B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,
Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.
EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-
Badge (bedzj), s. kenteeken. —, v. a inerken. Badger (bed'zjur)., a. das; uitventer. v. a kwelien. Baffle (bef'Th., a. teleurstelling. —, v. a. bedriegen, teleuretellen; overbluffen. —r (bef-dun), a• verijdelaar; beschamer. v. a. . in can' zak steken; Bag (beg), e. zak. v. n. zwellen. —pipe, doedelzak. —piper. doedelzakspeler. Bagatelle (beg-e-tel'), a. kleinigheid. Baggage (beg'gidzj), a. bagage; alet. li Bagging (beg'gieng), a. paklinneu (anon katoenbalen). Baguio (ben'jo), a. badbuis; bordeel. Itagno iben'jo), a. bagno, (de) galeien. Ball (beer), a. bong, borgtocht. —, v. a. bong.preken voor. —able, a. vEthaar voor borgstelling. —ee (bee)-ie'), a. bewaarder van toevertrouwd goed. Bailiff (bee'lif), a. sehout, baijuw; gerechtsbode. Bailiwick (bee')--wik), a. baljuwachap. Bait (beet), a. lokaaa; veranapering. —. v. a. loklen; aanvallen; v. n. pleiateren. —ing-place, s. pleisterplaats. Baize (beet), a baai. Bake (beck) [baked, baker. LI, T. a. & n. bakken. —house, bakkerij. —r (beeil'ur), a. bakker. illcaking (beekiieng), a. baksel. Balance Iberens), s. balana; what); evenwicht; saldo. —, v. a. wegen; vereffenen, atslaiten; e arzelen (about). Balcony tberko-nib), a. balkou. Bald (haold), a. —1y, ad, kaal. —nest, a. kaalheld. —pate, kaatkop.
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Is cryptogeld echt anoniem


eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.

Hoe financier ik mijn Bitcoin portemonnee


ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Welke is het beste cryptogeld om te kopen


—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid.
INI .—INS. 480 Integer ea, ov. w. to lay in garnison, to quarter. dial (-1y), fervent ( ly). —heid, v. siererity, cor—log, v. quartering. diality,fervor. lining gen, or. w. to lay (to put) in; to lay up; Inning, v. receiving, collection.1 to narrow; to pickle, to preserve; to inlay; to Inoogat en, ov. w. to reap, to gather (in). —ing, contribute, to stake; (met) to reap of, to gain v. leaping, gathering (in). by. —ger, m. preserver; inlayer; contributor. Inpakk en, or. w. to pack (up), to embale. —ging, v. laying in, — up; narrowing;picking, —er, m. pocker.—ing,v. packing (up). preserving; inlaying; contribution. —set, o. in- Inpallon an, or. w. to tuck in; to engross; to laid work, marquetry. receive by instalments. —lag, v. enrossing. Inlaid en, or. tr. to lead In, — into; to intro- Inpreseen, or. w. to try; on. w. to fit in. duce, to usher tn. —er, nr. introducer. —ing, v. Inpeperen, or. w. to season with pepper; to introduction. requite, to make smart for. Inlever en, or. w. to deliver, to preeent. —lap, v. Inperson, or. w. to press in, — into. delivery, presentation. Inplant ow ) or. w. to implant; to inculcate. Ifullehe nem, ov. W. to inform, to explain to. — lag, v. implantation; inculcation. —lag. v. information. Imployien, ev. w. to groave, to channel. Inliggeu, on. w. to be quartered. Ives% iemaed Inprofiren, or. & on. w. to hurl in, — into. —, to cross a. o. 's designs —el, by. inclos- Inplukken, ov. w. to pluck (to pull) in. ed. Inponspeu, or. w. to pump in; to infuse. ov. w. to put into a frame; to place Inpoten, ov. w. to plant in. on a list. Inprangen,ov. w. to cram in, — into. lialijv en, or. w. to incorporate. —lag, v. incor- Impraten, or. w. to persuade (to engage) to. poration. Inpreekell. or. w. to exhort to, to preach up. belokkesz, ov. w. to entice (to deco!) in. Inprent en, or. w. to imprint —, to laminate Inlooda ell, or. W. to pilot in. —bog, Y. pilot(on, upon), to impress (on. with(, to instill (Into). ing in. —ing, v. imprinting, impression, inculcation. baloop, m. running in, entrance. —en, ow. W. Inprappen, or. w. to cram in, — into. to overtake; on. w. to run into, to enter, to Lupo:liken, on. w. to rink, drop in; to take up less space; (egos elhander —, Inrskelen, or. w. to cover with ashes. to be inconsistent, to clash.. lnraken, on. w. to get in. Infuse en, uv. w. to ransom, to redeem. —or, In iregenen, onp. w. to rein in. m. ransomer, redeemer. —tog, v. redemption. Incekenen, or. w. to cover with ashes; to take Inluition, or, w, to announce the beginning in; to catch, to apprehend. of.... by ringing the town-bells. Irarnunen, on. w. to enter at fall gallop. Ininnak, v. Zee Inenaking. o. pickles, Inrichtt en, or. w. to dispose, to arrange, to preserves. nettle, to adapt. —ing. v, disposition, arrangeInnutk en, ov, w. to pickle, to preserve. —ing, ment; institution. v. pickling, preserving. InrUden, ov. w. to overtake; to break by riding Inman en, ov. w. to demand, to get by dauagainst; on. w. to ride In, to enter on horseback. nting. —er, m. demander, dun. —ing, v. demanding, InrUg en, or. w. to lace. —ing, v. lacing. dunning. InrUten, ov. & on. w. Zielnscheuran. lunteng en, or. w. to intermix, to infuse; via Cairn, m. riding in, entrance on horseback. t. w. to meddle (wick). —ing, v. intermixt- Inroolen, or. & on. w. to overtake; to row in, ton; meddltng. —set, o. intermixture, ingredient. — into. Inuaet.tn, on. w. to b3 lessened in measuring, to Inroep en, or. w. to sail in, to summon; to diminish by being measured. invoke. —ing, v, summoning; invocation. Inmetaeltn 4 ov. w. to fix into a wall, to im- Inroer en, or. or. to mix, to intermix, to minmure, to surround with a wall, gle. —lag, v. intermixtion, mingling. Inusiddels, bw. in the mean time. Introeaten, on. w. to rust. Inankinen, ov. w. to call in at an auction). Inrollen, or. & on. w. to roll in, — into. uneuffelion, or. w. to muftis, — up. Iurond, o. interior circular opening. Inuiond en, on. ;w. to discharge, tonmpiy into. Inrull on,or. w. to barter, to truck, to exchange. —ing, v. discharging, junction. —ing, v. barter, truck, exchange. Innreal en, or. to new (up), to stitch; to :Make 'lamina en, or. w. to yield, to give up,to etch' „ shorter. to concede, to grant; to evacuate. —lap, v. Innen' en, or. w. to take (iv); to conquer; to yielding, conceding; evacuation. load, to take on board; to lodge; to make nar- Inrukk en, ov. w. to pull in; on. w. to march rower; to take up, to occupy, to fill; to charm, into, to invade. --ing, v. entrance, irruption, to captivate; on. w. to take phyinc. —end, by. inroad, invasion. charming, lovely. —endheut, v. charmingnees, Inachenk en, or. w, to pour out, to flit. —ing, lovelinest. —er en. taker, captor, conqueror. v. pouring oat, filling. —kg, v. taking tin), reception, capture.! Inechop en, or. w. to chip, to embark; tick —, Innen. ov.w. to receive, to collect. t. w. to embark. —log, v. shipping, embarkment. InnariUk, hr. inner, inward, internalaintrinsic. Inseheppen, ov. w. to put in (with a ladle, ate.). —, law. inwardly, internally. Inecherp en, or. w. to imprint —, to inculcate Innig, by. & bw. sincere (-Iy ► , earnest (-13, ), cur- (on, upon), to instill (into). —lag, r. inculcation.

Their (cheer), pr. hun, haar. —a, theta.* pr. de (het) hunne, de (het) hare. Theis no (thi'lzm), a. godisterij, tbeisnaue. .-t (-ist), a. godiet, theist. —tic, —tical (-iat'lk.), godiatisch, thelstiech. Them (them), pr. hen, bun, haar. Theme (thlem), a. onderwerp, them ; grond. woord. Themselves (them-selve), pr. rich; z13 zeiven; itch zeiven; het (hun, hear) zeiven. Theu (then), ad. dan; daarop; toen. conj. dan, derholve, daerom. Thence (the.), ad. vandaar, —forth (-foorth"), —forward (for'wurd), ad. van dten tljd af. Theocra cy (thi ok're-eih), s. goderegeering. —tic, —tieal (-o-kret'ik.), a. theoeratiech. Theodolite (thi-od'ul-lajt), a. hoogtemeter. Theogony (thi-og'un.nih), a. afetamming dor heidensehe godheden. Theolog Ian (thi.o.lo , dzji-en), —iet (-ol'ud.rj13t), —ue (thl'o-log), a. godgeleerde. —ie, —iecti, a. —ically, ad. (-led'zjik-), godgeleerd. —y zjih), a, godgeleerdheid. Theorem (thi'o-rem), a. stelling. —atical (-et-ik-), --ie (.rem'ik), a. in atellingen tervat. Theoretic (thi-o-retnic), —al, a. —ally, ad. Met). retiech. Theor lel (thi'o-riot), a. heselegelaar, theoretic.. —ice (rajz), v. it. theorien maken. —y, a. bespiegeling, theorie. Theosophy (chi.os'o-fih), a. goddeltjke wijsheid. Therapeutic (then e-pjoe'tik), a. geneeskundig. —a, a. genecskunde. There (Cheer). ad. dear, er; aldaar. —about, —ebonite , ad. dear omtretit —after (-aaf'tur), ad. daarna;daarnstar. —at (-et'), ad. dear; daaraan; daarover. --by (-bar), ad. daardoor; daarbtj. —fore, ad. daarom, derhaive. —from (.from' ► , ad. daarvan, daaruit. —in (-in'), —tato (-in-toe'), ad. daarin. —of (-ov'), ad. daarvan. —on (-on'). -.upon (.up-on'), ad. daarop. —out (-ant'), ad. daarttit. —to (-toe'), —unto (-on-toe'), ad. deartoe. —under (-un'dur), ad. daaronder. —with (-with' ► , ad. daarmede. —withal (-oat'), ad. dearmode; daarenboven. Therleo (tht'ri.ok, s. tegengif. —al (the-rej'ilti), a, ale tegenglf werkend, Thermal (thur•nael') a. warm. Thermonve ter (tbur-tnom'i-tur), a. warmtemeter, wearglas. —tric, —trivet (-mo-metrrik.), a. van hat wetrgtaa. These (thin), pr. p1. van This, Thesis (thi'ets), a. stalling. Thespian (thes'pl-en), a. dremati,ch, van het treurapel. ognedderrakgr; a its. ei)",urad T Itlu i vveg(rhgh glieiw h6 o oaintew; a pier, r, pees; epierkracht. —ed, a. gewoon, gewend. They (thee), pr. pl. van he, she, it. — say, men seat, Thick (thir), a. (het) dikke; gedrang; dicht ge. boomte. a. & ad. —4., ad. dik; dlcht, vol, gedrongen; troebel; grof; menigvuidig; getneenream; and, to speak —, brouwen. — and threlfold, dabbel an dware. — of hearing, hardhoorend. —bodied. zwaarlijvig. —coated, dik an huid. —head, dikkop; domkop. —head, --headed, dik van
Vouchsafe (cautsj-seen, v. a. veroor!oven, toeetaan, mimes; v. n. Melt verwaardigen, geHaven. e. verleening, vergunning; verwaardiging. Vow (van'', gelofte, plechtige belofte. —, v. a. (van'', toewijden; v. n. eene gelofte doen; doen; zweren. —el (-11), a. klinkletter. —er, a. afiegger owner gelofte. Voyage (voridej), s. (see-)reis. —, v. a. hereizea, bevaren; v. n. ems seereis doen. Vulgar (vul'gur), a. —ly, ad. gemeen, Meg; *1iedaegsch, gewoon; algemeen. fractions, gewane briuken. — language, volketael; moedertool. — translation, Vulgate. —lam, s. gemeene (platte) ultdrukking. —tit/ (-g'r'it-111.), a. ilerneenheid, platheid. —ize (-ajz), v. a. gement makon. Vulgate (vurgei), a. Vulgate (latijnsche hijbel. vertaling. Vulnera hie (vul'nur-tb1), kwetzbeer. —bility (-e- ► il'it-tih), —Neves., n. kwetebaarbeld. —ry (-a-rib), a. heelend; — balsam, wondbalsem; — plaster, wondpieteter. —ry (-e-rth), a. heel-, e•ondroiddid. —te (-eat), v. a. kwetsen, wonden. —tion (-ee'ejun), a. kwetalng. verwonding. Vulpine (vuPpin), a. vosachtig;
a. & n. kosten. s, zekere appelsoort; kop. monger, fruttventer. Costive (kos'tiv), a. hardlijvig; verstoppend. —ness, a. berdlijvigheid. Costmary (koseme rib), s. reinvaren, wormvaren. Cot, t u me (kus-ljoem'), s. kleederdracht, gewatul. Cot (kot'), s. hut; kot; vingerling: hangmat; wieg; Mettle boot. —land, land WO eene hut. —quean, Jan hen. —'s wold (-would), sehaaps• —

—ful, a. smakelijk. —ation (-ee'ajun), s. proeving. —atory, (.e.tur rih), R. den amaak betretiend. -fatness, a. smakelijkbeid. —less, a. smakeloos, —y, a. slormachtig, buttg. Gusto (101s'io), s. smaak. Gut (get!), s. darns; ingewand; zeestraat. —scraper, vioolkraater. —spinner, darmanareumaker. —string, darmsnaar. slemptijd. —wort, wervelkruid. v. a. ontwelen; berooven. Gutty.. (gut'te), a. droppel. —percha ( puetsje), gutta-percha, —serena (se-ri'ne), zwarte Maar. Guttsaed (gutitee-fid), a. bedroppeld. Gutter (gut'tur), a. goot, weterloop, groef. luikhout. —stone, Boot-, lekateen. —tile, goot pan . v. a. uithollen, groeven; v. n. uitgehold zijn; afloopen. Guttle (gut,'111), v. a. ontlokken, rnzwelgen;' v. n. brasses], zwelgen. —r, e. gulzlgaard, brasser. Gut tulons Igut'tjoe-lus), a. druppelvormig. —tural (tjoe-ref), a. tot de keel behoorend; a. keelletter. —ty, a. bedroppeld. Guy (gay), a. hoorntouw, topreep. jib bakstag van 't kluifhout. — of a boom, bulletouw von eene giek. — of the flying jibboom, bakatag van 't jaaghout. —pendant, schinkel. Guzzle Iguz'21), v. a. inzwelgen; v. n. zwelgen, brasses. —r, s. zwelgen, zuiper. Gybe (dzjab), v. a. doorkaaien. Gymnast arch' (dzjim-nee'zi-aark),s. bestuurder van eon gymnasium. —um (.zji-um), a. gymnasium. Gymnast (dzjim'nest), a. onderwijzer in beoefenaar win) de gymnastiek. Gymnastic (dzjins nes'tik ► , s. gymnastische oefening; oefening; xis Gymnast. — , —al, a. ad. (-nes'tikl-) de lichaamsoefening betreifend; gymnastisch. —s, a. pl. gymnastiek. Gymnosophist (dzjim-nos'o-flat), s. indisch wij sgeer. Gymnospermous (dzjim - no - spuemus), a. met taakte zaden. Gynareby (dzjin'er-kih), s. vrou'wenregeering. Gyneoeracy (dzjin-t-ok're-sth), a. Zie toy. narchy. Gyp setts (dzjip'si-us), a. gipsachtig. —sum
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
Geduid, o. patience; indulgence, forbearance. —ig, by. & bw. patient (-1y). Gedurende, ye. during. Gedurlen by. & bw. continual (-1y). —heid, v. continualness. Gedraw, o. pushing. joggin. g Gedwatell, o, erring, strayin g. Gedworrel, o. whirl, whirling. Gedwee, hy. & bw. supple (-ply), Pliable (-bly); docile, flexible, meek (-fp, submissive (-1y). —heid, v. supplenera, pliableness, docility, meekness. Gael weep, o. enthusiAsm, fanaticism. Geed well, o. mopping, swabbing . . Gedwtng, o. forcing; teasing, crying. G edwongen, by. forced; affected. —held, V. constraint; affectation. Gnat' (te), bw. dog cheap, for a mock-price, for a mere song. Geefster, v. giver, donor. G eel, by. & o. yellow. —oieter,brazier. —gieterij, brass-foundery. —hoist, fustic. —rink, green-finch. —nicht, jaundice. —suchtig, attacked with the jaundice, jaundiced. —aehtig, by. yellowish. —held, v. yellowness. Geese, tw. no, not one, not any, none. — van beide, neither of them. in —en deele, in no wise, in no respect, by no means. Geenerhands, Geetterlel, by. of no sort, of no kind. op — wtjs, in no wise, in no manner whatever. Geangageer d, a. betrothed, engaged. Geenszlne, bw. not at all, by no means. Gee's, v. banstickle, Geer, a, gusset; gore. Geeren„ on. w. to incline to one side, to recipe, to slant; tie Afhonden. m. whip, lash; scourge. —brocder,—monnib, flagellant. —trok, good for-nothing. —pant, whipping-poet. —roccle,whipping-rod.—slagslash. —OW, whipping. —car, m. whipper; flagellant. —en, ov w. to whip, to lash, to flog: to beat against. —ing, v. whipping, flogging, flagellation. G east, v. heath. Geese, m spirit; mind, intellect., genies, wit: ghost; spectre. fraaie Vt. sterke freethinker. de heilige —, the Holy (3 hoet. den — geven, to breathe one 's last, to yield up the ghost. voor den — kossen, to occur to the mind. —drift, enthusiasm, eagerneee, ardor. —clrijfater, tie Geeetdriiver. --drineend, by. & ow. fee atical ( - 13). --d,ijver, enthusiast, fanatic. —driiverv, enttinelasmfenaticism,bigotry.—kracht,atrength, power of the mind, energy. —1.0, witty, ingenious; spirituous, etrnng. —vermogen, faculty of the mind, mental power, intellectual faculty; talent, part. —verictiOning, apparition. —vervoering, enthusiasm. —verwant, by. congenial of mind. —vcricantschap. congeniality of mind. —enbanner, —enbeticcerder, enorcitser, necromancer. —enIeer, doctrine of spirits, pneumotology.— enr(jk, —enwereld, intellectual (spiritual) world. —enxiener, visionary, ghoet -seer. Goestelkik. by. & bw. spiritual (-1y), immaterial (-1y), incorporal (-1y); ecclesiastic (-ally), rell-
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.
Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.
Pituit nry (pi - tioe'i - te nit), a. slijmleidend; — gland, slijmklier; — membrane, tdijmviie —e (pitejoe-ajt), s. slijm. —ous, a. olijmlg, alijmerig. Pity (pit'ih), a. medelijden. it is a —, het is jam.mer. for — 's sake, in 'a homely imam. —, v. a. medelijden hebbeu met; v. n; medeliidend Pivot (piv'ut,), a. spit, tap. Pix. (pike), s.lcastje, muntkiotje; hostie,altaarkas. Zie PyYt. Plzzlar (piet1), , Pezerik. Placa ble, {plee'llibl), a. verzoetilijk. —bility ( - be 1ai1'it tie). — bleness, a. verzoenlijkheid. Placard iple - kaard'), a. piakaat; verordening. — , v. a. door een plakaat bckend maker; aanplak-
Students who join the Erasmus Programme study at least 3 months or do an internship for a period of at least 2 months to an academic year in another European country. The former case is called a Student Mobility for Studies or SMS, while the latter case is called a Student Mobility of Placement or SMP.[22][23] The Erasmus Programme guarantees that the period spent abroad is recognised by their university when they come back, as long as they abide by terms previously agreed. Switzerland has been suspended as a participant in the Erasmus programme as of 2015, following the popular vote to limit the immigration of EU citizens into Switzerland. As a consequence, Swiss students will not be able to apply for the programme and European students will not be able to spend time at a Swiss university under that programme.[24]
(ren-diel'un), a. overgave. Reneged e (ren'e-geed), —o (-gee'do), a. afvellige, renegaat. Renew (re-njoel, v. a. vernieuwen. —able, a. vernieuwhaar. —al, e. vernteuwing. —edly, ad. op —er, a. vernieuwer. Reniten ce (re-nartens), —cvj, a. tegenetand. —t a. tegenstandbiedend. Rennet (ren'nit), a. renee; kaaaleb. Renounce (re-naanns'), v. a. verloochenen; afstand doen van, laten varen; verzaken. --r, a. verloorbenanr; verzaker. Renown te (ren'o-veet), v. a. vernleawen. --tion ( vee'ejun , , a. vernienwing. —tor, a. vernieuwer. Renown (re-nanun'), a. vermaardheid, team. —ed —edly (-naaund'), a. vermaard, beroemd ad. met roem. —leas, a. roereloos. Rent (rent'), s. huur, pachtv, rente; aeheur. —charge, erfpacht. —roll, renteboek. —service, leendienst. —stock, pacht in nature. —warden, rentmeester. —, v. a. verhnren, verpechten; • pachten; v. n. verhuurd (verpacht) worden. —able, R. vorbuurbear, verpachtbaar. —al, a. rentenboek. —er, a. huurder; pachter; rentenier. Renter (ren'tur), v. a. uiteren (een' nand). —(np, a. ulternaad. Ren un ciation (re-nun.sji-ee'sjun),s. verzaking, afstand. Renbtain (ri ob teen'), v. n. weder verkrtigen. —able, a. weder to verkrijgen. Ileord tan (ri-or-deen ► , v. a. op nieuw wijden. —ination (-di-nee'sjun), a. wederinwijding. Ileorgan faction (ri-or-gen-i-zee'ajun), a. vernieuwde inricht ing,hervorming.—ize (-or'gen-ajz), v. a. op nieuw fnrichten. Repacify (ri-pea'i-faj), v. a. weder be7redigen. Hepatic (ri-pek'), v. a. vermeken. R•pandous (ri-pend'us), a. gekruld, gebogen. Repair (re-peer';, a. verstelling, herateiling, reperatie; verblijfplaats, leger, hol. out of —, v. a. verstellen, heretellen; v. a. bouvrvellig. rich begeven; etch vervoegen. (to). — able, a. Zie Reparable. —er, a. eerateller. Repnre bit (rep's-ribl), a. herstelbaar. (-ree'ejun), a. herstelang: vergoeding. —tine (reper'e-tiv), a. heratellend; vergoedend; a. her' telling; vergoeding. e. tnedig antwoord. Re ► art ee —ation (tisrun), a. verdeeling. Repass (r1-paas'), v. a. & n. weder voorbijkomen. — voorbtjgaan, overateken. Repast (re-paast'), a. maaltUd.
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


0. Obadith (oh-e-dare), m. (ibadjo. Oberon (ob'or•un)., my. Oberon. g. Ocettni. Oceania Octets I a (ok-tee'vi-e), w. Octavia, —us, in Octavio, Odin (o'dln), my, Odin, Wodan. Odysri ca (od-is sfe), —ey (od'is-sih), 1. the —, de Odyeeea. tEdipus (ed'i pus), my. Edipos. Ohio (o-:tern), g. Ohio. Oily er (oPi.our), m. Olivier. --ia (a-liv 1 e), —y (-iv- ih), w. Glivta. g. Olympia. —us, g. Olysnp is Olympus. On -tart." (un.tee'ri-o), p. Ontario. ODIC o'pi), Tn. ()pie. Orange (or'endzi), g. °rani,
I. Icteric (ik-ter'ilt). —al, a. geeltneht; tegen de. I (aj), a. (de letter) I. —, pr. ik. geelzucht. — disease, geelzucht. —, a. middel leIamb ic (a) em'bik), a. jambisch; a. jambiaeh gen de geelzucht. vers. —,,,,, a. jambische veramaat (u—). Icy (arsthl, a. ijsachttg; vol ijs; koud, koel. Ibis (ajbis), a. ibis, nijlreiger. Ice (a);'), ii. ij'. —berg, ijsberg. —blink, ijsaehit - Ide a (aj - di'e), a. denkbeeld, begrip. —al, a. —ally, ad. denkbeeldig, ideaal. —al, a. ideaal. tering —bound, ingevroren. —cream, roorntjs. —alism (-el-iern), a. stelae' van het denkbeelijs. —field, ijsveld. — house, ijskelder. —plant, dige. —aline (-el- 10z), a. a. denkbeeldig maken; ijsplant. —spar. ijsaraath. —spur, ijsspoor. —. v. n. dentbeelden vacates. v. a. tot ijs maken; met ijs bedekken; oversui. Mem tordim),s. dezelfde, betzelfde, keret. Identi cal (aj-den'tik), a. —rally, ad. zelfd,, liclisnctmims (1k-n.loe'mun), a. ichneumon. eenzelvig. —fication (-tit i-kee'sjun), a. screenIclinograpby (ik-nog're-fib!, e. plattegrond; zeiviging. — f y I - ti- 1'0), v. a. vereenzelvigen; v. a. -teekenin),;.. eenzelvig warden. —ty (-tit-tile), a. eenzelviglabor (ai'kor), a. bloederig vocht,iymphe.—ous, heid. a. dun, wateracbtig. Ichthyology (ik-thi-ol'ud-zjih), a. beachiijving Idloc easy (id-i-ok're-sih),s.lichamelijke eigenaardigheid, —y (id'i-o-sih), a. onnoozelheid, der vis.chen. stompzinnigheid. Itchthyophaw.ts (ik-thi•of'e-gus), R. via,he.tend. ici ale (aj'ai1it), s. jjakegel. ijetap. — ness ( - si - ). Idiom (id'i - um), a. tongval, taateigen, — die. —atieal (-met'ik-), a. aan eeue taal teen' tongval) a. kjftaclitigheid. --ny, a. ijakorat. eigen. le0111) elitist (aj-kon'o-klest), a. becaldstormer. —gra; by (-be nog're-fib), a, beeldenbeschriiving,.. ldio pat hy (id•i-opie-thih), 8. Plaataelijke zlekte; hijzondere indrulc. —synerasy (-o sin'kre-eih), a. ---1,, PY ( te , a ,, i' , . 4 , i)h(, a, beetle, kande , heel- eigenaardigheid van eeatel; inizonder teasel. Ite.tee.r.

composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

Kunt u mij Monero met ASIC


This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling

Hoe koop ik Bitcoins bij een geldautomaat


[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.

pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,

cryptogeld yahoo finance


Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.
Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.

v. meal-trade; xi. Grutterkawisskol. -ach ,,baarkeid. venerableness, reverence. -admi- Gruwel, m. abomination, horrible (atrocious) bragger. raal, lord high-admiral. -Cele, bully; babbler. -Cork, ledger. -krengen, to bring deed. -en, on. ye. (van) zie G•uweu. & bw. horrible (-lily), horrid (-1y), enorrnotte up, to rear. -dadig, grand, magnincent, heroic, (-13 ,, shocking (-lyI, atrocious (-ly). -ijkheid, v. --handsel, magnificence, heroiceinese. --dedigheid, horribleness, horridness, enormity, atrocity. wholesele-tratie, -handelaae, wholesale dealer. -hartig. by. & low. high-minded, proud (-1y). Gruw ets, on. w. (van) to abhor, to hold in -hartigheid, higb-mindednese, pride. -het tog, abamivattou, -- abhorrence. --zaam, by. & bw. grand-duke. -herfoydroo. grand-dukedom. -her- hideous Hy!, atrocious (-1y). -zaamheid, v. hide(metiers., atrociousness. togelijk, grand-ducal. -kertogin, greed-duchess. - hoop., great headed fellow. - kruis, grand-cr... Gu.no, v. guano. -machtig„ mighty, powerful.--ntachtialteid,mighti- Gulch el ass, ov. & on. w. Zit Goothelen.-heil, o. anagellis. to exalt, to gierify. nests. --makers, to enlarg -making, mag,ni)ying,giorifying.-meester,grand - Gallic, v. ieetand de - ncsteken, to make months toaster. -rneesteree4ap, grand mitateri-hip. -moe- (wry faces) at a. o, m. blockhead; coward. -, v. mare that by. & bw. tier, grandmother. mons (-ly). -otordigheid, magnanimity. -ntogend, has never been with young. high-mighty. -moge,dheiti., htgh•mightmess. Galt, m. rogue, wag, urchin, scamp. -enetrsek, bottle-none , 1 psreon. ---oor, lung-eared --sneak roguish trick, piece of roguery. -arilperson, -.dere, grand-phrente. -spraak, bolet- fig, be. & bw. roguish (-ly), waggish(-ly).-aching, biu,ter; grandiloquence. -,:preken„ to talk tigheid, v. roguishness, waggishness. v.

Kan een quantumcomputer mijn Bitcoin


Netherlands (neth'ar-lendz), g.the —, de Nederlanden. New eastle (njoe-kaael), g. Newcastle. —foundland (Worland-lend, -faaund%), g. Newfoundland. —Orleans (-ar'llenz), g. Nieuw-Orleans. —stead (njoe'uted), g. Newstead. —ton (njoe'tn),m. Newton. —York (-jork'), g. Nieuw-York Niagara (naj.eee-re), g. the —, dl Niagara. Nicholas (nik'o-les),m. Nicalass„ NIk (nik), f. your Nicholas; Klass, N 'ger (n^)'gur),g. the —, de Niger. Nigriti g. Nigritie. Nile (ILI g. the —, de Nijl. Ninoveh g. Nineve. Noah (ncee),m.Noacti. Noll (no1)1,f.voor Arnold; Nol. Nomodes (1301We-die.), i. Nomaden. Norfolk (nar'fak),g. Norfolk. Nurntatt (noemen), a. Noorsch; i. NOOCIZAZI. dy, g. Normandii , . or way (nor-wile), g. Noorwegen. —teegion (.wi'dzji-en), a. Noorweegsch; 1. Noorweger, Noon —soieh g. Norwich. Nulhla (njoe'bi e), g. Nubie. —n, a. NuMeeh; L. Nubier. Numldla (niot-rnid'i•e), g. Numidie. --n, a. Nunoldisch; t. Numidier. Ni' nip (nump), f. voor Humphrey. Nyckin (nik'in), voor Isaacs.
Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

zin —, lust hebben. —ed, a. geetreept. —el (-i1), L ing (lieng), a, heide; leng. e. lijatje. Linger (ling'gur), v. n. sultkelen, kwijnen; talmen, dralen; weifelen; (after) smachten near. Listen (lis'an), v. n. luistercn, hooren (to). —er, a. luisteraar. —er,s. Lamer. —ing , a. —ingly, ad. di alend, talList fail (list'foel), R. oplettend. —less, a. —lessly, mend, leuterachtig. ad. onoplettend; onverschillig (of,voor).—lessness, Linget (ling'git), s. tongeije; Mang, staaf. a. onoptettendkeidi . onverschilligheid. Lingo (ling'go), a. teal. Einguadertai (ling-gwe-den'tel), a. met behulp Lists (lists). pl. strud- worstel-, renperk. Litany (lit'e-uih), s. fitanie. van tong en tanden uitgesproken. Lingual (ling'gwel), R. tie tang betreffend; tong-. Liters i (lit'ueel), R. —lly, Rd. letteclijk. —lily (-e-rib), s. letterlijke hereekenia. (-el'it — , 8. tongletter., a. letterkubdig. —te (-et), a. geletterd; a. geEingulform m), R. tongvormig. Linguist (ling'gwist), a. taelkenner.—ic(-gwis'tik), a. taalkundig. —ice, pl. vergelijkende tealetndie. /Liniment (lin'iment), a. erneersel, null. Lining (lajeieng), a. voeringi stootlap. Link (lingk'), s. achakel, schalm; toorts. —hoy, —man, toortsdrager. —, v. a. aaneen ketenen( to); aaneenschakelen, verbinden; v. n. verbonden zkjn (in). L innet (lin'nit), a. vlasvink. Linseed (lin'sied), lijnzaad. —oil. lijnolie. halfwolLinsey-woolsey len; getecee, Bering. —, a. half garen en half 'pollen scot. Llivelu•k Clini , to10,

In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]
era. —wedde, pension, yearly allowance. —lijka, bw. yearly. annually, every y stir. —What, cv. yearly, annual. Jftcht. o. yacht. —, v. hunting, chase; haste. — maken op, to give chase to; to hunt after. op de s - hanting. —deirel, indefatigable hunter ; hurrier. -- gores. hunter 'a toils. —gerecht, court of jndteanare in the concerns of the chase. —gewaad, huntsman's dress. —geneer, —roer, hunting - piece, fowling-piece. —godin, goddess of
The other 2% of customer funds, held online, are covered in the event of a breach of Coinbase's online storage. Also, Coinbase holds all customer fiat currency in custodial bank accounts, on behalf of customers. So, if you have fiat currency in Coinbase, in a USD wallet, it is covered by FDIC insurance up to $250,000 (just like a "regular" bank). This protects customer assets (so long as they have been converted to fiat currency) even in the event of Coinbase becoming insolvent.
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin


biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair

61 URE.—CRO Croceous (kro'sjus), a. saffraangeel; van saffraall• Cress (kresm), ki kers. Cresset (kres'sit), a. vuurbaak; toorts; bakenvuur. Crock (krok'), a. kruik, pot; potzwart. —butter, gezouten boter. —er, o. roudventer. --y, a. beCrest (krest"), a. kuif; helmpluim, helntsieraad; rookt, roetig, hanekam; fierneid. —ed, a. gekamd, gepluimd, gekuifd. —fallen, a. moedelooa. —less, a. zon- Crockery (krok'ur-rib), a aardewerk. der kam, toot of wapen; gering. Crocodile (krok'o-d11), a. krokodil. Cretaceous (kri-tee'sjus), a. krijtachtig; krijt- Crocus (kro'kus), a. krokus; saffraan. houdend. Croft (kroft), s. besloten veld; erf. Crevice (krevls), a. spleet, scheur. —, v. a. Croises (krorsiz), a. kruisvaarders. Crone (kroon), s. oude not; oud wkif. splijteu, doen bersten. Cronet (kro'nit), s.thaar, dat bij den paardenhoef Crew (kroe), a. scheepsvolk; troep, ploeg. groeit, kroon. Crewel (kroe'il), 8. kluwen. Crib (krib'), a. krib; hut; koestal; § ledekant. Crony (kro'nih), s. oud vriend, oude kennis. —biter, kribbebijter. —faced, pokdalig. —hage Crook (kroek'),s. haak;herdersstatkromte.—back, bochel; buttenaar. —backed, gebocheld. —, v. a. t-bidzi), a. zeker kaartapel. —, v. a. opsluiten; krommen, buigen; v. n. krom zijn. —ed, a. —edly, steles; v. n. op stal staan. CrIbble(kribibl), s. korenzeef; grof meet. —bread,' ad. krom, gebagen, seheef; slinksch. —edneas, s. kronaheid; gebocheldheid; verdorvenheid. grof brood. —, v. a. ziften. Crick (krik), s. gekraak (van eene deur);stijve hats. 1 Croop (kroep), s. keelziekte. Cricket (krik'it), s. krekel; loge stoel; soort Crop (krop'), a. krop; top; stomp; oogst. —, v. inzamelen; maaien. —car, 1 R. afkorten, kappen; van kolfspel. —er, a. cricket-speler 1 kortoor. —eared, met gekapte ooren. —fat, prop. Crier (kraj'ur), 8. omroeper; mchreeuwer. door maagoverlading onCrime (kraim'), s. misdeed. —fat, a. misdatlig.' vol, verzadigd. —sick, maagziekte (door overlading). gesteld. —sickness, -less, a. onschuldig. —time, oogsttijd, —whip, voermanszweep. —per Certain al (krim'i-net), a. —ally, ad. misdadig —al, a. misdadiger. —ality (-nel'it-tih), —alness, (-pun), s. kropper (dolt). a. misdadigheid. —ate, v. a. beschuldigen. —ation Crosier (kro'ziur), s. bieschopestaf. (-nee'sjun), a. beschuldiging. —story, a. beachul- Croslet (kros'lit), a. kruisje; haarband. Cross (krom'). a. kruis; droefheld, lijden. —and digend. pile, kruis en munt. to creep to the —, zieh onCrImosIn (krim'zin), a. Zie Crimson. Crimp (krimp), a. broos, brokkelig; zwak. —, derwerpen. —aisle, zijvleugel (Pener kruiskerk). a. ronselaar; agent voor kolenhandelaars. —, , —armed, met gekruiste armen, werkeloos. —bar, v. a. krullen, friseeren;' krimp snijden; ronselen• dwarahout; kruim (van een venster); zwieping. dwarabalk.—bilt, Crimple (krim'pl), v. a. (taken) krimpen. (up) —bar shot, atangkogel. —beam, —bite, a. valstrik, kronkelen. kruisbek (vogel); tegenklacht. Crimson (krim'zn), a. karmozijn. —, a. karmo- bedrog; v. a. bedriegen..—bow, kruisboog. —bowram. zijnItleurlg. —, v. a. rood verven; v. n. blozen. er, kruisboogschutter. —breed, gekruist —cut, Crincum (krink'um), s. kramp, samentrekking; —bun, kruiskoek. —caper, dwarssprong. nub, grit. dwara doorsnijden. —cut-saw, trekzaag. —day, onderzoek door de Cringe (krindzj'(, a. slaafsche buiging; kruipende ongeluksdag. —examination, tegenpartij to hooren; onderzoek door strikvraonderdanigheid. —, v. n. laaghartig vleien; de tegenpartij in verhoor semen; —examine, gen. —r, 8. kruipende vleier. (to). kruipen Cringle (krin'g1), s. ring; oog van een touw. door strikvragen onderzoeken. § —eye, scheel. oog. —flow, in tegenovergestelde richting vloeien. —a, a. leuvers. —.fortune, tegenapoed, wederwaardigheid. —grain. Crinlgerous (kris-id'zjur-us), s. harig. ed, tegen den dread; stuursch. —jack, bree.fok. Crinite (krarnajt), a. haarachtig. —jack-yard, bagijnera. —lane, kruislaan, dwars. Crinkle (kring'kl), a. kronkel. —, v. a. & n. steeg• —legged, met de beenen kruiselings. —line, kronke?en, rimpelen. kruislijn. —marriage, —match, gemengd buwelijk. Crinbilne (krin'o- lin), a. stijve rob; hoepelrok. § —patch, bullebak. —path, kruisweg. —pawls, Cripple (krip'pl), a. kreupel. —, a. kreupele greenen senten. —piece, tiwarastuk. —piece of —, v. a. kreupel makes. the bitts, bettngbalk. —piece of a cleat, balkjein Crisis (kraj'sis), a. toppunt; crisis. een kruishout. —piece of the head, talkie in 't Crisp (krisp'), a. gekroesd, kronkPlig; broos, brok- galjoen. —pillar, stut . —purpose, mieveretand; kelig, murw; geroost. —, v. a. krullen, vlechten; niet passend antwoord; tegenstrijdig plan; streep bruin roosteni v. n. kronkelen. — a/ion (-pee'sjun), door de rekening —purposes, vraag- en ants.krulling. —ing-iron, —ing-pin, krulijzer. —nes, woordspel. —question, zie —examine. —road, s. kroesheid —y, a. kroes; broos. kruisweg, viersprong. —row, a-b• bock. —seizing, Criterion (kraj-tPri-un), 8. kenteeken, rnamtstaf. kruisbindsel. —staff, graadboog. —tree, dwarmsa. Critic (krit'ik), s. kunstrechter, beoordeelaar; he- —turns, mlagen van kelaar; beoordeeling. —, —a/, a. —ally, Ad. kunst- ling. —trees, kruishouten. —wind, tegenrechterli.jk; zorgvuldig; hoc helijk, netelig. —ise eene kruising. —way, kruisweg. (4-sajz), v. a. & n. beoordeelen; hekelen. —ism wind. —wise, kruiswijze. —wort, kruiswortal. Cross (krom'), a. kruiselingsch, schuinsch,dwars, (-i-shm), a. kritiek, beoordeeling; gimping. averegtsch• tegenstrijdig; eigenzinnig; stuurech. Croak (krook'), a. gekwattk, gekras. —, v. n. kwaken, brasses, rommelen. —er, a. knorrepot; —, v. a. bruiser; met een kruis merken, doorhalen; dwars oversteken; dwareboomen, belemmeongeluksprofeet.

verzolen; v. n. te vest gaan; trippelen, huppelen. —ed, a. met voeten. —ing, a. grand voor de voeten; steun; voet; grondslag; trod, (-doed1), s. Fop tfap'). a. fat, modegek. —doodle uilekuiken. —ling, s. saletjonker. —leery(-pe.rih), a. kwasterigheid; ijdele vertooning. —piste, a. —PighlY, ad. ijdel, verwaand. —pishness, s. kwasterigheid, ingebeeldheid. For (for), pep. voor, wegens, om; uit; near; ten coej. want. as —, wat aauzien van; gederende. betreft. bat zonder; ware het niet om. — all, ondanks. —all that, evenwel. — as much as, voor zoo ver; dewijl. oh, for..., och, dat er.... ware. — shame! 8Ci► aaM ul - want of, bij gebrek aan. —why, vaarom, wesha.lve. Form; a (for'idzj), stroopertj; voeder; v. a. atroopen, plunderen; nen' utrooptocht doer'. —er, s. voederatrooyer; voederleverancier. —iny, e. (he;) fourageeren. policienauts. Foray (fu-ree'), s. vijandelijke inval, Foraminous (to-rem'i-nus), a. met gaten. Worhear, (for-beer') [irr.], v. a. verdragen; nalaten, vermtjden; v. n. geduldigl zijn; ophouden, toeven; niet willen; tto) zich enthoudea van. --ante, s. nalatieg; uitstel; vcrdraagzaamheul. Forbid (for-bid") [irr.], v. a. verbieden; verhoeden. Heaven —, de kernel verhoede hetl —dance, ad. op ongeoorloofde a. verbod. a. beletael; a. wijze. —der, 8. verbieder. afschrikkend. Force (fours'), s. kroeht; geweld; nooddwang. by main —, met geweld. —s,e. krtjgomacht. —meat, gehakt vleeach els voice). —pump, perr‘pomp. —, v. a. noodzaken, dwingen; dringen; bedwingen; bernannen; broeien; openbreken; verkrachten. (a/oag) voortateepen. ;away) wegrukken, weg'dringen. (in. into) dringen in. (on.upon) opdringen; doorzetten. (with) versterken met. —d, a. —dly, ad. gedwougen. —dnesa, a. gedwongenheid. —ful, a. —fully, ad. krachtig, eeweldig. —less, a. krachteloos. Forceps (for'seps), a. wondtang. Fore or Ifoor'sur), a. dwinger; zuiger eener pump. —ible, a. --ibly, ad. krachtig; krachtdadig; geweldig; gedwougen; verbindend. Foreing (foor'siPtigli s. dwang; kunetigo iijpmaking. —house, broeikas. —pump, perapomp. Foreipated (Neel-peat-id), a. tangvormig. Ford (foord'), a. wadde, waadbore pleats; rivier. —, v. a, doorwaden4 —able, a. doorwaadbaar. Fore- (foor-) [in samentit.], voor, vooraf. — Wear, in de volgeude itamenstellingen,de uitspraak niet is aangewezen, daar,heeft fore den klemtoon. Foreatimonish (-ed-mon'isj), v. a. voorafwaarschuwen. Foreadvise (-ed-vajz'). v. a. vooraf raden. Foreappoint (-ep-pojnt'), v. a. vooraf bepalen. (-aarm'), v. a. van te Forearm. s. voorarm. voren wapenen. Forebod e (-bood"), v. a. voorspellen; een voorgevoe1 hebben vsn.—eniont, s. voorepelling; voorgsvoal. —er, a. voorepelJer. —ing, a. voorteeken; voorgevoel; a. voorspellend. Fore body, a. vooreehip. —boom, a. kluivcrboom. —bowline, a. foltke-boeglijn, —braces, a. fokkebrassen.
II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&

Is crypto gokken illegaal


AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.
Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.
497 Kastelenij, v. castetlany, manor. Kasttjd ass, ov. w. to Mistime. —er, m. —tiler, v. chastiser. —ing, v. chastisement. haat oor, m. & o. castor, beaver. —ore*, by. heaver. Mastro!, v. stewing-pan. Kat, v. oat; pink, fly-boat; battery, plattmm; cavalier, battering-ram; bailer& grapnel; vixen, bag, whore. — in den zak koopen, to buy the pig in a poke. de — nit den boom kijken, to watch an opportunity. a oaf, Keg. —aas, bait fur cats; good-for-nothing fellow, vixen. —tinker, kedgeanchor, backing-anchor, grapnel. —blot, oatblock. —halters, on. w. to drudge in vain —sop, cat 's eye. —eclair. fly-boat. —nil, screech-owl. —Tisch, small fry. —zwijra. swoon, fainting fit. —tet,k, cat's trough. —fetish, cat- block.—leaarni, cat-gut. —tedrek, cat's dung. —tegat, cat's hole. —tekop, cat's head; norman. —tekruid, cat-mint. —tehwaad, naughty (waggish) tricks. —temsf, catakin muff. —te.:poor, rider. —teetaart, cat'e tall, home-tail. —tent, cat's akin; termagant. —tenpetrol, —tengesehreeuw, catIrwatillng. —tingemaim, mewing of cats. —tengeslacht, feline race. —tenhaar, cat's hair. —tenntuziek, mock-music, rough music, mock-serenade. —tenypet, tough play, quarrel. —aelitig, br. catlike; vixenly. m. male cat, he-eat, tom-cat; tenant of a little farm. —stede,little farm. Materna T. & o. quire. Katholiek, be. & no Zie !AMU's, is, by. miserable, calamitous. —Arid, v. misery, hardship, calamity. Katie, o. kitten, catkin, gosling. K affects, v. & o. cotton; calico. —boat, bale (bag) of cotton. —boons, cotton-tree. —dragger, calicoprinter. —drukkerij, canco-printingefectory. —wercr, calico-weaver. —en, by. cotton. atrul, v. pulley. eheace. —loan, pulleyrope. Katt an, or. vv. to back (the anchor); to decline; on. w. to kitten. —ig, by. eatlike,vixenly. Kamm, y. jack-dew. Keuw en, or & on. w. to chew, to masticate. —middel, masticetory. —spier, masticatory mus cle. —land, grinder. —er, m. chewer, masticator. —log, v. chewing, In asticatIon. Kauwearde, v. gourd, pumpkin. KIRUNNOMi, o. chewed muff. Kavalje, o.j ade, old rip; old (paltry) house. naval, m. lot, parcel. —en, ov. w . to parcel oat, to divide into Iota ; to compute; on. w. to Cast lots. —itea, v. parcelling out, lot, parcel. linalaar, v. caviare. wane?, v. come sort of tortolse•shell. linnesswat, v. caaemate. Kamen, on. ay. to curdle. hazernae, la barracks, cement. Kazeilfel, v. chasuble. Kr, e1, v. throat, gullet; voice; long narrow piece of a board. verheerde —, wind pipe. eene groote opsetten, to shriek (to scream) out. —ader, jugular vein. —band, string of a cap. —cat, g ollet. —geluid, guttural sound. —gezwel, core throat, quinsy. —knohbel. Adam's apple. —Alice, tonsil, jugular gland. —kruid, privet, —letter, guttural
Uninouid (un-moold'), v. a. vetvormen. —td, a. a. ongeor6end; niet banterktuigd. —iglsu: (-id'. vervormd, ongevormd. sfl-nel), a. niet oorsproukelijk. U ninon rned (uu-moornd'), a. onbetreurd. Unornament al (un.or-ne-ment'el), a. niet verUninov able (un.moev'ibt), a. etc. Ste Immovsiarend. —ed (-or'ne-meat-id), a. n:et versierd. able, etc. —ed 1-monad'), a. onbewogen. — inn, Unorthodox (nn.orlho-doks) nlet reehtzina. onbewegetijk; ntet bewegend. niet aandoentijk. nig. Unnauffle (un-murit,, o. ontblooten, onthullen. U now wed ;un-oond'), a. zonder &gamin ni4t erUemualeal (an-ngoe'mk1), a. niet muzikaal. bend. Uninuule (un-maz'z1), v. a. van den mutlband Unpaelf In (un.pe. sink), a. Met vreedsaam. —led ontdoen; toonen. (-muz'zld), a. ongemnil(-Peal-fajd), a. onbevredigd, ongsatild. band. Unpack (un- pek'), a, a. nit-, ontpakken. Unman (nu-wel), v. a. van de epijkers ontdoz a. Unpaid (un-peed'), a. onbetaald (for). —ed (-neeld'), a. ongespijkord. Eapaln ed (un-peend'), a. vrij van smart. —fur Unnamed (un-neernd'), a ongenoernd. (-peen'toel), a. niet pijalijk. —ted (-peent'id), a. Unnatural (un-netloe-rel), a. —ty, ad. onnaongeschtlderit. tunrlijk. —ice (-sj.), v. a. onuatuurlijk maken. ?Unpaired (urt•peerdi, a. ongepeard. g. onnatuuriijkheid. Unpalatable (un-pere-tibi), a. onsmakelijk. Unnavige bite (un- nev'l-gibi), a, onbevaarbaar. Unpara Haled Inn-per'el-leid), —gonad (.e-gond), —ted (• gas- tld), a. onbe rare.. a. onvergelijkelijk, weergaloos. Unnecessar Hy (un-nesla-se-r11-11h), ad. —y, Unpardon adt,le (un-paar'dn-1131), a. —ably, ad. a. onnoollg, onnoodzakelijk. —iness (-ri-nete), a. ongergetelijk. —ad (-dund), a. onvergeven, —in1,, onnoodzakelijkheld. a. ntet vergev end, onverzuenlijk. Unneedful (un-nied'foel), a. noodeloos. Unpared (un-pearl')... ongeechild. Uanelghborly (un-nee'bur-Iih), a. & ad. on- Unparliamentary (un-paar-le-ment'e-riit), a. buurechappeltj k, onvriendelijk. etrIjdig met de gebruiken can het parlement. Unnerve (un-nura'), v. a. outzenuwen, verzwak- Unparted (un-paart'id), a. ongeseheiden. ken. Unpas sable (un.paaesibl), a. onbegaanbaar; Unnobi a (un-no'h1), a. ad. onedel, gammen. ongangbaar.—sionate( •uturun•et),,onhartotochVaunt ed (un- no'tid), a. onbemerkt; ongederd. te n ijk, bedaard. —lurid (-guard, -third), a. onge—iced (-Vet), a. onopgemerkt. weld. Unnumbered (nn-num'burd), a. ongeteid, tat- Unpa thed (nn-paathd'), a. ongebaand. —thetic too.. (-pe-thet'ill, a. ntet aandoenlijk. —triotic (-peeUnobeyed (un-o-beed ► , a. niet gekoorzaamd. tri-ot'ikl, a. niet vaderiandelievend. —tronisrd Unobject ed (nn oh dzjektirl.), a, niet tegenge(-pet'run-ajsd), a. oubeschernid. —red (-peevd'), a. wor„en; onweerepr.lken. —ionoble (•dzjek'ejunonbestraat. tb1), a. onverwerpelijk. Unpavuned (un-paoncin, a. onverpand. Unob nouloaa (uu-ob-nok'sjuP.), a. ,.let under. Unpeace able (un-pies'ibi), —fat, a. —ably, ad, hevig; etrafbaar; aanetooteliJk (to). —seared onvreedzaam; woeltg, onruatig. —ableness, s. ma(., akjoerd'), a. onverduisterd. vreedsAstnheid, woeligheid. Unobsequioua (un-ob-81'kwi-us)„ a. ad. Unpeg (un-peg), v. a. van de pinnenlosmaken. ,ngedienetig; niet onderdanig. —rens, a. onge- Unpen (un-pea'),v.a.uit tie boot. drilvinclos-,doordiengigheid; on ehoorzeamhaid. laten. —etrated (-e-tree-tid), a. undoordrongen. Unotbsery able (un.ob•zurv'tb1), a. onbemerk—eluding (-e-tree-tieng), a. Met dooraingend. bear; Met in acht te nemen, —ante, a. onop— rioned (-sjuktd), a. zonderj aarwedde, pensloen. merkzaarchetd, veronachtzamIng. —ant, —ing, a. Unpeople (un-p 4 e'pl), v. a. ontvo!ken. unopmerkzaam, niet acht nemend —ed Upper calved (un-pur.sieve), a. onbe'oterkt. (-zurvd'). a. onopgeutorkt. —forated(-purno.ree-tid),a.ondoorboord.—forned •Unobstrueted (un-oh-strukt'id), a. niet ver- (-fornad'), a. ouverriebt, onvervu:d. —jured (-pueetopt, onbelemmerd. dzioerd), a. ntet meineedig. —mitred Unobtain able (un-ob-teell'ibl), a. onverkrIjga. ougeoorloofd. —pieced (npleket"), a. niet verbear. —ed (-Wad'), a. onverkregen. tem, verward —suaduble (-swee'dtb1), a niet Unob trusive (un- ob-troe'eiv), a. niet indringend te overreden. —carted (-Turt'id), a. onverdorven; (on). —vices (- ob'vi. Ira), a. niet to bat oog vallend. Blest verdra,id. Unoccupied (un-ok'kjoe-pajd), a. unbent; ntet Unpetrilled (nra.pet'rl-fajd), a. Wet versteeud. beztg. Unphilosophical (un-111-0-soriiki), a. --ly, ad. Unutr ending (on .0-fendleng), a. ntet aenstoo- onwtjegeerig, —ners, a. onegsgeerigheld. telijk; onechadelijk; onethutellg. —ered (-orfurdi, Unpicked (uu-piktn, a. ongepikti ongeplukt; ona. oneangeboden. —icial (-titre!), a. Zie blotnitgezoebt; ongereinigd; onargekloven. -oeions (•tig'ui), a. ongedienstig. Uspiercse able (un-piers'ibi), a. ondoordringUnoften (un-ot'n), ad. niet dtkivkjim. bear. —d (-pierst'), a. ondoorboord. Unoll (nu ojn, v. a. van olie zuiveren. —ed (-ojtd"), Unpin (un-pin'), v. a. van spelden ontdoen; losa. ongeolied. spelden. —eked (-pintsjt"), a. ongeknepen, ongeUnopened (in,o'pnd), a. ongeopend. kneld. —ioned (-jund), a. losgemaakt; solider Unopposed (nn-op.poozd'), a. onverbinderd. rondaela. —ked (-pingke), a. zonder gaatjes or Unor der ly (un-or'dur-itb), a.onordelijk.—disary oogjea. (-pind'), a. ongespeld. (-di-ne-rih), a. ongemeen. —gasived (-gen-ajzd), Unplt led (un-pitild), a. onbaklaagd. —Vet, a.
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
DIetteolioni, v. diagonal. Makes, rn. deacon. —schap, o. deaconship, deaconry. Diakonee, v. deaconess. Dianaant, joa. & o, diamond. —gnat, --porter, diamond-duet, -powder. —atimer, diamond•Cutter. —of, by, diamond, adamantine. Diannseter, in. diameter. Dintrhee, v. Zie Dieht, o. poetry; poem, verses. —adv., pgettell vein. —kundig, poetical. —kunst, (art of) poetry. —hare, poetical whim. —mast, metre. —repel, line of a poem, sterile; —sink, —work, poem. —vane, poetize' rapture, ecstasy. —en, or. w• to •ersity, to compose; to invent, to contrive; on. w. to versify, to write poetry. —er, rn poet. —errs, v. poetess —esprit, be. & bw. poetic, 'poetical (-1y). —erlOkheid, v. Poetic/11nmDicht, by. shut; tight; thick; dense, compact, solid; close. —, bw. tight (-iv; compactly, close. — bit, bard by, close by, near. —en, ov. w. to close, to make close; to mend. —heid, v. tightness; density, compactness, solidity; closeness. vnw. who, which, that, those. DIsset,o. diet, regimen. Dtecf , m. thief. —.hag, bv. & bw. thievish (-ly). --achtigheid, v. thtevishness, m. theft, robbery, larceny; fetterkundio —, plagiarism. Disgene, vnw, Zie Decent.. 11)14init,o. dimity. —an, be. of dimity. Dienftestrunttude, bw. with respect to that. Dien star, m. servant; een — makes, to how. —arts, v. servant; erne makes, to make a courtesy. —der,rn. Zie Gerochtsdienoar.—ea, ov. it on. w. to serve, to be in service; to be of service (use), to suit; to answer. neaten, Monet, m. service, nee, favor, office. to go into the arrx► y, to enlist. een soeken., to look out for a place. — does, to be of service; to be on duty. het is tot uto —, it is at your service, you are welcome to it. de erne. — is de andere werard, one good turn deserves another. —aanbieding, offer of service. —betoon, service. —bode., servant, domestic. — Axis, house of bondage. —Aker—, professional zeal. —jaar, year of service. —kneeht. man servant, footman. -400,,, wage., hire. —niaagd, —add, maid-servant, band-maid. —sickle, risryant.gtrl. —pito/slip, liable to service, bound to serve. —Aid, time of service. —vaardig, by. & bw. ready to serve, officious (-1y). —vaardigheid, readiness to serve, offisioninees. —trii, free from service. obedient. —soak, official (ex officio) buolness. —boar, be. serving, in service; ministering; useful; — makes aan, to make serve. —boarlaid. v. being in service; usefulness; bondage, thraldom. —ire, by. ueeful, serviceable, suitable, pro; ee. —igheid, v. usefulness, serviceableness, suitableness. Dlesafengovolfge, Dienvolgensf, bw. comequently, accordingly. Diet), by. & bw. deep (-ly); profound (•1y), low 1-iyi; far. — gaan, to draw water.—indetkitia, a good deal past fifty. — in seAuldes steken, to be over head and ears in debt. in —e gedachten,
( 4)8.0, 8. toch; e, uitstapje. —, v. n. brook, matrooe. —a-dandy, fat, kwaot. —a-tantern,' Jaunt uttstap'es waken, rondzwerven. dwaalhcht e. —a-teat, mikpop; stumpert. —anall-trades, Jantje van Javel ( zjev'il), a. landlocper. —, v. a. bemorsen, apes, asp; fat, kwast. bespatten; bezoedelen. alles. —in-a• box, ledepop, springpop. Javelin (dzjev'lin), s. •erpspies. noodhulp, brooddief. Jaw (dzjao"), s. kakebeen, kaak. —bone, kinne6ak. Jackal (dzeraol), s. jakhals. —fallen, neerslachtig. —tooth, kies. 1—teork, kauJacket (dzjek'itl, s. buis, wambuis, wing. —, v. a. schelden, beschimpen. van Jacob (dzjee'kobl. s. —'s-staff, pelgrims,taf; hat kakebeen. degenstok; Kraadboog. Jay (dzjee), s. mcerkol. Jacobin Iduek'o-bin), s. jacobijner monnik; Ja- JD'. el (dzjee'zil s. jazel (hemeisblauwe edelsteen). cobijn; kapptatje (duff). —ic 1-bin'tk), a. ja(dzjel'us), a. —ly, ad. jaloorach, nai,jvecobijnsch. —tarn, s. leer (stelsel) der Jacabijnen. Jealous rig, achtardochtie• (of ). —nest, —y, a. jalaerschJacobite (azjek'o-bajt), s. Jacobiet. heid, naijver; achterdocht. Jaoonet (dzjek'un-nete, s. (snort van) neteldoek. Jeer (dzjier'), a. spotternij, beschir ;ping; kardeel. Jactitation (dzjek-ti-teoNjun), e. woeling, on—, v. a. bespotten, echimpen op; v. 11. spotten, rust; gesnoef; oirrechtmatige aanspraak (op een schimpen (atl. —er, s. 8potteronhimi.r. —tngly, huwelijk). ad. spotachtig. Jacula to (dzjek'joe-leet), v. a. werpen, schieten. —Goa s. (het) werpen of achie- Jehovah (dzje-ho've), s. Jehovah. (dzje-dzjoen'), a. — ly, ad. nuchter; mager, ten. —tory (-1e-tur'rih), a. werpend, elingerentl; Jejune schraal, droog. —nest, s. nuchterheid; achraal—prayer, schietgebedheld, dorheid. Jisd a (dzjeed'), s. knot (paard); slot; niersteen. Jell fell (dzjellid), a. gestu,i, geleiachtig. — y, —e, v. a. afjakkeren, afmatten; v. n. inoedeloos a. gelei. —broth, gestold vlee,..ehnat. warden. --ery, s. slechte strelsen; onkuischheid. Jemmy (djzem'nith), a. net, ktedelijk. —ish, a. slecht, onkuisch. lien. t. —ing,t. snort Jar; Idzjeg"), 8 , tend, keep. —, v. a. uittanden, Jeesnet (dzjen'nit), a. Zie vau vrooge appel. inkepen. --ganees, 8. getaudheid. —gy, a. ye- Jenny (dzjen'nih), s. spiumachin, karteld, getand. s. vergiesing (in rechten). Jaguar (dzjeg'oe-aar), s. amerikaansche panter. Jeofaill(dzjefel), (dzjep'urd), —ire (-am.), v. a. op het spel Jail (dzieen, a. gevangents. —bird. tuchthuieboef. Jeopard zetten. — nun, a. gewaagd, gevaarlij — y, s. waag—fever, gevanger,:skoorte. —, v. a. kerkeren. s tub, gevaar. —er, s. doter. Jerk (dzjurle), s. slag, rub, stoat, 'work), steels. Jakes (dzjeeks), a. sekreet. at one —, in eene. by —8, mat rukken. —, v. a. Jalap dzel'up), s. jalap (plant). slaan, aretten, rukken, stooten; v. n. toe,,rinJam (dzjem), a. consort; steenlaag,; kinderjurkje. gen; (out) uitslaan (van paarden). —ed , a. in sehij—, v. a. klemmen, person Nen gesneden en gedroogd. —er, s. atuoter, werJamb (dzjem), a. post, etijl. per; tolbeambte. Jangle (dzjensegl), s. geklbbel; gekrijsch. —,, v. P. Jer kin (dzjur'kin), s. jab; wambuie; vaik. --deY valsch doen klinken; v, n. kibbelen; krijschen. (-zih), s. fljne saaiet. —r, s. kibbelaar. (dzjess), a. werpriem (aan de poot..it der Jess Janitor 1,1E4'1'i-tut). a. decrwachter, pottier. valken). Janizary (dzjen'i-ze-rih), s. Janitsaar. Jessamine (dzjes'se-min), s. Jeouttock (dzjen-nuk), a. haverbrood. (dzjes'se), a. kerkkroon. Jaut (dzjaant), zie Jaunt. —ineas, H. luchtig- Jesse boert, gray, klucht. in held, dartelheid, zwierigheid. —y, a. lochtig, Jest (dzjest'), a. acherte, (for) —, schertsend. to break a --, schertsen. to Bartel, zwiarig. at — upon, voor den gek houden. to take a —, January (dzjen'joe-e-rih), s. mealier', Wow - put scherts kunnen verdragen. —, v. n. echertsen, maand. kortswijlen (at. on). —cr, s. spotvogel; hofnar. lakwerk. —, Japan (dzje-pen'), a. verlakt. —ing, s. (het) schertsen. —ingly, ad. schertsend, v. a. verlakken, peeteen. —nor, a. verlakker; voor de gray. (eehoen-) poetser. (dzjez'oe-10 5 a. Jezu'it. —ic,—ical, a. Jape (dzjeep), v. a. foppen, bedotten; v. n. schert- Jesuit ad. (.1eik-), jeztatiech; Hotly, slow. —lam, s. leer sen, kortswtjlen. (rnanier) der Jezuiten. —'s-bark, kinabast. Jar (dzjaar), s. geklapper, gekuare, getik; dcccli, v, n. (dzjet), s. git; waterstraal; vloeiing. kruik; oneenigheid, a-jar, op een' kier. v. e• Jet uitschieten; uttsteken; eene bongo bona zetten echudden; doen klapperen, — knareen; v. n. (upon) inbreuk makes op. klapperen, knareen, tikkeen krakeelen; (with) (-ti-sun), —tison Jet sum (dzjet'sem), —son etreiden met. s. (het) over board werpen; strandvond. —tee (-ti), Jardes (dzjaardz), pl. horde knobhels ;aan de —ty, a. uitstek; havendam. —ty, a. van git, als aehterpooten van paarden). —ty-head, haveohoofd. git. Jargon (dzjaar'gun), a. brabbeltaal. Jew (dtjoe'), s. jood. —'s-ear,judasoor. —'-a frankJasbawk (dzjee'haok), s. jonge volt. incense, jodenwierook, (plant). — 'a - harp, mondJasmine (dzjes'min), 5. jasmijn. trammel. jodenmaluw. —'8-pitekjoJasper (dzjes'pur), a. jasple. dealtim, -pek. —'s-stone, jodensteen. a. icet Jaundice (d1j8811 7 di8), s. geelzucht. FS. juweel, kleinood. —box, ju. Jewel de geelzucht behebt; 1,vooroardoeld.
Vico (vaja), ad. ter vervanging van; onder-. — Vinci-mated (Yin-di'mi-ell, a. van den wijnoogat. Voor den kiemtoon der volgende samensteilin- Vine:len biro (vin'di-kibl), a. te verdedigen, te gen site het hoofdwoord. —admiral, vice-admielat. rechtvaardigen. —te (-keet). v. a. verdedigen, —agent, plaatsveyvanger. —chancellor, viee.kan- rechtvaardigen; etaende houden; weaken. —ties (-kee'ejun), a. veededlging, rechtvaardiging. —live seller. —corona, vice-consul. —gerent (-dsjl'- rent), a. plaatsvervangemd; s. pleats veryanger. (-kee-ttv), —tory (-ke-tur-rib), a. verded;gend, reehtvaardigend. —tor (• kee-tnr).s. verdediger. —president, ondervoorsitter. —rvy (vajs'roj), on- Vindictive (vin-dik'tiv), a. --ty, ad. writakgtederkontng. —royalty, onde•koningschap. Viet* age (dei - nifUi) , a bnurt,., nabuurschFtp. rig. —ness,s. wreakglerigheid. s, nabijiteid, Vine (vajn't, a. wkinhtok. —branch, w *wank. —at, a. naburig. —tip resser, wijngstardanise. —fretter,. —grub, widnnabunrechap. V lelotin (Carus). a. —ly, ed. verdoryen, slecht, gaardrups. —leaf. wijngaardblad. —prop, wingebrekkig. —xess, 8. verdorvenheid, sleehtheid, gerdstut. —shoot, wijneank. Vines/pot (vin'e•gur), a. ark* —bottle, —cruet, gabrekkigbetd. azijnfleschje. —maker, asijnmaker. V tclssitud a (vi-eis'el-tjoed). s. atwiseeling. —inary (-tjoe'di-ne-ally, a. afwisee- Viocry (varnur•1h), s. broeikas (vow' wijnstoklend. ken). Victim (vik'tim), s. slachtoffir. --ire (-ajz), v. a. 'Vineyard (vin'jurd), s. wijugaard. Vlnonn (vej'nua), a. wijnaehtig opotieren. Victor (vik'tur), a. uverwi. nnanr. •—ions, a. —iousfy, V int age ( vint'icizj), e. wtj nooget. —at pwoh -to'rt-us.), overwinnend, zegeviereud. —y, a. ( yenlesee. —nor I• our), a. wijnkooper; wijnhuialouder. —ry, a, wUnhuis, kelder. overwinning, zege (over). Victual (vit'l), v. a. vary nonlbehoeften yoor- Viny (varnih), a. van den vijnatok; rkjk aan sten. —ler, a. victuslie-nte star; proviaudschip. wijnstokken. (vaj'ul), a. stool. —a pl, mondbehoeften. Villa) at (eictioe•e1), a. wedu we. —ity (-joe'it- Viola bin (ya)'n!-ibl), a. achendbaar. —emus (•ee'ejus), a vioolblauw. —te (-eet), Y. a. echentih), s. weduwschap, weduwlijke staat. Vie (vaj), v. a. wedij veren in, avertreffen; v. u. den; overtreden; verkrachten. —lion (-ee'sjuti), asehendtng; oyertietting; vertirachting. wedij veren (for. in). View (vjoe's, s. gezleht; uitz ∎ cht; voorkow on; be V !oleo, cc (vayul-ens), a. gavel d, herighetd,gesiehti•ing; nnderzoek; insicht, oognserk. at sae —, welddadIghein; annual; verkrachting. —t, a. —tly, met een oogopslag. t. a. sien, beech:Amen, Ad. geweldig, bevlg,gewelddndig, afgedwongen. in oogenschouw nemen; v. n. (at) doelen op. Viol at (vayul et), a, viotetkleueit;, Paard; a. —er, a. besichtlger, beschouwer. —lees, a. oegs- viooltje. —in, n. viool. vioolaPeler. Viper (varpur), a adder. —'s-grass, addergras. 'len; oasichtbitar. Vigil (vid'sj ti), s. aachtwake; ,hat) waken; het- —' a head, elangekop (seedier). --snake, adderligavond; — ance, a. waaksaamheid. —ant, a. slang. —ine (-iu), a. adder-. —ous, a. adderachtig; —antly, ad. waskzaam. venijnig. Virago (yaj-ree'go), a. heldin; manwijf. Vignette (vin-jet'), a. signet. Vigor (vig'ur), a. kracht, eterkte. —otte,a. —ously, V it gin (vuedzjin), a. maagdelijk; sniver; rein, a. maagd. --al, a. maagdelUk. ad. kreebtig, steak. onbeviekt. Vile (vajl'), a. —ity i-dzjIn'it-tih), a. maagdelijkheid; maagdom; ad. baag, gemeen; geeing; verachtelijk, enood. —nese, a. laagheid, gemeea- reinbeid. Virgo (vuego), e. (de) Maagd. held; verachtelijkheid. snoodheid. Vilif Watt°. (01if4-kee"ejun), s. vet lasing, Wield (yield), a. 1 . roen. —lip (vi-eld'it-tih), —ness, beechimping, —ier (vil'i-faj•ur), s. veringar, be- s. groenheid, groan. Whimper. —y (vill-faj), v. a. veriagen. be- V4111 (y1,11), a. mannAjk. —ity (vi-ell'it-tih), a. mannelijkheid, na anbaarheid. sehimpen. s, veraehting, Virtu (sir-toe'), a. smaak, kunstgevoel. ilipendeacy (vil-i-pen'den si VI rtanal (vuetjoe-sir, a. innerlijk vermogend.—ty, veramading. al. door inwonend vermogen. —ity Viii s. dorp, gehueht. Villa (vil'le). a. buitenplaate, villa. inwonend vermogen. Virtu • (vuetjoe). a. deugd; kracht, vermogen, VIE:age dorp. —r, s. dorpeling. werking; yoortraffelijkheid; dapparheid; by (an) Villain (vilqiu), a. lijfeigene; eller deling. Villas. age (vil'iln-Idsj), a. ltjfeigenschap; melt ttek. — of, krachtens. — eiete, a. zonder deugd; krat bteaehtigheld. —oat, a. —only, ad. laag, gemeen, loos. —oco (-o'so), a. virtuoos. —ous, a. —musty, sehurkachtig, snood. —amines*, a. achurkachtig- ad. deugdzaatet; krachtlg, beilzaam. —ounces, a. held, anoodheid. —y, a. laagheld, achurkerij; deugdsaaraheid. V fru Ion en (de)oe-Ier.a), a. amet^tor; kwaadsehuriustreek. aardigheld, ventjnigheid.—t, a. —tly, ad. beametV II I toms (On u%), a. ruw,ruig,xollig, harig. Vlenin al (vim'i-nel), a. teenen vonetbrer2gend; telijk; boosaardig, venijnig. Tan teeuen. —eons (vi-min'i-ns), a. van teenen. Vistas (vsyrus),s. amet.tof, verglt. Visage (vieldsj), s. aangesieht, geiaat. —d, a. gevlochten, teen en. Vinacsous (vi-nee'sjus).a.van den wijnatok;wtin-. met een... aslant. Wheel hit (vin'sibl), a. overwinnelijk. —bitity Vises*. a (via'aur-e), a. pl. ingewanden, —al, a. ingewanda-. —ate (-eat), v, a. ontweiest. (el-birit111), —Nexus, e. overwinnelOtheid.
NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,
Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.

Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-
471 — makes, to nuke haste. to be quick. —a(jk, bw. soon, speedily. —en, ov. w. to hasten, to hurry; rich —, t. w. to hasten, to make haste, to be quick. —4, , by. & bw. hasty (-1y), speedy (-11y1, quick (-33)., passionate (-Iy); in a hurry. — tight t, v. hastiness, speed, quickness, precipitation; paeeionateness. Ilona, m. hate, hatred. —dragend, by. revnegeful, vindicative. —dropendheid, v. revergefulneax, vengeful disposition. —offer, v. hater, enemy. Hach, v. risk, hazard. illacito,Itik, be, hazardous, dubious, eriticsl. heid,v. hazardouenrsa, dnblotioneas,et i tilealnerse Illactoje, 0. fool-hardy fellow, belswegger. flacht, in. lump, lunch. Haft, o. ephemera. Illagedis, v, lizard. Ilagedoern, an. L'ie illangdoorn. nage', no. hail ; (small) shot, seat —, what the deuce! odds my life 1 —bui, hail- storm; .q bower. —gans, wild some. —slag, hail-storm, -stroke. —steen, hall-stone. —tract, shot-belt, -bag..• wit, as white as snow. —acidly, by. like ht.ii. top. w. to hail. link, v. hoe; heel. --band, heel-piece. —sink, heelpiece. fink, m. hew, cut; time of cutting wood; pique, grudge, ill-will. —bank, chopping-board. —tijt, --met, chopper, chopping-knife. —kick, choppingblock. —cord, chopping-hoard; dulcimer; tafferel. — knack, copse. —lout, coppice, copse. —noes, minced pot- herbs. Mk en, on. w, to hook, to clasp, to catch ; to crotchet; on. w. to be caught; to long, to hanker (naar, after, for). —ing, v. hooking, clasping longing. Ilakkabord, o, Zie Idakitord. Ilakkel oar, m. —aarater, v. stammerer. on. w. to stammer, to stutter. —kees, — tong, stammerer , stutterer. —ing, v. stammering, stuttering. Bakken, ov. & on. w. to hew, to shop, to hash, to trines. in de pan —, to cut to pieces. Ilakkenei, v. hackney, ambler, pacer. limkker, IX!. hewer, chopper, cutter. liakktfeer en, on. w. to wrangle, to squabble, —ing, v. wrangling, squabbling. Sinker). as. chopped straw; minced meat. 11111), v. hall; shambles. o. frozen earth. ii•fon, no. w. to fetch; to draw., to pull; to reach. later. —, to send for. dot haalt er niet diti. that to not to be compered with it. wear haalt IA; dad van dawn? where did you pick it up? how doou y come by it ? by, & bw. he!?, almost. een, half past twelve. — Mei, the middle of !nay. — en —, no so, in a neannet. halve deur, folding door. ten halve, half, by halves. —bakken, would-be. —b.roeder, half- brother, step-brother. —dek, quarter-deck. —dood, half-deed. —donker, dusk, dawn. —dronken, half-seas-over. —geleerde, smatterer, —god, half-god, derni-god. —herndje, front, shirtfront. —jaar, half-year. —jarie,, aeral-annual, of (lasting) nix months. —jaarlirkteh, taking place every eix menthe. —blinker, semi-vowel. --road, hemisphere. —slaehtig, amphibious. —eleten, half

Wat is het voordeel van het gebruik van Bitcoin


COU.—CRA. ring. .--seuffie, vechtpartij. —sense, tegenover4estelde beieekenis. —sign, a. wachtwoord; tegenonderteekening; v. a. tegen-onderteekenen. —signal, tegensein. —signature, mode onderteekoning. —stroke, terugslag. —taste, bijsmaak. —tenor, alt. --tide, tegentkj. —timber, wulfhout. —time, tegenstand, hinderpaal; tegenspoed; teleursteiling; mistily. —transom, dekworp. —turn, onverwachte wending, plotselinge omkeer. —rail, a. tegenwicht, vergoeding; gelijke waarde; v. a. in waarde (kracht) evenaren; bettionen, vergel. den; v. n. van gelijke waarde (kracht) zijn. —view, keerzijde; contrast. —work, tegenwerken, belemmeren. Countess (kaaunt'ess), e. gravin. Counting-house (kaaunt'ieng haus), s. bantoor. Countless (kaaunt'least, a. ontelbaar. Countrified (kun'trl fajd), a. boersch. Country (kun'trih), s. land; platteland; land. —, a. landeliik, plattelands . —dance,contredans. —house, landhuis. —life, (het) buitenleven. —man, landgenoot; buitenman. —seat, buitenplaats. —song, volkslied, —squire, landedel. man. —wake, boerenkermis. County (kaaun'tih), a. graafschap. —court, provineiaal gerechtshof. Couple (kup'pl), a. paar, koppel. —, v. a. samenvoegen, koppelen; v. n. zich vereenigen, paren. Couplet (kuplit), a. paar; couplet. Courage (kur'idzj), a. mood. —ous, a. —ously, ad. moedig, kloek. —ousness,s. dapperheid, kloekheld. Courant (koe rent'), s. nieuwahlad, brunt, zekere ♦lugge dans. Courb (koerb), v. n. zich bulges. Courd (koerd), a. pompoen; kalebas. Con-ter (coe'rier), a, renbode. Course (boors'), s. wedloop; loopbaan; gang; reeks; beurt; zeil; koers, richting; curette; gerecta; neiging; laag. — of exchange. wisselkoera. by —, beurtelings. of natuurlijk. — of life, levenswijs. to take a —, een' maatregel nemen, to follow the — of time, net den tijd medegaan. — 8 ( iz), a. maandstonden; onderzeilen. —, v. a. vervolgen, jagen; v. n. rennen, jagen. —er, s. renpaard; Jager. Court (koort), s. hof; plein; straatje, plichtpleging. — of guard, wacht. — of chancery, kanselarij. — of exchequer, algemeene rekenkamer. to make one's —, zkjn hof maken. —baron, leengerecht; burgerlijk gerechtshof. —breeding, hoof ache opvoeding. —chaplain, hofprediker. —day, rechtadag. —dress, gala bleeding. —hand, bureautichrtft. —lady, hofdame. —leet, adellijk leengerecht. —martial, krijgsraad. —plaster, engelach pleister. —yard, binnenplaata. Court (koort), v. a. zijn hof maken aan, vrijen naar. Courteous (kur'ti us, koort'jas), a. —ly, ad. beleefd., vvellevend. —ness, a. beleefdheid. Courtesan (bar ti zen'), a. boeleerster. Courtesy (kur'te zih), a. wellevendheid; beleefdheld. — (kurt'sih), s. nijging, buiging. —, v. n. eene nijging maken. Court ler (koortjar), a. hoveling. —like, a.

Kan ik cryptogeld door middel van TD Ameritrade


slakkenkl ►ver. —flower. slakkenbloem. —leech, Snow (sus'), 8. sneeuw; snauw (schip). —ball, bloackuiger. —paced., langraam. —,hell,elakken- sneetrwbal.—bird,--buntimsneeuvavogel.—blind, Pn ecus, blind. —br oth, gesmolten sneeuw. huts. —titcne,slakkensteen.—waterolokkenwater. 8D8C11WiReht; hoop mneenw. —drop, sneeuwklokte. —like. a. stakachttg; langzaam —finch aneeuwvink. —flake, :meetly v log. —shoe, Snake (sneek'), r,. slang. hooded —, brilsiang. sneenwschoen. —slip, sneeawstorting, )swine. —lines, degenvi,h. —gourd, slangvisch. -- ; fish. —white, smelt wwit. — ,a. n. sneeuwen. —y, a. bepl. sch.erlijnen —root. siangentvortcl. --stone, anurebuwist usbn,)e,eurkinto; erseti.n. slangonstton. a,umon'horen. —weed, slargen- sn --nosed, stompneuzig. kruid. —wood, slangoahout. —, v. a. doorhaion, bekijven; aficnotten; weerhononlzelend. Snaky (snee'ltih), a ,31Faut4ehtig., den. Situp (rnep'), s. )coup,, lcnip, krrk; hap, beet; a. snuif; snuifsel. to take —. snuiven. vara,t; rOootje. —dragon, leeuwenbek, kalrgmnit Snuff (snuff'), to lake — at Iin —), kwalijk nemen.--box,souifv. a. (bloom); seeker re pal. —scuk, kuapzak. door. —taker, snuirer. —, V. a. opsnuiven ,up); gna,,,, varigen; happy.; broken; toegr,uwen; , ; v.eknizvurtivoern; (at ) zich ergeriruenikoenvec sndletintennecitosuotptr br. eklinean p. wegkopen. p(,01 () ,taefibo‘). va. tn ; .(aptevazi)gz'e a. —pishly, Silts litre (8nurfurz), s. pl. snuiter. a pair of —,een breken, beroten; happen at). aflutter. —dish, —pan, —tray. snniterbakje. ad. gon, elijk, bite. —isicnec8, s. gemelijkheid, Snuffle (anurfl), v. a. door den neus spreken. —8 bitsbeid. isnurlie). pi neurperstopping. v. a. verstrikken. Snare (sneer). a. strik. (snaarl'), a. vervikkeling; twist. —, v. a. Snuffy (snurfth),, a. net Knutf (annitael)bemorst; lie btgeritakt. vervrikkelea, verwarren; v. n. grornmen, boorSnug (snag'), a. —ly, ad. ingemoffeld, ingedoken, ran. —er, a. knnrrepot. theist ineen; verscholen; lief, aardig; rustig; goSunry (si,oe'rih) a. verstrikkend. inakkelijk. v. n. Zie, to Snuggle. —nese, a. Smite!' (snetsj') a. rub; hap; brokstut; ocgwenk. diehthetd; gemakkelijkheid; rustigheid; terugge(up) —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen; trokkeRheid. oprr.pen; v. n. grill)... happen fat), —.gill, ad. Snuggle (snug'g1), V. n. dicht bijcen (warm) ligtivricheaponzen sciti elij;T; met rukken; gen.. Snook istlier), s, rsluiper, kruiper. —, v. in. slut- pen, kraipen. —er, a. keuiper; baker. —ing , a. So (so), Rd. 7.00, dun, zondanig„ zulk; nu, weinu. —, cal,* duo., daarom; derhalve; mute. a. —ingnese., —ingly, ad. kruipend; ;Rag; vrekkig. Sock (cook'), v. a. 8t n. weeken, siurpen; inzweltruiperij. laoglicid; vrelckZgheid. gee; zuipen. —er, a. weaker; striper. —iny, a. doorS,tettp (sniep), a. beris ping, uttbrander. --, v. a. uringend; (1 , ,dringen: bekijven, doo•halon. blik. —, v. n. Soup (coop'). a. seep. —apple —berry, zeepappel, Su,er (mire'), s hooner.18 loch, --soot. —ashes, pl. zee•asch. —berry-tree, seep. spotachtig ]lichen, grijnzen; (at) den netts on boor' —boiler, zeepzieder. —dish, zeephakje. hales 'nor; hespotten. —er, a. rpltter. —ingly, —earth, voldermearde. —hause, zeopziederij. —lees, ad. spot-teed, schampor. pl. (het) helderste van de zeepziedersloog. —rock, a. niszing; —wort, niesktutd. Sssecz a —stone. speksteen. —soda, pl. zeepsop. —tray, —e. v. n. "Awn. —ing , a. gonlee; —powler,nies- zeepbak. —weed, —icort, zeepkruid. —works, pl. ponder. zeepntederij. --, v. a. reopen, inzeepen. —y, a. Suet (snot), s. vet (van wildbraad). p a Itoirgi z oaer —in ohned, o e e_d ee,r .r pf; d,zerit S41 8 b(.17,1 S. hooge vlueht.--, v. n. hoog vliegen, opstijgen; zich •erheffen, vitistje lache s, Sul ff (snit')!, v. n. rsnuvert, snuffelen; (at. on) be- Sob (sob), a. snik. —, v. n, gnikken. Sober (so'bur), a. —ly, ad. sober, matlg; nuchter; snuffolen. verstandig: hedaard„ erustig; sedig; ingetogen. Snigger ,sailegur), v. n. Zie to Ststekter. —minded, kcslm, bezadigd. —, v. a. ontmuchteren; Sntgpto (snig'g1), v. n. poeren, peuren. inatiren, a. matigheid; nuchterheid, beSnip isnlp') a. knip, anode; s,(irportjo, broke; daarciheid; ingetogenhe1d.. aandeel. —, v. a. knippeu; (up) openkntppen. Sobriety (so- bra)'e-tih), 8. Zie Sobernean. Snipe (gnftjp), e. snip; damoor. —pet Sec (gok'), 8. re,htagehied; vrtjdom van leendienst. Snip per (anip i par), a. knipper: nitanijder. —age, a. ploeg-, boorenleen. —alter, s. —man, be(-pit), a. stukje, aneedje. —pings (-piengz), pl. titter van een hoerenleen. afkrapsel. —snap i noel)), a. woordenwisaoliug. Social bie —bly, ad. gezeilig; vergetribbel. eenighaar. —ler —bility snot. —, v. n. anotteren. 8, —61 eness, 8. ge. Snivel (sniv1), gezeischapswagen. (-tar), a. rnotterasr, janIcer. Soria! (so'sjel), a. —ly, ad. maatschappelijk; geSnot, (snob), a. pluert; sehoenmakersknecht. zellig. —ism, s. socialism's. —ist, s. socialist. Snoti re (snoet), a. 314apie, datje. v.n.snor- —ity tih), —nese, a. gezelligheld. Snore (rnolr') s. gRanork, geronk. Society Ito sare-tih), s. maatsohappij; vereenlken.. ronkon. —r, a. another, rocker. gingaenootschap; gezelachap. Snort (anon'), v. n. snui,en. —er, G. anuiver. Sock issolt'), a. sok; ploegschaar; bilispel. —et (-it), Snot (snot') s. snot. —ly, R. snotterig. a. holte, kas, pijp. Snout (enttut'). a. souls; tuft. —ed, a. net sea' a. anuitschtig. Socle (sokl, hold), a. onderatel, voetettAt. Sli nit (eel, to it, neat' mna,,,l); 

voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.

12o littdeudom. fat,,oeotql., (-ajz), v. n. als run heiden /even. Gentle (dzjen't1), a. van goede gebocrte; zacht, vreedzaam, —birth, fatsoenlijke afkomst. —folks (-looks). (de) fatsoenlijke stand. —man, man van eer; hoer. —manlike, —manly, a• wellevend; van een' gentleman. --manliness, s. wellevendheid. —ness, s. fatsoenlijke afkomst; zachtaardigheid. —woman, vroinv van geboorte, dame. Gently (dzjent'lib), ad. zachtjea. 4:entry (dzjen'trib), a. rniddelatand. G en. fl exi o ( dzji-njoe flekejun), s. kniebuiging. 4:ermine (dzjenijoe-in), a. —ty, ad. echt,onvervalscht. —ness, s. echtheid. Genus (dzji'nus), s. geslacht. Geocenaric (dzii-o-sen'trik), a. gelijkmiddelpuntig met de cards. Geode (dzji'ood), a. aardateen. —8y a. landmeetkunde. Geog nosy (dzji-og'no-sih), s. kennis der bergsehichten of aardlagen; bergkunde. --cmy (-unnth), N. leer van de w‘rding der anode. er(dzji-ogre-fur),s. aardrijicskundige. G eogra ad. (-o-gref'ikl-), aardrijks—ical, a. kundig. —y (41h), a. aardrkskunde, aardrijksbesehrijving. A. geoiogisch, Geological aardkundig. Geolog let (dx3i-ol'ud-zjist), a. geoloog. aardkeener. —y, a. geologie, aardkunde. s. waarzt Geolnancy (ult figuren). Grotne ter (dzji-om'i-tur, —trician —trical (-o-met'rik-), a. s. meetkundige. a. meetkunde. meetkundig. try (• Geoponic (dzji-o-poreiL), —al, a. dgn landbouw betreffend. —s. landbouwkunde. George (dzinrdzj)-, s. St. Jorisbeell; kommiesbrood. Georgic (dzjor:dzjikl, a. den lartdbouw betrefa. gedicht op het landleven. fend. Gectic (dzji-oVik), a. de aarde betreffend, Geranium (dzje•ree'ni-um), e. geranium. Gere ► t (dzji'rent), a. dra3end. Gerfalcon (dzjur'fao-kn), s. giervalk. Germ (dzjurrn), a. kiem; oorsprong. German (dzjar'rnen) a. verwant; duitsch. cousin—. voile neef (nicht). —flute, dwarstluit. —toys, Neurenberger waren. —ie, (-rnen'ilci, a. germaansch. ( -lam), a. duitsche spreekwijze. it ertntander (dzj ur. men'dur), a. manderkruid. Germin al (dzjuemi-nel), a. de kiem hetreffend. —ant (-neat), a. kiemend, spruiteud. —ate (-neet), v. a. duets komen; v. n. ontkiennen, uitspruiten. —shoe (.nee'sjun), s. ontkierning, groei. Gerund (dzjer'und). a. gerundium. Gest (dzjest, ), a. daad; reisdagboek. —ail. (-tee' r,jun), a. draeht (van dieren). —ic, a. van de gebaren; overgelever d • Gestieulo to (dzjes-tik'joe-leet), v. a. nabootmen; v. n. gebaren maker, —tion (-lee'sjun), a. gebarenepel. —tar, a. gebarermaker. Gesture (dzjestljoer), s. gebaar, beweging. Get (get) [got], v. h. bekomen, winners, verkriigen, verwerven; doe,; to weeg brengen; overre-
—kar0, v. printing-office. —king, v. precsare. —sea, o. 1. rage, stamp, copy. —te, v, hurry of business; bustle. Drop, m. Zie Drop. —pen, on, vv. Zie Druipen. Oruppel, m. —se, on. w. ZicanderDroppel. Dubbel, be. & bw. doable (-bly). —e deur, foldine-doors.o. double; copy. —Aartig, by. & ed, double-hearted, false (-Iy), bw. double-fac treacherous I-1y). —hartiyheid, double-dealing, duplicity, falseness. —schadusoigen, amphiscii. —tongig, he. & bw. Zie Dubbpibarvig. —zinnig, essiblguous , equivocal, double-minded. —zin,ssighefa, ambiguity, equivocalness —en, ov. w. to doable; to sheathe (eta schip). —ing, v. doubling; sheathing. —tje, o. two-pence, piece (If two ethers. Dubb en, on. w. to doubt, to hesitate. --er, m. doubter. —ing, v. doubting; heeitailou. Dubloen, m. doubloon. Ducht °v. w. to fear, to dread, to apprehend. —ig, be. & bw. strong (-1y), sound (.1y). —jag, v. fear, dread appreheneion. Duel, a. duel, single coinbat. —leeren, on. W. to duel, to light a single combat. —let, m. dueller, duellist Dol. by. fusty, musty. Dult'el, o duftle -:ech, be. duffel. Duiffig, be. fusty, musty. —held, v. fustiness, M1181.113.d.
Kanaster, m. canister. Krindael, v. candle. —moat, gossip's feast. —rot, candle-pot. Kandeleer, m. candlestick. —sp(ip, socket of a candlestick. KandU,v candy. —Weep, syrup of candy. —miser, sugar-candy. Renee!, o. cinnamon. —boat, bark of the chinamon-tree, cinnamon. —bloc m, cinnamon-flow sr. —boom, cinnamon•tree. —knurly, cinnamon-colored. —koekje. cinnamon-cake. —elie, cinnamonoil. pipelroll) of cinnamon. —water, cinnamon-water. cinnamon-arine, hippoera.. Kanetas, o. cantata. Kant& by. having graves. Hanker, In. canker, cancer, gangrene. —61oem, corn-rose, wild poppy. —kruid, shave-grass. —acAtig, by. cankerous, cancerous. —en, on. w, to inveterate, to grow inveterate. Kano, v. canoe. Kanon, o. cannon, gun. —schot, cannon•shot. —skoget, cannon ball. —flier, m caunonnier, gunner, artillery-man. Kane, v. e.hance, hazard, prospect, opportunity. de — is verkeken. the opportunity be lost. —biljet, chance-bill. —rekaaing, calculation of chancre. Hammel, m. pulpit. —cede, e/rmon., homily. —redenaar, preacher. — st01, style of the pulpit. —welopreketoiheid, eloquence of the pulpit. K.1.8•1 1. 0,1, v. chancery. —ier, ta. chancelor. Kenide, o. god-send, luck. Jo• Kant, in. edge, side, border, margin, brink. aan — does, to arrange, to put in order. van — waken, to kill, to make away with. var. — ruses, to pariah. —beitel, iron crow. —hosteen, to square. —Answer, squarer. —teekening, marginal note, gloss. —shaak, grappling-iron. HAW, v. lees; point. —beerelsel, lace-edging. —does, lace-box. —work, lace-work. —werker, —werkster, Dace-maker„ lace-man (-woman). —enstopeter, lace-mender. Kant, by. well-squared; neat; clever; not full; tasting of the cask. — en kiaar, quite ready. Kanteet ,m. battlement. Kentelev, ov. & on. w. to overturn, to topple, to fall over. K anten, by. laco. Karat yea, or. w. to square. Kanterstok, in. whipstsff (of a helm). Kantlg, by. angular, edged; crasty; tasting of the cask. Kenton, o. canton. —gerecht, district-court. —tee/ter, justice of the peace. linsatioor, o, counting-house, office; commercial eetahlishmeut, factory. —bediende, —*chi-Over, clerk (in a counting-housft). —behoeften, notes • aerie& of r counting-house, mtationry. —inlet, double-ink. —knecht servant ilia countiug•house. —werk, writing- ve ork. Kanunnik, In. canon, prebendary. Kap, v. cap, hood, cowl; top (eener tears); teeter, roof: coping; head-piece (van can ache() atom). —taken, hat-money, primage. —strider, periwi stock. —stole, portmanteau, row of pegs, cloy peat. —ponnsoakster, milliner.

ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.

cryptogeld-update


a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.

435 tined; ale Doophek. —kind, god child. —kked, christening-drest,baptismair obe.—essal,obristeninpfeast. —seam, christian name. —plechtighind, ceremony of christening. —ease, egg-sauce. —wader, god-tattier, —vont, font. baptistery. —water, baptismal water. --eosin& Mennonite. en. & v. child (person) to be ' baptized, child held up to baptism. —es, ov. w. to dip, to plunge; to mix, to adulterate; to baptize, to christen; to duck (bii teelleden); to DEW, to surname. —er, m. dipper, plunger; baptIzer; Baptist. —ing, v. dipping, plunging; baptizing, christening. —eel, 0. baptism. Door, bw. & vs. through; by; thoroughly; qUite — en —, thorougly, quite. — elkander, one with another, on an average. — midden, in two, asunder. het panache jeer —, all the year round, throughout the year. Doorbakkesa, wv. w. to bake thoroughly; on. w. to continue baking. —, by. well-baked, welldone. Doorlsaretea, on. w. to burst (to:crack) asunder. Dcsorbouken, ov. w. to beat asunder. DoorbUten, ov. w. to bite through; to earrode. Illawrbentioren, ov. w. to peruse, to run over curaorily . Doorbiazen, us. w. to blow through, — asunder, on. w. to blow on. Dourbor en, ov. w. to bore through, to pierce, to perforate; to stab; to sink (een sal" ,ing, v. piercing, perforation. Doorbouwen, on. w. to continue building. Doorbraak, v. breach, rupture. Doorbratien, ov. w. to roast thoroughly; on. w. to continue roasting. —, by. well-roasted, well done. Doorbrandan, ov. &on. w. to burn, —through, — thoroughly; to continue burning. Doorbreken, ov. w. to break, — to pieces, — through; on, w. to break, to burst (forth, through); to pierce the clouds; to become prevailing, Doorbreng en, ov. w. to get (to lead) through; to pass, to spend; to squander, to waste, to die, ni p ate. —er, m. —*ter, v. 'squanderer, spendthrift. Doorbulgen, or. w. to -break by bending; on. w. to bend, to give way. Doordacht, by. dully considered, well-weighed. Doordaneees, or. w. to wear out by dancing. Doordeukvn, ov. w. to perpend, to consider maturely, to run over in one 'a mind; On. w. to reflect., to ponder. Doordian, vw. as, since, whereas. Doordoen, ov. w. to get through; to blot (to strike) out, to cancel: on. w. to continue, to go on. Dourdraafater, v. Zie Doordraver. Doordraal en. ov. w. to run riot, to live in debauchery. —er, m. wild spark, rioter. kioordrngen, 05. w. to carry (to bear) through. Doordraw en, on. w. to trot on firmly ; to pass trotting; to hurry on. DoordrUlfeter, v. Zie DoordrUvar. Doordrijv en. ov. w. to drive (to push) through; to enforce, to push, to carry through, to effectuate; het —, to carry one 's point; on. w. to float through. —er, m. forcer, obstinate person.


In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin

×