venkel. — serpent, seeslang. — Service, zeedienet. — shark, bald. — shell. seeschelp.—shore,seeetrand. — sick, seeriek. — sickness, seeztekte. —side, seeboat. —sleeve, zeekat. —snail, zeeslak. —spoon, lepelslak. —spurge, waterspurrie. —star, zeeater. — stores, pl. scheepobeheeften. — sun-crown, meth'. saboofd — surgeon„ echeepeheelmeester. — term, zeemansterm. — thief, zeeroover. — toad, seeped. —tort, door de golven geslingerd. — town, zeestad.. —trade, zeehandel. — turn, zeewind. —unicorn, seeeenhoorn, narwaL — urchin, zees el, — voyage, seereis. —walled, door he zee oingeven. — ware :soutkruid. — water, zeewater. — weed, — wrack, zeegras, wler. — wind, zeewmd, — wolf, zeewolf. — wormwood, zeealerm, — worthiness, v. zeewaar&rile hand. digheid. — worthy, zeewaardig. Seal. late!'), s. zetel; cachet; rub, zeehosid. under hand and —. geteekend en verzegeld. — blubber, rob benspek. —fish, eteur. --nit, treat, --skin, robbevel. — ring, zegelring. —, v. a. zegelen, verzegelen; i.jkea, —er, a. verzegelaar; tker. — ingwax, lat. Seam (stern'), a. zoom, naad; voeg; litteeken; 'Rag; reuse!, talk; meat van g bushels —rent, losgetornde road. —, v. a, acumen. — less, a. zonder toted. — ster, a. kleermaker. — stress, s. naaister. —y, a. met naden. Sear (tier'), a. verdord. — cloth, engeleehe ter ; zie Cercecloth. —, v. a. verschroeien„ sengen; doen verdorren, Search (eurtsp, s. (bet) zoekcn, streven (after, v. a. for); onaerzoeir. in — of, roekend near. seeken; navorsehen; doorzoekeu; peilen; (out) uitvorseben; v. n. (after, for. into) socket, navorsehen. — able, a. to onderzoeken. —er, 8. onder,. eker; lij ttechwawer. — less, a. onnaspeurlljk. Season (etizn), s. jeargesijdei kruiding. for a — , sera' tijd tang. out of — , ten °Iva, —, v. a. gewrnnen; kruiden ; gehard (ge,chikt) doen drogen; does rljpen; v. n. gewoon (z.• setukt ; rijp) warden ; drogen. — able, a. — ably, ad. gesebikt, gelegeu; von pee. — abfeness, a. geschiktheid; gelegen — aro. krulder.—otg, a. het ruiden; kruiderij Seat (siet'), a. zit, bon), stool, zetel; woonplaats, verblijr; sitting. — roll, zitkussen. —, v. a. ne8rtitten; aan-, vaetstellen, van zitpiaatsen (ee,n kruis) voorzien. to be --col, zitten. Seav ea rsievs), s. pl. biezen. —y(sievqh), a. rijk aan biezen Seaward (nte'wurd), a. zeewaarteeh, —, ad. zeeWahrte.
nagel — stealer, paardendief. —tail, i,aardestaart. —tongue, ' halskruid. —trappings, paardetuig. —twitchers, neusnijper. rUweg. —whip, a. rijzweep; v. a. met den rijzweep slaan. —woman, rijdster. Hors a (hors'), v. a, berijden; bereden maken; bespringen; op den rug dragen; v. n. opzitten. —ed, . bereden. —iny, a. tochtig, hengstig; —icons, kaliaatijzers. Hortat Ion (hor-tee'sjun), a. vermaning. —ire, —ory (hoete-), a. vermanend. Horticultur at (hor-ti-kult'joe-rel), a. den tuinbouw betreffend. —e (hor'ti), a. tuinbouw. Hosanna (ho-zen'ne), E4. Hosanna, lofzang. Hose (nooz), s. kous, kousen; broek; mamiering (lederen slang). Hosier (ho'zjur), a. kousenkooper; winkelier in gebreid goad. —y, a. gebreide wiren; handel in gebreide waren. llosplt able (ho.4it-tibl), a. —ably, ad. herbergzSam, gastvrij. —ableness, a. herbergzaamheld; gastvrijheid. —at, s. hospitaal, ziekenhuis; a. gaatvrijbeid. —algodshuis. —amity( ter (-el-lur), a. gasthuiameester, ziekenverzorger; Malthezer ridder. Host (boost"), a. gastheer; waard; leger; heer, schaar; hostie. —age (host'idzj), s. gijzelaar. —ess, a. gastvrouw; waardin. lloetll a (hos'til), a. vijandelijk; vijandig. —ity (-til'it tih), a. vijandelijkheid; vijandigheid. Hostler (os'lur), s. stalknecht. ad. heet; hevig; surig. —bath, Hot (hot'), a. badstoof. —bed, broeibak —brained, opvliegend, heethoofdig. —cockles, :handjeplak. —flue, droogkerne, — headed, zie llothralneal. —house, badstoof; oranjerie, trekkas; bordecl. —mouthed, halastarrig. —pot,warme wijn ; warm bier. —press, v. a. glanzen (laken). —pressed, gesatineerd, gewarme geboterde broodjes. —shot, glamsd. versehoten, verzwatt. —spur, heethoofd. —spurred, doldriftig. —ness, s. neetheid; drift. Hotchpotch jhotarpotsj), a. Lie Hodgepodge. Hotel (hot-ter), a. hotel, herberg. Slough (hok), a. kuieboog. —, v. a. de kniepees afankiden, verlammen. Hound (haaund'), s. jachthond; nommer; mastw a.ng. —bitch, tee?. zeekwab. —pieemnommerstukken. —'s-tongue, hondstong (plant). —tree, hondsbesseboom. —, v. a..jagen,ver , olgen. Hour (flue), s. uur. —g/a88, zandlooper. —hand, uurwijzer. wijzerplaat. —ly, a. & ad. om het uur, voortdurend. —8, s. gebeden, Ilousage (hauz'idzj), a. bergloon. House (hans'), a. hums; huisgezin; geslacht; parlement. — of call, herberg; bonded!. convenient —, — of offwe, sekreet, heimelijk gemak. upper —, — of lords, Hoogerhuis. lower —, commons, Lagerhuis. to keep huishouden. to keep the —, in huts blkjven. to keep a good —, eene goede tafel houden. —boat, tentboot. — breaker, hubsinbreker. — breaking, huts-inbraak. —clock, hubsklok. —dog, huishond. —eaves, dakgoot. — hold, a. huisgezin, huishouding; a. huishoudelijk; huffs-. —hold-bread, huisbakken brood. —holder, hotsvoter. —hold-gods, hulagodm. —hold-stuff`', huts.
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid. 

455 --Aoudendo secret, close, reserved. —Amsding, secrecy. —korner, cabinet, private room. —road, privy council; privy counsellor. steganography. —sehrijner, secretary, —sinnig, by. bw. mysterious (-ly). mYeteriowsness. —ante, o, mystery . Gehekei, o. hatceelling; criticising, censuring. Gehelutd, by. helrned. Geirsuieite, o. palate; twit,. —letter, palatal letter, palatal. Gehengeu, ov. w. to suffer, to tolerate, to allow. Geheugers. o. memory. —leer, mnemonics. —is, v. remembrance, memory, Gelteveld,bv. leavened. CA ehUg , 0 panting, gasping. Ge311k, o. hiccupping. ehink. o. halting, limping, Gebinalk,o. neighing. Gehabbel, o. jolting; stammering. Gehoest, o. coughing. ti ell° nee', o. bungling, huddling, tenburrapell, o. hobbling, stumbling. ea niaraor, o. beach, OAT; audience; auditory. — geven aa-a, to toys (to lead an) .r to. — vinden bij, to find a hearing with. —bale, auditory canal. --gang, auditor passage. —kande, —leer-, acoustics. —vlies, tympan. —salt, hall of audience, auditory. —geauw, auditory nerve. —40, bv. vertrek, room in which one mey cattily hear what is said or done near it. G ohoornd, by. horned. Gebuorsitern, by. & bw. obedient (ly), entlftil (ly). —held, v. obedience, dutifulness. Goltoorsatnen,ov. & on. w. to obey. i Gebeis,o. tossing, jolting. Gebotsdera, he. obliged, boanden. Gebueht, o. hamlet. Gehtilehel,o. dissembling. Gehuil, o. howl, howling,yelling. Gehulsd, by. lodged, having a bowie, (debunker, o. hankering. Gehuppel,o. skipping, hopping. Gel, v. bran. —form, brail,clew-garnet --tour/seine, clew-block. —en, ov. W. to clew (to clue, to br.,11) up. lied, by. too fat, rook; too much dunked; luxuriant; lascivious, lustful, lewd, lecherous. —held, v. rankness; linurian , y; lasciviousness, lewdness, lechery. Gel:loner, m. spark, glittering. (felt, v. goat, she goat. —eleer, goat 's -leather, kid, kid-leather. —evel, goat's skin. —evleeach, govt's flesh. —enbaard, goat's beard. —enblad, woodbine, honey-suckle. —endrek, goat's dung. —.hoar, goat's hair. —enhoeder, goat-herd. —enmelk, goat's milk. —enmelker, goat-milker, gout. sucker. —enutal, goat-house. o. kid. GeJaagd, by. hurried,. uneasy, agitated, nervous —Acid, T. hurry, uneasiness, agitation. GeJachl, o. hurrying. Geionatner,o.larnenting,lamentation. GeJank, o. howling, yelping. GeJeuk,o. itch,itchIng. Gr./ oel,o. sboutingatir. (b.Jonw,o. hooting. u Itch, o, shouting, cheer, cheering, applause.
Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,
20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.
PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.

De verzekerde wil het beveiligingsbeleid toepassen dat voor de groep besloten werd met behoud van de specifieke behoeften en de autonomie van het beheer in elk filiaal op basis van het bijzondere profiel van de debiteurenportefeuille (franchise, verzekerd bedrag) van elkeen en het financiële vermogen om deel te nemen aan het programma (premie). tc-re.com
mestbaar. —e (-njoer"), N. meat; v. a. bemesten, bebouwen. —enient, a. bemeeting, bebou wing. —er, a. beraester. 1Planuseript (men'joe-skript), a. in handschrift. —, a. handmehrift. menigeen. many (men'ih), a. rneuig, veel. — a one, —cornered, s. menigte. —colored, veelkleurig. veelhoektg. —headed, veelhoofdig. —sided, veelz'jdig. —times (-taj:n7), ad. dikwijla. Map (men,'), a. kaart, landkaart. —, v. a. in kaart bren gen.
Illjegeven, ov. w. to add. BUgev oleo, bw. cousevently. IlljgewAs,o. bastard plant, excetscetice, Mihail en, ov. w. to fetch (to bring) near; to allege, to quote, to name; to heave out (rem sell). — ing, v. allegatIou, quotation; heaving out. Bkihang en, ov. & on. w. to hang next to, to add, to exeggera:e. --er, tn. exaggerator. —set, to appendix; addition, exaggorotion. HIJIntrken, ov. W . to rake a little. Ilkihoor en, on. w. to belong to. —ig, be, belonging to, acc°000ry. BUbouden, ov. w. to held near; to keep , pace with; ou. w. to haul close to the wind. Bkikann, bw. almost, nearly, about. ifelikerk, v. parochial chapel, chapel of race. BtJkosn en, on. W. to coma to, to draw near; to approach, to tome up with, to reach; to do better; to pass, to happen; to recover one 'a nausea. —end, by annexed, accidental. —et, v. drawing near, accession; recovering. Iltlitruipen, on. w. to creep to. HUI, v. axe, hatchet. —brief, register or a ship. great (grand) bill, of rale. — bundel, fasces, — drager . litter.. --homer, hatchet„ —rues, hatchet, chopper. —steel.; handle of a hatchet. —into, carpenter; sapper. IlUinge, v. supple remit, annex, enclosed, document annexed. Higrund er, no. lighter, biiander. —ig, by, adjoining, adjacent. BUI1*(gg en, oe, wo to lay (to put ► , near; to add, to pay in addition; to lose; to settle, to Milpoor, to accommodate; oo. ev. to lie by. --er, m. mediator; stress of weather; een tattoo, to lie to. --ing, V. adding; losing; accommedotion littiligg en, on. w. to lie near, to be adjacent to. to border upon; to lie with. —end, bv. adjacent, contiguous, —ing, v. adjaceney; coition.

tiadestann, ov. W. to observe, to watch, Grading, v. liking, choice. het is niet can mite —, I. is not like it. kept pij —in Set Ws? do you like the house ? will the house suit you ? Gaffe', v. prong, pitch- fork, fork, gaff. —steel, stick of a fork, —stukken, crotches. —land, prong. —vormig, be. forked, forky. (Sagnl, as. wild myrtle. —, o. palate, gums. t;E aggeleeu, on. w. to gabble, to gaggle. Gal, v. gall, bile; wind-gall; choler, rancor. zijne sithraken, to vent one'e spleen (on). —afscheidistg, secretion of bile. —appel, —neat, gall-nut. —bloat, gall- bladder. —koorts, bilious ..fever. —leider, binary duct. —weep, gall-Py. —sick, bilious, choleric, eplenetie. —ziekte, —zucht, bilJou. complaint, jaundice; cholericness, spleen. Galamat, by. & ow. gallant (-1y). gallant, suitor. Galanterle, v. gallantry; courtesy. —n, me. fancy• go o ci s. —wicket, bazar, repository of fancyarticles. Grasses, v. galeae. Gelid, v. galley. —boef, —slaaf, convict, galleyslave. —straf, the galleys. GeterU, Y. gallery. Gnlg, v. gallows ; gibliet; gallowses, suspender, straps. —host, —peal, gallows tree, --estedc, lowe- bird. —emaal, last meal. —stronie, hangingface. —eveld, place o f execution. —enaas, gallows-bird, Gitifile, be. sortable, saleable; easy. —held, v. sortablen ens, saleableness; easiness. Gel,j oeaae,o. prow, galleon., Galljoot, o. galliot. Gail ess, ov, w. to gall. —ig, be. bilious. Geslsn m. sound, reverberation, rebound. —gat, pent-hole. —en, on. w. to sound, to resound. (isles, o. lace, galloon. —neeren, ov. w. to lace, Galop, so. gallop. —peeren, on, w. to gallop. Galp en, on. w. to cry. —leg, v. crying. Gander, m. gander. Gong, m. going, walk, course, tack, way; fare; pace, gait; alley, passage. sijn — goon, to go on, to keep one's course. iemand atin laten gaan, to let a. o. have his own way. aan den — helpen, to set a- going, to set on. aan den— sijn, to be in. —booed, gang-way. —pad, foot-path. —spit, capstan. —boar, by. current. —baarheid, v. currentness. —elje, o. going, tack; errand; lane, alley; ern — met ientand gaan, to keep one close. Gannet', ea. rogue. rascal, wag. Gans, Y. goose. jonge —, green goose. gosling. lifoeder de —, Mother Goose. genuses, by. whole, all. —, bw. wholly. — niet, not at all. Gauze boast, m. leg (wing) of a goose., —drek, goose-dung. —kuiken, gosling. —lever, goose's liver; —pastel, goose-liver-pie. —neb, goose-bill. —pest, goose-pen. —peper, goose-giblets. —poet, goose's foot. —scht,clit, goose-quill. —veer, goosefeather. —vet, goose-skin. —vet, goose-fat, goosegrease. — vleugel, goose-wing. —voet, goose-foot; orech. —nbord, goose-geme-board. —nei, goose egg. —chapel, hail-ehot, small shot. —nhoeder, goose-herd. —nhok, goose-pen. —*japer, goose-

atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.
MOO.- HOU. Iloogerhuls, o. house of lords. Hoogsrwal, m. wind-side. 110ogesehool, v. university. Iloogheld, v. highness; grandeur; tallness; elevation. Hooging, v. heightening; outbidding. Ifoogikik,bw. Zie IloeigeltJk. Iloogoed, o. light, bright part; relievo, embossment. Ilooget, by. highest. —deceive, His (Her) Majesty. —derzelver, His (Her) Majesty's. ten —e, at best, at most; highly. lloogte, v. height, elevation, eminence; hill; altitude. op de — lion, off. op de — zOn van, to be conversant with. de — hebben, to be tipsy. sit de —; haughtily, superciliously; with scorn. —cirkel, aloiacantae. —meter, altimeter. —meting, altimetry. Maul, o. hay. —berg, hay-stack, -rick. —boter, bay-butter. —bouw, hey-herveer, -making. —gaffe, —cork, hay-fork. —hare, winter-chases. —land, —veld, hay-field. —maaier, hay-maker. —maaiing, hay-making. —mated, July. —markt, hay-market. —milt, —opper, hay-cock, -rick. —echuur, hay-barn. —tijd, hay-time. —wages, hay•cart; field-spider. —solder, hay-loft. —en, on. w. to make hay; to sell below the price. —er, m. hay-maker. 110055, m. insult, taunt, gibe, scoff, scorn. —gelack, scornful laughter. —en, )ov. w. to insult, to taunt, to gibe, to ecoff, to fieer at; to bias pheme. —er, m. —sler, v. insulter, taunter, scoffer, blasphemer. sloop, in. heap, pile; gang, set; multitude, troop, flock. bij den — rerkoopen. to sell in the lump. to — loopen, to gather in a crowd. de groote —„ the vulgar, the mass of tho people. —loepers, yo tinkers. Hoop, v. hope, hopes. in de —, hoping, in hopes. de — voeden, to entertain (to cherish)) a hope. Hoorbaar, be. & bw. audible (-bly). —held, v. audibleness. Hoorder,m. —es, v. hearer, auditor. llooren, or. & on. w. to hear, to hark, to listen; to learn. —de, be, hearing; — doof zik, to turn a deaf ear. —swaardig, worth to be heard. Hoorn, m, horn; sea-shell; vellum, parchment x(Ine opstcken, to show one's teeth. — van overvloed, horn of plenty., cornucopia. —band, binding of eperchment. beeeten. --tees, horned beasts, — cattle. —blaser, horn-blower, trumpeter. —drager, cuckold. —geld, tax upon horned cattle. —peschal, sound of horse, flourish of trumpets. —slab, horned snail. —slang, horned viper. C3r,,etelt. —riles, cornea. —vormig, hornshaped. —werk, horn-work. —acktig, by. horny, corneoue. —en, be. of horn; —band, binding of parchment. —loos, by. hornlees. lions, v. stocking, hose; hurricane; water-spout. —band, garter. —gat, well n room. —vat. 'coop. Hoovaard ig„ be. & bw. proud (-1y), haughty (-fly). —igheid,v. —(1, v. pride, haughtiness. Holtz en, or. w. to scoop. —er, to. scooper. Hop, m. whoop. --, v. hop, hops. —akker, hopfield. —coot, hop-oast. --betel, hop-kettle. —booper, hop-man. —perank, hop-sprig, tendril. --pe
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

Kunt u mij Monero met ASIC


Unsight 1 int.► (tin sejt'li-ness), ra. onoogetijkneld.—y, a. onoogelijk. Unalivered (..-eilv i ttrd), a. onverstiverd. Unglues's/ (uu-sinlae), v. a. ontzennwen. Utketnscd (uu-sindsjdn, a. onvt.tzengd, ongeeehroeid. Unstnning (un-hitenieng), a. onzondlg. Uncial rsal (un-ekil'foel), a. —Pasty, ad. onbedreven, onervaren. —feat es., a. onbedrevenheid, onervaren held. —led (-Wald). a. onbe.treven. Unsinthed (•u-slekt'), a. on.veralapt. Uneltsin (uu-sleen), a. niet gedool, onverelageu. Uuslaked (un-eleekt'), a. ongelescht; ongebluseht Unsling (un-rating') iirr.3 v. a. van de atroppan (lengen) ontdcen. Unelipping (un-alip'pteng), a. Islet glUdend, 'act.

Hoe werkt de Blockchain werk


notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Sabin a (se-bayne), g. Sabina. —e (seb'in), w. Sabine; i. Sabijn. Sadduc wan (sed-djoe ai-en), a, Sadduceesch.—ee (aed'djoe-ale), r. Sadduce0r. Satanra se-ha're), g. Zahara. Sal f. anon Sarah; Saartje, Saar. Saladin (sere-din), tn. Se.ladijn. Sallabury (eaolzthir.111), g. Salisbury. Saillunt (aellust),m. Sallustius. Sally (sei'lih), f. vnor Sarah; Saartje, Saar. Saionson (ael'um-on), in. Salomon. f. aerie Samuel; Sam. Sam (rein'), Samar, a (se-mee'ri-e), g. Samaria, —tan (-mar , i-ten), r. Samaritaan. Ignmniten Item-nartiez), i. Samuiten. Santo" (sPe'mus), g Samoa. Samoyeds. (sera-oj-isdz'), i, Samojeden. Sanseon (aem'sun), m. Simsou. Samuel (semijoe-11), m. Samuel. Sander (senidur). f. voor Alexander; Sander. Sandwich (send'witsj), g. Sandwich, Santiago (ten-ti-ego). g. Santiago. Sappho iserfo), w. Sallo. Saracen" (ter.e-senz') h. Saracenen. Sarah (we're), w. Sara. Sardinia(aaar-din'i-e), g. Sardinia. —n, a. Sardinischi i. Sardlnier.

( - najn), a. zwaarmoedig, droefgeesti ,Z , Satyr (see'tur), s. boscbgod, eater. — ion (se-tir'-iknaapjeekruid. boat, San.. , anon'), s. anus; onbescbaamdheid. — sauskommetie. —box,onbeschsamde vlegel. —pan, saaspan, -born. —, v. a. sausen, kruiden —r, s. schateltje; sauskom; --eye, groot oog, haltsoog. Sauce Wean (aao'si-ness), a. onbeschaamdbold. —Up, ad —y, a. onbeschaamd. Saunders- :?itutrecilurz), is. — wood, zie Sandalwood. Saunter (saan'tur),v. n.slenteren, ronddrentelrn. — er, s. larterfanter, straatslillier• Sauria n (sao'ri-en), a. hagedis. Sausage (sso'sidzj, aes'idzj). s, sauclijs. Savage (sev'idzj), a. — ly, wild. wrest, wreed. a. vvildheid,woestheld, wilde. — noes, wreedheid. S1,4111110 (se-ven'ne), s. savanna, illig.teekt grasvlakte. Save (seev'), ad. & prp. behalve; beholAdals. — , v. a. redden (from), behouden beware':; besparen; v. n. sparen, bezuinigen. — ill, a. profljter. —r, a. redder. verlosser; opgaarder; beznintger. Stavin (sev'in), s. zevenboom, Saving (seevierig), a. — /y, ad. spAarzaarn, zuintg (of); reddend. — , ad. tilt prp. behalve; behoudena.
(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.
Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar

Hoe werkt een bitcoinmijnb werk


Bury (ber'ih), a. begraven. —ing, a. begrafenis. —log-place, begraafplaats. Bush (boesj), a. atruik; kreupelbosch. —el, a. achepel. s. lommerigheid. —y, a. struikig; mtg. Bus lly (bit'i-Ilh), ad. tjverig, bezig. —iness (bieness), a. bezigheid; berocp; aangelegenheid, zaken; to net up in —, eene sank beginnen. Busk (busk), a. planchet. —et, a. bosachage. —in, a. tooneellaars; tooneelspel. Buss (buss), a. bus; haringbuts. —, v. a. kussen. Bust (bust), a. boratbeeld. § —, v. n. bankroet gaan, —ard (bust'ard), a. trapgans. —er, a. gevaarte; acherts. Bustle (basil), a. rumoer, gewoel. —, v. n. woelen, veel beweging maken. (about) heen en weer dribbelen. (away) nigh wegapoeden. —r, a. bedrijvig mensch. Busy (biz'ih), a. bezig, onruatig. —, v. a. bin* houcien. —body, albe , chik. prp. behalve. But (but), conj. natter, doch. —, ad. slechts. — for, zonder; ware het niet om. But (but), a. grens; ulteinde. —, v. n. aanraken. —sling, topreep. Butcher (boetarur), a. vleeschhonwer. —, v. a. slachten; vermoorden. —bird, negendooder. —row, vleeschbank. —ly, ad. moorddadig. —y,s. vleeschhouwer(j; slachting. Butler (but'iur), a. bottelier, keldermeester. —ship, a. bottelierachap. Butment lbut-ment), a. gedeelte van een gewelf. Butt (but), a. doelwit, mikpunt; stout; vat. —end, stomp einde; geweerkolf. —, v. a. atooten. Butte (but), a. verhevenheld, heuvel. Butter (burtur), s. boter. —, v. a. boteren; den inzet verdubbelen. —bump, roerdomp. —bur, paardeklauw. —crock, boterpot. —cup, kraatevoet. —flower, boterbloem. —fly, vlinder. —milk, karnemelk. —nut, olienoot. 7-pear, boterpeer. —print, boterspaan. —tooth, entjtand. —tub, hoterton, botervlootje. —y, a. aptjakast; a. balerachtig. Buttock (but'tuk), a. bil; spiegel (van een sehipl; kruie (van sett paard). Button (burtn), a. knoop; knop; zee-egel. —, v. a. knoopen. —hole, knoopsgat. 5 --wood,wilde vijgeboom. Buttress (but'tress)„ a. beer; stutmuur; ateun, —, v. a. onderetutten, sehragen. Butwink (burwinkl, a. kievit. Butyraceous (bjoe-ti-ree'sjus), a. boterachtlg. Butyrous (bjoe'tt-rue), a. Zie Butyraceous. Buxom (buks'um), a. —ly, ad. vrooltjk, dartel. —nets, a. vroolijkheid. a. Buy (baj):[bought (baot)], v. a. itoopen.• kooper. Buzz (bun), a. gegons. —, v. a. toefinisteren; in bet geheim verapreiden; v. n. gonzen; fluisteren. —er, a. oorblazer. Buzzard (burzurd), a. havik; domkop. By (baj), prp. door; naast; bij, met; om; voor. —, ad. nabij; tegenwoordig; voorblj; langs. 'Araks. — the —, wat ik zeggen wil. — and dicht bij. — the way, in bet voorbtjgaan. hard to get — heart, van batten leeren. — the boat, per boot. — sea, over zee. —far, varreweg. —bidder,
Imperfect 'fame or Past Participle, Punt, I. & p. Puf , 1. to Quit, i. & p. p. Ran, Rang, i. Read, 1. & p. p. Rent„1. & p. p. Rld, 1. & p. p. Risen, p. p. Riven, p. p. Rode., 1. & p. Rose, 1. Rot, p. p. Rotten., p. p. Rove, i. Run, 1. & p. p. Rung, I. & p. Said, 1. & p. p. Sat,t. & p. p. Sate. i. & p. p. Saw, 1. Sewn, p. r. Seen, p. p. Sent,i. St p. p. Set, 1, & p, p. Shaken, p. p. Shapen„ p. p. n, p. p. p. p. Sim Shewo, u. p. Shod, I. & P.P. Shone, i. & p. p. Shook, i. Shore. I. Shorn, p. p. Shot, 1. p. p. Should, i. Shown, p. Shred, i. p. p. Shrift, F . r . Shriven., p. p. Shrove,t. Shrunk, 1. & P• P. p. p. Shut, i. & p. p. ti+latea, p. p. Slept, 1. & P. p.
COU.—CRA. ring. .--seuffie, vechtpartij. —sense, tegenover4estelde beieekenis. —sign, a. wachtwoord; tegenonderteekening; v. a. tegen-onderteekenen. —signal, tegensein. —signature, mode onderteekoning. —stroke, terugslag. —taste, bijsmaak. —tenor, alt. --tide, tegentkj. —timber, wulfhout. —time, tegenstand, hinderpaal; tegenspoed; teleursteiling; mistily. —transom, dekworp. —turn, onverwachte wending, plotselinge omkeer. —rail, a. tegenwicht, vergoeding; gelijke waarde; v. a. in waarde (kracht) evenaren; bettionen, vergel. den; v. n. van gelijke waarde (kracht) zijn. —view, keerzijde; contrast. —work, tegenwerken, belemmeren. Countess (kaaunt'ess), e. gravin. Counting-house (kaaunt'ieng haus), s. bantoor. Countless (kaaunt'least, a. ontelbaar. Countrified (kun'trl fajd), a. boersch. Country (kun'trih), s. land; platteland; land. —, a. landeliik, plattelands . —dance,contredans. —house, landhuis. —life, (het) buitenleven. —man, landgenoot; buitenman. —seat, buitenplaats. —song, volkslied, —squire, landedel. man. —wake, boerenkermis. County (kaaun'tih), a. graafschap. —court, provineiaal gerechtshof. Couple (kup'pl), a. paar, koppel. —, v. a. samenvoegen, koppelen; v. n. zich vereenigen, paren. Couplet (kuplit), a. paar; couplet. Courage (kur'idzj), a. mood. —ous, a. —ously, ad. moedig, kloek. —ousness,s. dapperheid, kloekheld. Courant (koe rent'), s. nieuwahlad, brunt, zekere ♦lugge dans. Courb (koerb), v. n. zich bulges. Courd (koerd), a. pompoen; kalebas. Con-ter (coe'rier), a, renbode. Course (boors'), s. wedloop; loopbaan; gang; reeks; beurt; zeil; koers, richting; curette; gerecta; neiging; laag. — of exchange. wisselkoera. by —, beurtelings. of natuurlijk. — of life, levenswijs. to take a —, een' maatregel nemen, to follow the — of time, net den tijd medegaan. — 8 ( iz), a. maandstonden; onderzeilen. —, v. a. vervolgen, jagen; v. n. rennen, jagen. —er, s. renpaard; Jager. Court (koort), s. hof; plein; straatje, plichtpleging. — of guard, wacht. — of chancery, kanselarij. — of exchequer, algemeene rekenkamer. to make one's —, zkjn hof maken. —baron, leengerecht; burgerlijk gerechtshof. —breeding, hoof ache opvoeding. —chaplain, hofprediker. —day, rechtadag. —dress, gala bleeding. —hand, bureautichrtft. —lady, hofdame. —leet, adellijk leengerecht. —martial, krijgsraad. —plaster, engelach pleister. —yard, binnenplaata. Court (koort), v. a. zijn hof maken aan, vrijen naar. Courteous (kur'ti us, koort'jas), a. —ly, ad. beleefd., vvellevend. —ness, a. beleefdheid. Courtesan (bar ti zen'), a. boeleerster. Courtesy (kur'te zih), a. wellevendheid; beleefdheld. — (kurt'sih), s. nijging, buiging. —, v. n. eene nijging maken. Court ler (koortjar), a. hoveling. —like, a.

Kan ik cryptogeld door middel van TD Ameritrade


Trithe ► sm (trarthi-ism), a. driegodendom; (het) Treowsera (trAu'zurz), a. pl. wijde broek. Troy 1, troY). a. —weight, trootech gewleht. geloof can drie goden. Triton (trej-tun), s. triton (zeegod); tritonsho- Tr ►tant (tros'entl, a. —ly, ad. Jai, leeg(oopertd. —, a. ledigganger, etraatelijper. to ploy the —, ren. —e (-toon)., s. dileklank. Tritura ble Oritloe-rib)), a. vergrufsbaer. —te etuklee draaien, epijbelen. --, v. n. leegloopen, etraatelijpen; equities draaien. —ship, a. ledtg(-rect), v. a. melon, vergruizen. —tion (ree'ejun), gang, luthetd. A. vermaling, vergrutztng. Triumph (trarumf), e. zegeprool, triomf; trod. Truce (troee'), a. wapenatilatand; verpoozing. —, v. n. triomfeeren (in); zegevieren (over). --at —lees, a. onverpooek (-amrel), a. zege-, triomf-; a. zegeteeken. —ant, Trackman (trotermen), a. tolk, a. —ant?y, ad. (-urarent-), zegevierend. —er, a. Trueldattors (troe•ei-dee'ejen), a. alaohting, moord. zegevlerder, overwfonear. Triumvir (traj-um'vir), e, drleman. —ate (-et), Truck (teuk'), a. ruil, ruilhandel; wial; kloot; a. driemanachap. h..andwagen; § hulaelijke behoeften; butaraidTrial,' a (trenoen), a. drieeenig. —is;) (-joenit- deltje. —carriage, blok-, rotwagen. —wan, voerman, karreman. —, v. a. ruilen, verrutlen; op tih), a. drteeenigheld. een' roiwagen vervoeren; v. n. rulthandel drijTrivet (trtv'lt), a. drievoct, treeft. van. —age, a. ruillng, ruilhandet; § vrachtioon. Trivial (trtv'1 , e1), a. — 1y, ad plot, alledeagech; —er, a. miler. onbeduidend, —ity (-el'it-tih), — mess, a. plat held, Truckle (truk'kl), a. rolletje. —bed, rolbed, —, alledaageehheid. v. n. zich onderwerpen, krulpen (to watt). Trost (troot I. v. n. sehreetiwen (vett herten). Tracer (tro'ker), a. trocar (werktutg om het Tructilets re (troeirjee-lens), e. wneatheid, wreedheid; verschrikkel ijk geztcht. — t, a. woeet, water at te tappen), wired; vereehrikkelijk. Trochee (tro'klo), a. trocheit, (-- ---). Trudge (trude)'), v. n. te voet gaan, strompelen, Troglodyte (teoglo-dajt), e. holbeoroner. etch voorteleepen; zich artobben, zwoegen, —max, Troll (trooll'), v. a. rollen, voortrollen, snot bewegen; (been rondgaan; (away) afroffelen; v. n. zie Truchnene, rondrollen f een' rondzang zing.n ; rondgean ; True (troe'), a. wear, eebt; oprecht (to); juist; getrouw (to). —blue, eerlijk, gotrouw, —born, echt. rondelenteren. near anoek hengelen ; (about) —bred, eat, wear; volbloed. —hearted, trouw har—madam, kutltjesepel. tig. —heartedness, a. trouvhartigheid. —lore, Trollop (trollop), a. stet, sioerte. Trombone (trore'boon), s. trombone, achuif- gellefde;wolfebes —love-knot, ltefdestrtk, -knoop. --penny, eerifjke s'el. —ness, a. oprechthetd, setrompet. trouwheid. Tromp (tromp), a. blaaspijp. Truffle (troere, truf'fl),e. truffel. Trtsmeter (tro-nee'tur). a. woleeger. Tramp (troep'), a. troop, drom, bende. —, a, n, Tang (trug), a. bak, kalkbak. troel. wijze gaan (about); (away. off) zich weg - Trulam (troe'flem), s. onrniekenbare waarheld. Trull (trail), a. stet.• et raat hoer. pakken. ---er, e, rotten Truly (troe'lth), ad. waarl ilk, inderdaad. Trope (troop), a. overdrachtelijke uitdrukking. Troph led (trolid), a. met zegeteekenen getoold. Trump (trump'), a. trompet; troef. —ace, troefaas. —, v. a. trocven; (op) verdichten, ameden; -y, a. zegeteeken. v. n. troef apelen. —ery, a. zottekiep, onztn; Tropic (troplk).... keerkring. —al, a. keerkringe-, prullen, vodden; ijdele praal. aroplach; lignunijk, overdrachtelijk. Tropolog left)) (trop-o-lod'zjikl), a. figuurlijk. Trumpet (trumplt), a. trompet; roeper; trompester. —, v. a. met trumpetgeachal bekend ma--Y (tro-poPud-zjth), a. leer der tropen; fignur- ken, rucbtbaar elaken, nitbazuluen (forth). —er, lijke nitdrukking. a. trompetter; uitbazutner. Trot (trot), a. deaf; end wilt. —, v. n. draven. Troth (troth'), a. trouvr. waarheid. —plight. Tresneet te (truneket), a. afgeknot. —te (-keet ' , v. a. verminkeni knotten, arkappen. —tie); (-kee'.. —less, a. trouwelooa. trouwbelofte, vett-loving. ejun), a. verminsing; knotting. efkapping. Trotter (tret'tur), a, Braver; echapepeot. Trouble (trub'l), a. onrunt; moeite. ongemak, Truncheon (trun'sjun), a. knuppet; kommandolane; verwarring; verlegenbeid; kweiling, ver- stet. —, v. a afrossen. --ear (-lea'), a. knuppetdrager. driet. —feast, epelbreker. —state, ruetvereto, der, onruetetoker. —, v. a. troebel maken; vet.. Trundle (trun'd1). a. rot; rolwagen. —beat, rolontrueten; lastig vallen; etoren; kwel!en, gr;even; bed. —tail, rondst hart; -stet. ,—., v. a. & n, rollen, bezommeren; verdrlet aandoen. --r, a. kweller, ronddraalen. verontrueter. —some, a. —comely, ad. laatig, Trunk (trengk'), a. romp; stem; kafer; Ws, koker; emit, blaer,pkj p. —breeches, p1. —hose, *noels/tilt; kwellend. ---,oneness; a. 1 gettie,beid. wijde broek —clips, pl. kofferbesiag. —maker, Trough (trot), a. frog koffermaker. Trout (troo)), v. a. & n. Z ► e to Troll. Trunnel (trun'nil), a. Zle Tree-na 11. Trounce (trattune), v. a. efroseen. Trunnion) (trun'jun), a tap (van seta kanon). Trousers, Zie Trowserx. Trusion (troe'ziun),e. dawiag, stoot. Trout (traut),e. fore; sul. Truss (truss'), a. breukband; bundel,boa;ateunder, Trove' (tro'vur), a. cinch tot teruggave. schooretuk; rak (eener ra). --tackle, rakketalie. Trow (tro), v. u. meenert.vertrouven. —, int, he, —, a. a. inpakken, ophinden, ophalen, upstrooTrowel (tran'11), s, troffel.

RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-
Arabia (e-ree'bi-e), g. Arable. —n, a. Arabisch; Arabier. Aragon (er'e-gon), g. Arragon. Arcadia (aar-kee'di- el, g. Arcadia. Archangel (aark-een'dzjull, g. Archangel. Archibald (aar'tsji. held), m. Archibald. Archimedes (aar-kim-rdiez), m. Archimedes. Archipelago (aar-ki-pere-go), g. Arc hipel. Ardennes (aar-den'),g. the de Ardennen. Areopagus lee-ri-op'e-gus), h. Areopagus. Argyle (aar'dzjajl), g. Argyle. Arian (ee'ri.en), r. Arleen. Aristotle (er'is•tot1),m. Aristoteles. Arkansas (aar-ken'ses), g. Arkansas. Armenia (aar-mrni-e), g. Armenia. —n, a. Arnienisch; i. Armenier. Arnold (aar'nuld), m. Arnold, Arnoud. Arrnean (er-re-ken'), g. Arrakan. Arras (er'res), g. Atrecht. Arthur (asethur),m. Arthur. Aefa (ee'sji-e), g. Azii. —Minor, Lesser—, KleinAzle. —tic (-zi- erik), a. Aziatisch; i. Aziaat. A sphaltites les-fel-taptiez) Lake, g.1)00de zee. Assy (es'sih), f. voor Alice; Lisette, Liesje. Assyria g. Assyria. —n, a. Assyrisch; 1. Assyrian Astoria (es-toe'ri-e), g. Asturie. Athenian (e.thrni- en), a. Atheensch; i. Athener. Athena (eth'enz), g. Athena. Athlone (eth-loon'i, g. Athlone. Atlantic (et-lent'ik), a, Atianttsch; g. Atlantisehe oceaau. Attic (et'tik), a. Attisch. —a ( ke), g. Attica. Attila (erti-le), m. Attila. Aubry (ao'brih), m. Alberik. Augsburg (aoge'lirg), g. Augsburg. August a (ao-gust'e), w. Augusta. —in, —we (-in), m. Auguetinus, A ugustijn. Aurell a (so-1111.e), w. Aurelia. —an, m. Aurelianue. —us, m. Aurelius. Aurora (ao-ro're), my. Aurora. Austin (aos'tin), f. voor Augustin; A ngust. Australia (aos- tree'l 14), g. Australia. Austria (aos'tri-e), g. Oostenrtjk. —n, a. Oosten• rijkech; i. Oostenrjjker. Avon (ev'un), g. the —, de Avon. Azof (ez'uf), g. Azof. Azores (e-zo'riez), g. the —, de Azoriache eilarden,

Angola, Benin, Botswana, Cameroon, Ghana , Kenya, Mauritius, Namibia, Rwanda, South Africa, Tunisia, Uganda, Zambia, Armenia, Bahrain, Brunei Darussalam, Hong Kong, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Korea, Kuwait, Kyrgyzstan, Macao, Maldives, Mongolia, Nepal, Oman, Philippines, Singapore, Taiwan, Uzbekistan, Australia, New Zealand, Andorra, Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Gibraltar, Greece, Guernsey, Hungary, Iceland, Ireland, Isle of Man, Italy, Jersey, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Monaco, Montenegro, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, San Marino, Serbia, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, Aruba, Bahamas, Barbados, Bermuda, Canada, Cayman Islands, Costa Rica, Curaçao, Dominican Republic, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Trinidad and Tobago, United States, British Virgin Islands ,Argentina, Brazil, Chile, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru, Uruguay


Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.

529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.
ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-

nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
11c4;ziagd, be. aged, eldeely, !stricken in years. ate; to deprave, to seduce; on. w. to become -held, v. old age. corrupt, - depraved, to be spoiled. -er, m. Sedisivirsi, by. & bw. composed, sedate (-1y), corrupter, spoiler; seducer. - ing,v. corrupting, calm (-1y). -heid, v. sedateness, calmness. spoiling; depravation. Bednciat, be. mindful, advised, aware, prepared. Settler. tear; m. - des goddeliikes words, min- e(in op, to think of, to j rovide. -zoom, by. later of the holy tioepel; - ter begrafenie, onde, m. servant, doineetic, officer; v. & bee- considerate (-iy), circumspect (ely). dertakee. servant. -en, ov. w. to nerve, to attend, to ..sa.mheid. v. conaddereteness, circumspection. wait up.; to help; to administer; de mis -, to Beelesuaratnn, or. w. to dam in, - up. inepeineeepeu, or. w. to damp upon, tc fumigate. say the mese. sick selves -, t. w. to help one 's self (to) sick' - van, to avail one 's self of, fil,‘clankess, ov. w. to think, to dismiss, to die- charge; on. w. to refute,, to decline. to make use of. -ing, v. service, attendance; iledareits, or. w. to appease, to compose, to administration; office, employment. calm, to soften, to abate; on. a'. to grow calm, BeJUsn, on. w. Zia Gedklen. BedUk en, or. w. to dike, to embank, to dam to abate, to collect to recover) one 's self. Bedauvvets, or. w. to bedew. up. wing, v. embankment. Bedding, v. bed, channel; platform, stratttm. Bedil el, re, & V. Zie Albedll. -len, ov. w. Bede, v. prayer; request, solicitation, petition. to find fault with, to criticise, to censure. wler, --dog, day of public prayers. -kilts, church, m. fault-finder, censurer, -ling, v. censure, temple, chapel. --stond, hour of prayer prayer- criticism -nick, by. censorious, Betting, o. condition, stipulation, agreement. meeting. -v uart, pilgrimage. wvaartganger, , under -, on condition. -en, ov. w. to condition, p ilgrim , palmer. Bedeelt de, m. & V. pauper. -en, ov. w. to din- to stipulate, to agree (for). wing, v. stipulation. tribute, to allot; to bestow upon, to endow BedIssel era, ov. w. to shape . with an addice, to with; to support. bedeeld scorden, to be upon concoct. to manage artfully.-eng,v.menagewent. the parish. -er, m. distributer, dispensator. Bedoel en, or. w. to mean, to Intend, to aim --inc, v. distribution, endowment; dispensation. at, to mean to say. -ing, v. meaning, intention. sunpert. aim, design. Bedeenel, by. & bw. timid (-1y), confused (-1y), Beidoen (zieb), t. w . to foul ones 'a self. bashful (-Iy). -heid, v. timidity, confusion. Bedompt, by. close, sultry, thick, damp, dneky. Bedek laces, or. w. to cover; to excuse, to dis- --heid, v. sultriness, dampness. guise. -king, v. covering; concealment; escort. Bedorven, by. spoiled, marred; egirupted, de. - eel, o. covering, cover, -t, by. covered -, prayed; rotten, tainted. -heid, v. corruptness, et,ewed (with); latent, hidden, secret, clandes- corruption, depravity. tine; bw. secretly, elaudestinely. Bedot ater, v. Zie Hedotter. -ten, or. w. to Bede!, rn. begging. warm, beggarly poor. -brief, Impose upon, to deceive, to cheat, to cozen, to legging-letter.-brood, beggar's livelihood;- eten, gull. -ter, m. deceiver, cheater. cozener, to diva upon charity. -jongen, beggar-boy. Bedreg, o. amount. -en, ov. w. to amount to. -itionn4k, mendicant (friar). -orde, order of Bedreig en, or. w. to threaten, to menace. mendicant friars. -pale, beggarly crew. --Oaf, wing, v. threat, menace. mendicant', beggary; tot den - brengen, to reduce Bedresernel d, by. confusedeperplexed, -dheid, v. confusion, perplexity. - en, nv. ev. to confound, to beggary. -oak, beggar's scrip, wallet. 1i almiaar , m, beggar, mendicant. -edeken, check- to perplex, to put out of countenance. -ing, v. ered cover. --adoelen, -sherberg, beggar's inn, confusion, perplexity. -stet., v. beggar woman. Bedreven, bv. ;Allied (in), skilful, sereed (in), B edet actatig, ho. beegarly. -area, v. beggar- convergent (with), expert. -heid, v. skill, ski!wool.. -aril, v. beggery, begging, fulness, expertness. Bedelete, ay. w. to beg, to mendicate. Bedrleg en, or. w. to deceive, to cheat, to Imt. w. Bedelveis, ov. w. to bury; to hide (to conceal) pace upon, to defraud, to beguile; nick v. deceiver, cheat, in the ground. in onivetendheid bedolven, sunk In to be mistaken. er, m. impostor. -erg, v. cheat, imposture, trick. -! k, ignorance. B ecletek elijikc, by. iroavinable; critical. welijk- by. it; bw. deceitful (-Iy), fraudulent (-Iy). heid, v. deceitfulness, fraudulency. criticalness. -en, ov, w. to consider, -heid, to weigh, to take into consideeation, to recto!. Bedrlif, o. action, deed; profeesion, businees, lett; to invent, to contrive, to provide for; trade; act (van ern tooneelstak); achievement. m. & v. busy-body, factotum. -ster, v. Zie t. vv. to chanree one 'a mind, - one 's zee': Bedrikivee. purpose• to hesitate. wen, o. noneideration; conder -, without doubt, BedrUten,ov.w. to beshite. doubt, hesitation; ' uoheeitatingly. -40, time for considering, res Bedri,jv en, or, w. to commit, to perpretrate. pite. to. inventor, contriver. wing. v. con- to do, to make; vrengde -, to rejoice. wend, bv, ',dtention, reflection; objection, remark. -ster, active. -er, m. author, perpetrator. -ig, by. r. tnventreso. active, busy, intinetrious. wigheid, v. activity, 1/3 derf, ie. corruption, spoiling; depravity. -elijk, industry. -ing, v. commission, per etratIon. hr. corruptible. -elijkheid, v. cerruptiblenese, BedrII nI, vs. & v. Zie Albedril. or. w. to cause a quaking; to meadle with, to manage. --etc, A'. corn, p;rama; spoiler. -ler, an. -liter, Zie Sendery eon, nv, w, to corrupt, to apt], to viii
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Kan Blockchain worden gehackt


FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling. 

Zal crypto ooit herstellen in 2019


The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Hoe verkoop ik Crypto op Robinhood


Apparent, (eP•peer'ent), a. —/y, ad, blijkbaar; minx; bevatting; vrees (for. of); verdenleng. oogenschijnlijk; waarschijnlijk. —sive, a. bevattelijk; beducht (of). —.lively, ad. Apparit ion (ep.pe.rnesjun), s. verschijning; met schroom. —siveness, s. bevattelijkhetd; bespook. —or (ep-per'i-tur), a. pedel, bode. duchtheid. Appeal (sp-ptel'), a. hooger beroep; heschuldi- Apprentice (ep-pren'tia), a. leerjongen. —, v. a. ging (against). —to arms, toevlucht tot de wape- in de leer doen. —hood, —ship, a. leertijd. nen. —, v. n, zieh beroepen op (to). Apprise (ep-prajzi, v, a. (of) bericht ;;even. Appear (ep-pier'), v, n. verschijnen; achijnen, Apprise lep-prajz'), v. a. Zie Appraise. blijken. —acre, s. verschijning; schijn, voor- Approach (ep-prootsj'), a. nadering, toegang. komen. lines of—, loopgraven. —es, a. belegeringswerken. Appease able lep-pieznit11, a. bevredigbaar. —, v. a. naderbrengen (of); v. n. naderen. —able, —ableness, e. handelbaarheid. —e, v. a. bevredi- a. genaakbaar. —less, a. ongenaakbaar. —ment, gen. aussen. —ement, a. bevrediging. a. nadering. Appell ant (ep•pellent), a. appellant. —ation Approba tion (ep-pro-bee'sjun), a. goedkeuring. (-lee'sjunl. a. benaming. —atory (-e-tur-rih), R. —tire len' pro-bee-tiv), —tory (ep'pro-bee-tor rih), een hooger beroep inhoudende. —ee, goedkenrend. a. gedaagde. —or, a. eischer. Appropri able (ep-pro'pri-ibl), a. toeeigenbaar; Append (ep-pend"), v. R. aanhangen. —age (-didzj), aanwendhaar. —ate (-et, a. eigensardig, aanhangsel. —ant (-dent), a. bijgevoegd. —ant, stig. —ate (-eet), v. a. toeeigenen; bestemmen —ence, —ix, a. aanhanpel. (for. to); aanwenden (to). —ation (ee'sjun), a. toeAppertain iep•pur-teen'), v. n. toebehooren. eigening; beatemming; aanwending. ' Appet ence (ep'pi tens), —ency, a. zinnelijke Approv able (ep-proev'ibl, ), a. goedkeurenalust; vurige hegeerte. —ent, R. hakend, vurig waardig. —al, a. goedkeuring. —e, v. a. goedkeubegeerend. —ibility (-Oh il'it•tih), a. begeerlijk- r. (of); verbeteren; toonen. —meat, s. goedheid. —ible, a. begeerlijk. —ite, (-tajt), a. vurige keuring. —er, a. goedkeurder; verklikker. begeerte; eetlust. Approxitna te (ep-prokel-met), a. nabij, na Ran Appian d (ep-Aland'), a. R. toejuichen. (to). — (-meet), •. a. nabij brengen; v. n. nabij (ep- komen. —tion (-mee'sjun), a. benadering. —tire plans'), s. toejuiching. —sive (-plao-sir), a. toe- jutchend, (-me-tiv). a. nabijkomend. Apple (ep'pl), a. appel. —paring, appelschil.—man- Appuls e (ep-pule'), a. botaing, raking. —ire, a. ger, appelen-venter. —pie, —tart, appeltaart. botsend; aandrijvend. —sauce, appelmoea. —tree, appelboom. —yard, Appurtenance (ell- puete-nenal, a. toebehooren, appelboomgaard. —t, a. bijbehoorend. Appli able lep-plaribl,)a,thepasselijk (to).—ance, Apri cation tep-ri- kee'sjunl, s. blootatelling aan a. toepasaing. --cability (ep-pli•ke-bant-tih), a. de zon. —city (e-prialt.tih), a. zonnewarmte. toepanselijkheid. —cot (ee'pri-kot), a. abrikoos. Applica ble lep'pli-kibl), a. toepasselijk. —ble- April (ee'pril), a. april; graamaand. nes* a. toepasselijkheid. —nt, a. die aanzoe'g Apron (ee'purnl., a. schort; achootavel. —hold, duet; § vlijtig student. —tion (-kee'sjun), a. toe- vrouwenleen. —man, ambachtsman. passing: aanzoek; vlijt. —tory (-ke-tur-rib), a. Apt (ept), a. —ly, ad bekwaam, geschikt; getoepassend; nanzoekend. neigd. —, v. a. geschikt maken. —itude (ep'tiApply (ep-plaj.), v. a. toepaasen, aanwenden; v. n. tjoed, —neat, a. geachiktheid, aanleg. (to) van toepassing zijn; zich wenden tot; a.- Aqua rius (e-kwee'ri-us), s. waterman (in den tack do. out (for). dlerenriem), —tic (e-kwet'it), a. in bet water levend; a. waterplant. —tic-bird, watervogel. Appoint (op-pojnt'), v. a. b.palen, beatemmen; asnatellen; ultrusten. § —able, a, benoembaar; Ague duct (ek'wi-dukt), a. waterleiding. —out geschikt um aangesteld te warden. —ee (ep-pojn- (ee'kwi-us), a. waterig. tie'), a. aangestelde. —er, a. die aanatelt, be- Aquiline (elewi-lin), a. arendachtig. —nose,hapaalt, enz. —meat, a. bepaling; aanstelling; viksnen, Aquo se (ee'kwoos), a. waterig. —lily (ee-kwos' rusting: jaarwedde. Apportion (ep-poor'sjun), v. a. gelijkmatig it-tih), a. watcrigheid. verdeelen. —er, a. verdeeler. —ment, a. verdeeling. Arabesque (ere•besk), a. loorwerk. Apposite (ep'po-zit), a. —ly, ad. gepast, dienstig. Arable (er'ibl), R. beploegbaar. —nets, a. geachiktheid. Araneous (e•ree'ni-us), a. apinnewebachtig. Aration (er-ee'sjun), a. landbebouwizrg, ontApposition (ep-po-zis'ojun), a. tomeging- ginning. Appraise (ep-preee), v. a. waardeeren; achat- ten. —ment, a. waardeering; schatting. —r, a Arbalist (aar'be-list). s. kruisboog. —er,s.kruishoogschntter. schatter. Apprecia isle (ep-pia'sji-ibll, a. achatbaar, Arbt ter :aar"bi-tur), s. acheidsman. —trable, a. taxeerbaar. —te, v. a. waarschatten; op prija willekeurig; bealisbaar. —trary. a. —traray, ad. willekeurig. —trariness,a,willekeurigheid.—trate stellen; v. n. § in waarde atijgen. —lion (-ee' v. a. besliasen; v. n. uitspraak doen. —tration sjun), a. waarschatting; waardeering; § duur- der wording. (-tree'ajun), a. schaidarechterlijke uitspraak. Appreben d (ep-pri-bend'), v. a. gevangen ne- —trator. a. scheidarechter. (-hen'sibl), a. Arbor (aar'bur), a. prieel, bosachage. —coats (acemen; hegrijpen; duchten. begrt ipelijk. --slots (-hen'sjun), a. gevangenne- bo'ri-ua), a. b oomachtig. —went (-reesent),

Is cryptogeld belastbaar in Canada

×