brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


STA. net. —ing-horse, schietraard. --y, a. bard ale een els. stengel; stokkerig. ment (ate-bil'i-rnent),s.bevegtiging,vast.. Stall (staol Pa, a. stal, kriln etalletje, pothuis, held. —ty (.it-tih), vaetheid, hestendigheid. kraam; koorstoel; bank. —boat, kleiee boot. —fed, Staple (stee.b1), a. beotendig, duurzaam, vast. op stal gemeet. —feed, op stal mesten. —keeper, —mess, s. beatendigheid, ditur,aamheid, vast- stalletjesrnan. —money, s,anrgeld. —worth, ale held. Stalwart. —, v. a. stollen, op stet zetten; v. n. Stehle (stee'hl), a. stet .-boy, steltongen.—kee. op stal Intim; wonen. —age, a. atalgeld; ostaen-, marlitgeld. per, stnlhouder. —man, stalkuecht. —yard, ;nest- s. springhPnTst. werf. —, v. a. stollen; v. n. op stal staan. Staccado (etek-Iree'do), a: panlaerk, stake/eel. Stalwart (staorwurt), x. kloek, dapper. Stack tstek), a. hoop, stelae!, schetr; rij. -ewood, Stamina I eteml-ne), a pl. grondstof; ' ,mete be-
388 AlliehteP, on. w. to take (to lift, to pull, to throw) off. AflUvict, bv. dead, deceased, —warden, to die. maken, to kill. —heid, v. death. Atlikkets,ov. w, in lick off. Miner tier, rn. spy. —es, oy. w. Zie AlkUken nor, On. W. to decoy from, to call down, to draw from, to get by fair words, to pump out of. —er, m entirer, Altus lr. m. runni. , g (flowing) down; eb, ebbing; tiecuovion; OA, gutter; (Ascent, slooeoleclivity. end.. Inoue, termination, conclusion. —en, on. W_ to 'Wear out., — off; to run off; to overrun, to ravage, to waste; on w. to descend,, to run down, — WI; to flow down, to ebb; to gutter; to be launched; to run out, to go down; to turn out, to have an lease, to come to; to end, to expire, to terminate. --er, on. ravager. Altos bans.. by. redeemable. --ten, ov. w to relieve; to clear, to extinguish, to redeem —Per, no. reliever; redeemer, discharger. —sing, n. relief, relieving; redemption, di,charge. Aflolletereast,ov. w. to overhear. Allinriatten, on, w. to mow (down oft), to cat down. --er, m. mower. —ing ; v mowing. Alarankerr, on, at, to finish, to complete; to Bettl s, to arrange; to despatch zich — van, t. w. to get °tit's self excused. to rid one's self of. A finnten, ov, w. to finish grinding; to depict, to delineate. Afrnan en, ov, w. to warn of, to dissuade train. —etona dissuader. • dis ,inaslon. Afrixtteclietare,, on. a'. to march off, to decamp. Afmnrseh, in. march.ng off, retreat,decaropment, Aftnttrtet on: w to torment, to torture, to tr•lnre worry; to rack Afinatt en, o, w to weary, to tire out to epend. —ing, v, fat igto s weariness. Afrnelkoee, ov. w. to milk; to plume (to fleece) o. 0.; on, w to finish milking. Antreolireno ov, w. to override, to jade A fonergelen, on. W. to extenuate, to enervate, Aftner, ken, on, w. to mark. ev. w. to measure, to commensurate A Inlet to proportion, to calculate; anderen near zich zelcen --, to judge of others by one's self, —ing. citintlarion. Aftnetsulen, ay. w. to fittialtr. AfraUtien. on. w. to sell by inch of can 'le; to outdo a. o. (to get a thing) by eaying the word in a •u blic Bale A firtikfiscta, ov. a. to hit out, to guess right, to i 11.1
—spenning, earnest. —sregeering, theocracy. —sriik, kingdom of God. —vrucht, piety, fear of God. Godde lijk, be. & bw. divine (-1y). —lijkheid„ v. divinity. —loon, by. & bw- impious (-Iy), ungodly, wicked (-1y), devilish. —logeheid, v. impiety, ungodliness, wickedness. —leezen, (del, the wicked. Godetedene, o. (the) heathen deities. Godes, v. goddess. G odheld, v. godhead, deity. Godin, v. goddess. tle %dist, m. deist. —mi. „ v. deism. Gourd, o. goods, things; linen, clothes, luggage; wares, stuff; estate, possession, property. —, bv. good; kind; lit, convenient. —, bw, well, properly. —e Vrildag, good Friday. —e week, Paseion-week. nick to — &en, to pamper one's self, to hebben, to have to claim, to houden, to credit (to give credit) for. ten —e hnuden, to eacuee, to tabs in good part. — en wel, well tend good. Goedeardig, by. & tee. good-natured (-ly), benign (-Iy). —hid, v. goo nature, benignity. G.,,,edhiljeren, on. w, to keep well. Goeddadig, by. & bw. Zie Weldadig. Goeldoen. on. w. to indemnify; on. w. to do well. to please, to give pleasure. —de„ bv. & bw. beneficent (-1y). Goeddunken, on. w. to think fit, — convenient, to choose. o. pleasure, fancy, opinion, will. C cede, o.good. het — does, to do good, to do ghat is right. Gteedenoirsg, m. good-bye. —zeggen, or. w. to hid (to with) good-bye. Goederrn, o. my. tooth, —kuntoor, goods-department. —rekening, merchandise-account. —trews, baggege-train. —wages, goods-truck, frelpht-car. Gorderitieren, by. & hw. merciful ( - ly), element (-1y), gracious (ly). —heid, a. merelfolness, clemency, graeiousuess. Geetacigeeefeelh, be. benevolent, charitable. Geretteicits seer, Ail. —seer, v. well-wisher. —stip, by. & bw. favorable (-bly), kind (-1y), —sfigheid, v. favor, kindness,. Goedhorlig, by. & bw, good-natured (ly), kindhearted (-ly). —heid, v. good-nature, kind-heartedneem. Gordheid, v. goodness, kindness, favor. de — hebben, to be so kind. terwee,heiratten, oe. v. to preserve, to conserve. t. w. to behave bravely; to keep well. eic Ceteedig, be. —heid v. Zie Goedhtertig. G...dk tor airs, 01. W. to approve. —ing, v. approbation, approval. Goedkoop, be. & Lw. cheap (-1g), —held, v. cheapness. G,sedenek en. ov. w. to mike good, to make emends (to make up) for; to indemnify, to defray. —log, v. indemnification, defrayment. Goetdechiles, Lw. willingly, voluntarily. Goetbinsoedm, by. — etjn, to be of good cheer, bw. to be in good spirits. weer —, cheer up deliberately, in cold blood. Goedsprekeo, on. wo to answer (to be Security) for, to past one's word for,
zieh. rir,hten. —er, a. aankleeder; kapper; bereider; aFrichter; keukentafel. —ing, a. aankleeden; toebereiding; verband; —box, kapdoos; —glass, toiletspiegel; —gown, kamerjapon; —room, kleedkamer; —table, kaptafel. —y, a. opzichtig gekleed. Dribble (drib'131), v. n. afdruppelen; kwijnen. —t, a. kleine soul; kladachuld. Drier (draj'ur), a. oparogend Drift (drift'), a. aandrift; ophooping; stream, geweld; atrekking. — of ice, drijfijs. — of sand, bewegend zand. — of snow, sneeuwstor ►n. —wind, stormwind. —wood, drijfhout. —, v. a & n. ophoopen, bijeendrijven. Drill (drill, a. drilboor; voor; greppel, beekje; exereitie; aap. v. a. boren; voortaleepen; aftappen; zaaien (met eon' zaaiploee); dril len; voor den gek houden; v. n. zacht vioeten. —bow, drilboog. —box, zaadstrooier. —plough, zaaiptoeg. Drink (drink'). a. drank. —money, drinkgeld. —offering, drankoffer. Drink (drink') [drank. drunk], v. a. & n. drinken; zuipen; (away. down) weedrinken (verdriet). (in) inzuigen. (off. up) opdrinken. —able, a. drinkbear. —er, s drinker. Drinking (drinkleng), a. (het) drinken; dronkenachap. —bout, —match, drinkpartij. —cup, drinkbeker. —glass, drinkglam. —gossip, drinkdrinklied ster. —horn, driukhoren. Drip (drip'), v. a. bedruppelen; v. n. druipen. —ping, a. braadvet. —ping-pan, braadpan. —pingstone, leksteen. Drive (draj,), s. rit; rijtoertje. Drive (draje), [drove (droov). driven (driv'n)_l, v. a. voortdrijven; rijden, mennen; noodzeken; errv °Igen- (away) wegdrOven. (back) terugdrijven. (in. into) indrijven in. (off) afdrijven; uitatrllen. (on) voortdrijven. (out) uitdrijven. (to) drijven naar; aanzetten tot. —, v. n„ drijven; rijden; beoogen. (against) zich richten naar. (at) van zinc zfin; in het achild voeten. (on) voortsnellen; eprijden. (up) voorrijden. —r, s. Edrijver; voer man; § slavenopzichter. Drivel (driv'v1).... never, kwijl. —, v. n. zabberen, kwijnen. —ler, s, kwijlbaard; dwaaa. Drizsl e (driVz1), s. stofregen. —e, v. a. in fijne droppels doen vallen; v. n. motteren, stofregenen. —y, a. motterig. a. grapDroll (drool'), a. snaaksch, kluchtig. v, n. grappen Timken, penmaker; klucht. schertsen (upon, over). —ery, a. boerterij, seakerij. Dromedary (drum'e-de rih), a. dromedaria. Dross e (droon'), a. hommel; luiaard; gegona. —e, v. n. gonzen; luieren. —ish, a. traag, vadzig. Droop (droop), v. n. nederbangen, kwijnen; bezw ij men. Drop (drop'), a. droppel; oorbel. —serene, zwarte steer. —stone, druipsteen. —, v. a. laten droppelen; beeprenkelen; laten varen; laten vallen. to — anchor, het anker laten vallen. (in) indroppelen. v. n. druipen; calico; vergaan; ophouden; verdwijnen. (in) binnen snellen. (off) vallen; zijn' post verliezen; verminderen; titeryen; etil heengaan. —let (-lit), a. droppeltje. —ping, a. afdruipsel; val. —pingly, ad. in droppelt, -8, a. droppels (artsenW; tabletjes.
DEW.-1)10. Itew ((ijoe'), e. dauw, —, v. a. bedauwea. —berry. Dicky (dik'kth), a. half hetudje; lakeiplaats (achbraambezie. —drop, dauwdroppel. —lap, halo- ter het rtjtuig); czel. kwab, kossern; hanglip. —snail, naakte alak. Dictat e (dikleet),a. bevel, voorschrift; inspraak. —e, v. a. v66rzeggen, dicteeren; gebteden. —ion —worm, dauwpier. --y, a. bedauwd. (-tee'sjun), a. (het) v66rzeggen, voorscbrijven• Dexter ity (deks-ter'it-tth), s. behendigheid; be- opgaaf. —or (-teetur), a. gebieder, dictator. —oriat drevenheid. (-te-to'ri-e1), —ory (-te-tur-rih), a. gezaghehbend. Dexterous (deks'tur-us), a. —ly, ad. handig; be- —orahip, —are (-teet'joer), s. dictatorachap. ti•even; knap. —nese, a. handigheid; bedrevenheid. Diction (dik'ajun), a. attil, voordracht. —ary, e. Dextral (deks'trel), a. reehter, woordenboek. Hey (doe), a. .fley. Didactic (di-dertik), —al, a. —ally, ad. onder. Diabetes (daj-e-bi'tiez), s. urine-vloed. wijzend, leerend. Diabolic (daj-e-boilk), —al, a. —ally, ad, dui- veloch; duivelaehtig. —ainess, a. duivelachtigkeid. Didapper (did'ep-pur), a. duiker (watervogel). Didder (dididur), v. n. huiveren van koude. Diaconal ,daj-ek'un-nell, a. diakonaat. Diddle (did'd1), v. n. waggelen; beuzelen. Diacousties(daj-e-kauOtiks), s. geluidkunde. Diacritic (daj,-krit'ik), —al, a.,door een teeken Diduction (daj-duk'sjun), a vaneenacheuring. ondersebeidea. Die (daj), e. dobbelateen; muntstempel. —, v. n. Moden ► (dare•dem), a. kroon, diadeem. —ed sterven; bezw(jmen; vergaan; yerschalen. Diet (darit)., a. eptis; leefregel; rijkadag. —,, v. a. (-demd), a. gekroond. Diaeresis (daj-er'i-is), a. deelteeken, trams. 1 voeden, een' leefregel voorechrbven aan; v. a. op Diagnostic idsj-eg•nos'tik), a. ziektekenmerhond. (beet leven. —drink, drankje. —ary, a. tot het ditet behoorend; a. leefregel. —er, a. dieet—, s. ziektekenteeken. voorschrtj ver. —etic, —etical, a. (-tet'ik-), het dihet Viagonall (daj-eg'un-nel), a. overhoeksch. —, 8. ffe nddip. fur). ete rer( Dbiff hoeklijn; diagonaal. ow a. vera. n. verschill en. —e, Hiagrns a (daj'e-grem), a. meetkunstige liguur. achil, onderaaheld; v. a. doen verschillen,—ent, Dial idaj'ell, o. zonnewijzer. —plate, wijzerplaat. a, —ent1,11, ad, verachill end, onderscheiden.—ential —wheel, zonnewiSzerrad. —log, s. zonnewijzer- 1-en'sjell, a. —method, differentiftal-rekening. kunde. —ist, a. zonnewijzermaker. Dialect (Iltj'e-lekt), a. tongval; stijl. —ie, —ie.', Difficult (drit-kult), a. —ly, ad. moetelijk, bezwaarlijk. 4 —ed, a. in verlegenheid gebracht. —y, e. —ically, ad. (-lek'tik-1, redekun stig, logisch. a. moeielijkheid; swarigheid. —ice ( lek'tiks), a. redekunst. Dialog ist (daj-erud-zjtst), a. bouder look: sebrij- minden ce (dirfl-dens),.. mistrouwen; schroom. ver) van eamentpraken.—istic,—istical, a. —iota- —t, a. —tly, ad. mistrouwend; schroomvallig. cally, ad. (-zjist'ik-), a. in den vorm van semen- Difiluen ce (difiloe-ens), —cy, a. uiteenvioeiing. spraken. —ice (-zjajz), v. n. eene samenspraak —t, a. utteenvloetend. Difform (dirforml. a. ongelijkvormig; onregelhouden. matig- —i-ty (-form'it-tih), a. ongelijkvormigheid, Dialogue (daye-log), a. samenspraak. onregelmatigheid. Inmate ter (daj-ern'i-tur), s. middellijn. —tricot, DMus e (dif-fjoes'), a. —ely, ad. verspreid, wijdad. (dad-e-met'rik-), a. middellijnig, —trically, a. lijnrecht. loopig. —ive, a. —ively, ad. (-fjoesiv.), verbreiDiamond (daj'e-mund), a. diamant; ruiten (in deed; uitgeatrekt; verspreid; uitvoerig. —ivenese, a. uttgeatrektheid; wijdloopigheid. 't kaartspel); mart in 't blazoen). —cutter, dia- Diffue e (dif-fjoez'), v. a. uitgieten, nitatorten; mantslijper. —letter, kleine drukletter. verspreiden. —edly, ad. verapreid; wijdloopig. Diapason idaj-e-pee'zn), s. octaaf. —edness, a. verspreidheid; wijdloopigheid. —er, Diaper (dsre-pur), B. gebloernd linnen; servet- a. verapreider, verbretder. —able, a. verspreid. goed, —, v. a. met bloernen bewerken. bear. —ion (-zjun), a. verapreiding; uitvoerigheid. Inapt)... is (daj-e•fen'ik), —sue (-ere- nus), a. Dig (dig) [dug], a. a. graven; omapitten. (dews) doorschijnend. ondermijnen. (out) uitgraven. (up) opdelven. Diaphoretic (daj-e-fo-reVik), a. ,zweetvenvek- (through) doorgraven. —, v. n. graven, delven. kend. Digest (dardzjest), a. (de) pandecten; wetboek. (dare-frem), a. middelrif. Iliac Digest (di-dsjesti, v. a. verduwen, verteren; Marisa (dsre-rist), o. dagboekhoadei. in orde schikken; doen etteren; v. n. etteren. IDiairrhttea (daj-er-rl'e), a. buikloop. Diary (dare rih), o. dagboek. Ofastolle (daj-ea'to-lik a. uitzetting; verlenging. IliatrIbe (dare-tr9jb), s. uitweiding; bijtende broordeeltng,
This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard


Hut liuleJe, 0. small house, cottage; shell, case; scale (van eene weefitchaal); privy. —acolytes, night-man. —stick, shell-anail. II Wavy/saris, bw. homeward. Minivan, ov. w. to hood, to put a cop on. Heaver en, on. w. to shiver, to be chilly ; to shudder; to ' hesitate. —ig, by. shivering, chilly; hesitating. —igheid, v. chilliness; hesitation. —ing, v. shivering ; shudder ; reluctance. 111117 en, ov. & on. w. to lodge; to live. —ing, v. lodging ; habitation. dwelling. Ilukken, on. w. Zie liul, v. cep. Hulde, v. homage, respect ; fealty. —gift, a Heileman 'a present to his lord. Huldlg en, ov. w. to do homage (to swear allegiance) to to install, to instate; to embrace. —ing, v. homage; investiture ; —toed, oath of allegiance. Hulk, v. hulk, hop. II ull en. or. w. to cover (with a cap), to wrap up; to veil, to disguise; to adorn. —lag, v. covering; veiling, d!sguising; adorning. Hull., v. help, aid, assistance, succor, relief. to — *omen, to assist, to succor. —beloevend, wanting assistance, indigent. —benden, —troepen, suet. arias. —intact, aesietence. —kantdor, auxiliary office. —kerk, chapel of ease. —middel. remedy. onderwiger, assistant s. eacher. —prediker, vicar, (assistant) curate. —raardio, willing (ready) to help, officious. —raardigheid, readiness to help, officioloness. —wrrkwoord, auxiliary verb. iluipeloom, be. helpless. —held, v. helplessness. linlael, o. head-dress, head-gear. .et, m. hol;y. —boom, holly-tree. ilulater, v. tire-woman. Sluice. v. god, cod. Hum, tow. Zie liens. Shin, sow. Tto) them, their. Ilunelbed, o. Celtic monument. Hunker en, on. w. to hanker (after), to long !for). —ing, v. hankering, longing. Hunnent. tea bw. at their house. —halve, bw. on their behalf, for their woke. —wege,tbw. as for them. ran —wege, in their names. on — soil, for their sake. llupisel tsar, —aarster, v. hopper, skipper. en, on, w. to hop, to skip, to frisk. —lag, v. hopping, skipping. Ilupoch, by. & bw. pretty (-11y), smart (4y);

G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×