riversaagdheid. Dauphin (dao'fln), a. dauphin. Davit (dee'vlt), s. kipstut; doove jut. —guy, ophouder. —rope, vanglijn. Daw (daow), a. kauw, kraal. Dawdle (daoled1), v. n. talmen, benzelen. —r, a. leuteraar, beuzelaar. Dawk (dank), a. kerf; keep. —, v. a. inkeepen, inkervea, Dawn (daon) a. schemering, dageraad. —, v. n. achemeren, gloren, krieken, dagen. Day (dee), a. dag; daglicht. to —, heden. —ly, dagelkiks. from — to —, van dog tot dag. every other —,om den anderen dag. this — sennight, van daag voor acht (lege], to carry the den slag winnen. —s of grace, respijtdagem. lay—s, ligdagen. —bed,ruatbed. —book, dagboek. —break, —spring, het aanbreken van den dag. —coal, bovenste kolenlaag. —dream, droom in wakenden toestand). dagdiertje. —labor, dagwerk. —laborer, daglooner. —light, daglicht. —s-man, scheidsman. —scholar, dagscholier. —school,dagschool. —star, rnorgenster. —time. dagtijd. in the —time, over dag. —work, dagwerk. —'s-work, het werk vita iênen dag. —writ, dagverlof. Daze (-deco), a. zekere blinkende steen. Dag.z1 e (deez1), v. a. verblinden; v. n. verblind zijn, achemeren. —ing, a. —in ly, ad. verblindend. Deacon (die'kn), a. diaken; deken. —ess, a. dia. beams. —ry, ---,hip, a. diakensehap. Dead (dad'), a. dood, levenloos; doodach, stil; as mat; werkeloos; blind (zonder opening). —alive, levered a door-nail, dood ale eon pier. dood. —bargain, apotprijs.—beat, zetter. — block, doodshoofdblok. —barn, doodgeLoren. —calm, doodstilte. —drink, verschaalde drank. —doing, doodelijk, verwoeetend.—door,looze deur.—drunic, atomdronken. —eye. puttingblok. —hearted, versaagd. —killing, onmiddellijk doodend. —lift, hopelooze toestand. —lights, luiken, stormblinden. ledige tiesschen (lijken). —neap, dood geti). —nettle, doovenetel. —pledge, dood pand. —reckoning, gissing omtrent den gang van het schip. —sleep, diepe alaap. —struck, doodelijk ontsteld. —water, kielwater; atilataand water. —wind, tegenwind. —wood, tegenkiel, alemphout. —work, dood deal (deal van het sehip boven water). Dead (ded'), a. (de) looden; doodatilte. in the — of winter (of the night), in bet hirtJe van den win-
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Wat gebeurt er als je dubbel Bitcoin besteden


meendeeing. —ing, v. rumpling:, wrinkling; twipttug; wrinkle, winding, bent, meander. Kroota., v. crown; chandelier; lustre; horns. de — spannen, to excel. near de — sicken, to compete (to vie) with. —dome; n, crown-land. --g/as, crow nglass. —/iest, cornice. —prins„ prince royal, prince hereditary. —prinses, prrncees royal —rod, crownwheel. —werk, crown-works. •—tee, o. coronet. —tjeskruid, wild parsnip. crown imperial. Kroom. o. duck-weed; g, bias. o. damson. Kroost, o. off,oring, children, progeny. Krool, v. (red) beet. lat op, m. craw, crop, gizzard; neck; sic firor)geuireel. —, v. head (of cabbage-lettuce). —ea*, dough for fettenieg, jugular vein. —been, breast-bone unbolted bread. —dunsel, lettuce. —gene, crammed goose. —gezwel,Koitre, De,byabire beck. —lap, gorget, —sa!ade, cabbageletcuce, —voget. cormorant. —steer, ctrofills, king 'e evil. Krnp pee, or. w. to cram, to fill up; to manage; on. w. to cribbage. —ar, ma. crammer; cropper. —erd, cat. cropper. --ig, ho. choking, dry. Tirol. to cot, hovel, tut; bswely-house. bawdy-house. —airy, v. strumpet. —ten, on. w. to rake. —tee, me rake. iir“stil en, on. w. to groan, to whir:inter. —ere, m. groaner, Kruk!, 0. herb, plant; simple; greens, snim —toek, herbal, —doov. eplce-box. --tuts, botanical garden. —kenner, —kundige, botanist, herbaliet, —koek, spiced elineerbreed. —kende, buthniee„ botany. —kunrlio, botanical. —naget, clove, —Linens, dove-gillyflower; clonetree; —Ow, oil of cloves. --200t, nutmeg. —worm, caterpillar. —ekaz;j4 —eratijn, spiced vinegar. —.entecer,—enzoeker, botanist. herborist. —erkaas, epiced cheese. —erwijn, spiced wine —achtig, by. lo?rbaceuee. —en, ov. w. to spice, to season, to areinatize. iliessidenter, tar. grower. —scab, grocer 'a trade. --owaren, groceries. ---,minket, grocer 'e shop. frernildeerlj, v. spice. grocery. Kruldig, be. epeey, aromatic; nice, neat. —held, v. epicineas, fregrantueas; nieenems. lIfireit.tje-erererernti-niet, au. sensitive-plant, touch-:we-not. kraals era, or. w. to carry (to transport) on a wheel-barrow; fin. w. to float, to drift, (teen ifs). ale —wage, wheel-barrow; protection. --steel, porter "ti trap, —er, m. porter; —aloe, porterege. —ing, v. floating, driftleg. Kruik, v. pitcher, jug; urn. —en, or. w. to bottle. Krult, v. jest, joke, fun. om for fun 's rake. —en, on. W. to coo. Kruttl ug, m. an ameie. Rimini, v. crumb, cram; pith, marrow. —aehtig. be . crummy. liirrellnei, v. cram. —car, m. —o.areter, v. cruetsbier; punctilious —, stingy person. —en, or. lk on. w. to crumble; to be ;tangy. --ig, by. crumbling, crummy; stingy. —sag, v. crumbling. Paroles en. ov. & on. w. to cram, to crumble. bv. erunolling; crummy.

Fail ( ► ull), a. vat; hailing; afneming; widergang; timing; uitstorting; toonval; eb; waterva1; herfst. Fall (faoll) {fell. fallen (faal'n)], v. a. doen vallen; vellen; jongen werpen; v. n. vallen; afne, men; gebeuren; beginnen. — asleep, in elattp vallen. — astern, overstag wenden. — a note, eon' toon zakken. (away) afvallen, lzwijnen. (back) terugvallen; terugtreden. (down) nedervallen; afvareo. (from) afvallen. (in) invallen, inzakken; inatemmen. (in with) overeenstemmen met; ontmoeten; slangs geraken met. -- in hand with, ondernemen, wagen. — in love with., verlieven op. (into) justemmen met; toetredett tot; valien in; geraken in. — short (of), niet berei ken; gebrek hebben aan: teleurstellen in. (o) afvallen; Nervallen. (on) aanvatten; aanvalleu. (out) nitvallen; pleats grijpen; oneens warden. (over) overloopen. (to) toevallen; zich begeven aan, beginnen; — one's share, te heart vallen. (under) behooren tot; geraken ceder; een voorweep worden van. (upon) komen op, bedettken; aantasten. Fallacious (fel-lee'sjus). a. —ly, ad. ► edriegelijk. —ness, R. bedriegelijkheid. Fallacy (felne-sib.), a. nualetding; drogrede. Faint bility (fel-li-billt.•), a. fellbaarhel.d. —tile, a. —bly, ad. (fel'libt.), feilbaar. Failing (faoll'ieng), a. (het) vallen;holte. —ateey,s. afval. —off, a. giering, afhouding; Oval. —out,s. ruzie, uitvai. —, a. vallend. —sickness, vallende —star, vallende ster. —stone, donderkeil. Fallow (felgo), a. veal; break. —, a. braakland. —, v. a. voor de earste meal beploegen (break • land). —finch, a. kwikstaarrje. False (Paola"). a. —ly, ad. Taloa. —dealer, bedriege• — faced, geveinsd. —fire, blikvuur. —hearted, valach, verraderlijk. —heart edness, a. valschheid. —hood, a. onwaarheid, lettgen. —ness, a, valschheid. Falai,' fable (faol'ai-faj•ibl), a. vervalschbaar. —ieation (-11-kee'sjun), a. vervalaching. —ier (-faj-ur), a. vervalseher. —y (-fa)), v. a. verval, schen, schenti,n; logenstraffen; v. n. lieges. Falter, (faol'tur), v. n. stotteren; wankelen; weifelen; ha eren. —ing, a. gebrekltigbeid, hapering, —sag y, ad. stamelend; haperend. Fame (teem'), a. faam, gerucht; vermaardheid. —d, a. beroemd, vermaard. —less, a. onlytkend, zonder mum Familiar (fe-mirjer), a. —ly, ad. huiselijk ;retneenzaam; minzaam; ongedwougen; vertrous. huisvriend; huisgeeat. it-tittl, a. gemeenzaamiteld, vertrouiVe)ijkheid, (.ajz), v. a. gemeenzaam maken. Family (fern'11-1111), a. huisgezin; famille; geelacht. —tree, gesitehtsboona. —vault, familiegraf. Famine (fem'in), a. hongersnood. Famish (feneisj), a. a. uithongeren; v. n. ye, bongeren. —meet, e. hemgeranood: verhongering. Fe mostly (fe-rnos'it-tih), a. vernnaardheid. Famous (fee'mus), a. — ly, ad. vermaard. —nom, a. V Flikellie rd°11,j. a. vermaardheid. Fold (hold'), a. ochuthok, schaapakooi. —age, a. Fan (fen'), s, %artier; Wilasilalg; ',lenge% wan. perkrecht. —fee, sehut,:eld. — stoof knielbank, v, a. verkoehm, waitien; wAnnen. —light,

Wie echt gemaakt Bitcoin


a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.

Unbrald(un-breadi),v. a. loevlechten, loswinden. U nbreast (uu , b,eat'), v. a. Zie to Unbosom. Unbred (un-bred'), a. slecht opgevoed, nuomanterd, anbeechaAfd; on geoefend. lUnorewed (un-broed'), a. ongebrouwen; onveramengd. UnbrAbed (un-bra)bd'), ra. niet omgekocht. Unbridle (un - brard1), v. a. aftoomen. —d, a. atgetonmd; toomeloov. Unbroken (un-bro'kn), a. ongebroken, geheel; onverzwakt; ongedresseerd. Unlicrotherly (nu-bruth'ur-lkh), a. onbroederlijk. Unbrulsed (un-broezd'), a. ongekneusd; ongedeerd. Unbuckle (uu-buk'kt), v, a. losgespen, Unbui id (an-bild') [ter.), v. a. afbreken, sloopen. Uaibulit (un•bilt'). a. ongebonw d. Unhursir (un-bung'), v. a. ven le spon ontdoen. Unburden (un-bnedn), v. a. ontlaaten, vertichten. Unburied (un-ber'id), a. onbegraven. CJaburnt (tin 1,1.110, a. ongebrand, ORNerbrand. Unburthen (un-bur)tbn), v. a. Zie to Unburden. Unbury (un-beeth), v. a. opgraven. Unbos led (un-bietd), —y, a. Diet bezig, werke-
AL1.--ALV. 9 (e-lajt'), v. n. nederdalen (on); afatappen Maur e T. a. verlokken. s. (at); uitstijgen Orom). aanloksel. —er, a. verlokker. —ing, a. —ingly, Alike (e-lajkl, ad. gelijk. ad. aanlokkelijk. Alimen4 (el'i-ment), a. voedsel. Allu sion (el.1;oe'zjun), a. zinspeling (to). —sive, Alien 4 al (-men'tel), a. voedzaam. —ary, a. —sort', a. —nicely, ad. zinspelend. voedend. s. verpleegde. —ation (-tee'sjun), 8. Alin vial (el-ljoe'vi-el), a. aangeslibd. —visa voeding; verpleging. (-v;un), a. aanslibbing. aangealtbde grond. Alitnany (el'irinun-nih), a. onderhoud. Ally (el-lay) s. bondgenoot; aanverwant. —, v. a. Alive (e-lajv'), a. in Leven; levendig; (to) geverbinden (with); veewant molten (to). voelig roar, the best man —, de beste man ter Altnanne (aol'me-nek), a. almanak. wereld. Almight iness (aol-maj'a um), a. almacht. Alkal 1 (el'ke-li), a. loogzout. —in (-lin), a. ala. almachtig; a. (The) he Almachtige. kalisch. Almond (a'inund), a. amandel. —s, a. keelklieAli (aol), a. & ad. al, geheel. by — means, in ren leder geval. — at once, — of a sudden. eensklaps. Almon en (eProun-nur), a. aalinoezenier. —ry, — the better, den te beter. — over, geheel en al. s. sal moezeniershuis. § — overish, ad. zoo zoo; each goed nosh alecht, Almost (aormoost), ad. bijna. § — fired, ad. in hooge mate. — fools-day, err- Aims (aaniz), s. aalmoea. —box, armbue. —deed, ate April, on — fours, op handen en voeten. liefdegift. —giving, het geven van aalmoezen. — hail, weed gegroet. — hallows, — saints-day, —house, armbuis. Allerheiligen, § — sorts of, uitstekend. — souls- Alnage (el'nidzj), a. ellemaat. —r, a. el-ijker; day, Allerzielen. § — standing, ad. op staande lakenmeter. voet. § —winsome, a. aangenaatn. a. geheel, Aloe (el'o), s. aloè. alien. once for —, eens voor al. after —, ten Aloft (e-loft"). ad. & pip. in de hoogte, boven. laatate. not at —, in 't geheel niet. — one, vol. Alone (e-loon'), a. & ad. alleen, eenzaam, enkel. mania hetzelfde. when — comes to —, op stuk let me —, mat mil met runt. van taken. — covet —lose, die het onderate uit Along (e-long'), ad. langs. — with, met. all — de kan wil hebben, enz. beatendtg. — side, lenge booed. Allay (el-lee"), v. a. verzachten, temperen. Aloof (eloef'), ad. op ten' afstaud (from). Allegation (el-li-gee'sjun), 8. aanhaling;bewering. Alose (e-looz'i, a. elft. Allege (el-edzj"), v. a. aanhalen; beweren. —able, Aloud (e land'), ad. overlaid. a. aanvoerbaar. Alphabet (elle-bet), 8. alphabet. Allegiance (el-li'dzjens), s. getrouwheid. Alphabetic (el-fe-bet'ik), —al, a, —ally, ad. alAllegoric (el-le-gor'ik), —al, a. —ally. ad . zinphabetiach. nebeeldig. Alpine (el'pin), a. alpisch; hoog. Allevia te (el-li'vl-eet), v. a. verzachten. —lion Already (aol-red'ili), ad. reed.. (-ee'sjun), 8. verzachting. —tive (-e-tiv), a. nor- Also (aol'ao', ad. inegelijke, ook. znchtend. Altar (Koller). a. tattier. —cloth, altaarkleed. Alley (erlih), a. eteeg; lawn; § knikker. altaarechilderij. —age, a. opbrenget van Alliance (el-laj'ens), s. bondgenootachap; aanhet altaar. verwantschap. Alter (aol'tur), v. a. & n. veranderen (from—tot. Alliga te (erli-geet), v. a. verbinden. —tion —able, a. veranderlijk. —atioa (-ee'sjun), a. ver(-gee'sjun), a. verbinding. —tor, a. kaaiman. andering. —alive, a. veranderend. Allislon (el-liz'zjun), s. botaing. Alterca te lePtur-keet), v. n. twisten, krakeeAlliteration (el-lit-ur-ee'sjun), s. letterspeling. len. —tion (kee'djun), a. brakeel. Allocation (el-lo-kee'sjun,, a. bijvoeging; atin- Altern ate (el-tur'net), a. afwisselend, wederwijzing tot battling; goedkeuring; teruggave. zijdsch; a. afwieseling. —ate (-neet), v. a. & n, atAllocution (el-lo-kjoe'ejun), a. toespraak. wisselen. —ately, ad. beurt om beurt. —ation Allodial (el-lo'di-el), a. onleenroerig. (-nee'sjun), a. afwisseling. —atiee (-ne. tin), a. keue; Allopathic (el-lo-peth'ik), a. allopathisch. a. beurtelingech, afwieselend. —atively, ad. hij Allopath 1st a. allopaath. -y hearten. (-thlh), a. gewone geneesvvijze, allopathic. Although (aol-tho'), conj. ofsehoon. Allot v. a. uitdeelen, toekennen. —meat, Altiloquence (el-til'o-kwens), s. hoogdravends. lot; aandeel; uitdeeling. § —, v. n. (upon) het held. voornemen opvatten. Altime ter (el-tim'i.tur), a. boogtemeter. —try, Allow (el-lau'i, v. a. vergunnen; bewilligen; era. hoogtemet;ng. kennen; billijken, (of); wijden; aftrekken; § den- Allison ant (el-tis'o-nent), —sus, a. hoogken, meenen. —able, a. geoorloofd. —ance, a. klinkend. vergunning; toestemming; oogluiking; korting; Altitude (erti-tjoed), a. boogie, verhevenheid. salaris. Altogether (aol-to-getiOur), ad. geheel; gezaAlloy a. allooi, gehalte. —, v. a. alloyeemenlijk. ren, mengelen. —age, a. alloyeering. Aludel (erjoe-del), a. sublimeervat. Allspice (aol'apajs), a. Jamaica peper. Alum (el'um), a. aluin. —salt, eteenzout. —stone, Allude (el-ljoed'), v. n. (to) zinspelen op. n. aluinachaluinsteen. —inous Allutnin ate ((el-ljoe'mi-neat), —e (-min), v. a. tig. —inum (e-ljoe'mi-nium), 8. aluminium. rust kleureg atletten. Alveary (ervi-e-rih), s. bijenkorf; oorholte, Alight
AS.—BA A, As, v. tonic exle-tree, spindle, beam. —beugel, iron hoop, —punt, pole. /tech., v. ashes; dust. keete —, embers, in de — leggen, to reduee to ashes, to burn down. —bat, dusttub; ash-pan. —belt, ash-pit. —bus, rm. —day, Ash- Wednesday. --doek, lie-cloth. —get, uh-hole, slut. —grout. —kleurig, ash-colorel, cinereoue. —hot, ash-pit. —kar, duet-Dart. —man, dustman. cineraria. —pot, ash-pot. —scoop, shovel. —varken. broom (to sweep the ashes away with), —vat, ash-vat. —water, lie, buck. —aelitig, bv. Asperge, v. aaparagns, sparage, sparrow-grass. Asphalt, o. asphaltum. Aspfm, a. — slang, a,apic , a s p. Ansehepoetatertje, 0. cinderella, slut,scullion. &comb Ig, bv. ashy. Aseligrarsat, 0. aavignate. Ansignatie, v. aesignment, check, bill. Assurarfeur, m. Insurer, underwriter. Angurantle, v. insurance. —tastier-, inenrance-pee. office. —maatachappij, insurance saie, insurance-money, premturn of !willow ce. Assureereu, or. w. to Insure. Aster, v. star-wort, China-niter• A terlIng, m. bastard; wretch, roc reant Atlas, m. & o. Attentatle, v. testimonial, certificate, attestation. Attlee), hr. ,coat, attic wit. Await*, v. auction, public sale, Assgmrk, v. :Me Agurk Augustus, m August.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.

Imperfect 'fame or Past Participle, Punt, I. & p. Puf , 1. to Quit, i. & p. p. Ran, Rang, i. Read, 1. & p. p. Rent„1. & p. p. Rld, 1. & p. p. Risen, p. p. Riven, p. p. Rode., 1. & p. Rose, 1. Rot, p. p. Rotten., p. p. Rove, i. Run, 1. & p. p. Rung, I. & p. Said, 1. & p. p. Sat,t. & p. p. Sate. i. & p. p. Saw, 1. Sewn, p. r. Seen, p. p. Sent,i. St p. p. Set, 1, & p, p. Shaken, p. p. Shapen„ p. p. n, p. p. p. p. Sim Shewo, u. p. Shod, I. & P.P. Shone, i. & p. p. Shook, i. Shore. I. Shorn, p. p. Shot, 1. p. p. Should, i. Shown, p. Shred, i. p. p. Shrift, F . r . Shriven., p. p. Shrove,t. Shrunk, 1. & P• P. p. p. Shut, i. & p. p. ti+latea, p. p. Slept, 1. & P. p.

- 433 belly, paunch-belly, gorbellied person. —bastig, —kuidig, —vellig, thick-skinned, thick coated. thick-shelled. —bek, chub•faced person. —bekkly, —koonig,—wangig, eh ub.cheaked,ohn b-fac ed. —bladerig, thick-leave& —bloedig,thick-blooded.—kop„ jolt-head , numskull , thick-skull, blockhead. —koppig, thick-headed, thick-skulled, chubby. —lijvig, thick-bodied, thick-set, corpulent. —lippig, blubber-lipped. —nekkig , thick-necked . —neuzig, thick-nosed. —acidly, be. rather thick. —Arid. v. thickness; deepness. —ken, or. & on. w. to thicken; to grow thick; to curdle, to clot, —herd, m. fat (plump) fellow, —te, v. thickness, bigness. Dikniaals, Dlkwerl, bw. often, often times, frequently. Dille, v. dill. 'thing, o. thing. MUnheer. -.11, Mr. Thingum. Ding on, on. w. to bargain, to cheapen; to aspire (tot, to strive (for). —er, m. —stir, v. bargainer; st river. Diostaal, v. solid arguments. by spreekt —, he speaks to the purpose. Diusdag, m. Tuesday. Diplom a, o. diploma. —aat, m. diplomatist. Dircant, in. descant, treble. Mach, .n. table. —yenoot, fellow-boarder, messmate; guest, Discosee seven, or. w. to discount. —o, o. discount. Diesel, m. thin, beam; adze, aldice. —b000r,thill, beam. —paard, thill-horse, wheeler. Distal, m. thistle. —bloom, thistle-flower. —rink, thistle-finch. —ig,by chietly. Distill ateur, m. distiller. —mile, v. distillation. —germ ov. w. to distill. —eerglas, —kolf, retort, still. Dit, yaw. Ohio. DU°, bw. dtto. Dobbs', tn. game at dice. een pities — hebben, to hove a lucky throw at dice. —biker, —hares, —hroes, dice-box. —epel, dice-playing; gams at dice. —steen, die; square; cube. —ziek, given to dicing (gambling). —suet, fondness of dicing (gambling). —aar, dice-player, gambler. —mil., v. dicing, dice-playing, gambling. —en, on. w. to play at dice, to gamble; tepee twaal f ooges —, to play a desperate game, to be in a hopeiesa state. Dubber, m. float, quill, cork; small boat; buoy; bunch of bulrushes. —on, on. w. to float; to fluctuate, to waver. —ing, v. fluctuation. Duch, vw. but, yet, however. Doehter, v. daughter; girl. jonge —, girl. trodden. spinste.i. —skied, grauct - child.—aman, son in-law, Doctor, m. doctor. — in de letteren. doctor of letters. —eat, o. doctorate, doctorahip. —eerie, on. w. to be admitted a doctor. Dodderig, be. drowsy. —held, v. drowsiness. Dodo!, o. foul egg. Dodoor, m, & v. humdrum, drone. Doedninak, tn. bag-pipe. —speler, bag-piper. Dock. in. eloat, towel; swaddling-band; shawl. —, o. cloth, linen, cane ase. —maker, cloth-maker. —veld, brooch. —acheerder, cloth-shesdier. -en, ay. w. to cozeu, to take in, to impose upon; to
v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n
Marmot (maar'mut), a> marmot., bergrat. Maroon (me--roen'1, a. boschneger. —, v. a. op eene onbewoonde )(tat aan land zetten. rlarplot (maar'plot), a. spelbreker. Marque i(rnaark), a. kaperechip; -brief. letters of —, kaperbrieven. Marquee (mer-;fie'), a. velcItent. Martiraess (maar-kwis), a. markies. Mavtguetry (maar'ke-trib ► , a. ingelegd week. Marquasate (maar'kwie-et), s. markiezaat. Marrer (maaernr). a. bederver. Marriage (meeridzj), a. huwaijk. —articles, huwelijksvoorwaardert. —bed, huwelijksbed. —day, trouwdag. —dress, trouwkleed. — favors, brul• loftsruikers, -strikjes. —.portion., huwelijkagoed. —song, bruiloftelied. —supper, bruiloftamaal, tie, huwelijksband. —able, a. huwbaar.
—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid.

Hoe krijg je de crypto op de Kraken


Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.
SAN.—SA.V. —fastener, keen. —storm, zandhoos. —atvallow,oaverzwainw. veusterboom. —buckle, eeintuur•gegp. rattalbaag. —walk, zandweg. —wort, zandkruid. —, v. a. met raamalot. —knob, reamknou. —saw, sand b.trooten, op het zand zetten. —window, schuifraam. Sanda 1 (ken'den. 8. sandaal, voetzool; — wood Sassafras (ses'ne-tree), s. sassafras. Satan (see'ten), 8. satan. — ic, — ical, a. — ically, sandelhout — rack ( - de-relcf, a. sandrak. 262
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
delboom. —, v. a. dagteekenen; v. n. (from)rekenen, aanvangen. —r, a. dagteekehaar. Ds- tive (dee'tiv), a. gegeven, benoemd (door de rechtbank). —, a. dativus. Datum (deetuni), Data (deete), s. gegeven, gegevens. Daub (daob'), a. kladstuk, prul. v. a. bemorsen, bcameren; kladsehilderen; bewimpelen; v. n. huichelen. —er, s.kladschilder;. lage vleier. —erv, a. kladdert; kunstgreep. —sag, a. sets klevends; gips, pleisterkalk; kladackilderi). —y, a. kleverig, smerig. Daughter (dao'tur), a. dochter. —in-late, schoon dochter. —ly, a. ale eene dochter. Daunt (daant'), v. a. ontmoedigen, afschrikken. —less, a. onverschrokken, —leanest, a. °riversaagdheid. Dauphin (dao'fln), a. dauphin. Davit (dee'vlt), s. kipstut; doove jut. —guy, ophouder. —rope, vanglijn. Daw (daow), a. kauw, kraal. Dawdle (daoled1), v. n. talmen, benzelen. —r, a. leuteraar, beuzelaar. Dawk (dank), a. kerf; keep. —, v. a. inkeepen, inkervea, Dawn (daon) a. schemering, dageraad. —, v. n. achemeren, gloren, krieken, dagen. Day (dee), a. dag; daglicht. to —, heden. —ly, dagelkiks. from — to —, van dog tot dag. every other —,om den anderen dag. this — sennight, van daag voor acht (lege], to carry the den slag winnen. —s of grace, respijtdagem. lay—s, ligdagen. —bed,ruatbed. —book, dagboek. —break, —spring, het aanbreken van den dag. —coal, bovenste kolenlaag. —dream, droom in wakenden toestand). dagdiertje. —labor, dagwerk. —laborer, daglooner. —light, daglicht. —s-man, scheidsman. —scholar, dagscholier. —school,dagschool. —star, rnorgenster. —time. dagtijd. in the —time, over dag. —work, dagwerk. —'s-work, het werk vita iênen dag. —writ, dagverlof. Daze (-deco), a. zekere blinkende steen. Dag.z1 e (deez1), v. a. verblinden; v. n. verblind zijn, achemeren. —ing, a. —in ly, ad. verblindend. Deacon (die'kn), a. diaken; deken. —ess, a. dia. beams. —ry, ---,hip, a. diakensehap. Dead (dad'), a. dood, levenloos; doodach, stil; as mat; werkeloos; blind (zonder opening). —alive, levered a door-nail, dood ale eon pier. dood. —bargain, apotprijs.—beat, zetter. — block, doodshoofdblok. —barn, doodgeLoren. —calm, doodstilte. —drink, verschaalde drank. —doing, doodelijk, verwoeetend.—door,looze deur.—drunic, atomdronken. —eye. puttingblok. —hearted, versaagd. —killing, onmiddellijk doodend. —lift, hopelooze toestand. —lights, luiken, stormblinden. ledige tiesschen (lijken). —neap, dood geti). —nettle, doovenetel. —pledge, dood pand. —reckoning, gissing omtrent den gang van het schip. —sleep, diepe alaap. —struck, doodelijk ontsteld. —water, kielwater; atilataand water. —wind, tegenwind. —wood, tegenkiel, alemphout. —work, dood deal (deal van het sehip boven water). Dead (ded'), a. (de) looden; doodatilte. in the — of winter (of the night), in bet hirtJe van den win-
BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.

Hoeveel Bitcoins zijn in een blok


Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.
The online public forum cafébabel was founded in 2001 by Erasmus exchange programme students, and is headquartered in Paris. The forum is based on the principle of participatory journalism. As of July 2013 it had over 16,000 registered members, up to 1,500 contributors and 20 ‘local offices’ writing about Europe as they see it. Volunteer contributors simultaneously translate the forum into six languages – French, English, German, Italian, Spanish and Polish.[36]
-11‘. A . invoerbaar, - ance (-p ► r'tens), b. Improffileienee (im-pro-timfens), s. sehterlijkren. belaugrijkheid, gewicht.. —ant, a. antly, ad. heid, gebrek aan vooruitgang. ( por'tent.), belaugrkik, gewichtig. —atlas (-pur- Improper (ini-prop'ur), a. —ly, ad. oneigentee'sjun), a. loaner. —er, s. invoerder, lijk; ongepast; onjuiat. Inaportun acy (im-port'joe-ne sih), s. lastig- Impropritt te (im-pro'pri-eat), v. a. aan weheld, dringendheid. —ate, a. —ately, ad. (-net-I, reldlijke irersonert overdragen, —ties (-ee'sjun), dringend. —e (•pur-tjoen'), v. a. lastig a. overdracht aan wereldlijke peraonen. vallen, dringeu. —ity(-pur-tjoe'nit-tih), a.laatig- Impropriety (im-pro-prafe-tih), a. oneigenlij kheist, dringendheid. heid; ongepastheid; onjuistheid. Inept; a le (im-poozl'ol), a, op te leggen (on). Improv able (im-proev'ibll, a. vatbaar voor —e, v. a. opleggen; (on, upon( misleiden, be- verbetering. —ableness, s. vatbaarheid voor seedriegen. —er, a. oplegger; bedrieger. —ing, a. betering. —e, v. a. verbeteren; doen vorderen; indrukwekkeud; stiatig. —ition (-po-zisj'an), s. zich ten nutte waken; v. n. beter warden; voroplogging; last; bedrog. deren; (in) vooruitgaan; (on) verbeteren. —entent, 

Wat gebeurt er als alle 21 miljoen Bitcoins worden ontgonnen

×