306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-
Wat het bijhouden van de boekhoudingbetreft, moeten de beginselen worden omschreven die gelden voor het bijhouden van de boeken, de algemene staat van de rekeningen, de periodieke afstemming van de saldi van deze staat en de inventaris, alsmede de elementen van het door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde rekeningstelsel. eur-lex.europa.eu
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Hoe worden crypto-uitwisseling geregeld


Dik, be. thick ; big; fat; swollen, bloated; curdled, clotted; clone. — van Auld (vet, schil), thickskinned, thick-coated; insensible. dikke eisd, butt-end. bw. thickly; clots. — gekleedgaan, to dress warmly. err — in zitten, to be monied. - o. thick part; dregs, sediment. grounds (vms kojle); calf (van hot boos). door — en dun, through thick and thin. —bast, -- bulk,-wrens, —oak, ,wag.

drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

cryptogeld 101 podcast


11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,
Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve

W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

Hoe kan ik XRP met GBP kopen


Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v. 

Waar kan ik verkopen Bitcoins


bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility
UNP H. 327 —Val/Y, ad. (4-toel.), —yiag (-1-leng), a. Diet Unprlz able (un.prargb1), a. onschatbs,. zuedelt dend, onbarrnhartig. —ad ( - pi:dn. a. ongeschat; Diet geweardeard. Unplaced (an-pleeetn, a. ongeplaatst. Unpro aimed (an-pro•kleenad'). a. onafge• Unplaguad (un-pleegdn, a ongek weld (with). kondigd. —ductive ( dukt'iv), n. onvrusbtbaar. Unplass nett (un-gland'), a. onontworpen. —ted —fatted (-fsendn, a. ntet ontheiligd. (-plentid), a. ongeplant; onbeplant. Unprotlta ble (un-protl.t1131), a. —bsy, Unplausible (un•plao'zIbl), R. onwaarmehOnlijk. voordeettg. —Menace, s. onvourdeellgheld. ad. on. —we (-My), a. mint goadkeurend. Uupro Whited (un-pro-bib'it-td), a nlet verboUnpleasant (un•plez'ant), a. —ly, ad. °mange- den. —jected (•dijekt'id). c.. niet ontworren. —/ific naani, onbehagelijk. --near, e. onamagenaamheid, (-lit ik), a. onvruchtbaar. (-propelsonhehagel(i kheid. Ieng), a. well,* belovend. Unpleas eel (un-pltezd)) ) a. mlantiegd. —lag, a. Unprompted (un-proutt'id), a. nieCingegeven. --ugly, ad. (•pltezneng-), onaaugensam, onbeha- ongedreven. gelkjk --ingmaa (-plieeieng-), a. onaangenaam- Unpronounce able (un-pro•ulattusiibl).a. inlet held, onbehagelt kheid. nit to spreken. —d (nitaunstl, a. onuitgesprokeu. Unpiedged (an-pled:IC, a. ourierpand. Unprop fun-prep"), v. a. van stutten berooven. Unpli able (uu-pla)'ibl), a. onbuigbaar. —ant. —stk.* (-prop•plq'us), a. ongunatig. a. —antly, ad. onbuigzaain. —antaeas, a. onbuig- Unproportion able (un-uro-poor'sjun-lb1), zaamheld. —ate (-at),—ed ( ajond), a. —ably, ad. oneveuredig. Unploughed (nn-plaud'), a. onbeptoegd. Un prop osed (un pro-poo:dn,n. niet vcorgeateld. Unplume (un-piton'), v. a. plukken; vernede• Unpropped (un-propt'), a. oiet [mint, ran. Unprosperous (an.pros'pur-us), a. —ly act. Unnoetleal (un-po-et'lltl), a. — ly, ad. ondlchter- onvoorapeedig. ltfk. Unprotected (un-pro-tekt'id), a. on.beseherind. Unpainted (un- pojnt'id), a. ongepunt. Unprov ed (un pr,:evit'), a. onbewezen; onbeUnpolished (an-pol'iajt), a. ongepolti at; oube- proefd. —ided (-pro-vardid), a. onverzorgd; islet schaafd. voorzien. Unpolite (un-po-lajt'), a. —/y, ad. nnbeleefd. Unprovok ed (un-pro-vooktn, a. ongete:gd; — aces. a. onbeleefdheld. niet uitgedasgd. —lag ( -roglieng), a. Met teeUnpolluted (un-pol-ljoe'tid), a. onboolekt. gend; geene aanieiding gevdnd. Unpopular (un-poejoe-ler), a. niet cony het Unpruned (un-proen0), a. ongesnosid. volt geachikt; niet bij het yolk gotten. —ity Unpublished (um-publimjt) a. onuitgegeven. (-ler'it-tih)., a. volksongunst; nugeachlktheid cony Unpunished (un-puu'lsjt), a. ongeetratt. hat yolk. Unpur ehased (un-puetsieet), a. ongekocht. Unportable (un-poort'ibl), a. ondraagba.tr . —ged (-purdzjd'), —ified(-pjoe'ri.fajd), a. ongezulthapossess ed (uu-pus zest'), a. onbezeten. —ing verd; ongelouterd. —posed ( past), a. onvoerbe(-zes'10.0, a. nietg bezittend. dacht. —sued (-sjocd'), a. onvervolgd. Unpractised (un-prertist), a. onervaren (1.). Unquallf led (un-kwoll-raja), a. ongeaehlkt; Unpralsed lun-preezd'), a. ongeprezen. onbevoegd, (for). —iednase, a. ongeschikthei► ; Unpre reiterated (un-pres'e-dent-id), a. noolt onbevoegrtheld. —y (-faj), v. a. ongeschikt (ongehoord, zonder voorbeeld. (erred (-pre-ford'), bevoegd) waken. a. nlet voorgetrokken; ntet bevorderci. —judieate Unqueen (tzu-kwien'), v. a. onttroonen (eene (-pre-dr) oe'di-ket). —judieed (-pred'zjoe- dist), a. kontnyln). onbevooroordeeld. —meditated (-pre-inedil-tee• Unquelled (an kweld') a. mist onderdrukt, lid), a. on voorbedacht. onbedw onrn. Unprepared (un-pre-peerdn, a. —ly (-pee'rid•), Unqueneis sable (nn-kwenteribl), a. —ably, ad. ad. onvoorbereid. —nen (-pee'rld-), a. onvoor- ontiabluschbaar; onleaohloaar. — ableness, a. bereldhaid, onultbluschbaarheld; onleachbas Meld. —ed Unprepossesised (an-pri-pux-zest'), a. Wet 1-kwentsW) a. ongebluscht; ongeleseht. Tooringenomen. Unquestton able (un-kwast'jun-ibl), a. —ably, Unprepeed (un prest"), a. ongeperat; ntet ge- ad. ontwOfelbaar. —ableness, a. ontwljtelbaardwongen. held. —ed (-jand), a. ongevraagd; ongetwijfeld. Unpresumptucitis (un-pre-zum'tjoe•us), a. —ly, Unquick (un- kw ile), a. islet "mg, — levendla; ad. islet verwaand, beacheiden. levenloon, —ened (-kind), a. onbeztetd. Unpretand rd (un-pre•tend'Id)., a, Rift conga- Unquiet (un•kiverit), a. —ly, ad. ongernat. wend; ntet aangematigd (to). —kg, a. niet aan- onrn —ness, a. ongeruatheld. ovirnatfghtad. matlgend. —.ingness, a. beseheideuheld. Unriseked (un-rekt'), a. ongeklaard. Unpre walling (nn-pre-veerieng), a. machteloos, Unraked (un-reekt'), a. ongeharkt; islet tigersnutteloom. —vented Oman d), a. islet verhoed. Unpriest (un- prittat'), v, a. van he prleaterlUke Unr ke nci aaa. sacked (un-ren'nekt), a. ongeplunderd. weardigheld berooven. —ly, a. onprtesterlAjk. —coned (-aumd), a, ntet vrtigekscht. Unprine ely (un-prIno'llh), a. onvoratelijk. Unmated (un-ree't1d), a. ougesehat; onbelast. —ipled ( -ipid), a. beginselloos. Unravel (un-rev'1), v. a. & n. los-, ultrafe)en; UnprInted (an-print'id), a ongedrukt. ontwarren; opheldaren; (zieb) ontwikkalen. Unprlsoned (un-prls'und), a. vitgelaten. Unreached 11..onberaikt. Ueprivilleged(un-priv i l-ledsld),a.onbevootr•cht. Unread (un-red'), a. ongelesen, onbelezen. —ily,
bath. —kogel, atmosphere. —kringslucht, atmospheric air. —ea, on. w. to vapor, to emit steam; to smoke. —er, ro. smoker. —tg, by. fogey, damp, dampish, hazy; brokenw laded, pursy. —igheid, e.fogginess,dampishness, purstness. Den, bw. then. ate en. —, now and them, sometimes. —, ow. than, but. Dant g, bw. ..nucb, very. extremely. Dank, m. thanks, in —, guilefully, thankfully. — went, to thank, to acknowledge. — zeggen, to give Ito return) thanks. Gode stj —, thank (led. tepen soil en —, in spite of one's teeth, against the grain. — betuiging, —sagging, thanks. giving. —day, day of thanksgiving. —gebed, grace. —lied, song of thanksgiving. —offer, thank-offering. —bear,. be. & hoe. thankful (-1y), grafiful ik u I thank you. —Oaarlseid, v. thankfulness, gratitude. —en, or. w. to thank; to give thanks, to say grace; to refute; to — hebben, east, to be obliged (indOted) to... for. ik dank u (afictizend), no, I thank you. Dans, m. dance. aan den — geraken, to fall a fighting. den — ontspringen, to have a narrow escape. —feest,ball. —Aids, denting room. —kanst, (art of) dancing. —lee, dancing-isseon. —lied. daneing-tane. —Lustig, fond of d an ging. —meester,dancing-master. —part(j, dancing-party, ball. —pas, dancing-step. —echoenen, pumps. —school, dam. dug-reboot. —teekoning,chorography. — zaaf,dancing.room. —en, or. & oat. w. to dance. —er, m. —eree, v. dancer; pertner. Dapper, hr. brave, valiant, bold. —,bw, bravely, boldly; very much, heartily, at a pretty (flee) rate. —.held, v. bravery, valor, boldness. Darn', m. gut. den — vollen, to eat gluttonly. —been, iliac bone. —break, enterocele. -ScUling, Iliac passion, colic, gripes. — kanaal, intestinal canal. —kronkel, twisting in the gut.. —net, caul, kelt. —sop, chyle. —ached, mesentery. —*near, gut-string, cat-gut. —Wits, peritoneum. Dartel, by. & bw. lively, playful (-Iy), wanton (-Iy). —en, on. w. to wanton, to sport, to frisk, to d ally. —had, v. liveliness, playfuinees, sportiveness, wantonness. Das, v. neck-cloth, cravat. —, m. badger. —hond, basset, terrier. —genre!, skin of a badger. Dat, vnw. which. that. —, vw. that. Dateeren, ov. & en. w. to date. Datum, me date. Dauw, m. dew. voor dag en—, zie Dag. —droppel, dew-drop. —worn, ring-worm, tetter. by. dewy. Dnuwtl, v. lazy slut. —star, m.loiterer. —achtig, be. loitering, siovenly, —ary, T. loitering. —ea, on. w. to loiter. Danwen, on. w. to dew. Dever en, on. w. to shake, to quake, —end, hr. violent, loud. —kg, v. shaking, quaking. De, I. the. Deballoteeren, or. w. to black-ball. Debat ten, ce my. debate, discussion. Debet, be. & o. debit; debts; Dr (debtor). — ado, to owe. in het — brengen, to pail (to place) Leto the debit, to carry to the debit. - -s(jele, debit,
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Hoe kan ik bitcoins in Australie kopen


E,xuation (egz-ust'juu), a. verbranding. Exuwlne (egz-joe'vi ee), e. pl. afwerpsels, overblij fsels, roast lidn, Ey,. (ayes), a. nestvalk. Eye (aj'), a. oog; gezieht, aanblik; oplettendheld; gat; maas; steek; knop. with an —to, met het oog op. with the naked —, met hat hloote cog. —, r. a. beziehtigen; naoogen, —ball, oogappel. —bec;,m, blik. —bite, v. a. met den blik bedwingen. —bright, oogentroost. — brow, wenkbrauw. —drop, tenon. —flap, oogklep. —glance, blik. honk. —glass, oogglar; lorgnet. --hole, oogholte. —lash, ooghaartje, crimper. —let, oogje; liebtgat. neetelgat. —lid, ooglid, —offending, oorkwetsend. —pleasing, oogbekoread. —salve, oogralt. —servant, oogendienear. —service, oogendienst. —shot, bilk. —sight. gezieht. --sore, oogzeer; doorn in bet oog. —spotted, met sages geteekend. —string, oogzenuw. —tooth, oogtand. —wales', oogwater. —wink, oogwenk. —witness, ooggetuige. —less, R. blind. —r, s. naooger, toelonker. —a, a. bell. • Eyot. Zie Alt. Eyre (ter), a. rondtrekkend gereehtshof. Eyry (ee rib), a. nest (van roofvogela).

AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


Ordnance (ord'nens), a. grof geschut. piece of —, stub (geschut). master of the —, directeur-generaal der artilierie. —ship, oorlogschip. —yard, a rtilleriepark. Ordonnance lor'dun-nens), s. schikking. Ordure (ord'joer), s. vuiluis, drek. Ore (our), s. erts. Orsaei (o'ri-ed), s. hergnimf., Orfrays (oefeeez), s. goudgalon, Orgol (or'vel), s. wi,;nsteen. Organ (or'gen), a. orgaan, werktuig; orgel. —builder, orgelmaker.—case.orgelkast.—grinder, orgeldraaier. —loft, orgelplaats. —pipe, orgelpij p —.ic, —ical (-gen'ik-), a. bewerktuigd.—ieally (-gen'ikl-), ad. door bewerktuiging. —calness (-gen'ikl-), s. bewerktulgdheid. —tern, a. bewerktuiging. —iet, a. organist. —ization ( - 1 - .WOUR), a. he w erktuneing, inwendig samenstel. —ixe (-aj z), v. a, bewerktuigen; inrichten, ordenen. Orgasm (or'gezm), s. onstuimige beweging, opbrunaing. Orgeat (or'zjet), s. orgeade. Orgies (or'dzjiez),p1. bacehanalien, drinkgelegen, slemppartijen. Orgues (orgy), pl. storratralien; orgelbattegij. Oriebale (or'i-kelk i , s. geel hoper. Orli& (o'ri-e1), s, vertrekje naast de voorzaal. — window, uitspringend venster. Oriency (o'ri-en-sih), s. kieurenpraeht. Orient (o'ri-ent), opgaand; oostelijk; schitterend, prachtig se, oosten. —al (-en'tel), a. oostelijk; oostersch, s. oomter3 ing. (-en'. a. oostersch taaleigen. —alist (•en'teiist), s. kenner der oostersche talon. On flee (or'i-fis), s. opening, mond. —ilamb (- item) s. standaard der nude franache koningen. —gen (-gen), a. wilde martolein. Origin (ar'i dzjin), a. oorsprong, afkomst. Origtua 1 (o-rid'zji-nel), s. origineel, oorepronkelijk stub; oorsprong. —I, a. —lly, ad. —ry ( • ne-rih), a. norepronkelijk. —/ sin,erfzonde.—lity —lness, a. oorspronkeltjkheid; eigeneardigbeid, eahtheid. —te (-neetj, v. a. voortbrengen; v. n. ontstaan. —lion (-nee'sjun), a. entstaan, neraprong, afkomst. Orilion to-rirlup), a. ronde hook. Oriole (o'ri-ool), Fs. goudmeerl. Orion (o-raj'un), a. Orion (eterrebeeld). Orison (or'izun), s. gebed. Orlop (or'ittp), e koebrug. —beams, koebrugsbalker, Ormolu (or-mo-loo'), geenailleerd koper, mo zalek good. Ornament (er'ne•ment), s. sieraed, versiersel. —, v. a. versieren. —al (-ment'el), a. versierend. Ornate (or'neet), a. versierd, getooid. —ly, ad. met sieradeo, sierlijk. —nests, a, veraierdheid. Ornithol ite, or nith'o-lajt), a. versteende vogel. —spiel (ni-thol'ud-zjist), a. vogelkenner. —ogy (ni-thoPud-zjik, s. vogelkunde. O rograpby (o-rog're-fih), s, bergbeschrijeing. Orolog !cal (o-ro-lod'zjiki), a. bergkundig. —y (o-roPud-z3111), s. bergkunde. Orphan (or'fen), a. ouderloos. s. wees. —age, —ism, s. ouderloosheid. —ed (-fend), a. onderloos. Orpiment (or'pl-ment), s. oprement.
23 Betake (be-teer) [betook, betaken], v, a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot. Beteem (be-tiem'), v. a. voortbrengen; verschaffen. Betel (bie't1), s. betel. Bethink (be-think') [bethought], v. a. bedenken. — one's self (of I zich te binnen brengen. Bethlehem-star (bethli-em-staar)., s. sterrebloem. Bethump (be-thump'), v. a. afrossen. Betide (be-tajd') [betid], v. a. wedervaren; v. u. uitvallen; (to) overkomen; (of) worden. Betime (be-tajrni, Betimes (-tajmz"), ad. bij tijde. Betoken (besto'hi), v. a. beduiden, voorapellen. Betony (bet'o-nib), s. betonie. Betoss (be-tos'). v. a. schudden) verontrusten. Betray (be-tree'), v. a. verraden. —er, s. verrader. Betrim (be-trim'). v. a. optcoien. Betroth (be-troth'), v. a. verloven. Betrust (be-trust'), v. a. toebetrouweu. Better (bet'tur), a. & ad. beter, meer. 4 —than a year, langer dan een jeer. so much the —, dee te beter. my — half, mijne wederhelft. a. betere; meerderheid. to get the — of one, he overhand over iemand krijgen. —s, s. meerderen. —, v. a. verbeteren, overtreffen. 4 —most, ad. ellerbest. Bettor (bet'tur), s. wedder. Betty (beetih), a. breekijzer. Between (be-twien'), prp. tusschen. Betwixt (be-twiksti, prp. Zie Between. Bevel (bev'il), a. acheef, schuin. hoekmeter. Beverage (bev'ur-idzj), s. drank. Bevy tbev'ih), a. vlucht, troep; kransje. Bewail (be-weal'), v. a. betreuren. Beware (be-weer'), v. n. (of) zich in acht nemen voor, paesen op. Bewilder (be-wil'dur), v. a. verwarren, verbijsteren. Bewitch (be-wits)'), v. a. betooveren. —ery, —ment, a. betoovering. —ing, a. —ingly, ad. betooverend. Beyond (be-jond'), ad. ginds; prp. boven, over, buiten, boorbij. to go —, bedriegen. Bezel (beeil), a. kas van ten' ring. Diemen fated (baj-en'gjoe-lee-tid ► , —bow, a. tweehoekig. Bias n bares), s. overhelling, neiging; vooroor deel. to put one out of one's —, iemand van zijn ;Auk brengen, v. a. doen overhellen, bevooroordeeld maken. —ad (barest), a. bevooroordeeld. Bib (bib), s. slabbetje. —, v. a. slurpen, drinkeu. aeiou8 (bai-bee'sjus), a. eau den drank verslaafd. —ber, a. drinkebrotr. Bibi e (barb1), s. bijbel. —ical (biblikl), a. bijbel , ch. Bibilograph er (bib-li-og're-fur), a. boekenkenner. —ical (-o-grerikl), a. bibliographisch. —y (-fih), s. boekenkunde. a. boekhandelaar. Bibliopolist s. boekverzameBibilotheca ling. —1, a. tot eene boekerij behoorend. —ry ke-rih), 8. bibliothekarts. Biblist (bib'list), a. btlbelkenner. Bibulous (bib'joe-ius),Leponeachttg,opalorpend

251 Renavigete (ri - nev'i-geet), v. a. weder bevaren. Rencounter (ren-kaaun'tur), a. ontmoeting; boteing; schermutaeling, gevecht. —, v. a. aanta8ten; v. n. op elkander atooten; handgemeen worden. Rend (rend) [rent], v. a. scheuren verecheuren. Render iren'dur), a. verseheurder; overgaaf; bekentenis. v. a. terug-, overgeven; over-, opieveren; overzetten (vertalcn); vooratellen ; geven, maken, doen. —able, a. over te leveren; over te geven. Rendez-vous (ren.de-voe;, a. samenkomat; verzernelplaats. —, v. a. verzamelen; v. n. Wren 

Is Bitcoin zoals gokken


231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Wat gebeurt er als je dubbel Bitcoin besteden


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Kun je geld kopen Bitcoin verliezen


The online public forum cafébabel was founded in 2001 by Erasmus exchange programme students, and is headquartered in Paris. The forum is based on the principle of participatory journalism. As of July 2013 it had over 16,000 registered members, up to 1,500 contributors and 20 ‘local offices’ writing about Europe as they see it. Volunteer contributors simultaneously translate the forum into six languages – French, English, German, Italian, Spanish and Polish.[36]
Motto (saot'to), a. motto zinspreuk. Mortar (moeter), a. mortier,vijzel, mortel. Mortgage (mor'gidzj) - a, kusting, verbena, by- Mould (troold'), a. slot; aseale; schimmel; vorm, mei. —candle, gegoten kaara. —warp, mot. —, potheek. —, v. a. verpanden. —e (-ge-dzjie'), P. v. a. vormen, mallen; v. n. bescbimmelen. —able, hypotheelc-honder. —r, s, verpanden, hypotheeka. vormbaar. —er, a. vormer. —er, v. a. vernemer. Mortis' crone mur-tif'ur-us), a. docdelijk, Ter- brokkelen; v. n. vermolmen. —iness (-i-ness), a. beschirnmeldheid. —ing, a. hollijst; —plane, derfelijk. —ication (mor-tif-i-kee'sjun), a. dooding; greet-, kraalschaaf. —y, a. beschimmeid. kastijd7ing; grievende vernedering; hartzeer ; Moult/let (mool'i-net), a. kruisrad, draadkruis; koudvuar. draaiboom. Moral led (morli-faj-id), a. vernederd, gekweld. Moult (moolt"(. a. ruling. —, v. ruien; verharen. —ier, a. die zijne hartstochten doodt. —y (-faj), v. a. dooden, kastijden; vernederen; krenken; —er, a. ruiende vogel; verharend dier. v. n. murw worden; het koud vane krijgen; Mounch (aaaauntaj), v. a. opachranaen. Mound (maaund), a. wal, dam, verschansing zich kaatijden. v. a. verschansen. Mortise (moritis), P. gat, tapgat. v. a. een Mount (maaunt), a. berg; aardhoogte. —, v. a. gat (tapgat) Timken in; invcegen. bestljgen, heklimmen; versieren, monteeren. Niort main (mort'nueen), a. doode hand, once, — guard, op wacht trekken. she —8 twenty guns, vleemdbear goed. —pry (-pee), a. achteratallige bet achip voert twintig stukten. —, v. u. stij• betaling. gen, klimmen. —able, a. beklimbaar. Mortress (mor'tress), a. ragout, hoendersoep; Mountain (maaun'tin), a. berg. —antelope, blippoespas. Mortuary (mor'tjoe-e-rih), a. lijk-, begrafenis-, grit. —ash, sorbenboom. —arena, bergaujelier. —balm, bergmunt. —bleu, bergblauw. —cat , —, a. begraafplaata; legaat tot een vroom duel. loath, lynx. —cock, berghaan. —cork, (soort van) Mosaic (mo-zee'lk). a. mozaIk, ingelegd werk. ateeovlaa. —crystal, bergkristal. —damson, (snort —, —al, a. ingelegd; mozaIsch. van) bitterhouthoom. —egg, ber g ei. —green, bergMoslem (rnoe'lim), a. muzelmansch. s. Muroen. —heath, steenbreker. —laser-wort, bergzelrnan. omijn. —linnet, gemeene vlaavink. —man, bergMosque (monk), a. naoskee. man. —paper, zie —cork. —pass, bergpas. —pine, Mosquito linus-ki'co), a. mushiet. bergden. —rose, alpenroos.—soap, bergzeep.—wine, Moss (MOSS', a. mos; rnneras. —campion, madebereost. —eer (-ier'), a. bergbewoner; atruikMalaga-wijn. —clad, —grown, tiefje, rearia-roosje. roover. —owl, a. bergaehtig. —ousness, a. bergach—rose, mosroos. —rush, moerasbies. —trooper, struikroover. —, v. a. met mos bedekken. —rims tigheid. (-si-news), a. bemoatheid. —y, a. bemost, moasig. Mountebank (maaun'te-benk), a. kwakzalver. —, v. a. bedotten, bedriegen. Moat (moos0, a. incest. —, ad. meest, men —, s. meest, hoogst. at the —, ten hoogate. for the Mount eel (maaant'id), a. opgeateicen;uitgerust, gewapend; gemonteerd. —er, a. bestijger; bank— part, meesteneleels. —ly, ad. meestat, meetheader. —ing, a. opstijging; uitrusting; het montendeels. teeren. (mos'tilr), a. Zie Mauistlek. Mourn (mcorn'), v. a. betreuran; v. n. treuren; Mote ;moot), a. stofje, ziertje; splinter, •ouwen, (at. for. orer).—er,a. treurder; rouwdraMotet (mo-tet"), a. motet. Moth (moth'), s. mot. —eaten, door de mot ver- ger. —ful, a. —fully, ad. treurig, droevip,—jaitness, teerd. mottenkruid. —wort, St. Jan's a. treurigheid. Mourning (moorn'ieng), a. rouw; rouwgewaad. kruid, irfjvoet. —y, a. vol motten. Mother (muth'ur), a. moeder; moat-, drab. — of first (deep) —, aware rouw. second (half)—, Hate pearl, parelmeer. — of thyme, wilds thym. —. A. rouw. —crape,rouwftoers. —suit, rouwkleeding. (inaua'),eamnis.—bat,vledermuis.—buttock, mot—church, Mouse moeder-, moederlijk; natuurlijk. staartatuk. —color, grijs. —dung, muizenkeutela. derkerk. —clove, motrnagcl. —country, moederland. —fits, mosderkwaal. —in-law, schoon-, —ear, muizenoor. —hawk,muievalk. --hole, muizengat. —hint, muizenjacht; -anger. —tail, mutstiefmoeder. —lobster, groete zeekreeft. —spot, woedervlek. —tongue, meedertaal. —wit, gezond , zenetaart. —trap, muizenval. Mouse (maux'). v. a. verseheuren; sjorren; v. n. verstand. moederkruid. muizen; slim zijn. — r, P. meizenvanger, muiskat. Mother (muth'ur), v. a. ala kind aantemen ; v. n. bezinken; stremmen. —hood, a. murder- Mouth (mouth'), a, mond, mail, bek; monding; Ingang. by word of —, monaeling.from bast/to—, sehap. —less, A. rnoederloos. —like, a. moedervan de hand in de tan d. de=an in the —, neerslachaehtig. —ly, a, & ad. moederlijk. —y, a. drabbig, tig. to make — s, een scheef geziebt trekken. —extroebel. penses, host-, tafelgeld. —friend, sabijnvriend, Mothy (moth'ih), a. vol motten. -vriendin. —ful, a. mondvol. —glue, mondlijm. Motion (mo'sjun), a. beweging; voorstel, matte. —honor, geveinsd eerbetonn. —made, a. met den —, v. a. & n. voorstellen. —er, s. voorsteller mond. —picae, mondotuk; woordvoerder. —less, a. onbewrgelijk. Mouth (n2auth'), v. a. met den mond vatten; haubewegend. —e, a. hew ea. A. Moth' a Inao'tiv), 1 wen; uitbulken; uitacheltlen; v. n. schreauwen, reden. —ity (-tiv"it-tih), s. beweegkracht. laid mpreken. —ed,a.veqz can' mond voorzien. —er, Moti.ay (mot'lib), a. boat, gesehakeerd. s. eehreeuwer. Motor (nto'tur), a, beweger; drgfrad. —y, a. beMot' able (moerlb1), A. beweegbaar. —ableness, wegend, aandrijvand,
Dunbald. Dwere, be. transversal; peevish, cross. bw. Dupllenat, o. duplicate. athwart, across; peevishly, crossly. —bath, cross. Daspillek, o. rebutt.r, surrejoinder. beam, gibbet,tranaom,sleeper. —boom, cross-bar. Dar on, on. w. to last, te continue, to keep, to —boomen, to cross, to thwart. —door, straight remain. across, — through. —draae, crossing-thread. Dart al, m. & v. dare-all. —niet, m. dt v. dare- dr(rfster. —dr(yeer, thwarter, caviller, contra-

u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.


his equal, he is not equalled. —, o. right. — Ashbee, to be (in the) right. — genes, in Aet — stollen, to agree with, to decide in favor of. — met - rergeiden, to render like Co: like. — zoekt birds of a feather flock ogcher.—.bw. equally. even; without odds.vw. se . GelUkeordig, be. similar, homogeneous. — Acid, v. sim ilarity, homogeneousness. (iel ljlabernt a. isoceles. Gel Ukbln terkenend, be. synonymous. GelkikblIjcen, on, w. to keep pace —, to keep t with up (with). sick selves —, to be consisten one 's self. bw. eqrally. (lolUken, on w. to be Ito took) like, to renew.ble, to have a likeness (resemblance) to. Getlikenle, v. likeness, renosmblance; picture, image. comparison; simile, parable, allegory. teleitiksrvelJet, few. :in the same way (manner). ' likewise. Gotejkkeid, v. ;similarity, likeness, equality, sameneem ; evenness, smoothness, leveleees , sttaightnes, Gel kik hoe klg;bv. equiangular. — e figour, isogon. GelijkJarig, by. of the same age, equal in .sera. Golkikluldend, by. of tke same tenor, true; 11111F0130118; homonymous. --held, N. conformity, similarity ; unisonance. GeRiktrack en, ov. w. to equalize; to make even, to level. —er, En. eptator,evener, leveler. GelUknzatig, be. & bw. proportionable (-hly), proporticnal (-1y), proportioned, regular (.4). —held, a. propo , tionality, regularity. Gel Uktoorcillig, by. de bw.equanInlous(-4).— held, v. equanimity. Geltilananalg. by. homonymous. —held, v. homonymy. G.1111kelachtig, by. homogenial, homogeneous; of the same gender. —held, v. homogeneousness; sameneee of gender. Gotta keoerf Ig, by. similar, homogeneous.-- held, v. tomilarity, bomogeneouoness. (i elUkstntan, on. w. to be equal (met, to). Gelkikalaltig, be. of the same form. —held, v. semeneee of form. GrifjlAstandlg, be. of the same rank. —held, v. sameness of rank. GelUkatall eta, or. w. to equalize. —lag, v. equalization. synbv. & bw. simultaneous chronous, contemporary (-ily), at the same time. —Acid, v. simultaneoueness, synchronism, contemperarinees. Gelkilveloters, bw. level with the ground. (atillIjkvornaig, be. & bee. conformable I-biy), equable (-bly). —held, v. conformity, equableness. G el eliceteanrdlg, be. equivalent. —heid,v.equivalance. GelUkzetten, ov. w, to set (ter uurwerk). G ellikzkirlig, by. equilateral. —heid, y. equilatereineea. Geltikzinnig, be. eynonymous. —keid, v. synonymy. think, o. licking.
Dore, en. thirst (rear, after, for, of). — hebben, Doorwroeten,or.w. to root up; to rummage. to be thirsty. —ex, on. w. to thirst, to be thirst Doorzanlen, or. w, to intermix, to intersperse. (nate, after, for). —ig, by. thirsty; dry; —maker', Donrzagen, ov. w. to saw through. to excite thirst. —tr gheid, v. thirstineas; drought.; Doorzeakken, on. w. to sink through, to give Doe, nt. dress, attire, array. —sen, or. w. to dress, way. to Attire, to array. Doomslien, or. w. to break by sailing against; to sail over, to pass sailing; on. w. to sail Dot, v. twirled knot, clew. Donarilire, v. dowager. through. Doorzenden, ov.w. to send through, to forward. Dotaw, tn. push, jog. —en, ov. w. to push, to press; 'in inn-Inds hand —, to slip into a. o. 'a Doorzetten, or. w. to push, to go through with, to set to; on. w. to persevere, to make haste. iitso. dozen. —deafer, bad poet, poetaster. Doorztebt, o. perspective, prospect, perusal, Dhoazinl. —schilder, dauber, sign-post-painter. --worker, inspection; penetration, sagacity, kunde, dioptries. —fg, hr. transparent. diaphanous. —igheid, sorry workman, bungler. Dra, bw. soon. a. transparency, diaphaneity. Doorzlen, ov. w. to see to.rourh, to look over; Dread, no. thread; fibre, filament; grain (van hout); wiry edge (van een me.); o. wire, can ;mite. to peruse, to review; to renetrato, to see (to go) ken, to thread a needle. roor den —tamest, to to the bottom of. appear; to say one's mind. —bus, —User, drawDoorzliften, ov. w. to sift. ing-plate. —koget, cross-bar-shot. —navel, wire. Doorzltjg en, or. w. to strain, to filter, to perpin, wire task. —pep, poppet. —tang, wire-pliers. colate. —kg, Y. straining, filtration, percolation. —trekken (het) wire-drawing. —trekker, wire•oorzitten, or. w. to wear out (to gall, to wound) with sitting. drawer. —trekkerif, wire-drawing; wire-drawingmill. —vorinig, filiform. —work, wire-work, flitDoorzoak en, or. w. to search, to examine, to scrutinize, to explore. —ing, v. search, examina- grane. filigree. Draag boar, bv. portable. —bear, bier, litter, tion, perquisition. hand-barrow. —bat, hod; trough. —balk, beam; Doorgondligen, on. w. to to on sinning. girder. —band, belt; strap, suspender; tines. Doorzulten, or. w. to pickle; to intersperse. —boom, —stok, shaft, carrying-pole; litter-bar. Doorzweet an, or. w. to sweat through, to per--korf, hamper, dosser. —loon, porterage. —rim, spire. Doorzwelg en, or. w. to swallow; to spend, to ridge-band; main-braces. —stoel, sedan-chair, palanquin. —lijk, by. & bw. supportable ; tolerable waste. —er, m. spendthrift. —lijkheid, v. 'supportableness, tolerableDoorzwerven, ov. & on. w. to range (to ramble) ness. through. Dread, in. turn, twirl, twist; turning, winding; Doom, v. box, case. tlikken —, grape shot. wat slap, blow, box on the ear. —bank, lathe, turnstint — tube., to be a knowing (skilful) man. bench. —bat, swivel-gun. —beatel, gouge. —boom, Doov e, m. & v. deaf person. —en, ov. w. to put out, to extinguish; on. w. to go out. —Weld. turn-stile,turn pike.—bord,rafAing-board.—brasg, turn-bridge, owing-bridge. —hot*. —stroont,whifiv. deafness. —tug, v, extinguishment. pool. —loot, turning-cage, —kunst, art of turnnooks') febriek, v. box-manufactory, —Cream, ing, turnery. —orget. barrel organ —rerp, stay, v. box-shop. —maker, m. box maker. tie. —eekilf, potter's wheel, fusee; turn-rail, Dop, m. shell, hunk, cover. pas tat den — homes, switch. —spil, spindle, capstan. —spit, jack. to he very e young. —ersot, green-pea. —jet, o. my. spectacles, barnacles; — =don, to spend, to diesi- —scot, turning-staff. —tot, whirl Tgig. —seer*, turner's wares. —wind, whirlwind. —en, os. & pate.—Jesspet.juggle.—pen .ov. w. to shell, to husk; on. w. to turn, to twirl, to twist, to 'Mid; to to measure, to gage (een sekip). —per, m. gager. lathe; to roll; to coil; to change, to prevaricate; Dor, be. dry, withered, barren, arid; tedious. to shuffle, to use tricks; imand can red vow' do Doren, m.Zie Doom. popes —, to east a mist before a. o.'s eyes; sink. Dorbeid, v. dryness, witheredness, barrenness, jos —, to play the truant. —es. m. turner; shutaridity. fier, trimmer. —er(, v. turning; shuffling. —ing, Don.. o. village. —sgeistelOke,—eeerato,—spredikant,lcountry-parson,village parson. —sherbet's', v. turn, twist; giddiness, swimming. country-inn. —shale, village-hall, common-hall. Drank, m. dragon; kite; vixen. den— states met, to banter, to deride. sougd, country-youth. —sicermi e, country-fair. —asekeoi,country.school.—seekont,country judge, Drool titer, r.Zie Droller. Drab, v. dregs, lees, grounds, sediment. —big, by, bead-borough. —aehtig, by. rural, rustic. thick, dreggish, dreggy. —bigheid, v. dregginess. Dorpel, m. threshold. Dorp snag, m. & v. —er, m. villager. —set, Dracbt, v. load, burden; garb, dress, costume, fashion; pregnancy; litter; suppuration, matter; by. rural, rustic. gumminess (van de °open). —.loge's, sound thrashDoer en, on. w. to wither, to fade. —ing, T. ing, — drubbing. —ig, by. with young; suppufading. hesd, v. pregnancy. rating, running. —ig Dornela, m. thrashing. —.Amur, thrashing-barn. Dradig, hr. thready; stringy, fibrous, filamentous. —ttici, thrashing-time. —vlegel, flail. —vloer, thrashing floor. —ea, or. w. to thrash; tool —, —held, v. stringiness, tougnness. to pluck a crow. —er, ni. —ster, v. thrasher. Drat, m. trot, trotting-pace; ground-malt, hoeswash, swill. op ten —le loopen, to run fast. ' —sing, v. Unlashing.
KER. —K1E. !line. —nil, church-owl, screech-owl; bigot. —ender, father of the church. —vergadering, synod, council. —teifiling., consecration (dedication) of a' church. —edienaar, church-man; sexton. —chanter, consistory, vestry, sacristy. —elms, fabric. —ekneckt, beadle. —eraad, consistory, vestryboard. —ereeht, church law, canon-law; privilege of the church. —enorde, ritual. —enardening, ecclesiastical lawn; holy orders, -• regulations. —egesind, attached to the church, devout. —egezinitheid, devotion. —aehtig, by. fond of going to church. —elijk, by. ecclesiastic (-al), church-. rn. ecclesiastic. —en, on. w. to go to church. Eterker, m. dungeon, prison. --hot, dungeon. —Nos, gaol-fee, carcelage. —meester, jailer. —steal, imprisonment. —en, ov. w. to imprison; to confine. —ing, v. imprisonment, confinement. Kerkeets, b7. zealous in going to church, devout. Kerns en, on. w. to lament, to groan. —er, iamenter. —lag, v. lamentation. Kerman, v. lair; fairing. — houden, to go to the fair. —ganger, —gangster, one that goes to the fair. —past, person that comes to the fair. —gift, fairing. —hock, gingerbread bought at a fair. —motive, partner at a fair. —pop, doll bought at a fair ; girl (woman) very much ornameated. —pret, —terntaak, —vreugde, plearn.res of fairtime, recreations of a fair, —ape!, 'show at a fair. —t(td, fair time. Kern, v. kernel, stone; seed; grain ; pith, heart, marrow, quintessence. —hole, core of en apple. —spreuk, pithy eentence. —achtig, by. kernelly; pithy. —achtegkeid, v. pithiness. Kers, v. cherry; cresses. —rood, cheery. —ebtoesect, cherry-blossom. —clown, cherry-tree. —ebonmenhowl, cherry-tree-wood. —eboomgaard. cherry-orchard. —spit, —esteen, cherry-stone. —entaart„ cherry-pie. —entijd, cherry-season. —eaveijn, cherry-wine. Kegs el, o. parish. Kerst avond, m. Christmas-eve. —dag, Christmas-day. —dieht, Cheistman-poem. —feat, ChrletDIU (-holy days). —gesehenk, Christmas-box. —kook, cake baked at Christmas. —lied, —rang. Christmas-carol. Christmas. —rackt, Christmas-night. —tijd, Christman. —week Christmasweek. Kersversch, bete newly, directly, straight along. 'terve], v. chervil. —eoep, chervil-soup. Kery en, on. w. to carve, to notch. to slash, to tally, to mince, to chop; on. w. to burst, to split, to fray. —er, m. carver, cutter. —ing, v. carving, notching, slashing, tallying; bursting. Keep, v. boor-timber. caldron. boiler, copper. —Roster, Ketei, m. —tapper, tinker. —from, kettle-drum. Ketelen,ov. w. Zie [(Mete.. Keten, v. chain. --pomp, chain-pomp. —lehakel, link. —en, ov. w. to chain. Ketsen, on. w. to mins fire, to flesh in the pan; to miscarry. pereecutor of Keller, rit, heretic. —beta, heretics. —moister, inquisitor. —dom, o. heretics. —if, v. heresy. —*a, by. heretical.
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.

Is Gemini uitwisseling verslag aan IRS


243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.  

cryptogeld o que e


brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-
Narcissus (ner sis sue), a. narc s. Narcotic (ner-kot'ik), a. Zit s. bedweimend, bleep verwekkend (middel). Nerd (naerd), a. nardua, nardusolie. Ware (leer), a. neasgat. Narra hie (neertb1), a. vertelbaar. —te (-reetl, v. a. verbalen. —nos (-ree'ajug), a. verhaal. —tire (-re-tiv), a. verhalend; e.verhael.—tively ad. verhalenderwUze. —tor (ree'tur), a. verhaler. Narrow (ner'ro), a. engte. —, a. nauw, eng; mai; nauwkeurig; bekrompen, karig. to make a — escape, te nauwernood ontkomen. to bring into a — compass, beknoptelijk namenvatten. —breasted,met eene smalls borst• gierig.—hearted, kleinmoedig. —heeled, met smalls hielen of hoeveu. —minded, kleingeestig. —spirited, van een bekrompen veratand. —, v. a. vernauwen, he. perken; v. n. nauw (amal) worden; inkrimpen. —iv, ad. nauwelijits; te nauwernood; van nabij. —nets, a. nauwhetd; smalheid; kleingeeatigheid; karigheid. Narwhal ( near' wel), s. narwal; zeeeenhoorn. Nasal (nee'zel), a. van den nrus; a. snuifmiddel; newsletter; neusklank. Nascen cy (neesin•sih), a. ontataan. —t, a. ontutaand, wordend, wassend. Newt Ivens (naaleti-ness', a. vuilbeid,morsigheid, —ily, ad. — y, a. null, moraig. Natal (nee'tel), a. van de geboorte; geboorte-. —Mat —itious (nete-Berns), a. van den geboortedag. Nat a nt (neelent), a. drijvend. —tion(ne tee'e)un). a. (het) zwemmen. —tory (-te-tur-rih), a. tot zwemr,aen dienend. (lintels (n , taj), 3. kruia (van een rund); knoopegatechroef. 7
113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to

-root, holalook. —vinegar, rozenazljn. —water, BOTP,Oicre (ro-mess'), a. roman; romance; var.. diratki.)• --, v. r. ,erdienten; opaulden. —r, rozenwater. —window, rond venster. --wood, TOzeuhout. a. romsnachrilver; opsnijder. nom,trr ism (ro'iren•lzm),s.roorna,h-katholleke Roe eate (ro'zji.et), a. vol rozan; roosklenrig. —et (-zit), rozerood. —We (-net'). e. rozet. godadienat. —LI, a. comnachgezinde.—ize (-air.), 'Pitman (roz'in); s. hare. —, v. a 'met bars ba• v. rt, roomsch make, atrijken. —est (ro'zt-nets), a. rozerooda Mem, 1Ronts ► ttatt (rn-iren'tikl, —al, a. —ally, ad. en- —y, a. hnraachtig. mantisch, vrrdient; romanesk; onwaarschijolijk. ir,,dre7en. —iani(-ti-k.i .zol,,a.romantiek. —nem, Ito51and (roe'lend), R. haide, drasland. rt Ross Iroas), a. buitenbast (van boomer). s, (her; romautt,he, Hostel (roalil,, a. snaveitje. 11. 0',Tlittj;, a. roornach. Romp -1 -,mp'), s, wide meld; wild anal. —, v. n. Roster rroetur), a. rooster. ish, a, dnrtel, uitgelaten. Rostra-Id (ros'trel), a. annvelaehtig. —ate (-trot), mtoeien, molten. oran.ito',, a. rondeAu, rondgezang. —ated (-tree tie), a. gesnaveld. —um, s. swivel; a, rondeet. spreekgestoelte; kromme achaar; ptjp (van een' 5ton),, o (run'jun), a, ',Mae, vette arouw; arhorf- helm). rig. die, Rosy (ro'zih), a. rozerood; blozend. —bosomed, tillom! (road"), s, recite (vlaktemaat); under rozen verborgen. —colored, r000kteurig. kruisdagen, —loft, kruisgaterij. —crowned, met cozen bekranst. —red, rozerood. dak; verhernelte. —work, .!ak- Rot (rot), R. verrotting; seburft (bij achapen). V. R. & n. ((tom) rotten; verrottsta. week. —, v. a. vao rear dak voorzien. —fag, S. dakwerk. —fete, a. zonder dak; zonder hula- Roth ry (ro'te-rih), R. ronddrartiend, -wentevemting, —let (-lit), a d ► kje. —y, a. met een lend. —te (-tet), a. radvormig. —tion (-tee'sjun), a. ronddrnaiing; afwisseling. —tory, a. rooddraaiend, -wentelend. (roerl, a. kauw, kraal; bedrieger; kasteel (In '0 schaakspol). --, v. a. & n. verschalken, Rote (root), a. gebruik, slag, sleur. by —, door oefening; van button. —ery, a. kauwcvl rent. !room'), s. Ways, rulmte; kamer; gele- Rotten (rot'tn), a. verrot. —neat, a. verrotheid. genneid, reiten. intro a. ruimte. —y, Rotund fra-tund'). a. rond. —ity, a. rondheid, —a, a. rotunde. ronel getrouw, a, raft,,. Roost (run t'), a. roest, rek, —, v. n. roesten Rouge (roezj), a. erode verf; blanketed. —, v. a. & n. (Men) blankettru. (van vortels, --er, a. ;lean; nutshell. R n,ot wortel; ooTaprong; eers'A oorzank; Rough (rut') a. ad. ruw, oneffen; wrarg; borsch, hard. —cost, tt, ruwe ischets; vtam'v'oord. to take —, wortel sehieten. —bound, pleistertogeworteld„•,ortelblad..--pednne/e,bloem- kalli; v. a. in 't ruw ontverpen; row aanstrijv. a. doen wortelen; lien. —draw [im], schetsen. —hew, raw behouwee) nit den worte). wen. —heron, raw; onbehouwen; vluchttg ontworproote ❑ ; (out up) ontworta:ett; uireiroolen; op- ► en. —murie,ketelmuziek.—rider,paard.enafrichwroeten; uit,oe)ert. • -, v. n. wartelen, wortel srhieten (in); wroeten. —eel, a. —rely, ad. inge- ter. —shad, sckerp bealagen. —work, ten TUWate tt,eht, uttroeier. bewerken. —en (rut's), v. a. & n. row maken —let worteld. (warden). —ness, ruwbeld; oneffenheld; nrang(-lit), a. wortelvezel. —p, a. vol worlds. held; bnrsehheid, haraheid; onctuimigheid. Roue coop', a. touw, hoard) gals; riot, reep; want. -8, pl, ingew Roden (van vogels). —hand, ROUTBC. (canons), a. perontok, -boom. raband. —barrel, —roll, trommel. —bears., —mats, Round (rataun'd)„ a. rondte ctrkel, bring; ronde; vo,.t ,,,attea can cod bona, —dancer, koorddan• Itranaje; voile laag. —, a. road, vol; rondborstig. err. —104,1er, touw)adder. —maker, touwslager. —hand, nt,aand schrift. —head, rondkop,ppritein. —ripe, CO vane de rstlg. —top. huofd. —trick, —house. wachthuis; hut. —top, mastkorr. —, v. sehip-kenal reek —walk, —yard, lijnbaan. —weed, a. rond maken, afronden; omringen; rondloopen. ah'Aerw:ude. —yore, t-abeigarm. --, v. n. dra- —, ad. Sz prp. in 't rend; random. —about, a. wijdlooptg; onoprecht; way, omweg; a. ..• e. lijmerigheid. —y, a . weg; draaimaehine, schuitje; spencer, jakjead. rondoto. —ci (•il), —elay (-de-lee), a. rondeel; kleveri,r, reismantel. rondedans; rnndgezang. —ids, a. rondachtig. Rogoetaure (rob-e-loor"). —let (-lit;, s. kleine brine;, —/y, ad. rood; onIlloriferoott (co rtrue-us), a. dauwend. bewimpeid, ronduit. —nese. a. rondheid; roodInt ► ika ceons (ro-zee'slus), a. roosachtig. —ry borstigbetd.. (ro'ze•rili), 8, rozenhed; rozenbrans. throat' (toom'1. R. roan. —hay, —laurel, oleander. Rouge (rain"), s. opwekking. —, v. R. wakker (soort van) kever. —bush, maken (from); cPjagen; opwekken, nanaporen (to); rozeknop. v. n. ontwaken; opspring,,n; n',oed scheppen. —r, rozemte,i), —eanrrion, nigelle, holder. —chafer, gondkever. —e , ecked, met blozende wangen. a. opwekker; aanspoorder. —chestnut, kastanjeroos. —colored, rooskleurig. Rout. (taut), a. oploop, samenscholing; getier; gezellige krirg; nederlaeg. —, v. a. in verwar—diamond, rozet (ede)steen). poll, hondsrozen- ring brengen; op de vlucht slam); v, n. same, r , pors. --por/ie,rozentook.—knot,turkscheknoop. seholen; woelen, anorken. to,,n!ak. —lipped, met rozeroodelippen. roosumatrw, angry (-me-rife), S. rune• Route (root), a. weg; rely; righting. ---noble, rozelowter. —quartz, melkkwartm. Hontirte (roe-ties'), A. gewoonte, slag.
Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Is Steemit gebouwd op ethereum


451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt

Wat zal Bitcoin de moeite waard zijn in 2020


Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​
MAI, —MAN. ad. boos-, k waadaardtg, valseh. —er a. valschaard, benij der. Malkin (maPkin), a. ovendweil; vogelverschrikker; moroebel. Mall (maol), a. houten homer; kolfstok. v. a. inslaan, inheien. Mall (mel), a. kolfsp11; maliebaan. Mallard (rnel'Itird), a. waard (mannetje der wilde eend). Mallen blc a.arneed-„rehbaar.—belity a. smeed-, rekbaarheid. (•bil'it-tih), —te (-eet), v a. timed en, haneren. —lion (-ee'sjura), a. soneding, hamering. Mallet (mel'lit), a. houten homer. Mallow Imel'io), e. maluw, kaasjeskruid. (maam'zih), e. melvezij• Malt (maolt'), a, mout. —drink, bier. —dust, moutstof. —floor, ruouterij, mouteest. —horse, In onwerspaard; sul, domoor. —house. mouterij. —kiln, mouttest. —man, mouter. moutmol en. --worm, drinkebroer. —, v. a. nout en; v, n. moist wooden. —ster (-stur), tr. mouter. Maltreat (mel-trial'), v. a. mishandelen. —meat, a. mishandeling. Malviscemin (mel-vee'sjns), a. maluwachtig. Maiversation (rnel-vu,see'sjun), s. kwade praktijk, amhtsontrouw. Mameluke (mem'e-ljoek), s. Mammeluk. 8. mama, moeder. Mamma (tnem Mamas al (mem'mell i s.zoogdier.--olia (-mee'li-e), pl. zoogdieren. —alian (-mee'li-en), a. van he zoogdieren. —art, a. van de borsten. —et (-mit), a. pop, speel pop. --ifer (-mi-fur), s. zoogdier. —Worm, a. tepelvorrnig. --Wary a. van de horst. of tepds, tepelvormig. Mammon (mem'mun), mammon, rijktlom. Man (men'), s. mensch; man; knecht; boer; damschijf, plon. — at arms, gewapende. — of war, oorlogschip• no —, niemand. —eater, menscheneter. —hater, menschenhater. klimgat, schoonma,kgat. —killer, —queller, doodslager. —midwife, ^roedmeester. —pleaser, vleier. --rope, valreep. —servant, knecht. —slaughter, manslag. —slayer, doodalager. —stealer, menschendief. v. a. bemannen, uitrusten; vereterken. Manacle (men'ikI), v. a. bogies. —s (-iklz), pl. handboeien. Manage (nen'idij), a. beheer, beatier, rijkunst; rijschool. —, v, a. beheeren, besturen; behandelen; inrichten, ontzien; africhten; v. n. het beheer voeren, het opzicht hebben. —able, a. handelbaar. —ableness, a. handelbaarheid. —meat, s. beheer. beatuur, upzicht, behandeling, overleg, verschooning. —r, 8. bestuurder. Monchet (ments • 'it), a. klein wittebrood. Manchlueel (mentsj-in-niel'),s. mancinel- boom. M : ipa to Imen'si-peet), v. a. tut sloe! naaken. rian (-pee'sjun), s. slay eruij. rA at uckple (men'sipl), a. sOjsverzorger. Mandamus (men-dee'inus), a. bevelachrift. Mandarin (men- de-rien'), s.Mandarijn. s. lasthebber; Mandat airy (nten'de-te-filt), mandataris. —e (-det), a. bevel, mandaat. —cap, a. voorset rijv end, lastg, vend. Nlandib le (men'dibll, a. kinnebak. --• slur (-dib"joe-ler), a. van het kakebeen.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

Kan Blockchain werken zonder mijnwerkers


20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.

cryptogeld widget windows 7


In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.

—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold

23 Betake (be-teer) [betook, betaken], v, a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot. Beteem (be-tiem'), v. a. voortbrengen; verschaffen. Betel (bie't1), s. betel. Bethink (be-think') [bethought], v. a. bedenken. — one's self (of I zich te binnen brengen. Bethlehem-star (bethli-em-staar)., s. sterrebloem. Bethump (be-thump'), v. a. afrossen. Betide (be-tajd') [betid], v. a. wedervaren; v. u. uitvallen; (to) overkomen; (of) worden. Betime (be-tajrni, Betimes (-tajmz"), ad. bij tijde. Betoken (besto'hi), v. a. beduiden, voorapellen. Betony (bet'o-nib), s. betonie. Betoss (be-tos'). v. a. schudden) verontrusten. Betray (be-tree'), v. a. verraden. —er, s. verrader. Betrim (be-trim'). v. a. optcoien. Betroth (be-troth'), v. a. verloven. Betrust (be-trust'), v. a. toebetrouweu. Better (bet'tur), a. & ad. beter, meer. 4 —than a year, langer dan een jeer. so much the —, dee te beter. my — half, mijne wederhelft. a. betere; meerderheid. to get the — of one, he overhand over iemand krijgen. —s, s. meerderen. —, v. a. verbeteren, overtreffen. 4 —most, ad. ellerbest. Bettor (bet'tur), s. wedder. Betty (beetih), a. breekijzer. Between (be-twien'), prp. tusschen. Betwixt (be-twiksti, prp. Zie Between. Bevel (bev'il), a. acheef, schuin. hoekmeter. Beverage (bev'ur-idzj), s. drank. Bevy tbev'ih), a. vlucht, troep; kransje. Bewail (be-weal'), v. a. betreuren. Beware (be-weer'), v. n. (of) zich in acht nemen voor, paesen op. Bewilder (be-wil'dur), v. a. verwarren, verbijsteren. Bewitch (be-wits)'), v. a. betooveren. —ery, —ment, a. betoovering. —ing, a. —ingly, ad. betooverend. Beyond (be-jond'), ad. ginds; prp. boven, over, buiten, boorbij. to go —, bedriegen. Bezel (beeil), a. kas van ten' ring. Diemen fated (baj-en'gjoe-lee-tid ► , —bow, a. tweehoekig. Bias n bares), s. overhelling, neiging; vooroor deel. to put one out of one's —, iemand van zijn ;Auk brengen, v. a. doen overhellen, bevooroordeeld maken. —ad (barest), a. bevooroordeeld. Bib (bib), s. slabbetje. —, v. a. slurpen, drinkeu. aeiou8 (bai-bee'sjus), a. eau den drank verslaafd. —ber, a. drinkebrotr. Bibi e (barb1), s. bijbel. —ical (biblikl), a. bijbel , ch. Bibilograph er (bib-li-og're-fur), a. boekenkenner. —ical (-o-grerikl), a. bibliographisch. —y (-fih), s. boekenkunde. a. boekhandelaar. Bibliopolist s. boekverzameBibilotheca ling. —1, a. tot eene boekerij behoorend. —ry ke-rih), 8. bibliothekarts. Biblist (bib'list), a. btlbelkenner. Bibulous (bib'joe-ius),Leponeachttg,opalorpend
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.

Wat zijn de nadelen van Bitcoin


of &saint. —endag,seints'day,holy-dey.—endienst, —memo, —entijd. heroic age, —enyeeSt, iterate —envereering, worship of saints. —enkrans, sure- spirit. —engeelacht, race of heroes. —enmoed, ale; halo. —en, ov, w, to sanctify, to hallow; to heroism. —eoschaar, —enstoet, host (train( jot saint, to canonize; to conetcrate, to keep holy. heroes. —exteelt, offspring of heroes. —enzang, —heid, v. holineeit, sanctity; sacredness. —ing, teroic song. v. cemetificeteon, hallowing; canonization; con- liintleEtr, by. & bw. clear (-1y), bright (-1y); clean secrat,,on. (-19); serene (-ly), lucid; soundly. —denkend,clearliellioiRe, bv. & bee. fatal (ily); nefarious (-Iy), headed, —ziend, clear-sighted. —siendheid, clearflegitione (1y), wicked (.1y). --heid,,p. nefarious. eightednees. —Acid, v. clearness, brightness; nest, flagitieuenees, wickelatoe. cleanness; serenity; lucidity. illeillenneie, by, ealotary, benefielal, seiluiiferous. Illehtlinittg, by. heroic; bw. heroically. —held, —held, v. salutarinloe, benefieialnese, salufifer- v. heroism. outtneee. IlleirdSta, v. heroine. Illeiitreitik, by. bw. secret (1y), private (-Iy), !lei en, ov. w. to conceal, to receive (stolen elaielestrne by etaalth. — held, v. secrecy, geode). er, m. coneett lar,recoleer. privacy. —eeinak, water-closet, privy. v. half; moiety. de prostate —, the better Illeirneele, 0, cricket. half. de — kleiner, leers by half. Heinsweto, o, horne-sickness, noetalgia. het — Iictlolt , v. conceeling,c0mq, alment• hebten, to lir ho!ne-istca. lielleettaterd, v. halberd. —ier, m. hanerdier. — en ere, for and near. Unlit en, on. w. to incline, to hang (to lean) Hefei sit.. ov, w. to enclose, to hedge (to fence) In, over, to slope. —lag, v. inclination; declivity, —8/0oi„ditc;i. —jug, v. encloser., hedge, fence. slope; dock-vast; 111.1r. o. army, host. —baan, high road. —bill , Ham m, v. broom, heath. —Areid, little celandine. battle-axe. —kracht, forces, troopv. --leper, —plant, bloom. —struilt. broom. o i e B6ei r. d, flee.' der .....,haren, the Holm, re. helmet, caeque; caul; still, alembic. Lord of beets. —Re/ow, review., muster, —tocht, tort een ye:Jaren, born with a silver spoon in --vaart, crotch of an army. — roerder, —caret, one's mouth. —bos —veder, plume of a helmet. leader of s n army, --yet, opening in the beever. crest. —spite, tew. hone! Lolls! point of a helmet. —attiltf e, stators. --top, o. grate, baluster, roil, bar, fence, enelos- —stok, whivtaff, tiller. —teeken, crest. —vizier, lore; stern-fraree. de —ken ziin verhungen, the beaver, visor. —et, o. helmet. tables are turned. —balk, wing-transom, —boot, Help ov. Nv„ to help, to aid, to gimlet., to fly-bout. wheelageatoll.—knieen, transom- succor; to avail, to be of use, to boot; to be knee.. bringer-up; last child, —slut, goad (egetnet, for); — aan, to procure for, to stern-timber. --uotrk,etern-fratue;railing.greteng, help to: teat sal het —? what will it avail? trellie-- work. —kenteringer,hare-brained fellow. sit den brand (noodl —, to get out of a scrape. m. hat ch71, !te; !tickle; dislike, aversion. over belt, strap. —er, ro. —zed., porter's shoulderden — hoden, to censure, to criticise, to taunt. —ate, v. helper, assistant. —dieht, sAttte.—diehter, uoi Att. —schrift, satire, Hplsels, by„ heilifh , Infernal; diabolic; mad. lempoor, — fool, srtirical larrgustge , eryte. —e maehten, powers of hell, —e steels, lapis -- land. prickle of hatchel. ',mid, shrew. infernells, lunar caustic. — werkluig, infernal —record, eatirteal word. —zueht, centiorioueneee. machine, torpedo. —oar, in, —.water, v. hatcheier, heckler; ceo- neon, vow. him. surer, ems — achtig, by. & bee eel:to:rue (-1y), liens, tow, hero ! hum! censorioue - - ach,igheid, v. captiousness, ce, o, shirt; thin, smock. — rok, under-waisteorioreene, —en, or. .1. to hatchel, to hackle; cent, Clu.rrneey-shirt. —.board, —skraag, collar to censure, to eiltieite. v. hatchelling, (neck) of a thin. —iknoopoihirt-button. —.moues, hackling; criticieine„ shirt-sleeae. —ealip, skirt of a shirt. —enlinnen, hicks, 7itch; vixen. --endans, dance (vigil) cif shirting. evitches. - enmeester, wizard, —en,proces, trial of 117quel, heaven, :heavens; sky, firmament; witches. —enrcerk, witchery. , en. w. to climate, clime; tester, baidechin; top, roof (ran Prectise sorcery, to use rs iteloceeft; ik ken niet eene Noels). goede good Heavens! den — zti ,1 am net a wizard, dank, Heeven be praised. —beachrOving, Uri110. 0, he. & bee. deer (1y); shrill ( y), sonorous graphy. —bewoner, inhabitant of Heaven, ceI-1y); blazing. —donker, Clare-obscure; wIlight, ieettal. — bode, angel, divine messenger. —bol, Hell, v. hell; condemned hole tin era schip). —hood, —globe,—kloot,eelestial globe. --boot', arch (vault) hell hound, Oerberue. —lebeok, —181,604, impious of heaven, firmament. —dauw, rain. —feweif, wretch, reprobate. --leeije, pains of hell, —le- celestial venit, cape (canopy) of heaven. —gorveeg, etre-devil, vixen. —terorst, prince of hell, del, —etreek, citmate,zere. —beer, Lordot Heaven. Satan. —lewacht, zie —heir, celestial host, host of heaven. —kof, llelnas, tow. alas. paradise. —hoop., ns high as heaven; to the hero. —eneroz, heroic arm, valor, —en- nrx. skies. —kaart, aatronomical map, celestial chart. bisect, noble blood, bleod het'oee. —endaad, —lichaans, celestial body. —licht, celestial light; —enfeit, —eastuk, heroic action, exploit. —ex- luminary. —loop, motion of the stars. —poort, deugd, heroism. --endtebt, eel, poem, epopee. gate of Heaven. —rijk, kingdom of Heaven, .--endichter, epic pact. ---endooa, heroic death, Paradise. —Coal, heavenly language. —ter:lend,

Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
verbetermiddel. Impost (im-poost), a. belasling, impost. Improvidon ce (im-prov'i-dens), a. gebrek aan Imposthank ate (im-post'joe-meet), v. a. ewe- voorzorg. —t, a. —tly, ad. zorgeloos (of). ran veroorsaken; v. n. zweren, etteren. —ation Improvise te (im-provl-seet), v. a. 84 n, year s. zwering, oftering. —e (-joerr)), de valet voordragen. —tion (-eee'sjun), s. voora„ zweer, otter; v. n. zweren. draeht voor de valet. •aptist or (tin -post'e r), s. bedrieger. —are (-jeer), Impruden ce (im'proe-dens), a. onvoorzichtig14. bedrog. held. —t, a. —tly, ad. onvoorzichtig. Pmpotco cc. (1111 1 1)o-tens). —cy. a. onvermogen, Impud ence (iirepjoe-dens), a. onbeaehaamdheid. zwakhtid. a. ---tly, ad. onvernaogend, zwak. —ent, a. —ently, ad. onbesehaamd. —icily ( - die' Impound (im-paaund'), v. a. schutten, opslui- s. onkuiechheid. ten. Impugn (im-en'), v. a. bestrOden, aanvallen. pp overish (im-pov'ur-isj), v. a. verarmen. litae' p —er, a. bestruder, aanvaller. —meat, a verarming, Impulse (im'puls), s. Zie Impulsion. lmpractlea ble (im-prek'ti-kibl), a. ondoen- Inipuls ion (im-pul'sjun), a. aandrijving, aan-
(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
In 2014, the company grew to one million users, acquired the blockchain explorer service Blockr and the web bookmarking company Kippt, secured insurance covering the value of bitcoin stored on their servers, and launched the vault system for secure bitcoin storage.[12][13][14] Throughout 2014, the company also formed partnerships with Overstock, Dell, Expedia, Dish Network, and Time Inc. allowing those firms to accept bitcoin payments.[15][16][17][18] The company also added bitcoin payment processing capabilities to the traditional payment companies Stripe, Braintree, and PayPal.[19]
Elgenen, or. w. to appropriate to one's self; to dedicate. lEigengebakken, by. home-made. Eigengemaakt, by. home-made, home-spun. Eigenhandig, by. autographic bw. with (into) one's own hands. — geechreren otuk, autography. Eigening. v. appropriation; dedication. Eigenliefrie, v. self-love. lElgenikik, by. proper, true. —, bw. properly, properly speaking. Elgenlof, m. self-praiseElgenmachilg, by. & bw. arbitrary (-Hy) . Elgennaane, m. proper name; proper noun. Elgenschap, y. property, propriety, attribute, peculiar (inherent) quality. Elgenste, be. very, same, (the) very same. Eigenawaan, m. presumption, arrogance, selfsufficiency. Elgenwije, by. self-conceited. —held, v. selfconceit. Elgenavillig, bv. arbitrary, self-willed. bw. arbitrarily. —Acid, v. arbitrariness. EigenainnAg, by. '& bw. capricious (-ly), way. ward (-ly ), wilful (-137), headstrong. —Acid, v. caprice, waywardness, wilfulness, headstrongness. Elk, m. oak. —eboom, oak-tree. —ekrans, oakgarland, wreath of oak-leaves. —ekroon, oakcrown. —estam, oak-trunk. —etak, oak-branch. —enappet,oak appl e, gall-nut. —ee,est, —catchers, oak-h irk. —enblad, oak-leaf. —enboeth, oak-wood. —.shout, oak, oak-wood. —enhoisten, oaken. —enloof, oak-leaves. Eikel, in. acorn; gland. —dap, acorn-cup. —cfragenci, glencliferoup. —000st, mastage. —rarken, scorned pig, —ear, m. oak, oak-tree. Eiker, m. a. kind of boat. Minas, taw. alas ! Ellend, o. island, isle. —er, m. islander. Mlle.., taw. prey I Elloof, o. ivy. Eind, o. end, bit, piece. — geed at pocd, All'S welt that ends well.— besluit, final conclusion. —klank, final sound. —klinker, final vowel. —letter, final letter. —lettergreep, final syllable. —medeklinker, final consonant. —oog merit, final view,,— purpose, aim. —ooressak„ final cause. —pant, limit, bound, goal. —Tian, final rhyme. —venni', final (decisive) sentence. Elude, o. eod, extremity;termination, conclusion, issue; death; purpose, aim. ten — Orenoen,to finish, to terminate. ten — loopen, to end. sender —, endless. ten in order to, in order that. —bjk, be. final; bw. finally, at last, at length, to conclude. —loot, by. endless, infinite; bw. infinitely, without end. —lootheid, v. endlessness, infinity. F,Indlg, be. finite. —en, on. & on. w. to end, to finish, to close, to terminate. —held, v. finiteness. —lag, v. ending, termination. Etsoh, m. demand, claim. near den —, as required, properly. —en, ay. w. to demand, to require, to claim; to ask (een prije), to challenge —er, m. —eres, v. claimer; requirer; demandbnt. plaintiff. —lay, v. claiming, requiring, demanding; challenging.

Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.
linxtped, by. very goad. Iskelderen, 07. W. to lay up to *cellar. Ingiosien, ov. w. to throw (to east) in, — into, to Inkep en. ov. W. to jag, to notch. —ing, V. jagbreak. ging. novshing; tie Inkeep. Ingorden,ov. w. to furl. Inkery cm., ov. w. to notch, to carve. —lay, v. flingraven., ov. w. to dig in, —into. notching, carving, notch. Ingreep, m. encroachment. Inkijken,ov. w. to look in; to peruse. logrtfir.aliaru, ov, w, to engrave: to ingraft. Inktar en, ov..w. to clear in. —iov,v. ulenclog; I ngrtipen, or. w. to lay hold of; on. w. to eatch; to kantoorran —, custom-house. encroach (upon). linleimed on, ov, w. to clothe , to dress (up). Ingroel en, on. w. to grow in, --leg, v. clothing, dre4sing; (Pees. Ingroett, by. very green. Inkleppen, ov. w. to summon by ringing a II tagros, en, ov. w. to channel, to chamfer. bell. Intrakon, ov. w, to book in. Inktirnmen, on. w. to climb in. Inhnkken, or. w. to new in, — open; to break Inkloppen, ay. w. to beat (to strike) in. op,,n; on. w. (up) to charge. loknoopers„ ov, W. to tie in, — closer; to check, Halal on, ov. w. to draw (to fetch, to haul, to to bridle; to recommend. take) in; to gather in; to inhale; to receive; to linkoken, on. w. to lessen when being boCed. regain, to na4k,r up for; to overtake, to come up Inkotneling, m. &v stranger. with; to retract. —to, be. c,etous, scraping, Inkonaten, o. entrance; importation; income, etii.gy. —ightid, v. covetousness, etinginess.--ing, revenue. kerkelijk —, benefice. —, on. w. to v drawing (tetchnr, hauling) in; gathering; in- come in, to enter; to be imported. —de rechten, halation; reception; recovering; overtaking. duties oat importation, import-duties. Intuits', m. creek, cove, high!. Initnirnst. v. entrance, entry, importation. —en, inbattgen, or, w. to hang in. het *al er —,it will v mv. revenue, income. not be a trilling matter. Inkoop, m. purchase. —sprije, 'prime cost. —en, Initabben, no. w. to hold, to contain; to be ov. w. to buy, to purchase; ski. —, t. w. to buy guarded by; to be loaders (irOK/Lied) with; to a piece. —er,m.—ster, v. buyer, purchaser. Inkort en, ow. w. to shorten, to lessen; to cursignify; to Import, to be of importance. Itsiteetaten. or. w. to fatten in, to infix. tail, to restraku, to bridle. —ing, v. shortening; lessening; curtailing. Int, echteninnensing, v. arrest, imprisonment. Inkoud, be. intensely cold. ilvalseesuecia, by. native, indigenous, inland. • instinct, be. very hot_ Inkrtjgen, ow. w, to get in, to receive. wafer Intlei en, or w, t 3 rant (to drive) in. —ing, v. —, to make water. ramming (driving) hi. Inkritop en, or, w. to make shrink; to draw I OAPs chen, ter. w. to hoist (to haul) in. up close; ou. w. to shrink (in). to lessen; to litottollen,on, w. to run in with full speed, fall (ea* den wind): rich —, t. w. to reduce one's ',thou& m, contents; tenor, purport; table of expenses —leg, v. shrinking in; narrowing; concontents; capacity, korte —, summary, argument. tractlon. --smaat. CUOiC measure. — sopgave, table of eon- Inkrulen, ov. w. to bring in on a wheel-barten,e, index —en, ov. xv.to cont,in,tohold,to keep row. in, — back, to retain; to reitrain, to bridle. Inkrulp en, on w. to creep in, — into; to —rag, v. containing; keeping back, retaining; slide (to slip) in, to gain ground. —lag, v. refraining. creeping in; sliding (slipping! in, progress. —sa, Inhouten, a. me. ribs, body timbers. goed van — o abuse, bad custom. siin, to lime m ood comattuttork. Inkt, m. ink. —bakje, —koker, ink-stand. —fleeek, 3 ntionw en, ay. & on, w. Zit Inhakkon. —kruik, ink-bottle. --risck, cattle-Soh. —rink, ilathaalidig en, ov. w to Inaugurate, to install, —nlek, blot of ink. —achtig, be.inky. to instate. —big, v. inauguration, installa- Inkulptan,ov.w.to barrel, to cask. tion. lnkwardler en, ow. w, to billet, to quarter.—ing, Datum en, ow. WT. to hire, — anew, to renew a v. quartering. lease; to engage anew. —jag, v. hiring,— again, Visiting, v. laying in; enclosed letter. taking a new 164116. Inlaid en, ov. w, to load, to lade, to embark. —er, Ittiagen, Or. W. to ebage (to drive) in, — into; m. loader, freighter. —ing, v. loading. to overtake; on. w. to ride (to drive) into with Inlander. m. native, Ind:gene. full ', toed. IniliendKch. be . native, indigenous, inland, Ink m. owning, mouth. home.: civil, intestine. linkedtn belel..,, ov. w. to sup, to hallow (out), to Inirappen, ow. w. to patch (to botch) in; to gobble fret. up. to gulp down. In karskee en, on. w, to eat in, to corrode, to grannacia en, ov. w. to insert, to intercalate. take root; to inveterate. —ing, v. corrosion; in- —log, v. insertion. intercalation. NetArAtion. Inlia1 en, ow. 'W. to let (to leave) in, tie admit; Inkstess net, o. carnation. —ales, by. flesh nick —, t. w. (met) to meddle with, to engage in. colored. —lag, v. admission. liat4kk.p, v. jog, notch: Inlaveoren, on. w. to tack in. fist Leer, ,m. repentance. tot — komen, to repent. IstiesiUk, bv. very ugly, hideout. —e., on. w. to put up, to Witt. laleg, m. —geld, entrance-money; stake.
GES.—UES• 461 Gesnik, o.sobbing. Gesnipper, o. clipping, snipping. Geffinoef,o. boasting, bragging, boast. Gesnoel, o. lopping, pruning, clipping. Genie's, o. snooping, junketing. Gssnor, o. buzzing, whizzing. • Gesnork, o. snoring; boasting, bragging. G esnotter, o, snivelling. Gesnulfell, o. sniffing, snuffing, rummage. Gesorteord, a. assorted. G esp, m. buckle. —enmaker, buckle-maker. Gespalk, o.splinting. Gespan, o. team, net, span; beams and rafters of a roof; mate. G•spartel,o. struggling, sprawling. Geapeel, o. playing, dalliance. Geapeld, be. pinned. Gespelen, ri1. me. play-fellows. Gespen, o v. w. to buckle. Gesplerd, be. muscular, vigorous. —Acid, v. muscularity, strength. GespIkkeld, bv. spotted, speckled. hoopla, o. spinning; spun yarn. Gespook„ o. haunting; noise, ado. Gespoord, be, spurred. getaarad en —, booted and spurred. Gespost, bv. mockery. scoffing, railing. Geopr ► k, o. conversation, disc .urns. ern — aanknoopen, to enter into conversation. Act — eibreken, to drop the conversation. Geoprenkei, o. sprinkling. Geoprokkell, o gathering, picking up. Gespssis, o. bustle; rabble, scum. Gespuxw, o. spitting. Gest, v. yeast. Gostaaird, be. confirmed. Gestaaid, be. steeled. Goetftehlts,bv. yeasty. Gestadig, - 13v. & bw. steady (-ily), continual (-1y), constant ( ly), settled. —heid, v. steadiness, continuance, constancy, settleduess. Geste:He, —nts, v. figure, shape, form, size; stature. Gestamel, o. stammering. Gestensp, o. braying, stampii g. Genternpvoet, o stamping, trampling. G estrus d, bw. — doers, — OlOven, to keep. hesteen,o. groaning, moaning. Gesteente, o. precious stones, jewels; monument, tomb-stone. (iestel, o. structure, construction; triune, constitution. Geeteld, be. established; set, situated. — zijs op. to be fond of, to be bent on. —, vw. supposed.. —heid, v. situation, state, condition, nature. Gesteltesalis, v. Zie Gesteldheld. Gcsteand, bv. disposed. Zie Gestenipeld, be. stamped. Geste.), on. w. to ferment, to rise, to work. Gesternd, bv. etary, Gesternte, o. state, star, constellation. gelnisAig —, kind eonstellation, propitious star. hastens:, o. groaning, moaning Gest tette, o. edifice, building; establishnielit, institution; hospital, asylum. Gnat ig, be. yeasty. —ing, v. fermentation.

types cryptogeld


ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.

Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


Ban (ba), a. geblaat. —, v. n. blaten. Babble (beb'b1), v. a. & n. snappen, babbelen; a. gebabbel. —r, a. babbelaar. murmelen. Ilab e (beeb'), a. kindje. —cry (-be-rih), s. speelgoed. —ish (-bial.), a. kinderachtig. Baboon (be-boen'), a. haviaan. Baby ( bee'bih), s. zuigeling; popje. —hood, (hoed), a. kindschheid. (-ish) kinderachtig. liac (bell), a. veerpont; koelbak. Bacchanal Ian ( be ir-ke-nee'li- en), a. dronkaard; a. zwe)gend. —a bek'ke-nelz), a. zwelgpartijen. llacciferous (bek-sirur-us)., a. bessendragend. Bachelor (betsre-luri, a. jongman; kandidaat. —ship; a. oagehuwde staat. Back (bek), a. rug; aehterboede. —, v. a. bestijgen; op den rug nemen; terugschuiven; orderateunen; viseeren; katten. —, ad. terug, achterwaart8. § and forth, voor- en achterwaarts. —bite, laateren. —biter, lasteraar. —bone, ruggegraat. —door, achterdeur. —friend, iscbijnvriend. —gammon, triktrak. —ground, achtergrond. —house, achterhuis. —part, achtergedeelte. —cozies, achterkamer. —side, achterzijde. —slider, afvallige. —stairs, geheime trap. —stays, pardoens. —sword, slagzwaard. —toota, boekbindersstempel. — yard, achterplaate. Backward (bek'wurd), a. —ly, ad. achterlijk, traag. —ness, s. achterlijkheid. Backward (bek'wurd), Backwards (-wardz), ad. achterwaarts, terug. Backwoods-man (bek'woedz-men), s. boschbewoner in het westen van .A.merika. liSemoin (bee'knl, a. arch. Had ibed), a. eleeht; zeer ziek. —1y, ad. kwalijk, alecht. —nest, a. slechtheid.

s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.
ART.—ASS. 14 Articula r (er-tik'joe-ler), a. tot de gewrichten *slope (e-sloop'), ad. hellend. behoorend. —te, a. —tely, ad. (-let-) gewrichten Asp (Rasp), —it (aas'pik), s. adder. hebbend; duidelijk. —te (•leet), v. a. duideli)k Asp (aesp), a. —tree, eel), eepenboom. uitspreken, uiteenzetten; bepalen; v. n. duide- Asparagus (es-per's-gus), a. asperge. lijk spreken. —tion (•lee'sjun), a. geleding; dui- Aspect (es'pekt), a. voorkomen, gezicht, bedelij_ke uitspraak. schouwing. Artille a (aar'ti-fia), s. kunstgreep; list. —er Aspen (es'pn), s. esp.. —, a. espen. (aar-tiri-sur), a. handwerksman, werkmeester. Asper ily (es-per'it-tih), s. oneffenheid, row-ial (-fis'sjel), a. —tally, ad. kunstig;gekunsteld. heid. —oua (es'pur-us), a. oneffen, row. —iality (-sji-el'it-tili), s. kunetigheid; sluwheid. Aspers a (es-pure'), v. a. besprenketen; belasArtillery ler-tilne-rih), s. grof geschut. terra. —ion (-sjute), a. bespreekelingi belastering. Artisan (aar'ti-zen), a. handwerksman. Asphalt (es-felt'), s. asphalt. —ic, a. asphaltiech. Artist (aart'istl, a. kunstenaar. Aspira nt (es'pi-rent), s. singer (near een' post. Artless (aart'less), a. klinlite1008 ; ongekunateld. enz.) —te (-ret), a. aangeblazen; a. teeken van —nest. 0 kunsteloosheid; eenvoudigheid. aanblazing. —te (-rest), v. a. net aanblazing Arundin aceous (e-run-di-see'ejus,„ a. riet- uitspreken. —tion (-ree'sjun), a. aanblazing; achtig. —emu ler-un-din'i-us), a. rietrijk. vurig verlangen. Aruspex (e-rue'peks). a. waarzegger. Aspir e (es-paje), v. n. streven, haken, (after. 4 Ary (ee'riii), a. pr. & conj. Lie Either. for, to). -er (es-pajeur), a. atrever, trachter. As (ez), ad. & coni. als, even als; naardien; bi ) - , —ing (es-pajOieng), a. atrevend, jagend. voorbeeld. — for, — to, wat aangaat. — if Asquint (e-skwint'), ad. schuins; loensch, scheel. — though, a'sof. — it were, om zoo te zeggen. Ass (aas), s. ezel. she —, eselin. —soon —, zoo dra als — yet, nog. Assafoetida (es-se-fet'i-de), a. duivelatrek. Asbest Inc (es-bes'tin), a. onverbraudbaar. Assail (es-seel'), v. a. aanvallen. —able, a. aau- us, s. steenvlas. randbaar. —ant, a. aanvallend. —ant, —er, s. Ascend (en-send'), v. a. beklimmen; v. n. opstij- aanvaller. gen. —able, a. beklimbaar. —ant, a. opklim- Assassin (es.sea'sin), s. sluiprnoordenaar. —ate mend; overwegend, a. hoogte; overwicht; tan- (-neet), v. a. vermoorden. —ation (-nee'sjun), s. zien; voorvader. —ency (-den-sih), s. overwicht; sluipmoord. —ator, a. sluipmoordenaar. invloed. Assault (es-saolt'l s. aanval; bestorming. —, Ascension lea-sen'sjim). a. opsttjging. —day, v. a. aanvallen; bestormera. timely aartsdag. Assay (es-seen, a. proefueming; torts. —, v. a. Ascent (es-sent'), a. opgang; opgaande hoogte; beproeven: toetaen. —cr., —master, a. eesayeur. stijging. Assenabi age (es-sem'blidzjt, a. verzameling; Ascertain (es eur-teen'), v. a. vaatstellen; be- vergadering. —e, v. a. verzamelen; v. n. bijeen vestiges. —able, a. vastgesteld. bevestigd kun- komen. —y 1-blih). a. vergadering. nende worden. —merit, s. vaetstelling; bevesti- Assent (es•aent'), a. toestemming. —, v. n. toeging. atemmen; (to) instemmen met. —ation (-tee'ejunl, Ascetic (es-set'ik), a. boeteplegend. —, a. klui- a. toestemming. —ator (-tee'tur), a. jabrobr. zenaar, boeteling. —er, a. toestemmer. Asehms les'al-ens), a. onschaduwigen. Assert (es-surt'), v. a. beweren; bevestigen; vorAscitic (es-sit'ik), —al, a. waterzuchtig. deren. —ion (sur'ejun), a. bewering: bevestiging. Aserib able les-krarbibl), a. toe te schrijven. —ire (-tiv), a. atellig. —or (-tur), a. beweerder; —e, v. a. toeschrijven, verdediger. —ory (es'aur-tur-rih), a. bewerend; Ascrip tion lea-krip'sjun). a. toeechrijving. bevestigend. —tittous -tia'sjual, a. toegeachreven. , Assess (es-sea'), v. a. belasten. —able, a. belaatAsh (ear). a. each. —en, a. van esechenhout. i boar. —ment, a. belasting. —or (-sur), a. bijzitAshamed (e-s)eemd'), a. beschaamd (of )• 1 ter; belastingmeester. Asheolor (e.j'knl-ur), a. —ed, a. aischgrauw. Assets (es'seta), a. boedel, masma, nalatenseliap. Ash ery (ekre-rih), s. aschbelt. 4 —hopper, loog- Assever (ea-sev'ur), —ate (-sev'ur-eet), v. a. plechvat. —hole. —pit, aachput. tig verzekeren. —ation (-ee'ajun), a. plechtigc Ashes (eajiz), a. each. verzekering. Ashler (esj'lur), s. hardateen. Assiduity (es-si-djoenit-tih), a. gestadige ijver; Ashore (e-sjoorl, ad. tan wal, tan strand. volhouden. Ash-wednesday (esj-oe-enrdee), a. aschdag. Assiduous (es-sidloe-us), a. —ly, ad. naarstig Ashy (espiiiL a. aschachtig. onverdroten. —ness, a. naarstigheid; volharding. Aside le-sajd"), ad. ter zijde. Assign (en-sajn'), v. a. aanwijzen; aanstellen; Asinine (es'i-najn), a. ezelachtig. bepaleu; overdragen. —able, a. be aalbaar. Ask (aask).' v. a. & n. vragen, verzoeken, vorde- —Own (es-sig-nee'sjuu), a. aanwijzing; bepaling. ren. -- after, for. from, of, to; vragen Haar, om, ren-dez-vous. —ee (es si-nie'), s. gemachtigde, van, a., op. — a question, erne vraag doen. —er, s. aanwijzer. —meat, a, aanwijzing; be-er, s. vrager, verzotger. stemming. Askan ce (e-skaana'), —t, ad. schuins. Assinallat a lea-sim'i-leet) v. a,gelijk maken Askew (e-skjoe"), ad. schuins; met verachting. (to); v. n. gelijk worden. —ion (-/ee'rjun), a. Aslant (e-alaant'), ad. schuins. gelijkmaking. Asleep (e-sliep'), ad. in sleep. Assist (es-sise), v. a. helpen, bijstaan; v. a. (at
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
220 Phaeton ffee'i-tun), a. phaeton (rijtuig). Phalanx Ifee'lengks, tel'engka), s. phalanx, gesloten krOgsbende, lidheentje der vingcrs en teenen. Phantasm (fen'tezm), -a (-tes'ine), s. droombeeld, heraenachim. -aftoria (-go'ri-e), a. vertooning van geestverschuningen. Phantom (fen'tum), 8. spook, droombeeld. pharis ale (fer-i-seelk), -aical, -ean (-si'en), a. farizeesch, schtinhoilig. -aiim (fer'l-see-itm), a. leer der Farizten; sebijnheiligheld. -ee (fee1 ale), a. Farizeer; achijnheilige. Pharsnac antic (faar-me-ejoe'tik), a. van de artseniamengkunde. -entice. pl . -y (faaeme-sih), artaenijmengkunde. -opceta (-ko-pi'e), s. arteenijboek. -opoliet (-kop'o-list), a. artsenijbe;elder. Pharos (fee'ros), s. vuurtoren. Pharyn gotonoy (fer-in-got'um•mih), a. luchtpbpsnede. -x it fer'ingks), a. strottenhoofd. plans e (feez), -is (fee'ais), a. schijngestalte. pheasant (fez'ont), a. fazant. painted -, gondlekensche fazant. pencilled -, zilverlakensche fazant. -poet, fazantkuiken. -walk, -ry, a. fazantentuin. Phees e ;fiez')., a. kwade luim. -e, v. a. hammen, rossen; mishandelen; verminderen. -y. a. elecht geluimd. Phenix (11'niks), a. tenths. Phenomenon (fe-nom"e-non), a. versehijnsel. Phial (faj'el), R. &genie. -, v. a. in can fieschje bewaren. Philanthrop ic (111-en- throp'ik) , -ical, a. menschlievead.-ist(fl-len'thro-pist),s.menschenvriend. -y (f1-!en'thro-pih), a. menschenliefde. Philippic (11-lip'pik), a. smaadrede. Philolog ar (ti-loVud• zjur) -int, e. taalgeleerde, philoloog. -ic, -ical (fil-o-lnd'zjik-), a. taalkundig, taalgeleerd. -y, s, taalwetenmchap, taalgeleerdheid. Philont nth (111'0-meth), a. beminnaar der geleerdheid. -el, -ela (-mi'le), a. nachtegaal, filomeel. Philonoph er (11-los'o-fur). s. wijageer. -ic, -ical, (fil-o-zorik-), a. wijageerig. . (-fizm), a. valsche wijsbegeerte.-ist,s.schunaqze,schijnphilosoof. -ice (-fajz). v. n. philosofeeren. -y, s. wijabegeerte; natural natuurkunde. Philter ilPturi, a. minnedrenk. -, v. a. door een' minnedrank betooveren. Phi. (fiz), s. gezicht, tronie. Phlebotom fat (fle-bot'o.mist , , 8. aderlater. -ice ( majz), v. a. aderlaten. -y, a. aderlating. Phlegm (flem), a. slijm, waterig yacht; coverschilligheid, kcelheid, bcdaardheid. Phlegm agogue (fleg'me-gog), a. slijmafdrijvend middel. -atic, a. -atically, ad. (metlk•)., alijrnig; onverschillig, koel, bedaard. -on (-mun), a. bloedzweer; ontsteking. -canoe ( - mun-ua), a. ontstoken. Phleme (fiiem), s. Zie Fleam. Ohloglst lc (fio-dzjisqik), a. brandstofhoudend -on (-tun , , z. brandatof. Platen", (fl Zie Phenix. Phon etic (fo-net'ik), a. van den klank; blankaanduidend. -etics, pl. -ice (fon'iks), a. geluid..
diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.

Hoe begin ik met cryptogeld uitwisseling


The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Hoe verkoop ik Crypto op Robinhood


If you don’t have the Store Item(s)/Expansion or Stuff Pack(s) mentioned in this item installed on your system, the item will download from the Exchange and can still be installed. Upon download of the content, you will see a warning icon in the status section in The Sims 3 Launcher notifying that you are missing content. In place of the missing content you will receive a similar default item in its place, or, no item at all.

vocd,terkind. —dam, voed• zoogbroeder. titer, mln. —daughter, pleegdochter. —earth, kweekaarde. —father, voedstervader. --land, land tot onderhou.d. —ling, a. voedsterling. —mother, —nurse, voedstermoeder. zoogmuster. —son, pleegzoon. Fattier (foth'ur), s. gewicht van 2400 pond. —, v. a. een lek atoppen. Foul (faun, a. —1y, ad. vuil, morsig; ennuiver; leelijk, slecht; snood; grof; verward; onklear. to make — water, op den grond stooten. to run — of, aanzeilen. —paper, klatipapier. —play, bedriegelijke bandelwijze. —spoken, E. kwaadspreicend. — wind, tegenwind. —ness, a. vuilheid. Foul (faul), v. a. bevuilen, bemorsen, v. n. onMaar worden. Foainsart (fou'mert), s. bunsing. Found (faaund), v. a. gronden, stichten; gieten. —ation (-dee'sjun), s. grond; grondslag ; grandvesting, atiehthig. Founder (faaund'ur), a. gieter; stichter; bevangenheld (bij paarden). —, v. a. kreupel rijdsn; v. n. zinken; mislukken. —ass, a. grondelooe, gevaarlijk. —y, a. gletert. Foundling (fa aund'lieng), a. vondeling.—hospital, vondelingshuis. Foundress (faaund'ress), a. stichtster. Four taln (faaunt'in), s. fontein. bron; oaraprong. —head, hoofdbron, oorsprong. Four tfoor') s. vier. on all —a, op handen en voeten. —cornered, vierhoekig. —fold, viervoudig. —footed, viervoetig. —ling, a. vierling. —score, tachtig. -square, vierkant. —teen, a. veertien. —tecnth, a. veertiende. —th, a. vierde. —thly, ad. ten vierde. —wheeled, vierwielig. Fowl (faauP), a. vogel, govogelte. —, v. a. vogels schieter, —er, a. vogelaar. Fowling (faauPieng), a. vogeljacht. —piece, vogelroer. —shot, ganzenbagel. Vox (foils"), a. v.; eluwert. —es, a. foksjes. —case, vossevel. --chase, —hunt, —hunting, voesenjaeht —evil, vosaenkwaal. —glove, vingerhoedskruld. —hunter, vossenjager. —tail, vossestaart (plant). —trap, vossenval. —ink, —y, a. vosachtig; siw(v, ltstig. Foy (Poj), a, trouw; afscheidsfeest. Fract tfrekt), v. a. breken, schenden. Fraction (frek'sjun), a. bteking, breuk; gebroken getal. — al, —ary, a. eene breuk betreffend. Fractious (frek'sjus). a. —1y, ad. gemelijk, kribbig. —ness, s. kribbigheid. Fracture (frekt'joer), a. break; beenbrezIk. —, v. a. breken. Fragil e (fred'zjil), a. broos, —ity (fre'dzjil'ittih), s. broosheid. Fragiatent (freg'ment), a. atuk, brok, overbliljfact. a. uit brokstukken bestaand. Fragor (free'gor), a. gekraak. Fragran ce (free'gretas), —cy, s.geuriheid. —t, a. —tly, ad. welriekend. Frail (free!'), a, biezen korfje. —, a. broos; swak, onstandvastig. —races, —ty, a. broocheid; zwakheld. Fralse (freez), e. apekkoek ; spaansche miter, rij stormpalen.

Is Bitcoin juridische UK


Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.
Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,
—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.

Wat is Bitcoin Zambia

×