CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte,
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
tlkarnulit, m. comrade, companion. Koroester. v. Dutch oyster. Korporned, tn. coeuoreti. Korpo, o. corps, 'oody. Koree., v. oyster-net. Korrel, v. grain. —en, or. & on. W. to break into grains, to granulate. —ig, by. grainy, granAar. K orren, ov. w. to halo (for oysters) with a dragnet; on 'a. to coo. Koraet, o. pols of stays. corset. K.ornt, v. crust, —achtig, be. ornety. —en, on. W. to cruet, to gather a crust. —ig, by. crusty. —igheed, be, cruetiness. Kart, be'. & bw. short (-Iy), brief (-Iy); tender. — begrip, rbridgmeut, compendium. —s inkaude eummory, epitome. in het —, shortly. in —, warden, in a few words. Cnnen —, shortly. — en toed, in short, ha brief, to be short. em to goon, to be (to cut) short, to be brief. — en bandit, snip-snap. — ran stof, of few words, pert, irritable. to wanting. te komen NJ, to fall (to CO•ne) fi'.0yt of, to fail in, to be a loner by. — en kl , in slaan„ to beat into a jelly, to make root- and brariert-work, —ademig, short-breathed, -winded, aettonatic. —ademigheid, shortness of breath, short-windedneee. asthma. —bondig, b7. & bw. brief (-.13O, concise (-)y), laconic (•ally). —jan, sword. knife, cutlass. —nagelen, to cut (to pare) the nails of. —our, crop-ear. —cores, to crop the ears of. —siaart, bob-tail, curtail•dok, -horse, docked Horse. —staarten, to curtail., to dock. —voer. strong (spirituous) liquors. —wieken, to clip the wings of. —ziebt, short date. —*hag, near-1**We,', short-sighted, purblind; narrow. —zichtigheid, short-aightedneee, myopy. —aehtig, by. rather short. —of, bw. flatly, plainly, abruptly, in a few words. Kortio e, v. brokerage. Kerrie gaited, v. watch .house. --lad, v. cutlaas. Kori1,11 Uk, bw. shortly, briefly. m. small stick (need as fuel). —loge, bw, lately, not long ego. Korien, on. & on. w. to shorten; to clip, to crop; to pant; to abate, to deduct. Korelield, v. shortness, brevity; tenderness. — &halve, bw. for briefuese' sake, for the sake of b. erity. tiortUd, ru„ oyster-season, Knortiog, v. deduction, abatement, allowance, discount. K02101/4 bw. in short, in a word. Koriewekji, v. pastime, fun, jest, sport. —en, on. w. to fan, to jest, to snort. —ig, bv. funny, facetioue, sportive. —igheid, v. funniness, facetiousneon. sport leeriest. ov. W. to put into a basket (hamper). leor O. coroat. Karsoe:„ be. & bw. fretful (-1y). poenish (-ly), haty (-iiy). —hoofd, peevish (hasty) person. —hoofdig, zie 1Roraert. —hoofdigteeid, zie Korr eithelel.—heist, v. pee vishnese, hastiness, touchiness. —ig, be. Zie Kea tier. Kissistelts. en. dewlap. K'ee'i, tn. food, 'victuale, meat; board; livelihood, aubsleterte; cost, expense. in den —

s. onawolking; n. in gebruik (stand) blijven; de overhand hebverdnisteren. —tion ben. —able, a. verkrijgbaar. —er, e. verkrijger. ve.rduistering. —ntent, a. verkrejging, verwerving. Obole (&foot), a. penning; halve acrupel. Obtemperate (ob-tem'pur-eet), v. a. gehoorObovate (ob-o'vet, a. omgekeerd eivormig. zamen. Ob•eptl. on (ob-rep'sjun), a. insluiping, verscbalking. —tious (-tisrus), a. ingeslopen; door Obtund (ob-tend'), v. a. tegenatellea, voorwenden. verichalking verkregen. Obseen e (ob nien' ) , a. —ely, a I. ontuchtig,vuil, Obtenehration (ob-ten-e-bree'sjun), a. verdonlie lerlij k —enens, —ity a. ontuchtig- kering. heid, vuilheid, licderlijkheid. Oblension (ob-ten'ajun), a. tegenwerping; voorwendsel. Obacur ► tion job-skjoe-ree'sjun, a. yerduiete()West (ob-test'), v. a. smeeken; v. n. zich verring. zetten, zich aankanten (against). —ation (-tee% Obseur a ( ob-skjoer,, a —ely, act. duister, sjan), a. smocking, bezwering. danker. —e, v. a verduisteren; is. de achaduw duiatarnia; Obtreetation (ob-trek teesjun), a. lastering. —ity, stolen verbergen. Obtrude (ob-trose), v. a. (upon) opdringen aan; luisterheidi onduidelijkbeld. Obseera to (oo'se-kreet), v. R. sraeeken—tton v. n. zich indringen, lastig vallen. —r, a. opdringer; indringer. l-kree'sjun', a. s'neekbede. Obt•uucts te (ob-trun'keet), v. a. verminken. ObActesu ant (ob'se-kwent)., a, gehoorzaa ► . —tion (-kee'ejun), a. verminaking. (-kwies), p1. lijkplechtigheid, uitvaart. Obsequious (ob-si'lcwi-us), a. —ly, ad onder-, Obtrus ion (ob-troe'zjun', a. opdringing. —ive, a. —ively, ad. (-sly.), opdringenn. danig, dieniftvaardig; gedwee, alaafach. —near. a. onderdanieheid, dienstvaardigheid; gedweeneld. Obtund (ob-tund), T. a. stomp (bat) maker); verstompen. Obaery able (ob-zurv'ibl)., a, —ably, ad. opm•rkensivaardig, opmerkell.jk. —once. a. waar- Obtura lion (ob-tjoe-ree'sjuu), s. ver-,toestopneming, naleving, oxpolging; achting; opmerk- , ping, wegsluiting. —tor (obljoe-ree-tur), a. ain'tspier. paamheid; kerkgebru{k; regel. —ant, a .nalevend, in ads; nemend (of); opmerkzaam; eerbiedig; on- Obtusangular (ob-tioes-en'gjoe-lei), a. stomphoekig. derdanig; a, slaafech dienaar; observant (franciscaner mornik). —ation (-vee'sjun). a. opmerking; Obtus a (ob. tjoe4"), a —ely, ad. stomp. —ems, waarneming; nakoming. —ator (olizur-vet-tF), b. stornpheid; botheid. —ion (-tjoe'zfun), a. vet.( stomping. —er, a. opmerker, waarnemer. —at ory nemen; naleven; upmerk.m; v. n. opmerkzaam Obutiabra te (ob-um'breet), v. a. bescbaduwen. zijn; aanmerking waken (upon); de opmerking —Non (-bree'sjun), a. beachaduwing. molten. —er, s. opmerker; waarnemer. —ing, a. O bvailatlon (ob•vat-lee'sjun), a. versehansing. Obvention (ob-ven'sjun), a. buitenkan.ije. —inoty, ad oplettend, opmerkzaam. Obverse (ob-vurs'), a met het smallere etnd Obsesrion (ob-searun), a. belegering. near den stengel gekeerd (van bladeren). — a. van eene beiegeObsidional (obtvure), a. kopzUde (van eon muntatuk). ring, belegerings-. Ob,igua te (011-Sig'neet), T. a. bezegelen, be- Obvert (ob-vurV), v. a. toekeeren. Obvt ate (ob'vi-eet), v. a. voorkomen, afwenden. (-nee'sjun), a. bezegeling, bekrachtigen, —lion —out, a. —ously, ad. disidelijk, klaar. —manes+, l,achtiging. —Corp (•re-tur•rila), a. bezegelend, a. duidelOheld, klaarbltkelijkiseid. bekrachtigend. Obvolute (ob'vo-ljoet), a. ingebogen; opgerold Obooteacent (ob-so-l.esteent), a. verouderend. (van bladeren). Obsolete (ob'so-liet) ; a verouderd, in onbruik Occasion (ok-kee'zjun), a. gelegenheid, behoefte, geraakt. —nets, a. vetouderdheid. oorzaake —, v. a. veroorzaken. —al, a. —ally, Obstacle ;o‘I'tiki), a. hinderpaal, ad, toevaliig; an en dan. —ar, a. veroorzAker. stet'rik), a. verloskundig. —a, pl. tThbstetric Oceagive(ok-kee'alv), a. ondergaand, dalead. eerlos-, vroedkunde. Obstina cy (ob'ati-ne. sib), a. harduekkigtold, Occident (ok'si-dent)., v. weaten. —al (-den'tel), R. westelu k. stijfhontdigh,id. —te, a. —tely, ad. (• net ) hardOccip !la' (ok-sip't-tel)., R. achterhonfda, —at .ekkig, stijfboofdig (oksei-put), a. achterhoofa. tlobst;pation (oh-sti-pee'sjun;, s. verstopping. 0 bst reperous (ob strep'ur -us), a —ly, ad. laid- 0.eision (ek sizrun), s. doodalag,. ruchtig, sclareeuwond. —nese, a. luidruchtigheid, Oeclu gle ok-10.oed'), v. a. sluiten, --sine zjunl, a. glutting. groot geraa, Obstrictio71 (ob-strik'sjun), a. verplichting, ge- Occult (ok-kult'), a. verborgen. —tion (-tee'sjun), veiberging. —nese, a. verborgenheid. houdenheid. O bstruct (ob-strukt'), v. a belemmeren, verspei - Occup ancy (ok'joe.pen-sih), a. bezitneming. ran. —er, s, verhinderaar, verspetder. —ion --ant, a. bezitnemer, bezitter. —ate (-peat), v. a. in bezit nemen (hebben). —ation (-pee'sjun), a. a. veretopping; helemmering; be-ive, a. verstoppepd; belemmerend; ver- bezigheid, beroep; bezitneming. —ier (-pa-jur), a. bezitter; bekleeder; bezetter. —y, v. a. bezits,,errend ten; bezetter, innemen; bezig bouden; gebruiken; Oastracc (ob-stroes',, a. duister, verborgen. uitoefenen; v. n. bezig zun, handelen. 0 bstruent (ob'stroe-en,), a. Zie Obstructive. Wit ► lts ob-teen"), v. a verkri,jgen, bekomen: v. Occur (ok-kur'), a, u. voorvallen; wedervaren;
a. & n. kosten. s, zekere appelsoort; kop. monger, fruttventer. Costive (kos'tiv), a. hardlijvig; verstoppend. —ness, a. berdlijvigheid. Costmary (koseme rib), s. reinvaren, wormvaren. Cot, t u me (kus-ljoem'), s. kleederdracht, gewatul. Cot (kot'), s. hut; kot; vingerling: hangmat; wieg; Mettle boot. —land, land WO eene hut. —quean, Jan hen. —'s wold (-would), sehaaps• —
Nog lengen tljd na het versehtjuen wet de Grondhegintelen der Nederl.indsche Spelling, door Dr. Ta WINKEL in het !Mit gegevea, echeen de „nienwe epelting" niet dien Wei te vinden, dien vii later 'verwiert. De Plederlandsche teket van het aerate gedeelte van dit Woordenboek weed tins bewerkt volgens In algemeen gevolgde spelling. Inmiddels verklaarde such het Iqederlandeeh Onderwijzersgenootschap op de Algemeene Vergadering te Zierikzee noon eene spoedige invoering der verbeterde spelling op de seholen. Dose omstandigheid get den Uitgever aenleiding om het stuk der epelling in nadere overweging te nemen. Na rijp boned werd bseloten, bet tweeds ge. deelte van dit werkje (het eerste wan nagenoeg geheel atgedrnkt) in teriehten •olgene de spelling, aangenomen voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal. 3ledear de reden van de oegelijkvormigheid in de spelling der beide gedeelten. De Woordonlijnt van de Ileeren DE VRIES en TE WINKEL heett namelijk tot grondelag gediend. Dkjna al de woordon, die ztj bevat, zijn in dtt werkje opgenomen en bovendien can vooral eamengestelde, weike z mint en die oak in andere woordenboeken filet wooden aangetreffen. Men vergeltike eleehte, Vat dit laatete punt betreft, de eamenstellingen van half, handel, en.. en de woorden ontealekeurig, °Weyer., opyneting, oproerling, optreden, overlievolking, Po.lwia.ol • poet . **gel, stsalplaat, tante, toeschowteer, topstalar, toe, alien en vele ondere, die in goon woordenbost mopes ontbreken. Veor het beredeneerde gedeelte heert BOMHOFF'S Nieew •grout Woordenhoek der Nederlandeche Taal, eanbevoien door Dr. in WINKEL, uitetekende dienstert beworen. T. P. Xi den tweeden drnk is ook in het eeeete gedeelte voor do Nederlandsche •wobrden de spatting gevnlgd van na Vitus en TE WINKEL • H. W.
419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,

Hoe werkt Bitcoin winst maken


Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless. 

Is Bitcoin wettig betaalmiddel in Japan


'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.
428 Break bear, by. fragile, brittle. —bacirkeid, 11. fragility, brittleness. —beitel., —User, iron-crow, crow-bar. —spel, trouble-feast. mar-joy. —tuts, breaking-tools. Breetinv en, so. w, to calk; to bring about. —kisser, calking-hammer. —veer, —men, calkingiron, ealkin. —.tort, calking-Pox, —er, m. calker; —sknecht, calker's hel pin Ate. Breidel, m. bridle, curb; check, restraint. —ex, ov. W. to bridle, to curb, to check, to restrain. —loot, bv. Zie Tengelloos. Brat en, ov. w. to knit. —garen. knitting-yarn. —geld —loon, knittage, money paid for knitting. knitt , ng-sheath. —katoen, knitting-rotton. —kind. child that learns knittiag. —Aloe, knitting-bobbin. —koker, knitting-needle-ease. —kous, stocking being knitted. —metres, —rrouw, woman that teaches knitting. —rreisje, knittinggirl. —naead. knittiog-needle. —school, knittingschool. —stock, knitting-stitch. —werk, knitting-tool, knitting-wool, -worsted. —oak, knittingbag. —er, ster, v. knitter. Brain, o. brain. —onlateking, brain-fever. —flies, meninge. —loos, bv. brAinlees. Reek *beim, 112. & v. bengler, nobler. —ers.oe. w. to break; to reti t; to violate; on. w . to break, to snap; to glow dial ;ran de owe); het Os —, to break the ice. to pave the way; reel woordon den halt —, to talk e great deal to no purpose; sick Aet hoofd — met, to break one's head stout. —er, m. breaker. —ing, v. breaking; refraction. Brew. v. pickle, brine; broom, geniota, farce. gentsta. Bre ws, v. gorse fly, gad fly. ilrenig en, ov. w. to bring, to carry, to convey, to conduct; tide laten —, to take a carriage; het ter —, to have great success, to cork one 's way up; tot iets, to induce (to engage), to something. —or, in. —ster, V. lo Inger, carrier; hearer. Bras, v. build". sehieten, to breach, to batter in breach. in de — sprinpen roar, to intervene for, to defend. Bretelc, v. me. gallowses, straps, suspenders, 13treuk, v. break, breskin,r, fracture, rupture; traction; hernia. —band, tr,:sis; —.akar, Untomaker. —tneester, hernia-carer. Drover, o. patent, brevet, warrant. ['reviler, o. breviary; brevier. Brief, ;n. letter, epistle; flake (aan de kr.ars). 1hr —, by letter. — speldon, pin card, raper of pins. rondgaande eircu,ar. —draper, letter-carrier. —loon, — pert, postage. —sehrijeer. writer of a letter, correspondent. — afiji, epi.tolaty ely.e. —wisseliwg, correspondence. —le, o. note, letter; ticket, billet. Brier, v. breeze. Briesch en, on w. to Leigh; to roar. —ing, 0. neighing; rearing. Brieven. m. mv . open. —, letters patent. —bestiller, letter-carrier, postman. —bock, letterbook; letter-copy-book. —hue, letter-box. —dohker, —drekker. letter-presser, letter-clasp. —geld, postage. —maul, mail. —osolag, wrapper, envelop. —post, mail; postman. —tank, letter-case; rocket-book, portfolio. —.rah, letter bag.

cryptogeld zilliqa


L. Lft, v. Zie Lade. --tafel, chest of drawers. Lied bun, v. barrel. —gat, touch-hole. —kruit, priming. —Lepel, charger, charging-ladle. —pan, pan. —prim, priming-needle. —stole, ramrod. Lang, v. layer. ;red, etretutn , row ; tier ; snare, ambush. de voile —, a broad-side. ien.and icsgen legges, to waylay a. o., to lay snares for a. o. Lang, by. & bw. low (-1y), base (-1y), mean (-1y). —hartig, by. & bw. moan (-1y). —loopers, cogged dice. —held, v. lowness, baeeeess, meanness. bw. lowly. —te, V. Iowness; tottom, lower part; valley; in de —, below, down. Lank bane, by. & bw. blamable (-bly), blameful. —baarkeid, v. blamableness. sick, censorious. —stseht, censorlousneas. Lean, v. alley, avenue, walk. Lanes, v. boot. —je, o. half-boot, buskin. Caarxen, ov. w. to put on boots; to breech. Lemma been, a. boot-tree. —kap, top of a boot. —knee/0, —trekker, lock, boot-Jack. —weaker, boot-maker. —echaeht, leg of a boot. —winkel, boot-maker 's shop. Laces, taw. alas Cant, by. & be. late. hoe — is het? what o' clock is it ? Cant band, m. —teindeel, —zwachtel. ligature, bandage, —When, beasts, pallet. —gat, opening in in artery. —User, —1/10m, lancet. —hop, cupping-glass. CarAdankend, by. self-conceited, arrogant. —held, v. self-conceit, arrogance. Lesatst, be. last. op bet —, at the end. ten —e, lastly, at last, finally, at the latest. bw last, lately, the last time. —leden, bv. last, ultimo. —toorgaasde, penultimate. —eitik, bw. lastly, finally. Labaar, v. large linen deck•cloth. Cabbel, v. gossip, blabber. —en, on. w. to gossip, to blab, to prattle. Cabbekak, m. & v. tell-tale, tale becrer, gossip. —ken, on. w. Zie Labben. Labb en, on. w. to gossip, to tell tales. —er, m. tell-tale, tale-bearer. Calabar, by. soft, light, slack. Cabbardaan, m. salt cod, haherdine. Cabbier en, on. w. to shiver. —koelte, soft breeze, loom-gale. tabberlot, m. rake, blackguard. —, v. (a kind of) row-boat. Loch, m. laugh, laughing. — en, on. w. to Laugh (on, at); in sijn vsiatje —, to laugh in one 'e sleeve. —lust, hilarity. —lastly, hilarious. —epier, laughing•muscle. —trek, laughing feature. —etch, laugher, simperer. —end, by. laughing, smiling, cheerful. —et, m. laugher. —je, o. smile. —sten, v. laugher. Ladder, v. ladder. Lade, v. drawer; till (coon geld); box. Lad en, ov. w. to load; to lade, to charge, to
Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.

Wordt Monero gebruikt op de donkere web


Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​
Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;
illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler
Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13

be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
73 DES.—DEV. ontploffen, v. a. ontploifen. —ation (-nee'sjun), Despot (deasput),..dwingelaud. --ic, —ical, (des- ontploffing; knal. a. —ically, ad. witlekeurig; despotiek. pot'ik-), a. Detor 01011 (de-tor'sjun). a. verwringing. —t, a. dwingelandij. Desputna te (de-spjoe'meet), v. n. achutmen. v. a. verdraaien. Detract (de-trekt'1, v. a. (front) onttrekken; . afdes-pioe-mee'sjun), a. schuiming. Desquismation !des-kwe-mee'sjun), a. afschil- trekken; belasteren. —er, a. lasteraar. —ten, (•trek'sjun), a. lastering, henadeeling; onttrekfering. king. —ire, —ory, s. lasterend. Dessert (dez-zurt'), s. nagerecht. Deaths ation (dee-ti-nee'sjun), 14. bestemming. Detriment (det'ri-ment). a. achade, —at, i-meneel), a. schadelijk. —e (des'tin), v. a. beetemmen; toewijden; doe- men. —y (des'tin-nih), a. noodlot; bestemming; Detrition (de-tris'sjun), a. afAlijting. —reader, waarzegger. the three destinies, de drie Detrude (de-troed'i, v. a. neeratooten. Detrunca te ( de-trung'keet), v. a. afkuotten, schikgodinnen. ten. —lion (det•rung-kee'sjun), a. afknotting. Destitu te (des'ti-tjoet), a. ontbloot; verlaten. Detrusion (de•troe'zjun), a. neerstooting. —lion (-tjoe'sjun), a. ontblootheid; outbering. en dobDestroy (de /awn, v. a. vernielen; ombrengen. Deuce (djoes'), a. (de) twee (op kaarten he drombelsteenen); duivel, drommel. — take..., -er, a. vernieler. mel hale.... —d, a. drommelsch. Destruct ible (de-etrukt'ibl), a. vernielbaar. tweede a. (djoe-tar-We-mih), —ion (-struk'sjun), a, vernieling, verdelging. —ive, Deutero gamy a. —Ivey, ad. vernielend. —ivgnesa, S. verderfe- huwelijk. —nomy, (-on'no-mih), a. tweede wet, lijkheid; vernielzucht. —or, a. vernieler. (vjjfde boc.k van Mozes). v. a. verDesudation (des-joe-dee'sjun), a. aterke zwee- Devasta te (de-ves' teet, dev'es•teet), woesten. —iton Idev-es-tee'rejun), a. verwoesting. ting. Develop (.dseverep), v. a. ontvouwen, ontwikDesuetude (des'wi-tjoed), a. onbrnik. kelen. —meat, a. ontwikkeling. Deseiltor y (des'ul-tur-rih), a. —ily, ad. onge- stadig; oppervlakkig; vluchtig; owamenhangend. Devest (de-vest' ► , v. a. ontkleeden; bevriiden; Detach (de•tetsj'), v. a. afzonderen loamaken; ontdoen; vervreemden. Zie Divest. hement. Deves: (de-veks 1 ). a. in-, OM- netrgebogen; hetdetacheeren. —meat, losmaktug; detac ' lend. —ity, a. in-, om-,neergebogenheid; belling. Detail (de-teal'), a. omstandig verbaal; bijzun- Device te (di'vi-eet), v. n. (from) afwijken. —lion derheid. —, v. a. omstandig verhalen. (-ee'sjun), s. alwijking. —tory, a. afwijkend. een'), v. a. ophouden; beletten, weer- Detain (de:t honden; gevangen houden. —der, a. bevelsch!ift Device (de-vajs"), a. uitvin.ese 1; oogmerk; list; zinspreuk, lens. tot inhechtenisnerning. —er, a. weerhouder; Devil (dev'v1), a. dulcet. —'s-bit, achurftkruid. aehterhouder; °intuiting. Detect (de-tekt'), v. a. ontdekken betrappen. —'s-bones, dobbelsteenen. —'a-books, epeelkaarzeeduivel. ten. —"a-dung, duivelsdrek. -er, a. ontdekker. —ton (-tek'sjun), a. ontdek- —'s-guts, meetketting. —seh, a. duivelsch. —kin, king; betrapping. —ive, a. ontdekkend. a. duiveltje. Detent (de-tent'), a. pal, drukl;er (in een nu, ronddolend. werk). —ion 1-ten'ejun), a. terughouding; out- Devious (di'vi-us), a. efwijkend, te verzinnen, uit to Davis able (de-vajeibl), bonding; hechtenis. den.ken. —e (-vaje), a. erfmaking; uiterste wilsDeter Ide-tar'), v. a. afschrikken (front), —meat, beschikking; v. a. verzinnen, uitdenken; vers. afschrikking. —rent, a. aftschrikkend. waken (bi testament); v. u. overleggen; Deterge Ide-turdzy), v. a. zuiveren. —nt, a. zui- denken.—ee !dev-i- zie"), s. erfgenaam. —er, s. uitverend middel. denker, verzinner. —or (ook: dev-i zor'), a. erf1111 atteriler a te Itle-trri-or-reet), v. a. slechter ma- later. ken; v. n. slechter worden. —tion (-ree'ajun), a. Devoid (de-vojd'), a. (of) ontbloot, verstoken; yebederving; verergering. Determin able (de-tuerni-nib!), a. beslisbaar; kant. bepaalbaar. —ate, a. —ately, ad. bepaald, be- Devoir (dev-wane'), a. plicht;plichtpleging. elissend. —ation (-nee'sjun), a. bepaling; beslis- Devolution (dev-o-ljoe'sjun), a. nedervalling; toevalling (in bezit). sing; besluit; beetndiging. —alive, a. bepalend; beslissend. —ator, a. besliseer. —e (-min), v. a. Devolve (de-volv , ), v. a. nederrollen; (on. upon) bepalen, vaststellen; besluitee; beperken; v. n. doen overgaan (in eigendum). —, v. n (on. upon) (in eigendom) taevalien, overgaan. tot een besluit komen; eindigen. Devot e (de-voot"), v. a. toewijden; toeleggen, Deterration (di-tur-ree'sjun), a. opgravitig. overgeven; vervloeken. —ed, a. toegewijd; geDeter sloe (de-tur'sjun), a. wondzuivering. vloekt, —edness, a. toegenegenheid, toewijding. -sive, a. zuiverend; a. zuiverend middel. —ee (dev-o-tie'), a. fernelaar, kwezel. —ement. Detest (de-teat'), v. R. verfoeien. --able, a. —ably, a. toewijding. —ion (-vo'sjun), a. godavrucht; gead. verfoeielijk. —ation, (det-es-tee'ejun), a. ver- (-ye' bed; verknochtheid; toewijding. fooling. —er, a. verfoeier. Dethrone (de-throon'), v. a. onttronen. —meat, sjun-el), a. godsdienstig —ionist,s.schijnvrome. Devour (de-vane), v. a. verelind en, vertcren. —er, a. onttrening. —r, a. onttroner. a. verslinder. —inely, ad. verslindend, gretig. Detinue (det'i-njoe, de-tin'joe), s. klaebt we- femegene onthouding (bevelschrift tot teruggave) van Devout (de-vaut'), a. —ly, ad. godvruchtig; toevertrouwde goederen. lig. —less, a. ongodedienstig. —neas, a. gedsdienpeton ate (det'o-neet), —ize (-najz), v. a. doen stigheid.
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Hoe bereken je cryptogeld winst


TOU —TR A. 309 Touch (tots)'), v. a. ♦odel', raken; aanraken; Toes (toot), V. a. Zie to Toluca. toe.aen; echetsen; aanslean, bespelen, beriapen; Trace (trees'), P. spoor, teeken; pad, peg; trekbetreffen. &engem aanroeren; aansteken; schokriem. —, v. a. no - , opspsren, pawn, op bet ken, treffen, roaren; aandoen; ontvangen; amspoor volgen; doorgaan; sebetsen; (out) opepokoopen. — to the quick, dlep treffen. (off) beet ren; aanwijten., besehrtive•, (up) uitvorsehen, nemen; afschteten; verbeteren, (up) veretellen; opeporen. —able, a. op to spores, na to goon. rerbeteren. —, v. n. eikander raken; in verband —r, a. opspoorder. —ry, versierselen (in Steen). staan; sandoen, binnenloopen (at). (on, upon) Trachyte (tree'kejt), a. treebiet. aenroeren, gewagan van; werken op. —able, a. Tracing (tree'sieng), a. (het) nagaan, naeporen; taetbaar, voeibaar. —bless (-1-nets), S. lichtgepad, weg. joke-, kernaattoww. —papers reaktheld. "—Ng, a. —ingly, ad. roerend, unpapier tot doorteekenen. doenlijk. —City, a. betreffende, aangaande. —me- Track (tr610), a. veer; pad, bean; zeegat; !rung, roam cog. —road, jsagpad. —, v. a. naeporen, not, a. kruldje-roer-me-niet. —y, a. liehtgeraakt, het spoor volgen van; opsleepen. —age, e. (het) gevoelig. opsleepen. —leas., a, solider spoor, ongebaand. 'rough (tuf'), a. —ly, ad. teat; kleserlg; hard; moellijk, (tuf'n), v. a. & n teat maken Tract (trekt), a. streak, nitgestrektbeid; %erloop; traktaatje. verhandeling. (warden). —nese, s. taatheid, kleverigheid; hardTracts bie (trekt'lle1), a. —bly, ad. handelbaar. held; aterkte. 'routs see (toe-pie'), —et (-pet'),e. kW?. —bility (•e-htl'it-tih), —bleneett, a. handcibaarheld, gedweeheid. —te (-eet), a. verhandeling. Tour ( toer'), a. refs, toer. —iet, a. retziger, toerist. —mcaine (-me-lin), toermalijn, trip. —tion (-ee'elun),.. behandeling. Touters (turn') a. gerecht van den sheriff. —ament Tractil a (trekt'Ll), a. rekbaar. —ity (-11'it-t1h),s. rekbaart etd. (-e-men*; sok; toer , ), —ey (ink: toer'nib), s. steak-, tornooispet. —ey (ook: toeenth), v. n. Traction (trek'ejnn),s. trekking. acne Inns broken, tornsoten. —iquet (-i-ket), s. Trade (treed'), a. h.endel; boekhandel; beroep, draaikruite handwerk; hcaigheid; rereedschap; verkee'r; gewoonte. —'e-man, --:man ;treede.), handelaar; Touse (taut), v. a irekken, rnkken, haeenen; winkelier; hendwerkarnan. —wind, ptteeutwind, v. n. stoelen; woeden. risen. —, v. n. handelen, handel drijven. —d (-id), a. Tousle (tau's1), v. a. Me to Towle, bedreveu, ervaren. —r, s. handelaar, gram/tier; Tont (taut'), v. n. nten zoelcen te lokken erreeen pereoon• Iroopvaardijechip. —a (treed:), (for) —er, a. klantenlokker. Tow (to') s. week. hede; eleeptonw. to take in p1. oandwerkslie'den. op het aleeptonw semen. --boat, boegseer- Teredialg (tree'dleeg), a. (het) handelen. a. handeldrijvend; hardel • . —company, handelumetboot. —cloth, paklinnen. --lire, -.rope, boegseerlijn. —, v. a. boegeeeren, sleepers. —age, a. (het) scheppij. —town, koopstad. Tradition (tre-disren), a. overlevering. —al, boegeeeren;elaepegeld. —ary, a. —ally, ad. overgeleverd; bij (volgen: de) Toward (to'urd), a. —ly, ad. gewillig, leerzaern. overlevering. —er, —ist, a. vooratander der over—linen (-1i. peas), -nest, s. gewilligheld, leer zaamheid. —, —a (-wurdz), prp. near; tegen, lererIng. Traditive (tred'i-tiv), a. overgeleverd. jegens; onistreeks. Trnduc a (tre-djoeni, v. a. doorhalen; belaeteTowel (tan'il), s. hauddoek. 'rower (tan'ur), a. toren; kacteel, burcht; k ^ 0,1; ren. —ent, a. lasterend, sehendeul. —er, a. lasteraar, schendtang. —tion (-duk'sjun), a. voorthooge vlucht. aindmoien. — mu ' , rd. planting; overhrenging; overlevering; overgeng. torenkruid. v. n. hoog sliegen; etch lion verheffen. —ed (-Ind), —Y, a. van torens voor—tire (-druk'tiv), a. of te leiden. Traffic (treflik), a. handel; koepwaar. —, v. a. elan. —ing, a. hoog, verbeven?Wien, verhendeletr. v. u. handel drijven. —able, 'rowing (to'leng), a. (het) boegaeeren. —path, a. verhandelbear. —ker, a. s. handelaar. lettgaad. —rope, boegeeerlijn, eleeptouvr. Town (taaun'), a. '300. —clerk, gemeenteeeere , T rn poems t treg'e-ken t ti ), e. dregant. tart, —crier, etadvorn, eper. —due, stedelijke Tre ford I sit (tre-dzji'di-en), a. treurepelsehrijver, .dlehter,speler. —y (tred'zje.dthl,s. treurepel. aceijne. —hall, —house, stadhute, raedhule. —market, marktviek. —'a-man,s—nsan (taaunz , ), Tragic (tred'zjik), —al, a. --1/y, ad. tragiseh; atedellner, medebnrger. --talk, etadepraatje. treurig. —ulnese, re (het) traglache; (bet) treurige, droevtge. —wall, etadennur. —ids, a. steedsch, —ship, a, Tragicona edy (trod-zji-kom'e-dib), 0, blijeinettulegebied deed treurspel. —te, —ical, a. treuIlg vroolijk, Towse (taut'), v. R. Zie to Touse. —r, e. bulls • tregleomisch. bijter. Toxic at (tokelk1), A, vergiftig. —odendron (-1- Trail (treer), a. epoor;ateart; sleep; straal.—board, kambout. v. al . eIeepen; op het spoor volgen; v. (-1-kol'ud-zjib), ko.den'drun), n. girbonrn. e. verhandeling over de vergiften. n. slepen. Toy (to)'), a. epeelgoed, snuieterij; beuzeling, Train (trees'), n. trees; gesolg, stoet; rij, reeks; neeterij; gedartel; grit, luirn; sprookje. —man, sleep, slip; ataart; nasleep; loop; loogvunr;- Het, epeelgoedvertooper. —shop, epeelgeedwinkel. kuustgreep; asnlokeel; •gze, minter. —band., v. n. spates; dartelen, etuelen. — er, a. hence- p1. echutterij. --bearer, sleep-, slippedrager. leer, etoeier. —tah, a. epealech, thole). —oil, trim. —tackle, aehtertalie. --, 'v. a. trekken, steepen; lokken, verleiden; groothrengen, -ishnees, a. eItelsehbeid.
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Hoe wordt Bitcoin gegenereerd


:lot THA.-TEN. Tea Olen, a. thee. - board, -tray, theeblad, Teleecop ca (tel.'s-stoop), a. teleakoop. -ie, -ical (-sitoynk.), a. teleekopisch. -caddy, tteekistje. -canister, theebue. -chest, theettat. -cup, theeltopje. -dish,thaeachoteltje. Tell (tell') [told (tepid)], v, a. & n. Reggen, toolden; vertellen; verklikken; barren; uttwerking -kettle, theeketel. -kitchen, thee-machine. --pot, theepot. -eervies, -set thmss , viss. -spoon, doers, (abroad) bckend maker, (of) am-toren: verwliten. I cannot -, .0, -west Wet- --ftwtnn. theelepeltje. -table,:theetafel. -things, pi. thee- upon the cards, de heart legAen. -tale, A. WOgoad. -voider, waterpot. belachtig, wrklikkend; s. babbelaar; oorblazer. Teach (tiend') [taught (MO], v. a. c nderw(jenn, -er, a. verteller; rekeraar; stentopnerner; be'term-able, a.leersaam. -ableness,s. leersaam- taalmeester. held. -er, e. onderwgzer. -in7, a. onderwije. Teatera rictus (tern• e-ree'i 1-11e), a. v ermeiel, Teague (tteg), a. ler (ale schel dnaern). roekeloos. -ity (te-rner'it-tih), a. vermetelbeld, Teal (tiel), a. taling. Team (Item'), a. span; vlucht. -, v. a. in-, eon- roekeloosheid. Temper (tem'yo,), e. temper„ tempering, men. eptnnen. -*ter (-star), a. voermart. Tear (tear'), a. scholar, torn. ging; nerd; lulm, gemoedsgesteldheld; bed/LardTear (tear' [tore. torn (toots)], v. A. seheuren, held; gehardheid. to de out of -, in eene eleehre verseheuren; (from) ontseheuren; (qff)atmeheuren; luim On. - v. a. temperen, toengen; matigen, (up) openscheuren; opbreken; v. rt. rano, tier., ve aachtert; harden; gesehlkt, (p.send)makcn, in-er, s schearder; raker. flatten; wen. -ament (-e-rnent), a, keistel.; ReTear Olen, a. traan. -falling, -;flat, a, tranen moedagesteldheld; varroengIng. -ante, a. mattfcstortend, weenend. - fey:, a. sonder trafien. held; bedaardhe14. -ate, a. -ately, ad. (-et-). Tease (ties'), v. a. kammen; kaarden; plagen, matig; gematigd, bedaard - ateneet (-et-1. a. matigheld; gematigdheid. -adze (-e-tiv), a. ten, kwellen. -1 W0%0, a. kaardedistel; kaard; v. a. perend, nustigend. -attire (-e Oyer), N. hOoorkammen, kaareen. -1e, (tit'cl-ur), a. kammer; lijke menging; gestyldheid; warmtegraad, ternkaarder. -r, a. kwel ler, plager. peratuur, gematigdkeld. -ed (-wird), a. g.Tent (tiet), e. tiler, tepel. Teed ly (teter11-11h), ad. knorrtg"gemeitjk. atemd, gelnimd; ttomperd, geltard; -er-en -, • gelijkinoedlg. -ness (-i-neon), s. knorrigheid, fiemeliCkheid. Technic al (tek'olkl), a. --ally, ad. kunatmalig, Tempest (tem'pest), a. storm; ontveder.-f, eaten, kunst-, teehnisch. -s, pl. leer der kunaten en -tort, door storm geteisterd, -, v. a. tfit,teren, ambaehten. techntek verontrusten; v. n. stormen. Tempestuous (tans-pese(ne-us), a. --ty, ad . Technology (tek-nol'ud tjth), teehnologie. storm. chtig. --ness, a. atorrnachtigi.eld. Tetchy f,teterlh), a. knorrig, gemelijk. Trusplar (tem'plar), e. tempelter; student_ in de Tectonic (tek-ton'ik), a. bouvvkunatig. reehten. -der, Ted ited), v. a. (gernaald gr.) sprettien. Temple (tem' pl), ciempel;slaitp our' het hoard). a. & v. a. Zia Tether. -t (-pill), a. stuitbout; runt, scut. Todiate& (ti'djue), i. -1y, ad. vervelend; lastig; langdradig, -ness, a. verveiendheld; lang.lra. Temper at (tem'pur-el), a, _ally, ad. iijdelljk, wereldllik; van de alapen. -ality (-el'A•tett), a. digheid. -ale (-ell), pt. -city, a. wereldlijke yruederett Tedium (ti'dI-um), e, verveling, valg. tijTeem (tienin, , a. bares, werpen; voortbrengen; of inkomsten. -arity, ad. -ary, a. (-e-rth-).,ikjaftdelijk; verganke?ijk. -arivtess (-e-ri.), a. 1 v. n. (want) manger -, drachtlg -, vol skin van; wernelen van. -er, a. berende. --Jul, a. swan- lijktteid; verganketbkh ,, id. -ire (At), v. n. tich ger, draehtig; boordevol; a emelend. -ing, a. near den ttjd (de ornstandigheden) s•hikken; vrnehtbasr. -less, a. onvrnehtbar,r. dralen. -Izer (.aj.zur), a. 034v:inner, tamer; Teener (liinas). a. pl. leeftild tuaschen dertien en weerhaan, &eater. Tempt (ternt'), v. a. In verzoektng hrengest; betwintig jaar. Miss in her -. huwbaar meleje. Teeth (tleth), a. pl. van Tooth. to the -, vlak proeven; verlelden; aaneporen. -able, a :tan In het aangesteht. versoeking blootgasteld. -ation (-ee'sjun), it. Teeth (tleth'), v. n. tendon krtjgen. -leg, v. bet versoeking; aunrechting. -cr. a. verzoeker, ver• letder. --leg, a. -ingly, Rd. verleidelijk. -rose, 'Widen kriagen. a. verntekster, verlerdater. Teetotal ti-tole1), a geheel., voikomen. -er, a- matIghe dsman, afechaffer van able geestruke Temse (tense'), a. zee. -. -11(teutst . ), a. hjtt draulten. -ton, a. strange ontatoudlug van she gesitt; - bread, tljn wittebrood. Ten (ten), a. lien. geeetrijka dranken. Tenable (ten'ibl), a. houdbaar. Tex (lex), A. tweelarig reek/tit. Togas tsar (tarjoe-ler), a dakpanvormig. -cent Tense' ems )te-nee'i.jus), a. -ously, ad. eauklevend; tact; vasthoudend (of, eon); hardnek(-meat), a. bekleedael, huidje, viiee. tip'; getrouv; gterle. -ousneis, -ty (.nex'lt-tih,„ Tahoe (te•hr ► , a. gegiehel. -, v. n. giehelen. a, aarikleving; veathoudendheid; bardnekklgbeld; Tell (tiel),.. nude. lindehoom. Telary (trio-rib), a. eptunend; 'web-. -, a. mph, gierigh(td. Tenancy (ten'en-sib)., a. pacht,Pachtl.g. newel). Telegr am (tare-greys), s. telegram. -aph (-Iry at), Tenant (totem), a. yachter, huunler; bewoner, a. telegrant; v. a.telegrafeeren. -aphic (-grerik), pin, lip. -saw, sebrobettag. -, v. n. in hour a. telegransoh. -aphy (to-leg're-flh), a. tele. bobber). -able, a. bunrhaar. -lees, a. onvergrate. huurd. -ry, a. (de) gesamenlitke pachters.
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.

347 WWI' (wink), v. n. kwispeletaarton. Wicket (wish'it), e.mand, korf. Wtolie (wisp'), n. 'velech; bundel. Well- o'the L , —, dwaalliebtja. —, v. a. vegen, afborsteten, Wistful (wlet'foel). a. —ly, ad. ernstig; oplettend. ncdenkend, peineend. Wit (wit'), e. vernnit, geest, verstand, geeetige set, •.- ireval; geestig niensch, man van vernuft. to learn —, door aehcde en echande wija worden. I am at my wit's end, ik turn ten einde road. —cracker, —snapper, apotvogel,grappenmaker. v... weten. to—, to weten, nameitj k. WHO, (wits,•), s. heke, tooverkol.—eraft,tooverij; tooverkratht. --elm, breedbl&derige oltnboom. —ridden, betooverd. v. a. betooveren. --cry, s. beicserij; betoovering. 'ith (with), prp. met; bij; van; door. angry —, boos op. one — another, to zamen. child, zwanger. —al (-eon, a4. made; tecens; Withdraw (with-drao't [irr.], v. e. terugtrekken; onttrekken, aftrekken; lntrekken, herroepen; v. n. doh onttrekken; sich verwijdsre , heengean. —at, —went, s. terugtrekkine; net trekking, intrekking; verwijdering. —ing-room, zie Drawing-roam. Withe (with), s. wilgentakje, teenen band. Wither (with'ur), v. a. & n. (doen) verwelken, kwijnen, verdorrea, verechrompelen. a. verwelktheid, verdordheid. (with'urz), a. pl. choft, schnudergeWither wrieht. —band, betting aan den zadelboog.—wrung, aan 46 achoit gekwetat. Withhold (with'hoold) tier.], v. a. teruabouden; onthouden; verhinderen; weigeren. —er, s. ontbouder; Wetter. Within (with-in'), ad. ;binnen, van binnen; in hubs. prp in, binnen. —doors, ad. binnen'a. huts. side.nd. van binnen, inwendig. Without ( wit h.aut'), ad. buiten, van button; nit. prp.button; zonder. —• doors, ad. batten'. hula. — side, ad. van batten ultwendig. Withstand (with-atend') [Irr.], v. a. weeretaan, weeratreven. —er, s. tegenetander, weerstrever. %lathy (wItlelet), a. van wilgentakken of teenen. - e. wilg, teen wile. Wit less (wit'lesa), a. —lessly, ad. onveretandig; zonder overleg. —laciness, a. onverstandigheid; onbedachtzaamhold. —ling, a. jachtmzker op oard igheden • waanw Whitneee '(wit'nees), a. getuigenia; getuige. in — thereof, in kenulese daarvan. —, v. a. betutgen; getuige zijn van; v. n.getulgen. Witt lelena (wit'tt-etzml, a. kwinkalag. —ity, ad. —y, a. geestig, vernuftig; hekelend, hijtend. —Owes (41-nees), a. geeetigheid. —ingly, ad. vuorbodaehtelljk, opzetteltik. Wit tol (wit'tul), 8. gewillige horendrager. —welt (-waol), a. bonteapeoht, wtelew sal. 'Wive (wajv), v. a. da n. tot vronw nemen; acne vrouw nemen; trouwen. Wiver (warvur),e. vliegende hagedle. Wizard (wiz'ord), a. netooverend. —, a. Wovenear. —ry, toeverld, tooverepel. Wizen (wiz'n), a. s. Zie to Wither.

bekrornpen; beknopt; beperkt; broos; tad. to be (come, fall)— of. ntet evenaren; ontoereikend zijia voor; to kart komen. — of money. niet bij kaa. to stomp —, eenklaps opbouden;bibven ateIcon. to turn itch eeneklaps omkeeren. —breathed, kortedem1g. —comings, pl. tekortkominv.n. —dated, op kort zicht, —hand, meisehr0 f kunst; enelschrift. —hand-writer, anel. sels,.ijver. — handed, met verbortingen geechreyen. — laid, hard geslagen (van thaw). — lived, kart van Leven. —sivink. — start, kortsteel (aagtAppel). — sighted, kortzichtig. —tighter/nem kortziehtighetd. — wincled,kortaderatt .;. — witted , onnoo . zel. dom. — en (-sjort'n), v. a. korten, verkorteu; verminderen ; v. n. barter worsen; afnemen. (IOW— ester (s,lort'n - ur), a. vor-korter. — ening, nieng), s. verliorting. -4y, ad. bincen knot. a kortioeid; bekrompenheid; beknoptheid. —s, pi. korte brook; korte hennep. Stvolry (81,tirib, a. aaa strand gelegen. rekeving. St o at (ajot.'1, a. echot; kogeis; great —, kanonskogels, small —, schroot. —bag, echrootgordel. —free, schotschroatn.k. — locker, garland, — stroffeioos; vrij van gelag. ri,j; hogelbak, -rek. — gauge, kogclprozf.—p/up,imeer , prop, —pouch, hotel-, wcitasch. —proof, kogelVrU. Shote ('jont),, a. elft, Jong varken. Shotieo (sjot'tn), a. bait gemchoten hebbend; ledig, iji; veretuikt, geharpelei,vcrzuurd. — herring, haring of bobbing. ledige Shough (sjog), a. ruige hand, poedel. Shongd (tkiced), v. n. Zie Shalt. Sh oulder (sjoordurl, 8. schouder; voorharat; stut, schoor; uitstek. — of mutton, lamabout. —belt, dralgband, — blade,schouderblect. —bone, schouderbeen. — grafting, schorsenting. --knot, eparlet. — ehotten, veriamd in den schouder. pl. broek— slip, scheuderoutwrichting. — straps, v. a. schouderen; onderschragalgen, bretels. gen; duwen. — ed. a. geschouderd. v. n. sehref,uShout (ejaut , , a. krect, gejuich. weia, juichen; (at) toejuichen. — er, a. juicher. —ing, s. geschreeuw, gejuich. Shove (sjuv), a. avant, duw. —, v. a. stooten, auwen; voortschni,:in• boom.. — board, schuiftak'el. ' a. schop. Sglovell — or, — net, slag-, eleepnet. —, v. a. itcloeppen. s. lepelaar, lepelgons. Show (sjo'). s. vertooning; uitstalling; tentoonstelling; sehonwspel, pronk; schtjn. to make a toonbrood. —man, — of, i;ronken met. — bead. ,pzileman. — sheet, proeibledShow (8,10 [showed. shown ejaoujj, v. a. toouen; vertoonen; !uteri zien; wijzen: betoonen; (forth) behead maker); v. n. zich bonder) air. — e, ( - iaertonner; — of tricks, goochelaar. nes.), a. vertoonmakinit; pracht, glans. —sly, ad. - -ish, — y, e.. vertoontnabend; zwierig. prachtig. Shows,' IsjarCuri, a. but, regen-, haRelbui; menigte, overvload. — bath, storthad• —, v. a. haregenen; begieten; uitstorten; v. n. stortregenen; oetrsiroornsla. —y. a. buiig. Shred (-sjed), a. reepje, lapin, anoedje. Shred (ajred) [shred], u. a. klein suijden, snipperen.

hr 835 cryptogeld


grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.
Pick (Mk . ), 5. bikijzer, puntige hamer; tanden-stoker; (het) uitgekipte. -axe, houweel. -fork, hooivork. -lock, looper; die sloten openeteekt -pocket, -purse, benrzensnijder. -thank, Inklooter, plutmetrijker, -tooth, tandenstoker. -, v. a. prikken, pikken; bikken, plukken; uitkippen; sorteeren; sehoonmaken, zuiveren, afklui. yen; opensteken; plunderer, op den kop tikken; versamelen; uitpluisen. -acquaintance, kennis maken. - a quarrel,twist zoeken.- thanks,pluin, strijken. (out) ultpikken; - a livelihood, een bestaan vinden. (up) oppikkan; opcklen; - straws, vergeefeelle moeite doen. -, v. n. peuzelen, kieskanwen,• langzaam en nauwkeurig werkee. Pickapack (pik . e•pek), ad. op den rug. Picked :(pirid), a. puntig, 'pits; gemeakt, ingebeeld. -ness, e. puntigheid. Plckeer (pik•ler . ), v. n. schermuteelen; zeeschuimen. Picker (pik'ur), e. pikker; uttzwker; plul.ker; houweel;tandenCoker.-ofquarrels,twlatzo , ker. -el (41), e. enoekje. -weed, snoeikruid. -oon (•oeu . ), a. Lie Picture...me -y, a. kleine diet. Picket (pik . it), N. steak, paal; ;piker (veldwacht en !Tel). -, v. a. met palen vastzetten. kenen, Picking (pik . ieng), 8. het plukken, uitzoeken, nelezen, opzamelen. -.a (•iengz), pl. snippers, vuilnis, afval. Pickle (pik'kl), 5. pekel; zuur, ingemaykt goed; benarde toestand. -mixed -a. vat.: a, allerIei. -herring, pekelharing; hansworst. -, v. a. peke. len, inmaken. Picnic (pik . nik), s. botje bij-botjes-raaaltijd. Piero lite (pirro-lajt), s. bittersteen.- -met (-met), 5. gaistof, bitterzoet. Pict oriel (pik-to . ri•e1), a. sehilders- . van de sehilderkunst; gelllustreerd; afgebeeld. -oral (pikt .joe-rel), a. afgebeeld; s. afbeeldsel. Picture (pikt'joer), s. Behilderti; Ribe,Idsel; tatereel. -book, prentenboek. -drawer, sehilder. -drawing, het schilderen. -galery, -room, sehIlderilfaal. -, v. a. schilderen; afschiideren. - like, a. ale eene schilderjj. Picturesque (pikt-joe-reek"), a. sehilderachtlg. Piddle (pid'd1), v. n. kieskouwen; beuzelen. -r, s. kteskauwer; beuzelaar. Pie (par), s. pastel; eketer; misboek. - bald (-baold), a. bout. Piece (pies'), e. stuk; geldstuk; geschrift; sehilderstuk; geweer, hanon; dead, a -, per atuk. - by -, stuk voor stuk. - of wit, geestige inval. of a -, van dezelfde snort. -goods, stukgoederen. -work, werk per sank. -, v. a. lap en, verstellen; samenvoegen; (out) verlengen, rekk en; (up) oplappen, -, v. n. zicn aaneen hechten; sl uiten, passim. -less, a. nit 66n stuk, geheel, - meal, a. & ad. stukswijze, aan stukken. -r, s. lapper. Pied (pajd'), a. boat, geschakeerd. -ness, s. bontheid. Pieled (pield), a. geschild; kealhoofdig. Plepowder (parpau-dar), a. - court, gerechtehot op jaarmarkteu, marktgerecht. Pier (pier'), s. brugpIller; eteenen beer; haven.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.

—idokje, hare-bell. -400rts, spring-fever. —lied, vernal-song, —Need, spring-time air, vernal air. —emend, spring-month, March. —incrusts, morning in spring, —nachterexing, vernal equinox. —tijel , spring-time. —weer, spring weather. —son, vernal sun. Leaman, on. w. to free; to harpoon; on. w. to *Qua, to spoon. Lip, m. kick. Lepel, in. spoon, ladle; charger; (can een haat) ear. --bled, bowl (of a spoon;; spodn-wort, scurvygrass. —host, —.Aft, spoon-meat. —steel, handle (of a spoon). —stok, handle (of a charger). —link, small piece of artillery. —vet, spoonful. —sucAt, want of food. —ear, m. spoon-bill. —en, on. ar. to eat with a spoon Lap pen, ov. w. to rip, to lap; to bib; to kick (the ball). —lam, pet-lamb. —per, m. sipper, lapper. Lepperen, ov. & on. w. to sip, to lap, to bib. Leprome, by. leprous.—, m. leper.—heid,v. leprosy. ',ern:manhole, o. hospital for lepers. ',crater, v. eipper,.leprer. Lee, v. lesson; precept ; lecture. {emend de — lesen, to lecture (to rebuke) a. o. —heck, lesson book. —geefster, —veer, private teacher. Leach lank, us. —tray, cooler, quenching-tub. —drank, cooling (refreshing) drink. —water, quenching weter. Lesseb en, sue. w. to quen,b, to slake, —er, m. quencher. —ing, v. quenching, slaking. Leesieurteer, na. desk. Letsef, o. hindrance, impediment, obstacle; butt, injury, damage. Letters, oc. w. to hinder, to keep from; to ail; on, w. (op) to mind. to attend to. Letter, v, letter, character; ttjpe. naar de —, literally. —hoes, lettered man. —bake, latter-blokken, hard study. —bode, literary messenger. ecroitich. —diet, plagiary, pirate. —diefstal.—dieverii, plagiarism. —dash, nain.pier. —druk, impression, letterpress. —gieter, letterfounder. —oieterti.lettor-foundary. —greep, syllable. —held, man of letters, eminent Monitor. —heist, speckled wood. —has, letter cane. —heir, —kearclicht, —vergetting, anagram. —kennie, learnlag, erudition. —kloek, lettered. —kunde, literature. —kundio, literary, lettered. —kundioe, man of letters, literary man. —kunst, grammar. —boaters/Jar, gramtnarten. —nterk, character. —minnaar, lover of literature. —nieutee, literary news. —oefening, study, literary occupation. —schrift, writing (in letters). —.Oder, —steker, type-cutter. —soort, sort of types. —teeken, sr• cert. —wipe, knowing the letters; — in, having the knock of. —setten, composition. —setter, compositor. —sifter, caviller, critic. —sifterv, —sifting. cavilling, criticism. —en, v. . inv.letters, literature; awe — your letter, yoar favor. de fraaie —,, polite literature; in de — atadeeren, to study literature —en, ov, a. to letter, to mark. —10k, be. bw. literal (-1y). —tje, o. little lettar; eels — sekrtiven, to write a fevelines, to drop a line. Cougop, v. lie. —bank, comnany of liars. —facet, —tap, —sok, arrant liar. - Frofeet, false prophet.
MIL. -MIN. —post, mijIpeal. —stone, mijlsiren. --age s. mijigeld. ftli13'011 s. duizendblad. It'Mary (rnll'je-rih), a. gierstaardig, g,ekorreld. — fever, gierst-, purperkcorts. Milt not (mil'i-tent), a. strijdend. —ary (•te-rits), a. kri,jes-, militair; a, krljgswezen, enIdatenstand. —ate ( feet), v. n. oorlog voerien, strijden. —ia (me-lisj'e), a. militie, atavistic krijgsmacht. Milk a. melt. —fever, zogkoorta. —food, rielkspije. —hedge, melkatruik. —house, melkhula. lafnartig. —maid, melkster. —man, inelkboer. —pail, melkemmer. —pan, melkpan. —porridge, melkpap. —pottage, melkhrij. —rice, rijetebrij. —score, melkrekening. —sickness, maltziekte; runderkramp. —sop, weekeling. —tare, melkkruid. —thistle. —tooth, melktend. —trefoil, melkklaver. —vetch, knolkruid. --weed, wolfsmelk. —white, nieikwit. —seaman, mell,rouw. Milk (milk'), v. a. melken. —en (milk'n), a. van melt. —er, a. smeller; melkster. —inese i-i-nese), reelkachtigheid. —y, a, melkachtig; zacht,week. --y-way, meikweg. (mill' ► , a. molen; molenwerk; fabriek; drijfwart; dulzendste deel van een' —board, stijf bordpapier. —brook, molenbeek. —clack, —clapper, molenklapper. —cog, tend van eon molenrad. —dam, molehschut. —dust, stuifmeel. —hand, molenaarsknecht. —handle, ataartatuk van een' windmolen. —hopper, molentrechter. —horse, molenpaard. —leath, molenpracht.—moth,kakkerlak. —mountains, vb.., purgeerkruid. —pond, molenvijver. —puff, echeerwoi. —race, molenwater. —stone, moseasteen. —tooth, bilk-. maaltand. —wheel, moleurad. —wrijht, molenmaker. --, v. a. malen, wrijven, stampen; vollen;stempelen;slaan. Millenar tan (mil-le-nee'ri-en), a. duizendjarig; a. die aan het duizendjarige rijk geloolt. —y (mil' le-ne-rih), a. uit duizend bestaand; a. tijdvak van duizend jeer. Millenni sat (mil-len'ni-el), a. duizendjarig. —um, a. duizendjarig rijk. MiLleped (mille - ped), a. duizendpoot. Miller a. rnolenaar. —'s-thumb, post (visch). (mil-les'i-rnel), a. duizendete. Millet (m11'110,, gierst. Military (mirli•e-rih), a. mij1-. a. mijlsteen. Milliner (milli-nul), a, modemaakster. —y, s. mode-artilielen; mode-vat. (mirjun), a. millioen. —ary, a. uit Genet! bestaand. —lb, a. millioenste. (mile), s. milt; horn. —wart, miltkruid. --, v. a. bevruchten (visehkuit). --er, a. 110M1,:ert. Minte ‘majm'), a. gebaar, mime; poetsenmaker.— , v. us. mimen granpige gebaren malen. —tic (mi-met'ik), a. nabootseud. Mimic (mim'ik), s. gebarenspelrr, nabootser. —, v. a. met gebaren uabootsen, nadoen. —, —al, a. —ally, ad. nabooteend, mimiach. —ry (-rih), a. koddige nabeetsiug. Minaci DIMS (mi-nee'sj us), a. dreigend. —ty (-nes'. it-tih), s. zucht tot dreigen.
UNK.— UNfd Unkatow able (un-ne'lb1), a. onkenbaar. —tag, a. —ingly, ad. onkundig, niet wetend (of). Unknown (un-noon'). a. onbekend. Unlabor ed (un-lee'burd), a. onbewerkt, onbebouwd; ongedwongen. —tone (-1e- bo'ri-us), a. onwerkzeam; niet moeielijk. Unlace (un-ieeel, v. a. loerkjgen; van kant of gaion ontdoen. Unlade (un-teed') [irr.]. v. a. ontladen, 'omen. UnIssid (un-leed'), a met gelegd; niet gestIld. Unlamented (un-le-ment'id), a. onbetreurd. Unlatch (nn.-leter), v. a. van de Mink doen, openen. Unlawful (-un-laolnel), a. —ty, ad. onwettig. —nest, s. onwettIgheid. Unlearn (un-turn',, v. a verleerea, atlearen. —ed, -lurndl, a. —rally (-id-), ad. ongeieerd, onwetend. —Muses (-100, a. ongeleerdheid., Unleavened (an-leend), a. ongezuurd. Unites (un-less'), conj. teosij, indien inlet. Unlettered (un•let'turd), a. ongeletterd. Unleveled (un-lev'ild)., a. niet gag* gemaakt. Unlicensed tun-lereenst), a. ougeeorloofd; onbevoegd, zonder verlof, — sondes. patent. Unlicked (un-likt'), a. ongelikt, row. Unlighted (un-lajtIel), a. niet verliaht; niet aangeatoken. Unlike (un-lajk"), a. ongelijk (to); onwaareehijn• lijk. (-it- hoed), —linens (-11-nens),. a. onwaarechijnlijkheld. —ly, a. & ad. onwaarechijnlijk. -WM, a. ongelijkheld. Unlimber (un-ilm'bnr). a OribUinaarn. Unlimited (un-lineit:id). a. —ly, ad. onbeperkt onbepaald. —nese, a. onbeperktheld. 'Tonne (un-lajni, v. a. van de voerIng ontdeen. —a, a. ongevoerd. —al, a. niet in eene rechte lijn afetammend. Usallul. (un linek'), v. a. losraaken„ nit elkander (-lingkt"). a. loft, ongeketend neaten. Unliqui dated (an-lik'w1-dee-tid), a. on vereffend. fled (-raid), a. ongeamoiten. Untively (un-lajvlih), a. niet leven•g, dof. Unload (un-lood') [ire.], v. a. ontladen, losean. —ing, a. ontacheping, ((teeing. Unlock (un•lok'), v. a. onteluiten, openen. —ed (-lokt'), a. onteloten; oneestot , .• Unranked (un-loake), a. —far, onvoorzien. Unionise itch-loes'), v. a. lostnaken; v. n. ',trepan. Usalov ed (un-luvdn, a. onbetoind. —elinees (-InVitueenl, a. onbeminnelijkheid. —ely Ilk), a. onbeminnelijk. —ing, a. niet beminnend, lisfdelool. Unlock fly (nn•luk'll-lih), ad. —y, a. angelukkig; booseardig. —ken] (-i-neee), a. ongeluk; bowman digheld, ondeugaLdbeid. Unlute (un-ijoet'), v. a. van teem ontd.)en. Unmade (u u-seeed 1 ), a. ongemaakt, niet gereed. Unmet dewily (en-tweed'n-lin), a. onbetamelkjk voor een mei.) e. —vied (- meemd'). a. onvarminkt. v. a. veruietigen. Unmake (un-meek') Unman° able (en-meint-ibl), a. niat emeed• bear. Unman (nn man'), v. a. ontmannen; ontmoedi. gen; van manschappenberooven. —ageable 1b1), a. onhandelbaar. —like, —ly, a. onmenethe10k, onmanneltjk. —lines. (-It-nese), a. Onmanne-

bw. some, any. —ermate„ bw. aonlewhat, in some measure, in some degree. —snot's, —erte(fee, bw. (in) any way. —Acid, v. singleness, singularity; loneliness, solitude, solitariness; unanimity, harmony. bar. Lie Eunig. —seine, bw. somewhat, rather, in some degree. Eenjarig, be. of one year, one year old. Eeiskennig, be. eby. —Acid, v. shyness. Eeniettereepig, Ibv. monoaillableal. —woord, monosyllable. Eenl.nbbig, be. monocotyledonous. Eenioop end„ be. unmarried, single. E.ntranal, by. once. Eennilddelpuntlg, be. concentric. Eenrisoedig, be. & bw. unanimous (-ly). Eenoog, m. & v. one-eyed person. —ig, be. oneeyed, monocular. Eenarlg, be. & by. unanimous (-ly); uniform (-ly). —held, v. unanimity; uniformity. Cans, lr.v. one°, one day, once upon a time; of one accord. niet —, not even. het — (tearden), to agree. Eeneehedirwlg, be. heteroscian. —en m. me. heter °ult. Eeinschallg, be. univalve. Eensdeele„ bw. partly. EenegezInd, be. unanimous, of one mind.:—hsitl, v. unanimity, concord, harmony, Eensklape, bw. suddenly, on a sudden, all at once. Eeneloldend, bv. of the same tenor, similar; ale GeliJkluldend. voor — afechrift, a true copy. —heid, v. conformity. Eeneteinntlg, be. & by. unanimous (-1y), barmoutons (-ly), of one consent. —heid, v. unanimity, concord, harmony. Eentnt, o. unit. Etntonlg. bv. & bw. monotonous (-1y), tedious (-1y) —held, v. monotony, tediousness. Eenvervig, be. of one color, plain, Eenvoranig, be. uniform. —held, v. uniformity. Eenvond, in. singular number; sie Eenvou% diglecid. --ip, be. & bw. singular; uneomposed; sim els (-ply), plain (- I y), candid (-ly), ingenuous ( - )y), credulous (-ly); snare (-13r). —igheid, v. simplicity, plainness; candor, ingenuousness, credulousness. Earswerf, Pm. once. Eenznem, be, solitary, lonely, retired. — bw. solitarily, in solitude. —held, v. solitariness, solitude, retirement. Eanaelwrg, be. identical; manotonoua. —Arid, v. identicalness, sameness; monotony. EenzUdig, be. & by. partial (-ly). —held, v. partiality. Ear., bw. sooner. hoe — hoe liever, the sooner the better. —, nw. before, ere. Ear, v. honor; glory. bed van —, field of honor. pant ran —, point of honor. op ni(ra wooed . van —, upon my honor. ismand he /textile — beseirsen, to perform the last duties to a. o. in cUe — en deugd, in all decency. in —e holden, to have reward res. ter —e van, in honor of. eerie — atelier: in, to be proud of, to pride one 'a self on. —ambt, trust (post) of honor, —bewile, —kw( zing, respect, bono", homage. —gevoel, sense Of


Equanim ity i(iekwe-nirn'it-tih), a. gelijkmoedigheid. —out' (-kwen'i-mus), a. geltjkmoedig. Equation (e-kwee'sjun), a. vergelijking; equatie. Equator (e-kwee'tur), a. evenaar, evennachtslijn. —ial (i-kwe-to'ri-e1), a. tot den crooner behoorend. Equerry (ek'wer-rila), a. stalmeester. Equestrian (e-kwes'tri-en), a. to paard zittend; . ridderlijk. —atatue, ruiterstandbeeld. Equiangular (1-kwi-eng'gjoe-ler), ti.gelijkhoekig. Equicrural (i-kwi-kroe'rel), a. geltjkbeenig. Equidistan ce(i-kwi. d Wiens 1,.. gelijke afatand, a. —tip, ad. op gelijken Ostend. Equifortnity (i-kwi-forneit-tih), a. geltjkvormigheid. Equilateral (Pkwilet'ur-e1), a. gelijkadig. Equilibr ate t(i-kwi-lArbreet), v. a. in evenwicht brengen. —ation (-1i-bree'ejun), —ium (-lib' ri-um), a. evenwicht. —ioua (-lib'ri•us), a. evenwichtig. —let, (e-kwil'i-briat), s. balanseerder; koorddenser. —ity (-lib'rit-tih), a. gelijkheid van gewicht. Equin eel (e-kwaj'nel), —e (i'kwajn), a. paarden bet reffend. Equi noctial (i-kwi-nok'ejel), a. de nachteve• ning betreffend; s. evennechtsltjn. —nox (i'kwinoks), a. nachtevening. Equinumerant (i-kwi-njoe'mur-eat), a. gelijktallig. Equip (e-kwip'), v. a. uitrusten. —age (ek'svipidij), s. uitrusting; kleeding; reisgoed; gevolg; rijtuig; acheepabemanning. —aged (ek'wi-pidejd), a. wel uitgerust. —meat, a. nitrusting. Equipoise (Pkwi-pojz), a. evenwicht. Equipollen ce (i-kwi-porlens), a. gelijklield von macht (kracht). —t, a. gelijk van macht (kracht). Equiponder ance (1-kwi-pon'dur•ens), s. ge• lijkheid van gewicht. —ant, —oua, a. gelijkwiehtig. —ate, (-eat), v. n. even zwaar wegen. Equit able (ek'wi-tibl), a. —ably, ad. rechtschapen; onpartijdig. —abl oleos, e. held; rechtachapenheid; onpartijdigheid. —alien (-tee'sjun), 5. rijkunst; (het) paardrilden. —y, s. Zie Equitableness. Equivalen ce (e-kwiv'e-lens), a. geltjkheid van waarde. —t, a. van gelijke waarde (kracht, be teekenis); a. tegenwaarde; vergoeding; equivalent. Equivoc al (e-kwiv'o-kel), a. —ally, ad.dubbelzinnig. —alneaa, s. dubbelzinnigheid. —ate (-keet). v. n. dubbelzinnig speeken. —ation (-keesjun), a. (het) dubbelzinnig tontwijkend) spreken.—ator (-keetur), a, dubbeizinnig spreker. Equivoke (ek'wi-vook, a. dubbelzinnige uitdrukking. Era (ie're), s. jaartelling. Eradia te (e.ree'di-eet), v. n. stralen schieten. —lion (-ee'sjun), a. straling. Eradica tc (e-red'i-keet), v. R. ontwortelen. —lion (-kee'sjun), a. ontworteling; uitroeiing. —live (-ke-tiv), a. ultroeiend; in den grond genezend; s. middel, dat in den grond geneest. Eras a (e-reel'), v. a. ultkrabben, doorhalen; slechten. —ement, a. uitwisschlag, doorschrapping; sleehting. —ion (e•ree'zjun), —ure, (e-ree' zjoer), e. ultkrabbing, dcorhaling; slechting. Ere (ear), ad. err, vroeger den. —long, ad. eer-

—spenning, earnest. —sregeering, theocracy. —sriik, kingdom of God. —vrucht, piety, fear of God. Godde lijk, be. & bw. divine (-1y). —lijkheid„ v. divinity. —loon, by. & bw- impious (-Iy), ungodly, wicked (-1y), devilish. —logeheid, v. impiety, ungodliness, wickedness. —leezen, (del, the wicked. Godetedene, o. (the) heathen deities. Godes, v. goddess. G odheld, v. godhead, deity. Godin, v. goddess. tle %dist, m. deist. —mi. „ v. deism. Gourd, o. goods, things; linen, clothes, luggage; wares, stuff; estate, possession, property. —, bv. good; kind; lit, convenient. —, bw, well, properly. —e Vrildag, good Friday. —e week, Paseion-week. nick to — &en, to pamper one's self, to hebben, to have to claim, to houden, to credit (to give credit) for. ten —e hnuden, to eacuee, to tabs in good part. — en wel, well tend good. Goedeardig, by. & tee. good-natured (-ly), benign (-Iy). —hid, v. goo nature, benignity. G.,,,edhiljeren, on. w, to keep well. Goeddadig, by. & bw. Zie Weldadig. Goeldoen. on. w. to indemnify; on. w. to do well. to please, to give pleasure. —de„ bv. & bw. beneficent (-1y). Goeddunken, on. w. to think fit, — convenient, to choose. o. pleasure, fancy, opinion, will. C cede, o.good. het — does, to do good, to do ghat is right. Gteedenoirsg, m. good-bye. —zeggen, or. w. to hid (to with) good-bye. Goederrn, o. my. tooth, —kuntoor, goods-department. —rekening, merchandise-account. —trews, baggege-train. —wages, goods-truck, frelpht-car. Gorderitieren, by. & hw. merciful ( - ly), element (-1y), gracious (ly). —heid, a. merelfolness, clemency, graeiousuess. Geetacigeeefeelh, be. benevolent, charitable. Geretteicits seer, Ail. —seer, v. well-wisher. —stip, by. & bw. favorable (-bly), kind (-1y), —sfigheid, v. favor, kindness,. Goedhorlig, by. & bw, good-natured (ly), kindhearted (-ly). —heid, v. good-nature, kind-heartedneem. Gordheid, v. goodness, kindness, favor. de — hebben, to be so kind. terwee,heiratten, oe. v. to preserve, to conserve. t. w. to behave bravely; to keep well. eic Ceteedig, be. —heid v. Zie Goedhtertig. G...dk tor airs, 01. W. to approve. —ing, v. approbation, approval. Goedkoop, be. & Lw. cheap (-1g), —held, v. cheapness. G,sedenek en. ov. w. to mike good, to make emends (to make up) for; to indemnify, to defray. —log, v. indemnification, defrayment. Goetdechiles, Lw. willingly, voluntarily. Goetbinsoedm, by. — etjn, to be of good cheer, bw. to be in good spirits. weer —, cheer up deliberately, in cold blood. Goedsprekeo, on. wo to answer (to be Security) for, to past one's word for,


Sapp., (sep'pur), a. sapoeur. Sapphire (Bef'tir). a. Baffler. P., Sapp Incas (sep'pi-ness), a. sappigheid. sappig. Sarcas m (saar'kezinl, s. bijtende spot. — tie, — tical, a. — tically, ad. (ser-kes`tik-), schair.per, bbtend. Sareenct (saars'n1t), a. tat. Sarelle (saar"k1), v. a. wtedcn. Sareoo eele (saar . ko-BieU. a. vleescb-, zakbreuk. — logy se, k(Wad - ,jih , , s. leer van de vleezige den(,,,r-ko'me), s• vleezig nit ten de, licbaama. was. — phagoos leer - kore gun), a. visesche:end. — phagus (tier - kOre - gun , , B. sarcophaag. S'ard an (saaridec), — ins i.dajn), a. sardOn (vi,ch). — ius,s. sardijn (nctelgesteente). — onic — ins Iser - don'ik), e.. sardonisch, gemaakt, grijnzend. — oLyx ( - dt+ - rliks), B. sardonyx. Stark Isaark , , n. he ► d. Sarment oar (saar.trien-toos'),—ous (ser-=ent , en), a. rankig. Sarp cloth (tiaarp'kloth), a. paklinnen. — tar s. halve heal (wol). —tier ( -1 i -1., ), a. pak lineen. a. valbek, Naldeur. Sarrasine a. marsapsril. Sitrsapartita v. a. zilten. fljne s. sjerp, gordel; schnlfmain. — bolt, Ma.h


stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!
196 FOilar . 11 .• itia't-greeol, —cc (grie). 5. flits loud.' —post, wegwe'tzer; geesteltike. —stall, viugerling. of enlverdrandwerk. —, v. a. betasten, fommelen; atrossen; v. n. tie lin5s (fafliengz), s. vajlsel. vingers zetten. —ed, a. gevingerd. —ing, s. yingerzstting; betasting. Fill (tills), s. bekontst; verzadiging. —, v. a. vul- len. vervullen; verzadigen. to — water, water. Fingleftingle (fien'gl-fengl).•s. beuzeling. inne.nen. (out) opvullen; sciaenken. (up) ainvul- Finical (fin'ikl), a. —1y, ad. xnodeziek, fatterig; gemaakt. —fleas, s. gemanktheid. lea; beelaan, innemen. —., v. a. vol worden; achenken. --er, 8. V1111 , 1, StOpWOOrd; trekpeard. leinDs (farnie), s. einde. (lin'isj), s. voltooiing, laatste (streak) s. haarbandje; kroonlijet; gouden Fillet randje; exhijf, lendeatuk. —, v. a. opbindvn (met hand. —, v. a. afmaken, ten einde brengen; v. n. eindtgen., ophouden. —er, s. voleinder. sea lint); met acne kroanlijat venieren, FiZlibeg , fil'ii-beg), s. rokje der Ilooglandera. voltooier. —ing, a. laatsto; —stroke, genadeslag, — jag, s. Fillip (111.'lip), s, knip (met de vingers). —, v. n. knippen lop den neus). Finite (faj'najt), a. —ly, ad. eindig, benerkt. Filly (fil'lih), s merrievettlen. —less, a. oupindig. —nes., s. eindigheid, be(film'), a. vlies. —, v. a, met cen vlies be- perktheid. dekko], —y, a. vliezig. Fluitor, (fin')-tur), s. geziehteinder. It (fil'ter), a. tlitreer, doorzijger, ze'. Finnikin (fin'ni-kin), t. tuimelaar. v. a. doorzligen, kleinzen. Fipple (fip'pl). a. stop (eener fiat). Filth (filth';, a. null. -mess, a. vuitheid. —ily, Fir (far),. a. denneboom, pijnboom. ad. —y, VIlil. Fire (faAr'), s. vuur; brand; glood; drift, hartstocht; 'per. to take —, vim (vuur) vatten. to Filtra to (fit'treet), v. a. doorzijgen, filtreeren. set on — , to set— to, in brand steken. —arms, your—lion (-tree'ejen), a. doorzijging. wapenen. —arrow, vuurpijl. —ball, vuurkogel, Fizoble (firn'bi), a. — hemp, gelline. granaat. —barrel, vuurton (op sea' brander). (fim'bri-et), a. gezoomd, net franjes. Fimbriate — board, schoorsteenscherm. —bear, vuurbaken. — (eel), v. R. zoomen. Fin ,fin'), a. yin. —fooled, —toed, a. zwemeoetig. —boom, brandhaak. —bole, gemeentehout, vrij brand. —brand, brandend bout; stokebrand. —scale, yore., —less, a. zonder vinnen. —like, —orush„ haardbezem. —bucket,brandemmer.—dog, a. vinvormig. —acd (-nid), —ay, a. gevind. haardijzer. —cater, vuurvreter. —engine, brandFinable (fajn'ibl), a. bekoetbear. spuit. —escape, reddingstnestel (hij brand). —fan, Finial (farad), a. laatat; beslissend (to); doode- fork , pook. Wk. --rause, grondoorzaak. —ly, ad. ten slotte, vuuracherm. —fly , lichtworm. —hearth,kombuis.—hook,branethaak. —insurance, eindelijk. brandverzekering. —irons, haardgereedschap. Finance a (fi-nens'), s. inkomen. —es (-sir), s. —lock, vuurroer, snaphaan. —man, spuitgast; geldmiddelen.—ia/ (-sjel), a geldelijk,—ier(fin-en- stoker; driftkop. —new, fonkelnieuw. —office, sier'), s. financier. Elnan, s. twecde smidse (in ijzer- brandwaarborgmaatschappij. —ordeal, vuurproef. violent). —pan, vtlurpan• kruitpan. --place, stookplaats. Finch (lints)), s. yin), —creeper, koelmees. brandspuitprop. —prigger, dial (hij brand). Find ilajnd') [found (faa-end)], v. a. vinden; aan- —proof, vuurvast. —room, kamer met stooktreffen; bevinden; veroehaIkea; vecklaren; goad- plaats. —screen, vuurseherm. —set, haardstel. keuren. —one's self, rich bevinden, varen. —fault — ship, brander. —shovel, haards.chop. —side. a. haardstee; hoekje van den hoard; a. huiselijk. (with), bedillen, %igen op. — in one's heart (to), —tongs, haardtang. —ward, —warden, brandtrek hebben. (out) ontdekken; ontraadselen; op- ineeater. --wood, brandhout.--work,—works,vuurloosen. --cc, s. vinder, uitvinde.r.,ontdekker. — ing, e. solid; mania. —logs , a. schoanmakerege-week. — worker, vuurwerkmaker. —worshipper,
453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne

Ordnance (ord'nens), a. grof geschut. piece of —, stub (geschut). master of the —, directeur-generaal der artilierie. —ship, oorlogschip. —yard, a rtilleriepark. Ordonnance lor'dun-nens), s. schikking. Ordure (ord'joer), s. vuiluis, drek. Ore (our), s. erts. Orsaei (o'ri-ed), s. hergnimf., Orfrays (oefeeez), s. goudgalon, Orgol (or'vel), s. wi,;nsteen. Organ (or'gen), a. orgaan, werktuig; orgel. —builder, orgelmaker.—case.orgelkast.—grinder, orgeldraaier. —loft, orgelplaats. —pipe, orgelpij p —.ic, —ical (-gen'ik-), a. bewerktuigd.—ieally (-gen'ikl-), ad. door bewerktuiging. —calness (-gen'ikl-), s. bewerktulgdheid. —tern, a. bewerktuiging. —iet, a. organist. —ization ( - 1 - .WOUR), a. he w erktuneing, inwendig samenstel. —ixe (-aj z), v. a, bewerktuigen; inrichten, ordenen. Orgasm (or'gezm), s. onstuimige beweging, opbrunaing. Orgeat (or'zjet), s. orgeade. Orgies (or'dzjiez),p1. bacehanalien, drinkgelegen, slemppartijen. Orgues (orgy), pl. storratralien; orgelbattegij. Oriebale (or'i-kelk i , s. geel hoper. Orli& (o'ri-e1), s, vertrekje naast de voorzaal. — window, uitspringend venster. Oriency (o'ri-en-sih), s. kieurenpraeht. Orient (o'ri-ent), opgaand; oostelijk; schitterend, prachtig se, oosten. —al (-en'tel), a. oostelijk; oostersch, s. oomter3 ing. (-en'. a. oostersch taaleigen. —alist (•en'teiist), s. kenner der oostersche talon. On flee (or'i-fis), s. opening, mond. —ilamb (- item) s. standaard der nude franache koningen. —gen (-gen), a. wilde martolein. Origin (ar'i dzjin), a. oorsprong, afkomst. Origtua 1 (o-rid'zji-nel), s. origineel, oorepronkelijk stub; oorsprong. —I, a. —lly, ad. —ry ( • ne-rih), a. norepronkelijk. —/ sin,erfzonde.—lity —lness, a. oorspronkeltjkheid; eigeneardigbeid, eahtheid. —te (-neetj, v. a. voortbrengen; v. n. ontstaan. —lion (-nee'sjun), a. entstaan, neraprong, afkomst. Orilion to-rirlup), a. ronde hook. Oriole (o'ri-ool), Fs. goudmeerl. Orion (o-raj'un), a. Orion (eterrebeeld). Orison (or'izun), s. gebed. Orlop (or'ittp), e koebrug. —beams, koebrugsbalker, Ormolu (or-mo-loo'), geenailleerd koper, mo zalek good. Ornament (er'ne•ment), s. sieraed, versiersel. —, v. a. versieren. —al (-ment'el), a. versierend. Ornate (or'neet), a. versierd, getooid. —ly, ad. met sieradeo, sierlijk. —nests, a, veraierdheid. Ornithol ite, or nith'o-lajt), a. versteende vogel. —spiel (ni-thol'ud-zjist), a. vogelkenner. —ogy (ni-thoPud-zjik, s. vogelkunde. O rograpby (o-rog're-fih), s, bergbeschrijeing. Orolog !cal (o-ro-lod'zjiki), a. bergkundig. —y (o-roPud-z3111), s. bergkunde. Orphan (or'fen), a. ouderloos. s. wees. —age, —ism, s. ouderloosheid. —ed (-fend), a. onderloos. Orpiment (or'pl-ment), s. oprement.


sioned by drinking too freely. --intik, trap-door. —meecter, butler. —roam, —venster, cellar-window. —rat, cellar-rat; excise-man. —trap, cellarstairs. —verdieping. eellarage. crane. --en, ov. w. to lay up in a cellar. —lie, o. bottle rose. ov. w. to kill, to cat the throat or. m. cup, glees, chalice; calyx. —dark, pu , rificatory. comrennton-wine. —achtig, hv. —vormig, like in the shape of) a cub-, — calyx Kernel, m. camel. —spares, —shaver, —Mares, mohair. Kternplinnn, an. fighting-cock, game-cock, curlew; quarreller. Kenbear, bv, to be known, knowable, recognizable, manifest. — Timken, to niche known. --held, a. belt recognizable, evidence. KeRen, otn . w. to chop, to split ; to shoot ; to begin, to dawn, to bant forte'. Kenikik, Kentrelkjk, by. known, knowable,
Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Wat is Bitcoin in het Engels


v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.
11 teronautreekesbw. he.-aabouts. 1111eromtrent, bw. about (concerning) this. 111eronder, bw. herebeneath, under here, below; here among, among these. llierop, bw. upon this, hereupon. 11114eiaeer, hw. at, (about, over) thin; hereabout, hereupon, on thin subject; over here, opposite. Illortegen, bw. against thin., in return. —over, bw. opposite. Illertoe, bw. for this purpose. Illertusechen, bw. between these. bw. hence; hereby, by (from) this. bw. of (from) thin, hereof. 11 lerve or, bw. for this, herefore. III), vow. he. 11113g en, on. w. to pant; (moor) to long far. . venter. — ing, v. panting. 111,111k, o. marriage, —maker, match-maker; bride-cake. v. piece of sinoke-dried meat. 1111Jrnelt en. ov. w. to hoist up, to raise. — Mk, paPey, tackle block. —louw, tackle-rope. 111k, in, hiccough, hiccup. den — hcbben, to have the hieeough. —ken, on. vr. so hiccough. 1111111 ,vtie,o. clapper scar pump• box. 11111t1k, to. truckle-bone, cockal. —ken, on. w. to play at cockals. Kind., v. doz, bind. —half, fawn. Mader, m. hinderance, inconeenienee, harm, prejudice. —laag, ambush. —pull, obstacle, impediment. —en, ov. w, to hinder, to impede, to incommodate, to trouble, to disturb. —ing, v. hluderance. — l(jk, be. & hw. ioconventent —ale, v. hinderanee. (-1y), annoying en, on. w. to hop; to halt; to limp. —perk, hop :scotch. — ape,: hoppers. —chews, hop-scotch. —epink, limper, cripple. —ing, v. hopping; halting, limping. Illnnaken, on. w. to neigh. Illppelen,o. w. Zie Miekepellexe. 111ppoca'rrss, rn. hip poems. IlIntor le, v. history; story; — Wad, history; echilder, historical painter; —fichrifver. historian, historiographer; —auk, historical piece. —-leek, bv. & bw. historical (-1y). 1111, m. gooey, nag, tit. lilts est, ov. w. to excite; to incite; to instigate. hot; lewd, lecherous; eager. — ig, bv. heated. —igheid, v. hotness; lewdness, lecherousness; eagerness,. be. & bw. hot (-Iy); fervent v. heat. llitt a, ( - ly). — ioheid, v. hoiitese; fervency. llo, tow. hol atop! llobbel, to. knob; inegolity. —Irk, stammerer, atutterer. —paard, rocking-horse. —en, on. w. to tons, to ride on s racking-horse; to stammer, to stutter; to waver. be. rugged, uneven. —igheid, v. ruggedness, unevenness. — ing, a, tossing, hoobling. Hobbes), on.w. to toss; to toil, to struggle. Hobo, v. hautboy. lot, rn. hautboy. hover, the sooner the DOS., bw. how. — eer better. — lunge • — seer, more an d more. — hanger ook, however, erger, worte and w orse. howsoever. — het ook zit, be that as it may. Hoed, m. hat; bonnet; chaidron. —land, hat-baud.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

Hoe krijg je de handel Bitcoin voor contant geld


Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

BOV —BRA Bovenate, bv. uppermost. o. uppermost pert, top, summit. Hoven steal, v. treble, distant; soprano. Boventaand, m. upper-tooth. Boventoon, in. high tone. den — singes, to assums an air of superority. Bovenvereilepttag, v. upper-story. Itovescwoning, v. iodgiug above stairs. Bovenzaal, v. upper-hail. liovenzUde, v. Zie Bovenkant. le ovenztnneakjk, by. metaphysical. Bread anal, m. spitch-cock. —appel, m. roasted apple. —haring, rn. herzing for broiling. —Vv.?, —rooster, o. gridiron. —oven, m. frying-oven. —pan, v. frying-pan. —nail, o. windlass, capstan. —spit, o. spit, broach; rapier. —spittlraater, m. turn-spit. o. meat to be roasted, roastbeef —vet, o. dripping. —worst. v. !sewage. Iliraaf, by. & bw. honest (-1y), virtuous (-1y), upright (-1y), just (-Iy); brave (-1y), gallant (-1y); a good deal. —held, v. honesty, upriehtnees, integrity; bravery, valor. Break, v. breaking, burglary; breach, brake —, by. fallow, waste. —drank, emetic, vomit., vomitory. braking-iron. —jaar, year in which a piece of ground lies fallow. —land, fallowground. —lust, ounces, qualm. —middel, use Braakdrank. --xi*, emetic wine. —te(insteen, emetic tartar. —world, ipecaeuanha. —eel, o. vomit. Bream, v. black-berry, bramble. —bezie, blackberry. —back, bramble, brake, blackberry-bush; burning bush. — struik, bramble, blackberry-hush. Brabbel ear, .—carater, v. jebberer. —en, ov. & on. w. to jabber. —fetal, gibberish, jabber. —ing, v. jabbering. Brad en, or. w. to roast, to fry, to broil, to bake; to bream. gebenden vleeseh, roast meat. —er, m. roaster; cook. —erij, Y. cook's shop. Beak, na. setting-dog, setter, beagle. —, by. brackish, briny. —held, v. brackishness. Brak en, ov. w. to vomit; to brake. —er, m. vomiter. beaker. —ing, v. vomiting; braking. Brattier*, on. w. to brag, to boast. Bram, m. lord. den — uithangen, to lord it. — toeren,to set the top-sails. —ra, top-gallant-yarde, —steep, top-gallant-mast. --eon, top-gallant-xeilvkoelte, top-gallant-sail's breeze, fresh gale. Brand, in. fire, burning, conflagration; fuel, firewood; . blight, blast, mild. w; inliammatioe, erupgeraken, to cateh (to take) lire. in — tion. in me,oure. steken, to set fire to, etaan, to he on fire. in Boyenineester, rn. heact.ne ester, to set on fi:e. in den — titter, to be in a scrape. sit den — helloes, to help out of a scrape. Adder Baveremeneehei Uk, be. superhuman. ale ern —, quite clean, without the least spot 114,vectinntleetr 'rude, v. metaphysics. —kun. be. supe-natural. or stain. —brief, incendiary letter- —emitter. liredig, be. metaphysical. bucket. —helder, ate Brandsritsoistan. --bout. fireBovenop, bw, on the top (or), er /comes, to wood, fuel. —has. —kart, lire-proof gain the better, to restore one's self. box. —klok, fire-bell. — koren, blighted corn. lic.v,, ett morn, o. upper-casew.eet. —kraal, amber-bead. —kruid, mullein. —ladder, Boveatreend, m. uppermost border. fire-ladder. —latuto, colt'a-foot. —ltin, caustic Bovenrapg, tea. precedency, superiori ty. curve. —lucid, tie Brandrenk, —trees, coalBow 1,t.rok, us. upper-coat; upper-petticoat. mouse, —wester, chief fire-man, stperintendant lloveirseli o. upper-works. dead-woiks. of the fire-brigade. --neck, burnt-mark; stigma, Illowetastrantsd, be. above-mentioned. stain. —marten, or. w. to mark wit a red-hot 31c:evens tad, v. upper-town.
Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
What is the point of being insured if they will never admit wrongdoing? It is rare that an employee will steal your funds. My account was almost emptied when they sent my funds to someone in the Netherlands. Coinbase has done nothing to get them back for me. I had not even accessed my account for a week, yet they accuse me of doing something that caused this to happen. I would never give anyone my password, there’s no one else here to use my computer, my internet provider said I got no messages from Coinbase (2 step verification) on… Read more »
Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.
!Visible a (um'b11), o. pl. Ingewanden (van can hert), Umbria plot (ngo'bridaj), a. lommer; achiju; achterdocht; beleedtging. —genus (bree'dzjus), a. la:r.merrijk. —geoueness (-bree'dzja•), a. lammerrijkbeid, —tic, (-hret'ik-), a. aim,. beeldig, achadttwig, hulazittend. Umbrella (urn brei'le), a. regen zonnescherm. Umpir age (urn'pir-idzj), a. acheidarechterlijke be3ltasing. —e (pajr), a. acheidaman. Unabashed (can-e-besje), a. onbeaehaarnd. Unabated (c.n-e-bee'ttd, a. onverminderd, onveritauwd. (tin-ee'bi.), a. onbekraam, buiten ataat, Unat onvermogend ( for. to). Una.bollehed (una-bol'iajt), a. ntet afge,,chatt. Unabridged (on e-bridzjd"), a. onvetkort. Unabaolved (un-ab-zoivcr), a. ulet vtijgesproken. Unaczented (ran-ek-aent'id), a. zonder to ► nteeten. Uusteeepi sable (an.-ek-eept'ibl),, a. n 7iiieuneui lijk; onatngenaarn, (to). —ablenees, a. nuaannemelijkheid. —ed. a. nlet aengenomen. Unaccommodat aol (un-ek-kom'mod-ee-tid). a. niet ingericht.; onbruikbaar (to); niet bijgelegd, —log, a. niet iuschikkelijk. Umaccom panted (utt-ek-kam'pe-nid), a. onverzeld. —pliahed (-kom'pliejt), a. onvolbraeht; onvoltooid. Unaccounta ble (an-ek.irsauat;b1), a. —WY, ad. enverantwoordelijk; onverklaarbaar, (In). —Neuss, a. ouverantwaordelijkheid; onverklaarbaerheid.
12o littdeudom. fat,,oeotql., (-ajz), v. n. als run heiden /even. Gentle (dzjen't1), a. van goede gebocrte; zacht, vreedzaam, —birth, fatsoenlijke afkomst. —folks (-looks). (de) fatsoenlijke stand. —man, man van eer; hoer. —manlike, —manly, a• wellevend; van een' gentleman. --manliness, s. wellevendheid. —ness, s. fatsoenlijke afkomst; zachtaardigheid. —woman, vroinv van geboorte, dame. Gently (dzjent'lib), ad. zachtjea. 4:entry (dzjen'trib), a. rniddelatand. G en. fl exi o ( dzji-njoe flekejun), s. kniebuiging. 4:ermine (dzjenijoe-in), a. —ty, ad. echt,onvervalscht. —ness, s. echtheid. Genus (dzji'nus), s. geslacht. Geocenaric (dzii-o-sen'trik), a. gelijkmiddelpuntig met de cards. Geode (dzji'ood), a. aardateen. —8y a. landmeetkunde. Geog nosy (dzji-og'no-sih), s. kennis der bergsehichten of aardlagen; bergkunde. --cmy (-unnth), N. leer van de w‘rding der anode. er(dzji-ogre-fur),s. aardrijicskundige. G eogra ad. (-o-gref'ikl-), aardrijks—ical, a. kundig. —y (41h), a. aardrkskunde, aardrijksbesehrijving. A. geoiogisch, Geological aardkundig. Geolog let (dx3i-ol'ud-zjist), a. geoloog. aardkeener. —y, a. geologie, aardkunde. s. waarzt Geolnancy (ult figuren). Grotne ter (dzji-om'i-tur, —trician —trical (-o-met'rik-), a. s. meetkundige. a. meetkunde. meetkundig. try (• Geoponic (dzji-o-poreiL), —al, a. dgn landbouw betreffend. —s. landbouwkunde. George (dzinrdzj)-, s. St. Jorisbeell; kommiesbrood. Georgic (dzjor:dzjikl, a. den lartdbouw betrefa. gedicht op het landleven. fend. Gectic (dzji-oVik), a. de aarde betreffend, Geranium (dzje•ree'ni-um), e. geranium. Gere ► t (dzji'rent), a. dra3end. Gerfalcon (dzjur'fao-kn), s. giervalk. Germ (dzjurrn), a. kiem; oorsprong. German (dzjar'rnen) a. verwant; duitsch. cousin—. voile neef (nicht). —flute, dwarstluit. —toys, Neurenberger waren. —ie, (-rnen'ilci, a. germaansch. ( -lam), a. duitsche spreekwijze. it ertntander (dzj ur. men'dur), a. manderkruid. Germin al (dzjuemi-nel), a. de kiem hetreffend. —ant (-neat), a. kiemend, spruiteud. —ate (-neet), v. a. duets komen; v. n. ontkiennen, uitspruiten. —shoe (.nee'sjun), s. ontkierning, groei. Gerund (dzjer'und). a. gerundium. Gest (dzjest, ), a. daad; reisdagboek. —ail. (-tee' r,jun), a. draeht (van dieren). —ic, a. van de gebaren; overgelever d • Gestieulo to (dzjes-tik'joe-leet), v. a. nabootmen; v. n. gebaren maker, —tion (-lee'sjun), a. gebarenepel. —tar, a. gebarermaker. Gesture (dzjestljoer), s. gebaar, beweging. Get (get) [got], v. h. bekomen, winners, verkriigen, verwerven; doe,; to weeg brengen; overre-
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

Hoe krijg ik een Bitcoin-account


RED.—REF. 243 len. —lion "(-kee'itjun), s. verdubbeling. —live, a. Red (red'), a. & s.rood. —berry, roode laurierhes. verdubbelend. —berried, met roods besaen. —bird, roode vink. —breast, —robin, roodborstje. —chalk, rood kat. Reecho (ri-ek'o), v. a. herhalen; v. n. weergal. men. —coat, roodrok. —currant, aalbes. —deer, ros wild. Reechy (rietaj'ih), a. berookt; moraig, —eye, voren. —faced, met een rood gelaat. —bed, roodvisch. —flag, bloedvlag. —fustian, portwijn. Reed (fled'), a. diet; rietpijpje; pijl. —bank, —plot, rietveld. —bunting, —sparrow, rietmusch. —gournet, zeelier (visch). —haired, robaharilf-Jarring, bokking. —hides, pl. juchtleer. —hot, —fence, rletueherm. —grass, rietgras. —stop, katteataart (plant). —millet, emitted. gloeiend. —land, roodaehtige groat. —/ead,menie. tong' (aan orgelpilpen). —en (rietrn), a. van riot. —letter day, heilige dag. —.terrain, bloedpissen (bit varhens). —ochre, bruiurood. —plague, pent. Reedit( (ri-ed'i-faj), v. a, wader opbouwen. —pole, roode vlasvink. —root, roodwortel; thee- Reedy (ried'ih), a. vol riet. —toned, met eene grove stem. boom. —saunders, zalfboom —sear (--sier';, a. bros, brokkeltg (van gloelend ijzer); v. n. af Wok- Reel Olen, a. reef, fit. —band, verdub'beitag van bet zeil bfj de reefgaten. —cringles, reefieuvers. kelen. —shank, roodpoot. —shams, pl. waterpe—eariags, ateekbouten. —hole, reefgat. —knot, per. —start, —tail, roodataarlje. —streak, roodgehieling. —line, reefband. —point, reefeelzing. streepte appel. —weed, klawoos. --wing, winter—tackle, reeftalle. —tackle-fall, reeftaPelooper. mere). —wood, rood verfhout. —, v. a. raven. Reda% (re-den'i, s. zaagwerk, redan. Reek (rieel,s. rook, damp, atoom. —, v. n. rooIt ed argues (ri-daartgjoe), v. a. •ederleggen. keu, dampen, wasemen. —y, a. rookerlg, mart, Redd en (red'du), v. a. rood maken; rooken; v. n. morsig. a. roodachtig. rood warden; blozen. Reef (riel), a. haspel; schotsche dana. —, v. a. hase. roodachtigheid. • pelen; v. n. waggelen. Reddition (red-disj'un), s. teruggave; overgaaf. Reelect (ri-e-lekt'e, v. a. herkiezen. —ion (-leks—ive, (red'di-tiv), a. antwoordend. ajun), a. herkiezing. Reddle (red'ell), a. rood krljt. Redeem (re-diem'), v. a. loskoopen, verloaaen; Reeligtble (ri el'id-zjibl), a. herkiesbaar. weder intern; vervullen; vergoeden; boeten voor, wader Reem bark ri-em-basyk'), v. a. & n. inschepen. —body (-bud'il2), v. a. weder inlijven. inhales. —able, a. losbaar, verlosbaar. —ableness, s.losbaerheid; verlosbaarheid. —er, a. looser; ver- 'teeming (riem'tengl, —iron, s. krab- ,schraptizer (btj kaltaterders, looser; HeIland. Redeliver (ri-de-liv'ur), v. a. weder leveren; — Reenact (ri-en-ekt'), v. a. op nieuw verordenen. Reeriforee (ri en-foora'), v. a. veraterken. —meat, be vrijden. —y, s. teraggave; wederbevrijding. a. versterking. Redemand (rl-de-maand'), v. a. terugvorderen. Redemp lion (re. dem'sjun), s.verloosing. —tory, Reengage (rieen-geedzr), v. a. & n. (nick) op nieuw verbindea. a. verlossend; —price, losgeld. Reenlist (ri-en-list,'), v. a. weder a.anwerven. Redintegra to (ra-din'te-greet), v. a. heretellen; —meat, s. wederaanwerving. vernieuwen. —lion (-gree'sjun), a. heratelling, Reenter (ri.en'tur), v. a. & n. weder binnentrevernieu wing. den. Redieburse (ri-dis-burs'), v. a. terugbetalen. Red ly ( red'llh), a. roodachtig. —fleas, a. rood- Reenthrone (ri-en throon'), v. a. weder op den troon zetten. held. Itedolen ce (red'o-lens), a. geurigheid. —t, a. Reentrance (ri-en'trens), a. wederintrede. Reestablish (ri-es-tebniej), v. a. herstelleu, op welriekend, geurig; (of. with) riekend Lear. a. heretelling. nieuw vestigen. Redouble (rl.duh'bl), v. a. & n. (zich) verdubbev. a. inscheReeve (riev), a. schout; opzichter. len. ren. Redoubt (re-dauti, a. redoute. --able, A. geducht. Redound (re-daaund), v. a. terugspringen (on); Reexamination (ri-egz-em-i-nee'sjun),anleaw ondernoek. —e (-eru'in), v, a. op nleuw onderzoe. voortspruiten (from), strekken (to). ken. Redraft (ri-draaft"), a. herwlssel. Redress (re drest"), s. herstel,hulp. v. a. her- Refec lion (re-fek'ajun), a. verkwikking, verver—tine, a. ververschend; a. verversching. aching. etel ten, verhel pen. —er, s. herstealer, verhelper. —tory, s. eetzaal. —ire, a. verhelpend. —less, a onherstelbear. 11 edur a (re-djoes'), v. a. terugbrengen; herleideri, Refer (re-fee), v. a. verwt)ten, overlaten, (to); v. n. (to) betrekking hebben op; etch beroepen op. verkleinen; vertuinderen; onderwerpen; — to beg—ee gary, tot den bedelstaf biengen; — to practice, in Refer able (rerur-ibl), a. alea.Referelble. (-ie's, s. scheidsman. —cute, verwijzing; bepraktijic brengess. —.tent, a. terugbreeging; ontrekking; acheiderechterlijke uitspraah; in — to, derwerping. —er, 8. terugbrenger; herleider, vertea aanzien van. —endary (-enide-rih), a. referen. lager; onderwerper. —ible, a. terug te brengt:e; dads. —rible (re-fueribl), a. in verband te beenherleidbaar, verkleinbaar; lager te gtel len. —lion, gen, betrekkelljk. (-dot ujun), s. terugbrenging; herleichne, verkleiReline (re-Mil'', v. a. zuiveren, loute ren, rafftad. (-duk' a. —lively, ning, vermindering, —tire, neeren; verftjuen; v. n. guiverder (verfilnd) worti v-), herleidend, verminderend. den; haarkloven (on); (on. upon) vermeerderen. Redundan ce (re-dun'dene), e. avertollig—dip, ad. gekunsteld, gemaakt. —dness, a. milheld. —t, a. —I ly, ad. overtollig. verheid, verfijndheid; gemaaktheid. —went, a Itedupilea to (re-djoepli-keete v. a, verdubbe-
10.. --, uoia, %no vlekte , (ruimte).— sport, veldvermaak (Jacht, vischvanget, vunzigheid. i wedrennen). —stuff; lontstok. —work, veldschaum. Fellieroue Ill-tif'er-ua), a. jongen werpend. i Fiend (fiend'), a. doodvijand; booze gee,t; (de) Fetlock (fet'lok), s. hoe.fhaar. 1 Booze. —ful, a. boa,aardig. --ish, a. duivelsch, Fetor (fi'tor), a. stack. helach. —like, a. duivelachtig. Fetter (feetur), a. kluister, boei. —, v. a. kluis- , Fierce tilers'), a. —iy, ad. bevig; fei; woest; teren, bocien. j grimmig. —ness, s. wildheid, woe theid; vinnigFettle (fct't1), v. n. beuzelwerk verrichten. held. Fetus (Irtus), o. ongeboreu vrucht. )ness (farur-i.nese), a. vurighcid, drift, —g, Feud (fjoed'), s. veete; leen. —al, a. leenroerig. Fier a. vurig, dratig. —alism (-el-ient), a. leenstelsel. —ality (- el'it-tih), a. leenroerigheid. —ary (-e-rih), —story (-e-tur- Fife (fajt'), s. pip, dwarsfluitje. —, v. u. pijpen. —r, e. puper. rih), a. leenroerig. —story (-e-te-rile), a.ieenman. Fifteen (fliqien), a. vkjftien. —th (tienth), a. vijf. —ist, a. schrijver over het leenrecbt. tiende. Feuillage (foel.jaazr), a. loiwerk; bladerwerk. Fifth (fifth'), a. vijfde. —ty, ad. ten vijfde. Feuille-suorte (foel.,;e-mort.'), a. bruingeel. —ty, rt. vijftig. Fever (fi'vur), a. koorts. —, v. a. koortsig maker. Fir steels (firti-ithi, a. vijftigste. a. vijg;vijgeboorn. I don't care a —for it, —few, moederkruid, —sick, de koorta hebbend. Fic(ilit'), g eef er Keen tier om. —apple, vijgappel. —gnat, —isle, a. koortsig; koortsachtig; onbestendig; vtjgc—marigold, vijgeblad. vijgen boorde r. —leaf, brandend. —ishnese, a. koortsuchtigheid. plant. —pecker, vijgeneter, vijgensnip. —tree, eij—y, a. koortsachtig. geboom. —wort, epeenkruid. —, v. a. hoonen —Yew tfjoe'l, a. weinige. a — eenige. in —, knot(door eon zeker hendgebaar). um. —ness, a. gering aantal. schanakleed. Fewel (fjoe'il), a. brandatof. —, v. a. met brand- Fight (fajt), a. geveeht; duel; etrijd; naval —, zeegevecht. running —, vervolging °neer stof voeden, opstoken. nd vuren. Fewmet (fjoe'mit), a. drek (adelijke reuk) van aanhoude Fight (NO [fought (faot)j, v. a. bestrijden, bewild. vechten; v. n. vechten. — hand to Acted, man Fey (fee), v. a. uitbaggeren. tegen man vechten. —er, a. Yachter, btrijder. Flat (fdret), a. toestemrning; bevel. —, int. het —trig, P. gevecht. gesehiede 1 toegestaan I Fib (fib'), 9. leugentje, floss. --, v. n. jokken. Figment (flg'ment), s. verdichtsaj. Figulate (ligloe.let), a. leetnen. —ber, a. jokkenaar. t-bril), a. yen!. —ous (-brus), Figurability (flg-joe-re-bil'it.tih), ts. vormbaar'Flbr e (faj'bur), heid. a. vezelachtig. (-rel), Figura bias tfiejoe-ribl), a. vorinbaar. Fibula (fibloe-le), s. kuitbeen. a. door lijnen afgebeeld. —te (-ret), a. ten' voren Fickl e (fik'kl)., a. —y, ad. veranderlijk, onbe(-ree'sjun), a. vorming, afbeel—lion hebbend. onbeetendigheid, e. etendig, wiopelturig. diag. —tive, a..-tively, ad. (-re-tiY-)., flplutlkik, • wispelturigbeid. zinnebeeldig; bloemrijk. • nettle (lik'til), a. aarden, leemen; gevormd. Figure (fiejoer), a. gedaante, gestalte, flour; Fiction (lik'sjun), a. verdichttng; verdiehtsel. voorstelling; cijferletter; zinnebeeld; horoscoop; Fictitious (iik-tierus), a. —ly, ad. verdicht, na§ bedrag eener rekening. to cut a —, liguur moeemaakt. —ness, a. verdichte voorstelling. lten, front glean. —caster, —flinger, planeettezer. Fictive (fIk'tiv), a. verdicht, heraenschimmig. FM (Mr), a. stenge-slothout. splicing—, splits- —, v. a. vor..*,en; verateren; afbeelden;tozinne— to marlpriew. setting—, houten beeldig voorutellen; (out) voorstellen. bores. Iron one's self, etch verbeelden. —, v. n. eene priem. Fiddle (Ild'al), a. viool, vedel. (addle (-fed-dl), epelen. Filaceoiss (fl-lee'sjus), a. dradig. s. beuzeling. —stick, a. etrijkatok; let. gekheid! mallepraat I —string, vioulanaar. —, v. n. fiede- Filament (fire-ment),s. vezeltje.—ous (-nen'tus), a. draderig, vczelig. len. —r, a. vioolkrasser. Filet ory (111'e-tur-rib).,, a. draadspinmachine. Fidelity (11-del'it-tih), s. getrouwheid. —ure (-tjoer), s. spinner)); (het) spinner, Fidget (fict'dzjit), a. onrustigheid, ge;aagdheid. Filbert (111'burtt, e. hazelnoot. —hedge, bazelheg. rustsa. —, v. n. hewl en weer dribbeien. —y, —tree, hazelaar. Filch (flits)'), v, a, briezelen, katen. —er, s. diet, Fiducia I (fl-djoe'sjel), a. --//v, ail. —ry wegkaper. a. toevertrouwd; a. bewaarder van toeverFile (fay), a. liaa; rij; riot; rol, naamlijet; gelid, trouwd goed. rot; vi 1. a rank and —, eon onderofleer ,fret Fie (faj), int. foei! zijne manechappen. —cutter, vijlsmid. — dust, Fief )lief), a. leen, leengoed. Field (field'), s. veld; slagveld. to take the —, te vvjloel. —leader, vleugelman. —stroke, villstreek. voids trekken. wilde basilieum. —bed, —, v. a. flan eene has rijgen; bezoedelen; vijlen; veldbed. —book, landmetersboek. —colors, veld- v. n. deflleeten; rich wegmakeo. —r, s. vijler. vaan. —cricket, veldkrekel. —day, inspectie-dag. Fllenzot (faji'mut,), s. braIngeel. —le (-i-vet), v. a —fare, kramsvogel, noordsche Water. —gate, bek, ralita I (fil'jel , a. kinderlijk. alagboom. —marshal, veidmaarschalk. -7)101411e, ale kind ainnemen. —lion (-i.ee'ejun), a, zoosscbap; afatamming. veldmuia. —officer, etafofficier. —piece, veldstak. 1.4' ET r —FIL •
tamheid, makheld; ged, ±heid; moedeloosheid; Tarnish (tarteniaj), v. a, dot reaken; bezoedelen; v. n. dor worden, beelaan. Tans lay (tem'in-ih), tamkja, —kin, a. Tarpaulin (ter-pao'lin), Tarpawling, a. preHenning; pekbroek. prop; stow]; zle Tornplon. Tamper (tcrn'pur), v. n. Wilsmtddeltjes gehrui- Terragon (ter're-gon), P. dragon. ken (with, vote); (in. with) zich inlaten met; in Tart ter (ter'ri.ur), a. dreier, vertrager. —y, v. n. dralen, toeven, 'tgeheim werkenl oinkoopen. Tarry (taafriti), a. teeraehtig, t. ateerd. Tampion (tem'pl- -ar), s, Zje Tramktn. Van (ten'), a. run. —.bed, runbed. —house, —yard, 'fart (taart'), a. taartje. —, a. —ly, ad. wrang, seberp; vinnik bits. loolerkj. — pit. —vat, lootheip. —, v. a. looien; Tartan (taarlen),8. tartan; tariaan. taankleurig waken. Tandenno (ten'diro), a. rijtuig met twee paarden Tartar (meet.), wijnsteen; onderwertld; triernorech me' sell. —tan, —eats (ter-tee'ri-), (v66r elkarader gespannen). Tang (teng),e. nasmAak, zeeKras. a. van wijneteen; helseh. —ie (ter-tear'ik), a. Tangent (ten'ajent), 8.4angena,raatrAjn. - ,acid, wijnateenzrur. —vas, a. wijnsteen ► ouTangl bittly (ten-diji-bil'it-tih). 0. tatabaarheid. dend; wijnereenr:chrtz. — hie (ton'dzjibl), a, taatbaar. Tartness (taart'ness), a. wrangheld, acherpte; Tangle (teng'gl), a,. venvikkeling, verwarring biteheid. knoop. Task (taask"), a. teak. —master, tsakgever; weekv a, Zte to Err tangle. 'rank (tergk'), a. watertmk. —aid (-ur,1), a. kin?, opsiehter. —, v. a. eene task opleggen.—er, ban (met een dekseil. a. Zie Taskmaster. 'rnn tlr.ag (ten'lieng), a. door de zoo verbrande. Tassel (tes'ail), a. kwast; lintje (in eon boek). -net-, a. looter, leertouwer. —nery, a. loolorij. —ed (-311d), a. met liwaaten versierd. —yin, a. lonintof. Airy. a. hot. looter. . Tastes (tee'els), a. pl. dtietukkon (van ten harnaa). Tiont.y iten'zih). retwaren, wormkruid. Te.stable(tee8Vibl), a. ernakelijk. Tnnto2 tacit (Xeretf.-ii..1), a. terging, Tan' a (teest'), s. (het) proeven; emaak; proef. --ize (-lajz), v. a. kw ellen, tergen. —, a. a. proeven; awaken, gen!etriv.; beproeven; v. n. awaken (of, near); proeven. —d, a. rimeTantaraosint (ten'te-tnaaunt), a, var. gelijke was rde. kend. —fat, a. —fully, ad. mnakelijk; amaakvol. —fulness, a. umakelijkheid. —less. a. —lesaly,ad. Tent ITy (ten-tiv'th, ten'tiv-ih), ad, worriaga. 'antrums (ten'trares), o, pl. gril'en e, booze tsmakeloos. —Ugliness, a. emakelooaheid. —r, a. Wiry , proever; voorproever; proef-, borrel alas. 'rap tikje, Halle; tap, zwlk, nouten Tasty (tem.' lb.), a. lekker; arnaakvol. v. a. tan kraan; tapperij. --Corer, sebroefboor. —droppings., Tatter (tet'tur), a. lump, vod, flarde. Harden seheuren. —deviation (-de-mellun), s. vap1. lek.i. —hole, uitloop. --house, tapperij. ',Write bier, elecht bier. —roan, roboni, havelooze kerel. gelailkarner. —root, hart. ortel. v. a. & n. Tattle (tetql), a. gesnap, gekakel. —, a. a. snappen, kakelen, —r, 8. snapper. dooreteken: aftappen. tikken; (teep'), n. band, —tore, garcokant. —worm, Tattoo (tet-toe'), a. taptoe; huidbeprikking. • a. a. tfitOterAlit. arm, Tatter (tee'prrj, at. witskaara; toort, Taught (taut), a. atrak, gespannen. —ing, spite toeioope.id, vormig. —, v. R. spite Taunt (taart'(, a. seer !wog. —, a. echimp, hoot'. hemehimpen, hoonen. —er, a. beeehirrper. waken; v. n. ,belt, tooloopen. —nets, kegelvormiabetd —ingly, ad. hoonend. 'rap,it a. holiangAel. —, a, a be- Taurus jtao'rus),s. (de) Stier. (tap' hat,gen. Tantolog le (tan-to-lod'zjik), —teal, a. herb*. Tripir (tee'pir), a. tapir. lead, herkauwend. —ice ( n tol'ud-zjajz), v. a hero halen,herkauwen. —y (-tol'ud-zjih), e. (onnood;ge) • grz.oct (tep'pt , ),.. rok, kle!ne hpfboom. (Lep' a. het tikkeo; ftappirg; herhalin•, tmik.lteek; ut!:o•,p. --bar, laatijzer. — hole, nit- T twe.rn (tev'arn), a. wijnhuis, kroeg; herberg. (nip. - pipe, a v!oel ingspijp. —haunter. —man, kroeglooper. —keeper, —er, a. Tape.ter (ten', tar), Ft. sitaver, , ch , nker. kroeghouder, herbergier. Tar (tate), B. pektrook. —, v. A, teren, met Taw (tao), a. knikker; knikkerspel. —, v. a. teemtonwen. ten hearne , e• terg.n, n,hituen. Tawdr fly (tao'dril-ith), ad. —y, a. opgeachikt, Tavaninia (t ,.ren'tjoe-le), tp.rantula. pronkerlg. —inees (-dri• rm.), a. opsehik; opgeTeardut Con (t, r-dee',,juto, a. vertraging. rchlktlield, --y, ae, opseisik. Tart ity (ta tr'dil-1111), ad. --y, a. langsaam, traag; lesion rend; roils fig. —iAess (-iii-near,), a. Tower (taow'ur), a. seerntouvrer. —p, a. seemtouwerij. traasheid; nal ∎ tlsbeid. Tavvuy (tao'nth), rt. taankleurig; donkergeel. Tare (teen), a. ';tike; toit;; larra• Target (tamr'gq), e, vittiii; sehte.techkjr. — ed, e. Tax (teke'), a. sehatting, belgating; bertepIng, (•ler), a. schfidniet een mch).1,. l owan,i/d. — gatherer., ontvanger der belaetingen. —payer, belastingeehuldige. --.. v. A. belasten; (with) bedrager. achuldigen van, verwijten. —ahte a. achatbaar. (to!-) tarter. —, v. a. in een 'farstr —ation (-ee'aiun), a. bearding; eel:rotting. —er, a. tariefbrengen h,et aceilne trelasten. belanter, 'chatter. mom,. Tarn (taonn), a. saaihetd. — r, a. temmer,
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com

top 6 cryptogeld

×