Visor (viz'or), a. vizier; masker. ed (-tut!), a. gemaakerd. `Vista ( vis'ta), a. gezicbt., ultzicht. Viavvett (viejoe-e1)., a. gezichts . — angle, gezichtshnek.— nerve, gezieaszennw. Vital (vitytell, a. --ly ad. levees-; levend; wesenlijk.—itp(-tent-tih), a levenskracht; levers. —.a tali); pi, leveusdeelen. Vitt rile (tisri-eet), v. a, bederven; schenden; ongeldig matte:, --ation (-ee'sjun), a. bederving; sehendtng. —oaily i os'it,t1h), a. verdorverbeld, gebrfkkigheid.—owt, a. verdorven, gebrekklg. Vitreous (vit'ri a. glaz..n; glszachtig. —nese, glaRtichtigheid. Witreacen ce (vi-treesent), s. glaswording. —t, a. glaswordend. Vitrit action (vit-rl-fek'sjun), a. glamaking, verglasing. —idle abaar. —teatime (-elf-i-ke .'sow, a. Zle Vitrifaction. —y (vit'rl. VW, v. a. & v.. in glee aceanderen. Vitriol (vit'ri-ul).. s. vitriool. —ate -eel). —ice (-aJz), v. a. in vitrioolzuur veranderen. —ic (-or:k), a. vitrioolachtig; —acid, itrfoolzuur, Vituline (vit'joe-lajn), a. kalfs-, kalver-, Vitupern to (vi-tjoe'pur-eet), v. a. lakert, berispen. —lion (•ee'sjurt)., a. berieping. —live (-eels), a.lakenti,berispend. Vivael otos (vi-vetemjus), a. levendig, vroolijk; langlevend, s. levendigheid,,roolijkheld. Via- say (verve-rib), s. diergaardo; vischvijv er. Vivid (viv'td), a. —ly,, ad. levendig; hetde r. —neat, a.levendigheld. Vivific (vaj-virik). —al, a. levendmakend; healslend. —ate (-ikeet), v. a. levend makes; bezielen. —alias (viv-if-1-kee'aittn), a. levendmaking; bezieling. k,e-tiv), R. levendmakend. VivI ller (71,1-faj or), a. levendtnaker; bezieler. fy ( - r.3), v. a. loveld waken; bezielen. —parous (vaj-vip'e eta), a. lemidejongra werpend. —tee.
Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.

Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]

A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

Kunt u mij Monero met ASIC


Ostrich (os'tritsj), a. struisvogel. —egg, straits!. 0 utda re (-deer'), v. a. trotseeren. —feather, struieveder. Outdate (-deeti), v. a. in onbruik brengen. Otacoustie (ot-e-kausqlk), s. oar-, klankboren. Outdo (-doe') [hr.], v. a. overtreffen, Otal gift (o-terdsji-e), —gy dzjih), s. oorpijn. Outdoer (-doe'ur), s. overtreffer. —gic (-dzjik), s. middel tegen oor ptjn. Outdoor (-door), a. uithuizig. —e (doors.), ad. buitenshuts. Other (uth'ur), a. & pr. ander. each —, elkander. the — day, mileage. every — day, om den anderen O•tdrink (-drink') [irr.], v. a. in het drin!ien dag. some body or —, de eea of de andere. —gates overtreffen. (-dwell'), v. a. lenge? bltjven dan. (-geets), ad. op eene andere wijze. —guess (-gees), Outd —guise (-gajz), ad. van eon' anderen aard. —where Ouster (aut'ur), a. buiten. — court, bultenhof. —1y, ad. aan den buitenkant. — moat, a. uiterste. ( eer), ad. elders. —while (-wajl), sad. op een' anderen tijd. —wise (-wajz), ad. enders, enders- Outface (-fees'), a. a. trotseerers; verlegen maken. zins. Outlet!, s. uitwatering, Boot. Otter (oVturr, oak Attar en Otto, a. essence, ro- Outfawn (-fame), v. a. beter pluimatrtken dan. zenolie. Outfit, s. uitrusting. Otter (ot'tur), a. otter. —dog, otterhond. —hun- Outflank (-flenk'), v. a. overvleugelen. ting, otterjacht. —pike, pieterman (visch). Outfly (-flar) [irr.], v. a. voorbij vliegen; overs. Ottoman, treffen. Ottoman (ot'to-men), a. turksch. Outfool (-fool'), v. a. in dwaasbeid overtreffen. Turk; rustbank, sofa. Ought (sot), B. iota. for — Iknow, zoover ik meet. Outfrowu (-fraaun'), v. a. afschrikken. for — I see, zoover 1k zie. —, v. n. moeten, be- Outgate, a. buttenpoort, uitgang. Outgeneral (- dzjen'ur-e1), v. a. in krijgsbeleid hooren. overtreffen. Ounce (aauns), a. one; touch, lynx. Our (aur), pr. ons, onze, onzen. —s (oure); pr. (het) Outgive (-giv') [I rr], v. a. meer geven day. —.elf Outgo (-go') [irr], v. a. smeller (verder) gaan onus; a friend of —, can onzer vrienden. dan; voorbijstreven; misieiden. (self'), —selves (-solve ► , pr. wij (one) zelven. Outgoing, s. uitgang. —8, pl. uttgaven. Ousel (oe'21), a. meerl. Oust (aust'), v. a. uitstooten, verdrijven; berooven. Outgrow (- gro') [irr], v. a. ontgroeien; boven bet hoofd groeien. —er,s. ultatooting, verdrkjving. Out (aut), ad. A pr. uit; buiten; afwezig; weg; op, Outguard, s. voorpost; buttenpost. verbruikt, ontbrekend; uttgeput; uttgebluscht; Outherod (-her'ud), v. a. in wreedheid overambteloos; van ziju stuk ; luid. — and—, door en treffen. door. to be —, het mis hebben; ten elude read an; Outhouse, s. bgebouw; schuur. (with) in ortinin zijn met. my hand is—, ik ben niet OutJeer (-clejter'), v. a. door spotternij overbluffen. op etreek. — with it, voor den dag Cr mee I at elbows, met gaten in de mouwen. — of, uit, but- Outlast (-dkjestn, v. a. in het sehertsen overtreffen. ton, uithoofde van, wegens; berootd van, zonder. — of all, alles kwijt. — of design, met opzet. — Outknave (-neev'),v. a. in schelmerlj overtrefien of doubt, button twijfel. — of favor, in ongenade. Outlandish (-lend'isj ► , a. buttenlandsch. Outlast (-1aast'), v. a. tenger duren dan. van den — of heart, meedeloos. — of the way, a. Outlay*, a. vogelvrtj verklaarde, balling. weg af. a. vogelvr) verklaren, bannen. —ry Out (out), v. a. uitstooten. —, int. voort ! weg ! vogelvrij-verklaring. foci I Wear, in de volgende samenstellingen, de uitspraak nice is aangewezen, dear heeft out den Outlay, s. uitschot, veracbot, uitgaaf. , — Outlea'p, s. ontsnapping; onbesonnenheid. klemtoon. (-lisp'), v. a. voorbUspringen. Outset (-ekt'), v. a. overtreffen, to buiten gaan. Outbalance (- bel'ens), v. a. zwaarder wegen dan. 0 u ti earn (-learn'), v. a. in het leeren overtreffey. Outlet, s. uitgang, uttweg; verlaat, uttwatering. utbar (-bear"), v. a. uttsluiton. —a, pl. omstreken. Outbid (- bid') [irr.], v. a. hooger bieden dan. Out lie (-laj'), v. a. in hot liegen overtreffen. —der, a. meestbiedende. Outline, e. omtrek, schets. —(-lajn'), v. a. schet0 u tblown (-bloon'), a. opgeblazon. Outborn, a. uttheemsch, vreemd. v. a. overleven. —r (-1iv'ur), a. Outlive Outbound, a. near button 's lands bestemd. I angatievende. Out brave (-breev'), a. a. trotseereu, tarten. Outbrazen (-bree'zn), v. a. in onbeschaamdheid Outlook, s. voorzorg, waakzaamheid. v. a. verlegen (beschaamd) maken. overtreffen; overbluffen. Outlying (-layieng), a. afgelegen; buiten de geOutbreak, s. uitharsting. wone orde. Outbreathe (-brieth")„ v. a. eon' langeren adorn Outmarch (-maartsr), v. a. in het marcheeron hebben dan; den adorn doen uitblazen. overtreffen; voorbijmarcheeren. Outbud (-bud'')„ v. n. uitbotten. 0 u t measure (- mezroer,-ur),v. a. in grootte overOutburst, s. ultbarsting. F. !minding, treffen. Outcast, a. verstooten, vogelvrij. Outmost, a. uiterste, buitenste. verworpeling. Outnumber, (-num' bur), v. a. in aantal overtrefOutcralt (-kraaft'), v. a. versobalken. Outcry, s uitroep, gil; gejouw; veiling. — (-kran, fen. Outpace (-pees'), v. a. achter itch laten. v. a. overschreenwe.n.
nought, coward, dastard. During, v. lasting, duration. Dark, na. sink, well. Darven, on. w. to dare. Das, bw. thus, in that way. —, aw. so, therefore. —danig, by. such; bw. thus, in such a manner. Dar, in. nap; slumber. vit den — helpen, to undeceive. een —je doers, to take a nap. —ten, on. w. to take a nap; to dote, to mope. —ter, in. doter, mope, reopus. Dour, m. duration, continuance, op den —, st the long run. Dour, by. dear, costly, expensive; solemn (ran een bw. dear, at a high price. —koop, be. eed). dear. —te, v. dearness, high price, dearth. Drsurznam, be. durable, lasting; strong; that wears well. —heid, v. durablenete, durability, lastingness. Dew, m. push, jog. —en, ov. w, to push, to jog. to press; to slip (into a. o. 's hand. Dweal,v. towel; shroud. — begrip, erroneous idea. —geest, wandering spirit; follower of erroneous opinions. —grend, Wee ground* —leer, false doctrine. —licht, ignis tattoos, jack-with-a•lantern, Will-o'-the-wisp. —pad, —spoor, —weg, wrong (erroneous) Neu; on een brengen, to lead astray, to lead into error, —eter, planet. —twin, labyrinth, maze. —§annig, erroneous, erring. —sinnigheld, erroneousness. Dwane, be. foolish (-ly), silly (-ily). m. fool. —hoofd, fool. —held, v. folly, foolishness. DwnI en, on. w. to err, to stray. to wander; to be mistaken. —er, m. wanderer. —kg, v. w and r ring; error, mintak.i. D Wang., m. constraint, compulsion, coercion. —arbe,d, compulsory labor; the galleys, penal servitude. —bevel, -warrant, writ. —bale, jacket.
Litecoin is an open source software project released under the MIT/X11 license which gives you the power to run, modify, and copy the software and to distribute, at your option, modified copies of the software. The software is released in a transparent process that allows for independent verification of binaries and their corresponding source code.
Faeultelt, v. faculty. Fagot, v. bassoon. —blazer, basal:Wet. Fail' ems, on. w. to fall, to break, to become a bankrupt. —let, hr. Insolvent, broken, bankrupt. —let, —iseement,o. failure, insolvency, bankruptcy. Fakkell. inc. torch, link; luminary. —draper, torch-bearer, link-man. —hicht, torca light. Falhala, v. furbelow. Fallen, on. w. to miss, to fail. Palle, v, mantle, veil. Fattekant, by. & bw. otherwise, wrong, false ( - 13r , , deceitful (-ly), treacherous Or. Fali,..evouvv en, on. w. to coax, to wheedle. to dissemble. —er, m. —ster, v. coaxer, wheedler, dissembler. Falkonet, o. falconet. Faienelle, m, forger; cheat, impostor. Fantlillie, v. family, relation.; tribe. —betrekking, relationship, kindred. —gek, —ziek,fond of one's relations. —goed, faml!y-estate. —graf, faml lyvault. —heefd, head of a family. —kring, domestic circle. —kwaal, family-vault; hereditary disorder. —leven, family-life —noon*, family• came. —rand, family-council. ---,auk, family . piece. —tree,family-feature;etraracteristic.—trett,

Wk. onuitvoerbaar; onbandelbaar. —bility, (-ke• drang ; aandrift ; Mot. —ire, a. aandrijvend. s. ondoenlijkheid, onult- —ively, ad. door drang. voerbaarheid; weerspannigheid. Impunity (im-pjoenit-tih), s. etraffelonsheid. rftliprects te (im' pre- keet), v. a. verwensehen, Impair e (im-pjoer'),a. —ely. ad . onrein; onkuisch. vervloeken. (-kee'sjun), s. verwensching, —eness, —ity, s. onreinheid; onkuischheid. vervloekiug. —tory, a. verwenschend. Impurple (1m-pur'pl), v. a. purperkleurig maken. Inapregin (im-prien , „ v. a. Zie to Impregnate. Imput able (im-pjoelibl), a. te wijien, toe te ltnprcgoa tale (im-preenibl), a. —bly, ad. on- achrijven. —ation, (-tee'sjun), s. toerekening, toene,mbear; onwrikbaar. —te (-neet), a. beswan- sehrijving; aantljging. —nave, a. —atively. ad . gerd. verzadigd. —te (-neat), v. a. bezwangeren; (-te-tiv-), toesehrtivend, toerekenend. —e, v. a. doortrekken; verzadigen. —tins (-nee'sjun), a. be- toeschrijven ; wtjten ; te lasts leggen, (to). —er, zwangering; verzadiging. a. toeschrijver; aantijger. Imprescribtliale (im-pre-skript'ibl), a. enver- Imputrescibi• (im-pjoe-tres'sibl), a. onverrotbaar; onbederfeltk. aarbaar. Impress (im'press), a. indruksel; merk; Mu- In (in), pop. te; op; naar; onder. —, ad. bins pi euk; pressing. nen, thuis. —that, dewijl. —the hundred, tan hon. Impress (irn-press';, v. a. indrukkea; inpren- lord. — my opinion, imbue bedunkens. nine times ten, (on); doordringen (with); merken; pressen, — ten, negen keeren van de tien. a. onvermogen, onbe—ibility (-ti-bil'it-tih), 8. vatbaarheid voor in- Inability drukken. —able, a. vatbaar year indrukken, —ion kwaamheid. (-eresp.,), S . indrukking; working; indruk; af- Inabstinence (ire-eb'sti-nens), s. onmatigheid. urs:k; drab, oplage. —ive, a. —ively, ad. indruk- Inaccessi Yule (in-ek-ses'sibl), a. —bly, ad. onmakend, treffend, —iveness, s. (het) indruk ma- toegankelijk, ongenaakbasr. —tileness, kende. treffende. —went, s. pressing. —are (-presj' (-si-biPit-tih), s. ontoegankelijkheid. tier), s. indruirsel, merk. Iuuccurta cy (in-ek'kjoe•re-sih), a. onnauwke.uInaprest (im'prest), ts. haudgeld, voorschot. righeid. —te, a. —tely, ad. (-ret-1, onnauwtseurig. fti,prevalenee (in.-prev'e-lens)„ a. onvermogen Intact ion (in-ek'sjun), —ivity (-tiv'it-tih), a. 'fiverijn over wicht to bandhaven. 0111z keloosheid. —ire, a. —ively, ad. werYeloos. imprint (im'print), s. opgaaf van drukplaata, Inadequa te(in - ed i e - kwet),a. — tely,ad.ongeevenredigd, onvoldoend (to). —op (-km-a-31h), —teness, drukker, jaartal, enz. (van sera bock). — (-print'), a. ongeevenredigdheid, onvoldoendheid. v. a. drukken; inprenten (on, upon). impritiack (im-priz'zrt), v. a. ge,angen zetten. Intill11111.1 bility tin-ed - mia - si - bil'it - tiN, a. ongevangenueming-; gevangensehap. aannemelijkheia. —ble (-mis'xibl), a. onaanne- went, I mprob aisle (irn-prob'ib1), a. —ably, ad. on- melijk. wart iseltijnlij lc. —ability (-e- bil'it-tib), s. ormaar- lundverten ce (in-ed-vnetens), —cy, s. onachtscbijnlijkhetd. --ity„ s. oneerlijkheid. zaamheid. —t, a. —tly, ad. onachtzaam.


--tine, ( - ee'sjun), a. sehatting; waardeering. - ter Vaean cy (vet'ken-all,), a. leagte; ledige ruimte, (-ee-tut), a. echatter; watudeerder. ledige tajd; itenate; opngevallen betrekking; -. v. a. achatve,cantie; gedaehtenloosheld„ -t, a. ledig, onbe• Value (verjoe), a. waarde, ten, Iv aardeeren: aehten; in waarde evenaren; vetzee; onvervuid, vacant; geduchtenloos. gelijken. - one's self upon, zich laten voerstaan Vaea th (ves'keet), v. a. a:Amin:en; opgeven; to op. -, v. a. (on upon) trekken, afgeven op. &Jet doen. -action (ve-keb'ejun), a. aitchaffing; -less, a. zonder waerde. -r (-ur), a. echatter. Tusttiltl • vaeantie. (-it), V neciu ate (vek'sin-nee*.), v. a, inenten -ation Valor e (velv'), a. klep: deurvleugel. -et-sitar -ule (-joel), a. klepje; kleine vouwdeur. (-ee'Pjun), a. koepokinenting. -ator, a. Zie Vac•os•er), a. kiep-. chilst. -e (ook : -vain), a. koe-, van de Icon; harnas. -- inoculation, koepokinenenting; - infection, Vatnbraeo (vem'breeti), a. armplaat, Vamp (vamp'), a. overlear. -, v. a. lappen, eer-, matter, koepokstot. -ist, e. inenter atellen (up). - er, s. tapper, verateller. -ire (-sir), Vaellita any (ves'eil.len - sik), a. wankellAg; a. vampier, bloedzulger. -te (-feet)., v. n. wankel.; weafelen.. Van (wen') a. wan; waxier; vleugel, wink; hail--tion (-lee'sjnn), v. wankeling; weifeling. kar, voorhoede. -courier ( - kosei - nr), a. Ivor%Taco. ity (ve.kjoe'it- tih), e. ledigheli; 'Adige looper, voorbode. --guard, a. voorhaede. -, v. a. -um (oak"(•eit'joe-ns), a. Wttouen. joe-um), a. ledige rulmte. Vandal In (yen-dank), a. barbaarech, vernlelend. Vade-mecum (vee-de-ani'kurn), a, zakboekje ; (ven'del-lzm), a. barbaarschheid, vernielhandboek. zucbt. Verrone, (ve'frus), a. loos, schalksch. a. l and- Vat, d yk* (yen-dajk'), a. ultgetaude haiskraag. iraga bond, (veg'e.bond), a. zwervend. (ven), a vaantje, w eerhaan; vizier; windlooper. -age, -lel), n. landlooperij. vieugel, maker. Vagary (a e-gee'rih), a. grit, knur. Va,.;Ina (ve-dzjayne), a. ocheede. -/ (oak ; ved , Vsng (yang), ...lel (in eene penneschacht); geard. Vanilla (ve nille), a. vanitle. zji-nel), a. von de scheeae. V agran cy (vee'gren-s:h), a. rondzwerving„ -e, Van lab (ven'isj), v. rt. verdwtjneu (away.fron). -ity, a. ijdelheid. a. zwervend, 8, river , . landtuoper V a_outte(veeg'),a. --ly, HA. °nem ervend; onbepaaid, Vanquish (veng'kwisj), v. a. overwinnen. -er, a. overwinnaar. Vali (veal'), a. 8c v. a. Zle Veil. Vantage (nen'tit14), a. unaided, winat. -groaaci, Valle (vaelz), a. pl. fooien, vernal. meerderheid; gun:stip stand. Vain (even'), a. -ly, ad. vergeefech, vrtichteloos: Vapid (vep'id), a. t aum, dnf, verscbaald. -ity to vergeefa; to take in kidel (of); vergeefsch• in -ness, a. ft/Inv/held, verschaaldrnisbrniken. -glorious, a. --gloriously, ad. verwaand; snoevend. -glory (-gin' held. e. vermaandheith grootspraak, snoeverij Vapor (vee'pur), a. damp, wapem. -, v. a. vet.dampen (away. out); V. n. dampen, uitdampen; -ness, s. ijdelheld; raietigheid. suoeven, pocky -er, a. anoever, pocher. -orb, Valiant° (vel'ens), a< valletjo (non bedgordtjnen). a. dampig; grill . -out, a. (tamale. ; opgeblazen. Valle ( veal), a. dal, vallei. -a (-pure), pl. , ampen, winden, opetijgioaen. Valecilet ton (vel-e-dik'elun), a. vaarwel, aflab. a. ZieVai etheidegroet. -cry, a. afscheidsen. Valentine (vel'en-tajn), s. St. Velten's liefje; Varee Iver'k), a Vail able (vee'rt. :bp, a. -ably, ad. veranderlijk. St. Velten's minnr brierje. -ability (-e-bil'it-tih), -ableness, s. veranderltik• Valerian (ve-li'rl-en), a. valeriaan. held. -anca (-ens), a. versehil, oneenigheld, to Valet (vent)... kneeht. hediende. set at -, oneenig maken (-ee'sjun), e. V aletutlinar inn (vel-eajoe-dianae'ri-en), -y veran˚ veracbillendheld; afoijkine. -cot' ), R. ziekelijk; as. ziekelijk mensah. (verl-koos), -roue (reel-kn.), a. aderspattlg. Vallnat (vellent).. a. -1y, ad. dapper. -netts, s. -epate (-e-geet), v. a. bespikkelen, kakelbont dapperheid. • sehak, eren. -egation (-e- gee'sjuh), a. yeel.kisurig • Valid (vel'id), a. -ly, ad. clerk, bondig, gadig. heid; schakeering. -ety (ve.rare-tih), a. afwiese. -ity -ness, a. ktacbt, bondigheid, ling, verandering; versebeldenheld, -clout (vs. gelatighetd. raro-lus)., a. pokachtig. -one, a. -nicely, ed. Valium (ve-liez'), a. valley, mantelzak. verecheiden; veranderlijk. Visitation (vel - lee'sinn), v. verschauaing. Varix (vee'rike), e. adergerwel. Valley (vel'lth),n. dal, valley. Valor (va,"ur), v. dapperheid, -one, a. -oualy, Varlet (vaaelit), a. knecht, page; achurk, Kebobbejak. ad. dapper. Value blew (verioe-iial), a. kostbaar. -Maness, a. Varuytsh (wtenixi), a. vents, lak; verglaaseel; -, V. a. vernissen, verlakken; vereeizen; kostbaarheid. -tiles (-111z), pl. kostbaarheden.

to tall erty, t0 grow poor. aan den drank (to take) to drinking. G trammel, o. rattling. G erased, be. edged, bordered; (van munten) mill —e dukaten, ring-ducats. G crate', o. rattling. Gerlach', o, (court of) justice, tribunal; jurisdiction, course, dish, service. jongste —, lost judgment, dooms-day. racy het dayen, to summon, to enter an action ageinst. houden, to administerjustice, to hear causes. —abode. appar itor, summoner. —.day, court-day. —sdienaar, tipstaff, summoner; constable. —ado!, court at justice. —sko;ten, law-charges, law-expenses —splaats, place of execution. —Lava, justiceroom. —sniffing, session, assizes. —, be, & bw . just (-1y), equVable (-blye —eligc, be. & bw. judicial ;-ly), legal (Iy); tervolyen, to punue at law. —ig, be. & ow. just (.1y), lawful (-ly), righteous Hyl. —igd, bv. authorised, qualified, entitled.. —iyheid, v. justice, equity; righteousness eredder, o. co.earing, arranging, G tweed, be. & bw. ready (-11y). —make), to prepare. —e'ljk, bw. readily. —held, v. readiness; brengen, to prepare, to make ready. t1,1 stresedeeleap, o. utensil., tools, implements, inetrtunent•; rigging, tackle. Gereforsneerd, be. reformed. Geregeld, be' regulated, regular, orderly, fixed, set. —heid, v. regularity, order. beret, Gzrelde, o, utensils, tools, implements; things, stuff. Gerels, o. travelling. (ierekcn, o, reckoning, calculations. Gerekt, br. tedious. —heid, v• tediousnets. Si a rel, o, !tieing, ranting, chat. Gereotel,o. rattle, rattling, prattle. Genf kamsr, v. escriety, vestry. —sehaat v. join r's plane. G trite", In. notch. coons-groove, Geribd, by. ribbed, nerved. (ierlclit,o. Zie G erect& G aerlsaf, o. accommodation. convenience, comfort. —JO, be. accommodating, convenient. cornmodioue, comfortable, serviceable. —elijkieid, v. a,commodetion, convenience, commediouenees. Gerleven„ or. w. to accommodate, to oblige. Garti, o. riding. erkitn,e). rhyming. Gerikkik, o. croaking (of frogs). Gering, by.low, mean, vile; smell, trilling. — ariaten, —echatten, to undervalue, to el,ght. —*chatting. ftoregerd. —heid, v. lo wneee, meanness; smallness, triflingnees. Getlogd, he. ringed. Gerinkel, o, jingle. citing. Gerit, o. bustle, stir. GerItsti,o. rustling. Gerothel, o. rattling, epawling. Geroep, o. calling, call, shouts, clamor. Zie Optist Geroer, o. stirring. Gerraezemoes, o. bustle, stir. Geroffel, o. bungling, botching. Gsrol,o.rolling.

Dan nen, ov. w. to thin, to dilute, to weaken, —diesel, forced service. —gesag, despotism. —mid. to attenuate; to rarefy; on. w. to grow thin. del, Means of constraint. —nagel, rivety Saw. —netjes, bw. thinly, rather thin. —nigiieid, v. Zie Dweirrel, tn. whirling, —en, on. w. to whirl. Du sulaaid. o. thinuings of lettuce, lettuce- —stroom, whirlpool. —rabid, 'whirlwind. —iag,Jr. sproat.e —ink, hot-bed for lettuce. —te, v. Lie whirling.
a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol

cryptogeld toepassingen


Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.

cryptogeld beginners guide


Duister, be. & bw. dark (•1y)„ obscure (-1y), dim (-ly), gloomy (-fly), mysterious (-1y), Intricate. —held, v. darkness, obscurity, dimness, gloom, intricacy. —ling, m. & v. obscure person; protagonist of ignorance, enemy to the marsh of intellect, obecurant. —xis, v. darkness, obscurity. Dolt, m. dolt. Been waned, not worth a fig (a farthing). —endief, scrape-penny. Daly/A, en, devil. —banner, —bestatterder, exorcist. —tanning, —be:wearing, exorcism. —Hagen, on. w. to make a compact with the devil; to keep a terrible coil, —japer, conjurer, sorcerer. —skeet, devil 'a bit. —sorood, mushroom. —sdrek, foetlda. —skied, imp; wicked fellow, devil. —8 • kunstertaar, eorcerer, magician. —akunatenar(i, sorcery. —smelk, euphor bium. —snaaigaren, eryngo, sea-holly. —stoejager, jack-at-all-hands. —art), v. devilish trick. —in, v. she-devil. —seh, be. & bw. devilish (-1y). diabolical (-1y); can — week, a confounded troublesome piece of work, a devilish bad affair; can --e keret, a devil of a fellow. —ach, taw. the deuce! Dalven boon, v. seteh. —drek, pigeondung. —ei, pigeon 's egg. —hok, —hot, —slag, —tit, —cluckt, pigeon-house, dove-cot celumbery. —kernel, tumatory. —maikt, pigeon market. —maker, breeder of pigeons, pigeon-fancier. —neat, pigeon 'a (dove 'a) ura. —petite', pigeonpie. —post, pigeon-poet. Weikel ass on w. to grow dizzy, to swim, to be taken with giddiness, to have o swimming in one's head; doers —, to making giddy.—ip,by.dizzy,, giddy. —igheid, v. —ing. v dizziness, g(jidinesJ, vertigo a win: iniug in the head. Duiz,nd, tw. & 0. thousand. —been, —post, milfoil, yarrow. —guldeakruid, cen• liped. taury. —jarig, of a thousand years, millenary, rijk i millennium. —knoep, knotgrass, septfoil. —tehoon, amaranth. —tat, thousand. —mud. —vouslig, thousandfold. —erkande„ —erlei, by. of a thousand sorts. —maid, —scarf, be. a thousand times. —ste, hie thousandth. D ► Ltsat, m. ducat. Dviketcnitioud, o. standard-gold. Dukaten, tn. ducatoou. Dilkdelf, tn. stoceado, mooring- poet. Dulde talk, be. &bw. supportable I-bly), toterable —eioos, by. & bw. iesupportable (-bly), into!eraW, ,, (-bly). —en, ov. w. to bear, to suffer, to tolerate. —ar, m. patient sufferer. —big, v. suffering, toleration. Du., liv. thin, slender, slim; slight, raze, clear, sparse; thread-bare. — bier, small beer, swipes. — ei, !soft-boiled egg. —, bw. thinly; scantily. gezaaid, thin-sown, scarce, rare. —been, thin• legged person. —beenig„ thin-legged. —baik,slender person. —buikig.slender.—tveigjean,slender„ loose. --/Vviglisid, elenderuees, looseness. —ticktit', be. rather thin. —Acid, v. thinness, slendernevi; scarcity; fluidity; rareness. Dunk, in. opinion. een grooten — van sick selves Adobes, to De conceited. —en, ou. w. to think; mij dussid, methinks; m(j dacet, mathought; wet dissect 14? what do you think? sick latex —, to think, to imagine, to be conceited.
Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;
Su-re I tatter (eur-re-but'tur). s quintapilek. Suttee (aut-tie'), e. indtaanscheWeduWe; Verbran. --joinder (-dzjojn'dur), s. tripliek. ding* eener indiaaneche weduwe. ,Surrentier (eur-ren'dur), e. overgaaf. -, v. a. Sniffle (ent't1),a.nettce & n. (z!cli) overgeven. Sut tare (ejoe'tjoer),,a. na g, hechting; naald. vieirept tun (sur..rep'sjun), veracbalkInr, nut- i Swab (swob')., a. dwell. swabber. -, v. a. dwel(-iterne), R. ontfut'eid; in- )en; opzwatteren. -bee, a. dweller; zwabberfuteeling. (AN 'en-), ad kapitem, ecteepsjongen. gestopen; hedriegelijk. Swaddle (ewod, di), a, zwachtel; inter. -, v. a. heirnciijk, steelewijze. zwaehtelen; bakeren; afroseen. e--- nreogat e (aur'w.geet), a plitatevervanger; afgavaardiede; piaatavervaDgend middel.-e. v. a. Swaddling (swod'diteng), a. het zwechtelen; balieren. -band, -cloth, -clout, zwachtel; Wier, 110,e'fiiael, a. yen in de piuts vanging. kinderdoek. S,reoland (sur-raaund', v a. omringon. Swag (sw eg'), v. n. neerhangen (down); slingeStcmtt rt Our-inet'i,e. 0 VEriciA. ren. -belly, hanglittik. -ger (-gur), V. n. razen; v n. bijkomen. t'3a 1-venc enueven, portico. -gerer (-gut-ur), e. anoever„ StaTvey (sur'vee)„ a, overstcht„ opzlcht; opue- porter, wlndbull. -gy(-gilt). a. neerhangend. miag; sehouveing; meting. S wit! n (sweep), s. jangeling, jonge borat; vdjer; Survey (eur-vee'), v. a het opzicht (toe,tcht.) hoc- boeren*,echt, herder. den over; bezicht!gen, echouwen, opnemen; me- Swale (aweel), a. dal, Magic; achaduw. v. a. opgebruiken, variance; schroefen (den vaikea); ten. -ing, R. (het i landmeten. --or. ti.opncliter; lADdeleter. -ors4ip, a. unvbt van opzichter v. n. amelten, aroopen (van kaareen) mete)). Swallet leworliti, a. reijnvrater. Starlit, st , (sur-vaj'vei), -ance, a. overlaying. -e Swallow (-•anta), a. VP1,1111.11 gorge!; allok; (-vajv') v. a. overieven; v. n. tog in 'eve. ztjv,. guizigheid. -fish, knorhaan, zwaluwvisch. -tail, - ar , a I a......gstlevende, -arehip, a. over;evirg. zwaluyetaart. -wort, zwaluwwortel. -, v. a. -ive, a, vattaar Hof) slikken, optlobken; verzv elgen; pans teen; beSuvoapt Stile machtigan; (down) inslikken, Inzwelgen; (up) op-ib:eness a. vatbaat , e;d. slokiren, veralinden, verzwelgen. -er, inIsna-sip'!-en-eih), a. appeming,1 zwelger; s:okop. SuricIp:"en toelating. -1., a. opnemend, aannemend; a. op- Swamp (swomp') a. meeran. -, v. a. doen armor, oaunexer, zinken; in inaellijkheden vikke ►.en. -y, a. S^a ocltn to (;.;s'el-teet), v. a- verwe"" , moer,Off.e.verwekking,ppwekking. Swan (awon'), a. mean. ken. -lion zwanendons; Suspect (sus-pekt'), v. a. verdenken, ',Hecht lammertjesbaai. -ekin, moiton (soort van beef). tou.den; wantrana: en; v, argwean veeden (of). -song, zwanenzang. -eu, a. verdael•. -edness, a. verdachtheld. er, Swap (swop), F. PP v. Zie Swop. -, ad. plots. verienker, die argwaan voedt. R. act, -, int. plot! flap! terdoch,ig, a. entreua, end. Sward (awaord), s. zwoord; grazige oppervlakte, v. a, ophangen (to); °pea°, grasperk. Suspend (sae-pe ten; ophenden; horsen (from). s. °wet°, Swarm (ewaorm), 8 nwerm; gewemel. v. n. ten; Pchorser; tre,Aba,d. --ere ( urz). pl. draag- swermen, wemelen (with). Swart (swaort), A. Zie Syvarth. -, v. a. handen. stisFen, a (spa-peen'), a onsekelheid, zwert (bruin) meken; verdoukeren. a. ban- Swarth (swaorth'), -y, a. -ity„ ad, zwartschtig, looahold; opseb,,ettnr, echorsinx. gend; enz,ker. twijfelachtig: orges,tort; ge- denker, dankerbruln, taankleurig. -inns, a. (•jur0, 8. °plumping; opectocting, rchorst. donkere (bnline) kleur; tuankleur. stoking; stilstand; tchoronc -brid;c, bangbrug. Swamis (sweep), a. gekletter, gernisch; geanoef, twWelachttg. -or;', a ophoudeavd, twij- gezweta. -buckler, -er, a. enoever, zwetaer; eelachtig; a. draagtep0; ly..ddekwa,t. ilzervreter. -, v. n. kletteren, plaetien; anoeven, Sueplel on (sus-pi,fun), R. p.rg•aan, aehter- pochen. dacht. -ow, a. -,only, ed. wantrausig, ach- Swath (swath), a. zwad,atreek, rij; ale Swathe. t4rdoa.ig (of). -nu 7,4, a. wentvouTighetd. Swathe (aueetta), a. zsrachtel., winded:. -, v. Susfilt- at (eun-payre:), e. 1 uchigat; tuts caner a, inzweebtelen, takeren; teperken. waterleiding. -ation (-pi-ree'sjun), n, dieae dem- Swny (.4wee). e. sweat; gezag. macht, heerschappij; v• a. dial, ademea, zuchien. i•vloed; averwicht; lot. -, v. a. zwaalen; re--, Sustain (ova-teen'), v. a. F., hrAgen, dragen, on- geeren, besturen; invioed bebben op; (away up) onderhouden; tualhouden; uitataan, hijvrhen; (down) etrijNen; (from) a'detden van; v. verdure, -arid,, a. houdt,ar; dregelijk. -er, aa, n. zwaa!en, zich nelgen; heerechen; (with) Inondereteuner; vloenl batten op. SID St en smee(sue'te-nens),- khan (ten-tee'sJun), Swr (swiel), v., v. a. & n Zie to Swale. a. onderete -dning, eteun; onderlioud; levenson- Swear (. eel') [wore morn (swoorn)l„ v. a. derhoud. zweren; bezweren; beeedigtn, v. n. zweren (to); Suuner, to (sjoe'owr•reet), v. n. fluisteren; nun slacken. -er, e. zweerder; vloeker. mete', -lion. (-ree , ejun),8 gehilsier; gemermel, Sweat (owes), a. sweet. Sulfite (ajoe'til), a wet da nal!d. vervoordigd. Sweat (met') [sweat.] .v .a. uitzweeten (away. out); Sutter (,ut';ur), zoete!aro:; nv,ketentater, doen zweettn; v. n. no eeten; zutoegen. -el*, a.
CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-

Kun je stelen Bitcoin


following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
BRA el.BRI. on, to brand, to stiginatige. —merking,branding. —eserk(jser, , branding-iron. —middet, caustic. —neer, party-wall, mean wall. —setel, stinging nettle. —offer, burn-offer. holocaust. —offeredtour, altar for the burnt-olfsringa. —oven, kiln, furnace. —pijp, fusee. —piket, fire-picket. —punt, focus. —reek, fire-smell, burnt.etteq —schade„ damage caused by firs. —schatten, to by under. 'contrib./flan. —schatring, contribution. —ickilder, enameller. —schilderen. to enamel. —schildering —schilderhunyt, enamelling. —schilderwerk, enamel, --whip, lire-ship. —schoon, very clean.. fire-drake. —spiegel, burningKlass, • -reflector- —spelt., Are-engine; —gait, tire-man; —huisje, engine-house; —slang, pipe of a fire-engine. —*toilet, funeral pile, Pr.. —stem. internal stone. —stickier, --stichtster, incendiary. —stickting, setting on fire, ince.diadem, arson. —slot, fuel. —stollen, combuetibles. —stok, lire-bran& —teeken, sear, fire -token, brand. —cell, enamel. —vlek, sear, mark got by a) burn. —foga, m - or-hen; trouble-peace. —waarborg 1-niaatschappU), fire-insurance pAny).—toacAt, fire-watch;adv armed guar d.—tvond, burn. —calf, salve for burnings. —roof, inner sole. —evrijn, brandy; brander, distiller of brandy, —stokerii. distillery for broody. —baar. by. aorainsetible. —baarheid, v. combustibleness. —en, ov. w. to burn, to scald, to 'scorch; t, brand. to mark; to ba,.e (pannen); to bream (een sehip); to burn (1,101c) 4o cau , erize (rene wood); to distil I brandewiln); to make (Ustikoot); to roast (koffie); style fingers —, sick or gees can —, to burn one's fingers, to go too tar, to entangle one's self in difficulties. —, on. w. to burn, to be on tire; to-give lisht; to break, to foam (van de see). —end, be. burning, hot;, lighted; ardent, Iferve-et. —er, tn. fire-ship, distiller. —ell), v. distillery. —ig, by. blasted, blighted, mildewed; fiery, inflamed. —leg, v. burning; breakers, surf. liens, m. brace. ik heb er den bras van,' don't care a pin for it. at every one, every thing, all. —61ok, brace-block. —dagen, shrove-tide. —moat, —partii, banquet, sumptuous meal. —pentssng, ten dolts' piece ;live farthings). Brasens,m• bream. Brass en, or. w. to brace; on. w. to tenet, to bun. quet, to revel, to riot. —er, en. Neste r,banqueter, reveller. —ery, v. feasting, banqueting, riot. Brat. q. Zie BOY lilt Bray stamen, ov. w. to face, to ('rave, to affront. Breed, by. & bw. broad (-1y), large (.1y), wide (-Iy), ample (-ply), extensive (-1y). in het —e, at large. largely. amply. oggefen van, to speak highly of. Aet niet hebben, hardly to know how to make both ends meet. —board, boaster, bragger. —borstig, broad-chested. —gerund, broad brimmed. —spruak,' boastfulness; prolixlt —sprakig, boastful; prolix. —mmHg, In% & bw. circumstantial (-4). —voerisheid, v. ampleness, circumstantlainess. —Acid, v. broadness. —te, v. breadth, width, depth; latitude; —grand, degree of latitude; —kr:ag, parallel. Bras fok, m. cross-jack (-sail). —gans,m.strake. e —veertiert uit kat:gen, to lord it.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,

cryptogeld yahoo finance


A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

cryptogeld zcash


G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×