73 DES.—DEV. ontploffen, v. a. ontploifen. —ation (-nee'sjun), Despot (deasput),..dwingelaud. --ic, —ical, (des- ontploffing; knal. a. —ically, ad. witlekeurig; despotiek. pot'ik-), a. Detor 01011 (de-tor'sjun). a. verwringing. —t, a. dwingelandij. Desputna te (de-spjoe'meet), v. n. achutmen. v. a. verdraaien. Detract (de-trekt'1, v. a. (front) onttrekken; . afdes-pioe-mee'sjun), a. schuiming. Desquismation !des-kwe-mee'sjun), a. afschil- trekken; belasteren. —er, a. lasteraar. —ten, (•trek'sjun), a. lastering, henadeeling; onttrekfering. king. —ire, —ory, s. lasterend. Dessert (dez-zurt'), s. nagerecht. Deaths ation (dee-ti-nee'sjun), 14. bestemming. Detriment (det'ri-ment). a. achade, —at, i-meneel), a. schadelijk. —e (des'tin), v. a. beetemmen; toewijden; doe- men. —y (des'tin-nih), a. noodlot; bestemming; Detrition (de-tris'sjun), a. afAlijting. —reader, waarzegger. the three destinies, de drie Detrude (de-troed'i, v. a. neeratooten. Detrunca te ( de-trung'keet), v. a. afkuotten, schikgodinnen. ten. —lion (det•rung-kee'sjun), a. afknotting. Destitu te (des'ti-tjoet), a. ontbloot; verlaten. Detrusion (de•troe'zjun), a. neerstooting. —lion (-tjoe'sjun), a. ontblootheid; outbering. en dobDestroy (de /awn, v. a. vernielen; ombrengen. Deuce (djoes'), a. (de) twee (op kaarten he drombelsteenen); duivel, drommel. — take..., -er, a. vernieler. mel hale.... —d, a. drommelsch. Destruct ible (de-etrukt'ibl), a. vernielbaar. tweede a. (djoe-tar-We-mih), —ion (-struk'sjun), a, vernieling, verdelging. —ive, Deutero gamy a. —Ivey, ad. vernielend. —ivgnesa, S. verderfe- huwelijk. —nomy, (-on'no-mih), a. tweede wet, lijkheid; vernielzucht. —or, a. vernieler. (vjjfde boc.k van Mozes). v. a. verDesudation (des-joe-dee'sjun), a. aterke zwee- Devasta te (de-ves' teet, dev'es•teet), woesten. —iton Idev-es-tee'rejun), a. verwoesting. ting. Develop (.dseverep), v. a. ontvouwen, ontwikDesuetude (des'wi-tjoed), a. onbrnik. kelen. —meat, a. ontwikkeling. Deseiltor y (des'ul-tur-rih), a. —ily, ad. onge- stadig; oppervlakkig; vluchtig; owamenhangend. Devest (de-vest' ► , v. a. ontkleeden; bevriiden; Detach (de•tetsj'), v. a. afzonderen loamaken; ontdoen; vervreemden. Zie Divest. hement. Deves: (de-veks 1 ). a. in-, OM- netrgebogen; hetdetacheeren. —meat, losmaktug; detac ' lend. —ity, a. in-, om-,neergebogenheid; belling. Detail (de-teal'), a. omstandig verbaal; bijzun- Device te (di'vi-eet), v. n. (from) afwijken. —lion derheid. —, v. a. omstandig verhalen. (-ee'sjun), s. alwijking. —tory, a. afwijkend. een'), v. a. ophouden; beletten, weer- Detain (de:t honden; gevangen houden. —der, a. bevelsch!ift Device (de-vajs"), a. uitvin.ese 1; oogmerk; list; zinspreuk, lens. tot inhechtenisnerning. —er, a. weerhouder; Devil (dev'v1), a. dulcet. —'s-bit, achurftkruid. aehterhouder; °intuiting. Detect (de-tekt'), v. a. ontdekken betrappen. —'s-bones, dobbelsteenen. —'a-books, epeelkaarzeeduivel. ten. —"a-dung, duivelsdrek. -er, a. ontdekker. —ton (-tek'sjun), a. ontdek- —'s-guts, meetketting. —seh, a. duivelsch. —kin, king; betrapping. —ive, a. ontdekkend. a. duiveltje. Detent (de-tent'), a. pal, drukl;er (in een nu, ronddolend. werk). —ion 1-ten'ejun), a. terughouding; out- Devious (di'vi-us), a. efwijkend, te verzinnen, uit to Davis able (de-vajeibl), bonding; hechtenis. den.ken. —e (-vaje), a. erfmaking; uiterste wilsDeter Ide-tar'), v. a. afschrikken (front), —meat, beschikking; v. a. verzinnen, uitdenken; vers. afschrikking. —rent, a. aftschrikkend. waken (bi testament); v. u. overleggen; Deterge Ide-turdzy), v. a. zuiveren. —nt, a. zui- denken.—ee !dev-i- zie"), s. erfgenaam. —er, s. uitverend middel. denker, verzinner. —or (ook: dev-i zor'), a. erf1111 atteriler a te Itle-trri-or-reet), v. a. slechter ma- later. ken; v. n. slechter worden. —tion (-ree'ajun), a. Devoid (de-vojd'), a. (of) ontbloot, verstoken; yebederving; verergering. Determin able (de-tuerni-nib!), a. beslisbaar; kant. bepaalbaar. —ate, a. —ately, ad. bepaald, be- Devoir (dev-wane'), a. plicht;plichtpleging. elissend. —ation (-nee'sjun), a. bepaling; beslis- Devolution (dev-o-ljoe'sjun), a. nedervalling; toevalling (in bezit). sing; besluit; beetndiging. —alive, a. bepalend; beslissend. —ator, a. besliseer. —e (-min), v. a. Devolve (de-volv , ), v. a. nederrollen; (on. upon) bepalen, vaststellen; besluitee; beperken; v. n. doen overgaan (in eigendum). —, v. n (on. upon) (in eigendom) taevalien, overgaan. tot een besluit komen; eindigen. Devot e (de-voot"), v. a. toewijden; toeleggen, Deterration (di-tur-ree'sjun), a. opgravitig. overgeven; vervloeken. —ed, a. toegewijd; geDeter sloe (de-tur'sjun), a. wondzuivering. vloekt, —edness, a. toegenegenheid, toewijding. -sive, a. zuiverend; a. zuiverend middel. —ee (dev-o-tie'), a. fernelaar, kwezel. —ement. Detest (de-teat'), v. R. verfoeien. --able, a. —ably, a. toewijding. —ion (-vo'sjun), a. godavrucht; gead. verfoeielijk. —ation, (det-es-tee'ejun), a. ver- (-ye' bed; verknochtheid; toewijding. fooling. —er, a. verfoeier. Dethrone (de-throon'), v. a. onttronen. —meat, sjun-el), a. godsdienstig —ionist,s.schijnvrome. Devour (de-vane), v. a. verelind en, vertcren. —er, a. onttrening. —r, a. onttroner. a. verslinder. —inely, ad. verslindend, gretig. Detinue (det'i-njoe, de-tin'joe), s. klaebt we- femegene onthouding (bevelschrift tot teruggave) van Devout (de-vaut'), a. —ly, ad. godvruchtig; toevertrouwde goederen. lig. —less, a. ongodedienstig. —neas, a. gedsdienpeton ate (det'o-neet), —ize (-najz), v. a. doen stigheid.

aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.


Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.

BRA el.BRI. on, to brand, to stiginatige. —merking,branding. —eserk(jser, , branding-iron. —middet, caustic. —neer, party-wall, mean wall. —setel, stinging nettle. —offer, burn-offer. holocaust. —offeredtour, altar for the burnt-olfsringa. —oven, kiln, furnace. —pijp, fusee. —piket, fire-picket. —punt, focus. —reek, fire-smell, burnt.etteq —schade„ damage caused by firs. —schatten, to by under. 'contrib./flan. —schatring, contribution. —ickilder, enameller. —schilderen. to enamel. —schildering —schilderhunyt, enamelling. —schilderwerk, enamel, --whip, lire-ship. —schoon, very clean.. fire-drake. —spiegel, burningKlass, • -reflector- —spelt., Are-engine; —gait, tire-man; —huisje, engine-house; —slang, pipe of a fire-engine. —*toilet, funeral pile, Pr.. —stem. internal stone. —stickier, --stichtster, incendiary. —stickting, setting on fire, ince.diadem, arson. —slot, fuel. —stollen, combuetibles. —stok, lire-bran& —teeken, sear, fire -token, brand. —cell, enamel. —vlek, sear, mark got by a) burn. —foga, m - or-hen; trouble-peace. —waarborg 1-niaatschappU), fire-insurance pAny).—toacAt, fire-watch;adv armed guar d.—tvond, burn. —calf, salve for burnings. —roof, inner sole. —evrijn, brandy; brander, distiller of brandy, —stokerii. distillery for broody. —baar. by. aorainsetible. —baarheid, v. combustibleness. —en, ov. w. to burn, to scald, to 'scorch; t, brand. to mark; to ba,.e (pannen); to bream (een sehip); to burn (1,101c) 4o cau , erize (rene wood); to distil I brandewiln); to make (Ustikoot); to roast (koffie); style fingers —, sick or gees can —, to burn one's fingers, to go too tar, to entangle one's self in difficulties. —, on. w. to burn, to be on tire; to-give lisht; to break, to foam (van de see). —end, be. burning, hot;, lighted; ardent, Iferve-et. —er, tn. fire-ship, distiller. —ell), v. distillery. —ig, by. blasted, blighted, mildewed; fiery, inflamed. —leg, v. burning; breakers, surf. liens, m. brace. ik heb er den bras van,' don't care a pin for it. at every one, every thing, all. —61ok, brace-block. —dagen, shrove-tide. —moat, —partii, banquet, sumptuous meal. —pentssng, ten dolts' piece ;live farthings). Brasens,m• bream. Brass en, or. w. to brace; on. w. to tenet, to bun. quet, to revel, to riot. —er, en. Neste r,banqueter, reveller. —ery, v. feasting, banqueting, riot. Brat. q. Zie BOY lilt Bray stamen, ov. w. to face, to ('rave, to affront. Breed, by. & bw. broad (-1y), large (.1y), wide (-Iy), ample (-ply), extensive (-1y). in het —e, at large. largely. amply. oggefen van, to speak highly of. Aet niet hebben, hardly to know how to make both ends meet. —board, boaster, bragger. —borstig, broad-chested. —gerund, broad brimmed. —spruak,' boastfulness; prolixlt —sprakig, boastful; prolix. —mmHg, In% & bw. circumstantial (-4). —voerisheid, v. ampleness, circumstantlainess. —Acid, v. broadness. —te, v. breadth, width, depth; latitude; —grand, degree of latitude; —kr:ag, parallel. Bras fok, m. cross-jack (-sail). —gans,m.strake. e —veertiert uit kat:gen, to lord it.
LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,
(at) bespotten, beechimpen. -er, a. spotter, beSeen a (siert' ) a. tooneel; seherm ; -shifter, machiniat (in een' schonveburg). -ery sehimper. -ingIg, ad. spottend. (-ur-th). a. vertooning, voorstelling; tooneeltne• Scold asizoold'e. a. helleveeg. -, v. a. bekijven; kijver; bekijate!; schikking van een tooneeletuk; tafereet;' v. n. kijven; (at) bekilven. -er, -ical (men'ik..), a. tooneelH var. -ing, a. gekijf; bekijving. -ing, a, ingly, landachaP• theatraal.ad. kijvend, knorrend. Scettogeoph Ica?. (sen-o-grerikl), a. -ically, 1 Scollop kakollup), a. Zie Scallop. ad. doorzichtkundig. -y (se-noe're-fib), a. door- Scolopendra (akol-o-pen'dre), ta. duizendpoot, keldermot; steenvaren. zleht toads. Scent (sent'), a. reek, geur; spoor. - bottle, rank- Scomber (ekorn'bur), a. makreel. tlesch. -box, reukdoos. - v. a. rotten; met Sconce (akone), s. armkandelaar; vaste plank; geur vervullen. --jut, a. eterk riekend. -less, a. hootd, top; geldboete; shoos, bolwerk. -, v. a. reukeloos. beboeten. Sceptic (eltep'tik), s. tvvijtelaer. -, -al, v.-ally, Scoop (skoep'). a. schopje; echepper, hoosvat; spate!; streek, veeg. -net, achrobnet. -wheel, ad. twijfelzuchtlg. -ism.(-ti-sism),s.twijfelzucht. seheprad. -. v. a. ulthoozen; uitheflen. -et*, a. Sceestre ;sep'tur), a. echepter, rijicestaf. -, v. a. van een' .chept, voorvien. a. den schepter uithoozer; uitholler; kromsnevel, kruisvogel. Scope (skoup), s. oogmerk, doe!; ruimte, pleats: voerend. vrtheid. Schedule (skerjoel, aed'joel), a. ceAl, Wet. Schen.) allot lekierr."e-tint). a. ontwerper. -e, Scope (skopa), a. kleine a. ontwerp, schets, -, v. a. ontwerpen. be Scopulous (skoploe-lue), a. rotaig, klippig. rumen; v. n. plannen maken. -er, a. ontwerper, Scorbutic (skur-bjoe'xik), - at, a. aan acheurbuik iijdend. plannenneaker. Scorch (eltortej), v. a. & n. schroeien, verzengen. Schism (elm), a, scheuring. Schismatic (stz-nret'ilt), s. echeurmaker. --, al, Scordlum (skor'di-um), a. mandericruid. Score (spoor'), a. keep, kerf; streep; rekening; a. scheurmakend. Scholar (skoCer), a. scholier; leerliog; gelcerde, achuld; oorzaak, grond; twintigtal; partituur. -, v. a. met capon opmerken; op rekening zetten; opKeletterde. -ship, a. ge!eerdheid; studentenieven. teekenen; op noten zetten; lout) nitdoen, uttvegen. S choi oat (sko- les'tik), a. act. ool eeleerde. -a/. a. -ally, ad. echoolsch, wean•ijs. Scorl a (sko'ri-e), a. metaalscbuim. -fy (-faj), Scholl not (ekoni.est), a, achrilver van aantee- v. a. in echuim verenderen. -one, a. ischuhnig, keniegen. -astic I-eet'ik), a. verklareod, uttleg- elak!tig. ri.uitlegging,aanteekening. Scorn (akorn') a. minach.1ng, versmading; spot. Bend. -on (-au,. School (akoel'). s. school. -boy, schooljongen. -, v. a. m!nachten, veremaden; hoonen. --er. a. -dame,-in(stress,achoolmeesteres.-day,school- minachter, versmader; spotter. -fat, a. -fatly. deg. --fellow) vehoolm'kker. srhoolmeisje. ad . minachtend.; hoonend. -house, echoolgebouw. -man, schoolgeleerde. Scorpion (ekor'pl-un), a. schorpioen; geese!. -fly. schorpioenvlieg. -grass, sehorpioenkruid, -master, ecnoolmeester. schoolgeld. - piece, versterd vet papier voor verjaarwennaten. muizenoor. -spider, -tick, echorpioenapin. s•thorn, seitorpioenstaart (plant). -'s-tail, -taught, school-, -,v .a.onderwijiem;btstraffen. -wort, schorpioenkruid. - inter a. tict.00! ondererijs; ecboolgeld; bestrafling. Scorzonera (skor-zo-nrrel, a. achoraeneer. Schooner (skoetfur), a. schoener, schooner. Sciatic (s ,, j•et'lk). - at, a. van he hoop; heap-; Scot (shot'), a. beta?ing; echatting. -and lot. echot en lot. -free, schotvri,j; ongeetraft. door neupiicht gekweld. -a (-i-he),s. haupjicht. Scotch (skater), a. keep, kerf. -collops, Science (earene., s. wetenschap; kennis. lapjes. -hoppers, p1. hinkapel. -, v. a. vastestSOetet Clic (. 41-en-tirilo, -at, a. -ally, ad. we- teesc h a ppelejk. ten can wiel); inkepen, leerven. Seoter (eke'tur), a. mane void. Scimitar isim`i-ter), a. alegzwaard, houwer. ScintIlla nt;sin'til-lent),a.vonkeiend..--te(-!set), Scotia (ako'eji el, a. verdieping, grcier, v. a. vonkelen. -t-ion (lee'sjun), a. vonkeling. Scotomy (nkot'um-mih), a. dulzeling. s Sclol lean (sarul - i.m), a. halfgeleerdheid. -iet Scoundrel (skaaun'dril), a. schurkachtig. ( - ist), a. halfgelcerde. -ous, a.halfgeleerd. schurk, Celt. Scour (alcaur'), v. a. schuren, schoonwrijven; Scion (FEW.). a.. entrijs. zuiveren (of); doorkruisen, -vliegen; v. n. eche, Seireh oeity (ekir.roalt, tih), a. kliereerharding. --one (ekterus), a.. verbard. -us (ekterne), a. ran; purgeeren- (about) rondzwerven; (away off) etch wegpakken. -er, s. achourder, reiniger; verharde klier. Sciss el ieta'4),, a. knipsel.aftmgds,31. -ile (-nil), landlooper; purgeertniddel. A. snoowboar, klcotbaar. --ion (siarura), e, spou- Scourge (ekurdr.f), P. goese/.; plaftg; kastijding. --, v. a. geeeelen; kastijden. -r, a. geeeelaar; wing, klooving. -ore ;atz'zerz), p1. schaer; a pair Raatilder. • -, eene achaar. -are (tsiz'joer). a. a,aeur, npleet. ScU,rotic (skle-retlk), a. hard. -tunicle, ho. Scouring (eke te'rieng). a het orhuren; reiniging, zuivering; afgang. -drops, vlekwater. -paper, renvlies. a. verhardend mtddel. echnurpapier. -sand, schuorzand. --tub, retvat. Scoot ('hoot), a, a. vaatzetten (een wiel). Scot.; (skob2), a, pl. acbrapcel, vifleel; meteal- Scoot (about), a. verepieder. spion. -, v. a. tiltjouwen, bespotten; met veraekting verwerpen; v. n. verspieden, verkennen. Scoff' (8tOff'1, 3. spot, heeehimping. -, v. a. &n,
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.
Friction. (fr(k'ejun), s. wrilving. Friday (frej'clee), s. vrijdog. Good —, goede VrOng. Friend (frond'), s, vriend; vrlendin; kwaker. —, v. a. begunstigen. —len, a. verlaten. —linen. a. vriendelkjkheid. - ly, a. & ad. welwillend, vriendelijk. —.hip, a. vriendochap. Frieze (Met"), a. duffel: ► op; fries. —d, a. gonopt. —like, a. friesachtig. Frigate (frig'et), a. fregat. Frigefa,-tion (frid-zje-fek'sinul, a. kondinaking. Fright (fruit') a. schrik. —en (frcj'tn), v. a. verschrikken. (away) door bung maken verjagen. to —en out of one '8 wits, hevig doen ontatellen. —fat, a. —fully, ad. vreeselijk. —fuhnesso.vreeseikjkheid. Frigid (frid'zjid). a. —ly. ad. Mood; gevoelloos. —ity (-zjid'it-tiln), —nese, a. koudheid, koeiheid. Frigorilie (frig-ur-ririk), a. koude verwekkead. Frill (frill), a. horn: (jabot). —, v. n. 0:11en (van kaude). Friug e (frinclzr!, a. franje, —e, v. a. met Mu* zoomen. —y, a. met frattO ointoomd. Fripper (irip'pur). a. oude-kieerenkooper; drager. —y, a. voddig, gering; a. ,oude-kledrenmarkt, uitdragerij; oude kleAren. Frisk (frisk"), a. dartelheid, vroolijke but. —, v. n. hapnelen. —er, a, wildzang; gait. —et, a. tympan. —rut, --y, a. ttitgelaten; dartal. —iness, a. vroolijItheld. Feist (frost), v. A. verkoopett op tijd of crediet. Frit (frit), 8. 0..80" Frith (frith), a. zeeengte; visehweer; houtrijke pleats. FritMary (fd-01'1e-rib), s. keizerskraon (bloem). Fritter (frit-tar), s. reepje, brokje; pennekoek. a. a. brokkelen. Frivolity (fri-vol'it-tih), a. beuzelachtigheid. Frivolous (frivio-lus), a. —1y, ad. beuzelachtig. —ness, s. beurelachtig. Frizzle (Meal), a, haarkrul. —, v. a. krullen (het hear). —r, a. kapper. Fro (fro), ad. to and —, horn en weir. Frock (frok), s. rok; kiel; jerk. Frog (frog'), a. kikvorsch; its, straal (in den panedenhoef). —bit, varsebbeet (plant). —fish, zeekik. varsch. —pod, (frord), a. met lissen gegarneerd. Frolic (frol'ik). a. dartel, —, a. darteie ,kuur; pret. v. n. pret hebben, grappen maken. —sonar, a. —somely, ad. dartel, —sonteness, a, dartelheid. Front (from), pry. van, tilt. — the life, nutr het leven. — nature, near de natuur. Frond (frond'), a. groene talc. —ation(-dee'sjunt), a. sandbag. —iferous (-diff'ay-us), -out, a. bladrijk. Front (front'), a, veorhoofd; front; voorOde —box, middel-loge. —iine,frontlinie.—row,voorste rij. —stall, voorhoofdriem, —, v. a. zich bevinden tegenover; het hnofd bin len .11. to new—, voors;thoenen. —, v. n. vooraan staan. Front hi (frunt'el), a. het voorboofd beteeffend; e. hoofdband; hoofdpleiater; fronton. —ated (-ee•tid), a. breed uitloopend. —ed, a. met een front; in het front.
c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.
ter. — carFenter, scheepstimmerrnan. — chandler, ken Liman in acheepibehoeften. — la',Ach, (het) afloopen von een achip. — master, scheepsgezagvoerder. — owner, reader. — pound, echippond — shape, sr. & a4. naar scheepagebrulk. behoorlift. — worm, pentwortn, — wreck, a. ,chipbreuk; -wrak; v. a. & n. (dora) stranden. —, v. a. inschePen; vtrechepen (away). — ment, 8. verecheping. --per, a. verscheper, hevrachter. - - ping, a. hen ,nsenepen, veracheping; vioot; — b.sinfes, charges, — concerns, schetweaangelegenheden; — ve , seheping8icosten. Shtre (stair., sjier), s. district, graafechap. Shirt (sjurt'), a, manshernd. — front, holfherodje. — pin, borettspeld. —, v. a. hedekken; een bemd aentrobben, — ing, a. lieuidelinnen. —leas, a. zooder hemd. Skive (aja)vl, a. anode, echijf; tichcef 'van vise). Shiver (8iivitiv, a stukje, scherf; huivering. —y • a. huiverig. rillend; brokkelig, brans. Shoat (spool'), a. ondie,p. tact 1,11km* . .--, a. zwerm, school, inenigte; ondiepte, zqrolh,ik. —, v. v. sanier,choien, wo,Plen; rondglenteren; ondiap warden. — iness (-t-Hens), s, ondi,pte, verza , ding- — it, a, ondtep, wercr,od. Shock (sjok"), s. schok, basing; aanv.e.1, strijd; walging; hoop ochoovon; ruige bond. —, v. a. echokken, beieedigen, ergeren; v. Ti. botsen; hoop , . zetion. — ing, a. — ingly, ad. aan,tootelijk, ergerlijk, stnitend. Shoe (sine . ), a. schoen; hoeiljzer. --bill, — tack, sehoensOker. — black, — toy, schoenpoetser; schoenhorstel. — blacking, schoensmeer. — brush, —horn, scho,nhorcntje. —leather. schoenleder. —maker, echoenmaber. —strap, —string, —tie, seboenband. Shoe isjoe') [shod], v. a. sehocian; beslaau. —log, a. bet schoeten, healaan; — hammer, klinkechoeultore,tje; — pincers, pl. hamer, hoeftang. Shook tsjoek), s. duig, plank. Shoot (riser)), s. sehot, sehent, seruit; Shoot (Ajoet') [shot], v. a. schieten, afschieten; doodschieteo; verpe,u; tretietn enel doorvitegen; af,chsonn; 1;itstorten. (forth. out) schieten; weepea; uitstorten. (qt) afschieten. —. v. n. echie• ten; istoken; vitegen, voo•tsnelien; uitloopen, uitbotten; uitstcken. (oil schieten near. (forth) uitloopen; melt Ititstrekken. (oat) ui.mhieten, (opt opechieten; eparceten. schieter, schutter. .--ing, 8, het schietco., — ing - star, verschietende wee. — ing stiek, sattihout. Shop !sjop'), s. Winkel — board, workbook. —Gook, winkenooc. --keeper, wink- eller, — lifter, wmketdiet — lifting, winkeldiefetai. — maid, wankel' Jury , . . — man, winkelieroc intelknecht.—mate, v. cc. tie winkels atioopeu. winkelhediende. — ping, s. het :vflool,eri der wenkele. Shore ,8loor'), a. strand. sever; sisal, greppel; stut, echo°, —. v. a. Lchoren, etuiten ;up), --anchor. loedanker. — land, oeverlan't. — less, a. oeverloos, onbegrenmd, Short (sjorl') s. sehorl. — ing, a. geschoren schaap; echape,acht. Short (sjort'), a. ulttreksel, kort 1,grip. in —, a. & ad- kort; sehraal, kortom, in 't kort.
Hey to all. Since around 2 months, I am with 99bitcoins reading and getting info and I am very happy here, thanks for a good site. For my bad luck I did not check here for a review of coinbase, I would have save a lot of worthless time. To tell the truth, I hope there is a internet god out there and shut them down. I did not know about their support in US, but as I read the first reviews here, it seems they make themselves a pretty bad place there too. I am located in the D.R.,… Read more »
v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -

Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.
203 OPL•ORD. Opnice (op'i-11s), a. handenarbeid. —r (o-piPi- Oracle (or'ikl), s. orakel, godspraak. au?), s. handwerkstran; kunstenaar. Oracul ar (o-rek'joe-ler), a. —arty, ad. -a 148, OpIn able (o-pajn'ibl), a. denkbaar. —ation (op• a. orakeiachtig; beslisrend; raadselachtig, dabi•nee'sjun), s. meeaing. —ator (-pin'ee-tur), a. belzinnig, sttjfkop. — e, v. n. meenen. --iative i-e tiv Oval (airs!), a. —ly, ed. mondelins. a. stiff boofdig, eigenwijs. Orange (or'indzj), a. oranje-. a. oraoje; -boom, Opinion (o-pin' un), a. meening, gevoelen. —ated -appal; sinaasappel. —chip, echijfjevan eon' (•eet-id), —afire (-e-tie), —ed (-jund), o. stijfsinaasappel —flower, oranje-blotesem. —house, hoofdig, eigenzinnig. —ist, a. stijtkop; eigenoranjerie. —lily, oranje-lelle.—man,sintees-appelzinnige. verkooper..—musk, oranje-peer. —oil, oranje-olie. Opiparous (o-pip'e-rue), a. prachtig. —peel, oranje-schil. —anuff,oranje,enuif.—tawny, Opines (o'pl-um), a. opium. oranje-bruin. —tree, oranje-boom. —water, Opietree (o'pl-trie), a. watervlier, sneeuwbaloranje.bloesemwater. —woman, sinaas-appelverboom. koopeter. —ade (-eed'), a. oranje-ilmonade. —ry Opo balsam (op-o-baol'sum), x. balsum van (-er-ih), s. oranjerie. Gilead. —deldoc (-del'duk), a. opodeldok. Oration (o-ree'sjun), e. redevoering. Opossum (o-pos'hum), s. buideirat. Orator (or'e-tur), a. redenaar, apreker; ether, Oppldan (op'pi-den), a. stedeling. sant. --ial (-to'ri-e1), —ical (-tor'lk1), a. wetOppignerate (up-pig'nur-eet), v. a. verpenden. sprekend; redenaars-. —io (-to'ri-0), a. oratoriu m. Oppila te (op'pi-leaf), v. a. verstoppen —tion —y, a. welsprekendheid; bidkapel, -vertrek. (-lee'ejun), a. veratopping. (-le-tiv), a. ver- Orate ess (or'e-tress).. —ix (treks), a. redenaarstoppend. ster, epreekater, woordvoerdater. Opponen ey (op-po'nen-sile), s. tegenwerptng, Orb (orb'), s. bol; ioopbaan; omloop; krinK• kogelvisch. —, v. a. ronden, tot eon' cirbestrtding. —t, a. tegenstrevend; s. tegenetrever, bestrijder. kel vormen. —ate (-et), a. beroofd, varier-. kinOpportun e (op-par-tioen"), a. —ely, ad. sunderloos. —ation (-bee'sjun), s. beroofdheed (von sets, geschikt; ter gelegener tijd. —sty, s. galeoudera of kinderen). —ed 1,-14, orbd), a. cord, genheid; gunstig oofeenblik. cirkelvormig. Oppose (op.pooz"), v. a. tegenstellen ( Ca); we- Orbicula r (or-birjoe-ler), a. —rly, ad. —te derstaan; beetrijden; te keer germ; v. n. zieh I-let ) , a. bolrond, eirkelvormig. —tion verzetten, tegenwerpingeo maken , (against)—less, ( -lee'sjun), a, bolrondheid, ctrkelvormigheid. a. onweder8taanbaar. —r, a. tegenatrever. Orbit (or'bit). a. loopbaan; oogholte, —al, —ual (-bitioe-e1), a. van eon' kring of eene loopbaan. Opposi te (orpo-zit), a. —tely, ad. tegenovergeMeld; strOdig; tegenover (to). —teness, a. tegen—ude 1-tjoed), —y, a. ouder-, kinderloosheid. gesteldheid; tegenatrijdigheid. —tion (-zisj'un), Ore (ork), a. noordkaper. a. tegenstend: tegenspraak; tegenstelling; tegen- Orebanet (or'ke-net), a. roode ossentong (plant). 'Nutt. —tionist (-zisrun-ist), a. oppositee-man. Orchard (or'tajurd), s. boomsaard. —tire (-pozl-tiv), a. tegen te etellen. Oreheste al (or'kes-trel), a. van het orchest. Oppress (op-pres'), v. a. drukken, onderdruk--tre (-tut), s. °reheat. ken. —ion ( preeyun), s. druk, verdrukking. —eve, Orchis (or'kis), a. standelkruid. a. drnkkend, verdrukkend. —ivenese, s. (het) druk- Ordain (or-dean'), v. a. afln-, inatelles; verordenen, bepalen; ordenen. —er, a. die verordant, kende. —or, a. verdrukker. Opprobri one (op-pro'bri-us), a. —mealy, ad. instelt, ardent. achandeltk. —ousness, s. schandelijkheid. —um, Ordeal (or'di-et), e. godscordeel. fire —, s. schande, sneer. proef. water —, waterproef. Oppugn (op-pjoen'), v. a. beetrt den.—ancyl- pug , Order (or'dur), a. ovde; rang; order; bevel, last; nen-sih), s. bestrijding. —er, a. beatrijder. bestelling; maatregel. in —, ten elude, —. v. s. regelen, inrichten; verorden en; bevelen; bestelOpsimathy (opositn'e-thih), te. late opvoeding, len; ordenen; v. n. bevel seven. —er, a. echikaanleering. Opta ble iopttibI), a. wenschelijk. —tion (tee , ker, inrichter. —less, a. ordeloos. —lineal i-li sjun), s. wensch, begeerte. —Cave (-te-tiv), a. nets), a. ordelijkheid —ly, a. & ad. ordeltik, wennchend; — mood, wenschende wijze. geregeld. —a ((durz), pl. geesteltke stand; to take —, de wijding ontvaneen. Optic (op'tik), e. geziehtswerktuig. —, —al, a. gezichts-; gezIchtkundig. —ian (-tipj'en), a. ge- Ordin al (or'di-nel), a. rangazhikk'nd; a. ordebook. rituaal; rangachikkend telwoord. —ance ziehtkundige. —a, pl. gezichtkunde. (-nens), a. verordening, voorschrift, regal. —arily, optim acy (op'ti-me-sih), a. adel. -inns (-mizm), ad. —any, a. (.ne-rih-), gewoon, middelrnatis. a. optimiamus. —eat, a. optimist. —sty it-tih), a. uitnemendheid. —ary (-ne-rlh), s. geestelijk rechter; bisachop; gevangenisprediker; gewoonle; gewoon ambt; Option (op'ejun), a. kens, verkiezing. —al, a. gaarkeukeh; maaltijd;prija van can maal;physician van kens afhangend. Optonneter lop tonri-tur), s. gezichtmeter., in Warts; professor in —, gewoou leeraar; ship in opgelegd rchip. —ate (-net), a regelOpulen ee (oploe-lens), —cy, a. rijkdorn. —t, matig; a. ordinaat (lijn). —ate (-neet), v. a. vera. —Hy, ad. ?Ilk, welgesteld; overvioedig. ordenen, bepalen. —ation (-nee'sjun), s verorOpuscule lo-pus'kjoel), a. werkje. dening, bepaling; ordenina. , wijdInT. —ative Or (or), conj. of. — else, enders, of wel. (-ne-tiv), verordenend, bevelend. Oracle (or'ek), a. melde.

Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Is cryptogeld een actief


Uninouid (un-moold'), v. a. vetvormen. —td, a. a. ongeor6end; niet banterktuigd. —iglsu: (-id'. vervormd, ongevormd. sfl-nel), a. niet oorsproukelijk. U ninon rned (uu-moornd'), a. onbetreurd. Unornament al (un.or-ne-ment'el), a. niet verUninov able (un.moev'ibt), a. etc. Ste Immovsiarend. —ed (-or'ne-meat-id), a. n:et versierd. able, etc. —ed 1-monad'), a. onbewogen. — inn, Unorthodox (nn.orlho-doks) nlet reehtzina. onbewegetijk; ntet bewegend. niet aandoentijk. nig. Unnauffle (un-murit,, o. ontblooten, onthullen. U now wed ;un-oond'), a. zonder &gamin ni4t erUemualeal (an-ngoe'mk1), a. niet muzikaal. bend. Uninuule (un-maz'z1), v. a. van den mutlband Unpaelf In (un.pe. sink), a. Met vreedsaam. —led ontdoen; toonen. (-muz'zld), a. ongemnil(-Peal-fajd), a. onbevredigd, ongsatild. band. Unpack (un- pek'), a, a. nit-, ontpakken. Unman (nu-wel), v. a. van de epijkers ontdoz a. Unpaid (un-peed'), a. onbetaald (for). —ed (-neeld'), a. ongespijkord. Eapaln ed (un-peend'), a. vrij van smart. —fur Unnamed (un-neernd'), a ongenoernd. (-peen'toel), a. niet pijalijk. —ted (-peent'id), a. Unnatural (un-netloe-rel), a. —ty, ad. onnaongeschtlderit. tunrlijk. —ice (-sj.), v. a. onuatuurlijk maken. ?Unpaired (urt•peerdi, a. ongepeard. g. onnatuuriijkheid. Unpalatable (un-pere-tibi), a. onsmakelijk. Unnavige bite (un- nev'l-gibi), a, onbevaarbaar. Unpara Haled Inn-per'el-leid), —gonad (.e-gond), —ted (• gas- tld), a. onbe rare.. a. onvergelijkelijk, weergaloos. Unnecessar Hy (un-nesla-se-r11-11h), ad. —y, Unpardon adt,le (un-paar'dn-1131), a. —ably, ad. a. onnoollg, onnoodzakelijk. —iness (-ri-nete), a. ongergetelijk. —ad (-dund), a. onvergeven, —in1,, onnoodzakelijkheld. a. ntet vergev end, onverzuenlijk. Unneedful (un-nied'foel), a. noodeloos. Unpared (un-pearl')... ongeechild. Uanelghborly (un-nee'bur-Iih), a. & ad. on- Unparliamentary (un-paar-le-ment'e-riit), a. buurechappeltj k, onvriendelijk. etrIjdig met de gebruiken can het parlement. Unnerve (un-nura'), v. a. outzenuwen, verzwak- Unparted (un-paart'id), a. ongeseheiden. ken. Unpas sable (un.paaesibl), a. onbegaanbaar; Unnobi a (un-no'h1), a. ad. onedel, gammen. ongangbaar.—sionate( •uturun•et),,onhartotochVaunt ed (un- no'tid), a. onbemerkt; ongederd. te n ijk, bedaard. —lurid (-guard, -third), a. onge—iced (-Vet), a. onopgemerkt. weld. Unnumbered (nn-num'burd), a. ongeteid, tat- Unpa thed (nn-paathd'), a. ongebaand. —thetic too.. (-pe-thet'ill, a. ntet aandoenlijk. —triotic (-peeUnobeyed (un-o-beed ► , a. niet gekoorzaamd. tri-ot'ikl, a. niet vaderiandelievend. —tronisrd Unobject ed (nn oh dzjektirl.), a, niet tegenge(-pet'run-ajsd), a. oubeschernid. —red (-peevd'), a. wor„en; onweerepr.lken. —ionoble (•dzjek'ejunonbestraat. tb1), a. onverwerpelijk. Unpavuned (un-paoncin, a. onverpand. Unob nouloaa (uu-ob-nok'sjuP.), a. ,.let under. Unpeace able (un-pies'ibi), —fat, a. —ably, ad, hevig; etrafbaar; aanetooteliJk (to). —seared onvreedzaam; woeltg, onruatig. —ableness, s. ma(., akjoerd'), a. onverduisterd. vreedsAstnheid, woeligheid. Unobsequioua (un-ob-81'kwi-us)„ a. ad. Unpeg (un-peg), v. a. van de pinnenlosmaken. ,ngedienetig; niet onderdanig. —rens, a. onge- Unpen (un-pea'),v.a.uit tie boot. drilvinclos-,doordiengigheid; on ehoorzeamhaid. laten. —etrated (-e-tree-tid), a. undoordrongen. Unotbsery able (un.ob•zurv'tb1), a. onbemerk—eluding (-e-tree-tieng), a. Met dooraingend. bear; Met in acht te nemen, —ante, a. onop— rioned (-sjuktd), a. zonderj aarwedde, pensloen. merkzaarchetd, veronachtzamIng. —ant, —ing, a. Unpeople (un-p 4 e'pl), v. a. ontvo!ken. unopmerkzaam, niet acht nemend —ed Upper calved (un-pur.sieve), a. onbe'oterkt. (-zurvd'). a. onopgeutorkt. —forated(-purno.ree-tid),a.ondoorboord.—forned •Unobstrueted (un-oh-strukt'id), a. niet ver- (-fornad'), a. ouverriebt, onvervu:d. —jured (-pueetopt, onbelemmerd. dzioerd), a. ntet meineedig. —mitred Unobtain able (un-ob-teell'ibl), a. onverkrIjga. ougeoorloofd. —pieced (npleket"), a. niet verbear. —ed (-Wad'), a. onverkregen. tem, verward —suaduble (-swee'dtb1), a niet Unob trusive (un- ob-troe'eiv), a. niet indringend te overreden. —carted (-Turt'id), a. onverdorven; (on). —vices (- ob'vi. Ira), a. niet to bat oog vallend. Blest verdra,id. Unoccupied (un-ok'kjoe-pajd), a. unbent; ntet Unpetrilled (nra.pet'rl-fajd), a. Wet versteeud. beztg. Unphilosophical (un-111-0-soriiki), a. --ly, ad. Unutr ending (on .0-fendleng), a. ntet aenstoo- onwtjegeerig, —ners, a. onegsgeerigheld. telijk; onechadelijk; onethutellg. —ered (-orfurdi, Unpicked (uu-piktn, a. ongepikti ongeplukt; ona. oneangeboden. —icial (-titre!), a. Zie blotnitgezoebt; ongereinigd; onargekloven. -oeions (•tig'ui), a. ongedienstig. Uspiercse able (un-piers'ibi), a. ondoordringUnoften (un-ot'n), ad. niet dtkivkjim. bear. —d (-pierst'), a. ondoorboord. Unoll (nu ojn, v. a. van olie zuiveren. —ed (-ojtd"), Unpin (un-pin'), v. a. van spelden ontdoen; losa. ongeolied. spelden. —eked (-pintsjt"), a. ongeknepen, ongeUnopened (in,o'pnd), a. ongeopend. kneld. —ioned (-jund), a. losgemaakt; solider Unopposed (nn-op.poozd'), a. onverbinderd. rondaela. —ked (-pingke), a. zonder gaatjes or Unor der ly (un-or'dur-itb), a.onordelijk.—disary oogjea. (-pind'), a. ongespeld. (-di-ne-rih), a. ongemeen. —gasived (-gen-ajzd), Unplt led (un-pitild), a. onbaklaagd. —Vet, a.
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.
INI .—INS. 480 Integer ea, ov. w. to lay in garnison, to quarter. dial (-1y), fervent ( ly). —heid, v. siererity, cor—log, v. quartering. diality,fervor. lining gen, or. w. to lay (to put) in; to lay up; Inning, v. receiving, collection.1 to narrow; to pickle, to preserve; to inlay; to Inoogat en, ov. w. to reap, to gather (in). —ing, contribute, to stake; (met) to reap of, to gain v. leaping, gathering (in). by. —ger, m. preserver; inlayer; contributor. Inpakk en, or. w. to pack (up), to embale. —ging, v. laying in, — up; narrowing;picking, —er, m. pocker.—ing,v. packing (up). preserving; inlaying; contribution. —set, o. in- Inpallon an, or. w. to tuck in; to engross; to laid work, marquetry. receive by instalments. —lag, v. enrossing. Inlaid en, or. tr. to lead In, — into; to intro- Inpreseen, or. w. to try; on. w. to fit in. duce, to usher tn. —er, nr. introducer. —ing, v. Inpeperen, or. w. to season with pepper; to introduction. requite, to make smart for. Inlever en, or. w. to deliver, to preeent. —lap, v. Inperson, or. w. to press in, — into. delivery, presentation. Inplant ow ) or. w. to implant; to inculcate. Ifullehe nem, ov. W. to inform, to explain to. — lag, v. implantation; inculcation. —lag. v. information. Imployien, ev. w. to groave, to channel. Inliggeu, on. w. to be quartered. Ives% iemaed Inprofiren, or. & on. w. to hurl in, — into. —, to cross a. o. 's designs —el, by. inclos- Inplukken, ov. w. to pluck (to pull) in. ed. Inponspeu, or. w. to pump in; to infuse. ov. w. to put into a frame; to place Inpoten, ov. w. to plant in. on a list. Inprangen,ov. w. to cram in, — into. lialijv en, or. w. to incorporate. —lag, v. incor- Impraten, or. w. to persuade (to engage) to. poration. Inpreekell. or. w. to exhort to, to preach up. belokkesz, ov. w. to entice (to deco!) in. Inprent en, or. w. to imprint —, to laminate Inlooda ell, or. W. to pilot in. —bog, Y. pilot(on, upon), to impress (on. with(, to instill (Into). ing in. —ing, v. imprinting, impression, inculcation. baloop, m. running in, entrance. —en, ow. W. Inprappen, or. w. to cram in, — into. to overtake; on. w. to run into, to enter, to Lupo:liken, on. w. to rink, drop in; to take up less space; (egos elhander —, Inrskelen, or. w. to cover with ashes. to be inconsistent, to clash.. lnraken, on. w. to get in. Infuse en, uv. w. to ransom, to redeem. —or, In iregenen, onp. w. to rein in. m. ransomer, redeemer. —tog, v. redemption. Incekenen, or. w. to cover with ashes; to take Inluition, or, w, to announce the beginning in; to catch, to apprehend. of.... by ringing the town-bells. Irarnunen, on. w. to enter at fall gallop. Ininnak, v. Zee Inenaking. o. pickles, Inrichtt en, or. w. to dispose, to arrange, to preserves. nettle, to adapt. —ing. v, disposition, arrangeInnutk en, ov, w. to pickle, to preserve. —ing, ment; institution. v. pickling, preserving. InrUden, ov. w. to overtake; to break by riding Inman en, ov. w. to demand, to get by dauagainst; on. w. to ride In, to enter on horseback. nting. —er, m. demander, dun. —ing, v. demanding, InrUg en, or. w. to lace. —ing, v. lacing. dunning. InrUten, ov. & on. w. Zielnscheuran. lunteng en, or. w. to intermix, to infuse; via Cairn, m. riding in, entrance on horseback. t. w. to meddle (wick). —ing, v. intermixt- Inroolen, or. & on. w. to overtake; to row in, ton; meddltng. —set, o. intermixture, ingredient. — into. Inuaet.tn, on. w. to b3 lessened in measuring, to Inroep en, or. w. to sail in, to summon; to diminish by being measured. invoke. —ing, v, summoning; invocation. Inmetaeltn 4 ov. w. to fix into a wall, to im- Inroer en, or. or. to mix, to intermix, to minmure, to surround with a wall, gle. —lag, v. intermixtion, mingling. Inusiddels, bw. in the mean time. Introeaten, on. w. to rust. Inankinen, ov. w. to call in at an auction). Inrollen, or. & on. w. to roll in, — into. uneuffelion, or. w. to muftis, — up. Iurond, o. interior circular opening. Inuiond en, on. ;w. to discharge, tonmpiy into. Inrull on,or. w. to barter, to truck, to exchange. —ing, v. discharging, junction. —ing, v. barter, truck, exchange. Innreal en, or. to new (up), to stitch; to :Make 'lamina en, or. w. to yield, to give up,to etch' „ shorter. to concede, to grant; to evacuate. —lap, v. Innen' en, or. w. to take (iv); to conquer; to yielding, conceding; evacuation. load, to take on board; to lodge; to make nar- Inrukk en, ov. w. to pull in; on. w. to march rower; to take up, to occupy, to fill; to charm, into, to invade. --ing, v. entrance, irruption, to captivate; on. w. to take phyinc. —end, by. inroad, invasion. charming, lovely. —endheut, v. charmingnees, Inachenk en, or. w, to pour out, to flit. —ing, lovelinest. —er en. taker, captor, conqueror. v. pouring oat, filling. —kg, v. taking tin), reception, capture.! Inechop en, or. w. to chip, to embark; tick —, Innen. ov.w. to receive, to collect. t. w. to embark. —log, v. shipping, embarkment. InnariUk, hr. inner, inward, internalaintrinsic. Inseheppen, ov. w. to put in (with a ladle, ate.). —, law. inwardly, internally. Inecherp en, or. w. to imprint —, to inculcate Innig, by. & bw. sincere (-Iy ► , earnest (-13, ), cur- (on, upon), to instill (into). —lag, r. inculcation.
384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)

Hoe ga je kopen rimpel op Coinbase


—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid. 

Hoe krijg je de crypto op de Kraken


Cryptocurrencies are experiencing a moment of unprecedented attention and speculation for several reasons. 1) The value of Bitcoin has been steadily climbing through 2017, with Ether seemingly poised to overtake the cryptocurrency giant any day; 2) Blockchain technology has purposes above and beyond cryptocurrency, and has been hailed by some as the backbone of the future financial system; 3) The increasing number of people who see cryptocurrency as a form of investment similar to gold. If cryptocurrencies stabilize in value, buying Bitcoin or Ether has the potential to be a worthy venture. 

capital puoiehment, pain of death. —string, necklace; halter, rope; quinsy, squinancy. neck - piece. — lalie, tack - tackle. — vrtead, — triesdin, bosom- friend. --seen'e, capital crime. — zed, Arap„ shoulder - belt. Meister, m. halter. Unit, v. halt. — &Aden, to halt, to make a halt, to stop. alleavesertera, ON. NV. to halve, to divide into halves. IItsive-stateron, v. half-moon• crescent. Halwerwegam, bw. half-way. 111,aleezolless, ova w. to new-foot. linleen, to. me. red - weede. — , on. w. to drudge; to draw tiet the lia!eers; to veer. hams, v. ham, —meiee., ham-tone. —meet, hamgrease.
1;44 RAG.—RAS. Ragged (reegid), a. schabberig; in lompen ge- Random (ren'dum), a. toeval, goed geluk. at kleed; row. —school, school voor havelooze kinin 't wilde. —shot, sehot in 't wilde. deren. a. achabberigheid. Randy (ren'dih), a. ongebonden, wulpach. Raging (ree'dzjieng), a. het wooden, razen. — Range (reendz)', a. rid, Masse, rang; omvang; a, —ly, ad. woedend, razend. guirnte; dracht van geechut; omzwerving; Ragoo, Ragout (ra•goe'), a. ragotit. boom; zeef; sport; keukenhaard. —, v. a. in orde Ra ales (reg'stur), v. n. pocgen; stollen rangschikken; opatapelen; overspringen; Rail (reel'), a. richel, dwarsbalk; elagboom; lenV. n. in i orde geeteld zgn; omzwerven. —r, a. ning, latwerk; hek; spoorstaer; wachtelkoning; landlooper; epeorhond; boschwachter. regeling. road, —way, epoorweg. —shifter, draat- Rank (rengk'), a. —ly, ad. welig; geil, tochtig; echgfwachter. —, v. a. omrasteren; ep eene rg stork, grot; overdreven; ranzig, vansig. —, a. rg; plaatsen; v. n. schimpen, smalen, lasteren, gelid, rang; greed. —, v. s. rangschikken; op (against, at,) --er a. spotter. —ing, a. traliewerk, sane sir (ign) plaateen; v. n. geraegsch'At (ge• 'mining; spotterng. —mg, a. —ingly, ad. apottend. plaatst) zgn, (with) denzeliden rang hebben als. Raillery (rei'lur-ih), a. boert, scherta. Rankle (reng'kl), v. n. ontstoken zgn, etteren, Raiment (ree'mint), s. kleeding. invreten. Rain (reen'), a. regen. regenvogel. —bow, Rankness (rengk'ness), a. weligheid, geilheid; regenboog. —bow fish, regenboogvisch; livereiranzigheid. knecht. —deer, zie Reindeer. —fowl, groene Benny (ren'n1h), a. spitsmnia. specht. —gauge, regenmeter. regentijd. Ransack (renisek), v. a. plunderen; dooranuf—water, regenwater. felon. v. n. reonen. —inert, v. a. regenachtlgheid. —y, a. reganachtig. Ransom (ren'snm), a. loageld, ranteoen, Raise (reez'), v. a. oplichten, opheffen, opzett'en, a. vrijkoopen. —er, a. vrijkooper. a. solioprichten; verhoogen; verheffen; doeurgzen; doen der losgeld. ontataan, verwekken; opweltken; aanvuren; het- Rant (rent'), a. hnogdravendheid, grootspraak. fen, licbten, werven; opbreken. —r, e. opheffer; —, v. n. hoogdravend spreken, noeven. —er, a. opriehter; heifer. grootapreker. Raisin (ree'zn), a. rozijn. Rentipole (re:en-pool), a. 'wild, uitgelaten; RaJah (ree'dzje), a. Radjah (indisch vorst). —, a. losbol, wildzang. a. ranonkel. Rake (reek'), a. hark; lichtmie; kielwater. —, v. Ranunculus (re-nung'kjoe a. harken; bijeenschrapen, Inrekenen, opal:elen Rap (rep), a. slag, tit; valsche moot. —, v. a. & (up); opwroeten (up), v. n. harken; echrapen; een n. alaan, kloppen; wegrukken; ontvoeren; opgelos leven leicten; (into) wroeten nauwkeurig togen doen zgn (with); (out) uitstooten. onderzoeken. —hell, lichtmis. —deny, loabandig. Rapaci one (re-pee'sjus), a. —may, ad. roof—shame, schaamtelooze. —r, a. hacker; schraper; —ty (••peent-tib), a. roofzucbt; —sness, ou wroeter; straatveger; pooh. g uizigheid. Rak hag (ree'kieng), a. schraperig; a. het harken, Rape (reap'), s. roof; bait; schaking; onteering; schrapen. —ish, a. liederlijk, ongebonden. reap, knol; mop. —cake, raapkoek. —oil, raapolie. Rally (rellih), a. bereeniging; aeherte. —, v. a. —seed, rammed. hereenigen, weder verramelen; bespotten; v. n. Rapid (rep'id), a. —ly, ad. anal. —, a. sniffle rich weder verzamelert; schertsen. Eamon. —ity (re- pid'it-tih), —ness, a. enelheid. Ram (rem'), a. ram; storrhram. —rod, laadatok. Rapier (ree'iri-ur), e. rapier. —fish, zwaardvisch. —, v. a. vullen, instampen. Rapine (rep to), a. plundering, roof. Ramage (rem'idrj), a. takken; gekweel. —velvet, Rappee (rep-pie') a. now), (snuff). gebloemd fluweel. Rapper (rep'pur), a. kiopper. Rambl e (rem . b1), s. omzwerving;nitatapje. —e, Rapt (rept), a. verrukt, opgetogen. v. n. rondzwerven, —er, a. zwerver. —ing, a. Raptor a (repe)oer), a.. verrukking. —ed, a. —ingly, ad. zwervend; verward. verrukt, medegesleept (at. with). —oars, a. verRamif !cation (rem-if-i-kee'sjun), a. vertakrukkend. king. —y (rem'ilaj), v. a. in takken verdeelen; Rare (seer'), a. zeldzaam; dun, Wu; half rauw; v. n. zich vertakken. uitmuntend. —ripe, vroegrfjp; a. vroege vnieht. RAIIIM er (rem'mur), e. heiblok; laadatok. —ish, Raree (ree'r1), —show, a. rarekiek, a. garstig; Beret' action (rer-e-fek'ejun), s. verdunning. Ram one (re-moos'); —ours (ree'mue), a. takkig, iable (reee-faj-ibl), a. verdunbaar. —y (rer'egetakt. faj), v. a. & n. (zich) verdunnen. Ramp (Temp') a. eprong. —, v. n. klimmen, Rare ly (reer'lih), ad. zelden, zeer wel. —seas, springen, stoeien. (lacy, e. overhand; overvloed. a. Zie Rarity. —ant, a. heerschend, stggen d; overvloedig; dartel. Rarity (ree'rit- tih), a. zeidzaamheid; (ook: rer'itRampart (rem'paari), a. wal. ilk), dunheid, Ramson (rem'zn), a. wild knoflook. Rascal (raae'kel), a. sehelm, schurk. —ity (res. Rancescent (ren-ses'aent), a. ranzig wordend. kel'it-tih), 0. schurkerg. —lion (res-kellun), s, Rancid (ren'sid), a. ranzig. —ity (-sid'it-tib), gemeene kerel. —ly, a. schurkachtig, gemeen. —neat, a. ranzi held. Rase (reez), v. a. Zie to Raze. Rancor (reng' ur), s. wrok, boosaardigheid. Rash (rear), a. —ly, ad. overgid, onbezonnen. —, —sus, a. —ously, ad. wrevelig, boosaard1g. s. uitslag. —ness, a. overgling,onbezonnenheid. Rand (rend), a. rand, zoom. —er, a. reepje spek.
Su-re I tatter (eur-re-but'tur). s quintapilek. Suttee (aut-tie'), e. indtaanscheWeduWe; Verbran. --joinder (-dzjojn'dur), s. tripliek. ding* eener indiaaneche weduwe. ,Surrentier (eur-ren'dur), e. overgaaf. -, v. a. Sniffle (ent't1),a.nettce & n. (z!cli) overgeven. Sut tare (ejoe'tjoer),,a. na g, hechting; naald. vieirept tun (sur..rep'sjun), veracbalkInr, nut- i Swab (swob')., a. dwell. swabber. -, v. a. dwel(-iterne), R. ontfut'eid; in- )en; opzwatteren. -bee, a. dweller; zwabberfuteeling. (AN 'en-), ad kapitem, ecteepsjongen. gestopen; hedriegelijk. Swaddle (ewod, di), a, zwachtel; inter. -, v. a. heirnciijk, steelewijze. zwaehtelen; bakeren; afroseen. e--- nreogat e (aur'w.geet), a plitatevervanger; afgavaardiede; piaatavervaDgend middel.-e. v. a. Swaddling (swod'diteng), a. het zwechtelen; balieren. -band, -cloth, -clout, zwachtel; Wier, 110,e'fiiael, a. yen in de piuts vanging. kinderdoek. S,reoland (sur-raaund', v a. omringon. Swag (sw eg'), v. n. neerhangen (down); slingeStcmtt rt Our-inet'i,e. 0 VEriciA. ren. -belly, hanglittik. -ger (-gur), V. n. razen; v n. bijkomen. t'3a 1-venc enueven, portico. -gerer (-gut-ur), e. anoever„ StaTvey (sur'vee)„ a, overstcht„ opzlcht; opue- porter, wlndbull. -gy(-gilt). a. neerhangend. miag; sehouveing; meting. S wit! n (sweep), s. jangeling, jonge borat; vdjer; Survey (eur-vee'), v. a het opzicht (toe,tcht.) hoc- boeren*,echt, herder. den over; bezicht!gen, echouwen, opnemen; me- Swale (aweel), a. dal, Magic; achaduw. v. a. opgebruiken, variance; schroefen (den vaikea); ten. -ing, R. (het i landmeten. --or. ti.opncliter; lADdeleter. -ors4ip, a. unvbt van opzichter v. n. amelten, aroopen (van kaareen) mete)). Swallet leworliti, a. reijnvrater. Starlit, st , (sur-vaj'vei), -ance, a. overlaying. -e Swallow (-•anta), a. VP1,1111.11 gorge!; allok; (-vajv') v. a. overieven; v. n. tog in 'eve. ztjv,. guizigheid. -fish, knorhaan, zwaluwvisch. -tail, - ar , a I a......gstlevende, -arehip, a. over;evirg. zwaluyetaart. -wort, zwaluwwortel. -, v. a. -ive, a, vattaar Hof) slikken, optlobken; verzv elgen; pans teen; beSuvoapt Stile machtigan; (down) inslikken, Inzwelgen; (up) op-ib:eness a. vatbaat , e;d. slokiren, veralinden, verzwelgen. -er, inIsna-sip'!-en-eih), a. appeming,1 zwelger; s:okop. SuricIp:"en toelating. -1., a. opnemend, aannemend; a. op- Swamp (swomp') a. meeran. -, v. a. doen armor, oaunexer, zinken; in inaellijkheden vikke ►.en. -y, a. S^a ocltn to (;.;s'el-teet), v. a- verwe"" , moer,Off.e.verwekking,ppwekking. Swan (awon'), a. mean. ken. -lion zwanendons; Suspect (sus-pekt'), v. a. verdenken, ',Hecht lammertjesbaai. -ekin, moiton (soort van beef). tou.den; wantrana: en; v, argwean veeden (of). -song, zwanenzang. -eu, a. verdael•. -edness, a. verdachtheld. er, Swap (swop), F. PP v. Zie Swop. -, ad. plots. verienker, die argwaan voedt. R. act, -, int. plot! flap! terdoch,ig, a. entreua, end. Sward (awaord), s. zwoord; grazige oppervlakte, v. a, ophangen (to); °pea°, grasperk. Suspend (sae-pe ten; ophenden; horsen (from). s. °wet°, Swarm (ewaorm), 8 nwerm; gewemel. v. n. ten; Pchorser; tre,Aba,d. --ere ( urz). pl. draag- swermen, wemelen (with). Swart (swaort), A. Zie Syvarth. -, v. a. handen. stisFen, a (spa-peen'), a onsekelheid, zwert (bruin) meken; verdoukeren. a. ban- Swarth (swaorth'), -y, a. -ity„ ad, zwartschtig, looahold; opseb,,ettnr, echorsinx. gend; enz,ker. twijfelachtig: orges,tort; ge- denker, dankerbruln, taankleurig. -inns, a. (•jur0, 8. °plumping; opectocting, rchorst. donkere (bnline) kleur; tuankleur. stoking; stilstand; tchoronc -brid;c, bangbrug. Swamis (sweep), a. gekletter, gernisch; geanoef, twWelachttg. -or;', a ophoudeavd, twij- gezweta. -buckler, -er, a. enoever, zwetaer; eelachtig; a. draagtep0; ly..ddekwa,t. ilzervreter. -, v. n. kletteren, plaetien; anoeven, Sueplel on (sus-pi,fun), R. p.rg•aan, aehter- pochen. dacht. -ow, a. -,only, ed. wantrausig, ach- Swath (swath), a. zwad,atreek, rij; ale Swathe. t4rdoa.ig (of). -nu 7,4, a. wentvouTighetd. Swathe (aueetta), a. zsrachtel., winded:. -, v. Susfilt- at (eun-payre:), e. 1 uchigat; tuts caner a, inzweebtelen, takeren; teperken. waterleiding. -ation (-pi-ree'sjun), n, dieae dem- Swny (.4wee). e. sweat; gezag. macht, heerschappij; v• a. dial, ademea, zuchien. i•vloed; averwicht; lot. -, v. a. zwaalen; re--, Sustain (ova-teen'), v. a. F., hrAgen, dragen, on- geeren, besturen; invioed bebben op; (away up) onderhouden; tualhouden; uitataan, hijvrhen; (down) etrijNen; (from) a'detden van; v. verdure, -arid,, a. houdt,ar; dregelijk. -er, aa, n. zwaa!en, zich nelgen; heerechen; (with) Inondereteuner; vloenl batten op. SID St en smee(sue'te-nens),- khan (ten-tee'sJun), Swr (swiel), v., v. a. & n Zie to Swale. a. onderete -dning, eteun; onderlioud; levenson- Swear (. eel') [wore morn (swoorn)l„ v. a. derhoud. zweren; bezweren; beeedigtn, v. n. zweren (to); Suuner, to (sjoe'owr•reet), v. n. fluisteren; nun slacken. -er, e. zweerder; vloeker. mete', -lion. (-ree , ejun),8 gehilsier; gemermel, Sweat (owes), a. sweet. Sulfite (ajoe'til), a wet da nal!d. vervoordigd. Sweat (met') [sweat.] .v .a. uitzweeten (away. out); Sutter (,ut';ur), zoete!aro:; nv,ketentater, doen zweettn; v. n. no eeten; zutoegen. -el*, a.
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.

Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Kunnen we verkopen Bitcoin op Zebpay


Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

6enlettergrepig. —ble a. woord (mo-relit-tih), e. zedelijkheid; zedenleer. —ice, van One lettergreep. ( Rig), a. a. eene zedeles trekken nit ; v. n. zedenMosiolheisru (mon'o-thi-izin), a. geloof aan I lessen geven, —iser 1-a.;z-ur), s. zedenpreeker. Adnen Sod. (-elz), pl. zeden; zedelijkheid, xedenkunde. Monoton outs (mo-not'un-nus), a. eentoonig. Morass (mo-rena'), a. moeras. --y, a. moerasnig. —y, s. eentoonigheid. ;Nor bid (mor'bid), a. —ly, ad. ziekelijk. —ness, Monsieur (mon-sjoer', mon'sier), a. Monsieur; n. ziekelijkheid. Franaohman. Mork ;tic (mur. —ifical, a. ztekteveroorMonsoon (mun-noen'). s. passaatwind. zakend. —Mous 1-bielus), R. MaZeIRChtig. —use Monster (mon'atur), a. monster, gedrocht. ; (-boos . ), a, ongesteld, ziekelijk. —osity (bos'itMonstrosity (mun.stros'it-tili), s. noonsteraeb- tih), s. ziekelijkheid. gedroehtelijkheid. Mordaci one (mur-dee'sjus), R. b)jtend, schen,. Iilonatroca (mon'Attus), a. —ty, ad. mounter- --ty bijtendheid, seherpte. achtig, gedrnchtelijt, afgrljaelijk. —ness, e. Zie Mord ant (mor'deat), a. hijtend; s. bijtmiddel. rdottatroalty. —icant (-di-kent). S. bijtend, acl;erp. —ication Montanic rt. van de beaten. (-di kee'sjun), s. b'gting, invreting. Montant (mont'ent), s. halve mean; (bet) your- More (moor), a, & ad,. nicer, meerder. once —, nitdringen. nag pens. some (any) —; nog thee, — and —, hoe Montero Imun.tero), s. rtlpet, -mots. "anger hoe meer. the —... the —..., hoe sneer... Monteth Imon'teth, s. spoeivat. des to nicer—. ea march the —. den to meer. no —, Month (month'), R. maand. vurig vernit itanger. never nooit weer. s. grouter large!, —ly, a. msandelijksch ; ad. maandelijks. bedrag; hoogere grand; heuvel. Monument (mon-joe- meet), a. gedenkteekan ; Noreen (mo-rien'), a. moird. gedenkstuk. (-maned% R. gedenk-, graf-. Morel Imo-reP), s. nachtneha de; morel. —berry, —ally (-ment'el-), ad. ale aandenken, ter ge- , —cherry, jodenkers, kriek. daehtenis. More land (moorlendi, a. bergaehtig land. —over Moo (moe , v. n. loeien, spotters. (-o'vur), ad. daarenboven, bovendien. Mood (moefl'), a. aard, wijze, trent; stemming; Maresqne mo-resin, a. nnoorsell, drift. —iness (-i-ne-so), s. gemelijkheid. —ily, ad. Morganatic (mor-ge-neelk), a. morganatiseh. —y. a. gemelijk; treurig. Morigerous (mo-rid'zjur-us), a. gehoorzaam, Moon (moen'), a. mann; maand. man- onderdanig. strata. —calf, wansehagen vru eht; lnmmal. —.eyed, Morton (mo'ri-on), a. stormhoed, helm. bilziende. —fern, maankr,id. —fish, spiegelviseh. Morisco (mo.ris'ko), s. moorsche dons; moorsche —light, maanlicht. —reed, maankraid. — shine, teal. manenehijn;beuzeling,—struek,maanziek.—trefoil, Morkin (•or'kin), a. gestorven wild. maanklever. —wort, zilverblad. —jolt, a. veran- Morliog (mor'lieng), s. steriwol; doode wol. derlijk. —lees, a. zonder mean. —tiny, a. sal, Mormon Imor'mun), s, Mormoon. stoffel. —Y, a. met erne mass ; maanvormig ; Morn Imorn!, a. ochtend, oebtendstond. besehonken. Morning (morn'leng), s. ochtend, morgenstond. Moor (moer'); a moeras, yarn; Moor. —cock, kor- —gown, ochtendjapon. —prayer, morgesgebed. ham —coat, moerkool. —game, moeranvogeln. —print,oehtendblad.—atar,morgender.—twilight. —hen,korhoen. —land, moera , ,veenland.—'s-head, ochte.ndschemering. moorenkep. —stone, tizernteen. —ish, a. moeras- Morocco (mo-rok'ko), a. marolkijn. gig; moorsch. a. moerassig. Morose (rno-roos'), a. —ly, ad. gemelijk, knot• Moor (moer'), v. a. meeren, vastleggen: vertuien; rig. —ness, a. gemelijkheid, knoreigheid. v. n. ten anker komen. — across under sail, al Morphew (inorlioe), a. dauwworm.

Kun je geld op te nemen uit een Bitcoin ATM


CAL.— CLA. Caleidoscoop,o. kaleidoscope. o. calico. Cetitigr rear, no calligrapher. —aphid, v. Calligraphy. —.Weise*, by. calligraphic. Calque*Ten, ov. w. to counter-draw. Calvin lama, o. Calvinism. — let, M. 081,1nItt. Caine., v. cruteo, camayeu. Camelia, v. camelia. Cacupache-hout,o.Can3peachy - wood, log-wood. Canoille, o. rabble, tag•rag, Canapé., v. sofa, conch. Candid nat. m. candidate. —atenlidst, proxy. —tamer, v. candidature, candidateship. Canon, m. canon. —fete, be. canonical. —kettle, v. canonization. —Caceres, or. w. to canonize. Cantata, v. cantata. Cantine, v. canteen. Canton, o. canton. —nearer:, ov. w. to canton. —nement, o. cantonment. Caoutchouo, o. cutch, lndia.rubber. Cdpltui atie, v. capitulation. —urea, on. w. to capitulate. Carat:IWO a, v. carambol. —eeren, on. w. to carambol, Cargo, v. cargo. —door, m. ehip's-freighter, cargador. Caricatuur, v. caricature. Carnaval, o. carnival. Carton, a. cartoon. Casco, o. hull. verzekeriny op het —, insurance on th keel of a vessel. Casiras er. o. cassimere, kerseymere. Casino. o. casino. If. caoh. —rekening, caste-account. Casmatie, v. caseation, appeal, reversion. hof ran —, court of cessation, — appeal. *id* in — vooraien, to appeal. Cease eren, ov. w. to break, to discard; to dismiss. Caste, v. caste; corporation. Casuaris, in. cassuary. Cataoowben, v. ma. catacombe. Catalogue, or. catalogue. Vatechetisela, he. & bw. catecheticiel (-1y) Cateehis ant, m. catechumen. —atie, v. catechisation. —eerweater, catechist. —erten, or. w. to catechize. —nue, m. catechism. Categor le, v. category. —itch, by. & bw. categorical (-ly). Catheder, m. pulpit, chair. Cathedraal, v. cathedral. Catheter, m. catheter. Cathol telmane, o. catholicism. —isch,tbv. & m. catholic. Cantle, v. bail, security; ale Borg. Cavalcade, v. cavalcade. Cavaier Is, v. cavalrie, horse. —let, m. cavalier, horse-man. Cede!, v. schedule, list. Ceder, in. cedar. —boom, cedar-tree. —boat, cedarwood- —en, be. cedrins. Cal, v. cell. —lebroeder, cell-monk, recluse. —normig, bv. cellular. Cellbarst, o. celibacy, celibate. Consent, a. cement. Censuur, v. censure, censorship. Cant, m. cent. —caner, m. hundred-weight.
RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-

Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts
VOL.— —owl, a. —misty, ad. wellustig. —mimes, a. wet. inetigbeid. V olu te (vo-ijoetn, a. krul. —lion (-.)joe'Fjun), 4. spiraalvormige omloop. Vona° (voneik), a. — nut, kraaienoog, brasknoot. -a (-1-ke), a. longsweer. Vomit (voinfit), a. braakael; braakrniddel. black —, gale koorts. —, v. a. & n. braken, overgevan (out. up). —ion (To-intorno), a. braking. —ire, —ory, a. braking yerooraakend; —potion, braakdrank. —ory, a. breakeatddel; uitgang. Voraci one (vo-ree'ejus), a. —oualy, ad. guizig, verslindend. —ounieree, -ty (-res'elt-tih), a. gulzigheld, vraateucht. Voraginous (vo-yed'Iji-nun), a. vol kolken. Vort ex (vort'eks), s. draalkolk; dwarlwind. —teal, a. draaiend, dwarroiend. Voter ess (vole-rem), a. ordezuster; aanbangater, vereerater. —y, a, ten gevolge saner gelofte; tewijd; a. ordebroeder; aanhanger, voreerder. Vote (voot'), a. atom. to put to the —, in stemming brengen. —. v. a. & a. stemmen 07000; — by ballot, balleteeren. —r, a. eteram3r. Votive (voliv), a 'Lie Votary. Vouch (vantaj'), a. getuigente, biwijo. —. v. a. & n. tot getuige roapen; bevestigen, bekrashtigen; getnigen, getulgenta afieggen; (for) inataan (borg blijven) vont. —ec (-je'), a. in vrijwarlag opgeroepene. —er, n. oproeping (oprorper in vrijwaring; getuige; getulgente; bewijeette.k.

meendeeing. —ing, v. rumpling:, wrinkling; twipttug; wrinkle, winding, bent, meander. Kroota., v. crown; chandelier; lustre; horns. de — spannen, to excel. near de — sicken, to compete (to vie) with. —dome; n, crown-land. --g/as, crow nglass. —/iest, cornice. —prins„ prince royal, prince hereditary. —prinses, prrncees royal —rod, crownwheel. —werk, crown-works. •—tee, o. coronet. —tjeskruid, wild parsnip. crown imperial. Kroom. o. duck-weed; g, bias. o. damson. Kroost, o. off,oring, children, progeny. Krool, v. (red) beet. lat op, m. craw, crop, gizzard; neck; sic firor)geuireel. —, v. head (of cabbage-lettuce). —ea*, dough for fettenieg, jugular vein. —been, breast-bone unbolted bread. —dunsel, lettuce. —gene, crammed goose. —gezwel,Koitre, De,byabire beck. —lap, gorget, —sa!ade, cabbageletcuce, —voget. cormorant. —steer, ctrofills, king 'e evil. Krnp pee, or. w. to cram, to fill up; to manage; on. w. to cribbage. —ar, ma. crammer; cropper. —erd, cat. cropper. --ig, ho. choking, dry. Tirol. to cot, hovel, tut; bswely-house. bawdy-house. —airy, v. strumpet. —ten, on. w. to rake. —tee, me rake. iir“stil en, on. w. to groan, to whir:inter. —ere, m. groaner, Kruk!, 0. herb, plant; simple; greens, snim —toek, herbal, —doov. eplce-box. --tuts, botanical garden. —kenner, —kundige, botanist, herbaliet, —koek, spiced elineerbreed. —kende, buthniee„ botany. —kunrlio, botanical. —naget, clove, —Linens, dove-gillyflower; clonetree; —Ow, oil of cloves. --200t, nutmeg. —worm, caterpillar. —ekaz;j4 —eratijn, spiced vinegar. —.entecer,—enzoeker, botanist. herborist. —erkaas, epiced cheese. —erwijn, spiced wine —achtig, by. lo?rbaceuee. —en, ov. w. to spice, to season, to areinatize. iliessidenter, tar. grower. —scab, grocer 'a trade. --owaren, groceries. ---,minket, grocer 'e shop. frernildeerlj, v. spice. grocery. Kruldig, be. epeey, aromatic; nice, neat. —held, v. epicineas, fregrantueas; nieenems. lIfireit.tje-erererernti-niet, au. sensitive-plant, touch-:we-not. kraals era, or. w. to carry (to transport) on a wheel-barrow; fin. w. to float, to drift, (teen ifs). ale —wage, wheel-barrow; protection. --steel, porter "ti trap, —er, m. porter; —aloe, porterege. —ing, v. floating, driftleg. Kruik, v. pitcher, jug; urn. —en, or. w. to bottle. Krult, v. jest, joke, fun. om for fun 's rake. —en, on. W. to coo. Kruttl ug, m. an ameie. Rimini, v. crumb, cram; pith, marrow. —aehtig. be . crummy. liirrellnei, v. cram. —car, m. —o.areter, v. cruetsbier; punctilious —, stingy person. —en, or. lk on. w. to crumble; to be ;tangy. --ig, by. crumbling, crummy; stingy. —sag, v. crumbling. Paroles en. ov. & on. w. to cram, to crumble. bv. erunolling; crummy.
a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.
DOL.-1/0W. —somely, ad. treurig, droevig. —fula. ness, --someness. s. droevigheid. h ell (dol), s. pop; speelpop. Dollar (dol'ler), s. dollar; daalder. Dolor (do'lur)_ a. pijn, smart, kommer. —ific (dot irik). a. smart verwekkend. -0148, a. —ously, ad. (dol'or.), smartelijk, droevig. Dolphita (dol'fin), a. dolfljn. Dolt (doolti, s. lomperd, botmuil. —ish, a. bot, dom. —ishness, a. dornheid. Domain (do-meen'), a. gebied; staatsgrond; heer chap pij. Douse (doom), a. dom, koepel. Domestic (dam mee'tik), a. huisbediende. —, a. huiselijk, ituiehoudelijk; inlandsch, tem. —ate, v. a. buiselijk (tam) maker, Domicil o (dorn'i-s11), s. woonstede. —e, —late, ( eet), v. a. vast verblijf kiezen of aanwijzen. —iary (-sil'i e-rah), a. tot eene wooing behoorend. huiszoeking. nomin ant (don-el-neat), a. heerachend; a. oote kwint. —ate, v. a. beheerschen. v. n. heerschen. —ation (-nee'ejunl, S. beersehappij. —alive. a. heerscb end. —afar, a. heerscher. —err (-nier'), v. n. heerschen, den baas spelen, (over). Domini cal (dum-min'ikl), a. zondagach. —cal letter, zondagoletser. —can (-i-ken), a. dorninikaansch; a. dominikaner monnik. —on (-jun), a. heerschoppij„ gebied. Don (don) Ito do on], v. a. aantrekken, aandoen. Dont_ ry (do'ne-rah), s. gave, offer. —te(do'neet), v. a. eehenken, vermaken. —lion (dun-neeNun), —tire (don'e-tiv), a. getiehenk, gift; schenking. --tive (don'.), a. door schenking verkregen ( ver. leend). Done (dun), part. gedaan; gear; gefopt. int, flat! top! Donee (dun-nee'), s. begiftigde. Donjon, zie Dungeon. Donkey dong'kih'), s. ezel. Donor (do'nor), a. gever, sehenker. Doodle ( doe'dle, a. beuzelaar. Doom (doem"), a. vonnie. roodlot; verderf; jongate oordeel. —, v. a. veroorneelen; doemen; echatten. —'a-day, oordeelsdag. —'a-day-book, Icadaster (von Willem den Veroveraar). —'a-man, rechter. —age, s. geldboete. Door (door'), a. deur, next — to, vlak naaat; grenrend aan. out of —a, buitenshuis. within — a, binrienshuis. — bar, deurboom. —case, deurkozljn. — cheek, — post, deurpost.— keeper, portier.—handle, knob, deurknop. — stead, — way, deuringang. Her (do*), a. tor. Dor ado (do-ree'do), a. goudviech; pronker. — ee (.rie'e, s. goudviech, zonneviorh. —ic (dor'ik), a. dortech. Dorman cy (dofmen-sih), se rust, sleep. —t, a. slapend; liggend; werkeloos; —partner, stille veonoot; — tree, or —t. a. olaper (hoofdbalk). Dorakter (.l.or'mur), a. balk; venster. — window, dakvenster. normit lye (dor'mi-tiv), a. slaapmiedel. —ory, a. staapvertrek. Dormouse (dor'maua), a. bergrat; marmot. Dorn (dorn"), a. rag. —hound. doornbaai. Dorsal ( doesel), a. den rug betreffend.
rind, by. v. orltily-minded. —agesindheid, v. worldly-mindedness. —rink, slug-, shell-snail. —idang, fieldanake. —spin, Add-, garden-spider. --veil, ground-lay, alehoof. —Woo, ground-flea, springtail. —worm, earth •worm; drudge, toiler. Aarde, v. earth; ground; mould. —n, be, earthea, —n, on. w. to thrive; (naar) to take after. handsome! (-ly), Aardlg, be. & bw. pretty genteel (-1y), nice ( ly), quaint (-1y). — heid, v. prettiness, handsomeness, genteoluees; nicety, quaintness, fun; veer de —, for fun. Aardseb, by. tervestrial, earthly, worldly. Aare, m. arse, anus; bum. bottom. —darns, arsegut. —gat, Lrse-hole. —witch, burn•wiap. Aunts bedrleger, m. arrant cheat. —6isdent, o. archbishopric. —bissehop, m. archbist op. —bieschoppeitk, bv. arehi-ep1scopal. —booswicht, re. —echelv. m. —eckvrk, nt. arch rogue, arrant villain. —deken, m. arch-dean. —diaken, rn. archdeacon. —diaaensehap, o, archdeaconebip. en. archangel. —gek, m. —gekkin, v. arrant fool. —gierigaard, so. arrant niggard. —gait, —schalk, m. archwag. —hertog, rn. archduke. —Aertogdom, o. archdukedom. —hertopelijk, by. erehducal. —hertogin, V. archduchess. —huichelaar, m. arch hy pocrite.—kainerheer,nterchchamher setter, m. archchanceitor. —ketter, inn. heresierch. —/engeneanm arrant liar.—prieeter,m archpriest•, —priesterdom, o. archprlesthood. —priesterlük b Y. arehpresbyteriai.—tader,m.patriareh,—eader AP, by. patryarchal. —vijand,m. mortal (sworn) enemy; orchid-end. Aarzel en, on, w. to hesitate, to waver, to balance. —end, hr. A bw. heeltating (-1y). —lag, v. hesitation. Aas, o. bait, lure; food; carrion; ace; bit. —keter„ —sob, wallet. horee•heetle. Abberdaan, m. Zie Lrebberatann. .1bd(1, v. abbey. Abdlc, v. abbess. AD. o. alphabet. —bank, foam of abecedarians. —leek, horn-book, primer. —bardje, battledoor. —jongen, —kind, abecedarian. Alyea!, tn. asp. —boom, aspen•tree. Abounemant,o, eon Zie inteekening, enz. Abel ko0s,s. apricot. —kosebooin, apricot-tree. Abt, m. abbot. Abuts, o. error, mistake, blunder. — hebben, to be mistaken, Acacia, na. accaeis. Aeadern Ile, Y. aecademy, univereity; —burger, student. —WI, a. accademlcal Accent, o. *cant; stress. Ae ►ept ant, in. acceptor. —atie, v. acceptation; acceptance. —ee7en,ov.w. to accept. Aeolian, na.exolee. —kuntoor, exc/ se-office. —p/ichtir v. excisable. Ace a ard,o. accord; agreement. Anti, tow. oh! all &fait, tar. & v. eight, —dawns, sennight. Aebt, Y. heed, rare, at• entlou. — geren (a/aan) op, to give attention to, to attend to. in — nemen, to take care of, to mind, to observe. Aebtbaar, by. honorable, worshipful, worthy. —keit:, v. honorablenese, respectability. Aebt beantg, by. eight-legged. —bladerig, by.
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

take into consideration. ..-etreep, ditch. —tsbeeld, idea, chimera, —loos, bv. & bw. thoughtless (-1y), inconsiderate (Ay). —/oosheid, v. thoughtlessness. Gedrichtente, v. memory, remembrance; keepsake. ta ► ger —, of bloused memory. ter — vae, in memory (commerroration) of. —viering, feast in remembrance of. Gerlach( Iss, lay, mindful (of). G e damp, o. steaming, fuming, smoking. (Sedans, 0. dancing. Gedarnste, o. bowels, guts, entrails. G td art el, o. dallying, dalliance, toying, sporting• Getlauwef, o. loitering. GenInver, o. shaking, quaking. Gedeelte„ o. past, portion, share. & by- partial (-1y), partly, in past. Gedegen, by. pure massy. Gedenk en, ov. & on. w. to remember, to recollect, to be mindful of, to bear in mind; to intend. memoran chum, record. —boar, register, memorandum- book, annals. —dap, anniversary. —naald, —null, column, obelisk. —penning, medal. —tchrift, memoir, memorial. —spreuk, apophthegm. —stub, remembrance. —teeken, monument. —waardip, memorable. --waardigheid, memorablenees. G ✓ dicht, o. poem. Gedlebtsel, o. imagination. Gedienstsg, by. & bw. officious (-1y), obliging (-1y). obsequious (-1y). —e geest, servant. —acid, v. officiousness, obligingness, obsequiousness. Gedterte,o animals, besets, vermin. GedUen, on. w. to thrive, to prosper, to succeed. onreektvaardig good gedijt niet, ill gotten, ill spent. Getting., o. lawsuit, action, cause. —betorger, Attorney. —schrideer, clerk. Gedo bb el, o. dice pleying, gambling. adoen, Gedoentc, o. ado, bustle, hubbub. in een poet zilten, to be at one 'a ease. (ae,csainncuaei, o. hum, buzz, mumbling; slumbering. 414 edonder, o. thunder, thundering. eindones en, ov. w. to suffer, to permit, to allow, to tolerate. —.roam, by. Zie Verdraag.11 am. G e d re a f, o. trotting, running. ei edraal ; o. turning; shuttling. o. hesitatton, indecision. ciedrog, o. behavior, conenet, deportment, demeanor. —ti e, line of conduct. —en (rich), t. w. to behove, to conduct (to carry) one 'a self; to refer can. to). —in g , v. Zie G ed rag. (I rclrssnsg, o. crowd, throng, pressure, QS edrentei, o. lounging, loitering. fliedreun, shaking, dunking, vibretion. Gedvibbel, o. tripping. Geeirneht, es. monster. —e/ijk, by. & bw. moot:tin us (-1y), —eliikticid, v. monstrosity. edrongetu,bv.conelee,compaci,close;thIck-set. Gedroppell, o. dropping, dipping, trickling. Gedrnils, o. noise; rattle; rush, raging, roaring, bowling. Geducht, by. & bw. formidable (-bly), terrible (-bli), tremendous (-1y).

a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol
ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.
knecht; klantenlokker. —et, 9. klopper (aan Clayes (klenz), s. horden. eene deur). Claymore (klee'moor), a. tweehandszwaard. Clean (klien) a. rein, zindelijk, zuiver, onschul- Client (klarent), a. client. —ed, a. met clienten dig. —, ad. volkomen, geheel. —, v. a. zuiveren, voorzien. —ship, s. clientschap. ( a. zuiverheid, zin- Cliff (klir), s. klip, rif; eleutel. —y, a. vol klipreinigen. pen. delijkhetd. —ly, a. btad. zindelijk, zuiver. —aces, Climacteric (klim-ek-ter'ik, a, trapjaar. —, a. s. zuiverheid, onschuld. een trapjaar betreffend. Cleance (klenz), v. R. reinigen (from. of); Beim- Ten, uitvegen. (away) uitwisschen; wegnemen. Climat e(klarmet.),..klimaat,luchtsgesteldheld. —ic (klim-et'ik), a. het klimaat betreffend. —r, a. reiniger; zuiveringsmiddel. Climax (klarmekm), a. npklimming. Cleansings (klenetengm), s, ve.egsel, vuilnis. Clear (klier , , a. holder, klaar, zuiver; duidelijk; Climb (klajm'), v. R. bekiimmen; v. n, klimmer. —er, a. klimmer; klimplant. onloochenbaar; openbaar; vlak; open; vrij, on- schuldig (from of); onparttjdig, —roast, veilige Clime (klajm), a. klimaat; luchtstreek. kust. —estate, onbezwaard goed. —, ad duidelijk; Clinch (klintsn, a. kwinkslag, zet, woordenspcI; a. ruimte van een gebouw binnen kram, houvast; lus. — of a buoy, ateek van den geheel, vrij boeireep. — of a cable, kabelateek. —, v. a. omde vier muren. klemmen; omklinken, toesluiten. to — a cable, Clear (klier'), v. a. klaren, zuiveren, verhelderen; nphelderen; banen; rechtvaardigen. — the table. een kabeltouw op bet tinker steken. —, v. n. de tafel afnemen. — accounts, de rekening klemmen, zich vastklampen. —er, a. klatnp, hou.vast; die anedig antwoordt. —er.work, s. vereff , nen. — a ship, in- of nitklaren. — a shop, klinkwerk. nitverkoopen. (away) wegruimen. ( from) ont• heffen van; zuiveren van. (of) zuiveren van. Cling (kling') [clung], v. n. aanhnngen, zich vast(nff) afdoen (achulden). (up) toelichten v, n. klampen (fa); (together) can elkander geheeht zijn. —y (•gih), a. klevend. balder (klaar, vrij) worden. (away) verdwijnen. (up) ophelderen. —age, S. wegruiming. —ance Clinic (klin'ik), —al, a, bedlegerig; klinisch. —, s. bedlegerige. (-ens) s. tolcedel. —er, a. opklaarder. —ing, v. a. doen klinken; s. rechtvaardiging, verdediging; § gerooide Clink (klink'), a. geklink. boschgrond. —ly, ad. holder, duidelijk, klaar- v. n. klinken. —er, a. klinkert (gebakken ateen), blijkelijk. —netts, a. helderheid; duidelijkheid; Clip (blip'), a. (het) schapen echeren; (de) wol van (Inc schering; § klap, bib. —, v. a. acheonschuld. ren, knippen; anoeien (geld). —per, s. schspenClear-sigthed (klier'sajt id), a. schrander. scheerder; geldsnoeier; clipperschip. s. -ness, a. sehranderheid. (het) snoeien, meheren, enz.; anoeist‘l; afknipsel. Clear-starch (klier'staartsj), v. a. stkjven. —er, § Clitchy (klit'sjih), R. kieverig, tool. a. stij fs ter . mantel; dekmantel. —, v. a. Cleatkkliet), 8. klatnP. - of the gangway, val. Cloak (klook•), bemantelen.• —bag, mantelzak. —loop, mantelreepsklamp. lug. —pin, hank in den muter. —twitcher, manCleav e (kliev) [cleft, elm, cleft. cloven], v. a. teldief. & n. klooven. splijten. § —age,. (de) break (van Clock (kink'), s. kink; Leek; bromkever; klink een' steen). —er, e. kapmes, bijl; kloover. (in cone Irons), what o'clock is it ? hoe loot is het? Cleave (kliev). v. n. kleven. —hand, uhrwijzer. —maker, ullywerkmaker. —setCledge (kledzj), s. bovenste laag van volaarde. ter, die de uurwerken regelt. —work, uurwerk; (lee (bile), n. klanw (van een' g es p 1 ten hoef), raderwerk. Clef (blot). a. muzieksleutel. Cleft (kleft'), a. kloof, spleet. —graft, v. a. in de Clod (kind'), a, kluit, klont, turf. —hopper, kinkel, lomperd. —pate, —poll, lomperd, domoor. spleet enten. —paled, a. dom. —ay, a. klonterig, kluitig. Cleg (kleg), a. paardenvlieg. Clod (kind), v. a. met kluiten werpen; v. n. kapClematis (klem'e-tia), s, klimplant. peleu, klonteren. a. goedertierenheid. Clemen ey (klem'en Clog (king'), s. last, belemmering; overschoen, a. —fly, ad. goedertieren. klom v. a. overlast doen; belernmeren, v. Clepsydra (klep'si•dre), a. waternurwerk. n. k onteren, stollen; gestremd zijn. —giness Clergy (klnr'dzjih), s. geestelijkheid. —man, (-gi•ness), rt. belemmerdheid, gestremdheid. geestel ijke. —ging, s. beletsel, belemmering. —gy (-gih), a. Cleric (kier'ik), —al, a. geestelijk. hinderlijk. Clerk (klaark'). s. geestelijke; geleerde; klerk; grittier; voorzanger; bonier. —ship, stand of ambt Cloister (klojs'tur), a. klooster; zuilengang. —, v. a. in een klooster doen. —al, a. kloosterlijk. van een' geemtelijke, geleerde, enz. Clever (klev'ur), a. —ly, ad. bekwaam, knap, Close (klooz), a. besluit; stuffing; rustpunt; Rta• king; gevecht. to come to the —, handgemeen handig, vlua. —, R. § goedig,, minzaam. —ness, worden. a. bekwaamheid. Clew (kloe'), s. kluwen; leiddra id; schoothoren. Close (kloos'), a. omheinde pleats; nauwe straat. —pendant, schootachinkel. —, v. R. (up) geien —, a. (Licht, gesloten; nauw, gedrongen, vet , en gorden. —block, geitonwblok. —garnet —line, eenigd; geheim, achterhoudend; somber, Pengeitouw. —piece, stootlap zaarn; oplettend; karig. to sail — by the wind, dicht NJ den wind houden. to keep a thing — , Click (klik'), a. getik; klink. —, v. ft. wegkapen; eene zaak geheim houden. —bodied, nauwslulv. n. tikken (ale een unrwerk). —cc, s, wankel- 

Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

gen z cryptogeld


Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.
tat; dose, latest &SO, vat, ed. o dee. rmly, gereed waken. —by heart, van batten leeten. — the better of, It overhand krijgen op. — you gone, scheer je weg! (abroad) verbreiden. (away) verwijderen. (down) naar benedeu krijgen; inslikken. (from) verkrijgen van. (in into) inbrengen, inkrijgen. (off') wegkrijge.n; uithelpen; lobmaken. (o.) aantrekken. (out, uitkrijgen. (seer) overhalen. (through) doorkrijgen; ten etude brengen. (together) aamenbrengen. (under) bedwingen. (up) omhoog krijgen; doen opstaan; tot stand brengen. —, v. n. geraken; wooden; komen; gaan. — drunk, dronken worden. — into fashion, in zwang komen. — well, beter worden, herstelleu. (above) to boven komen; overtreffen. (abroad) behind warden. (away) itch wegmaken. (bark) terugkomen. (before) voorkornen. (dawn) beneden komen. (in) binnenkornen. (into) geraken in. (off) wegkornen, ontkomp. (on) voortkomen. (out of) komen (geraken) nit. (over) geraken over; overgaan. (through) doorkomen. (to) bereikon. (together) eamenkome ► . (up) near boyen ko,en (pan); opstaan. (up agates) her:Mlle.. Gett er (get'ur). a. voortbrenger; verwervet, verkrijger. a. voortbreuging; verkrijging; winat, verdienste. Gewgaw Igjoe i ga0), a. onbeduidend. ijdel. s. snuisterij, poppengoed, prui. Ghost NI tgaast'foel?, a. —fully, ad. akeilg. —tiaras, 1. afgrijselijkheid; doodsbieekheid. a. spooltachtig, afgrijselijk. Gherkin (guekin), R. agurkje. Ghost (goost') a. geeat; spook. —lines., a. gees telijkheid; spookachtigheid. —ly, a. geestelijk; spookaehtig. s. reus,—ess, Giant (dzjarent). a. reusachtig. a. reuzin. —ism (-izm), s. reuzentijdperk. —like, —ly, a. reusachtig. —ship, a. reusatittigheid; reusschc.p. Glaour (dziaur), a. ongeloovige, bond, (Beheld.naam der Christenen bb de Turken), •1,t, nude kater. Gib (gib'),s. oud, afgeleefd diet. —staff, echippersboora. Gibber (gth'bur), v., u. brahbeltaal pre.ten.—isk, a. bargoensch, onverstaanbaar; s. wartaal, bargoensch. v. a. tan de galg (dzjib'bit), s. galg, hek hten Gib ► oslty (gib-boe'it-tih), a. bolrondheid, buttigheid. Gibbous , gib'bus), a, bolrond; bultig, gebocheld. --ness; a. file Gibbosity. Gib e (dzjajb'), a. hoon,schimp. —e, v. a. hoonee; v. n. schimpen. —er, a. echimper. —ingly, ad. schirnpend, smadelljk. Giblets (dzjib'lits) s. afval (van gevogelte). Giddy (gid'dth), a. Giddily, ad. duizelig; darts), lichtzienig; onbeatendig. —brained, —headed, onbezonuen. —head, —pate, losboofd. dollernan. —paced, waggelend. —, v. a. duizelig makes. lifer., ogle (drjer'iegn, s. gierarend. Gift (gift(), s. putt', gift, geschenk; begattfdb!,id. —, v. a. begiftiken, begaven. —eh, a. begiftigd, begaafd. —edneths, begaafdheid; dweperij. Gig (g 7 g), s. sjees; draaitol; harpoen; scheepsboot; stratttloopster.

11)I.-1MB. Idiot (id'i-ut), a. onwijze, stomp,innige, —ic, —icat 1-ot'ik-1, a. onwijs„ stompzinnig, —ism, s. taaleigen; storapzinnigbeid. kilo ardl), a. Idly, ad. lui; ledig; werkeloos; nutteloos; beuzelachtig. —headed, —pated,dwaas, (tom. —, v. a. verluieren, verbeuzelen (away); v. n. luieren, lanterfanten. —nes-s, a. ledigheld; werkeloosheid, nuttel oosheid ;Ibeu zelachtigheld. —r, a. luiaard, ledigganger. Idol (aj'dul), a. afgod. —ater (-dol'e-thr),s. egodendienaar. —Wrest, (-dol'e-tress(, a. afgodendienares. —atrize (-dol'e-trajz), v. n. afgoderij pie gen. —atrous (-dol'e-trus), R. afgodisch. —airy (-dol'e-trih), a. afgoderij. —ist, a. afgodendienaar. (•ajz), v. a. afgodisch vereeren. —izer (-ajzur), a. afgodisch vereerder. Idy I (ardill, a. herdersdicht, idylle. If (if), conj. indien, zoo, in geval; al. as —, also!. — not, zoo niet. Ign eous vurig; vuur nitwerpend. —ipotent (-nip'o-tent(, a. het vunr beheerschend. ---lie, v. a. in brand steken; v. n. vuur vatten, gloeiend worden. --itible (nartib1), a. ontbrand boar. —ition (-nisrun), s, aansteking: gloeiing. —iromous (-niv'o-mue), a. vuurspuwend. Ignobl ae (ig-no'b1), R. —a, ad. onedel; tang, gemean. —eneae, s. onedelheid, gemeenheid. Ignomin ions (ig-no-min'jus), R. —ioualy, Tad. schandelijk, onteerend. —y (ig'no-min-nih), s. sehande, oneer. Ignoramus (ig-no ree'mus), s, weetniet. Ignor since (ig'no•rens), s. onkunde, onwetendheld. —ant, a. —aptly, ad. onkundig, onwetend. —ant, s. weetniet. --e (-floor"), v. a. niet wetea, onvoldoende vinden. Ile (ajl), a. koorgang, gaauderij; ear. Ilex (arliks), s. eteeneik. Iliac (il'i-ek), a. van den kronkeldarm. passion, darmjicht, -koliek. Ilk (ilk), a. & s. elk, dezelfde. Iii (ilP), a, kwaad, slechtheid, ramp. —, a. & ad. !maul, alecht; cmgesteld, zielt, —affected, kwalijk genegen. —blood, kwaad bloed, vijandschap. —boding, onheilspellend. —bred, alecht opgevoed, ongemanierd. —concerted, —contrived, alecht outworpen. —conditioned, in slechten toestand.--lated, ongelukkig. —favored, leelijk, mismaakt. —favoredness, leelijkheid. —gotten, onrechtvaardig verongeluk. --minded. kwalijk gezind. kregen. —nature, boosaardigheid. —natured, boosaardig. —pleased, misnoegd. —principled, met slechte grondbeginaelen. —spoken of, in eon kwaad gerucht. —starred. ongelukkig. —timed,ongelegen, te onpas. kwaadwilligheid. Illstcertsble (11-les'ar-ibl), a. onverscheurbaar. Illapse (ii-lops'), a. invloeiing, afatrooming; overval. Magnets te (il-lee'kwl-eet), v. R. veratrikken. —tion (-ee'ajun), a. verstrikking. Illat lots (11-lee'sjun), a. gevolgtrekking. —ice (il'le•tiv), a. & a. gevolgtrekking aandutidend. (wooed) .—icely (irle-tiv-), ad. bij gevolgtrekking. Illauda ble (il-laod'ibll, a. —bly, ad. onloffelijk. Illegal R. —/y, ad. onwettig, waderrechtelijk. —ity (-1e-gel'it tihl, --ness, a, onwet• tigheid. ---ire (-ajz), v. a. onwettig m Oen.
Ban (ba), a. geblaat. —, v. n. blaten. Babble (beb'b1), v. a. & n. snappen, babbelen; a. gebabbel. —r, a. babbelaar. murmelen. Ilab e (beeb'), a. kindje. —cry (-be-rih), s. speelgoed. —ish (-bial.), a. kinderachtig. Baboon (be-boen'), a. haviaan. Baby ( bee'bih), s. zuigeling; popje. —hood, (hoed), a. kindschheid. (-ish) kinderachtig. liac (bell), a. veerpont; koelbak. Bacchanal Ian ( be ir-ke-nee'li- en), a. dronkaard; a. zwe)gend. —a bek'ke-nelz), a. zwelgpartijen. llacciferous (bek-sirur-us)., a. bessendragend. Bachelor (betsre-luri, a. jongman; kandidaat. —ship; a. oagehuwde staat. Back (bek), a. rug; aehterboede. —, v. a. bestijgen; op den rug nemen; terugschuiven; orderateunen; viseeren; katten. —, ad. terug, achterwaart8. § and forth, voor- en achterwaarts. —bite, laateren. —biter, lasteraar. —bone, ruggegraat. —door, achterdeur. —friend, iscbijnvriend. —gammon, triktrak. —ground, achtergrond. —house, achterhuis. —part, achtergedeelte. —cozies, achterkamer. —side, achterzijde. —slider, afvallige. —stairs, geheime trap. —stays, pardoens. —sword, slagzwaard. —toota, boekbindersstempel. — yard, achterplaate. Backward (bek'wurd), a. —ly, ad. achterlijk, traag. —ness, s. achterlijkheid. Backward (bek'wurd), Backwards (-wardz), ad. achterwaarts, terug. Backwoods-man (bek'woedz-men), s. boschbewoner in het westen van .A.merika. liSemoin (bee'knl, a. arch. Had ibed), a. eleeht; zeer ziek. —1y, ad. kwalijk, alecht. —nest, a. slechtheid.

Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,
1100.—B0 U. long-boat. kleine jolly-boat. serif in de —, kit& ran Hessen, first come, first (served. —egeeel, sailor, mariner. —Moak, boat-hook. —moo, boatswain. —sonanessaat, boatswain's mate. —stoma, boat rope, boat's hawser. —svolk, Brew. footmen, ov. wg.to form, to figure, to fashion. Booze, m. evil one, devil, fiend. o. evil. Borat. o. (a kind of) fins wool, — woollen thread. ford, o. plate, trencher; board, shelf. —papier, paste-board. —papieren, Irv. paste-board. Bordeel, o. brothel, bawdy- bone. —brok, whoremonger, rake. —header, —houdster, bagnio-keeper, bawd. —tail, bawdy-language, obscenities. ribaldry. Hordes, o. step, flight of steps; landing-plena. Bordla, be. stiff, hard. —held, v. 'fitness. fordurea, on. w. to embroider. It ,irduur der, m. —star, v embroiderer. —Patter,, embroidering. cotton. —naald, ern b ro lderingneedle. —patroon, pattern for embroidering. —roam, embroidering-frame. —tool, —eel, o. embroidery. —ieerker, embroiderer. Boreal, ov. W. to bore, to perforate, to pierce. in den gron(I t 3 sink, to run down. Borg, In. warrantee, gu irantee; bail, pledge, security. ou (upon) credit, — trust, — tick. — 61(iven (stain) veer, to warrant, to answer for, to go bail for. — atellen, to procure (to give) bail, — security. —stetter, bailor. —stetling. —44e4t, bailing; ball, security. —tochtettik, be. & bw. upon bail. —en, ov. w. to take to give) upon trust, — upon credit. —er, m. —star, v. one that takes (gives) upon credit. Boring, v. boring, perforation. piercing. Borne', tut. bubble; dram. —Pack, dram-bottle. gin-glass. —en, on. w. to bubble; to dram. —tag, v. bubbling. Borst, m. lad, youth. —, v„ breast, chest, bosom; brisket. set op de — kW...to be (short- breathed. lone kooge setten, to assame airs. —alder, thoracic vein. —balsem, pectoral balsam. —beeld, bust. —been, breast-bons, sternum. —besie,jnjo be. —besiebeem, jujube-tree. —drankje. pectoral de- coctlon. —gesseel, empyema. —narnas, breastplate, mileage. —holt*, cavity of the chest. —jawed:, breast-jewel. —has, chest. —Mier, pectoral gland. —koekje, pectoral lozenge, psstil. —.1ewaal, —sickle, pectoral disease, disease of the chest. —lap, breast-cloth, stomacher, pectoral; plastron. —middel, pectoral. —p/aat,breast-plate, plastron, poltral; (a kind of) sugar-cake. —rte., poitrel. —rok, under-waistcoat; Guernsey-shirt. —stale, bust, tie foratptaat. —taiker, pectoral sugar. --vin, breast fin. —Wigs, pleura. —vormip, mammiform. —wipes, corselet. —wering, parapet, merlon. —steeer, pectoral sore, ulcer in the breast. Borstal, nt. brirtle; brush. —dread, brush-wire. —maker, brush • maker. —cchlig, ig, be. bristly —ex ov. w. to brush. Bort, o.gie Hoortu. Boa, m bundle, bunch, truss, tuft, bush, sheaf. —, v. Zie Bus. Bosch, a. wood, forest. —bewaarder, --yachter, fort st.leeper,foregar —bewoner,fotester.—beeie,
Zigzag (ztiezeg), a. hoekig, zigzagavijze. —. a. zigzag. ---, v. a. zigzsgawba maker;. Zino (;ingk'), s. zink. —ley, a. zinkachtig. Zodiac (so'dl-ek) a. dierenriem. —al (-(1/0111). a. van den dlerenriem. Zone (noon), a. gordel; luchtstrerk. Zotegraph er (zo•og're--fur), a. dierbeachriiver. —y, e. dterbeanheiiving. —atry Zool its (lio'ul-lajt)„ a. diersteen, ( ol'e-trihi .1. dleraanbidding. Zoning teal (zo-ui.lod'zjiki), a. dterkundig, zoOlogiach. — garden, diergaarde. —y a. dierkunde. Zoophyte (zo'uf-fajt), a. plantdier. Zootont let (so-ot'nm-tat), a. dierontleder. —y, s. dierontledieg, -ontleedkunde. Zounds (irasundr), int vordufveld! clrommelal Zygouta (zaj•go'me), a. jukbeen. — tie (hig-ummet'ik), a. van het jukbeen. Zyzno logy (saj4nol'ud-zjth), s, leer dee gisting. — meter (-naorn't-tur), 5. glatingmeter,

Voirelisic ,f0 re)Cak), a. gerecitteltik. Foreordain (-or- deen'), v. a. voorbescbikken. Fore part, a. voorste gedeelte; hoofd. begin; voorsteven. --passed, R. verieden. —peek (foot' piek), a. het (scheepswoord). Forepossessed (•pos-seat'), a. voorIngenomen. Fore-preventer-stay (•pre-vent'ur-stee), a. looze fokkestag. ForeprIze (-prole), v. a. vooraf schatten. Forerank, a. eerste gelid. ' Fore reach (-rietz)'), v. a. & n. voorbijzeilen, snelier zeilen dau (upon). —recited (-re-aartid), a. vroeger verhaald. Foreright, a. voorwasrtsch; vlug; ad. voorwaarts. Forerun (-run') [ire.], v. a. voorafgaan; voorloopeu. —net (-run'nur), 8. voorloopet; kwartierrnaker; vcorbode. Foresail, a. fok, stagfok. Fore say (-see') [im], v. R. voorzeggen. —see [irr.], v. a. voorzien. —shadow (-sled"o), v. a. vooraf afbeelden (sehetsen). Yore sheet, a. fokkeschoot. —ship, a. voorschip. Foreshorten (-sjort'n), v. a. van voren verkleinen. Foreshow (sjo"! [irr.], v. a. voorspellen; vooraf vertoonen. Fore shrouds, a. fokkewant. —side, a. voorzijde; fraai uiterlijk. —sight, a. voorwetenschap; vooroverleg; voorzorg. —sightful, a. voorwetend,voorzorgend. IF ores ignIf y (-sig'ni-faj), v. a. voorapellen, vooraf toonen. Fore skin, a. voorhnid. —skirt, a. voorpand. Fore slack 1-slekl, v. a. verzuimen. —slow, (-slo'), v. a. ophouden; vertragen; v. n. dralen, talmen. —speak (-spiek') [irr.], v. R. voorspellen, verWeiler,. —spent (-spent'), a. vernpild, uitgeput; voorbij. Foiresprit, a. voorspriet. Fore opurrer (-spuerur), a. voorrijder. —spy (-spa)'), v. a. vooruit raden (gissen)• Forest (for'est), a. boschaehtig, landelijk. a. bosch. woad. —law, wet op de houtvesterij, —ranger, houtvester. —age, s. boschgeid; bosehrecht. —er, s. houtvester; boschbewoner; hooch•achter. —ership, a. houtvesterschap. Forestall (-mtaol"). v. a. vooruit nemen; voorkomen; opkoopen. —er, a. opkooper. Forestay, a. fokkestag. —sail, s. stormfok, voorstengestagzeil. Fore tack, a. fokkehale. —tackle. s. sloeptakel. —tackle-pendent, a. fokkernaathanger. —taste, a. voorsmaak. Foretaste 1-teest'), v. a. voorproeven; een' voorsmash hebben van. —r (-teest'ur), a. voorproever. Foretell (-tell') [irr.], v. a. voorzeggen; v. n. profeteeren. —sr, (-tell'ur), a. voonegger. Forethink (-think') [irr.], v. a. vooraf battenken; een voorgevoel hebben van. Fore thought, a. vooroverleg, voorzorg. —token, a. voorteeken. Foretoken (-to'kn), v. a. voorbeduiden. Foretooth, s. voortand. Foretop, 8. iflilf; fOkkertlar,

121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,
ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.
Mfspolnl (mis-point' ), v. a. verkeerCpuncteeren. Misprint (mis-print'), s. drukfout. v. a. verkeerd drukken. • e (min-praje), v. a. onjuist opvatten; minachten. —ion (-prizj'un), s. verzuim; verheling; missing; minachting. Misproc ► meing (mis-pro•siedleng), s. verkeerde (onregelmatige) handelwijze. Mispro nounce (mis-pro-naauns'(, v. a. & n. verkeerd uitspreken. —nuneiatioa (-nun eji-ee , ',jun), a. verkeerde uitspraak. NtIsproportion (mie-pro-poor'sjun), v.a.onevenredig v erdeel en. Misquot e (mis-kwoot"), v. a. verkeerd ae-nhalen. —ation (-tee'sjun), 8. verkeerde aanhaling. M I srate (rnis-ceet"), v., a. onjuist begrooten. Misreeli al (mis-re-sfirtel), a. onjuist bericht (verhaal). —e (-8ajt'), v. a. onjuist opzeggen, — berichten, verhalen. Misreckon (mis-rek'kn), v. a. misrekenen. Misrela to (mis-re-lost'), v. a. onjuist verhalen. —tion (-lee'sjun), 8. onjuist verhaal. Misreingmber (mis•re-mem'bur), v. a. zich onjuist herinneren. Misreport (mis-re-poort'), a. valsch bericht, — gerucht. v. a. onjuist berichten. Misrepresent (mis-rep-re-zent' ► , v. a. verkeerd vooratellen. —ation (-tee'f-jun), s. verkeerde voorstelling. —er, a. die verkeerd voorstelt, verdraaier. Misrule (mis-roeV), s. mallards, getter, oproer; wanbestuur. Miss (miss), 8,juffrouw,mejuffrouw,bijzit; genic —, v. a. & n. misses; eau misslag begaan; —fire, weigeren (van een geweer). Missal (mis'sel),.. miaboek. Missay (mis- see') [irr], v. a. verkeerd zeggen; v. n. rich verspreken. Iil iseervc (mitr(surv'), v. a. ontrouw dienen. Misshape (arras-sheep'), v. a. misvorrnen. —d,—n (-shee'pn), a. misvormd, misn:aakt. Minaile (rie.:411), a. werpbaar, werp-. —,s. werptuig. Missing (mis'sieng), a. vermist, wag. Mission (misj'un), a. tending; gezantochap.—ary, a. zendeling-; a. zendeling. Missive (miteeiv), a. gezonden, geworpen, send-, warp-. a. zend b def. Misspeak (mis-spiek') [lrr], v. a. siecht uitspreken ; v. n. zich verspreken.
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity
Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity

Is cryptogeld beter dan reguliere valuta


hoer), —grain, paradijskoreu. —hen, flare) ten. —pepper, apaanvehe peper. —pig, guineesch var. ken; kadet (op Oostindie-vaarders). —wheat, t urkeehe tarwe, mays. Guise (gajz'), s. wijze, manier; voorkomen; kleeding. —r„ s. vermomde. Guitar (gih-taar'), a. guitar. Gulch (gultcj'), —in, s. guisigaard. Gules (gjoelz), a. rood (in 't wapenachild). G sal (gulr), s. zeeboezem, golf; draatkolk; afgrond. —Y, a. vol zeeboezems; vol draaikolken. Gull (gull'), s. zeemecuw; streek, bedrog; onnootele hats. —catcher, hedrieger. —, v. a. bedriegen, beet nemen. —er, m. bedrieger. —ery, a. bedrog, verschalking. Gullet (gullit), m. keel, alokdarm, halo (toner flesc h). Gull' bIlity (gul-li-bil'It-tih), s. lichtgeleovig he'd. (guPlibl), a. liehtgeloovig. Guinea' (rullisj), a. onnoozel, dam. --nen, s• onnoozelheid, domheid. Gully (gul'ith), s. gout; goat, riool. —hole, Boot-, rioolgat. —, v. a. geulen waken, wegspoelen; v. n. ruischend vl:eten. Guloalty a. gulzigheid. Gulp (gulp), s. sink. —, v. a. inzwelgen, inslokken; v. n. kloppen (van het hart). Guns (gum'), a. gom; tandvleesch; dracht (van de oogen). —arable, arabische gom. —elastic, gomelastiek. —boil, gezwel aan het tandvieesch. —lac, gomlak. —resin, gomharm. v, a, gommen. —miness, —mosity ( mos'it-tili), s. gommigheid; kleverighed. —mous (-mus), R. gomachtix; kle. verig; drachtig. Gossip (camp), s. onnoozele bleed; zot. Gumption (gump'sjun), s. verstand, kennis. Gun (gun') s. geweer; kanon; atuk geschut. —boat, kanonneerboot. —cotton, achietkatoen. —deck, geschutdek. —evening-watch, nachtschot —flint, vuursteen. —gear, geschutgbn. —ladle, laadlepel. atukgoed (geschutmetaal). —morning-watch, dagschot. —port, geschutpoort. —powder , s. buskruit; a. Joosjes (thee). —rack, geweerrel. —rod, laadatok. —room, konstabels-, kruitkamer. —shot, schot; dracht van ten schot. —side-tackle,siitalie. --sling, geschutleLg.—smith, geweermaker. —stick, laadatok. —stock, lade. —stone, steepen kogel.--strappling,geschsttstrop. —swivel, steenmortier. —tackle, geschuttalie. —tackle.purchase, benoodigdheden voor het geschut. —train-tackle, inhaaltalie. —vessel, kanonneersloep. —vice, staartschroef. —wale, potdeksel; dolboord. Gun (gun') v. n. schieten. —eel (-nil), s. lie Gunwale. —ner, s. kanonnier, konstabel. —nerp, s. geschutkunst, artillerie. Gurge (gurdsj ► , o. drasikolk. —, v. a. vervwelgen; inslokIcen. Gurgle (guegl), v. n. klokken (els uit eene tlesch).


—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered.
DRO..-DRU. on. w. to drink; to be given (addicted) to &linking. —Oak, watering-trough. —bakje, (bird's) trough. —baker, sup, goblet. —vela", drinkingbout, company of tipplers; —en retest, to keep an ale-house. —geld. —penning, drink-money, vails. —gesel, pot-companion. -seas, drinkingglass, tumbler. —*ore*, drinking.horn. —Auto, ale-house, gin-shop. —ken, jug, tankard. —lied, catch,drinking-song —schael,drinking cup, bowl. —vat, drinking-vessel. --seater, drinkable water. —sea, tap-room. —eOroer. pot-companion; toper, tippler. —er, m. —.ter, v. drinker; toper, tippler. v drinking. Drool', by. sad, afflicted. — te ssoede, sad, cast down, in low spirits. —enis. v. Zie Drotellteld. —geestig, by. & bw. sorrowful (-1y), depreased, dejected., gloomy 1-fly), melancholic. —geestighid, v. sorrowfulness, dejectedness, gloorninese, melancholy, —heed, v. sadness, morrow, affliction. Droes, m. strangles; deuce, devil. de —, the deuce I Droneene, m. dregs i lees.—ig,137.dreggish,dretgy. Drosvit4, by. & bw.;sad (-ly),affileted,Porrowful (-1y); gloomy (-11y), dismal (-1y); pitiful miserable (-bly). Droesig, by. having the strangles, glanderea, —Acid, v. strangles, glanders. Dross a, o. dry land, z(jae schaapos op het he3ben, to have a retiracy, to have feathered one'. nest. —en, ov. & on. w. t o dry; to wipe. —eriJ, v. drying-place. —erOen, v. my. drugs. —Art, m. druggist. Drogreden, v. sophism. —aar,m. sophist. Dr ok, bv. ens. Zie Druk, ens. Droll, M. turd; fun, drollery, droll, merry Andrew; thick-est fellow. —lig, by. funny; droll (-iegfy), drollich, merry (-ily), fecetioue (-1y). —ligheid, v. humor, merriment, facetiousness. Dram, m. troop, crowd, throng; woof. Dromodarts„ m. dromedary. Dromtuel, m. deuce, devil. wat the deuce at den —, all, the whole load. ores den — niet, by no means. —a, tow. the deuce! dickens! —sch, by. & bw. devilish (Ay). Dronk, m.draught; drinking. eenktnoulen— *ebbs*, to be quarrelsome to one 's cups. —card, m. drunkard, toper. —en, by. drunk, drunken, fuddled, tipsy. intoxitated (van, with), — waken, to wake drank, to intoxicate; — soorden,to get drunk —enacktig, by. half-seas-over. —enschap, v. drunk entitles, inebriety. Droog, bv. dry, arid; dull. —dock, towel. —korner, drying-room. —tat —stole, drying•itick. —oaten, to drain. —legging, —making, draining. —1(in, drying-rope. —pleat., drying-place. —ream, eiothes-horse, drying-frame. —seheerder, clot ki-sbearer. —ochre's, cloth-shearing. —rehuur, drying-shed. —roots, dryerhod. —solder, dryingloft, garret. — aehtig, by. rather dry. —kerb, v. dryness, aridity; dullness. —ing, v. drying. —je, o. op see sitten, to have nothing to drink. —08, bw. dryly. —te, v. dryness; drought, dry weather, shoal, shallow. Droom, m. dream. tit den — *elven, to undeceive. —beeld, vision, chimera. —gespuis, visions, phantoms, spectres. —gesicht, vision. —uitleggcr, oneirooritic. oneirocrities. —en, ov. &
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
lijkheid. —e, v. a. beapotteitjk oaken. —out, a. —9'444, ad. (ri-dlit'joe-lus.), belachelijk. —ousnese a. belaehelükheid. Riding (raj'dieag), a. het rijden; kit, rijtoertje; district.—cap, rijpet. —clerk, reisbediende. —coat, reisjas. —habit, rljkleed. —hood, reiskap. —rod, karwats. —school, rtschool. Rldotte (ri-dot'to), s. danspartij. Rite (ra), a. —ly, ad. heerschend, algemeen; overvloedig. —nese, a. (het) heertehen, algemeenheld; overvloedigheid. Riff (r1r), a. nil', zandbank. —raff (-ref), a. echot; gespuis. Rine (rarile), a. geWeer, buka —barrel,getrokken loop. —man, scherpschutter. —, v. a. p1underen, rooven. —r, a. plunderaar. Rift (rift), a. spleet, acheur. —, v. a. splijten, klooven bersten; oprispen. Rig (rig'), a. rug, top; grap, poets; slat, lichtekool. to run a — upon, voor den gek houden. v. a. kleeden, opachikken; optakelen; v. n. uitgelaten zijn. —udoon (-e-doen'), a. rigadon (dans). —ger (-gun), a. kl e e der ; optnt ger, takel a ar. —ging (-gieng), a. tuigaadje, takelwerk, want. —gish (-gisj), a. dartel, wulpsch. Riggle (rig'g1), v. a. n. Zie to Wriggle. Right (raft'), a. & ad. —ly, ad recht; behoorlijk, juist, geeehikt; echt, wear; billtk; oar. —handed, rechta. — on, rechtuit. a. recht; held, rechterhand, -.Ode. by —, van rechtawege. to be in the —, geltjk hebben. to set to —a, terecht wtjzen; in orde brengen; bevredigen" to do - beseheld doen. v. a. reakt zetten, opbalen; weder oprichten; recht doen; rechtvaardigen; —one's self, Mob recht verschaffen. —, v. n. zich opriehten. Righteous (raftsjus), a. —ly, ad. rechtvaardlg, reehtschapen. —ness, a. rechtvaardigheid, rechtschapeuheid. Right ful (rajt'foel), a. —fully, ad. reehtraattg, wettig. —fulness, a. rechtmstigheld;opreehtheid; —nese, s. juistheid; oprecktheid, rechtechapenhei d. Rigi (ridzj'id), a. —ly. ad. atijf, onbuigzaam; atroef; atreng. hard. —ity(ri-dzjid'it-tih), —ness. a. stijfheid; atroefheid; strengheid. Riglet (rient), a. latje; reglat. Zie Re let. Rigmarole (rig'me-roof), a. zinledig gebabbel. Riga: (rig'ul), a. kring; kroon, Rigor (rig'ur), strengbeid. —ous, a. —may, ad, atreng; 'mach; stipt. —oneness, a. strengheid; Rile (raj!'), v. a. boosmaten, tergen. Rill (rill'), —et (-it), a. beekje. —, v. n. vlieten, murmelen. —y, a. vol beekjes. Rim (rim), a. rand; lijst. Rim, (rajne. ), a. rijm,rijp; scheur, spleet; sport. —e, v, D. rijpen. —ose (ri-moos'), —oda, a. vol spleten. —y, a. berijpt. Rimpie (rinepl), e. rimpe! —, v. a. rimpelen. Rind (rajnd'), s. bast, addl. —, v. a. afachillen. —ed, —y, a. bastig, met eene schil. Rindle (rin'd1), a. goot. Ring (ring'), a. ring; kring, gelui; klank; rand, —bolt, ringbout. —bone, ringbeen, overbeen. —dove, ringelduif. —ducat, gerande ducaat. —finger, ringvinger. flower, ringelbloem. —lead,
RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-

cryptogeld van facebook


juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.
Roan. Roan. (noon, ro'en), g. &masa. Rob (rob'), f. sear Robert; —err (-urt), m. Robert. —inron rn. Robinson. Roch dale (rotsrdeel), g. Rochdale. —ester (-istar), g. Racheoter. Roger (rod'zjur), In. Roger. —s (-zjurz), tn. Rogers. Roland (ro'lend), m. Roeland. Roman (ro'nften), a. Romeluoch, Roornsch; Romein. —ia (mes'ni-e), Romanis. Rome (room) g. Rome' (rom'joe-la*), m. Romulus. Ronan (ro'neu), g Ronan. Ron nos (ros'ko), in. Roscoe. —common (bona% muni, m. Roscommon. Rove (root), n. Roza, Rocade. stotherbithe (rothinr-ith), g. Ratherhithe, Rotterdans (roetur-darn), g Rotterdam. Rouen (roe'en, -an'), g. Rouaan. Roeland. Rowland (rolend), Rut Inca (roe-Watts), m. lt ,, finas. —us, in. Rtifua. g Rumelie. Rowena Rumen! (run'.!!), tn. Russel. Russia (rusj-e), g. Rutland. —n, a. Ruesisch; Rua. Ruth (roeth), w. Ruth.
of arms. —kogel, musket-bail. —Cu)!, butt-end. —lade, gun-stock. —loop, gun-barrel. —maker, pun-smith, armorer. —rek, musket-rack. —riem, gun•sling. —sehot, musket-shot. — slot, k. (A ewel, Gewelde, o. entrails, bowels, pluck, umblee; horns. (leweld, on violence; force, might; bustle, role, met ails abrolute!y. aandoen, to do violence to; to ravish, to vlolaie. —dadig, by. & bw. violent ( - 4). —dadigheid, v. violence. —enaar, m. tyrant, usurper, oppressor. —.nail, v. tyranny, brutality, oppression. —ig, by. & bw. violent (-ly), forcible (-bly), vehement (-)y); powerful, mighty; very, exceedingly , —.iger, m. provost. —igerhand, bw. by open force, forcibly. G ew el f, o. vault, arch. — d, y. vaulted, arcked. Geweanell, os crawling, swarming; crowd. Gewenk, cs, beckoning, nodding. liewenn en, ov. w. to accustom (to). —lay, v. accustoming. Gewenscbt, by. wished for, desirable. G swerve !id, by. vertebrate, v ertebrated. Gewrat, o. country, province; region, quarter, climate. —00, by. provincial. Geweten, o. conscience. reins —, lawyer's conscience. —sanest, anguish of conscience. —sbe• zwaar, scruple (doubt, qualm) of conscience. —sdwong, v iolence done to conscience, constraint upon conscience. — sereag,question of conscience, home-question. —serilhetd, liberty of eonvcience. —swroeging, sting of conscience. —szaak, matter of conscience. —loos, by. & bw. unconscionable (•biy), unscrupulous ( - Iy). —loosheid, v. uncoilecionableness, unacrupuiousneus. Gewettlgd, by. legitimate, lawful. Geweven, by. woven. Gewszen, by. former, old, late, ex-. Gswlcht, o. weight; importance, it oment; horns. het — Met kitten, to fall short of weight, to be defecient in weight. goed tret.—ig,by.weleht y, ponderous; important, momentous. —igheid, weight, imeortance. Gentlekt, by. winged, wins'', pinioned. GewUd. by. consecrated, holy. G eveUts de, o. gentence. GewIld, by. desired- in demand. Gewilllg, by. & hw. willing (Ay). — held, v. willingness. ouchtig, greedy Gewlas, o. gain, profit. sick, of gain, covetous. —rocker, gain hunter. —ceche, govetousness. —nen, ov. w. to gain, to get; to engender, to beget. Gewls, by. & bw. sure ( - 1y), certain (ly). —had, v, certainty. —eelijk, bw. xis (lewis. Gewlsnel, o. changing, exchanging. G eveneker, o. law y. Gowns', o. bustle, stir; crowd. Gewald, by. woolly, covered with wool. Gewolkt, by. clouded, cloudy; watered. Gewonnen, by. won, gained; got, begotten. let — geven, to give it v p, to yield, to give up the point. Lie Gironnon. Gewoon, by. usual, habitual, accustomed, customary, wonted, common. zijn, to be &CCUtoned (to)... to be in the habit of. — warden, to glow famil ar (with). —had, v. usualness, ells-
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×