KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

cryptogeld debit card


Bij de toewijzing van de strategische reserve laat het Agentschap van de Schuld zich leiden door de volgende criteria: 1) het aankooporder gaat uit van een investeerder die nog niet aanwezig is in het boek van de lead managers en 2) het aankooporder is van hoge kwaliteit en vertegenwoordigt een reële diversificatie of is ingediend door een investeerder die het Agentschap aan zich wil binden. debtagency.be
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


PRE—PRI. 233 mend; varhinderend. —ire, a —ively, ad. voorko • —r, a. eerst, oorspronkelijk. —r (prineur), a mend, verhoedend, varhinderend (of;. —ive, s abebook, gebedenboek. behoedmiddel. Primev at (praj-mi'vel), —au:, a. allereerat, o or Previous (pri'vleu,), a. —ly, ad. voorafgaand, spronkisltjk. voorlooplg, (to) voor, vroeger. —ness, a. voor- Priming (praymieng), a. pankruit; grondverf, loopigheid; (het) voorafgaan. —horn, kruithoren. —iron, —wire, ruimnaald, Prevision. (pre•vizrun), a. (het) vooruitzien; ruimijzer. Primitial (praj•mispel), a. van de eerstelIngen. vrryrz(oprege.e,), ad. aloud, por• proof; butt. beast of —, roofdier. Primitive (prim'!-tiv), a. spronkeltjk. a. grond•, stamvoord. —nest, roofvogel. —, v. n. rooven, plundereft bird (on. upon' loeren; men; ondermijnen. —er, a. a. aloudheid; oorspronkelljkheid. primness (prim'ness), a. gemaaktheld. roover; verslinder. Prirnogemi al (praj•rno-dzjrni-e1), a. eerstgePeace (praje';, a. pits; waarde; loon. to bear a boren; oorspronkeltjk; vooenaamst. —tor (-dzjen , kosten, heloopen. —current (-kur'rent), prijecou- i-tur), a. voorzaat. —lure (-dzjen(i toer), a. eerstrant. —, v. a. ptijzen,' schatten. —less, a. on- geboorte. —ttsreship (-dzjen'i-tjoer-). a. eerstgeschatbaar; zonder waarde. Prick. (prik'), s., prik, steak; prikkel, stehel, boorterecht. angel; mikpunt; spoor van een' loans); wroeging. Primordial (praj-mor'di-e1), a. oorspionkelijk. —caved, voorbarig; neuewijs. —louse, luizenknip• — s. ooreprong. per, snijder. —madam, muurpeper. —post, bind- Primrose (prim'rooz), a. sleutelbloem. stuk. —punch, dril. —song, lied op note', —timber, Primy War mih), a. bloeiend. Prince (prima), a. vorst,prins. —royal, kroonprins. — wood, papenhoet, epllieboom. Prick (prik'), v. a. prikkea, steken; vaststeken; —'s-feather, duizendsehoon. —'s.metal, spinsbek. ebbenprlkkelen; aanegoren (on); kwell en, grle yen; open- Rupert *s•drops, glastranen. vorstendom; voretenetand.—like,a. steken; vernagelen; opiteken, egiteen (de ooren); bout. (down) opteekenen; op notes zetten; auur maken. prinselijk, vorstelijk. —linen (-11-neat,), s. vorste—ling, a. prinsje. —1y, a. vorsteltjk. —se - to chart, beatek makes, den koers aanteeke- Itjicheid. nen. — the sails, de naden der zeilee atikken. (-es), s. vorstin, princes. —, v. n. zieh opscbikken; spoorslags rtjden; zieh Principal (prin'si-pet), a. —1y, ad. voornaanest, s. hoofd, patroon, laatgever; opschikken; mikken; zuur warden. —er, s. prik- hoofdzakeltjk. hoofdzaak; kapitaal, hoofdsom. —ity (-perit•tih), her; stekel; prlem. —et, a. epiesbert. —ing, a. a. vorstendom, prinedom; heerschappt). — near, prikkeling, etching. Prickl e (prik'kl), a. prikkel, stekel, acherpe a. hoofdzakelijkheid, voornaambeid. punt; —back, stekelbaars; —edged, doreuachtig; Principle (prn'sip1). a. beginsel, grondbeginiel. v. a. van —pear,tniische vijg;—wheik,distel borent;e.—iness grondstelling, grondslag; oorsprong. beginselen (grondstellingen) voorzien; inprenten. (-1-ness), e. stekeligheid. —ing, s. stekel beard. —y, a. stekelig; doornig. — ash, doornesch; —pear,' P rin cock (prin'kok), —cox, s. fat, kwast. (Prink (pringk), v. a. opschikken; v. n. pronken, ind lecke peer. Pride (prajd), s. hoogmoed, trotschheid (of); fier-1 zwierig gekleed gaan. held; luister, praal; tochtigheid. to take -- in, 'Print (print), s. meek, indruk, spoor; temps,; druk, afdruk; prent, pleat; vlugsehrlft; dagblad. trotoch ztja op. —, v. a. one's self (in) trotech uitverkocht. —, v. a. & n. drukken. out of On op, (on. upon) zich laten voorstaan op. of-, indrukken; inprenten. —er, s. drukker. Prier (prayur), a. bespieder, beloerder. Priest (priest), 5. priester, geestelijke. —craft, Printing (prineteng), s. (hot) drukken. art of —, priester bedrog. —ridden, door priesters geregeerd. drukkunst. —house, —office, drultkerij. —ink,druk-ess,e. priesteres. —hoad,s. p:iestersebap. —like, , inkt. —letter, —type, drukletter. —paper, drakpapier. —press, drukpern. (-li-ness), e. prlesterachtig, priesterlijh. Prior (prayur), a. vroeger (to). — right, racist van s. priesterlijkheid- —ly, a. prIesterlijk. a. prior; chef. —ate (-et) a. prioPrig (prig'), e. fat, kwast; diet. —, v. a. stelen, , naasting. rant. — CMS. priores. —sty (-or'it-tih), a. meet.kapen, —pies (-gi , j), a. verwaand, kwaeterig. derheid; voorrang; — of birth, eerstgeboorte; Prill (prill'), s. tarbot. , credityrs by —, bevoorrechto schuldelsehers. Prim (prim), a. gemaakt, stiff, mufferig. —, v. a. I s. priorschap. —y, a. priori). opschikken; v. n. gemaakt ( uufferigi zijn. Prima )praj'me). s. aerate kolom; echoondruk. Primage (praj'zidzi), s. prijarecht. Pribm (prizm), s. prisma. —atic (priz.met'ik), a. voorrang; opperkerkvoogdij. —ge van (els) een prisma. e. kaglaken. —riness (-ri.neee), s. het eerst gin; eerste , graad. —rily, ad. —ry, a. east, oorspron- Prison (prit'n), a. gevangenis. —base, —bars, diefjesepel. —fee, sluit-, zitgeld. —house, gevankelijk; 7oornaamst. —e'y instruction, lager onder- genhuis. —, v. a. gevangen nemen. —er, s gewits. —te (-met), a. opperkerkvoogd. s. gevangenschap, hechtenle. vangene. (-met.), e. opperkerkvoogdij. Prime (prajm), a. —4, ad. eerst, oorepronkelkjk, Pristine (pris'tin), a. aloud, oorpronkelijk. voornaarnst; voortreffelijk, uitgelezen; bloeiend. Prithee (pritleie), int. silicon! ih bid u! e. begin; hear; dageraad; Prittle-prattle (prIt'tl-pret't1), a. geanap. —cost, inkoopsprija. lente; btoei; opkomst; jeugd; pankruit. —, v. a. Privacy (prarve-sin), s. afzondering; helmelijkheld; vertrouwelkjkheld. bruit op de pan darn; in de grondverf zetten. —ness, s. oorspronkeltjhheid; voortreff,lijicheid. Private tprarvEti, a. geheim; btjzonder; ambte-

Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to
ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.

cryptogeld-update


Rhetoric (ret'ur-ik), s. redekunst. —al, a. —ally, ad. (re- tor'iki-), redekunstig. —ian(-ierett), a. leeraar in de redekunet; redenaar. Rheum (roeml, a. verkoudheid, zinking. —atic, (-et'ik), a. rheumatisch, zinking atism (-e-tizm), a. rheumatiek, —y, a. zinkingachtig. Rhino (raj'no),I. geld, splint. —ceres (-nos'e-ros), s. neushoren, rhinoceros. Rhouib frumbl, a. rust. —ic, a. ruitvormig. —oid (-0 d), s. langwerpige rait. —oidal (-ojd'el), a. langwerpig. Rhubarb (roe'baarb), a. rabarber. Rhumb (rumb'), a. windstreek. —card, kompasraoa. —lire, dwarskoera. Rhime (rajrn'), s. rijm. —, v. a. berijmen; v. n. rumen. —r, s. rijmelaar, Ajmer. Rhythm (rithrn'), a. maatklank, rhythmus. —ical. a. klankmatig; welluidend. Rib (rib'), s. rib. —grass, —wort, weegbree. —roatt, afrossen. —wall, vak. deel. v. a, geribd maken; van ribber'. voorzien. Ribald (rib'eld), a. liederltjk. a. liederltk menach. —ry, a. liederlijkheid. Riband (rib end), a. acheergang. Zie Ribbon. Ribbed(ribd), a. geribd. Ribbon (rib'bn), a. lint. —grass, lintgaas. —laver, watte. —snake, lintslang. —trade, handel in garen en lint. --weaver, lintwever. v. a. met linten versieren. Rica (raja"), s. rust; haspel. —bird, —beating, rijstvogel. —cowry, hazelnoot. —flower, rijatemeel. —mill, rijstmolen. —paper, rtjetpapier. Rich (Men, a. —ly, ad. rkik; koeteltk, prachtig; vet. —es (-1z), pl. rijkdom; pracht. —nese, a. rijkheid- kosthaarbeld, pracht, overvloed, vruchtbaarheld, kraeht, lekkerheid. Rich (elk'), a. hoop; opper, 'att. —eta (-its), pl. mgelsche ziekte. —ety (It -tih), a. met de engelache ziekte behebt; kromgegraeid; waggelend. Ricture (rik'tjoer), a. apleet, aeheur. Rid (rid), a. bevrijd, ontslagen. to get —of, ontslagen worden van! zich onidoen van. Rid (rid') [rid], v. a. (from. of) bevrijden, oatdoen; opruimen; wegjsgen. —dance (-dens), a. bevrij ding; opruiming. Riddl a (rid'd1), a. raadsel; grove zest —e, v. a. ontraadaelen; ziften; v. n. raadselachtig apreken. —er, e. raadselachtlg spreker. ingly, ad. rands elachtig. Ride (raid), a. kit, rijtoertje; rijweg. Ride (rajd') [rode. ridden (rid'dn)], v. a. bertjden; willekeurig behandelen; v. n. rijden; rustem, leanen, (on. upon), — at anchor„ voor anker liggen. —at the roads, op de reede liggen. (about) rondrtden. (by) voorbijrijden. (down) omverrijden, overrijden. —r, s. ruder, ruiter; pikeur;
In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.
Borst, IR, Zie Borst. -en, an. w. Lie Borsten• lies, on. bass, base; base-viol. generale -, thorough - bane. — sleutet, bass - cliff. -.car, bassstring. -stem, bane - voice. -ganger, bass •singer. Basalt o. basalt. -rots, basaltic rock. -zed, baxaltie column. Basilisk, m. basilisk, cockatrice. Basle, v. boar, bade. Batson, m bsshiw. Damien. on. w. to yelp, to bay. Basset boron, m. basset-hor3.-spel, o. basset. Bosson, v. bassoon. Bast, m. bark, rind; cod, husk, coat hart; guts, paunch.
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.

crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.

Wat is het punt van cryptogeld


Iiiierkilez eta, ov. w. to reelect. —ing, v. re- Illorplitats en, Or. W. to replace. —ing, v. reelection. placing. inereknedan, or. w, to knead (to mould) over Illerpimalt en, ov. w. to replant, —ing, v. reagain. plantation. ilerkonepee, ov. w. to button (to tie) again) Herpineg en, 07. w. to plough (to till) again. to recommence, to renew. —ing, v. ploughing over again. Illearekr,k en, or. w. to boil over again; to con- illerOloollen, ov. w. t- plait 110 fold) again. side, again. —ing, v. second heiling, illerpeet en, or. w. —tag, v. Zie Herr,tauten. Ilerkieenees, on. w. to proeeed, to finite; to de- Herearoeven, 07. w. to taste again. mend, to derive. —, o, custoee, rive. Illierrekamtn, ov. w. to reckon (to calculate) over Ildereetrinot, v. deecent,extra-tion, birth; origiu, again. derivation. —ig, by. dcaleended, barn, sprung IfferrUz en, on. w. to rise again, to revive. tit (nom), native (of), originary. den dood --, to rise from the dead. —entie,—ing. literatreop, in. repurrhnve. —en, or. w. to re- T. Yie ...der Verrajnen, purchaee, to buy back again. ilicrepep elUk, by. revocable, repealable. —eNlerkonecen, ov. W. to copper again. ltikheid. v. yeeocableaess, —en, or. no, to recall, llerkrtJg an, or. Ir. to get back (again), to re. to revoke, to retract, to recant, to repeal. —in, cover. —ing, v. recovery. v. recoil, revocation, retraction, recantation, Ileelipsd ette, or. w. to load (to lade) again. —ing, repeal. v. loading (lading) again. nersehatt en, ov. w. to revalue. —er, m. reSEerlieee.n, or. w. to learn (to teach) again, valuator. —ing, V. reealuation. etalelatd i,,,t,P, by. reducible. —baarheid, V. ra- lilieriiebep en, on. w. to reship, to transship. ductbleeese. —en, ov. w. to redace. —ing, v. —ing, v. reshipment, trensshipeneet. reduction. iiliereicisepp en, or. w. to metamorphose, to Henley eon, on, w. to revive; to return to life, treusform ; to regenerate. —er, an. metamorto get a new life ; to renew one's age. —ing, v phocer, transformer; regenerator. —ing, v. metarevIval. morphosis, transfornnttion ; regeneration, lieeriez rot, 07. w. to read over again. --ing, Iliersehkin en,on.w. to chine again; to reappear, v. readiog again, second reading. —ing, v. shining again; reappearance. Illerwttlken, ov. w. to remake, to repair. illersehikk en, or. w. to arrange to regulate) Herts., en, or. w. to grind. again. —fog, v. anew. —ing, v. new arrangement. grinding again. llierEehousw en, ov. w. to inspect (to review) allernsuoiaen, or. iv. to don again. again. —ing, v. new inspection. IlltereneliUma, ro, Pa o. ermine, —en, by. (of) en. IllersehrOven, ov. w. to write over again. mine. Hersen en, v. my. brain, brains, —klier. pineal llilerneengen, we. w. to mix again, gland. —ontsteking, inflammation of the biotin, Illertnerkeera, coo w. to mark (over) again. brain-fever. —pan, skull. —boor trepan. —schim, llcc'enct en. oc. w . to measure (over) again, fancy, chileere. —schimmig, chimerical. ' —Irked-ing„ v. reeasering (over) egnie, eeconei mea, ding, cenrueeion of the brain. —riles, cerebral tiTe men t. membratite, meninge. —rorucht, Productionof the illie;rentant en, en. w. to recoin. —tag, v. re- brain,freit oftheunderetanding.—evoede.freney, e.oicege. delirium. —loos, by. brainless, addle headed. —a, lfiternardetto or. w. to new again. v. me. iv:nand de — insla.2n, to knock out a. o. '8 tlerni,11; Op, 0, W. to take back again, to retake; braille. te relay. -icy., a. recapture, retakiug. lilieralUpen, oe w. to whet (to grind, to polish) ellereda..atiee. an. Moravian brother. over again. GI.Vatitelllif P.,Itr, by. renewable. —en, ov. w. liferaraleden, ov. w. to forge again; to change. to renew. —lug, V. reuenal, le novetion. to reform. 'Werra oornon, ov. vv. to rename, to name again. Illieranyelit en, or. w. to remelt. —leg, 'v. re•

Waar kan ik de handel Crypto met leverage


127 hop, bezinksel. back—, achtergrond.fore—, yourgrond. — ash, geitevoet (plant). —bait, ace (voor visechen). —beetle, lo,pkever. —flea, aagdvloo. —floor, --story, gelijkeloer8-verdieping. —ivy, aardveil. —mutt, sporting van rnont. —nut, aard• noot. jonge elk. —pine, veldcipres. —plate, —sill, drempelstuk. —plot, grond; plattegrond; erf. --rent, grondpacht. —room, benedenkamer. --set, beneden-timmerwerk; kruiswortel. —shores, pastweek. —squirrel,swijn (op schepen). —stone, hoek steen. —tackle, grondtakel (om to ankeren). —tier, onderate laag. —toes, snuit, bed() (van hennep). —ways, stapelblokken. —work. grondslag. —worm, regenworm. • Ground (greaund'), v. a. gronden, grondvesten, (on, upon); onderwijzen fin , ; afzetten (het geweer). —., v. n. aan den grand loopen. —age, s. havengeld. —ed, a. -edlY, ad. gegrond. —less, a .—lessly, ad. ongegrond. —lessness, s. ongegrondheid.--ling, a. grondeling; geringe man. Group (groep'), a. *ellen, hoop. —, v. a. groepeeren. —ing, s. eroepeering. Grouse (gram), A. korhaau; hazelhoen. Grout (grout), s. grofmeel, gort; donne kalk (urn to voegen); bezinksel; ongegist bier. —, v. n. voegen. Grove (groov), rts. boschje; loon. Strove' (grov'vl), v. n. kruipen. --ler, a, kruiper; loge ziel. —ling, a. kruipend; laag, gemeen. Grow (gro) [grew (groe). grown (groon)], v. a. doen gronien, telen; v. n. groeien, wassen; toenemen (in); entstaan (out of); worden. (up) ontetaan; opgroeien. (uon) to machtig warden. — short, aloe men. — into fashion, mode worden. — into favor with, in gunst komen bij. —out of fashion,uit de mode geraken. -- out of use, in onbruik komen. —er, s. die of tat groeit; teler, bouwer. v. a. door geknor Growl (grool'(, 8. geknor. ultdrukken; v. n. knorren, grommen. —er, a. grommer; knorrepot. Grown Igroon), a. begroeid; volwassen. —sea, hooge zee. Growth (grooth), a. groei, weadom; gewes. Grub (grub"), a. made; dream.. —s, a. mulzenissen. —, v. a. nitgraven, rooien, uitroelen (up). —, v. n. graven; re oegen. —ber, 8. grave7; zwoeger. —street, s. slecht geachrijf; a. prullig (near eene strata in Londen, wear weleer vele broodschrljvers woonden;. Grudge (grudzy), s. wrok; nijd, wangunst; knaging. to bear a —, wrok voeden. —, v. a. mi.gunnen; met tegenzin geven, nemen of toelaten; a. n. morren (of); ouwillig zijn. —r, s. murder, nijdigsard. Grudgeons (grudzj'unz), 8. zemelen, grint. Grudging (grudzyieng), o. afgunrt; wrok; tegenzin. —ly, ad. met weerzin. Genet (groe'il), e. haven-gortpap; meelbrij. (grull'i, a. —ly, ad.lituursch, norech. —nes*, G a. stuuvechheid. Ga- nan (gram'), a. —ly, ad. gemelijk, stuurseb, bench. Grumble (grum'Id), v. n. morren., knorren (at); rommelen. —r, 8. knorrepot. Grumbling (grum'blieng), 8. gemor; gerommel. —ly, ad. morrend, grommend.
(bep-tis' mel(, a. tot den doop behoorend. —t, a. deeper; doopsgezinde. —tery (bep'tis-ter-ib), a. doopvont• Baptize (bep-tajz"), v. a. doopen. —r (-ur), a. dooper. Bar (bear), a. bout, ataaf; sluitboom, elagboom; toonbank; balie; maatstreep; sandbank; hinderpeal. —iron, staafijzer. —keeper, tapper. —room, gelagkamer. § mosquito —, muskietennet. —,v. a. afsluiten, versperren; verhinderen; uitaluiten. Barb (baarb), a. beard; weerhaak; paardetutg; barbarijsch paard —, v. a. aeheren; optuigen; met weerhaken voorzien. Barbacan (baar'be-ken), a. schietgat; bruggehoofd. Harbar Ian (ber-bee'ri-en), a. barbaar; a. barbaarach. —ie (ber•berlic), a. woest, onbeechaafd. —ism (baar'be-rism), s. woestheid, onbeschaafdheid; barbarierne. —ity (ber-ber'it-tih), s. barbaarschheid. —ice (baariber-ajz), v. a. & n. woest, wreed maken of worden. —ous (baseberus), a. —ously, ad. barbaarach, wreed. —oneness, a. wre , dbeid. Barbecue (baar"be-Irjoe), a. een in ztjn geheel gebraden varken. Barbed (baarbld), a. gebaard; opgetuigd; met weerhaken. Barbel (baar'b1), a. barbeel. Barber (baar'bur), a. barbier. v. a. & n. echeren en kleeden. —monger, fat. Barberry (baar'ber-rihi, a. berberia. Barbet (baar'bit(. a. poedel. Bard (beard), a. bard, dichter, Bare (beer), a. bloat, ongedekt, kaal; arm; onkel. —. v. a. ontblooten, ontdekken. —bone, levend geraamte. —boned, seer mager. —faced, onbeschaamd. — facedness, a. onbeschaamdheid. —foot, a. & ad. barrevoets. —headed, a. & ad. blootshoofds. —of money, zonder geld. —ly, ad. bloot, enkel. — ness, a. naaktheid. Bargain (baaegin), a. koop, beding; voordeel. into the —, op den koop toe. —, v. n. een' koop eluiten, ding en, overeenkomen, (for). —ee(baargin-iel, a. kaoper, aannemer. —er, a. verkooper. Barge (baardzj), a. vracht- of trekachuit. — man, a. schuttevoerder.
Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica
Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com

top 6 cryptogeld

×