—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold
Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;
tat; dose, latest &SO, vat, ed. o dee. rmly, gereed waken. —by heart, van batten leeten. — the better of, It overhand krijgen op. — you gone, scheer je weg! (abroad) verbreiden. (away) verwijderen. (down) naar benedeu krijgen; inslikken. (from) verkrijgen van. (in into) inbrengen, inkrijgen. (off') wegkrijge.n; uithelpen; lobmaken. (o.) aantrekken. (out, uitkrijgen. (seer) overhalen. (through) doorkrijgen; ten etude brengen. (together) aamenbrengen. (under) bedwingen. (up) omhoog krijgen; doen opstaan; tot stand brengen. —, v. n. geraken; wooden; komen; gaan. — drunk, dronken worden. — into fashion, in zwang komen. — well, beter worden, herstelleu. (above) to boven komen; overtreffen. (abroad) behind warden. (away) itch wegmaken. (bark) terugkomen. (before) voorkornen. (dawn) beneden komen. (in) binnenkornen. (into) geraken in. (off) wegkornen, ontkomp. (on) voortkomen. (out of) komen (geraken) nit. (over) geraken over; overgaan. (through) doorkomen. (to) bereikon. (together) eamenkome ► . (up) near boyen ko,en (pan); opstaan. (up agates) her:Mlle.. Gett er (get'ur). a. voortbrenger; verwervet, verkrijger. a. voortbreuging; verkrijging; winat, verdienste. Gewgaw Igjoe i ga0), a. onbeduidend. ijdel. s. snuisterij, poppengoed, prui. Ghost NI tgaast'foel?, a. —fully, ad. akeilg. —tiaras, 1. afgrijselijkheid; doodsbieekheid. a. spooltachtig, afgrijselijk. Gherkin (guekin), R. agurkje. Ghost (goost') a. geeat; spook. —lines., a. gees telijkheid; spookachtigheid. —ly, a. geestelijk; spookaehtig. s. reus,—ess, Giant (dzjarent). a. reusachtig. a. reuzin. —ism (-izm), s. reuzentijdperk. —like, —ly, a. reusachtig. —ship, a. reusatittigheid; reusschc.p. Glaour (dziaur), a. ongeloovige, bond, (Beheld.naam der Christenen bb de Turken), •1,t, nude kater. Gib (gib'),s. oud, afgeleefd diet. —staff, echippersboora. Gibber (gth'bur), v., u. brahbeltaal pre.ten.—isk, a. bargoensch, onverstaanbaar; s. wartaal, bargoensch. v. a. tan de galg (dzjib'bit), s. galg, hek hten Gib ► oslty (gib-boe'it-tih), a. bolrondheid, buttigheid. Gibbous , gib'bus), a, bolrond; bultig, gebocheld. --ness; a. file Gibbosity. Gib e (dzjajb'), a. hoon,schimp. —e, v. a. hoonee; v. n. schimpen. —er, a. echimper. —ingly, ad. schirnpend, smadelljk. Giblets (dzjib'lits) s. afval (van gevogelte). Giddy (gid'dth), a. Giddily, ad. duizelig; darts), lichtzienig; onbeatendig. —brained, —headed, onbezonuen. —head, —pate, losboofd. dollernan. —paced, waggelend. —, v. a. duizelig makes. lifer., ogle (drjer'iegn, s. gierarend. Gift (gift(), s. putt', gift, geschenk; begattfdb!,id. —, v. a. begiftiken, begaven. —eh, a. begiftigd, begaafd. —edneths, begaafdheid; dweperij. Gig (g 7 g), s. sjees; draaitol; harpoen; scheepsboot; stratttloopster.
the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.
RM.—HOG. niggle (hig'g1)„ v. n. afdingen, knihhelen; road wen; venten. —dy-ptugledy, ad. het onderste boots, door elkander. —r, s. linger; venter. High (hen s. hoogte; hernel. the most —, de Allerhoogste. from —, van boven. omhoog. —, a. & ad, hoog, verheven; moeielijk; trotsch; streng; aterk; hevig, laid. to carry it —, eerie hooge bona zetten. — noon, voile middag. —aimed, groote plannen hebbend. —altar, hooga/taar. —blessed, gelukzalig. —blown, ongeblazen. —born, van aanzienlijke geboorte. —bred, deftig opgccoed. —church, s. anglikaansche kerk; a. streng episcopaalsch. —colored, hooggekleurd. —crowned. hoog van bol. —dish, fljn gerecht. —fed, stark gamest. —flier, geestdrijver. —flown, hoogmoedig; hoogdravend. —handed, verdrukkend, overheerschend. —land, bergland. —lander, hooglander. —life.„ de groote wereld. —lows, trooge echoenen. —mottled, ',wig, —minded, hooghartig; groot van ziel. —pad, struikroover. —priest, boogepriester. —road, straatweg. —seasoned, sterk gekruid. —spirited, stout, koen; trotsch. —stomached, hardneYktg, trotsch. —tasted, prikkelend, sterk sma kend. —treason, hoogverraad. —wale,„ hoog water. —way, groote weg. —way-man, struikroover. —wrought, keurig bewerkt. —ly, ad. hoog; zeer. —most, a. hoogste. —nest, s. hoogheid. Highty•tighty (hartih-tartih). ad. hol over bol, onbezonnen. Hilarity (haj-ler'it-tih). s. opgeruimdheid, vroolijkheld. Chiding (hii'dleng), s. ellendeling. Hill (hill')4 s. heuvel. —ock s. heuveltje. —y, a. heuvelachtig. Hilt (hilt'), s. gevest. —ed. a. met een gevest. Him (him'), pr. hem. —self, pr. hij, hemzelven. etch. Hind (hajnd'), s. hinde; boer, kuecht. —berry, braambee. —calf, jonge binde. Hind (hajnd . ). a. achter. —claw, achterklauw. —hand. achterhand. —er, a. achter. —ermosi, a. achterste. —moat, a. achterste. Hinder (hin'dur), v. a. hinderen, verhinderen (from, in). —once, s. hindernia. Hinge (hindzj)., s. hengsel. scharnier; apil. —, v. a. van hengsels voorzien; v. n. draaien, rusten (on, upon, om, op). Hinny (hin'trih), s. muildier. flint (hint), 5. wenk. to take the — den wank begrkjpen. —, v. a. aanroeren, aanduiden; v. n. Pen' weak gevea; (at) zinepelen op. flip (hip'), a. heap; haagbee. —bone, heupbeen. —gout, heupjicht. —halt, —shot, lendelam. —hop, ad. hinkepink. —stone. nierateen. —wort, navelkruid. —, v. a. ontheupen. —ped, —pied, a. miltzuchtig; zwaarrnoedig. Hippo eras (hip'po-kres ► , a. kruidenwijn. —po. tam., (-pot's-mus)„ s. rivierpaard. Hire (hair'), s. huur; huurloon. —. v. a. buren; (out) verhuren. --/ing, a. veil; gehuurd; a. huurling. —r, a. huurder. Hirsute (hir-sjoetl, a. ruig, harig; ruw. —ness, a. harigbeid; ruwheld. His (his), pr. zijn; de zijne, het zijoe. Hisptd (his'pid), a. ruw, boretelig. v. a. Hiss (hiss'), a. gesis; gejouw, gefluit,
127 hop, bezinksel. back—, achtergrond.fore—, yourgrond. — ash, geitevoet (plant). —bait, ace (voor visechen). —beetle, lo,pkever. —flea, aagdvloo. —floor, --story, gelijkeloer8-verdieping. —ivy, aardveil. —mutt, sporting van rnont. —nut, aard• noot. jonge elk. —pine, veldcipres. —plate, —sill, drempelstuk. —plot, grond; plattegrond; erf. --rent, grondpacht. —room, benedenkamer. --set, beneden-timmerwerk; kruiswortel. —shores, pastweek. —squirrel,swijn (op schepen). —stone, hoek steen. —tackle, grondtakel (om to ankeren). —tier, onderate laag. —toes, snuit, bed() (van hennep). —ways, stapelblokken. —work. grondslag. —worm, regenworm. • Ground (greaund'), v. a. gronden, grondvesten, (on, upon); onderwijzen fin , ; afzetten (het geweer). —., v. n. aan den grand loopen. —age, s. havengeld. —ed, a. -edlY, ad. gegrond. —less, a .—lessly, ad. ongegrond. —lessness, s. ongegrondheid.--ling, a. grondeling; geringe man. Group (groep'), a. *ellen, hoop. —, v. a. groepeeren. —ing, s. eroepeering. Grouse (gram), A. korhaau; hazelhoen. Grout (grout), s. grofmeel, gort; donne kalk (urn to voegen); bezinksel; ongegist bier. —, v. n. voegen. Grove (groov), rts. boschje; loon. Strove' (grov'vl), v. n. kruipen. --ler, a, kruiper; loge ziel. —ling, a. kruipend; laag, gemeen. Grow (gro) [grew (groe). grown (groon)], v. a. doen gronien, telen; v. n. groeien, wassen; toenemen (in); entstaan (out of); worden. (up) ontetaan; opgroeien. (uon) to machtig warden. — short, aloe men. — into fashion, mode worden. — into favor with, in gunst komen bij. —out of fashion,uit de mode geraken. -- out of use, in onbruik komen. —er, s. die of tat groeit; teler, bouwer. v. a. door geknor Growl (grool'(, 8. geknor. ultdrukken; v. n. knorren, grommen. —er, a. grommer; knorrepot. Grown Igroon), a. begroeid; volwassen. —sea, hooge zee. Growth (grooth), a. groei, weadom; gewes. Grub (grub"), a. made; dream.. —s, a. mulzenissen. —, v. a. nitgraven, rooien, uitroelen (up). —, v. n. graven; re oegen. —ber, 8. grave7; zwoeger. —street, s. slecht geachrijf; a. prullig (near eene strata in Londen, wear weleer vele broodschrljvers woonden;. Grudge (grudzy), s. wrok; nijd, wangunst; knaging. to bear a —, wrok voeden. —, v. a. mi.gunnen; met tegenzin geven, nemen of toelaten; a. n. morren (of); ouwillig zijn. —r, s. murder, nijdigsard. Grudgeons (grudzj'unz), 8. zemelen, grint. Grudging (grudzyieng), o. afgunrt; wrok; tegenzin. —ly, ad. met weerzin. Genet (groe'il), e. haven-gortpap; meelbrij. (grull'i, a. —ly, ad.lituursch, norech. —nes*, G a. stuuvechheid. Ga- nan (gram'), a. —ly, ad. gemelijk, stuurseb, bench. Grumble (grum'Id), v. n. morren., knorren (at); rommelen. —r, 8. knorrepot. Grumbling (grum'blieng), 8. gemor; gerommel. —ly, ad. morrend, grommend.
—ned (-mane), a. verwijfd; onbemand. —nered (-nurd), a. —forty (-nur-111, ►, a. & ad. ongemanierd, onmanierlijk. —neriineaa (-nur-11.), a. ongemenierdheid. Unmeasured (un-rne, joerd'), a. onberneat. Unmet keel (nu-msarkt'), a. ougemerkt. —red (-maard'), a. onbeschadigd. ongeachonden. —Tied ( meerid), a. ongehnwd. —ry (-mer'rih), v. a. scheiden. Unmasculine (un•mes'irjoe•lin), a. onmanne!ijk. Unmask (un- reaaek'), v. a. & n. (etch) ontmaekaren. —ed (-nunekt'e, a. ontrnamkerd;ongemaskerd. Uomast (un-mean;'), v. a. ontnuteten. —ed, a. sonder mast. U lamteaster able (un-maas'tur-lb1), s. onbedwingboar. —ed (-turd), a. onbedwongen. Unmatch (un-meter), v. a. ontparen. sebeiden. —able, a. weergaloos. —ed (-metejt'), a. wagspa ard; onvergellj kelb k, zonder weerga. Unmeen lug (nn-mien'teng), a. niete beteekenend; dweae. —t (-ment'), a. niet gemmed. Unaueaaur able (un-mesrotr-ibl e -mesrur-). a. —ably, ad. onmetelijk. —ableness, a. onmetelijkhaid. —ed (-nerd. -nod), a. ongemeten. Unlinked Hated (un-med'i tee-tid), a. onoveriegd, onoverdaeht. —dling (-Cleng), a. niet bemoeiztek, zich nlet iniatend. Unineet (un-inlet'), a. —ly, ad. ongepaet, ongesehikt (for). —nese, a. ongepastheid, ongeschiktheld. Unmellowed (un-mellood), a. niet murw, niet Unmelodions (un-me-lo'di-ua)...onwelinidend.

ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-
Broth (broth), s. vleesehnat. Buff (buf), . buffelleder; lichtgeel. brothel (brotia'11), a. bordeel. Buffalo (bufle-lo), a. buffel. Brother (brutieur), a. broeder. —in-law, schoon- Buffer (bur fur), s. ntootkussen. broeder. foater zoogbroeder. —hood, a. brae- Buffet (burfit), e. vuistslag; buffet. —, v. a. derschap. —ly. a. broederlijk. atompen; v. n. boksen. Brow (beau), s. wenkbrauw; gelaat; bruin. Buille-headed (butt-hed'id), a. dom, koppig. —beat, v. a. uit het veld slaan. —bound, a. ge- Buffoon (buf-Coen'), a. potsenmaker,hansworst. krooud. —ery, s. potsenmakerij. - Brown (braaun), a. bruin. —bread, roggebrood. Bug (bug) a. wandluis. —bear, bullebak. —gy, —George, kommiesbrood. —stout, .ware porter. a. vol weegluizen. —gy, a. sjees. —study, diep gepeins. —wort, brunelle; opera- Bugle (bjoe'gl)., a. jachthoorn; merle glaskraal. braid. —jab, a. bruinachtig. —horn, jachthoorn. Browse (hrauz), a. voorjaarsspruitjes. —, v. a. Bugloss (bjoe'glos), s. ossetong (plant). afvreten; v. n. frozen. Build (bild) [built (WIC], v. (a. bouwen; v. a. Bruize (brae.), a. kneuzig. v. a. verplette- (upon) zich gronden, veriaten op. —er, a. bonren, kneuzen. —wort, kneuskruid. —r, a. bok- war. —ing, a. gebopm. aer; slijpschaal. Bulb (bulb),: a. bloembol. —nue, a. bola:010g. Bruit ( broet), a. gerucht, geraas. —, v. a. rucht- —ous plant, bolgewas. hear waken. Bulge (buldzj), a. bulk; lek. —, v. n. ultzwelBrusnal ibroeimei), a. winterachtig. len; lek atooten. § —r, a. vlakte; groot geBrunt (brunt), a. schok; geweld; slag. vaarte. Brush. (brusj), a. borate]; penseel, kwast; ocher- Bulimy (bjoe1i-mih), a. eetziekte. mutseling. blacking schoenboratel. —, v. a. Bulk (bulk), 8. omvang, ruirnte; manna; (het) 8chuieren. borstelen, (off. up); kladschilderen. geheel; hoofdgebouw. to break —, last breken. —, v. n. wegeluipen. —maker, berstelmaker. —head, hc8chot. —iness, a. omvang, grootte. —y, —wood, kreupelhout. —y, a. rulg, boratelig. a. groot, zwaar, lijvig. Brastle (bras'!), v. n. knetteren, rutachen. § woekeraar Bull (boel), a. utter; misslag; Brutal (1,oe'tell, a. —ly, ad. dierlijk, wont, in actien —baiting, stierengevecht. —bee, —fly, onbeschoft. —ity (-tel'it-tlh), a. dierlijkheid, paardenvlieg. —beggar, bullebak. —calf, jonge onbeschoftheid. —ize (-sjs), v. a. & n. verdier- atier; hotterik. —dog, bulhond. —fight, stierenlijken. gevecht. —finch, goudvink. —head, domkop; butBrut e (broet), s. redeloos wezen. —e, —ish, a. lekop (visch). —'s-eye, venster; lichtgat. —'sredeloos, dierlijk. —ify (-ti-fej), v. a. verdierlij- ;fizzle, bullepees. —trout, zalmforel. —weed, paken, verstompen. —ishness, a. dierlijkheid, wont- pierbloem, vlokkruid. Bulince iboePles), a. wilds pruim. held. Bryony (brapo-nilt), a. Wilde wijngaard. Bullet cboePlitt, a. kogel. Bulletin (boePle-tin), a. dngorder. Bub bub), s. zwaar bier. Bubble (bub'b1), s. waterbel; nietigheid; bedrog. Bullion (boel'junl, a. onbewerkt goad of diver. —, v. a. bedriegen; v. n. opborrelen. —r, s. be- Bullock (boelluk), a. gesneden utter. Bully (boel'lih), a. windmaker; twiatzoeker. —, drieger. v. a, overbluffen; v. n. grootapreken. Bubo (bjoe'-bo), a. liesgezwel. Buck (buk), a. bok, mannetje; loog; fat. —, v. a. Bulrush (boePrusj), a. biea, lisch. in de loog zetten; v. n. paren. —ashes, long- Bulwark (boel'wurk), a. bolwerk. —, v. a. vereach. —basket, waschmand. —beans, boksboo- schansen. nen, waterklaver. —coney, damhert. § —eye, spot- Bum (bum), a. achterste. —, v. n. ]even maken. neon voor de inboorlingen van Ohio. —goat, —bailiff, dievenleider. —boat, groenteschult. geitebok. —ram, stijf linnen. —skin, boksvel;•Buinbast (bum'best), a. lappendeken. cohere broekstof. § —tail, naam eener staatkun- k Bumble-bee (hum'bi-bie), a. hommel. dige part!) in New-York. —thorn, kruisdoorn. Bump (bump), a, buil, gezwel. —, v. a. slaan, —wheat, boekweit. —ish, a. weelderig, wuipach. homen; v. n. geweld 'oaken. —er, a. voile baker. Bumpkin (bump'k(n), a. vlegel, lomperd. Bucket (buk'it), a. wateremmer. v. a. gespen; Bun (bun), a. zeker gebak, broodkoekje. Buckle (buk'kl), 8. gasp; krul. krullen; v. n. buigen, zich voegen. (for) zich Bunch (bunts)), a. boatel; bundel, boa; trots. —, gereed maken tot. (to) zich toeleggen op; zich, v. n. (out) zwellen,uitzetten. —backed, gebocheld. onderwerpen aan. (with) strijden met. —r, a. , -y, A. vol trossen. achild. n Bundle (bun'd!), a. bundel, boa, rol. —, v. a. Bucolic 11;joe-kol'ik), n. herdersdicht; dichter! bijeenbinden of pakken (up). van een' herderszang. —, a. herderlijk. Bung (bung), a. born, upon. —, v. a. toestoppen. —hole, apongat. Bud (bud), s. knop, kiem. —, v. a. enters; v. n. Bungle (bung'gt), a. broddelwerk; lompheid. —, botten. —ding-knife, entmea. Huddle (bud'd1), a. ertnwaschbak. —, v. a. ertai v. a. & n. broddelen. —r, a. knottier. wasschen. ;Bungling (bung-glieng), a. —ly, ad. broddelig. Budge (bUdij), s, lantsvel. , v. n. zich ver- I Bunk (bunk), a, toeslaande alaapbank. roeren. —, a. stiff, streng. —, v. n. !Bunt (bunt), s. bulk in een scheepl Budget (bud'zjit), a. indecent zak; staatibegroo- zwellen. —gasket, buikselsing. —ing, a. vlaggenLing. dock; viasvink. —line, buikgordla.
In preparing this little work for the press I have contemplated the supplying a want sensibly felt by our young students of English, especially by those who have no daily opportunity of eon. suiting a master. It has been my design to adopt this hook not only to the use of beginners bet also to that at the higher schools in our country. By a judicious use of the scope allotted to me I have endeavored to render this Dictionary as comprehensive as possible, and have exerted myself to give the greatest quantity of useful matter in the most condensed form. Therefore I trust it will be found to contain more words, Anglicisms and prepositions than any Dictionary of equal compass. Muth care has been taken in exhibiting the pronunciation of the English part. To those who are no strangers to this department of literature I need scarcely observe that my task was rather difficult, the more so as there is much diversity with respect to the pronuncletionofmany words. For this part I have had recourse principally to the Dictionaries of Worcester and Webster. Respecting words of various or disputed pronunciation 1 have either indicated the different modes or given that which is in accordance with the best usage, as far as it is possible to know this from personal observation. Much attention has been bestowed on the insertion of numerous prepositions that govern. and pronouns. They have been carefully compiled and arranged from the newest and best Mstionaries, Grammars and Manuals and will be found to take up no small portion of the work; and as the verbs active and neuter are easefully distinguished this point may be deemed a material end valuable improvement and one well calculated to enhance the usefulness of this Dictionary. Though having bestowed upon this book a great deal of labor, research and care I am well aware that it is in various respects defective. Apologizing for the typographical errors which, despite every effort to be accurate, may no doubt be detected in it, I venture to hope that it will receive an equitable judgment. How far I have euceeeded I humbly leave to others to decide, but if to all that are engaged in acquiring or teaching the English language this Dictionary shall prove an acceptable and useful assistant, I shall not regret having devoted my leisure hours to its preparation. T . P.
GEE.•-GEJ. gioue. — recht, canon law. —e settler. nun. —e, clergyman. v. clergy. Gametelane, be. spiritless, —held, Y. spiritless. nese. Geestendons, o. spirits. Goosing, by. & bw. witty (.1.1y). —held, v. wittiness, humor, wit. Ge14112W, m. yawn. —hunger, canine (ravenous) appetite. --en, on. w. to yawn, to gape. —er, —erd, en. —ater, Y. yawner, gaper. Getensell, s. trifling.; playing the hypocrite. Gefep, o. toping, tippling. Golladder, o. fluttering. Gelleetn, o. coaxing, wheedling. Gollikker, o glittering, sparking, flashing. Gen odder, o. splashing. Gellonker, o. sparkling, twinkling. Getlulaier, o. whispering. o. whietling; warbling. Gefonkel, o. sparkling. Geruteel, o. trifling; ilddle-faddle. chiegadigde, m. & v. one that ie inclined to buy. Gegeouw, o. yawning, gaping. (lege von*, o. my. information, data. Gegilben, o. simpering, laughing. Gegli,o. screaming, yelling. Geginuegop, o. chuckling, titter. Geigoed, by. well-to•do, in easy circumstances. —held, v. ease, opulency. Gegons, o. buzz, buzzing, humming. Gegooehel, o, juggling. (demon!, o. throwing. lidegorgel, o. gargling. Gegrabbiel,o. scrambling. Gegrijn, o. weeping, wixtuning. (degrUes, o. grinning, grnmbiing. Gegrtirn, in weeping, whining. tlegrInulk, o. sneering, simpering. G egrusu, o. growling; Ai:siding. Gogrond, by. founded, welt-founded. —held, v. foundednees. Gehettai, o. hastening, hurrying. —, by. z:jn, to be in a hurry. o. chopping, mincing. Gelsokkel, o. stammering. Getinkt,o. minced meat. Geholie, o. intrinsic value, alloy, !standard; quality, condition. Gehenter, o. hammering. Gehard, by. hardened, tempered; hardy, inured. —laid, v. being hardened, — inured. Geh.trneet, be. in armor, mailed. Getsarrownr, o. wrangling, squabble, G ehnspel, o. reeling; quarrelling. Gebecht, be. attached (to). —laid, v. attachment (to), affection for). G•heel, he. whole, ell, entire, complete, total. - bw. wholly, entirely, quite, completely, to tally, utterly, — en al, altogether, entirely. —, o. whole; integer integral. over het —, upon the, whole, in the main, in het — niet, not at ail. Gehefint, o. secret, mystery. in het —, In secret, secretly, privately. —, by. secret, hidden, close, reserved. — gemak, water-closet, privy. —e read, privy council. — geneesmiddel, secret remedy, Arcanum, nostrum. —, law. secretly, In private.
BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Wat doet de S staat voor Bitcoin


kerkban. -.tory (-ne-tur-rib , , a. donderend; verFry (fraj'), a. school jouge vis..sehen; zwerm, echri kkelij k. troop; baksel; zeef. —, v. a. & n. braden. —ingFulmin a (foel'min), v. a. werpen; v. n. dondepan, braadpan. ren. —ie (-min'ik), a. knellene. Flange (fjoe'idzi). a. haardgeld. v. a. bedriegen. (off) Fulness (foerness), a. Nolte; solkomehheidTub (tab), a. dikkert. Fulsome (foel'aum, fureum), a. —ly, ad. waluitstollen. Zie to Fob. -ness, s. walgelijkheid. Fueate (fjoe'ket), —d (-keet-id), a. geblsnket; Ful rid (ful'vid), —cons, a. donkergeel. vermomd. Fumado (fjoe-mee'do), s. gerookte vise.h. Fiscus (fjoe'kus), a. blanketsel; vermonaming. Fumago (fjoe'snidzj), s. schoorsteengeld. v. a. drunken maker'; v. n. itch Fuddle (fud'd!), Futnbl a (fum'bi), v. a. onhaedig belottidelen, bedrinken. —r, s. dronkaard. fommelen; (up) samenfommeten. —, v. n. friemeFudge (fudzj), s. bluf; onwaarheid. —, v. n. len, tasten (for, noar); sensation; onhandigomfat! onzin! bluffen. Fuel (fjoe'il), s. brandstof. —, v. a. van brand- gsan (with). —er, s. fommelaar, onhandig menech. —ingly, ad. lomp. etof voorzieu, cordon. —ler, a. etoker. Tunnel ous (fjoe-gee'sjus),a. vluchtig. —nuances, Fume (fjoetn'), a. rook, damp) toorn. —, v. a. rooken; berooken; v. n. rooken; toornig zijn, —ty (-ges'it,tih), s. vluchtigheid. razen; (away) verdampen —t (-it), 8. wildreuk; Fugitive (fjoe'dzjit-tiv), a. vluchtig, onbestendig. wilddrek. a. vluchtigheld. a. vluchteling. Funild (fjoe'mid), a rookerig. —ity it-tih), Fugue (fjoog). s. fuge. a. rookerigheid. (fesibll, a, stutbaar. Tolerate (furkret), a. met op den grond han- Futniga to (fjoe'mi.geet), v. a. berooken. —lion (-gee'sjun), s. berooking. gende takken. Fumingly (fioe'mieng-!ih), a. wooden& Fulcrum (ful'krum), a. stet; eteunnunt. IP unit (foci-fir), v. a. vervullen. —ler, a. volbren- FUnAltiti (fjoe'misj), a. rookerig; driftig. Funslt er (fjoe'mi-tur), —nry, a. aardrook. ger. —ntent, a. vervulling. Fuse ous (fjoe'mus), —y, a. dampig, rookerig; Fulirauglit (foel'fraot), sa. ruim voorzicn. ( hoPPig• Fagg envy Fun (fun), a. boert, jok,grap.for (in) —,uit kortsa. glans. —ent, —id, a. blinkend. wijl. to make a — of, voor don gek houden. Tselgur (furgor), a. glans, schittering. Fulgura to (fol'gjoe-reet), v. n. schitteren, stra- Funambulist (fjoe-nem Woe-list), a. koorddanaer. len echieten. —tion (-ree'ajun), a. schittering; Function (funk'sjun), a. beroep,embtsverrichting. —ary, a. ambtenaar. blikseming. Fund (fund), a. fonds; kapitaal. public —s,staatsFoligleions (fjoe-lid'zji-nus), a. roetachtig. sehulden. sinking —, delgingsfonds. —, v. a. in Fullinart, sic Foumart. fondsen beleggen. (fell'), a. vol.; verzadigd; geheel; volkomen. —, a. voile meat; toppunt; geheel. —. ad, ten voile; Fundament (fun'de-ment), a. grondstag; achtervolkomen; zeer. —scorned, met eikels gemest. ate. --al, a. —ally, ad. (-ment'el-), oorapronke-blood, volbloed. —blown, in vollen bloesem; ink; grand-. gezwollen (door den wind). —bodied, lijvig (van Fuser sl (tjoe'nur-el), a. eene begrafenis betref• fend; a. begrafenss; lijkplechtigheid. —cal wijn). —bottomed, ruim. —butt, ad. regelreeht, ri-el), a. tot eene begrafenis be.hoorend; akelig, climb tegen; a. § botsing. —cry, in vollen ren. treurig. —dress, gala•kleeding. —dressed, in groat koatuum. —drive, in vollen ren. —eyed, met groote, nit- Fungic (fun'd.zjik), a. van paddenstoelen. — acid, pssitende oogen. —faced, met eon vol gelaat. kampernoolje-zunr. —fed, doorvoed, vetgemest. —fraught, ruin voor- Fong oslty (fun-gos'it-tih), a. sponsaehtigheid; zien. —grown, volwassen. —hearted, vol mood week uitwas. -0U8 (fun'gus), a. eponsactitig; nitgroeieud. -us (fun'gus), s. paddenstoel; uitwas; (hoop). —hot, gloelend heet. —manned, geheel wild vlee..(ch. bemand. —moon, voile maan. —mouthed, vol (zwaar) van stern. —orbed, met geheel verlichte Funlc le (fjoe'nikl, a. anoer; vezel. —slat (-nib' joe-ler), a. vezelig. Bes(ir. —power, volmacht. —speed, met den mees- ten apoed; in vollen galop; vol werk (van eon Funk (funk). s. stank; groote verlegenheid. —, v. a met stank vervullen; v. n. stinken; bang zijn. stoomwerktuig). —spread, bree. uitgespreid. — summed, volsedig, § —swing, overwicht; yolk°. Funnel (fun'fli1), s. trechter, Piiin hap op eene mane bebeeraching. — winged, met aterke vleu- echoorateenpijp. Fuun lay (fan'ai(-111), ad. —y, a. grappig, kluch• gels; ijverig. tir. —y, veerpont. (toell"), v. a. vollen. —age, a. volderalaon. te. pelterij, bont; beslag —er, a. lakenvolder. —er's-earth, vol-garde. Fur (file), a. bouten. (op de tong). —cap, pelsmuts. —cloak, mantel —cr's thistle, kaardedistel. —ing-mill, volmolen. met bont. —, v. a, met bout bekleeden; doen Fully (foellih). ad. ten voile. (ful'mi-nent.), a. donderend. —te bealaan; dubbelen (een schiP). Fulminn rat (-fleet), v. a. doen ontploffen; uitwerpen; ver- Furael ous (fjoe-ree'sjus), a. diefachtig. —ly oordeelen; uitbulderen; v. n. ,londervn; ontplof- 1 (-realt-tih), a. diefachtigheid. fen; den banblikaem sltngeren; razes, bulderen.; Furbelow (for'be-lo), s. falbala, strode. — ling - powder, donderpoeder. --lion (-nee'sjun),' 11 , ssrbtsslis (fuebiej), v. a. polijsten, bruineeren. e. brisineevder, zw serdveger. er.fineter; costploftlne'; ,4, cendig)ng van st,
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.
Z7.3 Shrew (sjroe), a. feeka, helleveeg. —, —mouse, Shuttle (ejut't1), e. achietspoel. —cock, pluimbal. s. —1y, ad. schuw, beschroontd, be• spitsmuis. Sh}' .1; ft hterhoudend; achterdoehtig; onnichtig. d Shrewd (ejeced.), a. —1y, ad. slues, listig, loos, v. n. chlchtig zijn (worden). —tires, schuw—nem. e. sluvrheld, lnosheid. achterhoudendheld; beachroomdheld; held, Shrewigh (ajroe'nj), a. —ly, ad.twistziek, snib re.hichtigheid. big. heftig. —ness, a. twistzucht, heftigheid. Shriek (ajriek), s. gii. —, v. n. gillen,achreeuwen. Siblin nt (sin'i-lent), a. sirsend; s, sisletter. 1-leo'ajuu), a. closing. Shrleval (sjrie'vel), a. van eels.' sheriff. —ty, Sibyl (etb'il), a, atbylle, waaraegater.;—lice (-lajn), sheriffschap. a. eibyllijnach; voorapeliend. Shrift (ejrift), e. biecht. Sive ate (sikikpet), v. a. drngen. —alive ( ke-tivl, Shrike (sjr)k), a. steenvalk, sperwer. a, & a. opdroogend (middel). —ity (-sit , tih), a. Shrill (airiil'). a. —y, ad. achel, aehrii. —, v. a. drropte, mat eene sehelle stem zingen of uitspreken; (forth) uttgillen; v. n. gitlen. —ing, a. gillende Sick laik'), a. ziek; mtsFelijk; (of) moede. —.en taik'Ic ► l, v. a. & n. ziek waken (worden). —ish, toot, —nese, a. schelheid, actirithetit, a. ziekelijk; misselijk. —liness 1 1 1- noes). a. . 1 . Shrimp (ajrimp), a. garnaal, dreumes, kelkjkheid. --ly a. & ad. zie4elijg. —ness, a. Shrine (sjrajni, reltquientaitje; aitaar. tinkle; mimaelijkheid. Shrink (sjrink), a. krimeing, rimrel; huivering. a. Nikkei. Shrink )ajrink I [shrunkj,v • a- then sanientrekken Sickle (krimpen); (up) °p ► ilter]. (de schnudera); v. a. Side isajd'i, a. zUdeltugsch; zij-. —, a. Ode., karat; part'). —by —, naast elkand.er. —arms, pl. zijdkrimpen, 'neon krimpen; sidderen. (at) zich opt- geweer, —blow,. clog van ter aijde, —board, hut. mitten over. (from) terugdeinzen your. (under) bezwijken onder (up) ineen krimpen. duig. —box, zij-loge. —counter, windveer. profiel. fish. @cheat, %yang (v.n eel , ' CaArore, ahriv,zn tsjriv'n)], v. a. & Shrive mast). —glance, zijdelingische bilk. —lantern, biechten. —r, s. bieehtvader. a)agianiaarn. —lays, p1. verache jachthomden. Shrivel (ajriv 1 11, v. a. & to rinapelen; krimpen. Shroud (mica. d'),e.dood kl eel; bemehuttl ng. —cleat, —notes, k ant tep,kenibgen. —rope. viclreep.— saddle, teoneelscherm, couitsze. Trouc•enl3del. wanthiamp. hook, wantiaaak. —knot, w:tntknoop. titan, helper (tan den. Boater); —shoot, zijloot. —stopper, wantsto p per. —taek/e, wanttaice. partkjaihn. —stick, bindsteeg. —taking, het kit —truck, wontk)oot. —. v. a. bekieeden, :Len tan partij. —treed. p1. zijstukken (yen eon' ken; verbergen; beechutten; v, a. zic ► verbergen; voetgeziehr van ter :dia.,. mart). beachutting zoeken. --a, pl. want., hoofdtouwen. elui- ►neur. — wind, zilpad voetstraat. Shrove (ejroov'), a. Vacten. —nundag, eerste urn- wind. —, v. a. vierkant snakes; ondereteunen, ch); In 'de Vasten. --tide, —tuesdag, dog v(56r de kiezen; t; v. n. overhellen; part',) hr t houden Varsten, vastenavond, yaw—Zing. (with , partij iciezen voor; op de zijde Shrub (mirub'), a. attnik, heez ter: drew., (Noon a. zij waartsch, Odeft. iteltend, schutia. van) punch. —, v. a. van arraiken zuiveren; af- lingsch; ad. zkjwitart.m., ail aelings. —ways (-weed, cameos. —berg(-bur-rih), a. hers ,. erplantsc..n. i-wajz), ad. van i,er zijde, —wise a. atruikachaig; vol struiken oaf heesters. Sider at (eid'ur-el), —col (-Vri-e1), a. sterren-. Shruff (Oreff),•s, metaalachuim. —aced, a. verweerd, verzengl. —corophy (-ug're& n. Shrug isjruga, a. schouderophaling. fili), a. ataaigraveerkunst. (de ac)touders) °Otten. Shudder lajud'dur)... rillinhr, siddering. —, v. n, Sidle leardlt, v. n. zildelings loopen. Siege (siedzj), a. beteg; belegering; aetei. huiveren, sidderen (at. with). a. door8chtubtirg, liat, kunst- Sieve (sir), e, seer. ShssM e v. a. sitters; onderzoehen. uitpluizen; grcep. —e, v, a. dooreen echudden; verwatren. Sift poleen; (Gut uitvorachen. —er, a. titter; uttplui(away) heimelijk wegmaken. (in) op eene lintfge zee; meeibuil. wijze inbrengen. (off`) van tick afschuiven, tick (saj), a. zuclat. —, v. u. zuehten ?at, over); v. n. het- —e, armaken van. (up) samendansen. (after. for) haters► aelen; de koarten doorschieten; wa;rgelen; ducal- op richt. by--, en, uitviuchten znekeit. (off') zieh wegpakken. Sight kaajt!), a. geziehti vizier. a t vat, aenzien.. —'s-man, die van het bled ziugt of (through) doarheen slaan,—woratelen. (up) oproe- s; eelt. —less, a. blind; --live. rig lkjeenkomen. —er, s. deorschudder, heart- a. bekoorlijk, --ly, neon), a. bekoorlijkheld. bedrieger. —ing, a. —ingly, ad. Hotly, be- oogelijk. driegelijk, op eane mlinksche wijze; waggelend. Sigh (ard'zjil), s. zegel. —ing, a. ultvlucht, draaierij. Shun (,.fun'), v. a. verreijden; vlieden, schuaven. Sign is,j1.0)„ s. teeken, merk; went.; uiti► angbord; hainctteekening. —post, onite ► leeliening. —less, a. onverrnijdelijk. v. a. mijipaal; post van can uithangbord. 'Aiwa (njunt), v. a. op Pen an.ler spoor brengen. te,konen, merke ► ; ondertee)ienen; aantoonen. s. Shast Wet), a- ges.loten; vrij, bevrijd. Signal tsig'nel), a. teeken, nein. —, o. —tit, ad. tang; deksel, klep; deurtje. uitstekerni. --ize (-ajz), v. a. doeu ultblinken; Shut (siut 3 ) [shut], a. a- aluitea, dichtmaken; be- onderscheiden. aluiten; lasschen. (from) utteluiten van, (in) in- eluiten. (out) uitsluiten. (up) opslui ten; dieht- Signature (si,ene-tjonr), a. handteekening. v. n. zieh aluiten., dichtgaan. —ter, Signer (aajteur), s. onderteekenlar. eluiten. Signet (aig'ult), a. zegei. —ring, zegelring. a. eluiter; veneteriulk, Wind.

ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),


PRE. a. (jveraar voor de booge geeatelijkheid. —lure (-tjoer), 8. waardigheid van prelaat. Prefect (pre-lekt'). v. n. eene voorlezing houden (upon). —ion (-lek'ajun), a. voorlezing, — or, B. voorlezer, lector. Prelibation (pre-laj-bee'ajun), a. voorsmaak. Preliminary (pre-lirn'i-ne-rih), a. voorafgaand, inleidend. a. voorloopig punt, voorloopige stap, PreIts de (prel'joed), a. voorapel; inleiding. —de. (Pre-ljoe.1), v. a. & n. preludeeren; iuleiden; voor berei den. —dial,—sive,—sory, a. (-pre-Joe'-) inleidend; voorbereidend. Pr emniur a (pri-me•tjoer'), a. —ely, ad te vroeg rijp; ontijd;g, voorbarig. —sty, a. ontijdiaheld, voorbarigheid. Premedita to (prented'i-tet),..—teiy,ad.vooraf overlegd; voorbedachtelijk, —te(-teet), v. a, & n. vooraf overleggen. —tion (-tee.sjun), a. voordacha, voorafgaand overleg. Premices tprem'ia-lz), pi. eeratelingen. Premier (pri'mjur), a. eerate minister. Premise (pre-maje), v. a. voorop stellen. vooraf ala praemitsen stellen. —a. (peeinilaten 18-'.!2), pl. voorop gezette atellingen, praemissen; htitt hula en erve. P,etnium (pri'mi urn), a. premie; belooning. premonl 811 pri-mon'isj), v. a. voorat waarschuwen. —shinent. —Con (-mo-nisrun). a. voorafgaande waarachuwing. —tare ,,.(-i-tur-rth), a. voorat vvartrschu wend. Premunstrate (pri•mon'street), v, a. vooraf toonen en bewijzen. P,eatorse (pri-more), a. getand, aftebeten. PrenaDtkon (pre.mosejun), a. aandrift. Prom4ini re (pram-joe-narrih), a. verbeurdver,larin•; misdeed, die met verbeurdverklaring pri..:estraft wordt; uiterste verlegenheld mjoe-nisrun), a. voorkoming cener tegenwerrdnif-tory (p •a-rnjle'ni-tur-rih), a. eene geldboete vastatellend. Pr ...Ult. to (pri-nom'i-neet), v. a. vooraf lenoeraen. —tion (-nee'sjan(, a. ,.voorstgeanae henoeming. Prenotion (pri.no'sjun,, a. voorkennia; voorsmaak. P ,ene lee (pratetts), a. [& v. a. Lie Apprentice P eeobtain (pH-ob.-teen'', a. a. vooraf verkrijgen. Preoccup ancy (pri-olt'kJoe-pen-sih), a. 'roegere In-bezit-neming. —ate (greet), v• a. die to Preoccupy, —ation vroegere in-bezit-rzemIng; vroeger bezit; vooringenoneenheld. —y (-paj), v. a. vroeger in bezit neaten, voorinne rnen. Preorninate (pri-om'i neat), v. a. voorapellen. I.reopinCon (pri-o-pin'jun), a. veroordeel. Preoption (pri-op'e)un), a. voorkeur. Preordain (pri-ur-deen'), v. a. vooraf beachikken. — verordauen. Preurdina nce (prt-or'di newt), —lion (-net, qua), s. vroegere beachlkking of verordening. —te (-net), a. vooraf betchikt. Preparat ion (prep-e.rees'ajun), N. berelding; voorbereiding; toebereldsel; voorbereidbeid, (for;. a. —ively, ad. (pre-pers tiv-), —ory, a. --oray, ,td. (pre-per'e-tur.), voorberetdend, voorloopig (to). —iv* (pre-per'e-tiv), a. toebereidael

Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.

—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,


Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.

Hoe zet ik mijn Bitcoins in cash


Korokommer, a. encumber. Kosninn, a. lit o.'comma. —punt, seem-colon. Konansnnd ant, m. commander; governor. —acres, ov. & on. w. to command. —ear, m. commander, COMmodore. Komnier, m. trouble, sorrow, grief; hare-dung. —rijp, hardly ripe. —/iele, by. & bw. sorrowful (-lye, distresefol (-1y), cumberso,ne, scanty (-ly), pitiful (-ly). —loan, by. careless, anconcerne —xis, Y. trouble, sorrow, grief.

v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e


382 Annvilegen, or. yr. to fly at, to rush upon; on. w. to fly (against). !contest , to fly (to ruehi hither. Annvioelen,on.sv to flow hither; (tegen) to wash. Annvoeg en, ov. w. to join, to annex; coder —, to subjoin. —end° 100, subjunctive mood. —lug, v. jointng, annexation. —sel, o. addition, appendix, supplement. etnnvner, m. arrival, enpoly,importation. —der, m. —ster, v. importer; commander, chief, leader, gui , e. --en, ov. w. to hr:ng hither, to import; to command, to head, to lead (on); to allege, to quote. —ing, v. importation; command, lead; allegation. Aanvrn sg, v. demand, order, application. Annveng vet, or. w. to order; to collcit, to request, to ask for. —er, n. requester. .trerevrlez en , on. w. to freeze to. Annvul ten, or. w. to fill up, to replenish; to eupply, to complete. ---iing, v. fi(lIng (op); completion. —eel, o. complement, supplement. A an -eur en, CY. w. to stimulate, to incite, to in • flame, to excite. —ing ,v. rettenutation a inciternent, excitation. Annwn mien, ov. w. to blow hither; to blow at, — upon; to blow (against!.; on. w. to come unawares; to set intuitively. Annevekker en, ov. w. to animate, to enliven, to cheer up; on. w. to increase„ to grow brisker. —ing, v. animation; increase.; Anne-vas, in. growth, iliCYPANO, accretion. —sett, on.w.to grow (to); to increase, to Augment; to rise. Anowellen, or. w., to weldto. Annwend en, or. w. to employ, to use, to bestow, to apply (to); cites —, to use all one's endeavors. —ing, v. application. Annwen nen, ov. V7. to accustom (to inure) to, —swig, v. accustoming. —eel, o. habit. Annwentelen, ov. w. to roll (against`,; to roll hither. Annwerken,ov.w.to join cl oseonew.towork hard, Annwerpen, ov. w. to throw (against); to throw hither; to slip on. Annwery en, 07. IV. to engage; to levy, to en list, to recruit. —er, tn. recruiter. —ing, v. re. erasing, enlistment. Ann wee en, ov, w. to weave to. Annwex en, o. being, existence, presence. —end, by. exietent; in office; present. —ig, be. meant. —igheid, v. presence. AnnwUseter, v. Zie Annwtjeer. Anyawken en, ov. w. to indicate, to point Oct; to assign; to demonstrate. —end, hr. demonstrative. —er, m. indicator; essignerOnformrr, index. —ing, v. indication, pointing out; aesignatioa; information. Annex I n den, ov. w. to wind hither. — close. Annwin nen, or. w. to gain, to win; on. w. to improve. —et, v. gain, profit; improvement. Annwtp pen, on. w. to totter (against). honsen to approach skipping. Annwitten,ov. w. to white-wash. Annwriav en, or. w. to rub (st. itgainst); to impute to —ing, v. rubbing again,t; imputation. A tanzanden, or. to cans. Annzeg gen, oe. w. to announce, to signify, to notify, to glee notice of; Wen —,to sent. word men toe het hens niet —, he does not look like it.
DIgnifleatIon (dig-nit-fl-kee'ajun), a. verlielling. Desna fled (dig'ni-fajd), a. doorluchtig, hoogwaardig. —fy (-fall, a. a. verhoogen, verheifen. —tarp, a. waardigheidsbeklee der; kerkvoogd. —ty, a. waardigheid. Digraph dargref), e. tweeklank. Digress (di-gress"), v. n. afwijken; uitweiden. —ton (-ajun), a. uitweiding. —ire, a. —irely, ad. uitweidend. DUudicat a (di-dzjeredi keel), v. a. vonnisaen, uitwijzen. —ion (-kee'sjun), a. uitwijzing, vonnis. Dike (dajk), a. grach', greb; dam. —, v. a. inAiken. Dilaoerat e (di-les'ur-eet), v. a. vaneen scheuren. —ion (-ee'sjun), 0. vaneenacheuring. Dilapidat a (di-lepii-deet), v. a. omverhalen; verkwiaten; v. n. vervallen. —ion (-dee'sjun). s vervalling; sleeping; doorbrenging. —or, a. Blooper; doorbrenger. Dilat ability (di-lee-te-bil'it a. uitzetbaarheld. —able, a. uitzetbear. —ation (dil-e tee'ajun), a. uitzetting. —e (-leet'), v. a. doen uitzetten, verwilden; v. n. uitzetten; uitweiden. —or, e. verwijder. —oriness (diPe-tur-), a. traagheid; talmerigheid. —orily, ad. — ory, e. (dille-tur-) traag; vadzig; talmerig. Dilection (di-lek'mjun), s. innige genegenheid. Dilemma (di-lem'me), a. klemrede; verlegenheld; dilemma. Dilettante (dil-et-ten'te), a. dilettant; lief hebber. Diligen ce &Jens), s. vltjt, naarstigheid; reiswagen. —t, a. —fly, ad. naaratig, vlijtig. Dill (dill), a. dille. § —, v. a. bedaren; lenigen. Dilly-dally (diPlih-del-lihl, v. n. talmen. Dilucid (di-ljoe'sid), a. klaar, holder. —ate, a. a. ophelderen, verklaren. —alien (-dee'sjun), a. opheldering; toelichting. Diluent (dilloe-ent), a. verdunnend. verdunnend middel. Dilut e A. dun, 'ierdund; v. a. verdunnen, aanlengen. —er, a. verdunner; verdunnend middel. —ion (-1joe'sjun), s. verdun• aanlenging. Diluvl al (di-ljoe'vi-el), —an, a. den zondvloed betreffend. Dim (dim'), a. —ly, ad. duiater, • schemerig. —sighted, slecht van gezicnt. —, v. a. verduisteren. benevelen. —mish, a. duieterachtig; dof. —nes a. duiaterheid; kortziehtigheid. Dime Itlainf), a. een tiende dollar. DiMen sion (di-men'sjun), s. afmeting; omvang, uitgebreldheid. ---siOntesd, a. onmetelijk. —sity, a. uitgebreldheid, omvang. —sive, a. atmetend; do grenzen aanvvijzend. Dimidia te (di-mid'i•eet), v. a. halveeren. —tion 1-ee'sjnnl, a. halveering. Dimin ish (di-min'isj), v. a. verminderen, verkleinen; v. n. verminderen, afnemen. —ution (dim-i-njoe'sjun), a. vermindering. Diminutiv," (di-min'joe.tiv), a. —ly, ad. klein, goring; verkleind. a. verkleinwoord. —ness, a. geringheid. Dimiss ion (di-mis'sjun), a. ontslag; wegzending. —ory (dim'is-sur-rih), a. ontslaand; near sea' anderen rechtar verwijzend. Dimity (dim'it-tili), a. diemet.

adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
I. Each (ietsj), pr. elk, ieder. —other, elkander. Easy (ie'zih), a. gemakkelijk; rustig; insehikkeEager (ie'gur), a. gretig; begeerig (after, of); ver- lijk; ongedwongen. langend (for. to); vurig; onstuintig; scherp. —ly, Eat (iet') [ate (eet). eaten (iet'n)), v. a. eten, opad. vung; scherp. —nese, a. vurig verlangen ; eten (up); invreten, doorvreten (in. into. through. gretigheid; seherpheid. out). —one's words, zij ne woordenherroepen•—able, E*vgle (ie'gl), s. arend. —eyed, —sighted, scherp a eetbaar; s. eetwaar. —er, a. star; bOtmiddel. van gezicht. —speed, adelaaravlucht. —atone, —ing-house, gaarkeuken. arendeteen. —t (te'glit), s. jonge arend. Eaves (ievz'), a. rand van can aflak; dakdrnp. Eagre (te'gur), s. springvloed. —chop, v. n. luistervinken. —dropper, a. luisEar (ter), a. oar; gehoor; ear. quick —, lijn ge- tervink. boor. over head and —s, tot over de ooren, to Ebb (ebb'), s. eb; afneming, vernal. —tide, laag have the prince's —, bij den vorst in gunst staan. tij. —, v. n. ebben; afnemen, vervallen. —jag, —ache, oorpijn. —drops, oorbellen. —lap, °oriel. a. (het) vallen (van het water); vernal, —mark, oormerk (bij seltapen). oorlepeltje. Chun (eb'un), a. ebbenhouten; zwart. —piercing, oorkweternd. —ring, oorring. —shot, v. a. als ebbenhout maken. —ist, a. kunstdraaibereik van het gehoor. —trumpet, oorhorentje. er. —y, s. ebbenhout. —wax, oorsmeer. —wig, oorworm; oorblazer. Ebri sty (e-brare-tih), —osity (i-bri-os'it-t1h), —witness, oorgetu ig e a. dronkenschap. Ear (ter) v, n. aren sehieten. Ebulli ent (e-bul'jent), a. overkokend. —lion Earl (urf), a, grant. —dam (-dum), s. - greafschap. (eb-ul-lisrun), a. overkoking. —marshal, graaf-maarsehalk (belast met het op- Eburnean (e-bueni-en), a. ivoren. zieht over militaire plechtigheden). Eccentric (ek aen'trik), —at, a. uitmiddelpunEarl Incas (tteli-ness), s. vroegheid. —y. a, & tig; zonderling. —ity a. uitmidad. vroeg, vroegtijdig. delpuntigheid; zonderlingheid. Earn (urn'), a. a. verdienen; verwerven. —er, a. Eccleslast es (ek-kli-zi-es'tiez), a. het bock Preverdiener; verwerver. —ing, —toga, a. verdict, diker. —ic, —ical, a. kerkelijk. --ic, a. geestesten, loon. lijke. —teas (-ti-kue), s. bock van Jeztta Strach. Earnest (ur'nest), a. —ly, ad. ernstig; ijverig; Echinate (ek't-neet), a. stekelig. gretig. --, a. ernst; onderpand; handgetd. in ii:chinus (e kaj'nua), a, zee-egel; atekel (aan good —, in vollen ernst. —money, handgeld; gods- planten). penning. —nese, s. ernat; ijver. Echo (ek'o), a. weerklank; echo. —, v. a. & a, Earth (urtle), s. aarde. —bag, aardzak. —bank, weerkaatsen; napraten. cordon wal. —board, pleegplank. —born, van Eclectic (ek-lek'tik). a. uitkiezend. —, 8. eeleede aarde geboren; aardsch; goring. —bound, - tints (wijageer). grondvast. —flax, a'niantateen. —nut, aardnoot. Eclip as (e-klips'), a. verdaistering, eklipa; dubs-quake, aardbeving. —worm, aardworm. ternis; v. a. verduiateren; oversehadrtwen. —tic, Earth (aril"), v. a. met aarde overdekken; v. n. a. den zonneweg betreffend; a. zonneweg. onder de aarde kruipen. —en (urth'ii), a. aarden; Eclogue (ek'log), a. herdersdicht. —ware, aardewerk. —iness, a. aardachtigheid. Economic (ek-un-nom'ik), —at, a. —ally, ad. —liners, aardsehgezindheid. —ling, is. eterve- huiehoudelijk; zuinig. -8,.. huishoudelijk beheer. a. aarasch; —minded, aardschgezind. Econom lst (e-kon'o mist), a. zuinige huishou-y, a, aardachtig; aardsch; zinnelija; grof. der; huiahoadkundige. —lee (-majz), v. a. met Ease (tea'), a. runt, gemak; ongedwongenheid. overleg gebruiken; spaarzaam zijn. —y, a. hulaat —, gemakkelijk. at hec.rt's near hartelust. houdelijkheid; huishoudkunde; goede inrichting; —, v. a. geruststellen; lenig,n; verlichten (from. spaarzaamheid; political —, staathuishoudkunde. of); vieren. —less, a. rusteloos. —ntent, s. ver- Ecsta sy (ek'ate-aih), a. verrukking. —tic, —tical, lichting, leniging. (-stet'ik.), a. opgetogen. Easel (ie'zI), a. schildersezel. Retype (ek'tajp), a. namaakao'; afdruk; atEwa! ly (te'zil-lih), ad. gemakkelijk. —near, a. beeldsel. gemakkelijkheid; rust; inschikkelijaheid; onge- Ecumenical (ek-joe-men'ikl), a. algomeen. dwongenheid. Edaci our (e-dee'sjus), a. vraatzuehtig. —ty East (test'), a. oost, ooatelijk. oost- (-des'it-tih), a. vraatzuc ittdie-vaarder. —, a. (het) Oosten. —ward (-wurd), Edder (ed'dur), a. bindrijs. v. a. opbinden ad. oostwearte. (met bindrijs). Easter ( ∎ est'ar), a. paschen. —day, paaschdag,. Eddish (ed'diaj), ook Eagrass en Etch, a, et-ere, paaschavonit. —fair, paaschmis, —monday. groen, nagras. paasehmaandag. —week, paaschweek. —ling, s. Eddy (ed'dih), a. ronddraaiend, dwarrelend.—, a. oosterling. —ly, a. & ad. oosterlij k. —n. a. tegenstroom, draaiko:k. —water, kielwater. —wind , oosterseh. dwarl•ind. —, v. n. ronddwarrelen.
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

Wat werd Bitcoins startprijs


SWO. —The. aenduidend; door kenteekenn. sterkste. —man, —amen (soordemen), krtjger, soldaat, —player, nchermer, vechter. —shell, Synagogue (aIn'e-gog), a. synagoge. Synchron al (aing'krun-e1)„ (-kron'ikl), steekblad. —stick, degenatok. —out, a. gelijktbdig. —ism, a. gelijktijdIgheid, Sworn (swoorn), a. betedlgd; gezworen; vet—ice, (-ajz ), v. n. gelijktijdlg zijn. trouwd. Sybaritic (nib.e-rieik), a. sybaritisch, wulpsch. Syucop ate, (sing'kup-eet). —ate, (ajz.)., v. a. Sycamore (sik'e•moor), s. plataanboom, wilde samentrekken. —e (-kup-ih), a. eamentrekking; flauwte. vijgeboorn. Sycophant (sik'o-fautl, a. vIeter, pluimetrtjker. Syndic (sin'dik), a. gemachtlgde; hootdman; Curator, syndikua. —ate, ( di-keet), v. a. veroor—it, (fent'll), a. vleiend, pluimstrtjtend. deelen; berispen. Gyliabite (11-leb-lk), —al, a. —ally, ad. letterSynod (aln'ud), a. kerkvergadering, synode. —al, grepig. —ic, ical (-od'ik-), a. k•inodal. a. 1ettergreep. --busye-bua), Synsx bie Synonym a (sin'o-nim), a. gelijkbeteekenend a. uittreksel, kort begrip. woord. (-on'i-majz), v. a. door synoniemen Syllog Ism (stinud-zjiem), a. aluttrede. —ist:ck, uitdrukken. —outs (•on'i-rcus), a. geltjkbeteeke—ital.?, a. —istically, ad. ( zjist'!k-), nend, aynonien, —y (-on'i-mih), a. geltjkhaid deck. —ire (-zjajz), v. n. sluitredenen maken van beteekenie. Sylph (silt'). a. luehtgeeet, nimt. —id, a. sylphide. Sylvan (eil'ven), a. hoechacht13; bosch•. a. Synop rtls (si nap'els), a. b ✓ knopt overzicht, kort begrip. —tical (Ala, a. aamengevat, een boachgod, eater; bosehbewoner. overzicht gevend. Symbol (atm"bul), a, kenteeken; nebeeld. --ie, —leaf, a. —leant+, ad. (-boi'lk-), zinnebeeldig. Synovy (sin-o'vih), a leawater. a- van de syntaxis (-ajz , , v. a. zinnebeeldig voorstellen; v. n. Sytet actical (tain-teetckl), of woordvoeging. —ado (aln'teks), a. syntax's, (in. with). overecheteknmen woordvoeging. Syaaanetr Ica1 (also-meerik1). a. trelijkmatig, —tic, Synthe Nis (sio'the-sic), a. samenstellIng. evenredig. —y, (aim-met'rik), o. gelijkmatIgheid, —tical a. —tically, ad. (-thet'tk..), eamenetellend, evenredigheid. verbindend. Sympathetic (taim-pa-thet'ik), a. —ally, ad. medegevoalend, deelnemend, in 't gehelm wer- SyrIng e, (eir'indzj), a. spuit. —e, v. a. spuiten„ inspulteu. —otoncy (-1ng•gut'um mih), s. kend. anode. S yan pat h Ire (sinfpe•thajz), v. n. medegevoelen, deelnemen, overeenetemmen. —y. a medegevoel, Syrup (air'up, s. airoop. stroop. System (sietim), a. ste)eel. —atic, —atical, a. dealnaming, verwantechap. —atically, ad. (-et'ik-) stelselmatig. —atist, Symphon lames Isim•fo'ni-ue), a. samenstem(-e-tilt —atiser (-e-taj• zur), a. steleelmaker. —atise mend, weiluidend. —y (aim'fun-ih), a. *amen(-e-tam.), v. a. tot een stelsel brengen, stelaeste mming, sy cn phonie. matig regelen. Symptom (eireturn), a verschijasel, kenteeken, ziektetecken. —atic, atical, a. —atically, ad. 298
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


farnily-pride.—tteitt.family-discord.—wapea,coat Flisur, v. figure; form, sha e, cut ; pace ; engraving; trope. by. & bw, figurative (-1y), of arms of a family. Fart ze8r, in. pharisee. —sesta, by. pharisaic tropical (-1y). —lijkheld, v. being figurative. FU, tsw. fie! (-al), pharisean. F/jmeiaar, m. ens, Zie Fetnelaer, ens. Fat, pherisean. Fatsnen, o. fashion, workmanship, make, cut, Ftin, be. & bw. fine (-4), refined (-4), nice (•Iy); pure (-1y), genuine (- lyi; thin (-1y), delicate Or, shape; good breeding, limners. grim, — /louden. to smart (-)y1, behave decently; to keep up respectebly. —eerder, exquisite ( - Ii ► ; clone (-1y); sharp subtle (-ly), sly (-11y), artful (-1y); demure (-1y), m„—derster, T. fashioner, mobsiier, -- e eree, py, w. bigoted, devont Op. —beard, —man, hypocrite. to fashion, to model, to form. to mould, to false devotee. —scheerier, shearer. —echilder, shape. by. & bw. fashionable ( bly), repainter, limner. —ward, m. canning file, sly dog; spectable (-bly), genteel (-1y), decant (-1y), behy pocrite.—heid,—igkeid,—fe, v, fineness, refinedcoming (-1y). —Iiikkeid,v. respectability, genteelness, Meaty, purity, genuineness; thinness, delbe,ominguesn, decency ness, good breeding; icacy; exquisiteness; sharpness, smartness; sub—choice, bw. for decency's sake, to rave aptilty, slyness, artfulness; demureness, bigotry. pearances. Faaanit, m. pheasant. —enkaan, cock-pheasant. Flit, v. whitlow. hen-pheasant. —enhok,gheaseni.ry . —en , Flkfak ken, on. w. to fiddle faddle. to trifle. —her, m. —tier, v. trifler. —keril, v. fiddle-(addle. waehter, keeper of pheasants. Elks, bw. cleverly, well, soundly, readily. Foe, v. fatty. Flketcb, by. clever, sound. ready, healthy. clef Feel., v. shrew, vixen, jade. —, indisposed, out of sorts. —held, v. cleverness, Feast, o. feast, festival. —avond, eve (vigil):of a readiness, health. holy-day. —dap, holy-day, saint's-day. —dos, —se:flood, festival habit, holy-day-dress. —lied,—zang, Flionteel, v. philomela. festive song. —moat, festive entertainment, ban- Elloxel, v. fins-silk, grogram. quet. —Wenger, feaster, guest. —vieren. to tele Ell timer ass, ov. w. to filtrate, to filter, to strain. —doek, filtering-cloth, etrainer. kan, decanter; brats a feted. —eierieg, celebratian of a feast. —vreugde, festivity. —elijk, be. Ni bw. festive cutfee-piggin. —machine, flitering-mfichine.—sfeen, filtering-stone, strainer. (-4), splendid (-10, sumptuous (-1y). —clUkheid, v. festivity. —sling, m. &v. person invited, guest. Flnonet ta, (in cam), —korner. court of exchequer; —steleel, system of finances; —wren, finances. Fell. v. tault, mistake, error. —boar, v. fallible. —en, v. inv. minister van minister of the —baarkeid, v. fallibility. —en, on. w. to fall, to fivancee; (in Engeland) chancellor of the exmiss, to mistake, to make a dip —loos, bv. chequer; in Anierika) secretary of the treasury. faultless, blameless. —er, m. financier. Felt, o. fact, matter of foci, deed, achievement. Fine.. der, tn. refiner. —en, ov. w. to refine. Feltel, v. bib, pinafore. Feffelkjk, be. violent, hostile. —. bw. violently, Flool, v. phial. hostilely; really, in fact. —heid, v. violence, Firma, v. firm. hostility. Firniatisssit. o. firmament. Fat, by. & bw. sharp (-1y), violent (-1y), severe Eleknal, no fiscal. (-1y), fierce (-1y), cruel (-1y). —laid, v. tharpnees, Fletei. v. fistnia. —acting, by. fintulous. violence, severity, fierceness. Fialiberea, on. w. to blow softly. Feloiek, v. felucca. Fladderen. on. w. to flutter. to hover. Fennel car, m. —.rater, hypocrits, false bigot. Flakkeren. on. w. Zie Fillkkeren. —arij, v. hypocrisy, bigotry. —en, on. W. to Flambosaw, v. torch, link, flambeau —draper, trifle; to play the hypocrite. 1 ink-roan, torch-bearer. Fenrgriek, o. fenugreek. o. flannel. —len, by. flannel, of flannel. Fenlko, m. phentx. Flank, v. flank, side. in de — relies, to take the Fel., v. aan de — sips, to be given (addicted) to flank of. —acres, ov. w. to flank. —ening, v. drinking. —pen, on. w. to tipple, to tope. —per, flanking. —cur, tn. flanker. in. —ate., v. tipples, toper. Flannels., or. w. to huddle, to botch, to bungle. Flap, m. flap, blow, clap ; lid, tankard. —pea, Ferns, by. resolute, firm, constant. Fernanor, 0. ship wrighre chisel, chipping-chisel. ov. w. Zie UillInppen; on. w. to flap. Festoen, o. festoon. tankard, pewter, mug.—uit, rea. & v. blab, blabber. Farclk :an, on. w. to whisper, to chat. —er, Flarden, ro. my. totters, rags, —seer, v. whisperer, chatterer. Flitter, in, blunder, fault, error. Flelt, m. rogue, rasa al, scoundrel, knave. —enstuk, Ftausv, by. weak (-1y), feeble (-bly), faint (-1y): knavish trick, piece of knavery. —achtig, by. .2 cool (-ly), pole ( ly) insipid ( - 1y), tasteless (-1y); by. roguish 1-lyi, knavish (sly). —aektigheid, v. superficial (-1y). — enfien, to faint away. —Aertip, faint-hearted (•1y), dejected (-1y). timorous Hy). roguishness, knavishness. v. knavery, vilany. —hartigheid,v. faint-heartedness, dejection, timorFlee, bv. & bw. proud (-1y),"hauality (-14), stateoneness. —4eid, v. weakness, faintness; insipidly; bold (-1y). —held, —te, v. pride, haughtiness, ity. —te, v. swoon, fainting fit; faintness. —(jet, dignity; boldness. bw. coolly, slightly. Figuient, m. —e, v. figurant, mate ; super- Flelb, Fielhbe, v. Zie Fin). numerary. Fleeni en, on. w. to iaelX. to fawn. —host, 15
Just like bitcoin, litecoin is a crytocurrency that is generated by mining. Litecoin was created in October 2011 by former Google engineer Charles Lee. The motivation behind its creation was to improve upon bitcoin. The key difference for end-users being the 2.5 minute time to generate a block, as opposed to bitcoin’s 10 minutes. Charles Lee now works for Coinbase, one of the most popular online bitcoin wallets.
A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e 

Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

Waar kunt u kopen Bitcoins


AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider. 

-TitE Trier, overvoring; verbanning; verrukking. —edly, ad. in vervoering. —edniss, s. verrukking. —er, a. vervoerder, overbrenger; transporteur. Transpos al (trens-po'eell, s. verplaataing. —e (-pooz'), v. a. verplaatsin, omzetten, --Mon (-zisy on), a. verplaatsing, °matting. —itive a. vane omzetting vatbaar. Transship (trens-sjtp'), v. a. verchepen, overladen. —meat, s. veracheping, overt:Idiot!. Transubstantin te (tren-sub-sten'eji-eet), v. a. in een ander wezen veranderen. —tion(-eu'ajun), a. verandering in eon ander wezen, trauseubatantiatie. Tkansud atton (tress-joe.dee'sjun), a. door. zweeting. —atory (-joe'de-tur-rih), a. doorzweetend. —e (-joed'), v. n. doortwesten. Trans vacation (tress-ve.zee'ejun), a. overgieting. —vection (-vek'njun), ri. over. voer. Transvers a1 (treats-vurs'el), —e, a. —eiy, ad. dwarsloopend, overdwars. —al, transvereaal. Trent (trentl, v. n. rondventen (viach). —er, a. vischventer. Trap (trete), s. val, atrik; hlnderlaag; esker balspel. —door, valdeur, luik. —slick, balstok. v. a. vangen,veretrikken; tooien, opsieren. Trepan (tee-pen'), a. vat, valstrik. --, v. A. vangen, verstrikken. —ner, a. strikkenspanuer; ver. leider. Trapes (creeps), a. along, morsebel. Trapealrara (tre pPti-um),s. trapezium, Trapp er (trep'per), a. strikkenspanner. —lays (-plenge), pl. eereierasien, tool; paardentutg. Trash (treen, a. afval, uitectiot, vodlegoed, bocht; prul; anoelhout. —, v. a. ....lien; ondr. drukken; belemmeren, tegenhouden. —y, a. sleeht, lorotg, onbruikbaar. Traumatic (trap-met'lk), a, & a. wondheelend (mtddel). Travail (trev'il), a. motite, arbeid; barensno0. —, v. a. atmatten; v. n. twoegen, cloven; in barenenood Trave (treev), a. dwarabalk, flood-, hoefatal. Travel, (trev'ti), a. (het) reiten; refs. —, v. a. berelten; v. n. releen. —led (-lid), a. bereled. —ler, a. relziger; beugel von den kluiver, —ling, a. (het) reizen; —bag, reiszak, -Web; —carriage, reiskoete; —charges, —expewses, —fees, pl relekoeten; —clerk, reiabediende; —kitchen, reiskeuken; —map, reieka.art; --trunk, reiskoffer. —s. pl. rel. zen; rehnesehritiving. Traverse (trev'urs), a. & ad. dwars, overkruis. —board, uurbord, koppelkompaa. —horse, ver• pelloop van den bezaansehout. —sailing, kep koers. —table, log-. streektafel. s. dwarehout, -balk, -moor; middelsebot: wederwaardIgheld, hindernit; kunstgreep, aitvlucht. —, v. a. kruiten; doorkrnlaen; dwerebournen; tich verzetten tegen; onderzoaken; v. n. zieh te weer stollen; travorteeren. —r. a. besehuldigd.e, wederlegger. Travesty (ttev'es-1,11), a. getravesteerd. —, a. traveetie, parodie. —, v. a. traveatearen, Tarodleeren. Travis (trev'la), a. Zie Trave. Tray (tree), s. houten bak; kalkbak; bleadje. Treacher ous (trleisrur-ns), a. —ously, ad. ver-
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,

Wat is de tijd van de dag is het beste om cryptogeld kopen


Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-
v. meal-trade; xi. Grutterkawisskol. -ach ,,baarkeid. venerableness, reverence. -admi- Gruwel, m. abomination, horrible (atrocious) bragger. raal, lord high-admiral. -Cele, bully; babbler. -Cork, ledger. -krengen, to bring deed. -en, on. ye. (van) zie G•uweu. & bw. horrible (-lily), horrid (-1y), enorrnotte up, to rear. -dadig, grand, magnincent, heroic, (-13 ,, shocking (-lyI, atrocious (-ly). -ijkheid, v. --handsel, magnificence, heroiceinese. --dedigheid, horribleness, horridness, enormity, atrocity. wholesele-tratie, -handelaae, wholesale dealer. -hartig. by. & low. high-minded, proud (-1y). Gruw ets, on. w. (van) to abhor, to hold in -hartigheid, higb-mindednese, pride. -het tog, abamivattou, -- abhorrence. --zaam, by. & bw. grand-duke. -herfoydroo. grand-dukedom. -her- hideous Hy!, atrocious (-1y). -zaamheid, v. hide(metiers., atrociousness. togelijk, grand-ducal. -kertogin, greed-duchess. - hoop., great headed fellow. - kruis, grand-cr... Gu.no, v. guano. -machtig„ mighty, powerful.--ntachtialteid,mighti- Gulch el ass, ov. & on. w. Zit Goothelen.-heil, o. anagellis. to exalt, to gierify. nests. --makers, to enlarg -making, mag,ni)ying,giorifying.-meester,grand - Gallic, v. ieetand de - ncsteken, to make months toaster. -rneesteree4ap, grand mitateri-hip. -moe- (wry faces) at a. o, m. blockhead; coward. -, v. mare that by. & bw. tier, grandmother. mons (-ly). -otordigheid, magnanimity. -ntogend, has never been with young. high-mighty. -moge,dheiti., htgh•mightmess. Galt, m. rogue, wag, urchin, scamp. -enetrsek, bottle-none , 1 psreon. ---oor, lung-eared --sneak roguish trick, piece of roguery. -arilperson, -.dere, grand-phrente. -spraak, bolet- fig, be. & bw. roguish (-ly), waggish(-ly).-aching, biu,ter; grandiloquence. -,:preken„ to talk tigheid, v. roguishness, waggishness. v.
Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

Wat zijn de beste Blockchain bedrijven


If you do have this much money tied up in Bitcoin, though, you may want a more secure space to store it. If this is the case, Coinbase offers a Coinbase vault, which has time-delayed withdrawals (giving you 48 hours to cancel a withdrawal) and the option of multiple approvers, increasing security by ensuring that all withdrawals are approved by multiple people. They also offer a multisig vault, which is basically an even more involved and more secure vault, requiring multiple keys to unlock. 
Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve

243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.
schikking. -ment, a. inrichting; schikking. Arrant (er' rent), a. snood, verdorven. —knave, —rogue. ',arteachurk. Arras (er'rea(, a. tapljtgoed. Array ler-ree'), a. slagorde; kleeding. —, v. a. ordenen; bekleeden. Arrear (er-rice'), a. —age, a. achteratand. Arrest (er-rest'), a. hechtenla; bealag. —, v. a. in hechtenis nemen; stuiten; bealag leggen. —ation (-tee'sjun), s. inhechtenisneming. Arriv al (er-rarvel), a. aankomst. —e, v. n.aankomen; (at) verkrijgen; voorvallen. Arroga nee (er'ro-gens), —ney, a. laatdunkendheid. —nt, a. —ntly, ad. aanmatigend; verwaand. —te, v. a. (to) zich aanmatigen. —lion (-gee'ejun), a. aanmatiging. —tire (-ge-tiv), a. aanmatigend. Arrow (er'ro), a. pijl. —head, pijlpunt; pijikruid. —y (-ih), ft. von pijlen. Arsen al (aer'se-nel), a. tuigheis. —ic, a. rattenkruit. Art (Raft), a. kunst; list. the liberal —a, de vrije kunaten. master of —s, meester in de !tri iv a kunaten. Arter tat (er-ti'ri-el), a. van eene slagader. —y (aar'te-rib), a. slagader. Artful (aart'foel), a. 'Wig. —nesa, s. listigheid. Artichoke laar'ti-tsjook), a. artisjok. Article (aar'tikl), s. lidwoord; bepaling; artikel; tijdatip; gewricht. —, v. a. & n. vastatellen, bepalen.
Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.

Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
In order to reduce expenses and increase mobility, many students also use the European Commission-supported accommodation network, CasaSwap, FlatClub, Erasmusinn, Eurasmus,[25] Erasmate or Student Mundial, which are free websites where students and young people can rent, sublet, offer and swap accommodation – on a national and international basis. A derived benefit is that students can share knowledge and exchange tips and hints with each other before and after going abroad.
EST.—EVI. lEatrapatle (as-tre.perr), a. kromme 'prong. Retreat (es-triet'), s. afsehrift. —, v. a. nittrekken, afsehrift waken. Retrepement (es-triep'ment), s.uitputting (verwuesting) van landerijen. Eatriela (eetrit, , j), a. strulavogeldons. Estua ry (estioe-e-rih), s. monding; zeearm; dampbad. —te (.eeti, v. n. opbruisen, koken. —lion (-ee'ejun), a. opbruising, koking. Etch (star), v. a. etsen. —ins, a. (het) etsen; etsplaat. —ing-needle, etsnaald. Etern at (e-tur'nel). a. —ally, ad. eeuwig. —at, a. ( de) Eeuwige. —alive (•ale), —ixe (-najz), v.','a. a. eeuwiyheid. vereeawigen. —ity Etesian (e-trzji-en), a. op bepialde tijden waaiend. —winds, peeseatwinden. Ether (ie'thur), a. ether. —eat, —eous (e-thicr-i), a. ethertach, hemelach. Ethic (eth'ik), —a/, a. —ally, ad. zedenkundlg, sedelljk. —a, s. zedeuleer, nedenkunde.1 Ethnic (eth'nik), —al, a. heldenach. Ethno graph y (eth-nog're-11 , 1), a. besehqving tier rasaen. —Logy (-nol'ud-ajih), a. menschenraaknnde. Ethology (a- thol'ud-zjih), a. verhandeling over de zeden. Etiolate (ie . ti-o-leet), v. a. bleek maken; v. n. Week worden. —lion (-lee'ejun), a. bleekmaking. Etiology (ie-ti-ol'ud-zjih), a. oorzaken- leer (van zlekten) Etiquette (et-i-ket'), s. ,tiquette. Etui (ee-twi'), a. foedraal. koker. Etymolog Ica, (et-i-mo-lod'ajikl), R. woordvorachend, etyrnologisch. —CO (-mol'ad.zjiat), a. woordafleider. —y (-rnol'ad•zjih), a. woordafleiding; woordgronding. Etyanon iet'i-mon),.. groudwoord, wortelwoord. Eucharist (joe'ke•rist), a. Avondmaal; Cornmanic. —ie., —teal, (-riettk.), a. bet Avondmaal betreitend. EutIrasy (joe'kre-eih), a. gezonde toestand (des llchaarns). Eudionieter (joe-di-om'i-tur), e. luchtweger. Eulog 1st (josnud-zjist), a. lorredenaar. —inn (.zjajz ►, v. a. priizen, verheffen. —y, a. lofspraak, lofrede. Eunuch (joe'nuk), a. gesnedene. Eupepsy ijoe'pep-sih), a. goede eptjeverte;ing. Euphemism (joe'fe-miarn), a. verzachtende uitdrukking. Euphon la (joe-fon'ik), —teal, a. welluidend. —y (joe'fun-nih), a. welluidendheid. Eupleraey ijoe'fre-ally, e. oogenklaar (plant). Euroclydon (joe-rok'li-don), a. noordoostenwind (in de Middellandsche zee). Eurus (joe'rus), a. oostenwind. Eurythmy (joe'rith-mih), a. joists overeenstemmilitC, evenredigheid. Eutbanaay (joe-then'e-sih), a. zechte dead. Evaeua nt te-velejoe-eat), a. buikzuiverend middel. —te (-eet), v. a. loozen, ultdrgven, ledigen, ontruirnen.—tion (-ee'sjun),.. loosing; outlasting, stoelgatig; opheffing. —tire (-e-tiv), a. atdrtjvend, zutverend. Evade (e-veed'), v a. it rt. ontwijken, vermijdeu; ontsnappen.

kruis of must. hand over —, onbedaehtelijk. —ache, hoofdpijn. —band, hoofdband, strijklint. —board, hoofdplank. —borough, sehout. —chases, jagere. § —cheese, hoofdkatia, ztkl.t. —cringles, no2Aleuvers. —dress, k.apsel. —gargle, zekere veeziekte. —gear, hoefdtooisel. —land, voorgebergte, kaap. —landlord, opperleenheer. —lines, rabanden. —long, a. steil; onbezonnen; ad. oribesuisd; eensklaps; halt over kop. —man, hot:Inman, lei • der. —money, hoofde'eld. —piece,bodem (van een vat; kopriem; titelplaat; helm, stormhoed; veratand, kop. —quarters, hoofdkwartier. —roll, valhoed; hoofdwrong. —rope, ra-, bovenlijk. voorzeilen. —sea, stampzee.—sman,seherprechter. —stall, hoofdetel. —stone, hoeksteen. —strong. 1,0 1) 1, 4. —way, vaart, gang. —wind, tegenwind —workman voorman. Head (heti:), v. a. voorgaan, aanvoeren leiden ; bodemen; punten; met een' kop voorzien, kappen, toppen ; onthoofden. —er, a. hoeksteen ; speldeknopmaker. —ily, ad. driftig, onbezonnen; koppig. —mess, a. onbezonnenheid, halsstarrig. held. —less, a. hoofdelous; onberaden; ongegrond. •—most, a. voorate. —ship, a. eerste plaats; aanales. —y, a. snel. ohstuimig; hoofdig, koppig. Heal (hiel'), v. a. & n. heeler), genezen (up).—able, a. heelbear. —er, a. heeler. —ing, a. eenezend; verzaehtend, lenigend. Health (helth') s. gezondheid, welstanal. —ful, 11, —fully, ad. gezond; heilzaam. —fulness, —inees, a. gezondheid. —less, a. ongezond. —y, a. gezond. Ream (hiem), s. nageboorte. Heap (hiep'), a. hoop, stapel. —, v. a. ophoopen, opstapelen (up). —er, a. ophooper. —y, a. vol hoopen; bij hogpen. Hear (hieel [heard (hard ► ], v. a. & n. hooren, luisteren; verhooren. —er, a. hoarder. —ing, gehoor; verhoor; dull (hard) of —, hardhoorend. Hearken (haar'kn), v. a, & n. aanhooren; luisteren. —er, a. hoorder, luiateraar. Hearsay (hier'see). a. hooren-zeggen. Hearse (hurls), a. lijkkoets, doodbaar. —, v. a. in de liikkoets plaataen. Heart (haartl, a. hart, gemoed; zin; moed; binnenste, kern; kracht; etagblok. by —. van buiten. for my seer gaarne. out of —, moedeloos, to take—, mired ackeppen. —ache, hartzeer.—blood, hartebloed, (het) levee. —break , zielesmart. —breaking, a. hr.rtverseheurend. —broken, a. met een gebroken hart. —burn, maagzuur. —burned, a. van liefde blakend. —burning, maagzuur; wrevel, wreck. —dear, hartelijk geliefd. —ease, gemoedsrust. —easing, a. geruetstellend. —felt, diep gevoeld, innig. —grief. harteleed. —hardened, verstokt. —rending, a. hartverseheurend. driekleurig viooltje. —sick, zielakrank. —sore, hartzeer. —string, bartzenuw. —struck, ontsteld; getroffen. —whole, nog niet verlf.efd; onverzwakt. Heart en (haar'tn), v. a. bemoedigen, opwekken; bemeaten. —ening, a. versterkend, —ity, ad. har—iness, s. bartelijkheid; opreehtheid. —less, t a. lafhartig; gevoellooa. —leanest, a. lafhartigheld; orgevoeligheid. —y, a. hartelijk; oprecht1 gezond; hartig; duurzaam. dent (hiet'), a. hitte; drift, vnur; loop, ren.
capital puoiehment, pain of death. —string, necklace; halter, rope; quinsy, squinancy. neck - piece. — lalie, tack - tackle. — vrtead, — triesdin, bosom- friend. --seen'e, capital crime. — zed, Arap„ shoulder - belt. Meister, m. halter. Unit, v. halt. — &Aden, to halt, to make a halt, to stop. alleavesertera, ON. NV. to halve, to divide into halves. IItsive-stateron, v. half-moon• crescent. Halwerwegam, bw. half-way. 111,aleezolless, ova w. to new-foot. linleen, to. me. red - weede. — , on. w. to drudge; to draw tiet the lia!eers; to veer. hams, v. ham, —meiee., ham-tone. —meet, hamgrease.

v. R. blad-dun siaan; verfoelien. —ation (-Oa ) sjun), s. (bet) bled-dun pletten; bladschieting; verzameling der bladen in den bloefnkelk. —ature. (•e-tjoer), a. bladdunheid. —er, s. bladgoud; —ferous (-lir' ur-us), a. bladeren voortbrengend, Folio (foli-o), a. folio-formaat; foliant, bledzijde. Folk (took'), —s, a, de menachen, de lieden. —lore, volkssprookje; voiksoverleveringen.—mote,volks vergadering. Follic le (fol'likl), a. zaadhuisje; Iuchtblaaaje; kVer. —Woos 1-lik'joe-ltial, a. met zoadhuisjes. F0111101 (fol'Ii-foel), a. vol dwaasheid. Follow (folio), v. a. volgen; opvolgen, navoletn. (up); beoefenen. (on. out) doorzetten. —, v. a. volgen; (from) voortvloden nit. —er, VNalger. volgeling. Fly (flaj) {flew (fine), flown Moon)), v. a. vileden, Folly (foi'lih), a. dwaasheid. vermijden; ((een vliegen. — a kite, een' vlieger Fonsent (fo-ment) v. a. koesteren; "doyen; aanopiate!, —, v. n. vliegen, bersten. in the face, meedigen, aanhitsen. —alien (-tee'sjun), a. sto , beleedigen, tarten. — into a passion, toornig ving; aanhitsing. —er, a. aanmoediger; aanetoker. attn. (at) wolden. (abroad) ruchtbear worden. Food (fond'), a, —ly, ad. dwaas; overdreven vliegen; aanvallen op, (off) wegviiegen; arvallig teeder; (of) verzot op. —, v. n. verzot aijn (on), worden. (out) nitvaren; uitspatten. (out into) Fond, e (fon di), v. a. liefkoozen, nertruetelen. loghersten in; zieh overgeven nen. —er, S. vertroeteiaar. —tag, a. troetelkind, (flayieng) ,s. (bet) vilegen. —, a. vliegend; hevelin r. —fish,vliegende voteh . zwever —b r i g hoefhlad. —, I Fondue.. (fond'ness), a. dwaze teederheid, verFool (fool), a. veuien. ---bit, —foot, zotheld. v. a. & n. werpen (vculeoa), Foos!. (foam'), s. scheim. —, V. a. (out) woe- Font (font), a. doopvont; stel drukletters. eene bran betreffend, aerie( uiten. —. v. n, schuimen; razen, tieren, Fontat (fort'el), a, Fontanel (fon'te-nel), a. fontanel. —a, a. achuimig. Fob (fob). s. horlogezakje; Week. —, v. a. be- Food (food'), s. voedeel. —fat, a, voedzaam. —leas, a. onvoedzaam, onvruchtbaar. —y, a. eetbaar. dotter, (off) afschepen. Fool (fool'), a. Ogees, zot; potsenmaker. to make Voeng-e (fo'kidzj), a. haardgeld. all—s-day, aerate a — of, voor den gek houden. Focal (fo'kel), a. van het brandpant. dog van April. — haP.PY,dom gelukkig.—hardiness, Foelle (fo'sil), s. armpfjp; scheenbeen. roekeloos. —'s.cap, rots—hardy; roekeloosheid. Foeaia (fo'kes), a. brandpunt. kap; kleiu-folio papier. —'s-errand, gekken. Fodder (foti'dur), a. stalvoeder. --, v. a. voede- boodechap. —trap, strik voor gekken. !Tn. —er, a. voederaar. Fool 'tool'), v. a. voor den gek houden; mislelFoe (fol., a. vijand. —man, vijand den. (away) verbeuzelen. (out of) bedriegelijk beFe)g (fog - 1, a. mist, novel; csgroen. —bank, 'level- -rooven van. —, v. n. beuzelen, gekheid rnaken. —gy bank• --giness (•gi-ness), a. mistigheld. —ery, s. dwaasheid, zotheid. —ish, a. —Wily, (-gill, a. mistig. ad. zot, dwaas. —iehness, a. dwaasheid. Foil (We), int. ha ! foci! Foot (foot'), a. voet; ondereind; voetvolk. on — Foible (fOrbi), R. zwak, zwakke zijde, to voet. to set on —, aan den gang (op de been) r o ll (foil';, , mielekking, verijdeling, neep; foe- under —, onder then wt. — by —, liesel; dun Llaadje tnetaal; floret. — v. a. ver- breng.sn. langzamerhand._ —bail, voetbal (spel). —band, ijdelen; uit bet veld SLUM; in het nauw brenvoetvoilt. —board, trede, voetplank. —boy. gen; versiaan; stomp maken. to be —el, bet troep klellue lakes. —breadth, voetbreedte. onderspit delver. —er, a. overwionaar. —ing, l lonejongen, —bridge, vlonder. —cloth, voetkleed; pattedendelc. s. spoor van een hart. —fight, gevecht to voet. struikeling. —fall, Foin (fojn), s. stoat. —, a, n. stooten. lijfwacht to voet. —hold, ruimte vo or Foist (fojst'), v. a. onderachuiven, bedriegelijk I —guards, —hook, etc. Zie Fottock. — ticker. inlagschen. —er, a, vervalscher. den voet. boeven. lage vleier. —lock, haarlok boven de—mantle, old' h , vouw; schaepskooi; kndde; grens.—man, Fold (fo looper, huisknecht; infanteriet. —, V. a. ieeluiten; vouweo, (up; toesluiten. a. zekere vrouwenmantel.—maleh,wedloop. —pace, —age, 8. perkrecht. —er, half-portael —, v. n. toesiaan. atapvosts-tred; voewbeen. (op een' trap). —pad, —path, voetpad. `—post, voetbode. Foolding (foold'ieng), s. (het) vouwen; (het( per. etruikroover. afdruk van den voet. —race. wedi001). ken van schapen, —,a. toes)aand. —bed, veldbed. —print, peard. onderlijk. —rot, zeltere achapen—rope, —chair, vouwstoel. —doors, vieugeldeuren.—knife, ziekte. —soldier, infanterist. —stalk, bloated. --stick, vonwbeen. —screen, kamerschut. —table, —stall, vrouwenstilgleeugel.—step, voetstap;trede. klaptafel. —stool, voetbankje —store, —warmer, stoof, voeFollheeoun (fo-l)e,'sjus), a. bladerig. buikdenning. Foil age (fo'll.plz3), a. gebiaderte, °rumor, tenwarmer. —waling, (Poet'), v. a. betreden; schoppen; vestige!; Foot —ate looNvevic; - v. a. met loofwerk vereieren. wegvioeiing. clion (-ce'sjun), a. ( l-bil'it tih), —ility (int s. smeltbaarheid, scheidbaarheid. —ible, a. smelthaar; onbestendig. —ion (-jun), s. vloeiing, smelting; nicking; ditTerentieal-rekenine. —tone/ (-jun-el), —ionary (-jun-e•rih), a. van de differentiaal-re• itening. —ire (-iv), vloeibaar. —ore (-Japer), s. vloeiing; vioeistof. Fly (flap), s. vlieg; onruat; windwijzer; kompasroos, snorwagen, —bane, vliegengif. door vliegen bevoild. a. vliegenei (deck); a, a. viiegen')eren leggen; bederven (vleeecit). —boat, vlieboot, fleitschip. —catcher, vliegenvanger. - fish, V. n. met vliegen via'cben. —f lap, vlie:geneFtp. —leaf, schutbiad. —wort, vliegen-

Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc

Mocht Cryptocurrencies worden beschouwd als een kasequivalent


W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

Hoe kan ik XRP met GBP kopen


splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord.

Hoe lang duurt het voordat Blockchain om de transactie te bevestigen


ralerlijk. —ousness, a. verraderlijkbeid, —y, a. verraad. Treacle (trie'kI), s. *troop , boerenatroop. —mustard, boerentnosterd. Trotad (tred'), a. tred, achrede; trade, hanetred. tredmolen. Tread (tred') [trout, trodden], v. a. betreden; vet, treden; treden; (out) uittrappen; v. n. treden; paren; (en, upon) met voeten treden. —er, a. trader. Treadle (tredl), s. trede; pedaal; hanetred. Treason (trle'zn), a. verraad. high boogverread. —monger, verrader. --able, a. —ably, ad. v erraderlijk. Treasur a (tretroer,-ur), a. Rebid; —house, *chatkamer; —trove, gevonden adult. —e, v. t. opgaren, opzemelen (up); bewaren. —er. a. ethatmeester; penningmeester; —ship, e. schetmeeeterechap. —y, s.sehatkamer, sehatklat; —bill, —note, achatkistbiljet. v. a. behandelen; Treat (Well, a. onthaal. onthalen (with); v. n. onderhandelen; (of) hart deien aver. —able, a. handelbear, gedwee. (-to), a. verhans. onthaler; bebandelaar. deling. —ment, a. behandeling; onthaal. —y, a. onderhandeling; traktaat. 'frebl e (trebl'), a. —y, ad. drievoudig. —e, a. bovenstem; achel geluid; faint f Russel t, kupstem. —e, a. a. & n. (tick) verdrievoudieen. —ends*, a. drievoudigheid; hoogte. Tree Wien, t. boom. — of consanguinity, stemboon, —beetle, meikever. —box, boksboom. —creeper, boomkrnipertje. —culture, boomkweekerij. —peg, groene ktkvorse.h. —ivy, klIntop. —louse, bladlula. —moss, boommoe. —nail, houten seheepanagel. —sorrel, euriegboom. , Trefoil (tri'foj1), s. klaver. sweet —, zevengeti,jdekrutd. shrub—, kamperfoelle. Trellis (treigle), a. tralle-, latwerk. — ed a. getralied, tulle-. Trot:obi o (trem'Ol). v. n. haven, rillen (at. for. with). —er, a. bever, sidderaar. —lag, a. het haven, sidderen. —ing, a. —ingly, ad. bevend, aidderend. Tremendous (tre-rnen'dua), a. —1y, ad. Yumagedneht. —nee., a. vreeselijkheid. Tremor (tri-ixtur), a. siddering1 Tremulous (trem'joe Ins), a. —ly, ad. bevend, sidderend, trillend. —ness, a. (het) sidderen, trillen. Tren (tren), N. harpoen. Trench (treider), a. ps , nede; gracht; loopgraaf. —plough, greppelploeg. —, v. a. suijden, graven; versehaneen; v. n. (upon) inbreuk maken op. —ant, a. snijdend, schen.. —er. a. milder; houten bord of nap; tafel, dlech; eniOplank ; —friend, —mate, —squire, tafelschnimer, klaplooper. 'Freed (trend), a. riehting, nelging. —, v. a. scutveren (wol); v. n. zlch ultatrekken; stureti, koera zatten Treadle (tren'd1), a. rot, spil. Trennel (tren'n11), a. Zie Taco auwll. Trental (trent'el), a. dertig eielmtasen. Trepan (tre.penl, a. athedelboor. —, v. a. ire paneeren. —ner, a. 041pm:order.
:lot THA.-TEN. Tea Olen, a. thee. - board, -tray, theeblad, Teleecop ca (tel.'s-stoop), a. teleakoop. -ie, -ical (-sitoynk.), a. teleekopisch. -caddy, tteekistje. -canister, theebue. -chest, theettat. -cup, theeltopje. -dish,thaeachoteltje. Tell (tell') [told (tepid)], v, a. & n. Reggen, toolden; vertellen; verklikken; barren; uttwerking -kettle, theeketel. -kitchen, thee-machine. --pot, theepot. -eervies, -set thmss , viss. -spoon, doers, (abroad) bckend maker, (of) am-toren: verwliten. I cannot -, .0, -west Wet- --ftwtnn. theelepeltje. -table,:theetafel. -things, pi. thee- upon the cards, de heart legAen. -tale, A. WOgoad. -voider, waterpot. belachtig, wrklikkend; s. babbelaar; oorblazer. Teach (tiend') [taught (MO], v. a. c nderw(jenn, -er, a. verteller; rekeraar; stentopnerner; be'term-able, a.leersaam. -ableness,s. leersaam- taalmeester. held. -er, e. onderwgzer. -in7, a. onderwije. Teatera rictus (tern• e-ree'i 1-11e), a. v ermeiel, Teague (tteg), a. ler (ale schel dnaern). roekeloos. -ity (te-rner'it-tih), a. vermetelbeld, Teal (tiel), a. taling. Team (Item'), a. span; vlucht. -, v. a. in-, eon- roekeloosheid. Temper (tem'yo,), e. temper„ tempering, men. eptnnen. -*ter (-star), a. voermart. Tear (tear'), a. scholar, torn. ging; nerd; lulm, gemoedsgesteldheld; bed/LardTear (tear' [tore. torn (toots)], v. A. seheuren, held; gehardheid. to de out of -, in eene eleehre verseheuren; (from) ontseheuren; (qff)atmeheuren; luim On. - v. a. temperen, toengen; matigen, (up) openscheuren; opbreken; v. rt. rano, tier., ve aachtert; harden; gesehlkt, (p.send)makcn, in-er, s schearder; raker. flatten; wen. -ament (-e-rnent), a, keistel.; ReTear Olen, a. traan. -falling, -;flat, a, tranen moedagesteldheld; varroengIng. -ante, a. mattfcstortend, weenend. - fey:, a. sonder trafien. held; bedaardhe14. -ate, a. -ately, ad. (-et-). Tease (ties'), v. a. kammen; kaarden; plagen, matig; gematigd, bedaard - ateneet (-et-1. a. matigheld; gematigdheid. -adze (-e-tiv), a. ten, kwellen. -1 W0%0, a. kaardedistel; kaard; v. a. perend, nustigend. -attire (-e Oyer), N. hOoorkammen, kaareen. -1e, (tit'cl-ur), a. kammer; lijke menging; gestyldheid; warmtegraad, ternkaarder. -r, a. kwel ler, plager. peratuur, gematigdkeld. -ed (-wird), a. g.Tent (tiet), e. tiler, tepel. Teed ly (teter11-11h), ad. knorrtg"gemeitjk. atemd, gelnimd; ttomperd, geltard; -er-en -, • gelijkinoedlg. -ness (-i-neon), s. knorrigheid, fiemeliCkheid. Technic al (tek'olkl), a. --ally, ad. kunatmalig, Tempest (tem'pest), a. storm; ontveder.-f, eaten, kunst-, teehnisch. -s, pl. leer der kunaten en -tort, door storm geteisterd, -, v. a. tfit,teren, ambaehten. techntek verontrusten; v. n. stormen. Tempestuous (tans-pese(ne-us), a. --ty, ad . Technology (tek-nol'ud tjth), teehnologie. storm. chtig. --ness, a. atorrnachtigi.eld. Tetchy f,teterlh), a. knorrig, gemelijk. Trusplar (tem'plar), e. tempelter; student_ in de Tectonic (tek-ton'ik), a. bouvvkunatig. reehten. -der, Ted ited), v. a. (gernaald gr.) sprettien. Temple (tem' pl), ciempel;slaitp our' het hoard). a. & v. a. Zia Tether. -t (-pill), a. stuitbout; runt, scut. Todiate& (ti'djue), i. -1y, ad. vervelend; lastig; langdradig, -ness, a. verveiendheld; lang.lra. Temper at (tem'pur-el), a, _ally, ad. iijdelljk, wereldllik; van de alapen. -ality (-el'A•tett), a. digheid. -ale (-ell), pt. -city, a. wereldlijke yruederett Tedium (ti'dI-um), e, verveling, valg. tijTeem (tienin, , a. bares, werpen; voortbrengen; of inkomsten. -arity, ad. -ary, a. (-e-rth-).,ikjaftdelijk; verganke?ijk. -arivtess (-e-ri.), a. 1 v. n. (want) manger -, drachtlg -, vol skin van; wernelen van. -er, a. berende. --Jul, a. swan- lijktteid; verganketbkh ,, id. -ire (At), v. n. tich ger, draehtig; boordevol; a emelend. -ing, a. near den ttjd (de ornstandigheden) s•hikken; vrnehtbasr. -less, a. onvrnehtbar,r. dralen. -Izer (.aj.zur), a. 034v:inner, tamer; Teener (liinas). a. pl. leeftild tuaschen dertien en weerhaan, &eater. Tempt (ternt'), v. a. In verzoektng hrengest; betwintig jaar. Miss in her -. huwbaar meleje. Teeth (tleth), a. pl. van Tooth. to the -, vlak proeven; verlelden; aaneporen. -able, a :tan In het aangesteht. versoeking blootgasteld. -ation (-ee'sjun), it. Teeth (tleth'), v. n. tendon krtjgen. -leg, v. bet versoeking; aunrechting. -cr. a. verzoeker, ver• letder. --leg, a. -ingly, Rd. verleidelijk. -rose, 'Widen kriagen. a. verntekster, verlerdater. Teetotal ti-tole1), a geheel., voikomen. -er, a- matIghe dsman, afechaffer van able geestruke Temse (tense'), a. zee. -. -11(teutst . ), a. hjtt draulten. -ton, a. strange ontatoudlug van she gesitt; - bread, tljn wittebrood. Ten (ten), a. lien. geeetrijka dranken. Tenable (ten'ibl), a. houdbaar. Tex (lex), A. tweelarig reek/tit. Togas tsar (tarjoe-ler), a dakpanvormig. -cent Tense' ems )te-nee'i.jus), a. -ously, ad. eauklevend; tact; vasthoudend (of, eon); hardnek(-meat), a. bekleedael, huidje, viiee. tip'; getrouv; gterle. -ousneis, -ty (.nex'lt-tih,„ Tahoe (te•hr ► , a. gegiehel. -, v. n. giehelen. a, aarikleving; veathoudendheid; bardnekklgbeld; Tell (tiel),.. nude. lindehoom. Telary (trio-rib), a. eptunend; 'web-. -, a. mph, gierigh(td. Tenancy (ten'en-sib)., a. pacht,Pachtl.g. newel). Telegr am (tare-greys), s. telegram. -aph (-Iry at), Tenant (totem), a. yachter, huunler; bewoner, a. telegrant; v. a.telegrafeeren. -aphic (-grerik), pin, lip. -saw, sebrobettag. -, v. n. in hour a. telegransoh. -aphy (to-leg're-flh), a. tele. bobber). -able, a. bunrhaar. -lees, a. onvergrate. huurd. -ry, a. (de) gesamenlitke pachters.
(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at
Voirelisic ,f0 re)Cak), a. gerecitteltik. Foreordain (-or- deen'), v. a. voorbescbikken. Fore part, a. voorste gedeelte; hoofd. begin; voorsteven. --passed, R. verieden. —peek (foot' piek), a. het (scheepswoord). Forepossessed (•pos-seat'), a. voorIngenomen. Fore-preventer-stay (•pre-vent'ur-stee), a. looze fokkestag. ForeprIze (-prole), v. a. vooraf schatten. Forerank, a. eerste gelid. ' Fore reach (-rietz)'), v. a. & n. voorbijzeilen, snelier zeilen dau (upon). —recited (-re-aartid), a. vroeger verhaald. Foreright, a. voorwasrtsch; vlug; ad. voorwaarts. Forerun (-run') [ire.], v. a. voorafgaan; voorloopeu. —net (-run'nur), 8. voorloopet; kwartierrnaker; vcorbode. Foresail, a. fok, stagfok. Fore say (-see') [im], v. R. voorzeggen. —see [irr.], v. a. voorzien. —shadow (-sled"o), v. a. vooraf afbeelden (sehetsen). Yore sheet, a. fokkeschoot. —ship, a. voorschip. Foreshorten (-sjort'n), v. a. van voren verkleinen. Foreshow (sjo"! [irr.], v. a. voorspellen; vooraf vertoonen. Fore shrouds, a. fokkewant. —side, a. voorzijde; fraai uiterlijk. —sight, a. voorwetenschap; vooroverleg; voorzorg. —sightful, a. voorwetend,voorzorgend. IF ores ignIf y (-sig'ni-faj), v. a. voorapellen, vooraf toonen. Fore skin, a. voorhnid. —skirt, a. voorpand. Fore slack 1-slekl, v. a. verzuimen. —slow, (-slo'), v. a. ophouden; vertragen; v. n. dralen, talmen. —speak (-spiek') [irr.], v. R. voorspellen, verWeiler,. —spent (-spent'), a. vernpild, uitgeput; voorbij. Foiresprit, a. voorspriet. Fore opurrer (-spuerur), a. voorrijder. —spy (-spa)'), v. a. vooruit raden (gissen)• Forest (for'est), a. boschaehtig, landelijk. a. bosch. woad. —law, wet op de houtvesterij, —ranger, houtvester. —age, s. boschgeid; bosehrecht. —er, s. houtvester; boschbewoner; hooch•achter. —ership, a. houtvesterschap. Forestall (-mtaol"). v. a. vooruit nemen; voorkomen; opkoopen. —er, a. opkooper. Forestay, a. fokkestag. —sail, s. stormfok, voorstengestagzeil. Fore tack, a. fokkehale. —tackle. s. sloeptakel. —tackle-pendent, a. fokkernaathanger. —taste, a. voorsmaak. Foretaste 1-teest'), v. a. voorproeven; een' voorsmash hebben van. —r (-teest'ur), a. voorproever. Foretell (-tell') [irr.], v. a. voorzeggen; v. n. profeteeren. —sr, (-tell'ur), a. voonegger. Forethink (-think') [irr.], v. a. vooraf battenken; een voorgevoel hebben van. Fore thought, a. vooroverleg, voorzorg. —token, a. voorteeken. Foretoken (-to'kn), v. a. voorbeduiden. Foretooth, s. voortand. Foretop, 8. iflilf; fOkkertlar,
Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-
bewinapelen (over). —er, a. vernisser, verlakker; Vette licla1.(ven-e-ilaj'el), a. —ficially, ad. vergiftigand, betooverend. —nate (ven'e-neat), v. a. +earverglazer. Vary (vee'rth), v. a. & n. veranleren; afwiaaelen; giftigen. —nation (-nee'ejun), a. vergiftiging. Veneta ble (ven'ur-ibl.), a. —Lty, ad. eer-, earverschillen, afwgken ( from). biedwaardig. —blenese, a. ear-, eerbiedwaardigVascular (vee'lljoe-ler), a. van de bloedvaten. held. —.te (-eet)% v. a. vereeren. —tion (-ea'ajuni, Vase (veez), a. vane; kel k. a. vereering. —tor (-ee-tur), a. vereerder. Vassal (vea'ae1), a. yam!, leeaman; knecht, Vener eel (ve•nrri-e1). a. veneriach; weilustig. Blast. —age, a. leendienat; dienstbeerheid. -eons, a. a elluetig. —y (ven'ttr•ih), a. mingenot, Vast (vaunt'), a. —1y, ad. uitgestrekt, ontzagge- vleeschelijke lust; jachtvermaak. onmetelAke ruitote. —nests, lijk, muneternk. a. groote nitgeatrekthei onmeteltjkheid. --y, a. VeneseetIon (vi-n3-sek'sjun), a. aderiatin 'Overage ranee (ven'dzjena), a. wreak; to take of, antzaggesijk proof. Melt wreken op. —fat (vendzyloal), h. wraak%at (vet), a. vat, kelp, zuchttg. %a:leln ul (ve.tie'st-nel), a. voorapellend. —ate (-nest), v. n. voorapellen. —cajun (-nee'sj an), a. Venial (vi'niael), a. vergefelijk; geoorloofd, —nest, a. vergefettjkheid. voorepelling. Vault (vsolt), a. gewelf; boog; kelder; eekreet; Venison (ven'izn), a. wildtraad. sprang. -, v. a. welven, overwelven; v. n, Venom (ven'am), a, verglf, ventjn. —out, a. —ously, ad. vergiftig, venijnig. °wiliest, a. vereprinaen, voltigeeren- ed, —v., a. gewelfd. —er. giftigheid, venijnigheld. a. springer; kunatenrnaker. Vaunt (e.4ont, mint), a. grootsraak , anoeverij. Venous (vi'nes), a. ader.; aderig, geaderd. v, n. roernen, verheffen:, v. n. pocben, zich Vent (rent'). a. lucht-, tochtgat, laadgat; gat; opening; afloop; nitstorting; vrtje loop, epee:beroellen, (in. of). —er, a. bother. —"11/, a. v.111,4e; verkoop, afirek. to take —, ruchtbaer —ingly. ad. pochend, anoevend. worden, uitlekken. —hole, luelitga. —peg, zwikje. Veivaaltry (vev'tesor-rih), a. achLerleen. v. a. luchten, lutist geven aan; uftstorten; Veal (viol), a. keterleeach Veer (vies), v. a. vieren , laten alippen, bkjzetten, uiten; ruchtbaar oaken; verkoopen; v. n. omit(away. out); enden; (aloft) hiFiehen. —, v. n. felon. —age, a. luchtgat. —au (-eel). a. vizier. &eaten; (about) lralzen, voor den wind era- --er. a. batendmaker; onderbuik; moeder. —iduct loopen. (-i.dukt), a. iucht-, windbuis. Veeeta bin (ved'eve-tibl), a. plantaardig; plan- Ventila to (ven'tl-lest), v. a. luchten; wannee; onderzoeken. --lion (-lee'ajun), a. luchting; wanten-; — acid, plantenzuur; — kingdom, planten- ping; onderzoek. —tor, a. tuchttrekker, -klep, (-te bit'it til), a. plantenroei. —lie, ?Wt. -rad. a. owes; groente. —te (-teet), v. n. groeien; . (vent-oelt-tih),%. windetigheid. (-teee'jun), s. Ventosity een planteuleven leiden. —tion plhntengroei. plantenleven• —tire (-tee-tiv), a. Ilentr aA (ven'trel), a. built-. — tide (-trikl), a. ale planten groetend; ontwikketend —tiveness manic; (hart.) kamer, holte. Ventrlloqu let (ven-tril'o.kwist), a. buikepre(-tee-tiv-), a. plantaaraige Vehenzen et (oPhi-mens). cy, a. heviaheid, on- ker. —oue (-kwue), a. buikeprekend. —y (-kwih), a. het buiksprek en. atutmigheid. — t, —tly, ad. hevig, onstuttnIg. Vcutur a (vent'joer, -jar), n. Vallg8tUk; toeval„ 'Vehicle e.voertaig, geteimiddel, kane, avonteur; goedaren op zee; at a —, op Well (reel), a. Outer; dektnautel. —, v. a. aluieran; good geiuk; to have no —, niete to veriiezen bedekken, verbergen, bemantelen. Vela (recta'), a. ader; gave; Niue, nelgIng; gun- hebben; to run the —, gevaar loopen. —a, v. a. waAen; up epeculatie zendezi; v, n. (at. on, upon. attg oogeeblik. —, v. a. aderen. —ad (veend), to) wage!, —er„ e. waagha's. —esome, —axe, a. —y, a. geadera, aderrijk. Vellferoua (re 11M..-us). a• van seller voorzien. —ourRy, ad. licht wagend, oadernemend; vermetel. —ourneas, a. Ett011theid a koenhld, vermetelheid. a. kraehtelocze wil. Vellelty • —ine(-ajn),tc fiju gouddraed; istroolgoud. Vell/ca em (vel'll-keel), v. a. —five (-kee'ejunl, Venue (ven'joe), a naburige piaate; etoot. a. (het) knijpen, pluIrken, rukken; aanzatten. Venus (venue), a. Venus (Odin en planeet). —'aVellum (verlum), s. ejn perkamcnt. —paper, basin, Venus gordel (plant). —e'comb, naaldker. vehjn-papter. vet. —'a-hair, vrouweultaar (plant). —'s-lookingVelocity (ve-lors'it-tih), a. snelheid. —ed, a. flaweeien. plass, vrouweapiegcl (plant). —'s-navel-wart, Velvet (vervit), e. Armee. treutra-navel (plant). , —een (-ion'), a. katoenfluweel. omkoopbaar, to Vernet our (re•ree'sjus), a. •aarheidltevend; Venal (vi'nel), a. ader-; koop. —ity (ve-nent-tih), a. veilheid, °tattoo), geloofwaardig. —ty (-res'it-tib), a. waarheldsHeide; geloofwaardigh ,, baarheid. Vans ry (ven'a-rih), —tic (ve-neVik), a. jacht-, Verb (verb'), a. wart ard. —a/, a. —ally, ad. van een werkvoord a ,,eleid; mondeling; woorjagers. —lion (-ve-nee'ajnn), s. (het) jagen. deltjk; letterltjk. (-el'it-tih), a. letterIbIce Vaud (vend') v. a. verkoapen. —ee (-its'), a boo. par. —er, —or (-or), a. verkoo per. —ibility beteekeals.—atim(-eettra),ad.woord voor wooed. it-tih), —iblenese, a. verkoopbaarheid. —ible, a. Verbena to (vur'aur-eet), v. a. Eileen, kaatijden. verkoopbaar. —I/ion (-)nrus), s. verkooping. —lion (-ee's' un), a. kattijdIng. v. Verb tags (vuebi-dej), e. ',Wed (onahaal) van Veneer (ve-niee), a. op-, ingelegd hoot. woorden, gesnap. —ose, a. —mil', ad. (-boos'-) . a. opleggan, Irleggen.
Westphalia tweet-fee'll-e), g. Westfalen. —n, a. Westfaslech; i. Westfaal. esvel (joe'll), rn. Whewel. Whitehall (wajt'llaolt), g. Whitehall. Wick (wik"), —in, f. coon William; Wm. —life Wickliff. Wight (waft), g.Wight. Wilberforce (wIl'eur-foors), m. Wilherforcc. m. Wilkie. Wilkie Will (will'), f. coot. William; Wire. —Mtn (-jem), m. WI( I em. —oughby (-o-bih),m. Willoughby. —y, r. coon William; Winapje. Wiltshire ( wilt'sjter), g. WItshire. Win (win'). f. your Winifred. --cheater (-tejem•tr),, g. -Winchester. Windsor (wiu'zur), g. Windsor. Windward (wind' wurd) lelgnde, g. Eilanden hoven den wind. '1W 'stir ed (win')-feed), en. WInfried. Wisconsin (wis-kon'sin), g. Wisconsin. Wniga (wol'ge), g. the —, de Wolga. %Voles), (woel'zih), xn. Woleey. Woolwich (woel'itsj), g. Woolwich. Worcester (woes'inr),g. Worcester. Wordsworth (wurdn'wurth), m. 'Wordsworth.
kelijk. to mike — of, goring achten, niet tellen. howler. —te (- brect), v. a . 8i n. wegen; in even- — of belief, lichtgeloovig. — of foot, vlug. —armed, wicht houden (zijn). —/ibn(-bree'sjun), s. even- licht gewapend. —borne, Licht in de hand. — brain, wicht, zweving. —tory, a. zwevend. Lice (laja'), pl. van Louse. —bane, luiskruid. domkop. —colored, licht van kleur. —fingered, License (laj'aens), s. verguuning, verlof; buiten- diefachtig. —footed, snel. —headed, lichtzlnnig, sporigheid. —, v. R. vergunnen; ontslaan. —r,s. onbezonnen. —hearted,luchthartig. —horse,lichte vergunner. ruiterij. —infantry, licht gewapend voetvolk. Cleenti ate (laj•sen'sji-et), s. licentiaat. —ate —legged, vlug ter been. —minded, lichtzinnig, (-eet), v. a. vergunnen, veroorloven. —oua, a. onbestendig. —oualy, ad. (-sjus-), losbandig, huitensporig. Light (lajt'), v. a. lichten„ vzrlichten; aansteken; v. n. at-, itettjgen (front. qffi; afstappen (at); zich —nuances, (-sjus), s. loshandigheid, toemelooe- neerzetien (on); (on. upon) aantreden. —en (laj'tn), heid. v. a. ver/ichten; loosen; opbeuren; v. n weerlicha. leverkruid. Lichen (laj'kn, ten, blikeemen. —er, s. lichter. —erage, a. Itch(lik'), a. ilk; Ring; § zoutbron. —, v. a. likken; Lick tergeld. —erman, lichtermen. —lees, a. donker. afroseen. (over) beschaven. (up) oplikken; veralin- —ly, ad. licbt, tremakkelijk; oppervlakkig; lichtden —er, s. likker. —erish, a. lekker; verlekkerd; zin nig, onbe:onnen. —news, s. lichtheid; lichtzingretig, vurig. —eriehneas, s. verlekkerdheid. nigheid. —ning, s. weerlicht, bliksem, —rod, blikLicorice (liteur-ris), a. zoethout. semafleider. —s, p1. longen (van dieren). —some, s. hijldrager, lictor. Lictter a. licht, belder; luchtig, vrooltjk. —someness, s. Lid (lid), s. deksel, lid; ooglid. helderheid; vroolijkheid. Lie (laj), s. leagen; long. to pine the —, logeu- Ligneous (lig'ni• us), a houtachtig. straffen. —, v. n. lieges. s. pokhout. Lie (laj) [lay (lee). lain (leen)), v. n• liggen, r.- Lignum-vitae ten, elapen. (about) verstroord liggen. (at) lastig Ligure laridoer), a. loschsteen. vane.. (by) stilliggen. (down) zich neerleggen, Like (iii,j1e), a. gelijk, dergelijk, overeenkemstig; waarschijnlijk; op het punt, that is -- hinz dat raster!. (in) in de kraam liggen; koaten. (on. ' is zijne mentor. —, ad. gelijk, ale, waarscbijnupon) liggen, rusten, eteunen op. (over ( over den tijd blijven. (to) bijleggen. (teith) besiapen; bent. lijk. s. gelijke, wecrgade. I had — to have lost, ik had bijna verloren. —, v. a, homier]. ten be). (lief), a, lief. —, ad. gaarne. van, gaarne hebben, lusten, vinden, behagen; Lief n. v. n. lust hebben, goed vinden, verkiezen. —/iLiege (liedzr), a. leenpllchtig, leenheerlijk. hood (-li-hoed), —linens neon), a. ischijn, w earopperheer, leenheer, beer. —/ord,leenheer.—man, schijnlijkheid. —ly, a. waarschijnlijk;aangenaarn; leenmau; vassal. —r, s. afgezant, ambassa- bevallig; achtbaar. —ly, ad. waarechijniijk. —n dour. (larkn), v. a. vergelijken; v. n. gelijken.—ness, s. li'in),s. recht van terughouding, ver. Lien geltj k held; gelkjkenis. —wise (-wajz), ad. eveneens, band. insgelijks. Lientery (laj'in-ter-rih), a. buikloop. Liking Alajkleng), a. lust, trek; genegenheid; beLieu (ljoe), s. pleats. in — of, in pleats van. hagen. to take a —to,luat krijgen in; genegenheid Ellefatentan cy (liv•ten'en-sih), s. luitenants- opvatten voor. plaata; aladhouderechap. —t, s. plaatsbekleeder; onder koning, gou- Lilac (larlek), a. seeing. stadhouder, luitenant; lord Lillaceons (lit-i-ee'sjus), a. lelieachtig. veraeur; — general, luitenant-generaal. Lite (to)?'), a. lever. from (to) the —, near de Eilledt(lilld),a. met lelien versierd. natuur, naar het Leven. for —, levenelang. —blood, Lily (lil'ih), a. lelle. — of the valley,leite der dales:). —daffodil, affodil-lelle.—handed,met blanke hartlevensb toed. —boat, reddingboot. —buoy, red- den. —livered, lafhartig. —white, lelieblauk. dinghoei. —everlasting, maagdenpalm. —giving, hezielend.. —guard, lijfwacht. —insurance, lever.- Limat ion (laj-mee'sjun), e. vijling., polijsting, —ure (larme-tjoer), s. rugmaarden. —preserver, verzekering. v. a. van ledemas. lid; rand; tak. zwembuis. —rent, iffrente. ievensgrootte. Limb enstip --weary, ten voorzien; ontleden. —ed (limd), a. met (van) -string, levensdraad. ledematen. levenszat. —less, a. levenlooa. —like, a. als Limber distilleerkolf. —, v. a, distillevendig. leeren, overhalen. Lift (lift' ► , a. hefting, tilling; loot; holy, poging; t)ard, vullingtopperant. to give a —, helpen; den voetlichten; Limber (lim'bur), a. buigzaam. bord. —hole, vutling-, loggat. —iron, sehuurketoplichten. dead —, vergeefsche moeite; groote tine. —passage, vulling. —plank, vullingplank. nood. at one —, in 6enen zet. —block, toppenante- —rope, schuurtouw. —stroke, vullinggang. —nese, blok. —, v. a. oplichten, tillen; sullen; (up) op- lichteu; verheffen; v, n. (at) trachten te tillen, a. buigzaamheid. —s (-burs.), p1. ammunitie-waKens; vullinggaten. —er, a. lichter, tiller; diet. Lige anent (lig'e-ment), a. band; vezel. —mental, Limbless (lim'less), a. zonder ledematen. —mentous (-meat'-), a. van een' band; bindend. Limbo (lirn'bo), a. voorhel; kerker.t —tion (lat-gee'sjun), a. binding; gebondenheid. Lime (lajm'), a. vogellijm; kalk;lindeboom.nuick—, gebluachte kalk. ongebluschte kalk. slacked —tare (-flyer), a. binding; band; verband. —burner,kalkbrander, —hound,sPeurhoud. — juice. Light (lap!), s. lieht. —bearer, fakkeldrager. limoeusap.—kan,kalkoven.--pit,kalliput. —spar, —haffse,vuurtoren—ports, patrjspoorten.—room, kalksteen. —tree,lindeboom. lantarengat. —, a 1 icht, belder; licht, gemak-, kalkspaath. —stone,
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.

Kan Blockchain bestaan ​​zonder Bitcoin

×