305 epaatzeamheiti, huishoudelijkbeid. —i/y, ad. —y, Thumb (them'), a. dam. —bend, duleasband. a. voorspoedig; euinig, spaarzeam.—iness(-1-nees), —breldth, dulmsbreedte. —cleat, lieklamp.—latch, blink met ere' drukker. —lock, veerelot. .• suitifichuid. —tees, a. verkwistend. Thrill (thrill), a. drilboor; toehtgat; doordrin- lactate droppel wijn op den nagel; to drink —, gentle loon; trifler. —, v. a. boren, doernoren; op bet del metje af drinken. —.piece, peep. doordringen; v, n. indringen ; rillen, trillen ; —screw, staarteehroef. —stall, dulmeling. tut ten. a. beduimelen, onhandig behandelen; doorbladeren. Thaler }trap') [throve, thriven (tkrIv'n)], v. a. bares, wehig groeien, toenemen; gedkien., rijk Thump (thump'), a. stomp. —, v. a. & n. atomworden, vaorepoed kebben. a. voorspoedig pan, etooten; vallen. —en; a. atomper. groot, pinup. man. —ing, a. voorspoedig. Throat (throat'), a. keel, stmt; ingang; klauw, Thunder (thun'dur), a. donder. —bold, blikeem kale. —band, keelriem. —block, gordineblok flits; banblikeern. —clap, donderslag. —cloud, —broil, groote gel. —buckle, gesp van den keel. onweettiwolk. —shower, denderbui. —stone, donclew. —flap, strotklepje. —halliard, gaffelval. dersteen. —storm, zwaar onweder. —struck, ale —pipe, luebtpij p. —root, watersteenbrelre, -mean- van den donder getrotfen, verplet. —, v. a. do !mild, —seizing, hartbindsel. —wort, halakruid. n. donderen. —er, a. donderaar. a. dondeThrob (throb' ► a. klopping. —, v. n. kloppen. rend; a. bet donderen. Thud hie (thjoe'ribl), a. vrierookvat. —few). —bitty, a. kloaping, hartklopping. Throdden (throd'dn), v. rt. gedijen, waysen, (-rll'ur-us), a. avieeeo!e voorthrengend. —fication (-rif-i-kee'sjun), 8. bewierooking. toenemen. Throe (duo), a. barerninood; doodsanget, dnode- Thursday (thero'dee), a. donderdog. Than (thus), ad. due, Aldus, zoo. v. a. & n. bevig (doen) !lidera. atrijd. Throne (throne), s, troon. —, v. a. op den troon Thwack (chwek), s. slag. —, v. a. clean. Thwart (thwnort'), a. —lie, ad. dwars; hinderplaatsen. s. daft (roethank). —, v. a. doorlijk, Isetig. Throng (throng), a. drab, bedrijvig, —, s. ge- ad. kruieen; dwarshoomen; v. n. strijdig v. a. & n. dringen, (elk,nder) verdrin- drang. Ken; veratoppen. dwars. —skips, ad. dwarsseheeps. —ways, ad. overThrust)! a (throe'i) a. Water; getouw. —ing, a. dwars. —big, a. —inryly, ad. hinderlajk, dwaredrij keelgezwel (btj bet rundviv ► . vend. —tress, a. dwaiebeld. MOO, Thy (thaj), pr. uw, tee e, uwen. Throttle (thrutit1). a. luchtpijp. Thy hue- (thaj'in), a. —wood, cypressenhont. klep. —. v. a. & n. worgen, eteoren, etikken. Theead • (taim'), a. tbijm. —y, a. vol tijrn. Tbrourah (throe" ► , ad. door a door, geheel. a. prp .ioor. —ly, ad. Zia T.norestahly. —out Thyre a (tbues'), a. tuiltje, kroontje. bacchutestaf. (-nut), ad. steeds, overal; prp geheel door. Th ynelf (th+self')„ pr. u zelven, u zelve. Throw (thro"), a. worp, elag; inepanning; wee. Throw (thro') [threw (throe). thrown (throon)], Tiara (ta)-ee're), a. driedubbele !croon. v. a. werpen, emijten; ate,ont- s neder-,tilt-,wee- Tibia (tib'i•e), a. acheenbeen; butt. —1 (-el), a. van hetatcheenbeen; butt-. werpen; twijnen; draaien. —one's self on (upon), zleh verlaten op. (about) in 't road we'll., (away) Tice (tale), le a. —meat, a. Zie to Entice. wegwerpen; vet.• wieten; to erornle richten. (bark) Tick (tilt'), a. burg, eredlet; ti.jk; getik; tee k, terugwerpen, -driiven. (by) verwerpen; ter zijde sehapeluis. —, v. a. do n. tikken, borgen. —en leggen. (down) nederwerpeu; Gra verhaleu; ver- (tik'n ► , --ing, s. beddetijk (stop). woeeten. (in) inbrengen; inlasachen. (off) afwer- Ticket (WOW, a, brietje, lootje, kaartje. — of pen; verwerpen; ultdrtjven, veretooten. (out) nit- leave, verlotpas. —collector, brietesephaler. werpen; nitstooten; verbannen; to verstsan ge- —porter, briefjesrondbrenger. —, v. a. vm2 can yea. (up) opwerpeu; wegwerpen; gpgeven. kaartje voorzien, merken. v. n. werpen; dobbelen. (about) op rniddelen den- Tickl a (tik'kl), v. a. kittelen; v. n. kitteling zinnenstreeler. —er, a. die werper. —ster gevoelen; ken, intddelen beproeven. (-stun), a. twijner. kittelt. •—ing, a. lateling. —ish, a. kittelaebtig; Thrum (thrum'), a. dreun, dreamett, grof garen. netelig; wankelend. —istiness, kittelachtigheld; —cap, wolien mute. --hat, ruige hued. —, v. a. neteligheid; oneekerbeid. & n. knoopen, vleelten, met iranje ornzoomen; 'tad MO, a. zacht, lekker. —bit, lekker beetje. mtg., op deeunen. Tidal (verde!), a. van het getij. apekken; aleeht Thrush (thrusr), n. 'Oster; apruw. Tfele3De (tideil ► , v. a. lietkooeen, troetelen. Tide (tajd'), a. tij, gett); vied; stream; did; or Thrust (thrust), a. stoat, ateek; Rantd. Thrust (thrust') [thrust], v. a. Moot., doyen, loop. —duty, havenge/d. —gate, vioeddeur, slate. steken; doorboren; istoppen. — one's self into, —gauge, peilsehaal. —harbor, binner haven. —'sztch dringen (mengen) in. (away) wegetooten. nian,—waster, tolneambte. —, v. a. met den etroono medevoeren; v. rt. met den stroem medegaan; tb (down) near initiation stooten. (in) inateken; en vloed hebben, vaseen; voorvallen, stooten. Indriiven. (off) wegstooten. (on) aan-, troortdrijvenevooltdutien.(out)uttdrtjven.(through) Tldi ly (tardtl•lih), ad. Zie 'tidy. —seas (•didoorstoken. (upon) wija makes. —, v. n. stooten; neon), a netheld. zioh werpen (at); indringen (ix); (into) zieh. men- Tidings (tardiengt), s. pl. nieuwe., beriekten. gee in; (on) voortdringen. —er, a. *tooter; aan• Tidy (taj'dih), a. net ; gelegen, meet; veering. waiter. a. echortje, kwijliapje; overtret.
Vouchsafe (cautsj-seen, v. a. veroor!oven, toeetaan, mimes; v. n. Melt verwaardigen, geHaven. e. verleening, vergunning; verwaardiging. Vow (van'', gelofte, plechtige belofte. —, v. a. (van'', toewijden; v. n. eene gelofte doen; doen; zweren. —el (-11), a. klinkletter. —er, a. afiegger owner gelofte. Voyage (voridej), s. (see-)reis. —, v. a. hereizea, bevaren; v. n. ems seereis doen. Vulgar (vul'gur), a. —ly, ad. gemeen, Meg; *1iedaegsch, gewoon; algemeen. fractions, gewane briuken. — language, volketael; moedertool. — translation, Vulgate. —lam, s. gemeene (platte) ultdrukking. —tit/ (-g'r'it-111.), a. ilerneenheid, platheid. —ize (-ajz), v. a. gement makon. Vulgate (vurgei), a. Vulgate (latijnsche hijbel. vertaling. Vulnera hie (vul'nur-tb1), kwetzbeer. —bility (-e- ► il'it-tih), —Neves., n. kwetebaarbeld. —ry (-a-rib), a. heelend; — balsam, wondbalsem; — plaster, wondpieteter. —ry (-e-rth), a. heel-, e•ondroiddid. —te (-eat), v. a. kwetsen, wonden. —tion (-ee'ejun), a. kwetalng. verwonding. Vulpine (vuPpin), a. vosachtig;

Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​


Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.
RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-

cryptogeld van facebook


schrift. in —,, schrittell,jk. cchrigboek. nadeelig. —less, a. —leanly, ad. arge:oos, niet —desk, schtijfleeseaaar. —diamond, glazenn: Akersbeleedtgend. —ness„ B. verkeerdheid. diamant. —master, s hrbjfmaeat.er. —paper.,echrijf- Wroth (roth'), a ongeluk; loom—, a. vertoornd papier. —stand, nnktkoker, sehrijtkietje. —ttible, (at, over. with, op). —Jul, A. Zie Wrathful. schrbftafel. Wrought (mat), a. bevverkt; gewrocht. — iron, Wrong (rang'), a. ongelijk; dwalingt onreeht, geslagen bier. high —, aitstekend uitgevoerd kwaad. to be in the —, ongelijk hebben. neer ontroerd; hoog gespannen. luvaaddoenet; verongelij ker. —doing, onrecht,ver- Wry (raj') a. seheef; verdraaid, verwrongen. ongelijking. —, a. & ad. —ly, ad, verkeerd, on—legged, met kromme beenen. —necked, met eon' juist. to be —, ongetijk (mis) hebben; zich verglascheeven nek. v. a. veYdraaten, verwringen; mt. —head, dwarehoofd —headed, verkeerd, onv. n, scheef zjjn. —nese, a. scheetheld, vets, rongertinid. —, v. a. verongelijken; benadeelen. —er, genheid. a. verongelijker. —tut, a. —fully, ad. onbillijk,
EXO.•-EXP. den. -te (-eel), v. a. bueten, verzoeuen, *wetter Env...MAE (ekt,Thr-rill), a. verbiddelijk. -nees, s. goed maken. -tion (ee'sjun). a. boeting, ververbiddelijkheid. buiten- zoening. -tory (-e-tur• rill), a. boetedoende, booExorbitan cc (egz-orthi-tens), tend, -aa,rifice, zoenoffer. sporigheid, verregaandhehi. -1, a. -fly. ad . butExpilation, (eks-pi-lee'sjun), a. plundering; vertenaporig, Nerregaand, sehreenwend. waarloazing van den eigendo:n van ininderjartgen. Exorc lee (eks'or-sajz), v. a. bezweren, nitbann en . -jet, a. duivelbanner. a. gees- Expla' action (eks-pi-ree'sjun), a. uttademing; lactate ademtoeht,overlijden;nitwasemtng;affoop, tenbezwering. elude; vervaltijd. -e (-pair'), v. a. uitademen; nitExordit at (egz-or'di-e1). a. inleidend, aanhef , wasemen; v. n. ten etude loopen, vervallen; den inleiding, aanbef. -urn. a. fend. geese geven. Exottive (egz•or'civ), a. opgaand, oostelijk. Explain (eks-pleen"), a. a. verklaren, uttleggen. Exosseoun (eaz-os'st-us), a. beenderloos. -able, a. verklaarbaar. -er, a. verklaarder, toeExostosis leks-os-to's(s), a. beenuitwas. Lxotcr lc (eks.o-ter'ik), a. openbaar. -y liehter. Explanat Ion (eks-ple-nee'sjun), a. verilaring, s. duidelijke (algerneene) zaak. ieks , nitlegging. -ory (-plen'e-tur•rib), a. verklarend, Exotic (C1,7.-ot'ik), a. uitheemsch nitheeraseh ophelderend. gewas. Expao al (cks-pond'), v. a. uitzetten; uitspreiden; Explei lye (ektip(e tin), -ory, a. aanvullend. nithreidem v. n, zwellen; zich opene ► . -se (-pens'), -eve a. nanvallend woord, etopwoorci. m.uitgestrektheid; -ofhearen, nitsp.sel. -aitility Explica bin (eks'plt-kibl), a. vcrklaarbaar. --to (-beet), v. a. ont ,:ouwen, uttleggen, verklaren. s. nitzetbaarheid. -aiole (-pen' -tion (-kee'sjun).,s. entvouwing, uttlegging, vernib)), a. nitcetbaar. -aeon (-pen'sjun), a. uitzetting,nitspreiding; ultgebreidbeid. -sive (•pen's ►v), klaring. -tine (-kee•tiv), -tory (kee-tur-rih), a. verklarend. -tor (kee'tur), a. uttlegger. a. nitzettend; uitspreidend. Expatiate (eks-pee'sji•eet), v. u. rondwandelen; Explicit (.10 - nlieit), a, -ly, ad. dutdelijk, holduidelijkheid,bepnaidheid. der, bepaald. inn. upon) uitweideri over. e (eka-plood'), v. a. uttdrijven,doen nitExpatria te (eks•peetri•eet), v. a. verbannen. Explod baraten; Wide atkenren; uitjouwen; v. n. -lion (-ee'sjun), a. verbanning; ultwijkinK. barateu, ontploffen. Expect' (eks-pekt . ), v. a. verwaaten.§veronder• (eke-plait:), a. bedrijlc heldendt ad. stel3en, meenen. -able, a. to verwachten. --ante, Exploit a. onderzoe--anry, a. verwa, chting, hoop. -ant, a. verwaelt- Explor ation (eks'plur-reesjun), king, navoraching. -ator (eks'pltYr-ree-tur), a. ontend, s. verwachter. -ation (-tee'sjun), a. varderzoeker, navorseher. -atory (-plor'e-tur-rth), wachtiug, -er, a. verwachter. Expeetora nt (aka-pek'tur-rent), a. oplossend, R. onderzoekend, -e (-ploor'), v. a. onderzoeken, navorschen, nasporen. opgevend; slijmoplossend rniddei. -te (-reet), Explo aloe (eks•plo'zjun), a. uitbarating, ontv. a. ophoesten, opgeven; v. n. alijm opgeven. plofting. -sive (-sin) a. ontploffend, uttbarstend. -lion (-ree'sjun), s. aphoesting, opgeving. -tine Exponent (eka-po'nent), a. machtswijzer, expo(-se eiv), u. opgeving, bevorderend. nent. -ial (-nen'ejel), a. exponenten betrefExpedien ce (eks-pi'di-ens), -cy,s.geschiktheid, fend. dienstigheid, doelmatigheid; spoed. -t, a. -tly, Export (ekepoort), a. uitvoer; uttvoer-artikel. ad. geschikt, passend, dienstig; raadzaam. -t, Export (eks-poort'), v. a. uitvoeren. -able. a. a. nitwewttulpmiddel. dat uitgevoerd kau worden. -ation (-par-tee' Exped It e(eks'pe-dajt), a. -ely, ad. anti, vaardig, sjun), s. uitvoer. a. uitvoerder. vlug, g.makkelijk. -c, v. a. bespoedigen; bevor (term afienden. -ion (-disrun), s. snelheid, Expos a (eks-pooz 1 ), v. a. blootleggen; blootmpoed; afzending; zending,tucht.-iona,a. -loudly, etellen; to koon zetten (for sale); can de kaak Ptellen. -ition (-ztayurt), a. blootlegging; verad. ,,,tisj'us-), *lug, vaardig, suel. Expel (eks-pen,v. a. uitdrijven, vitwerpen. -ler, klariug; tentoonstelling. -itive, -itory, a. blootleggend, verklarend. -itor(pnz't. ), a. verdrijv tr. s. ver. klaarder, uitlegger, Expend eks-pend'), v. a. uitgeven, beateden; verExpostulft te (ekes-post'joe-het), v. n. vertu°. k*visten. (-di-tjoer), s. uitgaaf; kosten. gen doen (upon); zich vrijmoedig beklagen (for --es, Expeos e leks•pens'), s3, nitgaaf, with). -lion (-lee'sjun), a. vertoog, erriattge beonkostcn. -ire, a. kostbaar, &Inv; verkwistend. apreking beklag. -tor, a. redetwister, klager. -inept, ad. verkwistend. -ivenees, s. kostbaar-tory (-1e-tar-), a. eerie klacht...(een vertoog) be• held; helzend. Experience (eks-pi'ri-ens). a. ervaring, ondervinding; proet. -, v. a. ondervinden; beproeven. Exposure (eks-po'zjoer), r,. blootstelling; ten(-cur), s. pruefnemer. toonstelling, blootgesteldbeld. ervaren, bedreven. d, a. Experiment (eks•per'i-ment), s. prod, proefne- Expound (eIN-paarnd'). v. a. outvouwen, ver- er, a. utelegger, verklaarder. klaren. ming. -, v. a. beproeven, onderzoehen; onder- (elia-pres'), a. -Rj., ad. joist gelijkend; vinden; v. n. proeven nemen. --al. a. -ally, ad, Express ultdrukkelijk, bepaald; dutdeltik. -, a. tjthode; (-men'tel-),proefondervindelijk.-alist (-men'tel-), v, a. nitdrukken. -11.1e, a. uitboodschap. --er, s. proefnemer. -ion (preaj'un), a. uitdrukking. -inc. Expert (eks-port'), a. -iy, ad. ervaren,bedreven., drukleaar. a. -ively, ad. ultdrukkeltjk. -iventss, a. nadruk, a. bedrevenheid. A. pelmet kunneude wor- , klem. • Vxpitt hie (eits'pi
grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.

Rhetoric (ret'ur-ik), s. redekunst. —al, a. —ally, ad. (re- tor'iki-), redekunstig. —ian(-ierett), a. leeraar in de redekunet; redenaar. Rheum (roeml, a. verkoudheid, zinking. —atic, (-et'ik), a. rheumatisch, zinking atism (-e-tizm), a. rheumatiek, —y, a. zinkingachtig. Rhino (raj'no),I. geld, splint. —ceres (-nos'e-ros), s. neushoren, rhinoceros. Rhouib frumbl, a. rust. —ic, a. ruitvormig. —oid (-0 d), s. langwerpige rait. —oidal (-ojd'el), a. langwerpig. Rhubarb (roe'baarb), a. rabarber. Rhumb (rumb'), a. windstreek. —card, kompasraoa. —lire, dwarskoera. Rhime (rajrn'), s. rijm. —, v. a. berijmen; v. n. rumen. —r, s. rijmelaar, Ajmer. Rhythm (rithrn'), a. maatklank, rhythmus. —ical. a. klankmatig; welluidend. Rib (rib'), s. rib. —grass, —wort, weegbree. —roatt, afrossen. —wall, vak. deel. v. a, geribd maken; van ribber'. voorzien. Ribald (rib'eld), a. liederltjk. a. liederltk menach. —ry, a. liederlijkheid. Riband (rib end), a. acheergang. Zie Ribbon. Ribbed(ribd), a. geribd. Ribbon (rib'bn), a. lint. —grass, lintgaas. —laver, watte. —snake, lintslang. —trade, handel in garen en lint. --weaver, lintwever. v. a. met linten versieren. Rica (raja"), s. rust; haspel. —bird, —beating, rijstvogel. —cowry, hazelnoot. —flower, rijatemeel. —mill, rijstmolen. —paper, rtjetpapier. Rich (Men, a. —ly, ad. rkik; koeteltk, prachtig; vet. —es (-1z), pl. rijkdom; pracht. —nese, a. rijkheid- kosthaarbeld, pracht, overvloed, vruchtbaarheld, kraeht, lekkerheid. Rich (elk'), a. hoop; opper, 'att. —eta (-its), pl. mgelsche ziekte. —ety (It -tih), a. met de engelache ziekte behebt; kromgegraeid; waggelend. Ricture (rik'tjoer), a. apleet, aeheur. Rid (rid), a. bevrijd, ontslagen. to get —of, ontslagen worden van! zich onidoen van. Rid (rid') [rid], v. a. (from. of) bevrijden, oatdoen; opruimen; wegjsgen. —dance (-dens), a. bevrij ding; opruiming. Riddl a (rid'd1), a. raadsel; grove zest —e, v. a. ontraadaelen; ziften; v. n. raadselachtig apreken. —er, e. raadselachtlg spreker. ingly, ad. rands elachtig. Ride (raid), a. kit, rijtoertje; rijweg. Ride (rajd') [rode. ridden (rid'dn)], v. a. bertjden; willekeurig behandelen; v. n. rijden; rustem, leanen, (on. upon), — at anchor„ voor anker liggen. —at the roads, op de reede liggen. (about) rondrtden. (by) voorbijrijden. (down) omverrijden, overrijden. —r, s. ruder, ruiter; pikeur;

In 2014, the company grew to one million users, acquired the blockchain explorer service Blockr and the web bookmarking company Kippt, secured insurance covering the value of bitcoin stored on their servers, and launched the vault system for secure bitcoin storage.[12][13][14] Throughout 2014, the company also formed partnerships with Overstock, Dell, Expedia, Dish Network, and Time Inc. allowing those firms to accept bitcoin payments.[15][16][17][18] The company also added bitcoin payment processing capabilities to the traditional payment companies Stripe, Braintree, and PayPal.[19]
In August 2019, Coinbase announced that it was targeted by a sophisticated hacking attack attempt in mid-June. This reported attack used spear-phishing and social engineering tactics (including sending fake e-mails from compromised email accounts and created a landing page at the University of Cambridge) and two Firefox browser zero-day vulnerabilities. One of the Firefox vulnerabilities could allow an attacker to escalate privileges from JavaScript on a browser page (CVE-2019–11707) and the second one could allow the attacker to escape the browser sandbox and execute code on the host computer (CVE-2019–11708). Coinbase's security team detected and blocked the attack, the network was not compromised, and no cryptocurrency was stolen.[39][40][41]
(: °ripe EA led go r'bel-lid), e. (lit()) utkig. —y, e, G rtliCC (grees'), , genade; 'gun et; bevalligheid; dikbuig. tafelgebad. to say —, bidden, danken (WO den (.or cock (gor'kok), s. korhaan. —crow, efts- maaltijd). days of —, respijtdagen. —cup, laatste kraal. glas, afzakkertja. —, v. a. begunstigen; verGordian (gor'di-en), a. gordiaansch, ingewik- sieren. Graceful (grees'foel), a. —ly, ad. bevallig, beheld. — knot, gerdiaansche knoop. koorlijk. —ness, s. bevalligheid. Gore (gone'), s,geronnen bloed; Beer. —s (goorz), a. zeilgieren. —crow , aaskraai. —. v. a. doorbo- Graceless (greesness), a. —ly, ad. eervergeten, goddeloos; onbevallig. —netts, a. snoodheid; onbe• ren; steken (met Is horens , . valltgbeid. Gorge (gordzj), e. keel, atrot; ingeslikt brok; holkeel; bergkloof. —, v. a. verzwelgen; volprop- Graces (gree'siz), a, Gratien; bevalligheid; gunst. Graell e (gres')l). a. dun, tenger. —ity (gre-sil' pen, verzadigen (with). —, v. n. vreten (upon). it-till), a. rankheid, spichagbeid. Gorgeous (gor'dzjits), a. —ly, ad. prachtig, Gracious (teree'sjus), a. —ly, ad. liefderijk, welweidsch. —ness, a. praeht. willend; deugdzassn; hevallig. —ness, s. liefdeGorget (gor'dzjit), s. ringkraag; balakraag. Gorgon (goegun), s. Medusa, monster. —ian rijkheid, welwillendheid; bevalligheld. Gradation (gre-dee'sjun), a. trapswijze spool(-go'ni-en). a. afmr.huwelijk. G orrnand (gor'mend), a. gulzige-ard, venal. —ism ging. ( -isn't), a. guizigheid. —ize (-dajz), v. n. gulzie; Gradatory (gred'a-tur-rih), a. trapswijze voortgaand. —, a. kerktrap (in kloosters). eteii. —izer (•dajzr), a. vraat. Gra de (greed'), a. greed, rang; aarden spoorGorse (gory), s. steekbrem, priernkruid. baan; v. a. aanleggen, inrichten (eene aarden Gory (go'rib), a. hebloed, bloedig. baan tot speerweg)• 2dicnt (-di-ent), a. wandeGoehawk (gos'haok), a. ganzenarend. lend, stag end; grand van 'dimming en dating. Gosling (gos'lieng), a. jonge gaps; katje (aan Gradual (grecnoe•e1), a. —/k, ad. trap•wijze, bnomen). geleidelijk. —, s. trap; graduaal. Gospel (gos'pill, a. Evangelic; godgele,rdheid. --lee, a. Evangelie•leeraar. —lice, v. a. in het, Graduate (gred'joe-et), a. bezitter van een'acaEvangelic onderwijzen. demischen greed. —(-set), v. a. tot een scadsGossamer (gos'se-mur), re plantendons; herfst- misehen grand bevordersn; in graden verdeelen; v. n. promoveeren; geleidelti k voortgaan, —d dradsn. —y (-mer-ill), a. licht,luchtig; dradertg. Gossip (gos'sip), a. ijdel gesnap, gekeuvel, buur- (-ee-tid), a. gegractueerd, —s ip, a. s'aat (titel praetje; peetoom; peternoei; hebbelkous. —, v. —van gegradueerde• n. bebbelen, keuvelen; vroolijk zijn. —ry, e. Graduation (gred•joe-ee'sjun), a. geleideltjlte (transwijze) voortgang; promotie. peetachap. Graft (graaft) 5. entstek. --, v. a. & n. enten CI 0.41.11 (goy-roen'), a. loopjengen. (on, op). —er, s. enter, boomenter.. Gosling (gos'tieng, a. rneekrap. Gotta (goth'), s. Goth. —waist (goth'em-ist), a. Grail (greet), s. graduaal; gruta. Abderiet, waanwijze, —am:te (-e-majt), s. be- Grain (green), s. gram, koren; korrel; grein; nerf in leder); dread (iu hoot); ',Mug (in stofwon, van New-York. fen); humeur. dyed in —, in de wol geverfd. (Gothic (r,oth'ik), IL gotbisch, barbaarach. —ism rogue in —, doortrapte sc-hurk. —s (greens), a. (-i-aism), a. gothi.sche stijl; barbaarschbeti. buistel (van mouty; droesem. Gouge (gandz,j), P. guts. —, v. a. guinea; het Grain (green') v, a. vlammen, marmeren (ale (mg uttdrukken. Gourd (goerd'), a. pompoen, kauwoerde; beach; hoot). —ed (greend), a. ruig; geverfd; in de wol geverfd; als hoot geschilderd. —er, a. nabontser valsche dobbeisteen. -mesa, a. sehenkelgezwel, van houtsoorten ‘schildar). —y, a. vol koren; —y, a., dikgootig, getwollen. korrelig. Goot (gout') a. jicht; mask; droppel. — swo//e•, door dejicht gezwollen. —wort, glidkruid. —him, Graiiic (grellik), a. langbeenig (van vogele). jichtigheid. —y, a.jichtig. Gramercy (grem-muesila), hit. hartelljk dank! a. Clove (goov), a. hoop, acheaf (hoof of koren). —, Greenal,rie al (gre-min'i-el), —tees, a. graaachtig. v. n. inhalen, ophoopen. Gratninivorons (grem-i-niv'o-rue), e.grasetend. Govern (guv'rn,, v. a. Sc n. a egeeren. —able, a. Grammar (grem'rner), a. spraakkunst, —school, regeerbaar„ handelbaar. —once. a. bebeer, lei- latijuache school, —ian (-mee'ri-en), a. spraakkunstenaar. ding; gedrage ---ens, s. regentes; gouvernante, onderniperee. —went, s. rcgeering; bewind; be- Gramsnat testi (;;rem-met'ikl), a. —ically, ad. spraakkunstig. —icaster (-i-kes-tor), —lad (grew' eeereching. —or, a. landvoogd; bewindvoerder; me-tiet), s. woord,enzifter, echoolvos. —icize ..t.. gouverneur; maehineedrijver. sajz).,v. a. spriagkunatig waken; v. n.den epraelc(4 OW11 (gaann'r, s. japon; tabberd, toga. —ed, a. cen' tabberd dragend. — woo, --soon, getlb - hunstensar uithsngen. Grainple ±grem'pl,, s. krab. herd man; reebter; student. , Grampus (grem'pus), a. noordkeper. Gowt (gaut), a. tluic. 1 Granary (gren'e-rl-h), a. koreneehutir. Gozzard (goz'iurd), a. ganzenbeeder. Grab (greb), a. malabaarsch vaartuig. —, T. a.' Grand (grendl, —ty, ad. greet; grootsch; voorplotaeling grijpen; v. n. plukharen. ' maim. —child, gleinkind. —cross, grootkruis. Grabble (greh'bi), v. n. grahbelen, sparteleu,' —davghter, kleindochter. —day, feestdag. —duke, ta.ten groothertog. --dukegoni, groothertogdom. --Of.
STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.
o ( aje a n),e sm. edeal, n , s a, ab. °;o!enntp. el. Share a na nd rot l n nee bo e g et ahaar, nto _ dea l ada:eln r.—,v. (in. a ie a ; r,. eeel deal nemen se,icrra, hap; bewchutting. —e, v. denier, deelhlbber. (from).( - tiff Shttrk (sjaarkl, a. haai; bedrieger; bedrog. a. v. a. wegkapen; v. n. bedrtegen; Febuirnloopen. — er, a gelukzoaker; schuirnioaper, opilchter. a. senaduwing. schaduwan. ir ii tl a)adaerp'3, . ,,zoi;k()h. et_) , Feala. er_ (1-,ass)., s. 1...)errijkheid. Sharp p:a iy , e ,,hde .rp oe ehtaeor nr ;
Splend cut laplea'dent), 0. II:taken& schitteresd. —ter, a. 4ikkelaor; bevlekker. —id, a. —idly, ad. praclitig, kostelijk —or, a. a. gevloktheid. —ly, a. gevlekt; gespikkeld; tepracht,lniater,glans. zoedeld. Splen elle(aplen'e-tik),—ish, a. Zie Spleenful. Spoon al (spaiezel), a bruilofts-; echtelbk. —ic, a. van de milt, milt•. s. brunt:in; huwelijk; bruiloftslied. Splent Isplent), s. splinter: spat, overbear, echtge000t, —e (spa.), v. a. 'Lie to Espouse. Splice (*pimp), a. spiitsing. —, v. a, splitsen. —less, a. ongAinwd. Splint (splint'), —er, a. splinter,spaander; spalk. S,pcsiat (spout'), s. pijp, Wit; gust; waterstraal; —er, v. a. doen splinteren, splijtenispalken; waterhoos; wolkbreuk. —hole, eguitgat. —, v. a. v. n. aplinteren, splijten• & n. spuiten; hoogdravend spreken, declamee. Split (split') [split], v. a. aplij ten, klooven; sebeu- sen. —er, a. declamat eve. ran; verbrijgeien; v. n. splijten; bereten;springen; Sprain (sprees,, a. verrekking, verstuiking. vergaan. --cauoc, advoksat. —stun, dubbele ode- v. a. verrekken, verstuil.en. lame. —fig, kruidenier.—ring, gesp)eten ring. —ter, Sprat I spret), a. sprat. —barley, baardgerst. o Sprawl w (spraol) V. n. srtelen. Splt a. itlitir'l° eterIskp1:e tv'.U. r), a. gerons, rumoer. —, v. n. Spray (spree), a. rijaje, tilde; schuim. ran:me:en, onversiatinbaar spreken. Spread (speed), s. uitgebrridhetd, omvang. Spoil (spop.), a. butt, roof; verwoesting; 00 , Spread (spred') [spread], v. a. & n. Ppreiden; worpen huid, uitbreiden, nitstrekken, verspreiden. —the v. a. rooven; beroo,n iol , ; bederven, verweesten; v. n, ror,v,,v ; bederven• cloth, de tafel dekken..(abroad) verbreiden. (out) —er, s. beroover; bedrever, ven.voester. vorsprePier; verbreider. uitspreiden. —cc, Spoke (spook), a. apauk, speck; sport. Sprig ieprig')., a. r ikje, apruide; atiftje. —bolt. 011p,,kessisan (spooluimen), a. woorcivoerder. V. a. met takbout. —crysta?, bergkrislal. Spolla sae v. a. bereoven, plunderer. tairjes tedrenen; met stiftjes vastruaken. —gy —lion ( ee'sjun), a. beroovi ► g, plundering. (-0,; ► , a. vol. rijsjes. Spun dee (spou'di), s. spondeus, ,rsvoet you spright (aprajt , , 8 spook, geeet. fiat, —/y, a. twee lange lettergrepen —dyl (-dil), a. leveedig, vro ►ltjk, —fulneatt, (-Itwerveibeen. Spong a (spundzj'), spons; wisncher. —e, v. a. Igt:s' t 'eloa.f.1.7tro1;1, '1'; h t' 'd ..K. ' i"°11ikh6d. — le", a. sponmen; bitwiescheu; v. n. inzulgen; tafel- Spring (spring), a. bran; eprong; veer, springschuimen (on, upon,. — er, a. tatetacbuimer. veer; oorsprong; veerkrachi; lente., voorjaar; (-1-neas), 8 sp ► nsschtigheid. —ing•house, acheur, barrt; lek; spring. —arbor, entl. (in can zomt.rgerst. —barrel, rolgorhorlogiel. a. aroneachtig; irdzeling. —soon zutgend, reha --box, tom k, rg rretid bolt„ e) :ve—e ba Spo t. al (epcua'el , , a, brullofis-; eehtelijk. apringbr;k. —shape, ee, d l, ue: inv ae el —ion (-ajun,a. borgtocht, ..... or, a. burg; doop- Petrel. veer. —dividers. pl. veerpasser.—CLg getuige, doopheffer. treehter. —grass, rekkgras. —gun, donderbua. Spr.ontane ous (spun-tee'ni-us), a. —ously, al. —halt, hanespat. —head, bran; oorsprohg. —hook, veerdekvrijwill:g; van zelf; wilt. —ity (spon-te-nl'it-tilt), veerklink. —lid, karabijnhask. —latch, -nuances, a. veil wil I igheld. eel. --lock, springslot. —quarter, tijd der langste Spontoon ispon-loon'), a. boric pick, dagen. -saw, beugrOzsag. —snuffers, pl. patentSpool (spel', a. spool. —, v. n. spoelen(opwiu- anniter. —steel, elastiek staal. —steel-yard, veerden), —ing-wheel, spuelrad. taotoeir „Te r t asipl,..aearr.d v to;ee.-6 at e, oaupwriknxplopeet Spoon) Impoein'), V. n. anal (vane den wind) u_ri 1en Lenten. zeolloenn;1, p ot ,en),—drif a. iet,pes ichu zomertarwe.—worm, binits iie le,epderill . —water, Spoon (een) lapel-vol. —hand, rechterhan ► . —meat, la- Spring (spring) [sprung], v. a. doen springen: pelkost. —shell, strande ► uisel. —wort,lepellolad. opjagen; aan den dog brengen. — a leak. een n. springer; ontepringen; —, v. n. Zie to Spoons. Lek ketjgen. v. Sporadic (spo-red'ik), —al, a. verstloold. uttapruiten; voortkomen, entstaan, zijn' oorSport (spaortir, a. ape1; lichens, kortswiTh veld- sprang kebben. (forth) nitspruiten, opschieten; verinstak ;jagen, visschen, vogelen, psardrijden. Noortkomen; nitspringen. ( forward) V.0 1,VaartS enz.)..tonzake—with,voor don gek houden.—'s-man, sprineen, zich atorten. (up) op , pringetll —saran, licihebber von veldverrnaken. —, v. a. schieten; ontstaan; itch verheffen. v. a. vern. (itch) vermaken, verlustigen; spelen;achert- Springe (sprindz,j), a. strik, knip. sen; (with) den gels ocheren met. --cr, rt. achert- strikken. see, spotvogel. -lye, a. --fully, —ively, Spring er (epring'ur), s. drijver; spruit. —inc.a a. veerkrachtig; ad. vionitk, giapptg, echertsend. —fulnebe, (-I neqi), a, veerkracht. s. vroolijkheid, clartelheid, kortawi,j1, bronrijk. Belem. —lees, a. treurig. —v,le (-Joel), 8. a. gesprenkel; Ritter, Sprinkl e mom fool. watersproeier. e, v. a. brsprenkelen; v.n.stofSpot (spot'), a. vlek; schandviek; pleats, plekje. regenen. —er, F4. hesprenkelear. —ing,B. besprenon (upon) the —, aanatonds; op stnande voet.—, keliug; weinigje. v. a. beslekken, bezoedelen; benpikkelen. —tetra, Sprit (sprit'), a. sprutt. epriet. --sail, sprietzeil. a. onbavlekt, suiver, vlekkeloos. —lcesnese, a. —. v. n. spruiten. vlekkalooshaid. —ted, a. gevlett; gespikkeld. Sprite (aprajt), a. Pie Sprlght.
a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol

Is Bitcoin belast UK


STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

Wat is de beste cryptogeld om te investeren in


PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
455 --Aoudendo secret, close, reserved. —Amsding, secrecy. —korner, cabinet, private room. —road, privy council; privy counsellor. steganography. —sehrijner, secretary, —sinnig, by. bw. mysterious (-ly). mYeteriowsness. —ante, o, mystery . Gehekei, o. hatceelling; criticising, censuring. Gehelutd, by. helrned. Geirsuieite, o. palate; twit,. —letter, palatal letter, palatal. Gehengeu, ov. w. to suffer, to tolerate, to allow. Geheugers. o. memory. —leer, mnemonics. —is, v. remembrance, memory, Gelteveld,bv. leavened. CA ehUg , 0 panting, gasping. Ge311k, o. hiccupping. ehink. o. halting, limping, Gebinalk,o. neighing. Gehabbel, o. jolting; stammering. Gehoest, o. coughing. ti ell° nee', o. bungling, huddling, tenburrapell, o. hobbling, stumbling. ea niaraor, o. beach, OAT; audience; auditory. — geven aa-a, to toys (to lead an) .r to. — vinden bij, to find a hearing with. —bale, auditory canal. --gang, auditor passage. —kande, —leer-, acoustics. —vlies, tympan. —salt, hall of audience, auditory. —geauw, auditory nerve. —40, bv. vertrek, room in which one mey cattily hear what is said or done near it. G ohoornd, by. horned. Gebuorsitern, by. & bw. obedient (ly), entlftil (ly). —held, v. obedience, dutifulness. Goltoorsatnen,ov. & on. w. to obey. i Gebeis,o. tossing, jolting. Gebotsdera, he. obliged, boanden. Gebueht, o. hamlet. Gehtilehel,o. dissembling. Gehuil, o. howl, howling,yelling. Gehulsd, by. lodged, having a bowie, (debunker, o. hankering. Gehuppel,o. skipping, hopping. Gel, v. bran. —form, brail,clew-garnet --tour/seine, clew-block. —en, ov. W. to clew (to clue, to br.,11) up. lied, by. too fat, rook; too much dunked; luxuriant; lascivious, lustful, lewd, lecherous. —held, v. rankness; linurian , y; lasciviousness, lewdness, lechery. Gel:loner, m. spark, glittering. (felt, v. goat, she goat. —eleer, goat 's -leather, kid, kid-leather. —evel, goat's skin. —evleeach, govt's flesh. —enbaard, goat's beard. —enblad, woodbine, honey-suckle. —endrek, goat's dung. —.hoar, goat's hair. —enhoeder, goat-herd. —enmelk, goat's milk. —enmelker, goat-milker, gout. sucker. —enutal, goat-house. o. kid. GeJaagd, by. hurried,. uneasy, agitated, nervous —Acid, T. hurry, uneasiness, agitation. GeJachl, o. hurrying. Geionatner,o.larnenting,lamentation. GeJank, o. howling, yelping. GeJeuk,o. itch,itchIng. Gr./ oel,o. sboutingatir. (b.Jonw,o. hooting. u Itch, o, shouting, cheer, cheering, applause.
s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.
Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.
STO.—STR. Stop (stop'), a. stilstand, (het) ophouden; beletsel, veratuiken; sterk inspannen, overspannen; ove.r• atoornis; elude; klep,toets; leesteeken. to put a — drijven; v. n. zich inspanuen; deorzijpelen. —er, to, stutten, ern eInde waken attn. —cleat, atoottlltreerbak, zijgdoek; vergiettest. —ing, a. spanklamp. —cock, afsluitkraan. —gap, stoplap; nood- s. ning; inepanning; overdrijving; doorzijelng. hulp; hekeluiter. etopklep. —, v. a. dicht- Strait (street'), a. street, zeeengte; verlegenheid. etoppen; staken; etuiten; belemmeren; v. n. op—, a. —ly, ad. recht, atrak; eng, nauw ; stipt; houden; stilhouden, stopper,. —page, e. toertopmoeielijk; gierig. —handed, gierig. —handedness, ping; ophouding; beletsel ; inhouding; besiagleggierigheid. —jacket, dwangbuis. stilt ge ging. —per, u. dIchtetopper; stopper ; stutter; regen; strong, stij I'. —en (street'n), v. a. spaunen; wiekje; stop; v. a. etopprn; met eene stop slutnauw maken; beperkeu; in verlegenheid brew• ten. gen. —nest, s. etrakheid; enete; bekrompenheid; Stopple (stop'pl), a. stop; prop; klep. stiptheld; strengheid; moeieltjkheid; verlegenheid. Storage (sto'ridzj), a. (het) °Wean; pakhuis- Stroke (etreek), a. streep; smalle rand; gang, buur. planken; radIscheeen. Store (stoor'), a. voorraad; overvloed; pakhuis. Stramlneous (etre-mini-us), a. stroottchtig; in voorhanden. —book, pakhuisboek. —bread, van stroo. scheepabeschult. —candles, getrokken kaarsen. Strand (strand), a. strand; vlecht, strong. —house, magazijn. —keeper. magazijumeester. v, a. & n. (doen) etranden. —ship, proviand-, ammunitie-schip. —, v. a. op- Strange (streendzj"), a. —ly, ad. vreemd; slaan; opleggen, ophoopen (up); (with) voorzien heemech; zonderling, wonder!ijk, buitengewoon; van, opvullen met. —r, s. oplegger, ophooper. blonde. —, int. zonderling 1 a. vreemd—a Istoorz), pl. provtand; oorlogsbehoeften. held; wonderlijkheid; bedeesdheid. r,s. vreerndo, Storied (sto'rid , , a. in de geschiedenis vermeld; onbekende; vreemdeling. suet historieche platen versierd.. Strain gle (streng'g1), v. a. worgen, smoren; enStork (stork'), o. ooievaar. —'s.bill, ooievaarsderdrukken. —pier, a. worger. —plea (streng'glz), bek. pl. dross. —gulation (-gjoe-lee'sjun), a. worging. Storm (storm'), s. storm; onweer; aware but; —gury (-gjoe-rih), a. moeielijke waterloortug. bestorming; geraae, gewoel. by —, storrnender- Strap (strep'), a. riem; strop. —, v. a. met een" band. —beat, door den storm geteis terd. —bell, 'gem slaan; aanzetten. —redo (-pee'do), a. (het) stormklok. —finch, stormvogel. —jib, stormkluiwippen (eene straf). —per, a. driedekker (man var. —, v. a. beetormen; v. to. stormen; ra7en, of arouse). —ping, a, grout en sterk, bulderen. —y, a. stormachtig, onetuimig. Strait agent (ntret'e dzjern), s. krijgslist; list. Story (sto'rib 1, a. geschiedenis; vertelling; sprook—egist s. krijeskundige. —egy(-e•dzjih!, je; verdleping. —teller, verteller; sprookjesvera. krljgskunde. —ification (•if-t-kee'ajun), s opteller. —, v. a. yertellen. eenstapeling van lagen. —ify ( i-fej), v. a. in Slot (stet), a. paard; jonge Etter. lagen leggen. —urn (stree'tum), s. time, eehteht• Stoup (staup), wijwatervat; kruik, stoop. Straw (strao"), a. el rooien, van stroo.—,s.streo; Stout (slant% a. ZWARI. bier. —, a. —1y,ad.lijvig; beuzeling. not to care a —, er niets am geven. forsch; sterk, stevig; kloek, dapper; hardnekkig. to be in the —, in het kraambed lIggen. —bed, —hearted, onverschrokken, koen. —neat, s. lijstroobed. — berry, aardbezie. —built, van stroa vigheid; forschheid; stevigheid; kloekheid, dapgernaakt. —color, strcokleur. —colored, etrookleuperheid; herdnet kigheid. rig. —cutter, hakeelbank; atrooanijmes. —hat, Stove (stony'), s. kachel; kachelkamer; stool; stroohoed. —worm, etrooworm. —y, a. strooien; badstoof; broeikas. --, v. a. stoven, broeieu. strooachtig. —r, s. grof hoof, veevoeder. Stray (stree), s. afgedwaald dier. v. n. afdwaStow (sto'), v. a. stouwen, etuwen; plaatsen, in len (from); verdsvalen, ronddolen. order leggen, opleggen (away); optetten (een Ra- Streak (striek"), a. streep; zie Stroke. —, v. a. ker); beslaan (een sell). —age, s.stuwage; bergstrepen, —ed (atrieht). —y, a. gestreept. plants; stuwloon. —er, s. stouwer, stuwer. Stream (atrlem'), a. atroom. —anchor, w orpenker. Strahtsm (stree'bizm), s. het scheelzien. —cable. daagsch touw. v. a. strepen, opeteStraddle (stred'd1), v. u. wijdbeens staan; schrijken (eene boel); v. n. stroomen. —er, a. wimp, 1. lingo loopen. —let (-lit), a. stroompje. —y, a. etrooreend; vol Straggle (streg'g1), v. n. dwalen, zwerven; veretroonen. strooid (aileen) staan; zich verwljderen; to aterk Street (striet') s. strata, —door, voordeur. —to ne, wassen. s. zwerver, landlooper; achterblij• atraatlItul,;e. —walker, straetslitper, etreatheer. vet Wilde loot; alieenstaand Strength (strength'), a. eterkte, kracht; macht. Straight (street'), a. —ly, ad. recht. regeirechi. —en (streng'th), v. a. & n. stork teeken ( war—, ad. terstond, dadelijk. —en (street'n), v. a. den); versterkeu. — ener (streng'thn-ter}, n. verrecht maken. —ener (street'n-ur), s. rechtmaker; sterker. —less, a. krachteleoe. bestuurder. —forward, ad. reehtuit; rued, op- Strenuous (stren'joe us), a. ad. tie, ig.„ recht. --nest, a. rechtheid. —way, ad. onrniddelonverdreten, leak ker; dapper; he vie. —.news,te. lijk, terstond. ijver, depplrheid; hevieheld. Strain (streen'), a. inepanning; verrekking; ver- Stress (stress), S. gelViCht; nadtuk, hlem; draating; attjl, trent, Loon, klank, wijs; aanleg; held, to lay — upon, aaudriugen op. neiging; afkornat; geslacht., ras. —, v. a. sterk Stretch (stretej"), a. uitstrekking, spanning.; nit spannen; person, drukken; dwingen; doorzijgen; gestratheid; luspaening, overspennine; niterste 10
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


Fabian (tee'bi-en), m. Fabtaan. Falkland (faok'lend), g. Falkland.. L'alusouth (fermuth), R. Falmouth. Folstaff(faol'sten, tn. Faiststf. f. voor Frances; Fanny. Fan (fen'), Faroe (fa'ro) Islauds g. Faroer-ellanden. Fawkes (tacks), m, Fawkes. Felix (fl'ilke), m. Ferdinand (fuedi-nend), in. Ferdinand. Fer guseon (Nevi a-un), in. Ferguson. —managh (-ina'ne), g. Fermanagh. —rartt (-ra're), g. Ferrara. Fielding (field'ieng). tn. Fielding. Fingal (fing'ge1),m• F Finland Ifinileud), g. Finland. —er, i. Finlanier. Flendars Illean'durz), g. Vlaftuderen. Flavian (flee'vi en), in. nevi.. VIeemsch, 'Nem Ism ( flem'ieng), Flor a my. Flora. —ence g. Florence; m. Florentius, w. Floren tie. —entine (flarten-Wm), a. Florentijnieh; I. Florentijner. —ida (MITT de). g. Finishing (finsrieng), g. vlissingen. Folkestone (fook'ston), g. Folkestene.
(bep-tis' mel(, a. tot den doop behoorend. —t, a. deeper; doopsgezinde. —tery (bep'tis-ter-ib), a. doopvont• Baptize (bep-tajz"), v. a. doopen. —r (-ur), a. dooper. Bar (bear), a. bout, ataaf; sluitboom, elagboom; toonbank; balie; maatstreep; sandbank; hinderpeal. —iron, staafijzer. —keeper, tapper. —room, gelagkamer. § mosquito —, muskietennet. —,v. a. afsluiten, versperren; verhinderen; uitaluiten. Barb (baarb), a. beard; weerhaak; paardetutg; barbarijsch paard —, v. a. aeheren; optuigen; met weerhaken voorzien. Barbacan (baar'be-ken), a. schietgat; bruggehoofd. Harbar Ian (ber-bee'ri-en), a. barbaar; a. barbaarach. —ie (ber•berlic), a. woest, onbeechaafd. —ism (baar'be-rism), s. woestheid, onbeschaafdheid; barbarierne. —ity (ber-ber'it-tih), s. barbaarschheid. —ice (baariber-ajz), v. a. & n. woest, wreed maken of worden. —ous (baseberus), a. —ously, ad. barbaarach, wreed. —oneness, a. wre , dbeid. Barbecue (baar"be-Irjoe), a. een in ztjn geheel gebraden varken. Barbed (baarbld), a. gebaard; opgetuigd; met weerhaken. Barbel (baar'b1), a. barbeel. Barber (baar'bur), a. barbier. v. a. & n. echeren en kleeden. —monger, fat. Barberry (baar'ber-rihi, a. berberia. Barbet (baar'bit(. a. poedel. Bard (beard), a. bard, dichter, Bare (beer), a. bloat, ongedekt, kaal; arm; onkel. —. v. a. ontblooten, ontdekken. —bone, levend geraamte. —boned, seer mager. —faced, onbeschaamd. — facedness, a. onbeschaamdheid. —foot, a. & ad. barrevoets. —headed, a. & ad. blootshoofds. —of money, zonder geld. —ly, ad. bloot, enkel. — ness, a. naaktheid. Bargain (baaegin), a. koop, beding; voordeel. into the —, op den koop toe. —, v. n. een' koop eluiten, ding en, overeenkomen, (for). —ee(baargin-iel, a. kaoper, aannemer. —er, a. verkooper. Barge (baardzj), a. vracht- of trekachuit. — man, a. schuttevoerder.

a. dagvlieg. —to, a. dagboek; aitronomische dagtatel. —iat, a. sterrekundige; planeetlezer. Ephialtes a. nachtmerrie. Ephod (ef'ud), s. joodsch priestersieraad. Epic ieplk), a. eplsch, verhalend. — poem, —, a. heldendicht. Epicene (eP i i - een), R. gelijkelachtig. Epicur a (ep'i-kjoer), a. lekkerbek, einnelijk menscb. -ear (-Wen), a. eptcuristisch; zinnelijk, wellnstig; s. epicurist; wellumteling. —ism (ep' i-kjoe-rizm), a. zinnelijkheid, weelde. Epicycle (epl-sajkl), a. bijkring. Epidemic (ep-i-dem'ik), s. aanstekende ziekte. volksziekte. —, —al, a. aanstekend, beamettelijk. Epidermis (ep-i-dunnisy, a. opperhoofd; buitenste echors. EpigastrIc (ep-i•geF'trik), a. onderbniks. Epige e (ep-i-dzjie'), —urn, a. naaste punt bi,j de aarde. lgpizlot (epli-plot), —tie ( -glot'tis), a. strotlapje. Epigram (eVi-grem), s. puntdieht. —matic, —matical, (-met'ik.), a. ale een puntdicht; stekelig. —nudist (-grem'me-tist,), a. pnntdichter, Epigraph (epn-gref), a. opechrift. Epilep sy (ep'i-lep-sih), a. vailende ziekte. —tic (-lep'tik), a. lijder aan vallende ziekte; a. lijdend aan 'Allende ziekte. Epilo gize (epl. lud-zjajz), v. n. kortelijk semenvatten, cane elotrede houden. —gue (-log), a. elotrede. Epiphany (e-pire-nih), s. driekoningendag. Epircop acylepe-sih), s. bisschoppelijke kerkregeering. —al (-ko-pel), a. bisschoppelijk. —alian (-pee'li-en), s. episeopaal. —ate (-pet), a. bisdom. Episode (Ppl-sood), s. tusechenverhaal, episode. —Ic, —ical (-socrik.), a. ale tusscbenverhaal. Epist le (e-pie's1), 0. brief; zendbrief —olary (-to-le rih),a. briefswijze; ste/e,briefati,j1.—olize (-to-lajz), v. a. brieven echrijven. Epitaph (epl-tef), s. grafschrift. Epithalamium (ep-i•the-lee'mi-um), a. brutloftsdicht. Epithet (epii-thet), a. toenaam, bijvoegsel. 5. Epitom e (e pit'o-mel, s. kort begrip. (-majz), v. a. een kort begrip verkorter. maken; samenvatten. Epoch (ep'uk, ie'pok), a. tiidperk. Epode (ep'ood), a. slotzang. Epopee (ep•o-pie'), a. heldendicht. Epula ry (eploe•le-rih), a. tot een feestmaal (imulpartij) behoorend. —lion (-1ee'sjunt, e. gaetmaal. Epulotic (ep joe-loVik), a. drogend, heelend. Equa bility kwe-bil'it- tih), gelijkmatigheid; gel ij frvorm ighei d. Equabl a (ie'kwibl), a. —y, ad. gelijk; gelijkmoedig; gelijkvormig. Equal (ie'kwel), a. —ly, ad. gelijk; evenredig; onverechillig; onpartijdig; Ito) geechikt (bemijns kwaa,n) tot. —, a. gelijke, wederga.my gelijke. —, v. a. gelijk maken; evenaren. — aided, a. gelijkzijdig. —ity (e-kwol'it-tih), a. gelijkheid; gelijkvormigheid. —ization (-1-zee'sjun), a. gelijkmaking. —ize (-ajz), v. R. gelijk maken. Equiangular, a. Zie Equlangular-
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with
(-keet-id), a. .gaffelvorFtiren to (fur'ket), mig. —tion (-kee'sjun), s. gevorkthe!d. Furfur (furlor), a. sehim, schilfer (op het hoofd). —aceous (-fjoe-ree'sjus), a. sehilferend. Furious (fjoe'ri-u9, a. —ly, ad. woedend; weanzinnig; onstuimig. —ness, a. verwoedheid, razernij. Furl (furl'), v. a. (a sail) beslaan. —ing-lines, beslaglijuen. Furlong (furlung), s. 1j8 engelsche mij1 (220 yards). Furlough (fur'lo), a. verlof. —, v. a. verlof geven

in; Catching, — en; or. w. to fasten (to fix, to prick) to; to pot (on); to kindle, to light, to rat fire to, to net on fire; to broach, to tap; to infect, to catch; on. w. to begin to rot. —end, by. Zie AanstekelUk. —er,m.kindler,lighter;broacher. —ing, V. kindling, lighting; broaching. Aanstell en, ov. w. to place —.to put (against), to appoint, to nominate. tick —, t. w. to behave; (ale) to play —er, an. appointer. —ing, v. appointment, nomination. Anneterken, on. V. to improve, to strengthen. Aanstevenen, on. w. komen—, to sail hither. Aanstikken, or, w. to stitch to. AanstIpp en,ov.w. to mark; to jot down ; to touch upos,to hintet.—ing,Y.tOrieh,ninntiou,hinting Aanstollien,ov. w. to dust —, to sweep (out). Aanstok en, or. w. to kindle, to stir (up), to poke, to feed; to stir up, to incite, to foment. —er, m. stirrer np, inciter, fomenter, —ing, feeding; stirring up, incitation. Aanstommelen, on. w. komen —, to approach


Over 98% of cryptocurrency is stored securely offline and the rest is protected by industry-leading online security. Your account is also subject to the same scrupulous safety standards, including multi-stage verification and bank-level security. You can even lock the app with a passcode, or remotely disable your phone’s access to the app if it gets lost or stolen.
shabby (-Hy), slovenly. school tear —loose kinderen, ragged-school. —loosheid, v. indigence; raggedness, shabbiness, slovenliness. Haven, v. harbor, port, haven. —dam, jetty. —geld, harbor-dues. —hoofd,mole,pler. —meester, harbor-master, port-reeve. —stad, port-town. linvenen, ov. w. to clean, to wash and dress; to use (to treat) ill, to drab; to ruffle; to cut up. Haver, v. oate. —akker, oat-field. —bier, oat, beer. —pap, oatraeal-porridge.—esch,wild ash-tree. —pot, grits. —list, oat-chest. —klap, on, ern —, for a straw. —hark, oatcake, bannosk. --reel, oet-meal. —atroo, oat-straw. —oak, sack for oats. Ileac znaat,—zate, v• enuntry-seat, manor. m. hawk, raker-hawk.—afrek, hawk's till. —rkruid, hawk-weed. —sneus, aquiline nose. —astern. hieraciten. o. game of hazard. Hazel mar, an hazel (-tree). filbert-tree; —*bock, grove of hazel-trees; —shout, hazel-wood; —troedje, hazel-twig. —hoes, wood-cork, woodhen. —noot, hazel-nut, filbert. —noteboons, hazelnut tree, filbert-tree. —wortel, hazel-wort. Hazen distal, m. hare-thistle. —jacht, v. herehunting. —koo, m. hare's head; sax-comb, fop; simpleton. —leper. o. form of a hare. — lip, v. m. —pad, a. het — kiezen, to ta bs to 0116% heels. —poot, nn. hare-foot; covvard. —sloop, m. dog's sleep. —spoor, o. track (trate) of a hare, —rel y o. hare's skin. —wind, m. greyhound. Haze peper, v. hare-ragoo. —eprong, m. bare's leap; hind leg of a hare. He, tow. oh! eight boy! hey! I say) liellanefatla, by. covetous. —betel, v. covetousneas. Ilebbelkjk, by. & bw. habitual (1y); becoming (-Iy). — heid, v. habit, costum; becomingnesa. liebben, or. w. to have, er niet veal can —, not to be touch the batter for it. ik toil het —, it ifs my will- tepee wien hebt gU het? whom do you atm at? Hetzucht, v. avidity, covetousness. —ig, by. covetous, rapacious, greedy. Hecht, o, handle, haft. --, be. solid, firm, strong, tight. Hecht en, ov. vv. to fasten, to attach, to join; to stitch, to baste; waarde aan, to set a value upon; on. w. to stick. eich —en aan, to attach one's self te,to cling to.—balk,joint-beam.—naald, suture. —scald, stitching-needle. —pleister, sticking-plaster, c‘urt-plaster. —rank, tendril, clasp. Illechtents, v. custody, confinement, detention. in — neaten, to arrest, to apprehend. v, solidity, firmness, tightness. —ing, v. fastening, attaching, joining. —*el, o. fastening, ligature. Heden, bw. to-day, this day. — acend, this e‘ening. -- veer [over] aeht (veertien) dagen, this day week fortnight). — ten dugs, now-a-days. —daags, bw. now a days. —deagseb, be. modern. Heel, he. whole, entire; sound; healed, reserved. - bw. wholly, entirely, fully; very,much.—Auids, bw. unhurt, safe and sound, with a whole skin.

HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,
to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Hoe vaak wordt Bitcoin waardeverandering


E Fat ling (fetlieng), s. jong —ly, ad. Feat:weft (fiet'neee), , behendOteid, knaplieid; vet. —ness, N. vetheid; vettigheid; vrachthaar•1 aardigheid, netheid. held. —ten (fet'tn), v. a. vetmesten; v. n. vet Feature (flet'joeri, 0. gelaatstrek, gelaat; trek. worden (on. upon. with). —tener (fet'tz,ur), a. —d, a. gevormd; met schoone trekker, vetmaker; meat. —ty, a. vettig, olieachtig, F enze (flea), v. a. uitrafelen, rossen, elaan. smerig. (fe-bririk), a. !root teverwekkend. —foge FebTI Fatty lty (fe-tjoa'it-tih), a. dwaaasiteid, onnoozel- (feb'ri•fioedzj), a. koortsverditivend middel. — le held. —ons (fet'joe-us), R. dwaas, dam; —tire. (fi'bril, feb'ril., a. koortsig. dwaallicht.. a. Februari, sprokFebruft ry Faucet (fao'sit), a. zwikje, tap. kelmaand. —tion (-ee's)an), a. reinigingsfeest, l'augh (fao), int. bah! Fecal )fle'kel), a. drab-, drekachtig. — matter, dreketof. Fault (faolt'), s. font, fell; phrek; misslag; achuld. at —, verlegen. to find — with, berispen; Feces (fle'sies), a. droesem, drab; ultwerpaelen. vitten op. —finder, berisper, vitter. —finding, Feculen cc (felejoe-lens), a. drabbighed, mod• berieping. —ily, ad. —y, a. gobrekkig; verkeerd, derigheid. —4, a. drabbig, rnodderig. berispelijk, schuldig. —inese, s. gebrekkighdid; Fecund (felt'und;, a. vruchtbaar. —ate (ook: verkeerdhetd; scbuldigheid. —less, a. zonder feel- fe-kun'dest), v. a. vruchtbaar maken. —otion (-dee'sjun), a. vruchtbaarmaking. ge.kun' len. —iciness, s. feilloosbeid. Faun (faon'), a. faun, eater, boschgod. —itt, c. dl-fajl„ v. a. vruchtbaar maken. —tip (fe-kun' dit-tih), a. vruchtbaarheid. natuuronderzaeker. —a, a. dierbesehrijving. Federa 1 (fed'ur-e1), a. eenen bond betreffend. Fautor (fao'tur), a' begunetlger. lonvIllotre (fe-vinue), a. van aach. —hien:, a. beginselen der federaiisten. —list, n. Favor (fee'vur), a. gunet; ganstbewijs; genegen- lid (vooratnnder) Vain een hondge ► ootschap. —te held; begunstiging; teeken, lens. in — of, ten (-et), A. verbonden. —tion ( ee'sjun).. a. verbond. behoeve van. under —, order verbetering. under —tine ( e•tiv). a. itch vereenigend, verbindend. your —, met uw welmeenen. your —, uwegeeerde Fee (fle'), a. loon; fool; leen. —farm, erfpachtleen. letteren. —. v. a. begunstigen; gelijken op. —able, —simple, vrij leen. —tail, beperkt leen. —. v. n. a. —ably, ad. gunstig. bevorderlijk. —ablenes, beloonen; lbezoldigen; omkoopeai; huren. a. goedgunatigheid. —ed (-vurd), a. begunstigd, Fee ble (ile'h1), u. —bly, ad. zwak. —bleness, a. bedeeld; well—, bevallig; ill—, leelijk. —er, a. ervalcheid. begunetiger. —ite (-it), fl. geliefkoosd; a. gun• Feed (fled), a. voeder, voelsel; maalttid; ateling. —less, a. onbegunatigd. Feed (lied') [fed], v. a. vcederen; onderhouden; koesteren; paaien (with). —, v. n. weiden; zich Fawn (faon'), a, jong hert; pluirnstrijkerij. v. n. image herten werpen, (on. upon) pluirnstrij- voeden met, leven van (on upon). —er, s. voeder, ken; atreelen. —er, a. pluimstrijker; etreeler. pluimgraaf; eter. Feel (tier) a. gevoel. —ing„ a. krniperij. —ingly, ad. flikflooiend. Fay (fee), a. toovernirnf; trouw. —, v. a. voegen, Feel (flel) [felt], v. a. & n. sevoelen, voelen; paaaend maken; v, n. in elkander sluiten, passer. (for) medelijden hebben met. —er, s. voeler; Feaberry (iPber-rih), a. doornbes. voelhoren. —ing. a. —ingly, ad. geroelig. —iny, Weague (flag), v. a. sloan, geeselen. a. gevoel. Fealty (frel-tih), a. hulde, getronwheid (aan Feet (flat'), voeten. --leas, a, condor voeten. den leenheer). Feign (feen'), v. a. veinzen, vuorwenden; re-Fear (tier'), a. \Trees; vogelschrik. --, v. a. & n. zinnen, uitdenken; v. n. veinzen, —ed. a. —ally, vreezen. —fad, a. —fully, ad. bev,reesd; vreese• ad. verdicht, geveinsd. —er,s. veiezer; yerdichter. lijk. —fulness, a. be,reesdheid. —less, R. —lessly, Feint (feent). a. liat; flat; Inane stont; halve toon. ad . unberreesd, onverschrokken. —Letteneu, a. Fellcit ate Ife lien-teet), v. a. g,elukkig waken; stoutmoedigheid. ge:uk wenschen (on). —ation (-tee'sjun). y. eFens! hi/My —bleness (ti'zibl- lukwensching. —ous, a. —ously, ad." voorspoedig; zeer gelokkIte. —y, a. gelukzaligheid. ness), s. doenlijkheid. —ble, a. —bly, ad. doenlijk. Feast (fleet'), s. feast, gastmaal. —day, feeatdag. Feline (felajn), a, katachtig. —family, katien-, v. a. onthalen; v. n. an.ullen. —er, a. gest• geslacht. lacer; gnat, smaller. —ful, a. feestelijk; weelde- Fell (fell'), a. —ly, ad, woest, wreed. —nest, a. rig, braaaend —ing, s. feestelijk onthaal; —money. woestheid, wreedheid. —, a. rel, fluid; heuvel; foettje; —rite, feestgebruik. gal, zwaarmoedigheid. —monger, huidenkeoper. —wort, gentiaan (plant). —, . a. yeller', nederFeat (Bet), a. felt, dead; grail. —, a. behendig, aellen. s. nederveller.'houthakker.' knap; eardig, net. Feather (feth'ur), a. veder, pitiful; snort, slag; Celiac (fello), a. Zie Feily. sieraad; ijdele titel; blew. birdu of a — flock Fallow (ferlo), s. kameraad, mast; vennoot; together, snort zoeht soar!. —bed, veerenbed. lid, rnedelid; weergade; kerel, kwant. to be —, —broom, —duster, vederbezem. —driver, zuiveraar bt,(een behooren, van tin poor sun. —eititen, van bedveeren. —edge, dunne kant eener plank. rnedeburger. —commoner, deelgenoot; student der —edged, dun Han de eene zijde. —grass, veder- hoogere klasse (Cambridge). —creature, modegras. —, v. a. met vederen vullen (tooien); tre• menech. —feeling,, medelijden; gerreenschappe• den. to— one's nest, zijne seltaapjes acheren. —eel, lijk belong, — izar, reede-erfgenaam. —helper, a, gevederd; gevieugeld. ....lean, a. vederlooe- —y, medehelper. —laborer, medearbeider, medewer• a. gevederd. leer. —lodrper, buisgenoot. —maiden, ePe,,,Igenoot.
-root, holalook. —vinegar, rozenazljn. —water, BOTP,Oicre (ro-mess'), a. roman; romance; var.. diratki.)• --, v. r. ,erdienten; opaulden. —r, rozenwater. —window, rond venster. --wood, TOzeuhout. a. romsnachrilver; opsnijder. nom,trr ism (ro'iren•lzm),s.roorna,h-katholleke Roe eate (ro'zji.et), a. vol rozan; roosklenrig. —et (-zit), rozerood. —We (-net'). e. rozet. godadienat. —LI, a. comnachgezinde.—ize (-air.), 'Pitman (roz'in); s. hare. —, v. a 'met bars ba• v. rt, roomsch make, atrijken. —est (ro'zt-nets), a. rozerooda Mem, 1Ronts ► ttatt (rn-iren'tikl, —al, a. —ally, ad. en- —y, a. hnraachtig. mantisch, vrrdient; romanesk; onwaarschijolijk. ir,,dre7en. —iani(-ti-k.i .zol,,a.romantiek. —nem, Ito51and (roe'lend), R. haide, drasland. rt Ross Iroas), a. buitenbast (van boomer). s, (her; romautt,he, Hostel (roalil,, a. snaveitje. 11. 0',Tlittj;, a. roornach. Romp -1 -,mp'), s, wide meld; wild anal. —, v. n. Roster rroetur), a. rooster. ish, a, dnrtel, uitgelaten. Rostra-Id (ros'trel), a. annvelaehtig. —ate (-trot), mtoeien, molten. oran.ito',, a. rondeAu, rondgezang. —ated (-tree tie), a. gesnaveld. —um, s. swivel; a, rondeet. spreekgestoelte; kromme achaar; ptjp (van een' 5ton),, o (run'jun), a, ',Mae, vette arouw; arhorf- helm). rig. die, Rosy (ro'zih), a. rozerood; blozend. —bosomed, tillom! (road"), s, recite (vlaktemaat); under rozen verborgen. —colored, r000kteurig. kruisdagen, —loft, kruisgaterij. —crowned, met cozen bekranst. —red, rozerood. dak; verhernelte. —work, .!ak- Rot (rot), R. verrotting; seburft (bij achapen). V. R. & n. ((tom) rotten; verrottsta. week. —, v. a. vao rear dak voorzien. —fag, S. dakwerk. —fete, a. zonder dak; zonder hula- Roth ry (ro'te-rih), R. ronddrartiend, -wentevemting, —let (-lit), a d ► kje. —y, a. met een lend. —te (-tet), a. radvormig. —tion (-tee'sjun), a. ronddrnaiing; afwisseling. —tory, a. rooddraaiend, -wentelend. (roerl, a. kauw, kraal; bedrieger; kasteel (In '0 schaakspol). --, v. a. & n. verschalken, Rote (root), a. gebruik, slag, sleur. by —, door oefening; van button. —ery, a. kauwcvl rent. !room'), s. Ways, rulmte; kamer; gele- Rotten (rot'tn), a. verrot. —neat, a. verrotheid. genneid, reiten. intro a. ruimte. —y, Rotund fra-tund'). a. rond. —ity, a. rondheid, —a, a. rotunde. ronel getrouw, a, raft,,. Roost (run t'), a. roest, rek, —, v. n. roesten Rouge (roezj), a. erode verf; blanketed. —, v. a. & n. (Men) blankettru. (van vortels, --er, a. ;lean; nutshell. R n,ot wortel; ooTaprong; eers'A oorzank; Rough (rut') a. ad. ruw, oneffen; wrarg; borsch, hard. —cost, tt, ruwe ischets; vtam'v'oord. to take —, wortel sehieten. —bound, pleistertogeworteld„•,ortelblad..--pednne/e,bloem- kalli; v. a. in 't ruw ontverpen; row aanstrijv. a. doen wortelen; lien. —draw [im], schetsen. —hew, raw behouwee) nit den worte). wen. —heron, raw; onbehouwen; vluchttg ontworproote ❑ ; (out up) ontworta:ett; uireiroolen; op- ► en. —murie,ketelmuziek.—rider,paard.enafrichwroeten; uit,oe)ert. • -, v. n. wartelen, wortel srhieten (in); wroeten. —eel, a. —rely, ad. inge- ter. —shad, sckerp bealagen. —work, ten TUWate tt,eht, uttroeier. bewerken. —en (rut's), v. a. & n. row maken —let worteld. (warden). —ness, ruwbeld; oneffenheld; nrang(-lit), a. wortelvezel. —p, a. vol worlds. held; bnrsehheid, haraheid; onctuimigheid. Roue coop', a. touw, hoard) gals; riot, reep; want. -8, pl, ingew Roden (van vogels). —hand, ROUTBC. (canons), a. perontok, -boom. raband. —barrel, —roll, trommel. —bears., —mats, Round (rataun'd)„ a. rondte ctrkel, bring; ronde; vo,.t ,,,attea can cod bona, —dancer, koorddan• Itranaje; voile laag. —, a. road, vol; rondborstig. err. —104,1er, touw)adder. —maker, touwslager. —hand, nt,aand schrift. —head, rondkop,ppritein. —ripe, CO vane de rstlg. —top. huofd. —trick, —house. wachthuis; hut. —top, mastkorr. —, v. sehip-kenal reek —walk, —yard, lijnbaan. —weed, a. rond maken, afronden; omringen; rondloopen. ah'Aerw:ude. —yore, t-abeigarm. --, v. n. dra- —, ad. Sz prp. in 't rend; random. —about, a. wijdlooptg; onoprecht; way, omweg; a. ..• e. lijmerigheid. —y, a . weg; draaimaehine, schuitje; spencer, jakjead. rondoto. —ci (•il), —elay (-de-lee), a. rondeel; kleveri,r, reismantel. rondedans; rnndgezang. —ids, a. rondachtig. Rogoetaure (rob-e-loor"). —let (-lit;, s. kleine brine;, —/y, ad. rood; onIlloriferoott (co rtrue-us), a. dauwend. bewimpeid, ronduit. —nese. a. rondheid; roodInt ► ika ceons (ro-zee'slus), a. roosachtig. —ry borstigbetd.. (ro'ze•rili), 8, rozenhed; rozenbrans. throat' (toom'1. R. roan. —hay, —laurel, oleander. Rouge (rain"), s. opwekking. —, v. R. wakker (soort van) kever. —bush, maken (from); cPjagen; opwekken, nanaporen (to); rozeknop. v. n. ontwaken; opspring,,n; n',oed scheppen. —r, rozemte,i), —eanrrion, nigelle, holder. —chafer, gondkever. —e , ecked, met blozende wangen. a. opwekker; aanspoorder. —chestnut, kastanjeroos. —colored, rooskleurig. Rout. (taut), a. oploop, samenscholing; getier; gezellige krirg; nederlaeg. —, v. a. in verwar—diamond, rozet (ede)steen). poll, hondsrozen- ring brengen; op de vlucht slam); v, n. same, r , pors. --por/ie,rozentook.—knot,turkscheknoop. seholen; woelen, anorken. to,,n!ak. —lipped, met rozeroodelippen. roosumatrw, angry (-me-rife), S. rune• Route (root), a. weg; rely; righting. ---noble, rozelowter. —quartz, melkkwartm. Hontirte (roe-ties'), A. gewoonte, slag.
lane. -now, ad. root dezen; voorheen. —while, ad. eenigen tijd goleden. Erect (e-reltt'), R. yeebtopRtaand; fler,onverschrokken, pal. —, v. a. oprichten, bouwen; opheffen; bemoedigen; v. n. zich oprichten —ion (-rek' sjun), a. oprichting. bouwing; opheftIng; bemoediging. —ire, a. oprichtend; opbeurend. —netts, a. rechtopstaande bonding; koenheid. —or, s. oprichter; oprichtende spier; hereoediger. Eretult a (er'e-majt.), s. kluizenaar. —ice (-mit ikl), a. kluizenaars Ereption (e-rep'sjun), a. wegrukking. Erlogo (e.ring'go), a. braakdistel, blauwe zeewort el. Erigtic (e-rietik), —al, a weerleggend. Ermine (nr'min), a. hermelte; hermelijn-bont. —d (-mind), a. in hermelijn gedost. Ero de (e-rood'), v. a. wegknagen, wegvreten. —sion (-ro'zjun), a. wegvreting. Erotic (e-roVik), —at, a. verliefd, wellustlg; erotiach. —, a. minnedicht. Err tar), v. n. dolen, dwalen; atwijken; zich var. gtssen. Errand (er'rend), a. boodschap. —boy, loopjongen. —man, boodschappen-looper. to run --s,boodschappee doen. Errant (er'rent), a. —ly, ad. ronddolend, ewervend. knight —, dolende ridder. —ry, a. randzwervine; dolende riddertehap. Erratic (er-ret'ik), —al, a. —ally, ad. dolend. dwalend; ongeregeld. Erratum (er-reetunn), a. drukfout. Errhine (er'rajn), s. snuifmiddel. Erroneous (er-ro'ni-us), a. —ly, ad. dwaleud; verkeerd, oniniet. —nem, a. dwaling; onjuistheid. Error (er'rur), a, dwaiirg; misslag, abuis. Erst (wet), ed. eeret; voorheen, weleer. Er“bescen ce (er-joe-bes'sens), a. roodwording; blos. —t, a. roodachtig; blozend. Eructa te (e-ruk'teet), v. a. oprispen. —lion (erak-tee'sjun), s. oprisping. Erudi te (er'joe-daft, —dit), a. geleerd, belezen. lion (-disruu), a. geleerdheid, belezenheld. Erugitsous (e-roe'dzji-nus), a. koperachtie. Ersap lion (e-rup'ajuu), a. uitbarating; uitslag; uitval. —live, a. uitbarstend; uitelag hebbend. Erysipelas (er-i-sip'e-les), a. room. Escalade (ee -ke-leed'), s. beklimming met stormladders. Escapade (es-ke-peed'), a. zijeprong; misstep; uitspattiug. Escape (es-keep'), a. ontkoming; uitvlucht; vergigging; misetap; uitstapje. —goat, zondenbok. --, v. a. & n. ontgaan; ontsnappcn; vermtden. —ment, a. gang (in eon uurwerk). Escarp (es-lrearp'), v. R. glooiendmaken. —ment, a. stole honing. Esckar (es' ker), a. karat (tenor wood). —otie (-kerot'ik), a. sehroelend; a. brandmiddel. Escheat (es-tsiiet'), a. vervallen leen. —, v. n. ran den leenheer vervallen. Eschew (es-tsjoe'), v. a. schnwen, vlieden. (es-kort'), v. a. Escort (es'kort), a. geleide. Inge) eiden. Escuage (es'Icjoe idzj), a. leenplicht tot krijgsetenst.
LIES. disposer, —kin", v. management, arrangement; disposal. fiesehtldee en, or. w. to p::int. —jog, v . painting. Silesellehesentsi d, v. mouldy; bashful. —dheid, v. mouldiness; bashfulness. —en, on. w. to mould. to grow mouldy. Beechisesp en, or. w, to a huee, to insult, to join, to taunt, to asperse, to jeer at, to scoff (at). —cr., in. —liter, v. insulter, jeerer, scoffer. —Sap, v. insult, taunt, scoffingr. Heschonken, by. intoxic a te, drunken, in liquor. —Acid, v. drunkenness, tipnine,s. Beethoren , dw. van Illescheren ; zie dip woord. Hesehot, o. wainscot, partition; produce; bulkhead. lilleachonsw eltik, be, speculative contemplative. —en, ov, w. to look at, to view, to behold; to Consider, to regard, to contemplate. —enuTectordip, be. worth to be seen. —er, in v. viewer, spectator, contemplator; mpectatra,,a. —kg., v. viewing; consideration, contemplation. Ileaehrei elkik, bv.. deplorable. —en, ov. w. to deplore, to weep for, to bewail. to lament. —ensweardig, by. Zie Beschreleellak. —er, rn. deplore?, bewailer, larnenter. —ing, v. deploration, bewailing. IliesobrUda,e, ov. w. to bestride. Berschrliv ers, ov. w. to write upon; to describe; to write to, to convoke. —er, m. describer, author. —ing, v. description; convocation; --:injet, schedule of Taxability. Beachroonsd, by. en bw. timid (-Iy), Timorous (-1y), bashful (-,/y). —held., v. timidity, MinorTreenail.. Besehult, v. biscuit. —bakker, biscuit-baker. Sesehuldlg bane', by. accusable„ chargeable. —de, m. & v, accused. —en, ov. w. to accuse —, to impeseh (of), to charge (with). —er, m. —seer, v. accuser, impeacher. —ing, v. accuyttion, impeachment. Beschut eel, o. fence; shelter„ protection. —stcr, v. protectress, defender. —ten, ov. w. to screen, to shelter, to protect, to defend. —ter, Tn. protector, defender. —tiny, v. protection, shelter, defence. Bevel, o. notion, idea, sense. —felijk, by. comprehensible, sensible. —feloos, be. ;Henbeleas. —fen, ov. w. to conceive, to comprehend. ---flay, v. conception, comprehension. Bodeen, UY. w. to cover, to overlay; to clout —, to beset —, to stud (reef np(ikers); to bind about, to hoop, to tip; to tag (lien veter); to shoe teen peard); to take up —, to fill (pleats); to seize, to ley an embargo on; to furl (ten sell); to snake (steel, kelk, eat.); in bode—, to fine, to mulct; on. w. to mould, to grow dull, to tarnish. Beelabberen, or. w. to slabber, to beslubber. Beellag, o. seizure, arrest, embargo; commanation, termination; iron-work, hoots, bands; garniture, ferrule, clasps, studs, clouts; tag, shoe; batter. in — nemen, teggen op, to seize., to con• fiscete, die ,aak heeft hear —, that affair is settled (concluded). Berl/wen, or. W. to sleep upon; to lie with ,
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Wat is de beste site om Bitcoins kopen


(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Waarom is XRP going down


—dul,60, by. treble, threefold; bw. trebly. —dubDragant, v. tragatauth. Drag en, ov. w to bear, to carry; to wear; to &thug, triplication. —eenheld,trinity.—teniy, triune. —hoe k, triangle. —hoektg, triangular.—hoekasupport, to suffer, to endure; on. W. to wear: to suppurate; to bear; to support; to carry, to reach; meting, trigonometry. —hoordig, three-headed. —jartg, trlennial,three years old.--karat,—kantig, to be with young. —er, no, bearer; porter, carrier. trilateral, three-edged;three cornered,cockettean Dragon, v. tarragon. een hoed). —Vara, triphthong. —Maur, tricolor. Dragosstier, in. dragoon. —kieurieetrIcolored.—koninyen,epiphany,twelfthDraken !Aced, o. dragon's blood. —boom, drag-day. —lettergrepig, trisyllabical; —t000rd,trisylon-tree. —kruid,dragoo-wort. —e/any., ceraetee. lable. —ssaal, —serf, three times, thrice. —moanDrat en, on. w. to hesitate, to loiter, to linger. delOks, —maandelitkech, quarterly. —man, Plum—ere m. loiterer. —rep, v. hesitation; loitering, vie. —mannig, —e plant, Wender. —tnanschap, slowness. Drama, o. drama, —titch, by. & bw. dramatic, triumvirate. —mast, —master, three-master. —ponder, three-pounder, —puntig, thie e-pointed. dremotical (-1y). —regelig, of three lines; —vera, tieraet. —slog, sic Drang, in. crowd, throng; pressure, urgency; a v.bling pace. —span, spike-team. —spiefig, trtAandrang. —reden, forcible (pressing) argulid. —sprang, crass-way where three roads meet. ment. —stal, joint-stool. tripod. —steamily, for three Drank, in. drink, beverage, liquor. sterke —en, voices. —tai, number of three. —hind, trident. spirits, apirituoue liquors. aan den — olin, to be —tandig, with three prongs, tridentate. —voet, given to drinking. —hoofd, tippler. toper. —huts, tavern. —offer, libation, drink-offering. —toinket, tripod; trivet. —voetig„ three-legged, tripedal. *--voud, threefold. —voudig, by. threefold, triple, gin ehop o. potion, draught. treble; bw. Dress, by. merehy, miry, fenny, boggy, swampy. —, v. mead', mire, fen. —grand, —land, marshy —e plant, trigyn. *Wig three-aided, trilateral. land. —sip, by. Pie Drea. —sigheid, v. marshi- —erhande, —erlei, by, of three sort.. — ling, in. & v. three-twin child; tierce. ness, wiriness. Drav en, on. tr. to trot; to run very fast, —er, Drieg dread, in. basting-thread. —en, or. W. to baste, to tack. in. trotter, trottir g-horae. Driest, by. & bw. rash (-1y), bold (Ay), daring Dreivlk, v. cockle, brome-grass. (-1y). —4eid, v. raahness, boldness, dariuge est. Dreef, v. lane, alley, mead, meadow; flock, drove; box on the ear. op tVite .(in, to be going; to be Drift, v. drove, herd, Sock; course., current, flight; passion, anger; eagerness, haste; instinct. in spirits, to be at one's ease. —kop, hot head. —recat, commonage. —sand, tie Dreef, v. turd. DrUfzend. —ip, by. & bw. afloat, adrifttpasDreg, v. hedger, grapnel. —net, draw-net. —tow, sionate (1y), in a passion, eager (-Iy), hasty (-ily); rope of a kedger, inverter. — warden, etch — makes, to fly into a passion. Dreig cement, co. menace. —en, ov. & on. W. to —ietertd, v. passionatenees, ;eagerness, hastiness. threaten, to menace, to impend over: to waver. —er, en. —ster, v. threatener. —kg, v. threatening; Driii belief, in. chisel. —bout, starting-bolt. —homer, mallet. —hout,fioating-wood,drift-wood; threat, menace. driver. —(je, drift-ice. —Ozer, driving-bolt, Drek, m. excrements, feces ; dirt, muck. —gat, driver. —jacht, track, battue. —land, tooting.. slough. —goof, eink s ee•er.—hoop,aung-hill.—trar, land. —rad, pinion. driving-wheel. —stem, pudun„-cart, tumbrel. —kip, by. dirty, tl thy; nasty. mice atone. --tot, whipping top, whirligig. —toe, Deetupel, m. threahoid, sill. —bewtsarder, —bebuoy. —veer, motive; spring. —.and, drift-sand, tcaarater. —wackier, porter. quick-sand. Drenk staling, en. & v. drowned pecans, — animal. —en, or. w. to water; to drench. —bak, —frog, Deliten, or. & on. w. to chits; to ease the belly. watering-trough. —plaats,—Iced, watering-place, Drtiv en, ov. w. to drive, to push; to emboss, to chase; to maintain, to pretend; handel —, to horse• pond. Drentel tsar, m. —aarster, v. loiterer, lounger. carry en trade, to trade (in); op de tquelit —, to —achtig, by, loitering, lounging. —en, on. w. to put to flight; het is ver —, to go too far; den spot — met, to ridicule, to make a game of. —en, loiter, to lounge, to trifle. on. w. to float, to swim, to drive; to hover lean Dreuns, na. —el, m. thrum. vogels); op ...Inc enters —, to dreg . the anchor; Dreu men, in. shrimp, hop-o , my-thumb. op eigene seieken —, to shift for one e self, —er, Drenn, m. shake; vibration. —en, on. w. to shake, no. driver; embosser, chaser; obstinate fellow. to quake, to tremble. —tiny, v. shaking, quaking, Drib, m. drill; slap. —, v. jelly. —boog. drill-bow. trembling. —boor, drill, wimble. --pat, hole made by a drill. Drente!, m. turd; shrimp. —aar,m. loiterer. —en, —meester, drill-sergeant. —p/oats.diilling-place. on. w. to loiter. —len, ov. & on. w. to whirl round, to wield, to Drove!, tn. driver. brandish; to drill; to train, to form to arms; to Dribbet par, in. —aarster, v. —get, in. & v. run hither and thither, to gad about. tripper. —en, on. w. to trip. Drie, tw. three. —, v. three; trey. in —en, in three Dring en, or. & on. w. to crowd, to throng; to push, to press, to urge, to compel. —end, by. parts, in three times. —Mad, trefoil. —bladerig. & bw. pressing (-iy), urgent (-1y). —or, m. —ster, tripetalous. three-leaved, trifoliate. . pusher, presser. —deelig, tripartite. —decker, three-decker; virago. —dik, threefold. —draadscit, of three threads. Drink bear, by. drinkable, potable. —en, ov. &

In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

Wordt alleen Blockchain voor cryptogeld


I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.

Is Blockchain legaal in India


T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.

Is Blockchain een cryptogeld


Abroach (e-brootsj'), ad. gereed om afgetapt te worden. v. a. een vat opsteken om of te tappen. Abroad (e-brand"), ad. buiten; buitenalands. Abrogat a (eb'ro-geet), v. a. atschailen, opheffen. —ion (-gee'sjun), a. afschaffing, opheffing. Abrood (e-broed'), ad. broeiend. Abrupt (eb-rupt'), a. a'gebroken, plotseling. —ion (-rup'sjun), a. afbreking. —ly. ad. .plotseling. —nets, a. aftebrokenheid; overtjling; steilte; kortileid van stiji. Abscess (eb'ses), a. gezwel; zweer. Absci nd (eb-rind'(, v. a. afanijden. —salon (-KW jun), a. afsnijding. Abscond (eb-skond'), v. a. verbergen. —, v. n. (from) zich verbergen; zich ult de voeten make. —er, a. voortvluchtige. —sion, a. vlucht. Absen ce leb'sens), a. afwezigb.eid; — of mind, verstrooidheid. —t. a. afwezig; verstrooid. Absent (eb.sent'), v. a. (from) verwijderen. —ee —er, a. afwezige. Absinth (eb'sinth), a. alpem. Absist (eb-eist'), v. n. (from) afzien, afiaten van; opgeven. Abaolta te (eb'so-ljoet), a. —tely, ad. onbepaald; voistrekt, onopzichtelijk, stellig; oppermachtig. —tenets, e. onbepaal dheid, will ekeur, despotisme. —tion (-ljoe'ajun), a. vrtspreking, kwttschelding. —tism, a. alleenheerschappit, despotisme. —tory (-solloe-tur-rih), a. vrtjsprekend. Absoiv atory (eb-aoi've-tur- rib), a. vrijsprekend. —e (eb-zolv"), v. a. vrijspreken (from. of); abaolutie geven. —er (-zol'vur), a. vrijapreker. Absonant (eb'so-nent), a. wanluidend; ongertjmd. Absonate (eb'so-neet), v. a. achuwen. Absorb (eb-sorb'), v. a. opslurpen, inzuigen; in zich opnemen; verslinden. —ed. a. (in thought) in gedachten verdiept. —ent, a. opdrogend; a. opdrogend middel. Absorp tlon leb-sorp'sjun), a. opslurping, enz. —tire, a. opslurpend, enz. Zie Absorb. § Absquatulate (eb-skwet'joe-leet), v. n. zich uit de voeten maken. Alhotain (eh-stem"), v. to. (from) zich onthouden v.. Abstemious (eb-sti'mi-us), a. — ly, ad. onthoudend, matig. —nets, a. matigheid. Abstention (eb-sten'sjun), a. onthouding; verhindering. Abater ge eb-aturdzj'), v. a. reinigen, zuiveren. —gent, —sive (-stur-siv),, a. reinigend, zutverend; afdrogend. —sion (-stur'ajun), v. afveging; zuivering. Abstlnen ce (eb'sti-ncns), s. onthouding. —t, a. —tly, ad. matig, onthoudend. Abstort (eb-stort'), v. a. ontweldigen, afpersen. Abstract (eb'strekt), a. afgetrokken begrip; ult. treksel. —s, e. orgeiregisters. v. a. Abstract (eb•strekt'), a. afgetrokken. aftrekken; uittrekken, afzonderen (from). —ed, a. afgetrokken; diepzinnig; verstroold. —edly, ad. op zich self beschouwd (from). —ednees, a. afgezonclerdheid; afgetrokkenheid. (-strek' *jun), s. afgetrokkenheid; afgetrokken denkbeeld. —ire, a. aftrekkend, afzonderend. Abstringe (eb-Istrindzn, v. a. ontbinden.
a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,
gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.
—ful, a. smakelijk. —ation (-ee'ajun), s. proeving. —atory, (.e.tur rih), R. den amaak betretiend. -fatness, a. smakelijkbeid. —less, a. smakeloos, —y, a. slormachtig, buttg. Gusto (101s'io), s. smaak. Gut (get!), s. darns; ingewand; zeestraat. —scraper, vioolkraater. —spinner, darmanareumaker. —string, darmsnaar. slemptijd. —wort, wervelkruid. v. a. ontwelen; berooven. Gutty.. (gut'te), a. droppel. —percha ( puetsje), gutta-percha, —serena (se-ri'ne), zwarte Maar. Guttsaed (gutitee-fid), a. bedroppeld. Gutter (gut'tur), a. goot, weterloop, groef. luikhout. —stone, Boot-, lekateen. —tile, goot pan . v. a. uithollen, groeven; v. n. uitgehold zijn; afloopen. Guttle (gut,'111), v. a. ontlokken, rnzwelgen;' v. n. brasses], zwelgen. —r, e. gulzlgaard, brasser. Gut tulons Igut'tjoe-lus), a. druppelvormig. —tural (tjoe-ref), a. tot de keel behoorend; a. keelletter. —ty, a. bedroppeld. Guy (gay), a. hoorntouw, topreep. jib bakstag van 't kluifhout. — of a boom, bulletouw von eene giek. — of the flying jibboom, bakatag van 't jaaghout. —pendant, schinkel. Guzzle Iguz'21), v. a. inzwelgen; v. n. zwelgen, brasses. —r, s. zwelgen, zuiper. Gybe (dzjab), v. a. doorkaaien. Gymnast arch' (dzjim-nee'zi-aark),s. bestuurder van eon gymnasium. —um (.zji-um), a. gymnasium. Gymnast (dzjim'nest), a. onderwijzer in beoefenaar win) de gymnastiek. Gymnastic (dzjins nes'tik ► , s. gymnastische oefening; oefening; xis Gymnast. — , —al, a. ad. (-nes'tikl-) de lichaamsoefening betreifend; gymnastisch. —s, a. pl. gymnastiek. Gymnosophist (dzjim-nos'o-flat), s. indisch wij sgeer. Gymnospermous (dzjim - no - spuemus), a. met taakte zaden. Gynareby (dzjin'er-kih), s. vrou'wenregeering. Gyneoeracy (dzjin-t-ok're-sth), a. Zie toy. narchy. Gyp setts (dzjip'si-us), a. gipsachtig. —sum
$1,000 to $21,000 or 61 oz of silver to over 1200 oz of silver Yes... you read that right... I was genuinely unsure about whether or not to bring this information to more people's attention, many people are unaware of the power of this very simple model and mindset switch. Simply put, if you price everything in dollars, you will end up with more or less...

HER —REM. 250 Rehears ri (ri-hurs'el), a. °pegging, repetitie. veralapping; ontspenning. —alive (-e•tiv), a. & a. verslappend. ontepannend (middel). —e, v. a. opzegeen, repeeteren. Relay (re-lee'), a. wis4elpaarden. Height (ri'gl), a. gieur, sponning. Reign (roes), a. reteering; rijk; gezag. —, v. n. Release (re.lies'), a. loslating; ontheffiug, ontslag; kwitantie; overdracht. —, v. a. loelaten; regeeren, heersehen (over). bevrij• foggin Reimburs able (ri-im-burs'ibl), a, terug te outheffec; opgeven, --sent, a. g; betalen. v. a. terugbetalen, vergoeden, ding. r. s. loslater; bevrijder. a. terugbetaling, vergoeding, Relega te (rel'e-geet), v. a. verbannen. — lion dekken. (-gea'ajun), s. verbanning. dekking —er, a. terugbetaler. Brien pression (rt-im-presfun). a, herdruk. Relent (re-lent'), v. a week (vochtig) worden. —less, a. onvermurwbaar, onmeedoogend. —print ( print'), v. a. herdrukken. Rein (reen"), a. teugel. to give the —e, den vrijen Relevan cy (rel'e-ven-sih), a. toapatutelijkheid; teugel laten. —, v. a beteugelen —deer, readier. gewicht. —t, a. toepaseeltjk; gewichtig. Reinforce (ri-in.foors'), v. a. ZIG to Been. Reif able (re-laribl), a. te vertrouwen. —ability (-e-bil'it-tih), —ableness, a. vertrouwbaarheid. force. Reintratlate (ri-in- greegeji-eet), v. a. weder ante, a. y ertrouwen. Relic (r.1, 110„ a. overblUfsel; reliek. —8, pl. stofin gunst brengen. felijk overschot. a. wedttwe. Reins (reenz). pl. nieren; lendenen. nti.sLoutheffing; onder• Reinsert (ri-ln-aurej, v. a. weder i -nlasschen, Relief (re-lief'). s. verlie stand; ontzet; atioesing; verhe 1"..--Aieetd,w_er it; invoegen of pleats.. Reinspire (ri-in-spajr"), v. a. wader bale- verbevenheid• Roller (re•laj'ur), a. vertrouwer. leice ints. stall (ri-in-stoall'1, v. a. weder aanstellen; Henley able (re•liev'ibl), a. vane verlichting (hulp, onderstand) vatbaar. —e, v. a. verliehten, he•aellen (in een ambt), —cent, e. wederaan ontheifen; onderateunen, bidataan; ontzetten, stalling, herstelling. Reinstate (ri-in-steet'), v. a, weder in bezit aftemen, doen uitkomen. —er, a. verlichter; a. relief. heifer; ondersteuner; Omer. atollen. lielnsur once (ri-in•ejoeeens), a. herverzeke- Relight (xi lajt'), v. a. weder aaneteken; weder verlichten. ring. —e, v. a. herverzekeren. Reintegrate (ri-in'te-greet), v. a. herstellen; Rene on (re-lid'zjun), a. godadlenat. —ontern, a. godsdienstzin. —onist, s. femelaar, dweper. in den vroegeren toestand brengen. —ous, a. —Quail/.ad. ongodsdienstig;nauwgeret, iu-vest'), v. a. weder bekleeden. Reinvest Reiter. to (ri-it'ur-eet), v. A. dikwkjleherhalen. atipt. —ousness, a. godadienstigheid. Relinquish (re-liug'kwisj), v. a. verlaten; op. —tion (-ee'sjun), a• herhaiing. Reject (re- dzjekt') v. a. verwerpen; verstooten. geven. —er, a. verlater, opgever. —cent, a. —able., a. verwerpelijk. —ion (-dzjek'sjun), a. verlating, opgeving. Reliquary (rel'i-kwe-rih), a. religolenkas. verwerpieg. proefje; ffiej01. e (re-dzjoje). v. a• verheugen; v. n. Relish (rale)), s. meek; Fokkere beet, zich verhaugen (at. in). —er, a. verheugen. —ing, genoegen; neiging (for. of). —, v, g. smakelijk a. vreugdebedrijf. —ingly, ad. met vreugde. waken; smack (genoegen) vinden in; v, n. goed behagen, be(with; srnaken near; (of) Rejoin (ri-dzojn'), v. a. weder vereenigen; smokes; weder ontmoeten. (re-dzjoin'), v. n. weder vallen, —able, a. r- emakelijk. eutwoorden. —der (re-dejoju'dur;, a. wederant- Reinvent (re-Ijoe'sent), a. bllnkend, doorechijwoord. —t, v. a. weder samenvoegen; in het new'. Reluctant ce (re•Ink'tens), a. tegentin. —t, a. lid zetten; voegen (met kalk). Rejudge (ri dzjudze,, v. a. op nieuw beoor- afkeerig, weeratrevend. —tly, ad. met tegenziu, achoorvoeteud. onderzuekrn. deelen, 11,einven ate (re-dzjoe've-neet), v. a. verjon- Relume (re•ljoem"), v. a. wader aansteken; — verlichten. gen. —escence (-nes'aens), a. verjonging. Rely (re-laj'). v. n. (on. uponj rich verlaten, Rekindle (ri-kin'd1), v. a. weder aaneteken. il1e2and (ri-lend'i, v- a. v,.eder aan land bresgen vertrouwen op. Remain (re-meen'), v. a. Wien; overblijven. v. n. weder Widen. —der (-dur), a. overoehet. —8 (-rneenz'), pl. Relapse (re•leps'), a. teru,vallIng; instortIng; overblijfselen; stoffelijk overechot. terugkeer. —, v. n. weder instorten; weder ver Rensuke (ri-meek'; [M.], v. a. op nieuw mavallen (into, tot), kea. Rent e Ire•leet'), v. a. vezhalen; v. n. (to) be- trekking hehben; verwant zijn. —ed. a. verwant, Remand (re-maand'), v. a. terugzendeu; termroepen. verruaagschapt. —er, s. verhaler. —ion (-lee'ajun), v. a. s. verhaal; betrekking; verwantachap; bloedeer- Remark (re-maark'), a. asnmerking. want; by —, van booren zeggen; —ship, a. ver- aanmerken; opmerken. —able, a. —ably, ad. wantschap. —ive, a. --suety, ad. (rel'a-tie.), be-, merkwaardig; opnoerkelijk. —ablenese, a. merka. aanmerker; opmerker. trekkelijk. — ire (rel'e tiv-)., a, bloedverwant.1 waardigheid. —er, i Remarry (ri-meerlh), v. n. hertrouwen. —ivenese (rel'e a. betrekkelijkheid. herstelbsar. —ill, Relsu (re-leks'), v. a. veralappcn; los makers; Reined labia a. verhelpend, heilzaam. —gess (rem'e-di.), a. venacbten; ontspannen; v. n. slap worden; onherstelbaar. —y (rem'e-dih), a. genees-, hulp(rel-eks-ee'sjun;, s. zich ontspannen. —ation

Heeft XRP gebruiken Blockchain

×