VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


193 MUT.--NAT. Myself (maj-self), pr. zelf, ik zelf,mij, mijzelveu. alleen. y Mystagogue(miaste-gog),.. uitlegger vtn verborgenheden; reliquien-bewaarder. Mysterious (axis tPri-ue). —ly, ad. geheimzinnig, verborgen. —nets, s. verborgenheid. Mystery (minis-rih), a. gebeim, verborgenheid; handwerk; mysterie (tooneelatuk). !flystic (mitetik), —al, a. —ally, ad. geheinazinnig, verborgen, duister, zinnebeeldig. —alness, a. geheimzinnigheid. •ti-sism), a. leer der myatieken; dweperij, geastdrkivend. Mystif bastion s. geheimzinnigmaking; misleiding. —y mieti-faj), v. a. in geheimzinnigheid holies; miajletden, bedotten. Myth (mith'; , , a. mythe, verdichtael, —ic, —ical, a. fabelachtig, verdicht. —ographer (mi-tkog'refur,, a. fabelsclutver. —ological (-o-lod'zjikl), a. mythologisch; van de fabe-Ileer. Mytholog 1st (mt-tholtud-zjiet), a. fabeikundige. —ire sjz), v. n. de fabelleer verkiaren. —y, s. mythologic, label-, godenleer.
ralerlijk. —ousness, a. verraderlijkbeid, —y, a. verraad. Treacle (trie'kI), s. *troop , boerenatroop. —mustard, boerentnosterd. Trotad (tred'), a. tred, achrede; trade, hanetred. tredmolen. Tread (tred') [trout, trodden], v. a. betreden; vet, treden; treden; (out) uittrappen; v. n. treden; paren; (en, upon) met voeten treden. —er, a. trader. Treadle (tredl), s. trede; pedaal; hanetred. Treason (trle'zn), a. verraad. high boogverread. —monger, verrader. --able, a. —ably, ad. v erraderlijk. Treasur a (tretroer,-ur), a. Rebid; —house, *chatkamer; —trove, gevonden adult. —e, v. t. opgaren, opzemelen (up); bewaren. —er. a. ethatmeester; penningmeester; —ship, e. schetmeeeterechap. —y, s.sehatkamer, sehatklat; —bill, —note, achatkistbiljet. v. a. behandelen; Treat (Well, a. onthaal. onthalen (with); v. n. onderhandelen; (of) hart deien aver. —able, a. handelbear, gedwee. (-to), a. verhans. onthaler; bebandelaar. deling. —ment, a. behandeling; onthaal. —y, a. onderhandeling; traktaat. 'frebl e (trebl'), a. —y, ad. drievoudig. —e, a. bovenstem; achel geluid; faint f Russel t, kupstem. —e, a. a. & n. (tick) verdrievoudieen. —ends*, a. drievoudigheid; hoogte. Tree Wien, t. boom. — of consanguinity, stemboon, —beetle, meikever. —box, boksboom. —creeper, boomkrnipertje. —culture, boomkweekerij. —peg, groene ktkvorse.h. —ivy, klIntop. —louse, bladlula. —moss, boommoe. —nail, houten seheepanagel. —sorrel, euriegboom. , Trefoil (tri'foj1), s. klaver. sweet —, zevengeti,jdekrutd. shrub—, kamperfoelle. Trellis (treigle), a. tralle-, latwerk. — ed a. getralied, tulle-. Trot:obi o (trem'Ol). v. n. haven, rillen (at. for. with). —er, a. bever, sidderaar. —lag, a. het haven, sidderen. —ing, a. —ingly, ad. bevend, aidderend. Tremendous (tre-rnen'dua), a. —1y, ad. Yumagedneht. —nee., a. vreeselijkheid. Tremor (tri-ixtur), a. siddering1 Tremulous (trem'joe Ins), a. —ly, ad. bevend, sidderend, trillend. —ness, a. (het) sidderen, trillen. Tren (tren), N. harpoen. Trench (treider), a. ps , nede; gracht; loopgraaf. —plough, greppelploeg. —, v. a. suijden, graven; versehaneen; v. n. (upon) inbreuk maken op. —ant, a. snijdend, schen.. —er. a. milder; houten bord of nap; tafel, dlech; eniOplank ; —friend, —mate, —squire, tafelschnimer, klaplooper. 'Freed (trend), a. riehting, nelging. —, v. a. scutveren (wol); v. n. zlch ultatrekken; stureti, koera zatten Treadle (tren'd1), a. rot, spil. Trennel (tren'n11), a. Zie Taco auwll. Trental (trent'el), a. dertig eielmtasen. Trepan (tre.penl, a. athedelboor. —, v. a. ire paneeren. —ner, a. 041pm:order.
take into consideration. ..-etreep, ditch. —tsbeeld, idea, chimera, —loos, bv. & bw. thoughtless (-1y), inconsiderate (Ay). —/oosheid, v. thoughtlessness. Gedrichtente, v. memory, remembrance; keepsake. ta ► ger —, of bloused memory. ter — vae, in memory (commerroration) of. —viering, feast in remembrance of. Gerlach( Iss, lay, mindful (of). G e damp, o. steaming, fuming, smoking. (Sedans, 0. dancing. Gedarnste, o. bowels, guts, entrails. G td art el, o. dallying, dalliance, toying, sporting• Getlauwef, o. loitering. GenInver, o. shaking, quaking. Gedeelte„ o. past, portion, share. & by- partial (-1y), partly, in past. Gedegen, by. pure massy. Gedenk en, ov. & on. w. to remember, to recollect, to be mindful of, to bear in mind; to intend. memoran chum, record. —boar, register, memorandum- book, annals. —dap, anniversary. —naald, —null, column, obelisk. —penning, medal. —tchrift, memoir, memorial. —spreuk, apophthegm. —stub, remembrance. —teeken, monument. —waardip, memorable. --waardigheid, memorablenees. G ✓ dicht, o. poem. Gedlebtsel, o. imagination. Gedienstsg, by. & bw. officious (-1y), obliging (-1y). obsequious (-1y). —e geest, servant. —acid, v. officiousness, obligingness, obsequiousness. Gedterte,o animals, besets, vermin. GedUen, on. w. to thrive, to prosper, to succeed. onreektvaardig good gedijt niet, ill gotten, ill spent. Getting., o. lawsuit, action, cause. —betorger, Attorney. —schrideer, clerk. Gedo bb el, o. dice pleying, gambling. adoen, Gedoentc, o. ado, bustle, hubbub. in een poet zilten, to be at one 'a ease. (ae,csainncuaei, o. hum, buzz, mumbling; slumbering. 414 edonder, o. thunder, thundering. eindones en, ov. w. to suffer, to permit, to allow, to tolerate. —.roam, by. Zie Verdraag.11 am. G e d re a f, o. trotting, running. ei edraal ; o. turning; shuttling. o. hesitatton, indecision. ciedrog, o. behavior, conenet, deportment, demeanor. —ti e, line of conduct. —en (rich), t. w. to behove, to conduct (to carry) one 'a self; to refer can. to). —in g , v. Zie G ed rag. (I rclrssnsg, o. crowd, throng, pressure, QS edrentei, o. lounging, loitering. fliedreun, shaking, dunking, vibretion. Gedvibbel, o. tripping. Geeirneht, es. monster. —e/ijk, by. & bw. moot:tin us (-1y), —eliikticid, v. monstrosity. edrongetu,bv.conelee,compaci,close;thIck-set. Gedroppell, o. dropping, dipping, trickling. Gedrnils, o. noise; rattle; rush, raging, roaring, bowling. Geducht, by. & bw. formidable (-bly), terrible (-bli), tremendous (-1y).
Amiabl a tee'mi-ibl.), a. —y, ad. beminnellik. —eness, a. beminnelijkheid. Amianth (em'i-entb), s. steenvlas. Amicable (em'l-kibl), a. --y. ad . vriendschappe10. —mess, a. vriendschappelijkheid. Amid (e-mid'), Amidst (e-midst . ), prp. te midden van, onder. Amiss (e-mis') ad. kwalijk; verkeerd, to onpas, • to take —, kwalijk nemen. Amity (em'it-tih), a. vriendschap. Ammonia (em-ino'ni-e), a. ammonium. Ainmonlae (em-mo'ni.ek), a. & s. ammoniak. sal —, arnmoniakzout. Ammunition (em-mjoe-nia'ajun), a. krijgavoorread. —Lread, kommiesbrood. Amnesty (eneines-tih), a. vergiffenis. Among (e-mungl. Amongst, pep. onder; teaschen, Amorous (em'o-rua), a. (of), —ly, ad. verliefd. —nees, a. verliefdheid. Amorph ous (e-moefus), a. vormeloos. —y, a. vormeloosheid. Ansoet le-morti, ad. doodsch; treurig. —ization. (-ti- zee'sjun), —szment ( -tiz- merit). s. eigendomaoverdracht in de doode hand. —ice (-tiz), v. a. overdragen in de doode band. Amount (e-maaunt'), a. bedrag. —, v. n. (to) bedragen, beloopen. Amour le-moer'), a. minnarij. Ampltibi an (em-fib'i-en), a. amphibie. —ous, a. tweeslachtig. —ousness, a. tweeslachtigheid. Ainphibolog teal (em-fib-o-lod'zjikl), a. dubbelzinnig. —y (em-ti-bol'ud-zjih), s. dubbelzinnigheid. Amphiseli (om-fispi-aj), a. dubbelachaduwige volken. Amphitheatre (em-ii-thi'e-tur),..amphitheater. Ampl e (etri'pl), a. —y, ad. ruim; breedvoerig; mild: rijkelijk. —enesa, a. ruimte; breedvoerigheid; mildhe:d; pracht. Amplification (em-pli•fi-kee'sjan), a. uitbreidiug. Ampll filer (em'pli-faj-url, a. uitbreider. -l'y (-faj), v. a. uitbreiden, vollediger maken; v. n. (on) uitweiden over. —tude (-tjoed), a. nagestrektheid; overvloed gheid. Atnputa te (ern'pjoe-teet), v. a. afzetten. —tion (-tee'ajun), a. afzetting. Amulet (emloe-let), a. talisman. Amus a (e•mjoee), v. a. vermaken; ophouden. —ement, a. vermaak, tijdkarting. —ing, a. vermakelijk, onderhoudend. Atuygdal ate (e•mig'de-let), a. van amandelen. —ins (-lin), a. amandelachtig. An (en), art. een, eene, eenen. Anabapt ism (en-e-bep'tizm), a. leer der wederdoopers. —ist, a. wederdooper. —istic (-tis'tik). s. wederdoopagezind. Anachoret (en-ek'oret), a. kluizenaar. Anachronism (en-ek'ro-nizm), a. miailag in de tijdrekening. Anagram (en'e-gram), a. letterkeer. Anftlects (en'e-lekte), a. bijeenverzamelde ttittrekselm uit schrijvers. Analogical (en-e-lod'zjik)), a. overeenkomatig. Anal ogous (e-nero-gus), a. (to) gelijkvormig.
voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.
Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.
Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.

spraak. —ful, a. twistziek; strijdig. Stefan., (airaj-goos'), a. borstelig. Strike (tstrailt), s. strilkhout; schepel; staking vas work, sameneparming van werklieden. Sink a (strait")) [struck], v. a. siaan; strijken; afstrijken; treffen; stooten; verbazen; neerlaten; bewerken; mantes; sluiten (eta' koop). —battle slag leveren. —dumb, does verstommen. — root, wortel schieten. —work, het werk stakes. — up one 'a heels, iernand den voet lichten, fdown) nedervel len; ned eriaten. (off; erste.; losdrukken; afsehaffen; wegstrijken; uitwisschen; toeslaan in veiling). (out) nitslean; ultwisechen, doorhales; ontwerpen; sun 't lieht brengen. (up) sluiten (rein' koop); rcerrn (de tram); aanbeften, °mein, —e, v, n slays; stooten; he viag atrijken; straits; schieten; het week stakes. — to the heart, ter harte gaan, (against) aandruischen tegen. (at) clean scar; aenteeten; ondernernen. (in into) hinuenetormen; nitloope.n op; in do rede vallen. (in with; he partij kiezen van; bet eene zijn met. (on) werken op. (out) uitslaan; Aidwa!en, swerves. (up) operelen. (upon) stooten op; aangrtipen; aantreffen. —cc, s. etrijker; stooter; treffer. —in y, a. —ingly, ad. treffend; verressend. —ingness, a. (bet) treffende, ve.rressende. seising )string'), s. band, koord, saner; Nee ; vezel; sneer; reeks. —beard, trarwang. —halt, hanes ► at. —instrument, enaarspeeltuig. Siring (string') [strung v. a. besnarent ass spannen; stemmm versteI ken. —ent (strtn'dzjent), a. sementrekkend; krachtic, naerukketijk. y, vezeligheid. —y, a. ver,elig• Strip (strip), a. strookje, reepje. —, v. a. afscroopen; athalen; ontblooten; uitkleedent plunderer; (of) berooven, ontdoen van. (off) nittrekken. Stripe (etrajp'), a. streep; strook; slag; striern. — v. a. strepen; striemen. —cl, a. gestreept. Strip ling (strip'lieng), s. opgeschoten bossy
to hobble, to limp, to halt. -Wet, liMper, —.lg, be. hobbling, limping. Hand, m. dog ; dog-star. —eketliteg, dog-chain. —enendee, old pieces of ropes and cabled.—enhaor, dog's hair. —enliok, dog-kennel. —enjongen, dogkeeper; stable-boy. —enleer, dog-skin. —emits*, dog's nose. —enras, canine race. —eastager, dogwhipper, beadle. —enwacht, dog-watch. —ensiekte, dog's disease. —eszweep, dog-whip., —3beet, bite of a dog. —.Naar,, watery pustule. —tblotin, dandelion. —adages, dog-days, caniattlar days. --edietei, anthemis. —sdolheid, canine madness, hydrophobia. —edraf, gtound-try. —agree, dog 'egress, canine-grams. —shonger, canine-hunger. —ejong, puppy. —,kerb, dog-berry. -alone, doghouse, tick. —,room, dog-roes. —ester, dog-star. —sto.g, hound's tongue; cynoglossum. —trot, rascal, wounded. —en, on. w. bet cal er —,there will he some strife. Honderd, tw. & 0. hundred; cent. tell! ten —, live per cent. in het at random. —bladig, cant!. —deelsg, centigrade. —handig, boring a hundred hands. —jarig., centennial, centenary. —jarige, centenarian. —oo.qig, hundred-eyed. --tat, hundred, centenary. —taltig, centenary. —voetig, centiped. —road. centuple. —romdig, be. & centuple, hundredfold. —ertei„ be. of a hundred sorts. —moat, —toerf, bw. a hundred times. —ate, by. hundredth; o. hundredth (part), centesimal. Ilkondeeb, by, doggish, currish; unkind, Impolite,, rude; cynic. —Amid, v. unkindness, impoliteness. Houser, m. hunger, appetite;eager desire. — !abbe., to be hungry. — 'Odra, to starve. ran — 81 urren, to die with hunger, to starve. —dood, starvation. —lOder, starveling; pinch-belly. —snood, famine. —en, on. w. to be hungry, to hunger (Aar, after, for), —ig, bv, hungry; sharpset, greedy. —igheid, v. hungrinese; greediness. llonig, m. honey. —b(v. bee. —dame, honey-deW, mildew. —drank, —so(nt, mead, hydromel. —resat, —seats, honey-comb. —water, honled water.—zoef, as sweet as Loney. Honk, o. starting-post; home. ran — sijn, to be absent. — gone. bie — bliken, to remain at home. van - goon, to leave home. >ti ssofd,o. head; brains, judgment, sense, memory; chief, leader; top: pier, mote. — roar —, one by one. sit bet by heart, mental (-1y(. wen het — tot de voeten, from top to toe. het —kites Actives, to be in had spirits. to despond. over het — *angels, to be impending, to threaten. stin breken met, to trouble one's head about.ientand tilt het — praten, to dissuade a. o. from. wit —e van, on account ot. out dies --e, therefore. —aan/eager, first author, — contriver. —aanvat, principal attack. —aanroerder, commander In chief. . —maker. , —oder, ye obblic vein. —altaar,hixb-Altstr sheet-anchor. —artiket, chief article; leading article, —balk, architrave. —bend, bead-band, fillet. —bedskiti.g. coveting' for the head. —begrsp, principal eotIon; general contents, mammary. —beetanddeel, principal element. —beau's?, chief direction. —bestusrder, chief director. —boobs, principal argument. —hesigheid, chief business. —boor, trepan. —borstal, —seanier., head brush. —breken, —braking, trouble, sere. —brekesteg,
Spat, i. Sped, i. & p. p. Smelt, 1.& p. p. Spent, 1. & p. p. Spilt, I. & p. p. Spit. 1. & p. p. Spitten p. p. Split, i . & p. p. Spoke, 1. Spoken, p. p. Sprung. I. Spread, i. & p. ,. Sprung, t. Its p. p. Spun, t. & p. p. Staid, & p. p. Stole, I. St olovii, p. p. Stood, i. & p. p. Pitrick‘i.o, p. p. Stridden. p. p. Striven, p. p. Strode, t. Strove, i. Strown, p. p. Struek,i. & p. p. Strucken, p. r. Strung,!. & p. p. Stuck, t. & p. p. Stung, I. & p. v. Stunk, t. &p. p. Swans, 1. SWeat., 1. Sweater, p. p, Swept, I. & p. p. Swet,1. & p. p. Sw•rbIlart,p, p. Swain, P. P. Swore, I, Sworn. p. p. Swsr.,n,1. & p. p. Swung, I. P p. p. Taken, p. p. Taught.1.8/, p. p. Thought, 1. & p. p. Threw, i. Thriven, p. p. 'Throve, 1. Thrown, p. p. Thrust, I. & 14 p. Told, 1. & p. p. Took, 1. T ore, 1. Torn, p. p. Trod. 1. Trodden, p. p. Narrsehen, p. p. Wex,n.p. p. West, i. Wept, I. & p. p. Wet, 1. Wisp, i. & p. p. Woke, I. Woo, i• & P. li•
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;
ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-
Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Hoe wordt Bitcoin gegenereerd


Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.

Hey to all. Since around 2 months, I am with 99bitcoins reading and getting info and I am very happy here, thanks for a good site. For my bad luck I did not check here for a review of coinbase, I would have save a lot of worthless time. To tell the truth, I hope there is a internet god out there and shut them down. I did not know about their support in US, but as I read the first reviews here, it seems they make themselves a pretty bad place there too. I am located in the D.R.,… Read more »
Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;
nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Mag ik Bitcoin voor contant geld


PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.

Hoeveel was Bitcoin 2009


'ranch (ientaj), g. zeelt. Tend (tend'), v. a. oppugn'', verplegen; bedlenen; bewaken; hoeden; v. n. etch rIehten; streyen; atrekken; doelen; (upon) bedlenen, volgen, -- ante, lie oppaletng, verpt eel. g Jae(' —ency, a. strekkong, nelging. —er, a. °roaster, verpleger; aenbiethng; bod; ad viesjacht, tender, 'oarrax4e, agen. --er, v. a. aanbieden; met teederheid behantelen Tender (ten'tur), a. —ly, ad. teeter; zaelit; zwak, week; gevoettg; bezorgt ; zorgvuldtg; dterbaar. —loin, Ituit: (van een runt). —bodied, zwak, tender. —hearted, teerhartig. —heartednece, a. teerbartigheid. —aided, nk. —ling, a. treetelkind. —nett, a. teeterbei•; zaehtbeid; zwek belt; weekbeit; geraelteheid; zorgvultigheit. Ten &Inoue (ten'di-nut), a. vezelip, pez)g. —don (-dun), a. pees. —dril (.dril), a. hechtrank; a. hechtend, klirarnent. Tenebr Ions (te-nt'bri-us), —out (ten'ebrue), a. tanker, dilator, eamher. —otity (ten-e-bratelt-tth), a. duteterbeid. Tenement (ten'e-rent), a. gepaebt stuk grand; woning, woonhuts. —al —nry (-ment'.), a, ge hoard, gepaebt; le peehten Teneemus (te-nez'mue), u. aandrang tot atoelgang. Tenet (ten'it). a. I eerstok. grondatelling. Tenfold (ten'toold), a. tienvoudig. Tennis (ten'nis), a, kaatsepel. —ball, kaatabal. —court, kaatebaan. Ten oat (ten'un), a. pin, lip, etaart; —awe, schrohzone. —or (-lir), a. beloop, gewone loop; geeteldheid; wijze; inhond, zin; tenor. Tense (tees). a tijd. Tens a (tent'), a. —ely, ad. stiff, etrak, geepannen. —cocoa, —itp, P. strakheid, gespannenheid. —ible, —lie (41), a. epannaar, rekbanr. —ion (-jun), x. spanning. —ire, a spannend. —or, a. trek-pier. Tent (toot'), a. tent; wtekje; tintwijn. —bed, veldbed. —cloth. tentlinnen. --maker, tentenmaker. —pin, tent pin. —pole, tentpaal. —probe, tenth., —wine. tintwijn. —wort, vrouwenhaar, mnurkrutd. —. v. a. tenten, pollen; v. n. in liens tent arena.. Tent no le (tent'ikl), a. voel,priet —afire (-e-tin), bedekt. a. bPpraevend. —ed, a. net Tenter (ten%ur), a. spenraam, -hook. --hook, v. o.. spanners, rekken; v. n. gespanhaak. spannen worden, rekken. to be on the —a . In oarlegenheld zijn. to keep upon the —s met achoone belofteu peelen. Tenth (tenth'), a. &s. tiende. —iv, ad. ten tlende. tib), a. njnbeld, dunheid. Tenut (ten'joe-ue)„ a. tljn, dun. Tenure (ten'per, -jur), s ieenroceigheid, wij ze bezit. oat (voorwaarte) Tap efe,rtion (tap e fek'sjun), a. lauwm eking —id (tepld), a. lanw. —idity (te-pld'it•tib), —or (ti'por), a. lauwheid. —ify (tepl-fej), v. a. & n. lauw make.n (warden). Terre (tr.rs),a. Zie Tiaree. Terebinth (ter'e-binth), a. t erpenthnboom. —ins (-Inuth'in), a. terpentijnachtig. Terebra to (ter'e-breet), v. a. toarboren. —lion (-hree'ajun), a. doorboring.
Litecoin, however, uses the scrypt algorithm – originally named as s-crypt, but pronounced as ‘script’. This algorithm incorporates the SHA-256 algorithm, but its calculations are much more serialised than those of SHA-256 in bitcoin. Scrypt favours large amounts of high-speed RAM, rather than raw processing power alone. As a result, scrypt is known as a ‘memory hard problem‘.
Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-

Wat is beter Blockchain of CoinBase


Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity

Is cryptogeld beter dan reguliere valuta


505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,
C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.

Barnacle (baaenikl), a. eentlenmossel; boom- Baste (beest), v. a. afroaaen; aaneen rijgen. gabs. ---s, s, neuspranger, brit. Bastinii de (bas-ti-need'), v. a. stokslagen eBarotnet er (be - rom'i - tur), s. barometer. — Hven. —do, a. dracht stokslagen. eat (-met'rikl), a. tot den barometer behoorend. Bastion (beat'jun), a. bolwerk, bastion. Baron (ber'un), a. baron, vrijheer; man. —age, Bat (bet), a. knuppel; kolfstok; viedermul, — , a. baronsebap. —ass, a. barones. —et, a. baronet. v. n. knives, halsiaan. —ial (he-ro'ni-e1), a. van een' baron. —g, s. vrij- Hatch (betsj), s. bakael. heerlijkheid. Hate (beet), a, twist, gesehil. —, v. a. verminBa•otich (be-roesP), a. open rjjtuig. deren (front. of). fat, a. twistziek. —meat, a. Harriman (beere-ken), a. barkan (wollen stof). afkorting. Barrack (ber'rek), a. barak. — a, a. kazerne. Batfowling (bet'faaul-ieug), a. vogelvangat bij Barra for (ber're•tur), a. twistatoker. —try, a. nacht. bedrog in rechtazaken; onrechtmatige handeling Bath (baath), s. bad. —keeper, badmeester. van den kapitein tegenover zijnen reeder. spinsbek. Barrel (beerilf, a. vat, ton; geweerloop; spit; Bath e (beeth), v. a. wasschen, becTaelen; v. n. trammel (van een horologie). —organ, draaiorbatten. —ing-place, badplaata. —ing-tub, badget. —, v. a. in eene ton kuipen. kuip. Barren (beern), a. —ly, ad. dor, onvruchtbaar, Hating (bee'tieng), prp. behoudena. schraal. s. onvruchtbare vlakte. —nest, a. Batist (bet-ist'I, a. batist. onvruchtbaarheid. —wort, bisschopsmuts (eene Batoon (be - toen'), s. knuppel; kommando - straf. illattalia (bet - teelle), s. slagorde. plant). Barricade Cber-ri-keetil, a. straatversperring. Battalion bet - terjun), a. bataillon. —, v, a. versperren. Batten (bet'in), v. R. mesten, vruchtbaar maBarrier (beeri-ur), a. slagboom; grenspaal. ken; v. n. vet worden. a. lat. Barrister (ber'ris tur), a. pleiter, rechtsgeleerde. Batter (bet'tur), s. besiag, deeg. — , v. a. benBarrow (ber'ro), s. draagbaar; kruiwagen; grafken, rammeien; vernielen. —ing-ram, atormram. henvel; geoneden zwijn. —y, s. batterij; klopparaij. Barshot (haarNot, 8. stangkogels. Battle (bet'tl), a. veldstag, slag. —, v. n. slag Barter (baar'tur), a. ruilhandel. —, v. n.' leveren. —array, slagorde. —axe, atrij d bijl. —dore, handel drijven. —er, a. railer. raket. —meat, a. kanteeling. Hartrain (baar'trem), a. muurkruid. Bay in (bev'in), a, takkenhos. Iflaryta )be-rafte), s. baryta (aardsoort). Hawbl a (b40 ,01, b1), s, beuzeling. —ing, a. nietsHarytone (ber'l-toon), a. bariton. beduidend, beuzelachtig. Basalt (he-eaolt'), s. bazalt, zuilsteen. —ie, a. Bawcock (baow'kok , , a. kwast, fat. bezel taehtig. Bawd )baowd'), a. koppelaar. —ily, ad. —y, R. Basanite (bes'e-najt), a. toetssteen. ontuchtig. —iness, —ry, a. ontuchtig geanap, Base (bees), s. grondslag; voetstuk. —, a. twig, ontucht. 811001; Bering, gemeen. —, v. a. gronden; ver- Bawl (baowl), v. n. schreeuwen, tieren. —er, a. valschen. —born, van geringe afkomst, onecht. schreeuwer, balker. —ing, a. geschreeuw, ge—hearted, —minded, laaghartig. —tenure, landbalk. hoeve. —ly, long. —neat, s laagheid,snoodheid; IBawrel (haow'rit), s. fazanthavik. geringheid; onechtheid. (baow'sin), a. das. Bashaw (be-shao'), a. bassa; pasha. Bay (bee', a. baai, inham; ruimte; lattrierboom; Bashful (besrfoel), a. —1y, ad. verlegen, blonde. verlegenheid. —salt, zeezout. —window, bong—nets, a, verlegenheid, blooheid. venster. to stand at —, zich stet weten to redBasil (bez'll), a. achutne kant van een' beitel; den. to keep at —, in verlegenheid laten. —, R. p..,e.looide yacht; bazilicum. —, v. a. schuins bijroodbrnin, vaalbruin. —horse, vospaard. — ,v. a. slij pen. aanblaffen; v. n. blaffen. Basilica (be-ziri-ke), a. vorstelijke zeal; prach- Bayard (bee'fird), a bruin paard; domoor. tige kerk. Bayonet )ber'un - net), a. hajonet. Basilicon (be-ziPi-kon), a. koningszalf. 4 Bayou (baPoe), s. kanaal. Basilisk (bez'i - liski, s. basiliskus. Bazar (be-zaar'), a. bazar. B asin )hee'sn), a, belcken; bassin; dok. He (bit [was (woz). been (bin)], v. n. zijn, wezen. Basis (bee'sis). a. gronttslag. let laat maar loopen. to — had, to — told, Bask (baask), v. a. to koesteren zetten; v. n. verkrijgbaar. to koop. zich koesteren. Beach (bietsf), a. strand, oever. — ed, a. door de Basket (baaekit), a. liorf, mand. —hilt, opengegotten bespoeld. —y, a. oevers hebbende. werkt gevest. —maker, mandenmaktr. —man, Beacon (bie'kn), s. bank, lichttoren. —age, a. laatdrager. bakengeld. B ass (bees), a. bas. —non (bee-soen'1, a. fagot, Bead (bled), s. kraal. —8, a. parelsnoer, rozenbaseon. —string, basalt., baaviool. krans; sehuimblaasjes of parelne, —cuffs, Bass - relief (bea-ri-lien, a. half verheven beeldhandlubben met kroalnes. — roll, lijst van perwerk. Bonen voor welke gebeden wordt. — tree, paterBastard (barteturd), s. bastaard; a. onecht. —ize nosterboom. — anon, gehnurde bidder. (-ajz), v. a. voor bastaard verklaren. —y, s. on- Beadle (bie'd1), a. bode, pedal. eehte geboorte. Beagle (bie'gl), a. hazewind
DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!
BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Wat doet de S staat voor Bitcoin


Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


w. to scrub, to *e b. —lap, rubber. —was, waxing. —stir, v. char-woman. Boost, m. peasant, farmer., countryman; clown, boor, short ; knave (in 't kaartipel); belch. —en fates, to belch, to rife wind upwards. —enbedriff, farming. —enboon, great bean. —enbrueloft, country-wedding. —endans, country-dance, jig. —endeer. , —dockter,, country-girl peasant-girl. —esdracht, peasant's dr.... —.Omit, pipe, reed. —enkerbirg, village-inn. —enhofetede, farm. —esbond, farm-dog. —matis, farmer's house. —enhut. —enatalp, cottage. —enjongen, —enksaaP. oottntry-lad, swain, rustic. —akar, —waken, farmer's cart. —eckermis, country-fair, country-wake. —enkinkel, churl, hob-nail. —enkleeding, countrydress. —enknecet, farmer's DIM —enkno/, jade, hack. —eskool, bore-vole, green.kall. —enkoit, country-fare. —enkriiitje, bit of chalk; met het — rekenen, to chalk down, to cast up with Roman cipher!, —reeves, country-life. —enlied, rural song. —esmeid, farmer's maid. —ettoorloO, peasant-war. —mtiproak, —extort?, country-dialeet, brogue. —enstand, peasantry. —envolk, country -people. —envrosw, country-woman —*week, peasant's work. —.mooning, farm house. --engem', farmer's son, country•lad. —achtig, bv. peasant.. like, clownish. —achtioheid , v. boorishness. —derli, v. farm ; farming. —en, on. w. to farm; to belch, to rift wind upwards. —in, v. countrywoman. —reek, b.. & bw. peasant-like, rustic), rustiosl (47), clownieh I-1y1, boorish (-ly). —soh. Acid, v. rusticity; elownishness, boorishness. Boort, v. jest, pleasantry. —es, on. w. to jest, to Joke, to banter. —end, by. & bw. jostibt-IY), jolting (..1y), for a tin) Joke. —er, m. ester, joker. —orb, v. jesting, oke. by. by. jocose ( -1Y4 Jocuar (-1y), facetious (-1y), Immorons (-Iy).
Impark (im-paare), v. a. afperken, omheinen. Imparlance-(im-paar'Iens), a. verlof tot sehikking; ultatel. Imparsonee (im-paar-sun-nie'), a. rrnehtgebruiker van kerkelijke goederen. Impart (im-paart1,7 v. a. mededeelen;yerleenen; toeataan, (to). —ial, a. —Tally, ad. (-paar'ajel-), onpartijdig. —iality paar-sji-erit-tih), I. onpartijdigheid. —ibility s. mededeelbaarheid; nndealbaarheid. —ible, a. mededeelbaar; ondeelbaar. —ment, a. mededeeling. Impassable (im-paaa'aibl), a. oubegaanbaar; onoverkomelijk. Impose Ible (im-pes'aibl), a. onvatbaar voor aandoening, ijalcoud. —ibility (-si-bil'it. tib),
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


-11‘. A . invoerbaar, - ance (-p ► r'tens), b. Improffileienee (im-pro-timfens), s. sehterlijkren. belaugrijkheid, gewicht.. —ant, a. antly, ad. heid, gebrek aan vooruitgang. ( por'tent.), belaugrkik, gewichtig. —atlas (-pur- Improper (ini-prop'ur), a. —ly, ad. oneigentee'sjun), a. loaner. —er, s. invoerder, lijk; ongepast; onjuiat. Inaportun acy (im-port'joe-ne sih), s. lastig- Impropritt te (im-pro'pri-eat), v. a. aan weheld, dringendheid. —ate, a. —ately, ad. (-net-I, reldlijke irersonert overdragen, —ties (-ee'sjun), dringend. —e (•pur-tjoen'), v. a. lastig a. overdracht aan wereldlijke peraonen. vallen, dringeu. —ity(-pur-tjoe'nit-tih), a.laatig- Impropriety (im-pro-prafe-tih), a. oneigenlij kheist, dringendheid. heid; ongepastheid; onjuistheid. Inept; a le (im-poozl'ol), a, op te leggen (on). Improv able (im-proev'ibll, a. vatbaar voor —e, v. a. opleggen; (on, upon( misleiden, be- verbetering. —ableness, s. vatbaarheid voor seedriegen. —er, a. oplegger; bedrieger. —ing, a. betering. —e, v. a. verbeteren; doen vorderen; indrukwekkeud; stiatig. —ition (-po-zisj'an), s. zich ten nutte waken; v. n. beter warden; voroplogging; last; bedrog. deren; (in) vooruitgaan; (on) verbeteren. —entent,
GON.—CON. 5l dig'nit-tih), s. verdienate, —/y, ad. near verdict. (-sjun e-rih), a. de biecbt betreffend. —or, a. ate. —netts, R. evenredigheid, gepastheid. • belijder; biechtvader. Condiment (kon'di.ment), a. toehereiding, krui- Confidant (kon-fl-dent'), a. vertrouweling. ding; sans. Confide (lum-fajd'), v. a. toevertrouwen (to); v. Condlselple (wn- dis-aajp1'), R. medeleerling. n. vertrouwen (in). Conellte (kun-daft'), v. a. inleggen, inmaken. Contiden ce (kon'il•dena), s. vertrouwen; zelfCondition (kun-dis'sjun), a. voorwaarde; toe- vertrouwen; stoutheid. —t. a. overtuigd, verstand; stand.. —, v. a. overeenkoman, hedingen; trouwend, stout. —tie/ (-den'sjell„ a. v. n. bepalingen makes. —al, a. —ally, ad. ad. vertrouwelijk, vertrouwd. —tly, ad. vrij8. voorwaar- voorwaardeltjk. —ality moedig, vrijpostig; met zekerbeid. —tress, s. delijkheid. --(cry —ate, a. bepaald, overeengeko- vertrouwen, zekerheid, stoutheid. men, bedongen. —ed, a. hedongen gesteld, well configur atton iltun-fir-joe-ree'sjun), a. ge—ed, in siechten stoat. —ed, in goeden stout daante, vorm; betrekkelijke stand der sterren. Conditory (kon'dit-tur rih), s. bewaarplaats. —eikun-fiejoer), v.a. tot zekere gedaante vormen. Condo! atory (kun-dole tar-rib), a. van rouw- Conlin able tkan-farnibli, a. binnen grenzen te brief van rouwbeklag. —e epistle, beklag; — (kun- brengen. —e (kun-faj (01, a. aangrenzend. —e (kon' door), v. a. beklagen; v. n. deelneming betui- fajn), s. ere.; grenepaal. —e (kun•fajte), v. A. gen (with — on, upon). —entent, R. be- begrenzen; beperken (to); gevangen zetten (in); rouwbeklag; deelneming. . —er, a. die con- v. n. aangrenzen, belenden, (on. with;, —ed, a. doleert. —ing, a. ronwbeklag. bepaald, gebonden; bevailen. —eras a. untieCondonation (kon-do-nee'sjun), s. vergiffenis. grensd —ement, s. beperking; opsluiting; bevelCondor (koti'dttr), a. laintliergier. ling. —er, a. beperker; grensbewoner, nabuur. Condue c (kun•djoes'), v. a. strekken; leiden; —ity (kun-fin'it-tth), s. nabijheid. bijdragen, hevorderlijk zijn, t/e). —cutest, R. Confirm (kun-form'). v. a. bevestigen; bekeachstrekking. —ent, a. dienstig, bevorderend. —ible, tigen; inzegenen. —able, a. bevestigbaar. —ation —ire, a. bevorderlijk (to). —ibleness, —iveness, (kon-tir-mee'sjun), 8. bevestiging. -atter (-e-tiv), a. dienstigheid. —atory (-e-tur-rih), a. bevestigend. —edness, R. Conduct (kon'dnkt), a. gedrag; beheer, leiding; bevestigdheid. —ing, a. —ingly ad. beveatigend, bekracbtigend. v rkti 'gle, levid. a. beaturen; geleiden; Conflsc able (kun-ils'kibll, a. verbenrd te Co gen'ediAti ter. r (t —, du aanvoeren. — one's self, zich gedragen. —ion verklaren. —te (-bet), a. verbeurdverklaard. —te (-duk'sjun), s. geleiding; bestnreag„ --irieee ( tis' (-keet), v, a. verbeurd verklaren. —tion (konsjus), a. gehuurd. —ire, a. leidend; beheerend, tie kee'sjun), s. verbeurdverklaring. —tor (kon • beaturend. —or, a. rtanvoerder; bestuurder; ge- fis-kee-tur), a. verbeurdverk1Rring. —tory (-ke[eider. —rest, R. geleidster; beheerderes. tur-rih), a. verbeurdverklarend. Conduit (kun'dit), a. waterleiding; buffs. —pipe, Confiturer(kon'filjoer), a. snikergabak. waterpijp. Contlx (kun-fika"), v. a. bevestigen. —are (•joer). Condupitca te (kun dine' pit- ket), a. verdubbeld s. (bet) vastmaken. dubbel geslagen. —te, v, R. verduhheien dubbel Conlin grant (kun flee'grent), a. brandend. sloan. —lion (-djoe-pli-kee'sjun), verdtibbeling —gration (kon-fle-gree'sjun), a. algemeene brandCondyie (kon'dil), s. Cewricht, beenknoop. —tion (-sjuni, a. samensmelting, ondeWngieCone (koon'), s. beget; pkjnappel. —shaped, ke• ttng; harmonic. gelvormig. Conflict (kon'flikt), a. botRing, twist, strijd. Coney. zie Cony. Conflict (kun•flikt'). v. n. strijden, kampen. —ire, Confabolat e (kun-feb'joe.leet), v, n, kenvelen, a. tot strijd leidend. beaten. —ion (-lea'aiu.),( s. gekeuvel. —ory, a. confluen ce (kon'floe-ens), s. aamenvloeiing, samenvloed, toeloop. —t, a. samenvioefend. sea gekout betreffend. Confect (kon'fekt), s. snikergebak. Conflux (kon'fiuks), a. Lie Confluence. conform (kun form'), v. a. gelijkvorrnig maken, Confect (kun-fekt), v. R. kontijten. regelen, inrichten; v. n. (to) nigh zedragen near. Contagion (knn-fek'sJun), s. insuikering; sui- !cowed. —ary, a. suikergebak; banketbakkers. —able, —ate, (-met), a. gelikkvormig. —ably, sit. winkel. —er, a. bankethakker. overeenkomstig, volgens, (to), —ation Ikon-forContedern cy (kun-fed'ur.e sib), a. bonito- meesjuni, a. geltjkvormigmaking; vorming; nootachap, verbond. —te (-ur-et), a. verbonden. inrichting; gelijkvormigheid. —jet, s, lidmaat —te (-nr-eet), v. a. vereenigen; v. n. een bond• der engelache kerk. —ity, a. gelijkvormigheid, gennotsehap aangaan. —tion (-ee'sjun), s. bond- overeenkomstigheid. Confound (kun-faaund'), v. a. ondereen mengen; gennotschsp. Confer (kun rue), v. a. verieenen, opdragen, verwarren, vernielen; verbazen; beachamen. —ed, (on. upon); bijdragen (to). —, v. n. onderhande- a. verward, beschaamd; verbaasd; vermened. len, berRadalagen (zvith). —race (kon'fur.ens), a. verfoeielkjk, verwenecht. —edly, Rd. ontznprelilk; onderhoad, beraadalaging; satneekomat. —rer, 8. —edness, s. vereiagenheid, verwaroing. a. onderhandelaar; verleene.r. onrust zanier, vernieler. Confess (kun fea'), v. a. & n. bekennen, bteeh- Confraternity (kon-fre-tuenit-tib), a. broederschRp. ten. —ed (kun•fese), a. —ed/y, ad. openitik, onbetwistbaar. —inn (-slats), R. bekentenis, be- ConfrIcatIon (kon-fri-kee'sjun), s. wrUving. liktents. —tonal i-Rjrin- el), e. bieehtstoel. —ionary Confront (kun-front'), v. a. tegenoverstellen,
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


liggenci, that draws much water. —gang, draught. —grondig, deep, profound. —lood,plu mmet,so an d• ing-line. —peintend, meditating, pensive. —sinnig. be . & bw. profound ebetruee (-ly). abstrueeness. —achtig. bv. rather deep. --en, ov. w. to deepen; to shade. —er, m. deepener; sbader. -in!, v. deepening, shading. —eel, o. shade. —te, v. depth; deepnege, profoundness. Dior, o. animal, beast. redeioos —, brute. —oarde, zoological garden, menagerie. —kunde, zoology. —homily, zoological. —kuadige, zoologist. —reenacts, brute. —plant, zoophyte. —soart, speales or animals, —onaaabidrieng, zoolatry. —enbeschliver, zoographer. —enbesclarijoing, zoography. —engevecht, combat of beasts. —enhuid, --onset, hide, skin. —enkweller, torturer of animals. —.lien, socilao. —enr(Pc„animal kingdom. —entemmer, tamer of animals. —enwereld. animal world. —aye, o. vixen, ?threw, (she-) devil. —144, be. animal; beastly, bestial. —ltjhheid, v. animality; beastliness, bestiality. —tje, o. little animal, animalcule. Mar, be. Vs Dlorlintir & Dsau ^. —boar, Irv. dear, beloved, precious. —kaarheid, v. dearness. Dierreitik be. Zie Dergelkik. Dies, vw. therefore. consequently. Diets, bw. — reek., to make believe, to persuade to. Dievegge, v. thief. Dleven, ov. & on. w. to thieve, to crib, to pilfer. —betide, —rot, gene (band) of thieves. dog-whistle. —gezicht, hanging face. —lantaren, dark lantern. —leider, thief-catcher. —Carl, cant, slang, gibberish. DieverU, v. theft, robbery, felony. D gel , v. potsherd. DU, v. thigh. —been, thigh-bens, —harst, leg, buttock. —*antes, —etuk,cuieh. —oak, breech. es-pocket, fob. Mien, on. w. to swell, to puff up. DUk, m. dam, dike, bank. clan den — jagen, to turn out of doors, to put out of employment. —boat, undertaker of dikes. —bestwur, —stoel, board of inspection of the dikes. —oreuk, rupture (breach) of a dam. —geld, —fasten, dike-tax, dikeretie. —graaf, —wester, dilee-grave, dike-reeve, —graafschap, office of a dike-reeve. —plichtig, obliged to keep a dike in repair. —recht, regulations relating to dikes. —school°, inspection of a dike. —scent, dike-work. —worker, dikeworkier. —secure, (the) dikes. —age, v. dike-work ,—en„ ov. & ore vv. to dike (to fence) in; to raise a —er, m. dike-worker. DiJals, be. foggy, hazy. —Arid, v. fogginess, haSOMA.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

cryptogeld events


TRA. etederwitzen, oefenen, drillen, africhten (up); (on) Transfix (trens•iiks% v. a. doorsteken, doorvoorttrekken. —able, a. op to voeden, at te rich- boren. Transform ',trans-form'), v. a. vervornen (into); ten. —er, s. africhter, drilmeester. v. n. van gedaante veranderen. —ation (- furTraipse (treeps), v. n. rondo' enteren. neeetsjun), a. vervorming, gednanteverwisseling. Trait (tree, treat), s. trek. Traitor (tree'tur), s. verrader. —out, a. —oualy, —er, s.vervormer. Transfus a (trentefjoezi, v. a. overgieten. —ible, Rd. verraderitjk, trouweloos. a. over te gieten. —ion (-fjoe'zjun), a. overgieting. Traitress (treelt•est), a. vetraderes. Transgress (trent gresal, v. a. overschrijden; Traject(tred'zjekt), a. overvnort, veer. dzjekt'), v. a. werpen, doorwerpen. overtreden, echenden; v. n. zich vergrupen. TraJect — ion (-dzjek'ejun), s. doorwerptng; doorleting, —ion (-grear i on), a. overtreding; misting. —ire, R overtredend, strafbaar. —or, s. overtreder. overvoering; uitstrooming; verschieting, omzet- Transient (tren'sjent)„ a. —ly, ad. voorbtjgaand, ring. —ory, s. loopbaRn. kortetoudig, vergenkelijk. —neat, a. kortstondigTralineate (tre-Itn'i-eet), v. n. afwijken. held, vergankelijitheicl. doorechijnend. a. Trollstenilt (tre-ijoe'eent), Tram (tram'), a. hoeren-, kotenwetren. —, —rail, Transit (tren'sit), s. doorgang; doorvoer. —duty. gleuf,s poor( voor wielen).—road,—way,spoorbe sn, doorvoerrecht. —ion (- sizrun), a. overgeng. Trammel (trenemil), a. echakelnet; heugel, (-mizynn.), a. overgange, —ive, a. overgeand. schoorsteenhaRk; spRnriem. —, v. a. vangen, —ority, ad. —ery, a. (-ur-ih-), zie Transient. opvangen (up); belemmeren, tegenhouden, ver- —oriness (-ur-i-ness), a. Zie Tranalentneem. Transits te (trent-leet'l, v. a. verptaateen; overbeaten, (up). Trrnnontem (tre-mon'teen), R. Ran gene Ode der brengen, overdragen (to); veranderen; vertalen (-lee'sitm), a. verplaatsing; (into); verklaren. a. vreenedeling, bar- bergea gelegen ; vreemd overbrenging; vertaling. —tor, a. vertaler. boar. Tramp (tramp'), a. voetre:s; rondzwerving; land- Transiocation (teens-lo-kee'sjun), s, v erplaattemper. —, v. a. trapper', betted.; (dour) ver- sing. treden; v. n. te voet retzen,ronezwerven. — out/ Tclnasin cent (trene-ljoe'eent), —cid (-aid), a. doorschijnend. eeheerje weg! —er, a. zwerver, iendlooper. Trample (trem'pl), v. a. met voeten treden, ver- Transmarlue (trens-me-rieni, a. overneetch. trappen; v. n. stampvoeten; (on,upon) met voeten Transtulgra ant (trens'mi-great), a. wt-, egtrekkend; overgaand; a. landverhuizer.—te(- greet), treden. —r, s. trapper; vertrspper. Trance (traftn4) , a. 7errukking. —, v. a. verrukken. v. n. verhuizen, uittrekken; overgaan. —lion (-gree'sjun), a. verhui zing, uittocht; zlelererhut—d (treanst). a. verrukt. zing. —tor (-gree-tur, a. Zie Trattsmigrant. Te arsine. (tren'nil ), eti ft, houten pin. Tranquil (treng'kw11), a. --ly, ad. sill, ruetig. Traumatism Mile (teens-miesibl)., a. over te norden (waken, ley siren). —ion (-misf dn), s. ov. rzen-lity (.kwil'llt tih), —near, a stilts, gerustheid. ding, overlevering. -fite ( - Injs), v. a mitten, gerultstellen, Trnitonet (teens-ekt'), v. a. benendelen, verhan- Transmit (trens-reitl, v. a. overzenden, overmatalon, verrichten; v. n. onderhondelen. —ion ken, overleveren (to). —tat (-tel), s. Zia Treas. (- ek'sjun), a. wide rhandeling; 13,11 ,, ndeling; ver- intearon. —ter, s. overzender. —tibia, a. Z le drag; hendelszaak. —or, a. onderhandelnar; nit- Tranumissible. Transient able (teens-mjoelibl), a. verwitsel.. voerder, bewerker. Trans alpine (trens.el , pin), a. Ran gene zijde boor, te veranderen. —ation (-tee'sjine), a. verr, I ering. —e (-mjoet'), v. a. verwisselen, versade". Alpen gelegen. —atlantic (-et-len'tik), a. over- deren (into). —er, s. veranderaar. zeesch, Transcend (teen-send"), v. a. overtreffen, te boren Transom (tren'aum), a. bovendrempel; dwaYsgattn. —ence, --racy, a. voortrelfelijkheid, over hour; worp, bekbalk. stern—, wing—, hekbalk. tretr•n. —eat, a. —ently, ad. voortreffelijk, over- —knees, hub, worpknieen. trettend. —ental ( - den'tel), a, allesovertreffend, Transparen cy (teens-pee'ren-elh), a. doorechijnendheld. —t, a. —tly, ad. doorechtinend. nitmunten d; hovenzinneli) it. s. doorschijne.edheld. Transcola te (trene'ko-leet), v. a. doorzijgen. Tracts vacuous (trens-pik i joe-us), R. doorachtj. —lion (-lee'sjun), a. doorstiging. Trenoser 'be (tren-ekrejb'), v. a, overschrijven. nend. —pierce (-piers'), v. a. doorboren. —ibex, e. overrehrijver. —ipt (tren'skript), s. Transpir able (teens-pafribl),a. ultwasembaar. —anon (-pi-ree'sjun), a. uitwaseming• —e, v. a. afschrift. —iptioa (-ekrin'I‘Jun), a, overechruving. Transfer (arena-kur'), v. n. b eel' en weer loopen, uitwasemen; v. n. nitwesemen; ruchtbaar worzwerven. — oion ( - Njun), a. (het) been en weer den; vcorvallen. Transplace (trens-pltes'), v. a. vet plaatsen loopen; afdwalinr, atviijking. Transplant (trens-plent'), v. a.verplanten.—ation Transept (tren'sept), a kruisvl eugel. ( - ee'sjun), a. verplanting. —er, s. verplanter. Transfer (trenefiar), a. overdrocht. Transfer (trees-fur'), v. a. overdragen, over- Transport (trens'poort), s. overvoet, verzending; brengen (to. upon). — able, a. over te dragen. —se traneportschlp; balling; vlaag; verrukking, geestvervoering. (-ce'), a. ceesionarts. —rer, s. overdragen. Transtigur ation (tree -rig-joe.reeojun), e. go- Transport (teens-poort'), v. a. vervoeren, overbrengen (to); verbannen; verrukken (with). —able, daanteveraneering; verheerlij king, —e (-11ejoer), ge4aante veranderen; verhserlijken. a. verveerbaar. —ation (-pur•tee'e)un), a. ver. v. a. Mt 810 

T1P.—TON. Tipsy (tip'elh), a. dronken, besehonken. Tire (tab.), s. tool, opechik; gewsad; velg van een rad); gereedschap. —woman, hoeden-, mutmenmaaketer; kamenier. toolen, opsehikken; yermoeten, afmatten, vervelen, (out); v. 11. moede worden. —d (tajrd), a. moede; (of. with) zat. —does. (tajrdc), s. vermetelhed; zatheid. —some, a. vermoeien 4 ; vervelend. —somenele, a. vermoeldheld; verveling. Tiring (taj'rieng), e. bet opschikken; het vermoeien. —house, —room, kleedkamer. Tirwit (tuewit),.. kievit. Tisane (ti-zaan'), e. geretewater. 'Tick (tiz'ik), s. —al, a. Zie Phthisic. Tissue (tieroe), s, good., zliverlaken; we efsel. —, v. a. weven,doorweven. Tit (tit' ► , a. wijrje, vrouwmenech; klein nest; moos. —for that, leer om leer. —bit, lekkor beetje. — lark, veidieettweelk. —mouse, meee. Tit h chic (tejth'1131), a. tiendplichtig. Tith e a. timid; tiende gedeelte; — collector, —gatherer. —proctor, tiendheffer; —free, tiendvrij. —e v. a. It n. vertienden; tienden geven. —er, s. tiendheffer. —ing, s. verttending; tiered; aantul van tien huiegezinnen; —man, headmen van eon Centel Easi n nen, Titilia te (tit'll-feet), v. n. kittelen. —lion (-lee , 'dun), s, kitteling. Title (tart)), s. titel; aanspraak, reeht. —dead, bewije van eigendom. —leaf, —page, titelblad. - v. a. betitelen, noemen. —d, a. gettteld. a. condor titel, naamloos. Titter (tit'tur), s, geg!chel. —, v. n. gichelen. Tittle (tit11), e. stipje, tIttel, jots. te a —, tip eon hair, ten stiptste. —tattle (-tot-Mt e.gebabbel, gekleta; v. n. babbelen. TItubnaora (tit jee-bee'ejun), e. wankeling, ntrulkeling. Titular (tit'joe-ler), a. —ly, ad. slechts den titel voeread, titulair. (-le-rib), a. in een' titel beetaand; s, die een' titel (een reeht) heeft; titularis. ast, anti. Thy (ttelh), ad. met groote To (toe), ad. tk prp. near; tot; te, ter, ten; aan; op; jegene; tegen; bpi; In vergelijking van; om te. brother — the king, brooder des konings. as — that, wet dat aengaat.— andfro,— and again, heen en weer, over on weer. —day (-dee"), ad. heden. —do (-doe'), s. beweging, drakte, ophef. —morrow (-mor'ro), ad, morgen. —night (-najt), ad. van avoid; dozen nacht. Toed (toad'), a. pad. —eater, dte genadebrood eel; vleler. fish, zeepadde. —flax, viaskruld. gate waterlelie. —rash,paddenbies. madder. —stone, paddensteen. —stool, paddenstool. —ish, a. pedachtig, vergiftig. —let (-lit), s. kleine padde. —y, s. tafelschuimer. Tenet (toost' ► , a. geroosterd aneedje brood; feestdronk, toast. —, v. a. roosten, roosteren; op de gezondheid drinken van. —er, a. die coostart; rooster; die fen' toast tnstelt. Tobacco (to-bek'ko), e. tabak. —box, tebakedoes. —pipe, tabakeinjp. --pipe-jowl, pijpekop. —pouch, tabakazsk. —stopper, pfjpetoppertje. —Met, s, tabaksverkooper. Tocsin (toit'slu), B. alarmklok.

Litecoin is a peer-to-peer Internet currency that enables instant, near-zero cost payments to anyone in the world. Litecoin is an open source, global payment network that is fully decentralized without any central authorities. Mathematics secures the network and empowers individuals to control their own finances. Litecoin features faster transaction confirmation times and improved storage efficiency than the leading math-based currency. With substantial industry support, trade volume and liquidity, Litecoin is a proven medium of commerce complementary to Bitcoin.
0 ezlen„ by. esteemed, in esteem, regarded. Gezift, o. sifting, garbling, sorting. Gezln, o. family, household. GezInd, by. inclined, disposed. —heed, v. inclination, disposition; persuasion. Gezindtes, v. community, church,sect. Gezoetif, by. sought after, desired, beloved, in demand, in request; affected, studied, far fetched. —heid, v. affectedness, artificialness. CIOZOOli, a. seeking, search. Gezenfas, a kissing. Gezond, be. & bw. healthy (-ily); wholesome (-1y), salubrious (-1y); sound (-iy). — snakes, to cure. — worden, to recover. —cerstand, common sense. — clench, live beach, quick. — in bet geloof, orthodox. de cook is —, all is well how. frisch en— , in good health, brave and hearty. Gt. ondlaeld, v. health; wholesomeness, ;salubrity; soundness, erne inetellsn, to drink a health, to give (to propose) a toast. op he — drinkers van, to toast, — the health of. awe —, your health! here's to you! of/icier can —, surgeon. —softest, certificate of health. --abron, wells mineral waters. —abitfer, 'sanative elixir. —spardel, sash, girdle, — steer, hygiene, dietetics. —el oettand, state of health. G ezou ten, by. saltedhowdered, cornered. Gezucint, o. sighting, sighs. ...IP, 0. toping, tippling. Gezut.terte, v. me. sinters. Gezuurd, by. soured, leavened. G ezvvent, o. swaying, wielding, brandishing. Gezwabber, o. swabbing, mopping. Getz wisteere, m, ma. brothers-In-law. Gez wee f, o. sowing, hoverfng. Gez weer, o. rwelling, ulcer, imp osthume. G ez 'sweet, o. aweating, perspiration. Gezwa4,o. swelling, tumor. G ezwetg, o. swallowing; carouse, revelry. Gersveridell, a. swindling. Gezvvenk, is. wielding, brandishing; turning, wheeling about. G ez wet a, o. bragging, swagxering, bluster. (iezwler, s. rioting, revelling. Gezwind. be . & bw. swift (-Iy), quick (-Iy), nimble (-b1y). —held, V. swiftness, quicimees, nimbleness, celerity. Gezwoen, o. drudging, toil, slaving. Gezwollen, be. swollen, blr cited; turgid; bombastic. —heid, v. swelling, bloatednests; turgid. nevi, bombast, born basil y. Gezworen, by. sworn. — a, an. jury-man, member of a jury —en, en. my. jury. & v. guide. Gide, Gleepsnen, on. w. to bray. Glek, v yard, boom. —nil, boom-sail. Geer, m. vulture; swing, turn. —, v. hog's-wash. —arend, bov,e.kite. —calk, gerfalcon. —toolf, ravenous wolf. —motor', martin. fifer to, ov. w. to ;scrape together, to hoard up; on, w. to yaw, to swing, to sway; to stagger; to scream. — bray, flying-bridge. —pont, ferry-boat. Glerig, by. & bw. covetous (-13)„ avaricious (-ly), niggard (-1y). —aard, an. miser, niggard. —heid, v. covetousness, avarice, niggardliness. G tering, v. yaw, twinging.
DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.
Nation (nee'eJun), s. natie, yolk. National (ne'sjun-el),; a. natlonaal, yolks- algemeen. —ity (-el'it-tin), —nests, a. volkskarakter; vaderlandsliefde. —ly, ad. volgens den landaard. Natty, e (nee'tiv), s. inboorling. —e, a. —ely, ad. geboortig; aangeboren; natuurlijk; — country, vaderland; — language, raoedertaal. —ity (netiv'it-tih), a. geboorte; -tijd; .plaats; to cast a —, sea horoskoop trekken. Natron (nealrun), s. loogzout, natron. Natural (net'joe-rel), a. ,ly, ad. natuurlijk. —, s. zot, dwaaa. —ism, a. natuurstaat; natuur,rodsdienst. —ist, s. natuurkundige. —ity —fleas, s. natuurlijkheid. —izatien
Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer

Is Bitcoin verhogend


471 — makes, to nuke haste. to be quick. —a(jk, bw. soon, speedily. —en, ov. w. to hasten, to hurry; rich —, t. w. to hasten, to make haste, to be quick. —4, , by. & bw. hasty (-1y), speedy (-11y1, quick (-33)., passionate (-Iy); in a hurry. — tight t, v. hastiness, speed, quickness, precipitation; paeeionateness. Ilona, m. hate, hatred. —dragend, by. revnegeful, vindicative. —dropendheid, v. revergefulneax, vengeful disposition. —offer, v. hater, enemy. Hach, v. risk, hazard. illacito,Itik, be, hazardous, dubious, eriticsl. heid,v. hazardouenrsa, dnblotioneas,et i tilealnerse Illactoje, 0. fool-hardy fellow, belswegger. flacht, in. lump, lunch. Haft, o. ephemera. Illagedis, v, lizard. Ilagedoern, an. L'ie illangdoorn. nage', no. hail ; (small) shot, seat —, what the deuce! odds my life 1 —bui, hail- storm; .q bower. —gans, wild some. —slag, hail-storm, -stroke. —steen, hall-stone. —tract, shot-belt, -bag..• wit, as white as snow. —acidly, by. like ht.ii. top. w. to hail. link, v. hoe; heel. --band, heel-piece. —sink, heelpiece. fink, m. hew, cut; time of cutting wood; pique, grudge, ill-will. —bank, chopping-board. —tijt, --met, chopper, chopping-knife. —kick, choppingblock. —cord, chopping-hoard; dulcimer; tafferel. — knack, copse. —lout, coppice, copse. —noes, minced pot- herbs. Mk en, on. w, to hook, to clasp, to catch ; to crotchet; on. w. to be caught; to long, to hanker (naar, after, for). —ing, v. hooking, clasping longing. Ilakkabord, o, Zie Idakitord. Ilakkel oar, m. —aarater, v. stammerer. on. w. to stammer, to stutter. —kees, — tong, stammerer , stutterer. —ing, v. stammering, stuttering. Bakken, ov. & on. w. to hew, to shop, to hash, to trines. in de pan —, to cut to pieces. Ilakkenei, v. hackney, ambler, pacer. limkker, IX!. hewer, chopper, cutter. liakktfeer en, on. w. to wrangle, to squabble, —ing, v. wrangling, squabbling. Sinker). as. chopped straw; minced meat. 11111), v. hall; shambles. o. frozen earth. ii•fon, no. w. to fetch; to draw., to pull; to reach. later. —, to send for. dot haalt er niet diti. that to not to be compered with it. wear haalt IA; dad van dawn? where did you pick it up? how doou y come by it ? by, & bw. he!?, almost. een, half past twelve. — Mei, the middle of !nay. — en —, no so, in a neannet. halve deur, folding door. ten halve, half, by halves. —bakken, would-be. —b.roeder, half- brother, step-brother. —dek, quarter-deck. —dood, half-deed. —donker, dusk, dawn. —dronken, half-seas-over. —geleerde, smatterer, —god, half-god, derni-god. —herndje, front, shirtfront. —jaar, half-year. —jarie,, aeral-annual, of (lasting) nix months. —jaarlirkteh, taking place every eix menthe. —blinker, semi-vowel. --road, hemisphere. —slaehtig, amphibious. —eleten, half

Wat is het voordeel van het gebruik van Bitcoin


Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Hoe worden crypto-uitwisseling geregeld

×