slager. 5oved, In goed gevat. coin, louden munt. —dust. stofgoud. —finch, gondviak; rtjkaard. —finder, goudzoeker, eekreetruimer. —,diner, goudscheider. —fish, goudviech. —foil, bladgoud. —hilted, met een gouden gevest. —lace, goudira.. lon. —leaf, bladgoud. —pleasyre, vliegenkruid, vlasdotter.—proof,proefhoudend;ononakoopbaar. —searcher, goudzoeker.—size, goudgrond. —smith, goudsmid. —thread, gouddraad. —weight, gondgewicht. —wire, gouddrattd. —wire-drawer, gonddroadtrekker. Golden (gool'dn), a. gouden, gulden; geel. —age, gouden eeuw. —number, guldengetal. —rule,regel van drieen. —ly, ad. schitterend, heerlijk. holding (goold'ieng), a. reuet. Goldney (goold'nth). a. goudviazhje. Goldy-locks (goold'ih-loks), a. goudhaar, motbraid. Golf (golf"), a. kolfapal. —stick, boll. Golore (go-loor'), s, overvloed. Gorse (goom), a. waffensmeer. Gonsphosis (gom-fo•sis, s. verbinding van een' tand me , de tandkas. Gondol a (gon'dol-le), a. gondel. —ier (-tier'), a. gondelier. Gone (gon), part. & a. gegaan; voorbtj; verdwe. nen, wag; dood, —by, a. verviogen. get you —, echeer je wag. Gonfalon (gon'fe-Inn), a. banter, atandaard. —her (-lee), s. banierdrager. Gong (gong), s. gong (trommel der Indiasien); sekreet.. Gonforde ter (go•nt.om'i-tur), a. hoekmeter. —try (-e-trilt), a. hoekmeting. Gonorrhea (gon•or-ri'e), s zaadvloed. Gdod (goed'), a. & ad. koed, jutmt, geschikt; grant, veal. —, int. goad zoo! for — and all, eens coot alWd. to make vervullen, honden.to think, —, goedvinden. in earnest, in called ernst. in — time, to rechter tijd. a — while, cene geruime pons. —breeding, wellevendheid. —conditioned, in goeden st a at. —fellow, vroolijke baas. —fellow. ship, vroolijk gezelschap. —jar-nothing, A. nutteloos; a. deugniet- —gracious! genadige hemel! —Henry, ganzevoet (plant). —hunter, opgeruimdheld. —humored, opgeruimd, good gelutmd. —lack! have hemel! — liking, goedkeuring. — luck. getub, buitenkansje. —man. bestevaar, hutsvader. —nature, goedaardigheid. —natured, goedaarchg. avondmuziek. — now! lieve tijd1 heere mijn tijd! --sense, gezond verstand. —turn, voorkomendheid. —wife, —wortan,moedertje,buisnaoedor. —will, welwillendheid, gunnt. —liness, a. bevalligheid --ly, a. bevallig; opgeblazenorelukkig. —mess, s. gozdheid —y, ss. moedertje. vrouwtje. Good (goad), n. (het) goede; welziln; nut, cootdeel. —s, (goads), a. goederen; hutsmad; waren. —, v. a. bemesten. G oosan.der (goes-en'dur), a. duiker. Goose (goes') s. gans; peraijzer; kruk; stumper. —berrg, kruisbes. —berrgfool, kruisbessenmoes. —cap, domoor. —foot, gatrzenvoet(plant). —giblets. afvai (van ganzen). —grass, kleefkrutd. —neck, ganzenhals (husk). —pen, onzenhok. —guilt, gan. zenpen. —rash, boretelbies. — skin, gauzevel; kippenvel, —wing, horen van een gegeid sell.
NI A It . Marebpane (maarts l'peen), a. n.arsepein. Mareld (thaer'sid), a. mager, vervallen, uitterend. —ity (mer. sid'it- tih), a. reagerheid. Mare (meer'1,s. inerrie. —colt, merrievule -b. Margnr In (maar-ger'ik), a. — acid, parelzuur. —ite (maar'ke-rajt), a. parch. v. a. Margin (maar"dzjin), s. rand, kart, oever. op den rand sehrOven; random. —al, a. op den kant —ated (-eet-id), a. met een' rand of leant. kant. Margrav a (maar'greev), a. markgraaf. —i ate (me, gree'vt-et), a. markgraafachap. —ine (-pyre-vien), a. markrravin. Marigold (mern-g,00ld),..goudsbloem.— window, road kerkraam. Marinate (merq-rieet), v. a. inzouten. Marine (me-rien"), a. marine, zeewozon; zeesoldaat. —, a. van het zeewezan; zee-. — insurance. zee-assurantie„ — law. zeerecht. — officer, zeeotlacier. —r (mer'i-nur), a. zeeman. Marit al (rneet-tal). a. echtelijk; van een yehuwd man. —ime (-tim). a. aan zee gelegen; van bet zeewezen; zee.; — power, zeemogendheid. Marjoram Imaar dzjo'rem), s. marjolein. Mark (maark'), s. meek, kenteeken , sternpel ; blijk, bowitik; duel; mark. letter of —. kaperbrief. —, v. a. merken, teekenen, atempelen; opmcrken; aenduiden; v. v. opletten, atht geven. —et, a. meeker, markeur. Market (nutar'kitl, s. markt: prije. —hell, marktklok. marktdag. —folks, marktbezaekers. —house , verkoophuis. —maa. inkocper. —place, rnarktpla ats. —price, marktprbs. —tows, marktstad. —woman, markt-, koopvrouw. a• verkoopen; v. n. her markt arum. —able, a. verkoopbaar, gangbaar, gezocht. Marking (inaark'ieng). a. het merken. —ink. merkinkt. —iron, merkijzer. Marksman Irraarks'men), c. seherpschutter. Marl (maarl'), s, mergel. —pit, mergelgroef, v, a. taco mergel bemesten; marten.
Students who join the Erasmus Programme study at least 3 months or do an internship for a period of at least 2 months to an academic year in another European country. The former case is called a Student Mobility for Studies or SMS, while the latter case is called a Student Mobility of Placement or SMP.[22][23] The Erasmus Programme guarantees that the period spent abroad is recognised by their university when they come back, as long as they abide by terms previously agreed. Switzerland has been suspended as a participant in the Erasmus programme as of 2015, following the popular vote to limit the immigration of EU citizens into Switzerland. As a consequence, Swiss students will not be able to apply for the programme and European students will not be able to spend time at a Swiss university under that programme.[24]
road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;

Wat is de beste cryptogeld om te investeren in


Arabia (e-ree'bi-e), g. Arable. —n, a. Arabisch; Arabier. Aragon (er'e-gon), g. Arragon. Arcadia (aar-kee'di- el, g. Arcadia. Archangel (aark-een'dzjull, g. Archangel. Archibald (aar'tsji. held), m. Archibald. Archimedes (aar-kim-rdiez), m. Archimedes. Archipelago (aar-ki-pere-go), g. Arc hipel. Ardennes (aar-den'),g. the de Ardennen. Areopagus lee-ri-op'e-gus), h. Areopagus. Argyle (aar'dzjajl), g. Argyle. Arian (ee'ri.en), r. Arleen. Aristotle (er'is•tot1),m. Aristoteles. Arkansas (aar-ken'ses), g. Arkansas. Armenia (aar-mrni-e), g. Armenia. —n, a. Arnienisch; i. Armenier. Arnold (aar'nuld), m. Arnold, Arnoud. Arrnean (er-re-ken'), g. Arrakan. Arras (er'res), g. Atrecht. Arthur (asethur),m. Arthur. Aefa (ee'sji-e), g. Azii. —Minor, Lesser—, KleinAzle. —tic (-zi- erik), a. Aziatisch; i. Aziaat. A sphaltites les-fel-taptiez) Lake, g.1)00de zee. Assy (es'sih), f. voor Alice; Lisette, Liesje. Assyria g. Assyria. —n, a. Assyrisch; 1. Assyrian Astoria (es-toe'ri-e), g. Asturie. Athenian (e.thrni- en), a. Atheensch; i. Athener. Athena (eth'enz), g. Athena. Athlone (eth-loon'i, g. Athlone. Atlantic (et-lent'ik), a, Atianttsch; g. Atlantisehe oceaau. Attic (et'tik), a. Attisch. —a ( ke), g. Attica. Attila (erti-le), m. Attila. Aubry (ao'brih), m. Alberik. Augsburg (aoge'lirg), g. Augsburg. August a (ao-gust'e), w. Augusta. —in, —we (-in), m. Auguetinus, A ugustijn. Aurell a (so-1111.e), w. Aurelia. —an, m. Aurelianue. —us, m. Aurelius. Aurora (ao-ro're), my. Aurora. Austin (aos'tin), f. voor Augustin; A ngust. Australia (aos- tree'l 14), g. Australia. Austria (aos'tri-e), g. Oostenrtjk. —n, a. Oosten• rijkech; i. Oostenrjjker. Avon (ev'un), g. the —, de Avon. Azof (ez'uf), g. Azof. Azores (e-zo'riez), g. the —, de Azoriache eilarden,
pride one's self on. Boueneatakor, m. bow-maker. Bohm, m. hubbub, bustle. Bok, m. he-goat, buck ; box (eener koet.); crab, jock, trestle ; andiron ; blunder ; booby, uncivil fellow. ten— nation,, to commit a blonder. —sta. vast, leap-frog. —kesprong, caper, capriole; —en waken, to cot capers. —.shear, goat's hair. —en. leder, —envel, buck-skin. ...mimes. buck-skin. —aboard, goat 's beard. —eb/ok, tackle of paints. —sboon, lupine. —edam, goat 's-thorn. —shores, goat's born; fenugreek; hook. —spout, goat's foot; (the God) Pan. Bokaall, v. bumper, large ,risking-glass. Wok oebtlg, hr. & bw. lewd (-;y), lascivious 1-ly); ale Bokkig. je, o. kid; stool. —hip, by. & bbw. uncivil 1-11y;, surly (-)y), rude (-1y), dogged (.1y). —hicksid, v. rudeness, doggedness. Bokklog, m. red herring; kry jest, rebuke, lecture. --droger, curer of red herrings. --hang, herring-hangs. Baku, v. breeches. Bolas co, on. w. to box. —er, m. boxer. Bog, bv. bloated, puffy, bulbous, globular, convex. —, m. ball, globs ; bulb ; roll ; crown (van *es hoed); bead,' pate ; clever fellow. —Peas, bowlir.ggreen. —geese's, bulbous tplant. —rend, globulous, convex, spherical. —rondheid, globoeity, convexness, apheriralnees. —vormig, globular. —wank, bulwark, bastion, rampart. —werken, to fortify; to manage, to bring about. -ten , n6 maggot ; whim, freak. —!'enbakkir, roll-baksr, —aehtig, by. globulous, bulbous ; somewhat —aehtigheid, v. globuloasness, bulbousBolder, v. mildew; roll of which Manua Is Made. ...11040811. (a kind of) stage•/ ageon. Holhold, v. bloatedness, puffiness, convexity.

Hoe werkt Bitcoin geld verdienen in 2019


1;44 RAG.—RAS. Ragged (reegid), a. schabberig; in lompen ge- Random (ren'dum), a. toeval, goed geluk. at kleed; row. —school, school voor havelooze kinin 't wilde. —shot, sehot in 't wilde. deren. a. achabberigheid. Randy (ren'dih), a. ongebonden, wulpach. Raging (ree'dzjieng), a. het wooden, razen. — Range (reendz)', a. rid, Masse, rang; omvang; a, —ly, ad. woedend, razend. guirnte; dracht van geechut; omzwerving; Ragoo, Ragout (ra•goe'), a. ragotit. boom; zeef; sport; keukenhaard. —, v. a. in orde Ra ales (reg'stur), v. n. pocgen; stollen rangschikken; opatapelen; overspringen; Rail (reel'), a. richel, dwarsbalk; elagboom; lenV. n. in i orde geeteld zgn; omzwerven. —r, a. ning, latwerk; hek; spoorstaer; wachtelkoning; landlooper; epeorhond; boschwachter. regeling. road, —way, epoorweg. —shifter, draat- Rank (rengk'), a. —ly, ad. welig; geil, tochtig; echgfwachter. —, v. a. omrasteren; ep eene rg stork, grot; overdreven; ranzig, vansig. —, a. rg; plaatsen; v. n. schimpen, smalen, lasteren, gelid, rang; greed. —, v. s. rangschikken; op (against, at,) --er a. spotter. —ing, a. traliewerk, sane sir (ign) plaateen; v. n. geraegsch'At (ge• 'mining; spotterng. —mg, a. —ingly, ad. apottend. plaatst) zgn, (with) denzeliden rang hebben als. Raillery (rei'lur-ih), a. boert, scherta. Rankle (reng'kl), v. n. ontstoken zgn, etteren, Raiment (ree'mint), s. kleeding. invreten. Rain (reen'), a. regen. regenvogel. —bow, Rankness (rengk'ness), a. weligheid, geilheid; regenboog. —bow fish, regenboogvisch; livereiranzigheid. knecht. —deer, zie Reindeer. —fowl, groene Benny (ren'n1h), a. spitsmnia. specht. —gauge, regenmeter. regentijd. Ransack (renisek), v. a. plunderen; dooranuf—water, regenwater. felon. v. n. reonen. —inert, v. a. regenachtlgheid. —y, a. reganachtig. Ransom (ren'snm), a. loageld, ranteoen, Raise (reez'), v. a. oplichten, opheffen, opzett'en, a. vrijkoopen. —er, a. vrijkooper. a. solioprichten; verhoogen; verheffen; doeurgzen; doen der losgeld. ontataan, verwekken; opweltken; aanvuren; het- Rant (rent'), a. hnogdravendheid, grootspraak. fen, licbten, werven; opbreken. —r, e. opheffer; —, v. n. hoogdravend spreken, noeven. —er, a. opriehter; heifer. grootapreker. Raisin (ree'zn), a. rozijn. Rentipole (re:en-pool), a. 'wild, uitgelaten; RaJah (ree'dzje), a. Radjah (indisch vorst). —, a. losbol, wildzang. a. ranonkel. Rake (reek'), a. hark; lichtmie; kielwater. —, v. Ranunculus (re-nung'kjoe a. harken; bijeenschrapen, Inrekenen, opal:elen Rap (rep), a. slag, tit; valsche moot. —, v. a. & (up); opwroeten (up), v. n. harken; echrapen; een n. alaan, kloppen; wegrukken; ontvoeren; opgelos leven leicten; (into) wroeten nauwkeurig togen doen zgn (with); (out) uitstooten. onderzoeken. —hell, lichtmis. —deny, loabandig. Rapaci one (re-pee'sjus), a. —may, ad. roof—shame, schaamtelooze. —r, a. hacker; schraper; —ty (••peent-tib), a. roofzucbt; —sness, ou wroeter; straatveger; pooh. g uizigheid. Rak hag (ree'kieng), a. schraperig; a. het harken, Rape (reap'), s. roof; bait; schaking; onteering; schrapen. —ish, a. liederlijk, ongebonden. reap, knol; mop. —cake, raapkoek. —oil, raapolie. Rally (rellih), a. bereeniging; aeherte. —, v. a. —seed, rammed. hereenigen, weder verramelen; bespotten; v. n. Rapid (rep'id), a. —ly, ad. anal. —, a. sniffle rich weder verzamelert; schertsen. Eamon. —ity (re- pid'it-tih), —ness, a. enelheid. Ram (rem'), a. ram; storrhram. —rod, laadatok. Rapier (ree'iri-ur), e. rapier. —fish, zwaardvisch. —, v. a. vullen, instampen. Rapine (rep to), a. plundering, roof. Ramage (rem'idrj), a. takken; gekweel. —velvet, Rappee (rep-pie') a. now), (snuff). gebloemd fluweel. Rapper (rep'pur), a. kiopper. Rambl e (rem . b1), s. omzwerving;nitatapje. —e, Rapt (rept), a. verrukt, opgetogen. v. n. rondzwerven, —er, a. zwerver. —ing, a. Raptor a (repe)oer), a.. verrukking. —ed, a. —ingly, ad. zwervend; verward. verrukt, medegesleept (at. with). —oars, a. verRamif !cation (rem-if-i-kee'sjun), a. vertakrukkend. king. —y (rem'ilaj), v. a. in takken verdeelen; Rare (seer'), a. zeldzaam; dun, Wu; half rauw; v. n. zich vertakken. uitmuntend. —ripe, vroegrfjp; a. vroege vnieht. RAIIIM er (rem'mur), e. heiblok; laadatok. —ish, Raree (ree'r1), —show, a. rarekiek, a. garstig; Beret' action (rer-e-fek'ejun), s. verdunning. Ram one (re-moos'); —ours (ree'mue), a. takkig, iable (reee-faj-ibl), a. verdunbaar. —y (rer'egetakt. faj), v. a. & n. (zich) verdunnen. Ramp (Temp') a. eprong. —, v. n. klimmen, Rare ly (reer'lih), ad. zelden, zeer wel. —seas, springen, stoeien. (lacy, e. overhand; overvloed. a. Zie Rarity. —ant, a. heerschend, stggen d; overvloedig; dartel. Rarity (ree'rit- tih), a. zeidzaamheid; (ook: rer'itRampart (rem'paari), a. wal. ilk), dunheid, Ramson (rem'zn), a. wild knoflook. Rascal (raae'kel), a. sehelm, schurk. —ity (res. Rancescent (ren-ses'aent), a. ranzig wordend. kel'it-tih), 0. schurkerg. —lion (res-kellun), s, Rancid (ren'sid), a. ranzig. —ity (-sid'it-tib), gemeene kerel. —ly, a. schurkachtig, gemeen. —neat, a. ranzi held. Rase (reez), v. a. Zie to Raze. Rancor (reng' ur), s. wrok, boosaardigheid. Rash (rear), a. —ly, ad. overgid, onbezonnen. —, —sus, a. —ously, ad. wrevelig, boosaard1g. s. uitslag. —ness, a. overgling,onbezonnenheid. Rand (rend), a. rand, zoom. —er, a. reepje spek.
Dadelejk, hr. effectual (-1y); actual (-Iy), immedireot (-lye —held, v. actuality; hosdiate tility. tot —hedenkomen,to come to blow.. Dader, an. —es,, v. doer, author, perpetrator, delinquent. reading, v compromise. Dag, irn. day; light. het is —, it Is day-light. het wordt —, it dawns. op klaarlichten —, in broad day light. 60 —, in the tivy-time. den panache. —, all the day long. op zekeren —, one day. one den anderen —, every other day. ons den doles —. alte drie —es, every third day. jangrte —, old age, thy of judgment, dools'e-day. oude voor — en dame, very early, betimes in the morning. aan den — brengen, to divulge, to bring to light. can den — leggen, to display, to manifest. voor den — komen, to appear, to come fcrth. heden ten —e, now-a-days. ten —e an Islamise, in due time and place. dezer —en, one of these days, lately. Aeden over acht —en. to day sennight. —blad, newspaper, journal. —bladschrticer, journalist, gazetteer. —bock, —register, —verkaal, day-book, journal, diary. —dirf, loiterer. —die yen, on- w. to loiter. —dieverij, loitering. —geld, —hear, —loon, daily wag.. —gelder, —hoarder, —loaner, day-laborer. —lirht, daylight. —order, general order. —rail, day's journey. —.choker, day-scholar. —school, day-school. —ater, morning star; sun. —teekenex, to date. —teckentng, dating; date. —founts, luminary of day, con. —vaarden, ov. w. to cite, to summon. —eaarding, v. citation, summons. —roar', day's-journey; meeting (assembly) of the states. —tdinder, butterfly. —wacht. day-watch. —werk, dayiework, daily task. —tetirer, calendar, almanac —elfike, hr. daily. —Iiikeek by. daily, trotidian, diurnal. —e,e, on. w. to dawn.: Dag en, or w. to summon, to challenge. —er, summoner, plaintiff. Dngeraad, m. dawn, day-becak. Daggs, v. dagger, poniard, eat-o'-nine-tally. nesting, v. summoning, challenging. Desk, o. roof; thatch. onder — komen, to find a lodging. —tint, —rib, beam. —bord, shingle. --dekker, thatcher. —diela, weather. proof, well-roofed. —drop, —drug, eaves. —goat, gutter. —kamertje, cock-loft, attic. —tat, —spar, rafter. —pan, tile. conduit-pipe, spout, funnel. —stoel, rafters, props and supports of a roof. —veneer. dormer-window. —werk, roofing. Dal, o. valley, Tale, dale. Dal en, on. w. to descend; to decline, to fall, to sink —ing, v. descent; decline, fall. Dam, no. darn, mole, bank. —, v. kin*. — eaten, to go to king. —bord, draught- board.—kert,fallowbuck, fellow-deer. —looper, coaster, bilander. —*OM man. —spel, (game at) draughts,. —apeter, draught-player. Davnase seeren, ov. w. to damask, to demaskeen —ener, by. damask-. Damaet, o. damask, —prsam, damascene, damson. —en, be. damask. Dame, v. lady. Lamm en, on. w. to play at draughts. —er, m. draught-player. Damp, m. vapor, steam; smoke. —bad. steam-

Unturned (uu-tuned'), a. ongekeerd, ongedraaid. I Unwbipped. Unwhipt (un-wipt ► , a. °agapegeld, ongekasttjd. Untutored (un tjoe'turd), a Met onderwezen. Untwine(na-twai0), Untwist (un-twist'),Y. a. Unwholesome (un-hool'sum), a. ongezond, losdraaien, uitratelen, loseoaken. echadelijk. —news, s. ongezondheld. Unwind fly (nn-wield'11-11h), ad. —y, a. log, Unurged (un-urdzjd"), a onaangedreven. . Unnee d(un-pezd'), a ongebrulkt; ongewend (to). zwaar, moeleljjk te hantetren. —ittess, a. logheld, —ful (-joesitoel), a. onnuttig. zwaarte. Unusual (an-joe'zjoe el), a. —dy, ad. ougewoon. Unwilling (un-will'iengl, a. —ly, ad. ono•lltIC, —nese, s. ongewoonheld, ongeneigd, ongaarne. —nest, a. ongeneigdheid, tegenzin. Unutterable (un-nt'tur-lb1), a. onuitsprekelijk. Unvalued (un-verjoed), a. niet geschat; enge- Unwind (nn-wajnd') [irr.] , v. a. loswinden; v. acht. n. losgaan. Unvanquished (un-v eng'kwiejt), a. onoveravon- Unwinged (nn-wingd'), a ongevleugeld. nett. Unwiped(un-wajpt'), a. slat afgewiecht. Unvar led (un-vee'rid;, a. onveranderd. —nished Unwise (tth-wajz'), a. —ty, ad. onverstandig. (-vaaenlejt), a. ongevernist; onopgesierd. — ying Unwiabed (un-wiajt'), a. ongewenscht (for). (-ri-ieng), a. niet veranderend. Unwither ed (un-witteurd), a. onnerwelkt. Unveil (un-veer), v. a, ontsluieren. —ing, a onverwelkelijk. Unven dible ( an-v ea'di,b1), a. onverkonpbaar. Unwithstood (un-with-stoed"), a. niet weder—erutle (-nr.11)1), a. Met ee: waardig. staan , Unversed (-un- vurst'), a. on hedre , en (in). Unwit neaeed (nn-wIt'nest), a. zonder getuige; Unvexed (un-ekst' ), a. ongekvveld. nooit beheld, niet bijgewoond. —tily, ad. —ty, Unviolated (MI- VAY111-ee- Lid), R. ongesehonden a. ouverstandig, dwaas, geesteloos. —ling, a. —tingly, ad. onwetend. Uwe irtnons (un-vurtioe-ua), a, ondeugdzaam. Unwomanly (un-woe-rnen-lih), a. onvrouwelijk. Unvisittad (un- vit'it-id,, a. onbezocht. Unwonted (un-wunt'id), a. ongewoon (to). —nests, Unvitiated lun-vispi-ee tid), a. onbedorven. Unvote (un-voot'), v, a, bij nienwe stemming te s. ongewoonheid. niet deen. UWAVVOOtti (un- woed'). n. ongezocht, ongevrijd. Unworded (nn-wurd'id), a. Met onder woorden Unvulgar (en-vul'ger), a, niet gemeen. Unwsaited (un-weet!id), a. — on, oabediend; zon- gebracht. der gevnIg. Unworldly (un-wurld'lih), a, onwereldsch. Unworn (un-wonrn , ), a. ongedragen ;onvereleten. Unwnkened (un-week'nd), a. ongewekt. Unworshipped (un-wur'shipi), a. onaangebeUnwal/ed (un- waold'), a onbemunrd. den. U. Wrir Ily (un-wee'ril•lth). ad. Zie 'Unwary —hies,' (-ri-ness), .s. oroehoedzaamheid. —like Unworrtb fly (un•wurth'il-lih), ad. —y, a. onwaard,g (of). —inset (-i-ness), a. onwaardtgheid. (-waor'13jk), a. onkr(jgehattig. --Ined (-w aurnad'), a. ongewarmd; ongeroerd, —ned(-waornd'), a. on Unwound (un-waaund"), a. los-, at-, ongewongewaarsehuwd. den. Unweerant able (un-wor'rent-ibl), a. —ably, Unwounded (un-woend'id),a, orgewond. ad . onverantwocrdelijk, niet te reehtvaardigen. Unwoven (un-wo'vn), a. ongeweven. — (Menem a. onverantw 001r ; elijkheid, —ed, a. niet Unwrap (un-lep'1, v. a. loswinden.ontvonwen. Unwreathe (un-rietih'), v. a. losdraaien. —d, a. gerechtvaardIgd; ongewaarborgd. ongevlochten. Unwary,un-wee'rih). a cnbeheedzaam. Unwring(un-ring') [im], v. a. loswringen. Unwashed (un- wosjt'), a. ongewa.sechen. Unveset ed (un- weest'id), a. onverspild; onver- Unwrinkle (un-ri ►.'lg'kl),v. a. ontrimpelen. —d, a. ontrimpeld; ongerimpeld. teerd. —leg, a. islet vespillend; niet verminde- Unwritten (un-rit'tn), a. ongeschreven. rend. Unwrought (un-raot'), a. onbewerkt. Unwat rbed (un-wotait'), a. onbewaakt. Utrawatered (un-•aot'avd), a. niet, hegoten. Unwrung (un-rung'), a. onverwrongen; onoUnvveakene d (on- vriek'nd), a oraverzwakt. kneld. Unyleld ed (un-jield'id), a. niet opgegeven; niet Unweaithy (en-weith'ih), a onbemiddeld. ingewilligd. —ing, a. ontoegevend; onverzetteUnweaned lun-wiend'1, R. ongeopeend. Unwer, led (en-wier'id), a. —tedly, ad. onvsrr- lhjk; niet winstgevend. —ingness, s. ontoegevendmoeld. —ierineas, n. onvermocidbeid. —y, a. on- held. if ennoeid. —y, v. a. Yerkwikken (d.00r rust). —ying Unyoke (un-jook% v. a. afspannen; van het juk bevrijden. —d, a. ultgeopannen; onbedwongen; (-1-ieng), a. niet vermoeiend. Unweave (un-wiev") Dm], v. a. losreaken, ultra- toomeloos. Unzonsed (un- zoond'): a. ongegord. felen. Up (up) ad. & prp. op; boven; hoog; in opatand; Unwedded (un-wed'didl, a ongehuwd. gehindigd. — to, tot aan; volgens; nerekend voor; Unweeded (un-wied'idl„ a ongew led. Unweigh ed (un-weed'), a. ongewogen; onover- op de hoogte van. - with, opgewassen tegen. to come — with, inhat en. wogen. —ing (-weeleng), a. onbezonnen. UMIWeleame (un-werkum), a. onwelkom. —d, a. Upbear (up-beer') [lrr.1, v. a. schragen; opheffen. Upbraid (up-breed'), v. a. verwijten. betispen onverwelkorsad. (for. with). -ir, s. verwijter, •berisper. —beg, a. Unwell (un- well'), a. Met wel, ongesteld, verwijt, berisping. —iney, ad. verwi,jtend. Unwept (nn-wept'), a. osabeweend.
cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.

Heeft TD Ameritrade aanbieding cryptogeld


1' hN. —PER. a. vijfregelig geditht. —style (-etajl,, a. gebouw met vi,lf zutlenrijen. —teach. (-tjoek), a. (de) vie boast: van Mazes. Pentecost (pen'tekost), a. pinksterfeest. —al (-;;oat'el), a. van het pinksterfeest. of Pent house (pent'haue). —ice (-tie), a. dak, luifel. Pentlie (pen'tajl), a. dakpan. (-rul'ti-met), s. voorPenult (pi'nult), s. —imate laatate lettergreep. Penumbra (pe-num'bre), a. halve sehadaw. P..•nurions (pe-nioe'ri-us;, a. —1y, ad. zuinig, karig, vrakkig, behoeftir. —nest', a. vrekkigheid; behoeftiheid. Penury penloe -rib), a. gebrek, armoede. Peon (Won), a. voetaoldaat; pion (in 't sebaskspel. —y, a. jteht-, pioen-roos. People (pi'pl), a. volk; lieden, pereonen; men. — say so, men zegt het. —, v. a bevolken. Pepper ( ep'pur), a. paper. —box, —caster, paper. bus. —cake, peperkoek. —corn, peperkorrel; beuzeling. --grass, pillevaren. —mint, peper caunt. —p/ant, —vine, peperboom. —wort, peperkruid. — , v. a. peperen; afroasen, Peptic (pepitik), a. de sptjavertering bevorderend. Per (pur), prp. per. — cent, ten honderd. as —, volgens. Peradventure (per-ed-ven'tjoer), ad. bij toeval, raissebien. Peragration (per- e-gree'sjun), s. (het; doorreizen. Perambuia te (pur-em' bjoe-leet), v. a. doorloopen; beziehtigen. —tion (-lee'ejun), a. doortrekking; beziehtiging. —tor, s. doortrekker; wegmeter. Perceiv able (pur-siev'ibl), a. —ably, ad. be merkbaar, bespeurbaar. —, v. n. bemerkea, bespeureu, ontwarsn. Percentage (put.- sen'tidzj), a. eijfer (reeht, cornmissie) ten honderd Percepti ble (par-sep'tibl), a. —bly, ad. bemerkbaar, hevattelijk. —baity a. bemerkbaarheid, bevattelijkheid. —on (-sjun),a gewaarwording; begrip. —ve (-tiv), a. gewaarwordead; bogrijpend. ( -tiv'it-tih), a. w aarttemingsvermo gen. Perch (porte)'), a. roade, rek, roest; bears. —, v. a. nzerzetten; v. n. zitten, roesten (on). —er,s. roe.ter (vogel); attaarkaara. Perchance (pur-tajaans'), ad. bij toeval, eellieLt. Perciplen ce (our-sip'i-ena), a. Zte Perception. —t, a. gewaarwordend, waarnemend; a. beseffer, denkend wezen. Percola te (pueko-leet), v. a. & n. doorzijgen. —tion (-lee'sjun), a. doorzij ;lug. Percuss (pur-kus'), v. a. stootenosehokken. —ion (-kusrun),.. slag, stoat, achok —cap, slaghoedje; —gun, pereuseie-geweer. —ive, a. Zie Pereut lent. Pereutlent (pur-kjoe'ajent), a. schokkend, stootend. Perdition (pur.disrun), a. ondergang, verderf, verdoemenia. Perdu, Perduc (pur-djoe'), ad. in hinderlaag.
his equal, he is not equalled. —, o. right. — Ashbee, to be (in the) right. — genes, in Aet — stollen, to agree with, to decide in favor of. — met - rergeiden, to render like Co: like. — zoekt birds of a feather flock ogcher.—.bw. equally. even; without odds.vw. se . GelUkeordig, be. similar, homogeneous. — Acid, v. sim ilarity, homogeneousness. (iel ljlabernt a. isoceles. Gel Ukbln terkenend, be. synonymous. GelkikblIjcen, on, w. to keep pace —, to keep t with up (with). sick selves —, to be consisten one 's self. bw. eqrally. (lolUken, on w. to be Ito took) like, to renew.ble, to have a likeness (resemblance) to. Getlikenle, v. likeness, renosmblance; picture, image. comparison; simile, parable, allegory. teleitiksrvelJet, few. :in the same way (manner). ' likewise. Gotejkkeid, v. ;similarity, likeness, equality, sameneem ; evenness, smoothness, leveleees , sttaightnes, Gel kik hoe klg;bv. equiangular. — e figour, isogon. GelijkJarig, by. of the same age, equal in .sera. Golkikluldend, by. of tke same tenor, true; 11111F0130118; homonymous. --held, N. conformity, similarity ; unisonance. GeRiktrack en, ov. w. to equalize; to make even, to level. —er, En. eptator,evener, leveler. GelUknzatig, be. & bw. proportionable (-hly), proporticnal (-1y), proportioned, regular (.4). —held, a. propo , tionality, regularity. Gel Uktoorcillig, by. de bw.equanInlous(-4).— held, v. equanimity. Geltilananalg. by. homonymous. —held, v. homonymy. G.1111kelachtig, by. homogenial, homogeneous; of the same gender. —held, v. homogeneousness; sameneee of gender. Gotta keoerf Ig, by. similar, homogeneous.-- held, v. tomilarity, bomogeneouoness. (i elUkstntan, on. w. to be equal (met, to). Gelkikalaltig, be. of the same form. —held, v. semeneee of form. GrifjlAstandlg, be. of the same rank. —held, v. sameness of rank. GelUkatall eta, or. w. to equalize. —lag, v. equalization. synbv. & bw. simultaneous chronous, contemporary (-ily), at the same time. —Acid, v. simultaneoueness, synchronism, contemperarinees. Gelkilveloters, bw. level with the ground. (atillIjkvornaig, be. & bee. conformable I-biy), equable (-bly). —held, v. conformity, equableness. G el eliceteanrdlg, be. equivalent. —heid,v.equivalance. GelUkzetten, ov. w, to set (ter uurwerk). G ellikzkirlig, by. equilateral. —heid, y. equilatereineea. Geltikzinnig, be. eynonymous. —keid, v. synonymy. think, o. licking. 

Hoeveel geld kan je terug te trekken uit Coinbase


Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Roan. Roan. (noon, ro'en), g. &masa. Rob (rob'), f. sear Robert; —err (-urt), m. Robert. —inron rn. Robinson. Roch dale (rotsrdeel), g. Rochdale. —ester (-istar), g. Racheoter. Roger (rod'zjur), In. Roger. —s (-zjurz), tn. Rogers. Roland (ro'lend), m. Roeland. Roman (ro'nften), a. Romeluoch, Roornsch; Romein. —ia (mes'ni-e), Romanis. Rome (room) g. Rome' (rom'joe-la*), m. Romulus. Ronan (ro'neu), g Ronan. Ron nos (ros'ko), in. Roscoe. —common (bona% muni, m. Roscommon. Rove (root), n. Roza, Rocade. stotherbithe (rothinr-ith), g. Ratherhithe, Rotterdans (roetur-darn), g Rotterdam. Rouen (roe'en, -an'), g. Rouaan. Roeland. Rowland (rolend), Rut Inca (roe-Watts), m. lt ,, finas. —us, in. Rtifua. g Rumelie. Rowena Rumen! (run'.!!), tn. Russel. Russia (rusj-e), g. Rutland. —n, a. Ruesisch; Rua. Ruth (roeth), w. Ruth.
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Waarom doet Bitcoin zo lang om te bevestigen


v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.

Kan Bitcoin gehackt


s. geheel; geheel bedrag. -ity -ness, a. (hot) geheel. '!'otter (tot'tur), v. 0. wat;gelen. Touch (tutsj"), a. gavoel; aroaralting; toetsing, bepeseving; toets; trek, gelaatstrek; street, penseeletresk; greep,aanslag; berisping; stock, wenk; betrekkingt zweem, welnigje; slag; Debts poping, aanval; aendoentog, aandoenlijkbpid. to keep - with, woorc: houden jrgena. -bath, stortbad. -hole, zundgat. -needle, toetanaald• -pan, pan (van een geweer). -atone, toetasteen, -wood %want (verrot bout).
Sollars (bol'lurz), a. groote boeien. —timbers, apoatels. Bolster (boarstur). a. peluw; kompres. v. a. van kussenn voorzien; met eeu kompres beteggen; ondereteunen (up). Bolt (boolt), a. boat; grendel; pill; kluiater, —head, distilleerkolf, —rope. lijk (van een cell). Bolt (boolt). v- a. grendelen; kluisteren; ziften; nittlappen; v. n. plotseling to voorschijn springen. —er, a. builmolen. —ing-house, builkarner. —ing- hutch, butlkiat. Bolus (bo'lus). s. groote pit. ri Bonn (bom), a. eerie groote slang. Bomb (bum), a. bomkogel. —ketch, —vessel, bombardeergalloot. —proof, bomvri). —shell. bomkogel.
Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Wat is Bitcoin in het Engels


306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-
—peasaSle (ptes'ibl), a. onverzoenlijk. —pealed (-plead'). a. onbevred.igd.. onverzoend. —proachable (-prootbart bib a. ongenaakbsar.--propriated (-pro'. prt-ee-tt d), a. Wet toegepast;niet beate md. —proved -P r nee d'), a. ntet goedgekeurd. Unapt (un.ept'), a. —ly, ad. ongeeebikt; nolv. kwaant, (for. •o). —nest, P. ongsacbiktheid; onbekwaamneid, (for to). Unarmed (un-aarmd'), a. ongewapend. Unar reigned (un-er-reend'), a. allot aange• klaard. —ranged (-reendajd'), a. niet geregeld. —rayed (-reed'), a. ongekleed. Unasked ( un-aasktl, a, ongevra3gd. Unas ptring (un-es•parriengi, a. niet eerzuehtig. —scalable (eeel'Ibl), a. onaentastbaar. —sisted (-shield), a. Wet geholpen. —swain/ (ajoe'mdeng), a. Wet aanmatigend. —surcd (-sieern"), a. onverzekerd; onzeker. Unlit barbed (un-et-tetejt'), a. ntet geheeht (to). —tamable (-teen'ibl), a. onbereikbaar. —tainableness (-teen'01-), a. onberelkbaarheid. —tempted (-tem'tid), a. oubeproeld. —tended (-tead'id), a. onveraeld;(to)verwaariootd. —tested (-te.t1d), a. onbetutgd. Um awl horised (un-ao'tbur-azjd), a. onbevoegd. Unavall able (an-e-veel'Ibl), —Jag, a. nutteloos, vergeefach. Unavolda bid (un-e-vojd'ibl), a. —Up, ad. onveraltjlelijk. —blenees, s. onvermijdelljklietd. Una %vane (un-e-wear'), a. (of) ntet lettend op; glen kennts dragend van. —, (-veers'), ad. onverhoeds. Unecaved (un-acwd'), a. onbeschroontd, stoutmurdlg. Un banked (un-bekt'), a. onbereden; niet ondersteund. —balanced (-bel'enst), a. zonder evenwieht; onvereffend. —ballast (-benefit), v. a. den ballast ultscbteten. —baptised (-bep-tajzd')., a. engedoopt, —bar (-belle), v. a. ontgrendeleu, ontaluiten. —bearable (-beeetb1), a. ondregelijk. —bearded (-blerd'Id) a. baardeloos. — beaten ( - biet'n), a. ongeslagen; ongebaand. Unbecoming (un-be-ktun'leng), a. —4, ad. onbetarnelkjk, onvoegzearn • —nets, s. onbetameltjkheld, onvoegzaarabstd. Untie fitting (un-be-tit'tteng), a. ongepaat. —.Mended (-frend'td), a, zonder vrienden. —gotten (-goer.), a. ongeboren. —guile (-gaji'), v. a. nit de dwating halpen. —held (•held'), a. ongezien. —lief (-11er), a. ongelocf, :wantrouwen. —liever (-11e,"er)„ a. onuloavige. —lieving (-11ev'teug), a. ongeloorig. —loved (-luvd'), e. onbemind. Unbend (nn-bend') Cirr.j, v. a. & n. (zteh) ontapannen, Inamaken; utteteken, afslaan. —tag, a. onbutgzaam; ontspannend. Unbe ueetnIng (un-be-stern'leng), a. Zits Un1/teaming. —spoken (-epo-ku), a. onbesproken. —stowed (-stood'), a. niet verleend. —trayed (-treed') a. niet vorraden, gehetm. —trothea (-trootbd'), a. onverloo!d. —wailed (-weeld'), a. onbeweend. —witch (-wits)'), v. a. onttooveren. Unblas (un-baj'es), v. a. vooroordeelen benemen. —led, a. —Red y, ad. (-est.), onbevooroordeeld. Unbid (an-bid'), —den (-bid'eln), a. ongenood ' niet bevoien, Unbind (uu-ba (nd'), Lire.] v. a. outbidden.
'ranch (ientaj), g. zeelt. Tend (tend'), v. a. oppugn'', verplegen; bedlenen; bewaken; hoeden; v. n. etch rIehten; streyen; atrekken; doelen; (upon) bedlenen, volgen, -- ante, lie oppaletng, verpt eel. g Jae(' —ency, a. strekkong, nelging. —er, a. °roaster, verpleger; aenbiethng; bod; ad viesjacht, tender, 'oarrax4e, agen. --er, v. a. aanbieden; met teederheid behantelen Tender (ten'tur), a. —ly, ad. teeter; zaelit; zwak, week; gevoettg; bezorgt ; zorgvuldtg; dterbaar. —loin, Ituit: (van een runt). —bodied, zwak, tender. —hearted, teerhartig. —heartednece, a. teerbartigheid. —aided, nk. —ling, a. treetelkind. —nett, a. teeterbei•; zaehtbeid; zwek belt; weekbeit; geraelteheid; zorgvultigheit. Ten &Inoue (ten'di-nut), a. vezelip, pez)g. —don (-dun), a. pees. —dril (.dril), a. hechtrank; a. hechtend, klirarnent. Tenebr Ions (te-nt'bri-us), —out (ten'ebrue), a. tanker, dilator, eamher. —otity (ten-e-bratelt-tth), a. duteterbeid. Tenement (ten'e-rent), a. gepaebt stuk grand; woning, woonhuts. —al —nry (-ment'.), a, ge hoard, gepaebt; le peehten Teneemus (te-nez'mue), u. aandrang tot atoelgang. Tenet (ten'it). a. I eerstok. grondatelling. Tenfold (ten'toold), a. tienvoudig. Tennis (ten'nis), a, kaatsepel. —ball, kaatabal. —court, kaatebaan. Ten oat (ten'un), a. pin, lip, etaart; —awe, schrohzone. —or (-lir), a. beloop, gewone loop; geeteldheid; wijze; inhond, zin; tenor. Tense (tees). a tijd. Tens a (tent'), a. —ely, ad. stiff, etrak, geepannen. —cocoa, —itp, P. strakheid, gespannenheid. —ible, —lie (41), a. epannaar, rekbanr. —ion (-jun), x. spanning. —ire, a spannend. —or, a. trek-pier. Tent (toot'), a. tent; wtekje; tintwijn. —bed, veldbed. —cloth. tentlinnen. --maker, tentenmaker. —pin, tent pin. —pole, tentpaal. —probe, tenth., —wine. tintwijn. —wort, vrouwenhaar, mnurkrutd. —. v. a. tenten, pollen; v. n. in liens tent arena.. Tent no le (tent'ikl), a. voel,priet —afire (-e-tin), bedekt. a. bPpraevend. —ed, a. net Tenter (ten%ur), a. spenraam, -hook. --hook, v. o.. spanners, rekken; v. n. gespanhaak. spannen worden, rekken. to be on the —a . In oarlegenheld zijn. to keep upon the —s met achoone belofteu peelen. Tenth (tenth'), a. &s. tiende. —iv, ad. ten tlende. tib), a. njnbeld, dunheid. Tenut (ten'joe-ue)„ a. tljn, dun. Tenure (ten'per, -jur), s ieenroceigheid, wij ze bezit. oat (voorwaarte) Tap efe,rtion (tap e fek'sjun), a. lauwm eking —id (tepld), a. lanw. —idity (te-pld'it•tib), —or (ti'por), a. lauwheid. —ify (tepl-fej), v. a. & n. lauw make.n (warden). Terre (tr.rs),a. Zie Tiaree. Terebinth (ter'e-binth), a. t erpenthnboom. —ins (-Inuth'in), a. terpentijnachtig. Terebra to (ter'e-breet), v. a. toarboren. —lion (-hree'ajun), a. doorboring.
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Ik kocht cryptogeld wat nu


453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne
W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
bee in een" gemeentegrond; student van den Compass (kum'pes), a. omtrek, kring, omvang; rnimte; bereik; kompas. to keep within —, binnen tweeden rang (te Oxford). —ly, ad. gemeenlijk. —ness, s. gerneenheid. de palen houden. —blijven. corrected —, reehtwij Commons (kom'munz), s. de mindere man; (het) tend kompas. dipping miswijzend kompas. —box, kompasdoos„ —card, kompamroos. —needle, Lagerlatis; dagelijksche pot. ce (kom'mo-rens), a. verblijf, wo- kompasnaald. —saw, iijneznag. —stuff, boeghout. Co ► mor kromhout. —timber, —es, s, passer. a pair of —es, ning. — t, R. *woonhchtig. Commotion (kum-mo'sjun), a. beweging, op- een passer. schudding; ontroering. —er, s. onrustzaaier, Compass (kum'pes), v. a. omvatten, insluiten; beoogen; erlangen, bereiken. rustverstoorder. Commove (kum-moer), v. a. beroeren, veront- Compassion (kum-pes'ajun), a.inedelijden. —ate, a. —ately, ad. medelijdend. —ate, v, n. beklagen, rusten. deernis hebben met. COMID111/111 e (kum-mjoert'), v. n. zich onderhou- ke- tin), Compatibility kum-pet-i-bil'it-tih),a.bestaan-den, overleggen baarheid, vereenigbaarheid. s. mededeelbaarheid. —icabt e, a. mededeelbaar (to). --cant, s. A von d maalg anger ; Communi- Compatibl e(kurn-pet'ibi), a. bestaanbaar, atrookend. —eness, a. bestaanbaarheid; vereenigbaarcant. —irate. v, R. mededeelen (to); v. n. ge- heid. —, ad. gepast. meenschap hebben (will); ten Avondmaal, ter Cornmunie gum —ication (-ni kee'sjun), s. me- Compatriot (kum-pee'tri-ut), a. landgenoot, — , a. van hetzelfde land. detecting; beraad3laging; verkeer, gemeenschap. s. makker. —,v.a.evenaren. —icative ( ni-ke-tiv), a. mededeelzaam, spraak- Corapeer(kum• mina. —icativenesi (-ni-ke-tiv' ness), a, mededeel- Compel (knm-pel'). v. a. noodzaken; afdwingen onderwerpen. —lable, a. dwingbaar. —lation (lee' zaamheid, spraakzaamheid. —icatory, a. merle- sjun), a. wijze van aanspreken. —ler, s. dwinger. deelzaam. —ion (-njun). s. gemeenschap: A•ond- maal. —ion-cup, Avondmaelsbeker. —ion-table, Compered (kom'pend), a. kort begrip. (kom'mjoe-nizm), R. ge- Compendi ems (kum-peredi-usl, R. —ously, ad. Avondmaalstafel. beknopt, bekort. —ousness, a. bekuoptheid. —um, meenschap van eigendona. —ist (koni'mjoe•nist), s. kort begrip. a. communist. --ity, a. rnaatschappij; vereeniging; Comperes ate (kum-pen'seet), v. a vergoeden; (het) volk; gemeenschap. vergelden. —ation (kom-pen•see'ejun), R. vergoeCommutability (kurn•mjoe-te-bil'it-tih), a. vat- ding; vergelding. —ative, —story, a. vergoedend. baarheid om veranderd to worden. Commut aisle (lcum-mjoe'tibl), a. verwisselbanr. Compete (kum-plet'), v. n. mededingen; werlijveren (with). -ation (-teeajtin), s. verwisseling, verandering. —ative, a. verwisseling hetreffend. —e, v. a. ver- Compet enee (kom'pi-tens). —ency, a. genoegzaamheid; bevoegdheid; toereikend inkomen.—ent, wisselen, veranderen: afkoopen; v. n. boeten. a, —catty, ad, voegzaam, gepast; toerelkende be(-4joe el), a. wederzijdsch. voegd. —ition (kom-pe•ti•sjun), a. mededi ❑ ging Compact (kom'pekt), R. —/g, ad. dlcht, vast, a. verdreg, bedieg. saamgedrongen. Compact (kum-pekt'), v. R. nauw verbinden, Conpeti for (kum-pet'i-tirr), s. mededinger. s eni e nvoegee; v. e. etch snow verbinden. —edness„ —tress, —trix, a. mededingster. —ness, s. dichtheid, vastheid. —ure (-tjoer), a. Compilation (kom-pi-lee-sjun,) s. verzameling; samenflansing. bouw, samenstel, weefsel. Compile (kum-pajl'), v. a. verzamelen. —r, s. (bum. pee•dzjiz), a. samenstel uit Compages verzamelaar; opsteller. onderscheidene deeien. Companion (kum•pen'jtin), s. metgezel, mak- Coanpiacen ce (kum-plee'sens). — cy. a. voldoening, genoegen; inschikkelijkbeid; heuschker, here'. kaplutk; Bettor Itij den kajuitstrap; heid. —t. a. —tly, ad. aangenaam; vriendelijk; lantaarn. boon —, vroolijke kwant. —able, a, inschikkelijk. —ably, ad. gezellig. —ob/enees, s. gezenigheid. Complain (kum-pleen'), v. a. betreuren; v. n. —ship. s. vereettiging: kameraadschap. (of) klagen over. —able, a. beklagenswaard. —ant, Company (kum'pe-eih)), s. gezelschap, genoot- a. eischer, eischeres, —er. s. klager, klaagster, schen, maatechsppij, venpootschap; gilde; corn- pagnie; troep. to bear —, gezeischap houden, Complaint (kum•pleent.), s. klacht; beklag; kweal; ongesteldheid. to keep —, gezelschappen bezooken. —, v. a. ver- Co ► plaisan ce (kurn-ple-tens'), R. gedienstiggrueller; v. n. omgang hebben (with). heid; beleefdheid; heusch held. —t a. —tly, ad. Compara ble (kom'pe-rib'), a, vergelijkbaar (to) gedienstig; voorkome ❑ d, beleefd. —tness, a. wel—bly, ad. vergeliiketiderivijze. levendlieid; gedienetigheid, beleefdheid. Comp ► rative (kum-per'e-tiv), a. vergeliikend. s. vergrootende trap. —ly, ad. in vergelijkieg. Complain site (kum- plee'neet). —e, v. a. gelijk (effen, vlak) maken. (kum-peer ). s. vergelnking; gelnkents. Compare —, v. a. vergelijken (to. with). —, v. n. (with) Complement (kom'ple-ment), s. aanvulling; vol getal; volkomenbeid; voorr.d. —al (lcom-plewedijveren. ment'el), a. aanvullend. Comparison (ktim-perl sun), a. vergelijking; Complete (kum-pliet'), a. —1y, ad. volledig, vol. verhouding. gelijkenis. Compart (kern-pearl), v. a. afdeelee,verdeelen. homes. —, v. a. volledig, volkomen maken. —nets, a. volkomenheld, volledigheid. —intent, —meat, a, afdeeling., yak. —ition, (kom- Comple tion (kum-plesjun), a. voltooling; per-tis'sjun), s. afdeeling, afperking.
juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied. 

Wat is de prijs van Zcash

×