—ing, a. het pleiten. —info (-lento), pl. debatten. vorat. —atone, gipooteen. —work, pleisterwerk. —, v. a. pleisteren bepleisteren. —er, s. gipswer- Pleasant (plez'ent),a. —ly, ad. aangenaam (to), genoegelijk; opgeruimd, vroolijk. —nest, a. aanker; atukadoor. —tng, s. het pleisteren; pleistergenaamheid; vroolijkheid. —ry, a. vroolijkheid, werk. boert, kortse ijl. Piattic (ples'tik), a. beeldvormend. —eirtue,vormkracht. —e (-tin), a. beeldvorming, beeldende Plense (pliez'), v. a. behagen, believer; v. n.gelieven, goedvinden. to be —d, voldaan zijn; gekunst. lieven, zoo goed sijn; (`at)verheugd run over; Plastron (pies' trun), a. boert. stootlap. with) behagen acheppen in; (with) tevreden Plat (plet'), a. platte grond; atuk gronda; woeling; genomen) zija met. —man, —r, s, vlaler, pluimvlechtwerk. —band, rabat; rand. —, v. a. vlechstrijker. ten. Plate (pleet'), a. pleat; tafelbord; gerecht; tafel. Pleasing (pliezleng), a. —ly, ad. behagelkjk, genoegeltjk. —news, a. behagelijkheid, bekoorlijk. silver; inset. — basket, zilvermandje. —button, zilveren knoop. —cover, bordetolp. —fleet, silver- held. vloc.t. —ful, (een) bord-vol, —glass, apiegelglas.' Pleasurabi a ( lezrur-ibl), a. —y, ad. aaagenaam,genoegelij —eness, a, aangenaamheid, ge• —rail, platte rail (op epoorwegen). —shears, pl. noegelijkheid. pleat-, snoeischaar. —warmer, bordenwarmer. —wheel, uurrad. —, v. a. pletten; pautseren; ver- Pleasure (piezrur), a. vermaak, genoegen• yen, goeddunken. at —, near verkiezing. totake i zilveren. — in, behagen vinden in, —boat, speeljaeht. Plated (piee'tid), a. verzllverd; pleeten; schubbig. —ground, lusthof, park. —, v. a. genoegen doen, — ware, pleat. behagen. Platen (plet'n), a. druktafel, degel. s. Platform (plet'form), a, plat, teirmplattegrond; Plebeian (plc-bi'en), a. gering, gemeen. plebejer, lemand van geringen stand. plan, ontwerp, aanleg; bedding; overloop. —masPledge (plednr), a. pand, onderpand; borgtocht; ter, a. stationchef. gijzelaar; beecheid (bij het drinken. —, v. a. Plati na (plet'i-ne), a. platina. —tude (-tjoed), a. verpanden; borg etaan voor; bescheid doen. —e platheid, vlakheid. (. jai), a. paudhouder, -newer. —r,s. pandgever, Platon is (pie-ton'ilt), a. platonisch. —let (plee , borgstelier. to-niat), a. volgeling van Plato. —ism (plee'to• Pledget (pledzj'it), a. komprea. firm), a. platonische wijsbegeerte. Pleiades (pli'je-diez), pl. zevengesternte, Platoon (ple-toen'i, a. pelotun. Platt er (plet'txr), a. vlechter; platte schotel; Planar Incas (plen'e-ri-ness), a. volheid. —ity, ad. —y, a. geheel, volkomen. —faced, met een breed gelaat. —ing, a. het vlechPlenilunar (plen-i-ijoe'ner), —y, a. van do voile ten; vlechtstroo. vlechtwerk. moan. Plaudit (plao'diO, a. toejuiching. —ory, a. toePleuipoten ce (ple-nip'o-tens), a. volmacht. —t, juiehend. a.gevelneachtigd. —Nary (plen-i-po-ten'eje-rih),a. Pilaus' hie (plao'zibl), a. —bly, ad. aannemelijk gevolmachtlgd; gevojmachtigde. —bilily bll'it.tih), —bleness, a. aaunemelijkPlenitude (len'i-toed), a. volheid, overvloed. held. —ye a. toejuiehend, goedkeurend. Play (pies'), s. spel, tooneelstuk; schouwbur,c; Tient noun (pien'ti-us), —ifui. a. —coolly, —ifully, ad. overvloedlg. —Oases,, epeling, speelruimte; s alerts; verlustiging. foul —, a. overvloedigheid. —y, s. overvloed. valseh spel; bedrog. full of —, epeelsch, dartel. to bring in —, Rae den gang maken; ter apraak Pleonas uY (ple'o nem), s. overtolligheid, pleonaemus. —tic, —tical ( nes'tik ), a. overtollig, brengen. to have fair —, vrij spel hebben. —bill, pleonaetisch. ainche. —took, bundel tooneeletukken. —day, speeldag. —debt, speelechuld. —feilow, —mate, Plethor a (pleth'o-re), —y, a. volbloedigheid. —etic (-ret'ik), —ie (ook : ple-thor'ik), a. volkinderspel.—house,eubouw—game, apeelmakl'er. bloedig. tooneelspelburg. —things, speelved. —wright, Pleur a (pljoe're), a. boratvlies. —isy (-ri-sib), schrkjver. s. zijdewee. (-rit'ik), a. van het Zijdewee; Play (pleee), v. a. spelen; bespelen;latenspelen. tan zijdewee lijdend. — the fool, zieh als een gek aanstellen. (away) verspelen. (off) vartoonen; v. n. spelen (at,; achert- Piewin (plev'in), a. sekerheid, borgtocht. Fifa hie (plaribl), a. buigzaam. valsch sea. fair, eerltjk spel spelen. — foul, —blows, a. bulgzaambeid, apelen; oneerlijk handclen. — high, grofspelen. — upon words, woordspelingen maken. (far) ape- Pilau cy (plaren-sih), —tness, a. buigzaamheid. —t, a. buigzaam, handelbaar, gedwee. len on, (on. upon) spelen op; voor den gek houden. —er, s. speler; .tooneelspeler. -ful, —some, Plica (plarke), s. poolache haarvlecht. —te (-ket), —ted (-keet-id), a. gevlochten, geplooid. —non a. —fully, —comely, ad. speelziek, dartel. —flat—cure (plik'e-tjoer), s. vouwing; ness, —sameness, a. speelschheld, dartelheid. vouw. Plea (pli), a. rechtegeding; pleldooi; pleit; verwePiker (plajeur), s. daglooner; sehip, dat goad bij ring; verontschuldiging. den wind zeilt. —a (-urz), pl. huitgang; win Pleach (plietsj), v. a. over elkander slaan; kruieener brag. sen (de arinen). Plead (plied"), v. a . , bepleiten; bealissen; aanvoe Plight (plajt'), a. ataat, toestand;onderpand.—, v. a. verpanden. —er, a. verpander; waarborger; ren, voorwenden; v. n. pleiten. —able, a reehtsonderpand, geldig, bepleittaar. —er, s. pleiter; verded4er.
DIS—.D1S. Disconsolate (dis-con'so-leet), a. —ly, ad. mistroostig, troosteloos. —ness, s. troosteloosheid. Discontent (dis-kun-tent'), —ed, a. —edly, ad. misnoegd, ontevreden. —ment, e. misnoegen. —edness, 3. misnoegdheid. —, v. a. misnoegd (ontevreden) maken. Disconti nuance (dis-ken-tin'joe-ens),—nuation (•ee'sjun), s. ophouding, afbreking. —nue (-joe), v. a. staken; v. n. ophonden. —nuer, s. sinker, afbreker. —unity (-njoe'it-tih), s. atbreking. Discord (dis'kord), s. tweedracht; wangeluid. —, v. n. niet overeenstemmen (with). Discordan ce (dis-kor'dens). —cy, s. oneenigheid, wanklank. —t, a. —tly, ad. oneenig, wanluidend. Discount (dis-kaaunt"), a. korting; dieconto. —, v. a. korten; diseonteeren. —enance (-te-nene),.• koele bejegening; v. a. ontmoedigen; uit het veld elaan; misbillijken. —enancer, s. ontmoediger. Discourage (dis-kur'idzj), v. a. ontmoedigen, afechrikken. —ment, s. ontmoediging. —r, s. ontmoediger. Discourse (dis-koors'), s. gesprek, redevoering; verhandeling. —, v. a. bespreken; verhandelen; v. n. redekavelen, —r, e. spreker, redenaar. Disc:our teous Idi.kueti-us), a. —teously, ad. onbelee'td. —tesy (-to-eih), a. onbeleefdheid. Discous (dis'kus), a. breed: schrijfvormig. Discover (dis•kuv'ur), v. a. ontdekken, openbaren. —able, a. ontdekbaar; zichtbaar. —er, s. ontdekker; verkenner. —y, a. ontdekking, openhaarmaking. Discredit oneer; kwade reuk. —, v. a. in minachting brengen; mistrouwen. —able, a. onteerend. Discreet idict.krieV), a. —/y,crad. bescheiden. —nen, s. bescheidenheid. Discrepan ce (dis'kre-pens), s. verschil; tegenstr•digheid. —t, a. (f, om) verschillend, tegenstrijdig. Discret e (dis-kriet'), a. afgescheiden. —ive, a atzonderend. Discretion (dis-kres'sjun), s. bescheidenheid; voorzichtigheid; goedvinden. to surrender at —, rich op genade overgeven. it is at your—, gij zijt er meester van. years of —, jaren des onderscheids. —al, —aril, a. onbepaald. Discrimin able (die•krim'i•nibl),a. onderscheidbear. —ate (-net), a. —ately, ad. onderecheiden, duidelijk. —ale (-nests, v. a. scheiden, onderscheiden. —ation (•nee'sjun), s. onderscheiding. —clays (-ne•tiv), a. onderseheidend. Discrown (dis-kraaun"). v. a. de kroon ontnemen. DIscuipate ∎ dis-kuPpeet,, v. a. rechtvaardigen. Discninbeney (dis-kum'ben-eih), s. nederligging. Discumber (dis•kum'bur), v. a, bevrtjden, ontlasten. Discursion, (dis-kur'sjunl, R. rondzwerving; betoog. —ive, a —ively, ad. vluchtig, ongestadig, bondig, betoogend. — ory, a. beredeneerd. Discuss (dis-kus'), v. a. onderzoeken, uitpluizen; beredeneeren. —er, a. redeneerder. —ion (-sjun), s. beraadslagend onderzosk. —ire, a. verdrijvend, ontbindend.

Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.
bewaarder; meat, gest. — of the hotel, kabelgast. Yoke (jook'), a. juk; span, koppel. —elm, hugebeuk. —fellow, —mate, makker, lotganoot; eeht—ly, a. van (ale) een yeoman. —ry, a. idt)klelne v. a. in het juk epannen; vereenigen, grondbezttters; ligtrawanten; bereden genoot. koppelen (to. with); ouder het juk torengen. York (jerk), e. rule r slag, stoot. —, v. a. & n. Yolk (junk), a. dooler. Vain (Jon'), Yond. Yonder, a. glndoch; ad, rukken, stun, stooten; springan. Rinds, ginder. Yes (jet),, ad. ja. Yore (ioor), ed. of — in days of — eertijda, veerVest (jest), s. Zia Yeast. been, in nude tijden. Yeutter ljes'tur), a. van &toren. —day, a. de dog van gisteren; ad. &tem. —night, a. de avond You (jue! pr, gij, u Young 'Wing.), a. Jong; ouwetend, (naeht) van giateren; ad. giateren avond (t teht) o. Jong. —ilk, a. nen. —man jongeling. Yesty (jelit'lh). a. Zie Yeasty. jengdlg. —ling, a. Jong. —/y, a. jangdig; ad. in Yet (jet), ad. nog, alanog; bovondien; sells. as voor alenog, tot dueverre. not —, nog Met. —, de jeugd. —eter, s. Jongeling; melkmull; Jong matrons. conj. nogtane, torh, echter. Yew (Joe"), a. —tree, taxieboom. —en (•in), a. van Younker (jungk'ur), a. Zie Youngster. Your ijoer), pr. ow, uwe, uwen. i.i0Prz), yr. texiehout. de (het) uwe. —self (-mei ► , pr. — selres (-Itelve), Yield liteld'), a. ophrenget. —, v. a. voortbrengen, set ten. pr. pl. ti, 'gij) tell, opleveren, atwerpen; toeataan, tt,elaten, tvege), a. jeugd; jongeling, joug rnensch. yen; overlaten. *lateen, opge ;en, tote,, varen, Youth (joeth , —ful, a. —fully, ad, jeugdtg -fulness, a. joug. overgeven (over. up); v. n, toegeven, zich tr.er;oven, — echikken, — onderwerpen; onde, doen, digheld. lY —y, a. Zie Youthful. swiehten, wijken, (to); nitslaan. —er, a. toegever; Ytteltin (joek'ke), e. yucca, adamanaald, broodworts) . Inwilliger. —ing, a. —inyly, ad. wiostgevend; toegevend, inerhikkelijk. a. het toegeven; Yule (Joel'), a. keretmie. --block, —clog, —log, houtblok voor het karetvuur. opbrengat, overgaaf. —ingnest, a. toegevendheid. Inachlkkelijklteld.
(-in'si dent), R. satrienloopend,overeenstemmend. CoHoeft to (kollo-keet), v, R. plaatsen, rangCoir (cojr), s. kokosnootvezels. schikken. —ton (-kee spin), a. pleasing, rangColstell (kojs'tril), s. melkmuil, lafbek. schikking. Colt (kojt), s. werpschijf. Collo') (kol'lup), a, lapje vleesch; kind, scotch Coition (ko.is'sjun), s. samenkomst; bijslaap, —s. kalfslapjes. paring. Colloquial (kol-lo'kwl el), a. —ly. ad. eene CoJoin (ko - dzjojn), v. n. zich verbinden. samenspraak betreffend. —ism, s. gemeenzarne Cojuror (ko - dzjoe'rur), a. die de geloofwaardig- wijze van spreken. I Colloquy (kol'Io kwih), s. samenspraak. heid van een ander bezweert. Coke (kook), s. coke; ontzwavelde steenkool. Collude (kol - ljoed), v. n.. samenapannen; bet Colander (kul'en-dur), s. sect, vergiettest; I eerie zijn. zijgdoek. Collo sion (kol-ljoe'zjun), a. verstandhouding. Colat Ion (ko - lee'sjon), s. doorzijging.., —sive, —sory, a. schelmochtig beraamd. —siveness, Colcothar (kol ko-ther), s. doodekop. I s. schelmsche samenspanning. Cold (koold'1, a. koude; verkoudheid. to catch —, Cony (korlih), a. kolenroet. —, v. a. met roet kou vatten. —, a. —ly, ad. koud, koel. in — I bemorsen; zwart maken. blood, in koelen bloede. —hearted, ongevoelig. !Colon (ko'lun), s. dub ► el punt; groote dorm. —short, broos. —ish, a. koel, koudachtig. —ness,! Colonel (kur'nil), a. kolonel. —cy, —ship, a. a. koelheid, onverschilligheitt. 1 kolonelschap. Cole (kool'), s. kool. —seed, , koolzaad. —wort, Colonial (ko-lo'ni-el), a. koloniaal. — produce, sproitkool. koloniale waren. Colic (kol'ik), a. darmjieht, koliek. Colon let (kol'un-nisi), a. volkplanter, kolonist. —izati9n (-ni zee'sjun), a. vestiging cener yolkCollaps e (kol-leps'), v. n. instorten, ineen- planting. —ize ( najz), v. a. tot eene kolonie krimpen. —ion ( lep'sjum), a. instorting. Collar (kol'ler), s. halsband, kraag; holster; vormen. —y, e. volkplantine, kolonie. rollade. —, v. a. bij den kraag vatten; een' Colonnade (kol-un need), a. zuilenrij. halaband omdoen; rollade maken. —beans, Colophony (to lorun-nth), s. spiegelhora. d•arshalk. —bone, sleutelbeen: —day, galadag. Color (kul'ur), s. klertr, serf; glimp; voorwendCollate (kol'leet), v, a. vergelijken (with); na- ; sel. —s, a. vaandel. —, v. a. kleuren, verven; lezen; aanstelten (to); begeven. 1 bewimpelen; v. n. blozen. —able, a. —ably, ad. schunhaar, achoonschijnend. —ation ( ee'sjun), Collateral (kol-let'ur-el), a. —ly, - ad. evenwij- dig, zijdelingsch, zijdelings. s. verving, kleuring. —i/c (kol ur ink), a. kleurend. —ing, a. koloriet; schoone schijn. —jot, Collet Clan (kol leesjun), s. vergelijking; ker- kelijke. aanatelling; tusschenmaal. —tor, s. a. kleurenmenger, meester in het koloriet. vergelijker, begover van een kerkelijk ambt. —less, a. klenrloos. Colleague (kol'lieg), s. ambtgenoot. — (kol- Coloss al (ko los'sel), —eon (kol-oa si'en), a. lieg'), v. a. vergezellen; vereenigen (with). reusachtig. —us, a. reuzengestatte. ColstalT (kol'staaf), a. draagstok. Collect (kollekt), a. inzameling; gebed. Collect (kol-lekt'), v. a. verzamelen; opzamelen; Colt (koolt'), s. veulen; onervarene, —, v. a. fopincasseeren; afleiden, besluiten. — one's self, zich pen; v. n. huppeleu. —'s-foot, hoeiblad. --'a-tooth, melktand. —er, a. kouter. —ish, a. dartel, uitherstellen. —aneous (tee'ni-us). a. vergaard, bijeengebracht. —ed, a. —edly, ad. aamengevat, gelaten. bedaard, —edness, a. bedaardheid. —ion (kol-lek' Colubrine (kol'joe Orals), a. slangachtig; argsjun), s. verzameling; gevolgtrekking. —ive, a. listig. —ive/y, ad. verzomelend, gezamento,—ine noun, Coition Wiry (kol'um be rih), a. duiveutil. —bine, verzamelwoord. —or, s. verzamelaar, guarder. (-bajn), a. duivenkleurig. —bide, s. liehte violetkleur; akelei. Collegatary (kol-leg'e-to-rih), s. mede-erfge- Column (kol'um), a. mil , kolom; kolonne. noon, College (kollidzj), a. collegie, kweeksehool. —ar (ko lum'ner), a. zuilvormig. Collegi al (kol-li'dzji el), a. van een collegie. Colures (ko-ljoerz'), 8. kruiskringen. —an, —ate, 8. lid VR11 eras collegie; student. —ate, Conan (ko'me), s. staapziekte. Comate (ko-meet'), a. kameraad. R. een collegie hebbend; church, stiftskerk. Contrite (kom'et), a. harig, haarachtig. Collet (korlit,), a. ringdas. Collide (kol lajd'), v. a. tegen elkander 8IRRII. Coanatous (kom'eAus), a. slaapziek. collier (kolljur), a. kolenwerker, handelaar; Comb (koom'), a. tram; vollei; honigraat, carry —, -schlp. —y, to. kolengroeve; kolenhandel. roskam. flax —, heket. —brush, kamborstel.,fish, Colligation (kol-li gee'sjun), a. samenbinding. kammossel. —, v. a. kammen, hekelen. —er, a. kamnaer, hekelaar. —ing-cloth, poeiermentel. Collimation (kol-li mee'sjun), to. (het) mikken, (het) aanleggen. Combat (kum'bet), s. gevecht. single —, tweegeCollIngual (kol-ling'gwel), R, dezelfde teal belt- vecht, —, v. a. bevechten; v. n. atrijden. —ant, s. strijder. —ant, a. strijdend. bend, Colliqua Clam (kol-li kwee's(un), s. smelting. Conshln able (ktim-bornibl), e. vereenigboar. —ation (kom-bi-nee'sjun), R. vereeniging, ver—tire (-lik'we tiv), a. ameltend. binding,. —e, v. a. bijeenvoegen; v. n, zich Colliquefaction (kol-li-kwe fek'sjun), R. at mensmelting. verbinden. Con► l► ost lisle (kum•bus'tibl), a. verbrandhaar Collision (kollfzjun), a bot,in:;. . 

s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.

Par boil (pear' bojl I, v. a. half gear koken. —break' Parley (paar'lih), s. onderhoud, gesprek, omier(-breek), a. braaksel; v. n. braken. —buckle (- buk1), lmdeling. to beat a —, de overgaafmarach glean. s. schrooltouw. —, v. n. zich onderhouden, sprekeu. Parcel (paar'sil), a. atuk, gedeelte; pakje; partij; P4,1111senlent (paarna-ment), a. parlement. —ary hoop; sarting. m u —, v. a. in ge- (-ment'e-r1h), a. van het parlement. bill of —8, faetur. deelten splitsen; bijeen voegen; met smarting be- Parlor, Parlour (paar'lur), a. spreek-, bezoekk teeden. —ing, s. smarting, presenning. —delivery- kamer. office, a. beatelkantoor. Parlous (pearls's), a. gevaarlijk; slim, sluw. Parcen ary (paar'se-ne-rib), s. gemeenschappe- Parmesan (paar.ine.zen'), a. Parmezan; parmeIt) k bazit. —er (-nur), s. deelgenoot. zaan-kaas. Parch (paartsr), v. a. & n. schroeien, zengen; Parochl at (pe-rolliel), a. van het kerspel, — roosters; (doen) verdrogen. --edneos (-id-ness),... register, kerkeboek; — relief, bedeeling. —an verschroeidheid; verdroogdheid. —ing, a. ter- (-en), a. parochiant. schroeienl. Parod Ic (pe-rod'ik), —ical, a. parodieerend. --y , Parchment (paartsrment),:s.perkement.—maker, (per'ud-dih), a. spottende nabooteing, parodie; perkementmaker. —runner, papierlijuentrekker. v. a. spottend nabootsen, parodieeren. Pard (paard), a. luipaard. Parol (per'ul), a. mondeling. Pardon (partedn), a. vergiffenis. —monger, Omit- Parole (pe-root'), a. woord van eer; wachtwoord. kramer. —, v. a. vergeven; genade verleenen aan. Paronychlaper-o-niei-e),s.vijt. —able, a. —ably, ad. vergefelkjk. —ableness, a. Paronym e per'o-nini), a. gelijkluidend woord. vergefelijkheid. --er, a, vergiffenisschenker; aflaat- —ous (pe-ron' -mus), a. gelljkluidend. gever. ron'i-mih), a. geltjkluidendheid. Pare ( peer), v. a. achillen; uit-, afanijden;areaspen; Paroquet (per'o ket), a. parkiet. besnoeien; verminderen. Parot Id (pe-rot'id), a. van de oorklleren. —is Paregoric(per•e-gor'llt), a. & a. verzachtend, (-rolls), s. oor-, speekselklier. pij natillend (sreiddel). Paroxysm (per'oks-irra), s. verheffing (eener Parembole (pe-rem'bo-lib), a, tusschenvoegsel. ziekte of pijn); vlaag. Parenchyma ,pe-ren'ki.me), a. kllervleesch; eel- Parquetry (paar'kit rib), a. ingelegde vloer; inw eefsel, merg. gelegd houtwerk. Parene ola (pe-ren'ints), a. vermaning. —tie (pe r- Parrel (per'ril), a. rak. to fasten the —,aanrakken. e-net'ilt), a. vermanend. —haliard, ophaler van het rak. —ribs, rakkeslede. Parent (peer'ent), a. vector, moeder; oorzaak, —truck!, rakkeklooten. —truss, rakkatrre, -tulle. bror . --a, pl. °lidera. —ape!ook: ijer'ent-idzi),.. Parricid al (per-ri.aardel), a. vadermeordend; maagschap; afkonist. —al (pe-rent'el), a. ouder- van een' vadermoord. —e (peeri-sajd), a. vaderlijk. mooed; -moorder. Parenthe Ails (pe-ren'shi aim), a. tusscheavoeg- Parrot (per'rut), a. papegaai.diving —, papegaaisel, parenthesis. —tic, —tical, a. —tically, ad. duiker. —fish, zeepapegaai. —weed, boeconia (soort (per en- thet'sk-), tusschengevoegd, ingelaecht; als van heester). parenthesis. Parry (per'fih), v. a. & n. afweren, pareeren. Parent hide (pe-ren'ti-sajd), o. oudermoord; ou- Parse (nears), v. a. taalkundig ontleden. Parsisnon Ions (paar•111-mo'ni-us), a. —Toasty, dermoorder. —less (pee'rent-less), a. ouderloos. Parer (peer'ur), a. afanij der, schil ler; veegmes. ad. zuinig; k &rig. —tousness, —y (paar'el-munnih), Parergl (per'urAlzjiis), a. bijwerk. a. zuinigheid; karigheid. Pargst (paar'dzjit), a, pleisterkalk, gips. —, v. a. Parsley (paaraliha a. peterselie. —fern, druifhepleisteren. varen. —pert, ateeneppe, steenbreke. Parhellon (per-hi'li-un), a. bijz on. Parsnip (paars'nip), a. pastinak. Pariah (pee'ri-e), a. paria, verstooteling. Parson (paar'sn), a. geestelijke, predikant. — age, P algal (pe-raret), s. Zie Pair-royal. s. predikantspl eats; pastorij. Parietea I (pe -rare-tel), a. van den wand. —ry Part (peen), a. deal; aandeel; partij; rol; lid; (-to-rih), a. muurkruid, plicht, dienst. —8, pl. begaafdheden, talenean; Paring (peerneng), a. het afanUden, achillen, af- atreken. — by —, atuk voor atuk. in — of payment, anijdsel, sehil, afoul. —knife, snij mes (bij schoen- op afkorting. for my —; wat inti betreft. for the makers). moat —, meestal. to take a — in, deelnemen aan. Parish ( per'isj), a. kerspel, parochie. —boy, arm- to take in good (ill, —, goad (kvralijk) opnemen. jongen. —church, parochiekerk. —clerk, dorpskos- —owner, medereeder. —, ad. deela, gedeeltelijk. ter. —duty, kerspelbelasting. —priest, geeetelijke Part (paart"), v. a. deafen, of- indeelen; orbitten; scheiden; v. n. scheiden; heengaan, vertrekvan het kerspel. —loner(-un.ur), a. parochiaan. Parlayllable (per-1-sil-leb'ik), —at, a. gelijklet- ken; afdrijven; verzeilen. (from) scheiden van; tergreptg. laten varen. (with) zich ontdoen van; verlaten; Parli or (pergi. tar), a. pedal, bode, gerechtsdie- laten varen. —able, a. deelbaar,scheidbaar. —age, near. —y, a. gelljkheid. a. verdeeling; aandeel. —ed, a. begaafd. —er. 6. Park (plink'', a. park, warande. —flower, mei- verdeoler, scheider; scheidama.a. bloem. —keeper, paskopzichter. —leaves St. Jana- Partak e (per-teek') [ire.], v. a. doen deelen in; kruid. —, v. a. in een perk aluiten; omheinen. —er, v. n. (in, of) deal hebben, deelnemen aan (in). a. parkopzichter. —er, a. deelhebber, deelgenoot. —ing, a. deelParlance (paar'lens), a. geaprek. nerving; komplot.


PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


telligence office. —ing, v. employing, spending; boarding; me Annbeeteding. Beateedet•r, n. Zie Beeteder. B. eteektseans3 , re. head-band; bor. Elestek, o. compass; plan, draught; r'ckoning. — en voorraarden, specification and conditions. ten — sunken, to 'point the maps, in ten korter — brenpen, to abridge. Ilesteken, ov. w. to bestiek; to adorn, to garnish, to lard; to undertake, to attempt, Beefed, v. spiced biscuit. o. direction, Mating. Ment; nomination; fuss, bustle, ado. —geld, —loon, postage, carrier's fee. —kantoor, forwarding-home. !Bente* en, on. w. to rob; to bereave. — lag, V. robbing. Denten en, ov. w. to appoint; to deliver, to carry, to forward, to bespeak, to order, to get made; to manage, to arrange; to nominate; ter aarde —, to bury, to inter. —er, e.. postman, carrier. —ing, v. delivery; order, commission. ilitesteonnet, m. crony. Heaters d, by. appointed, fixed; designed, destined; bound (naur, for, to). —men, on. w. to appoint, to fix; to design — , to destine (for). —mar, m. appointer. —ming, v. destination. eleeteetnuer, v. grandam, granny. Beef Tnspelers, ov. w. to stamp, (met den naam van) to call, to name, to style Ilcstendig, by. kbw. lasting (-1y), durable ( - bly), Permanent (Ay); steady (•D ► , stable (-lily), settled. — en, on. W. to atabilitate, to confirm. —held, n. permanence, steadinees, stability. Resterveis, ov. w. to die of; on. w. to tern pale, — livid; to dry up; to grow tender. laten — , to mortify. Ilieste,Istsr, to. gaffer, grandeire, old man. Beetevesten, on. w. to steer towards, — for. etitlest, o. —en, on. w. ie Beetnur. Beettji; en, on. w. to .;limb up, to ascend, to scale. —ing, v. ascending, settlingov w. to point. to dot. Iltstok en, ov. w. to batter, to harass. —er, Tn. harasser, aggressor. —ins . , a. harassment, assault, aggression. Bcetoyp ron, on. w. to darn, to mend; to fill up. —ing, v. darning, tt ending; fl; (lag up. Beetorm en, on. W. to storm, to assail, to fall upon; to importune, to overwhelm. —er, in. atormer. —ing, v. storm, assault. Bestorten, on. w. to spill (to ehedi upon. IiieSiterVitti., by. dead; pale, livid; stale; orphan. Bentrnif elkjk, be. blamable, reprehensible. —eltilcheid, v. reprehensibility. --en, ov. ws to rebuke, to reprehend, to corract,to punish. — er, to rebuker, corrector, punisher. —ing, v. rebuke, correction, punishment. Heatrali en, on. W. to beam capon, to irradiate. —ing,v. beaming upon, irradiation. Dectrett en, ov. W. to pave. —ing, v. paving; pavement. liestrUd en, on. w. to fight, to combat; to oppugn; to dispute, to controvert; to defray, to afford. —er, in, opponent, adversary, antagonist. —fag, v comeating; opposition, controversy; defrayment.
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.
v. R. blad-dun siaan; verfoelien. —ation (-Oa ) sjun), s. (bet) bled-dun pletten; bladschieting; verzameling der bladen in den bloefnkelk. —ature. (•e-tjoer), a. bladdunheid. —er, s. bladgoud; —ferous (-lir' ur-us), a. bladeren voortbrengend, Folio (foli-o), a. folio-formaat; foliant, bledzijde. Folk (took'), —s, a, de menachen, de lieden. —lore, volkssprookje; voiksoverleveringen.—mote,volks vergadering. Follic le (fol'likl), a. zaadhuisje; Iuchtblaaaje; kVer. —Woos 1-lik'joe-ltial, a. met zoadhuisjes. F0111101 (fol'Ii-foel), a. vol dwaasheid. Follow (folio), v. a. volgen; opvolgen, navoletn. (up); beoefenen. (on. out) doorzetten. —, v. a. volgen; (from) voortvloden nit. —er, VNalger. volgeling. Fly (flaj) {flew (fine), flown Moon)), v. a. vileden, Folly (foi'lih), a. dwaasheid. vermijden; ((een vliegen. — a kite, een' vlieger Fonsent (fo-ment) v. a. koesteren; "doyen; aanopiate!, —, v. n. vliegen, bersten. in the face, meedigen, aanhitsen. —alien (-tee'sjun), a. sto , beleedigen, tarten. — into a passion, toornig ving; aanhitsing. —er, a. aanmoediger; aanetoker. attn. (at) wolden. (abroad) ruchtbear worden. Food (fond'), a, —ly, ad. dwaas; overdreven vliegen; aanvallen op, (off) wegviiegen; arvallig teeder; (of) verzot op. —, v. n. verzot aijn (on), worden. (out) nitvaren; uitspatten. (out into) Fond, e (fon di), v. a. liefkoozen, nertruetelen. loghersten in; zieh overgeven nen. —er, S. vertroeteiaar. —tag, a. troetelkind, (flayieng) ,s. (bet) vilegen. —, a. vliegend; hevelin r. —fish,vliegende voteh . zwever —b r i g hoefhlad. —, I Fondue.. (fond'ness), a. dwaze teederheid, verFool (fool), a. veuien. ---bit, —foot, zotheld. v. a. & n. werpen (vculeoa), Foos!. (foam'), s. scheim. —, V. a. (out) woe- Font (font), a. doopvont; stel drukletters. eene bran betreffend, aerie( uiten. —. v. n, schuimen; razen, tieren, Fontat (fort'el), a, Fontanel (fon'te-nel), a. fontanel. —a, a. achuimig. Fob (fob). s. horlogezakje; Week. —, v. a. be- Food (food'), s. voedeel. —fat, a, voedzaam. —leas, a. onvoedzaam, onvruchtbaar. —y, a. eetbaar. dotter, (off) afschepen. Fool (fool'), a. Ogees, zot; potsenmaker. to make Voeng-e (fo'kidzj), a. haardgeld. all—s-day, aerate a — of, voor den gek houden. Focal (fo'kel), a. van het brandpant. dog van April. — haP.PY,dom gelukkig.—hardiness, Foelle (fo'sil), s. armpfjp; scheenbeen. roekeloos. —'s.cap, rots—hardy; roekeloosheid. Foeaia (fo'kes), a. brandpunt. kap; kleiu-folio papier. —'s-errand, gekken. Fodder (foti'dur), a. stalvoeder. --, v. a. voede- boodechap. —trap, strik voor gekken. !Tn. —er, a. voederaar. Fool 'tool'), v. a. voor den gek houden; mislelFoe (fol., a. vijand. —man, vijand den. (away) verbeuzelen. (out of) bedriegelijk beFe)g (fog - 1, a. mist, novel; csgroen. —bank, 'level- -rooven van. —, v. n. beuzelen, gekheid rnaken. —gy bank• --giness (•gi-ness), a. mistigheld. —ery, s. dwaasheid, zotheid. —ish, a. —Wily, (-gill, a. mistig. ad. zot, dwaas. —iehness, a. dwaasheid. Foil (We), int. ha ! foci! Foot (foot'), a. voet; ondereind; voetvolk. on — Foible (fOrbi), R. zwak, zwakke zijde, to voet. to set on —, aan den gang (op de been) r o ll (foil';, , mielekking, verijdeling, neep; foe- under —, onder then wt. — by —, liesel; dun Llaadje tnetaal; floret. — v. a. ver- breng.sn. langzamerhand._ —bail, voetbal (spel). —band, ijdelen; uit bet veld SLUM; in het nauw brenvoetvoilt. —board, trede, voetplank. —boy. gen; versiaan; stomp maken. to be —el, bet troep klellue lakes. —breadth, voetbreedte. onderspit delver. —er, a. overwionaar. —ing, l lonejongen, —bridge, vlonder. —cloth, voetkleed; pattedendelc. s. spoor van een hart. —fight, gevecht to voet. struikeling. —fall, Foin (fojn), s. stoat. —, a, n. stooten. lijfwacht to voet. —hold, ruimte vo or Foist (fojst'), v. a. onderachuiven, bedriegelijk I —guards, —hook, etc. Zie Fottock. — ticker. inlagschen. —er, a, vervalscher. den voet. boeven. lage vleier. —lock, haarlok boven de—mantle, old' h , vouw; schaepskooi; kndde; grens.—man, Fold (fo looper, huisknecht; infanteriet. —, V. a. ieeluiten; vouweo, (up; toesluiten. a. zekere vrouwenmantel.—maleh,wedloop. —pace, —age, 8. perkrecht. —er, half-portael —, v. n. toesiaan. atapvosts-tred; voewbeen. (op een' trap). —pad, —path, voetpad. `—post, voetbode. Foolding (foold'ieng), s. (het) vouwen; (het( per. etruikroover. afdruk van den voet. —race. wedi001). ken van schapen, —,a. toes)aand. —bed, veldbed. —print, peard. onderlijk. —rot, zeltere achapen—rope, —chair, vouwstoel. —doors, vieugeldeuren.—knife, ziekte. —soldier, infanterist. —stalk, bloated. --stick, vonwbeen. —screen, kamerschut. —table, —stall, vrouwenstilgleeugel.—step, voetstap;trede. klaptafel. —stool, voetbankje —store, —warmer, stoof, voeFollheeoun (fo-l)e,'sjus), a. bladerig. buikdenning. Foil age (fo'll.plz3), a. gebiaderte, °rumor, tenwarmer. —waling, (Poet'), v. a. betreden; schoppen; vestige!; Foot —ate looNvevic; - v. a. met loofwerk vereieren. wegvioeiing. clion (-ce'sjun), a. ( l-bil'it tih), —ility (int s. smeltbaarheid, scheidbaarheid. —ible, a. smelthaar; onbestendig. —ion (-jun), s. vloeiing, smelting; nicking; ditTerentieal-rekenine. —tone/ (-jun-el), —ionary (-jun-e•rih), a. van de differentiaal-re• itening. —ire (-iv), vloeibaar. —ore (-Japer), s. vloeiing; vioeistof. Fly (flap), s. vlieg; onruat; windwijzer; kompasroos, snorwagen, —bane, vliegengif. door vliegen bevoild. a. vliegenei (deck); a, a. viiegen')eren leggen; bederven (vleeecit). —boat, vlieboot, fleitschip. —catcher, vliegenvanger. - fish, V. n. met vliegen via'cben. —f lap, vlie:geneFtp. —leaf, schutbiad. —wort, vliegen-
Amiabl a tee'mi-ibl.), a. —y, ad. beminnellik. —eness, a. beminnelijkheid. Amianth (em'i-entb), s. steenvlas. Amicable (em'l-kibl), a. --y. ad . vriendschappe10. —mess, a. vriendschappelijkheid. Amid (e-mid'), Amidst (e-midst . ), prp. te midden van, onder. Amiss (e-mis') ad. kwalijk; verkeerd, to onpas, • to take —, kwalijk nemen. Amity (em'it-tih), a. vriendschap. Ammonia (em-ino'ni-e), a. ammonium. Ainmonlae (em-mo'ni.ek), a. & s. ammoniak. sal —, arnmoniakzout. Ammunition (em-mjoe-nia'ajun), a. krijgavoorread. —Lread, kommiesbrood. Amnesty (eneines-tih), a. vergiffenis. Among (e-mungl. Amongst, pep. onder; teaschen, Amorous (em'o-rua), a. (of), —ly, ad. verliefd. —nees, a. verliefdheid. Amorph ous (e-moefus), a. vormeloos. —y, a. vormeloosheid. Ansoet le-morti, ad. doodsch; treurig. —ization. (-ti- zee'sjun), —szment ( -tiz- merit). s. eigendomaoverdracht in de doode hand. —ice (-tiz), v. a. overdragen in de doode band. Amount (e-maaunt'), a. bedrag. —, v. n. (to) bedragen, beloopen. Amour le-moer'), a. minnarij. Ampltibi an (em-fib'i-en), a. amphibie. —ous, a. tweeslachtig. —ousness, a. tweeslachtigheid. Ainphibolog teal (em-fib-o-lod'zjikl), a. dubbelzinnig. —y (em-ti-bol'ud-zjih), s. dubbelzinnigheid. Amphiseli (om-fispi-aj), a. dubbelachaduwige volken. Amphitheatre (em-ii-thi'e-tur),..amphitheater. Ampl e (etri'pl), a. —y, ad. ruim; breedvoerig; mild: rijkelijk. —enesa, a. ruimte; breedvoerigheid; mildhe:d; pracht. Amplification (em-pli•fi-kee'sjan), a. uitbreidiug. Ampll filer (em'pli-faj-url, a. uitbreider. -l'y (-faj), v. a. uitbreiden, vollediger maken; v. n. (on) uitweiden over. —tude (-tjoed), a. nagestrektheid; overvloed gheid. Atnputa te (ern'pjoe-teet), v. a. afzetten. —tion (-tee'ajun), a. afzetting. Amulet (emloe-let), a. talisman. Amus a (e•mjoee), v. a. vermaken; ophouden. —ement, a. vermaak, tijdkarting. —ing, a. vermakelijk, onderhoudend. Atuygdal ate (e•mig'de-let), a. van amandelen. —ins (-lin), a. amandelachtig. An (en), art. een, eene, eenen. Anabapt ism (en-e-bep'tizm), a. leer der wederdoopers. —ist, a. wederdooper. —istic (-tis'tik). s. wederdoopagezind. Anachoret (en-ek'oret), a. kluizenaar. Anachronism (en-ek'ro-nizm), a. miailag in de tijdrekening. Anagram (en'e-gram), a. letterkeer. Anftlects (en'e-lekte), a. bijeenverzamelde ttittrekselm uit schrijvers. Analogical (en-e-lod'zjik)), a. overeenkomatig. Anal ogous (e-nero-gus), a. (to) gelijkvormig.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

Kunt u verkoopt cryptogeld op Robinhood


business. —ear, m, merchant, trader, dealer. —baav, by. tractable. —baarheid, v. tractability. —en, on. w. to act, to do, to behave ; to trade, to deal, (in); to negotiate ; to treat (over, of). —ing, Y. action, act. Ilandenloom, by. handless, unhandy. —held, v. unhandiness. lIandlg, by. & bw. handy (Alv), dexteroue ( -iy). —held, v. handiness, dexterity. Handle, o. een hebben van, to have a knack at. —gaits', light-fingered person. —plak (spelen), Ito play at) hot-cockles. llandzaam, be. servicetble,tractrible. —Acid, v. serviceableness, tractability. liana balk, m. cock-loft. --gekraai, o. cockcrowing. —keen, m. conk's comb ; rattle-grass. —scat, v cock-pit. —poot, M cock's foot; scrawl. —spoor, v. cock's spur. —fired, in. treadle. —veer, v. cook's feather; shrew. --vort, m. crow foot. —sagevecAt, o. cock-fighting. Hang, m, herring-hangs. —en, on. & on. w. to hang; to be pen ling.; to be inclined; — aan, to depend upon; stin hart — a., to set one's mind on; vest geld — aan, to spend much money in. —Maker, sconce. —bord, sign. —brag, suspensfon• bridge. —balk, swig-belly.—dief, hang-men. —gat, draggle-tail. —horloge, pendulum. —(jeer, pothanger. —kanier, ineLzanine, entresoi. —blob, house-clock. —korf, dorser. —lip, blobber-lip; blobber-lipped person. —neat, hammock. —oor, dangle ear; dog with long ears; slovenly person. • —riern, brace. --slot. padlock. —ebant, m. & v. newgate-bird; v. curds. —en, o. hanging; (teeny1 41 tusschen — en worgee, between the devil and the deep. —end, by. hanging ; pending ; met —e rookies, in a submissive menus, —cede, Ye. during. —er,m, hanger; sword, pendant, ear-drop. —op, v. curds. ho. eockish; wanton, lewd. Ilannekenittaler, m. grass mower (from Weetplialia). Hans, on. John; gentleman; simpleton, Simon pare den grooten spelen, to lord it. —sop, —worst, :merry-Andrew., Jack-pndding, punch, pantaloon, clown,sc Ara avouch, z any, buff ion. —je,o. Johnny; — in den kelder, Jack-in a-box, Hang-en-kelder.
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

Wordt alleen Blockchain voor cryptogeld


Stip,' (sof', s, student in net tweede jaar. doen kltnken; blazentuitbazninen; peilen, loggen, sophIs m (sorizmi, s. drogrede, -4, -ter, s. 100ihert; v. rt, klinken, !calm], -ing, tt. kiln. drogredenaar, sophist. bend. s. peiling; -board, klankbord; zangbodem; Sophiatic (so•fietik), -al, a. -ally, ad. spits- dieplood; -line. lootiltin. -legs ft, (-ti-keet), v. ;ter - bediiegelijk. - ate (-lengz), pl. ankergrond; peiling, to loose - . vals,hen. -ate (4t.ket), a. vervalscht. -ation geen grond pellen; to strike grond peilen. (41-k,e'siun), a, N'emilsching. -star(-ti-kee-tur), -less, a. toonloos; peilloos; ondoorvandelijk. a. vervals , her. -71e88,, gaefheldi sterkte; juistheid; zuiverheid; grrondgebled. Sophistry (s0Mo-trill) ; a. valsehe rodeneering; Soup laoep), a. soap. - basin, terrine. aerenieg in de logien. S1,porif erous (sop-o•rit'ur-us), -ic a. slaal, Scour (sane), a. - ly, ad. zuur; bittensmarteltjk; knorrir, gemelijk. verwekkend. - ic, a sloapmiddel. roar. - trout, - krout, zuurkool. -faced, zuurz5lend. -gourd, apenboom. Soprano (su-pra'no), n, soprnon, bovenstem. Sorb (orb'), a. -apple, ,ogelbes. s. -tree, -gun, waterboom, -sop, getakte fle,sehenboom; sorbenboorn. more Appel, zuur stukje. -, V. a. & n. zuur (yeSoccer ez (sor'sur ur), s. toovertaar. -earl, a. melijkl msken !warden). -ish, a. zuurachtig. tooveres. -y, a. tuaaerij. -ress, a. zuurheld; bitterbeid; gerneliakheid. Sordid (snedid), a. -ly, gemeen, Source (Boors), s. bran; oorsprong. vuttheid; laagneld, Seance (Salta), a. petal; zult; neerschieting. -, a. snood. vrekkl, -nevi, v. a. pekelen, inzouten; indompelen; hevig stooeno , dheid; vrekk;glieid. a. demper. Sordine ten; v. n. nederochieten (down). -, ad. senazezr, pijnlijk; hevig; ge- klapr, , piotseiing. Stern- (soar'), a. & zepr; zweer; piP); South (south"), s,zuiden. - by east, raid ten oarvoeliK; ten. - by west, raid ten neaten. -, a. zuid-, vierjping here. -nest, s. pijnlijkheid; hevigheld, colder.- -pole, znider aspunt. -sea, zuldzee. liehtg,,taittheid. Sorner !saor'nur), s. indringer, ongennad gnat. Sotztli-ent.t (eauth-iestii, a. zuidoostsn. - erly, - ern, a. zuidowtclijk. Sororicide olo•rorl•sajd), a. zustermoordi zus- Soalit erly (suill'ur-lita). - ern, a, zuidelkik. termoorder. - ern - wood, everolt. - erner„ s. bewoner van hat Sorrel taor'rill, a. rot, rosachtig. - , s, roskieur; zuiden,•-ing (sauthleng), a. zuidelijke rlchting. vos (psont; wring. Sorel ray (aor'rii-Jih), ad. 'Lie Serry. - ness Sontbword (sauth'viurd), - 8 (•wardz), ad. ellendigheid. zuidwaarts. (-ri-neat'), Sorrow (sor'ro), s. droePh i t, hammer; iced- Soolb•went fsauth-went') a. zuidwesten. v. at. zich hedroeven, leedwemen ge - -ern, s. zuidwestelkjk. wezen. voelen (over). - fat, a. - fully, ad. ',en:1g, be - Sovereign. lauv'ur-ink a. - ly, ad. oppermachtig, s. opperheer. alonbeperkt, opperst, loogst, droetd. -fulness, n. trearigheid, bedroefdheid. leenbeerseher; souverein. - ty, a. oppetniaeht; -less, a. ounekornmerd. onbermrktheld. Sorry (sor'ritt', a. treurig, bedroefd tut. for. oft; ormzoli,:, I any (feel) - for it, het Sow (.11'1, s zeuir; pissehed; klomp, blok; tobbe. ellencir -baby, speenvarkeu. -bane, ganzenvoet !plant). split nail. -bread, varkeesbrood. -gelder, varkenelubber. S ort ,sort',., s.soort; oat* slog; wijze; Masse, rang, ganzendiatel. eenigermate. -pig, zeugbir. stand; rut, parr; Int, in some, S ow (Sc) ' [snared. 80WH, (sooni], v. a. & n. , niet wet ztio;Kellaelii! to be ant cf., zaalen, berseien; uitstrooien, bestrooien. - er, v. a. oncte,en; olcondereo, rorgsehink,n; verbinden; v. u. zich a, zanier; ultstrooier; aanatoker. zoeken, uitkiezen vern7nden, overeenkomen; pt.,sru; gebeuren, uit- Soy (an)), n. soja. vallen, skger, - able, a. to sorteereil. - ante, s. S41.4:7.10 (s0eZt), 8. abet, 810116. gepamtheid. Spnre (specs), e. rotate; tijdsbestek; epacie. s .1 ating. - ition Spit (spoil), u. a!gemeene cram voor bronnen van Sua'i ick miveraal water, bodplants. a. aau,Azing: door bet lot. - anent, S. sorteering, Specious (spee'sjusy, a. - ly, ad. tuba, assorttment. S00.4 (noon;; v. n. aehteloos gaan mitten. uitgestrekt. - ness. s. uitgestrektheid. Sot (sW), s. oat; - , v. a. verdooven.' Spnridle (soed'd1), a. schopje, apatel. vevatornp n; v. at.cieb beauipen. - tisk ,a. Spade (speed' ►, 13. spade, bebop; sehoppen; gead. mot. darn; besehottken. -tidiness, c. zothele.; diet. -bone, sehouderblad -tut, (eeno) be-•chunkentieid. spade-vol. -, v. a. & n. spitten, omspitten. s. onderaardsche waterleiding. Spndle,00s !ape di'j'ua). a. lichtrood. SOUgh Soul s. ziel. -bell, doodklok -eheer:ng„ S1,4.11111, (spe-dir!, s. sehoppenass. s - comforting, hartverheffend. -felt, diep Hat fsped'cji-riotl, s. scheikundige. -mass, zielints; Allerzielen. -sick, zte.. new spehee, Spoilt (spee'hi, spn'hi), S. Spahl, dem great. -trouiile, zielsangst. -ed (soold), a, tarksehe ruiter. bezaeld. -leas, a. zi•lioo3, Spoil Ispaoll), a. sehouder; swum. (sounds', a. -ly, ad. gezond, rata; vast; Spelt (spaolt, a. spalt, steensoort). Malik, span (open'), a• span; ophouder, strop; boric Gtertr, kraehtig, duchtig, grondig. Keltud, toon; inktst..n; thehtuan.; road, zee- duty. -e/ean,kraakzindelijk.-counter,-farthing, engte. -board, klankbord; zangbodern. va.• i kuiltjesspei. -long, eene span lang. -new, splin-
a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,
Weal (wiel), a. welzijn. welvaitrt; striern, atreep. I nvre-it'h''')!Inat.erVkbdeil; welvaart. —ily. ad. Wealth o acltro —y, a. rift, vermogend. —mess (-1-neal), a, Welgesteldbeid. Wean (mien'), C. a. spenen; afwennen. —el (-id), —nag, a. geepeend kind; — dier. Weapon (wep'n), a. wapen. —ed (-and), a. gewalkend. —less, a. ongewepend, weerl000. Wear (weer), a. (bet) dragen, dracht; alk)tinX, (wier), dam, bade, waterkeering; elljtaadje. vischfaik. — and tear, het verelijten; rampen an wederwaardighoden. Wear (weer') [wore, worn, (woorn)]. v. a. dragen, aanhebben; afdragen, afalljten; verteren; efenattan; gewennen. (away) veislijten. (of. out) atellkjten, afdragan. (out) uttputten: ten elide brengen. —, v. n. zleh houden (In het dragen ► , duren. (away. off) verslijten; vervallen (on) verstrijken. (out) afelijten; &firemen. —aide, a_ dranbehr. —er, as. drager; verelijter. —ing, s. bet dragen! —app, b(w leteedArde17 .11. vermoeid. —!new(.1-11e.S), reraineldhatd; verveling. —isms, a. —isomely, ad. (-1-sum.), vermosiend; lastig ; vervelend. —isomeness (-i.aurn-)„ a. lautlglield; verveling. --y, ave. rvpasol-la. (of) ; (of) nat. —y, v. a. venmoelan; Wectaand (wle'ind), a. luehtpkip. Wencel (wi'zl). a. wezel. —fared, sthrad van aslaat. —gutted, mager. Weathe., (wetteur), a. wader. stress of swain. wear. —beaten, door etormen getetaterd ; errweerd; bevaren. —bit, slag van het alikertonw om den boy van het braadapil. —board, loefzii de; waterbord. —bound, door het wader opgehouden. —braces, pl. loefbrassen. —rock, wearitaau. - coal, v. a. onder het bij!eggen over ern' anderen boeg wenden. —driven, door den storm gedresen. —gage, wterwilzer ; loot —pieces , wearglee. —headed, ongeatadig, wirpelturtg. —leech, lostlijk, —line. windsteek. —moot, dtcht wader den wind liggend. —proof, legen het wader beatand. —quarter, windviering op de loafzijde. —sail, geteerd reit, presenning. —sheet, loefachoot. —shore, loef-, opperwal. —shrouds, pl. loetw ant . —side, loefzij de. —spy, wetrprofeet. —tack, loefhalo webrkundig. Weather (weth'ur), v. a. eau de lucht bloat stellen. luchtee; te loevert (te borer ► ) zetlen; met moeite omzetlen; uttetaan, detonation, te boven komen (out). —1y, a. te )never; eh1P, eehip, dot gord hij den wind zellt.

grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.


beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

Kunt u verkoopt uw ​​Bitcoin voor geld


Abode, 1. & p. p. Arisen, p. p. Arose, 1. Ate, Awoke,1. Bade, i. p. p. Bare, i. Batten, p. p. Beat, 1. & P. p. Beaten, p. p. Became, 1. Become, p. p. Been, o. p. Began, 1. Bextrt,1 & p. p. Begot, 1. & p. p. Be.xotten, p. p. Begun, 1. & p. p. Beheld, 1. & p. p. Bcnt, & v. p. Bereft, 1. & p. p. Besought, t. & p. p. Bestrid, I. Bestridden, p. p. Betaken, p. p. Betid, i. & p. p. Betook, 1. Bld,1, & p. p. Bidden, p. p. Bit, i. & p. p. Bitten, p. p. Bled, i. & v. I. Blew, i.
—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

Welke banken verkopen Bitcoin


be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
Evagatlon (ev-e-gee'6jun), e. omzwerving. Evanescen ce tev-e-nes'aens±, a. verdwiiniug. —t, a. verdwijnend. Evangel to (i-ven-dzjel'ik), a. evangeliseh. 14.1vangel lam (1.ven'dzje-lizm), a. evangelieleer (-verkondiging!. —1st, a. evangelist; evangelicpredtker. —ize (-lajz), v. a. het evangelic prediken. Evauld (e-ven'id), a. tinny, kwijnend. Evapora te (e-vev'ur-eet), v. a. verdampen; v. e. vervilegen. —tton (-ea'ajun), a. verdamping, ultwaseming. Eves' on (e-vee'zjun), a. ontduiking; uitvlueht; loopje. —ve. a. ---ee/y, ad. (-vee'siv-J, ontduikend, ontwijkend. Eve (fen), a. avond; avond voor een facet. Christ. kerst•avond. on the —, op het punt. Even (le'vn), s. avond, heilig-avond. —song, avondzang. —tide, avondstond. Even (le'vn), a. —ly, ad. effen, gelijk; kalm. odd, even of oneven. —handed, onparttjdig. —. ad. eveneens; zelfs. — as, even ale. not —,zelfa niet. — now, thane. — though, aelfa al. —, v. a. gelijk (effen) oaken; vereffenen. —ness. s. gelijkheld, effenheid; hedaardheid, onpartijdigheid. Evening (ie'vn.ing), a. avond. —star, avondster. Event (e-vent'), a. voorval, gebeurtenis; uitslag. at all —n, in alien gevalle. —fut, a. rijk aan gebeurtenissen; avontnurlijk. —cal, a. —natty, ad. ( tjoe-el-)., gebeuritjk, toevallig, vOrkomend. Eventerate (e-ven'tur.eet), v. a. den bulk opensntlen. Eventlin te (e-veu'ti-leet), v. a. wannen, plitizen. —lion (-lee'sjun), a. tilting; uitplutzing. Ever (ev'ur), ad. ooit, leaner; steeds; altijd; oak. for —, your eeuwig. — after, — since, hinds dieu tijd. — and anon, tel kens, geduria. — so, cog zoo. — green, a. alt.°e groen; a. maagdenpalm. —lasting, a. —lastingly, ad. eeuwigdurend. —lasting, a. eenwigheld; everlast. —lastingness, a. eeuwigdurendheid. —more (-moor'), ad. eeuwig. Ever sion (e-vur'sjun), a. verwoesting. —t, v. a. verwoesten. Every (ev'e-rih), 'a. leder, elk. —body, —one, ledereen. —day, alledaagsch. now and then, telkens, gedurig. — other day, om den anderendag.—where, overal. Evict (e-vikti, v. a. gereehteltjk tilt het beet stetlen; overtaigen. —ion (-vik'sjun), e. gerechtelijke ontzetting (uit een bezlt); bests. overtulginx. Eviden ce(evl-dena), a.getuigenig; bewtir,klaarv. a. bewljzen, auntoonen. —t, bigkelijkheid. ad. blijkbaar, klaar. —tial (-den'sjel), a. a. bewtjtend. Evil (ie'vl), a. kwaad, boos, alecht; verkeerd. the — eye, het booze oog. the — one. de Booze. —, e. kwaad, boosheld; onheil; ziekte. — affected, slecht gezind, ongenegen. —door, kwaaddoener. —eyed, afgunetig; boosaardig uitziende. —favored, mistieeld,mlmmaakt. —favorednessimismaaktheid. —minded, boosaardig, snood. —apeakiag,lastariug. —washing, kwaadwenseh end. —worker, kwaaddoener. —nese, a. eleektheid. Evinc e(e-vina'), v. a. bewtjzen; aantoonen. —able a. bevrt shear. —ive, a. bewtzend; aantoonend. Eviscerate!, (e-viesur•eet), v. a. van het ingewand ontdosn.
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-
Coinbase requires you to link a bank account, or credit or debit card to your Coinbase account to purchase cryptocurrencies. Using a bank account allows for higher limits ($100/transaction, $2,500/week), but it also takes longer to verify transactions, so you will not see money in your Coinbase wallet for two to four days (depending on your bank). And when selling Bitcoin, once the sale is confirmed, it takes two to four days for the proceeds of that sale to show up in your bank account. With a credit or debit card, limits are lower ($200/week), but you can purchase digital currencies by simply transferring funds from that bank account to the site. For these transactions, Bitcoin shows up in your Coinbase wallet instantaneously. You can also sell Bitcoin to your PayPal account, effectively cashing out, as your Bitcoin will be exchanged for local currency. This transaction, too, is instantaneous.
ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Hoe heeft Bitcoin gain-waarde


sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,
bath. —kogel, atmosphere. —kringslucht, atmospheric air. —ea, on. w. to vapor, to emit steam; to smoke. —er, ro. smoker. —tg, by. fogey, damp, dampish, hazy; brokenw laded, pursy. —igheid, e.fogginess,dampishness, purstness. Den, bw. then. ate en. —, now and them, sometimes. —, ow. than, but. Dant g, bw. ..nucb, very. extremely. Dank, m. thanks, in —, guilefully, thankfully. — went, to thank, to acknowledge. — zeggen, to give Ito return) thanks. Gode stj —, thank (led. tepen soil en —, in spite of one's teeth, against the grain. — betuiging, —sagging, thanks. giving. —day, day of thanksgiving. —gebed, grace. —lied, song of thanksgiving. —offer, thank-offering. —bear,. be. & hoe. thankful (-1y), grafiful ik u I thank you. —Oaarlseid, v. thankfulness, gratitude. —en, or. w. to thank; to give thanks, to say grace; to refute; to — hebben, east, to be obliged (indOted) to... for. ik dank u (afictizend), no, I thank you. Dans, m. dance. aan den — geraken, to fall a fighting. den — ontspringen, to have a narrow escape. —feest,ball. —Aids, denting room. —kanst, (art of) dancing. —lee, dancing-isseon. —lied. daneing-tane. —Lustig, fond of d an ging. —meester,dancing-master. —part(j, dancing-party, ball. —pas, dancing-step. —echoenen, pumps. —school, dam. dug-reboot. —teekoning,chorography. — zaaf,dancing.room. —en, or. & oat. w. to dance. —er, m. —eree, v. dancer; pertner. Dapper, hr. brave, valiant, bold. —,bw, bravely, boldly; very much, heartily, at a pretty (flee) rate. —.held, v. bravery, valor, boldness. Darn', m. gut. den — vollen, to eat gluttonly. —been, iliac bone. —break, enterocele. -ScUling, Iliac passion, colic, gripes. — kanaal, intestinal canal. —kronkel, twisting in the gut.. —net, caul, kelt. —sop, chyle. —ached, mesentery. —*near, gut-string, cat-gut. —Wits, peritoneum. Dartel, by. & bw. lively, playful (-Iy), wanton (-Iy). —en, on. w. to wanton, to sport, to frisk, to d ally. —had, v. liveliness, playfuinees, sportiveness, wantonness. Das, v. neck-cloth, cravat. —, m. badger. —hond, basset, terrier. —genre!, skin of a badger. Dat, vnw. which. that. —, vw. that. Dateeren, ov. & en. w. to date. Datum, me date. Dauw, m. dew. voor dag en—, zie Dag. —droppel, dew-drop. —worn, ring-worm, tetter. by. dewy. Dnuwtl, v. lazy slut. —star, m.loiterer. —achtig, be. loitering, siovenly, —ary, T. loitering. —ea, on. w. to loiter. Danwen, on. w. to dew. Dever en, on. w. to shake, to quake, —end, hr. violent, loud. —kg, v. shaking, quaking. De, I. the. Deballoteeren, or. w. to black-ball. Debat ten, ce my. debate, discussion. Debet, be. & o. debit; debts; Dr (debtor). — ado, to owe. in het — brengen, to pail (to place) Leto the debit, to carry to the debit. - -s(jele, debit,
Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.

trotsch zijn (in). Gloss (glos'), s. ophelderende aanteekening; (uiterlijke) glans. —, v. a. toelichtcn; bewimpelen• glanzig makes; v. n. aanteekezingen (glossen) maken (upon). —finial a. opheiderend, toellchtend. —artst (-se-rist) s. glosmensehriper (-maker). —ary, s. verklarende Mat van duistere woorden. —er, s. erklaarder, toelichter; glanzer. a. glanzigheld. —y, a. glanzig. Glottis (glot'tis). s. atemspleet. Glout (giant), v. n. prullen, mokken. Glove (gluv ►, s. handachoen. to be hand and —, onafscheidelijke vrienden zijn. —, v. a. van handschoenen voorzien. —r a, handsehoenmaker. Glow (glo'), s. gloeiing; rum. drift. —worm, glimworm, v. a. gloeien; v. n. gloeien, blaken (with). —ing, a. ad. gloeiend, vurig. Gismo (gleoz" ► , a. vleieru. —, V. n. vleien. —r, s. vleier. Glue (gloe'), a. lijrn. lijmkoker. ,v, a. lijmen. —r (gloe'ur), 8. Ajmer. —y, a. lljmig, kleverig. Glum (ghtto), a. stuurach, Dorsch. Glut (glut), a. overlading, zutheld. overvolheid; verstopping; § wig. — , v. a. inzwelgen; overladen, tat maken; overvoeren. Gluten (gloe'tn), a kleeiatof. Glutin ate (gloe'ti-neet), v. a. vastlii.e.• —, tio, (-nee'sjun), s. vastlijming—ous, a. lijmig, kleverig. —ousness, s. kleverigheld. Gluiton (glut'tn), a. vraat, gulzigaard. —ize (Az), v. n. gulzig eten, zwalgen. —cue, a. —ously, ad. gulzig, schrokkig. —y, a.gulzigheid. Glyph (gar), s. kerf.; uitholling• Glyptles (glip'tiks), a. steensnijkunst. Gnar (naar), s. basest. Gnarl (naarl'), v. n. grommen, brommen; knoll ig zijn. —ed, —y, a. knoestig. Gnash (near), v. a. knarsen; v. n. knarsetanden. a. glimworm. ar dgajgelo"burd), n —ing, s. tandengeknars. on). G 'ito 'pb (-bee•tid),a. bolvormig. Gnat Globate (glo'bet), —d (nee), s.mug.—flower,standelkruid.—snapper, Glo;se (Moog'), a.. Lol; aardbol; globe; bring. vliegeuvanger. —strainer, muggenzifter. celestial —, hemelglobe.1 terrestrial aardglobe. Gnaw (nao), v. a. afenagen; bijten; v. n. kna—animal, kogeldiertje. —fish, kogelvisch —flower. gen. —er (naow'ur), s. hunger. bolranon'kel, knolbloem. — thistle, kogeldistel, Goon e (noom'), a. aardmannetje; kernsprenk. —ical (-ikl), a. gedenksp.reukig; kernachtig. —, v. a. tot een' bol (in een' bring) verzamelen. Glob ose (glo'boos'), a. bolvormig. —osity (-boa' Gnomon (no'men), a. still van een' zonnewijzer. —ice (-mon'ilcs), a. zonnewijzerkunde. it-tih), a, bolvormigheid. ar (gleb'joe-ler),a. bolvornaig. —e (joel), Go (go). a. gang; twang, mode. it is no —, dat goat Diet. —between., middelaar, - -by, lOopje. a. bolletje. —sus, a. bolvorrnig. Glom. (gloom), s. rondachtige bloemtop. —cart, loopwagen. —down, sal; teug. gaan; beenGlower ate Grlorn'ur-eC, —ous, :a. tot een" bol Go (go) [went, gone (g..1], a. gelden. —docverzameld. —ate (-eet), v. a. tot een' bol samengaan; voorbijgaan; gangbaar pakken; ophoopen. —ation (-ee'sjun), s. amentor, dokter worden. —mad, gek wofden. -;by) ophooping. halves, halveeren. —shares, deelnemen aan. —by the worse, aan het slechte eind zijn. down the Gloom (gloom'), s. somberheid; droefgeestigheid. wind, achteruit gaan in de wereld. —to law, een —, v. a. tt n. somber (droefgeestig) maken (worprom; beginnen. — to! , komi toe maar! — upon den). —iness, a. somberheid; zwaarmoedtgheid. tick, op den pof koopen. — with child, zw anger —ily, ad. —y, a. somber; zwaarmoedig. Glorl etl (glo'rid), a. doorluchtig, roeirrijk. zijn. — with young, drachtig zijn. (about) rondgaan ; —fieation (-ri-fl-kee'sjun), a. verbeerlijking. —fy mnloopen; ondernemen; wettden. (abroad) batten
Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.
Drops ical (drop'sikl), —ied aid), a. wate•a. waterzucht. zuchtig. Dross (dros'), a. schuim; roast; uitsehot. a. onzuiverheid. —y, a. onzaiver; slecht. Drought (draut'), —inese, a. droogte; donut. —y, a. droog; dorstig. Drove (droov'), a. kudde, drift. —r, a. veedrijver. Drown (draaun), v. a. verdrinken; overatroomen; overatelpen; smoren; v. n. verdrinken. Drows e (draauzl. v. a. slaperig maken; v. n. elaperig zijn. a. slaperigheid. —ity, ad. —y, a. elaperig; —headed, domme lig, dof; —style, stroeve stij1; —tale, vervelend verhaal. Drub (drub'), a. slag, klap. —, v. a. afrossen. —bing, a. pak elev. Drudg e (drudzr), a. zwoeger, clover. —e, v. n. zwoegen, :sloven. —cry, a. zwaar work. —ingly, ad. zwoegend. Drug (drug'), a. drogerij; prul. —, v. a. met drogerijen bereiden. —get (-git), a. droget. —gist (-gist), a drogist. Druid (droe'id), a. DruTtle. —ical ( id'ikl), a. druidisch. Drum (drum'), a. trom; trommel; trommelvlies; speelgezelschap, —, v. a. tromme!en (up, bijeen); v. n. trommelen. —major, tamboer-majoor. —mer, a. tamboer. --stick, trommelstok. Drunk (drungk'), a. dronken. —ard (-urd), a. dronkaard. —en, R. —only, ad. (dreng'kn.), drossken, beechonken. —enness, a. 1)88CLIOIlkeRheid. Dry (drar), a. droog; dor; doratig; atreng; bijtend. —, v. a. droog makes; lechgen; v. n. tirogen. —eyed, met droge oogen. —goods, atukgoederen. —nurse, a. droge min, v, a. opvoeden zonder to zoogen. —rub, droogsehuren. —salter, koopman in gerookt vleesch. —shod, a. & ad. met droge voeten. —ing, a. (het) dragon. —ing place, o-yard, droogplaats. —ly, ad. droog, droogjea. —ness, a. droogte; derstigheid. Dual (djoe'el), R. twee uitdrukkend. —, a. tweevoud. —:em, s. tweegodenleer. —brae (-ist'ik), a. nit twee bestaand. (el'it-tih), a. tweeheld, dubbelbeid. Dub (dub), v. a. tot ridder elaan; v. n. slaan, klappen. Dubious (tijoe'bi-us), a. —ly, ad. twVelachtig. —nese, a. twijfelachtigheid. Dubita ble a. twijfelachtig. —tion (-tee'sjun), s. twijfeling. Ducal (djoe'kel), a. hertogelijk. Ducat (duk'et), a. dukaat. —eon (-e-teen'), a. dukaton. Duch ess (dutsress). s. hertoein. —y,a.hertogdom. Duck (duk'), s. send; liefje; hoofdknik, duiking; court van zeildoek —coy. lokspijs. —hunting, eendenjacht. —meat, —weed, kroos. —legged, kortbeenig. Duck (duk'), v. a. indompelen; doopen (outlet de Linie); kielhalen; lokken; v. n. duiken; diep buigen, kruipen. —er, a. duiker; kruiper. —ing, s. (het) duiken. —ing-stool, dompelstoel. —ling, a. taling. Duct (dukt), a. galeibuis, OP. Ductil e (duk'til), a. rekbaar, insehikkelijk. —ity (-til'it-tih), —eness, c. rekbaarheid; inschikkelijkheid.

(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

sioned by drinking too freely. --intik, trap-door. —meecter, butler. —roam, —venster, cellar-window. —rat, cellar-rat; excise-man. —trap, cellarstairs. —verdieping. eellarage. crane. --en, ov. w. to lay up in a cellar. —lie, o. bottle rose. ov. w. to kill, to cat the throat or. m. cup, glees, chalice; calyx. —dark, pu , rificatory. comrennton-wine. —achtig, hv. —vormig, like in the shape of) a cub-, — calyx Kernel, m. camel. —spares, —shaver, —Mares, mohair. Kternplinnn, an. fighting-cock, game-cock, curlew; quarreller. Kenbear, bv, to be known, knowable, recognizable, manifest. — Timken, to niche known. --held, a. belt recognizable, evidence. KeRen, otn . w. to chop, to split ; to shoot ; to begin, to dawn, to bant forte'. Kenikik, Kentrelkjk, by. known, knowable,


Aanteeken tsar, frt. register, annotator. —bock, o. memorandum-book. --4,oekje, o. pocket- book, note-book. —en, ov. w to mark; to note (down); to enter, to register; to betroth. —ing, v. marking; noting down; entering, registration; note, annotation; bateothment. 'tants' en, ov. 7ie Aankwoeken. AftntUg en, or. w. to impute to, to lay to any one'e charge. —er, rn.imputer.—ing,v.imputation. Aantlikken, on w. to knock, to rep (at). AsntImaneren, ov. wale Aanboaaven. Aantocht, ra. approach. in — sijn, to approach. Aantokkelen, or. w. to tickle, to incite, Aantoon en, ay. w. to chow, to point out, to indicate, to denote, to demonstrate, to exhibit. —ende vatic, indicative mood. —er, m. shower, Indicator, demonstrator. —ing, v. showing, indication, demonstration. tanttedeo, or. w. to tread down; on. w. to approach; to fail in; to mend one's pace. Aantretion, or. w. to meet with, to find, to fall ( to light) upon, to fall in with. Aanstonds, bw. presently, immediately, direcf,y, Anntrekk elUk, hr. attractive, charming, captiv ating; sensible, easily affected, — concerned, forthwith, anon. Aanstookster, v. Zie Aanstoker. tender-bearted, touchy. —elijkheid, v. attractiveAanstoosnen, on. w. *omen —, to approach nests, charm; eensibil ty, touchiness. — en, ov. Tv. to draw near, tight, to give a pull at, to stretch, (steaming). Aanstoot, m. offence, scandal. — gjden, to be to strain; to attract; to put on; to myrrh (agninst. molested, to suffer injury. steen des —a, stumt. w. to take to heart, to be grieved on); rich bv. & bw. offeneive ( )ykkinaliat; to meddle with, to take a concern (an interest) bling•block. shoe-horn, —ing, in. —end, by. attractive. —er, daloue (-1y). —elijkheid, v. offenslaeitese, scandalousness. —en, ov. w. to push —, to knock —, v. attraction. —ingskrneht, v. power of attraction. to strike (against, on), to ram in; on. w. to stam- Aantronwen, or. w. ZleAtstshtswidn. mer. —ing, v. pushing, shock, collision. Aanvaard en, or. w. to accept, to teke posses. Aanstorman, on. w. (tomes —), to storm against; son of; to begin, to enter Ryon, to set out upon. v. to rush in —, to burst (upon ► . —cr. m. —.ter, v. accepter, undertaker, Aantston wen, or. w. to stow, to trim the hold. Viking possession of; beginning, entering upon. Aanstcralcn, ov. w. to shine (to beam) on. &ens. I, m. attack, charge, onset; tit. —len, ov. w. to attack, to assail, to aggress; on. w. to fell Aanstrand on, on. w. to *trend, to drive ashore. against); to begin; (op) sae ov. w. —lend, by. —ing, v. stranding. offensive. —ter, so. aggressor, assailant. Aanstreelan, or. W. to court one's friendship. Amnion's. he. & bw. amiable (-bly), lovely, Aanstrepen,ov.w. to mark. Ainstreven, an. w. to come hither. charming (•13?), graceful (-1y), —head, v. amiableAnnstrUk en, ov. w. to color, to paint, to coughness, loveliness, gracefulness, charm. oast, to white-wash; komen —, to corne strutting Analysing:, na. beginning, origin, prime. een — along. —er, in. painter, white- washer. —lug, v. Renton, to begin. —en, ov. w. to begin, to enter painting, w hite-washing. upon, to undertake, to do —er, ro. —ater, v. beAanstrIkk en, ov. w. to festen, to knit to, —ing, ginner; novice. —e-,, (i Corn.) fleet, initial. v. fastening, knitting to. primary (-fly), origAtm vankelijk, & Aanstrompellen, on. w. komen —, to come inal (-4), first; at first. stumbling along. Aanvar an, or. w. to run aboard (foul) of; on. w. Aanstroonsen, ov. w. to float down; on. w. to run —. to sail (against); Amen —, to sail hither, (komen —), to now near; to flock hither. to 'approach. —ing, v. running aboard, shock. Aanstuilven, a v. w. (homes —), to rush in upon; Aanvatt en, ov, to seize, to catch; to not to rush hither. about, to manage. —ing , v. taking, catching hold Aanstuwsn, or. w, to drive (to push) on; zie ook of; undertaking. Aanstonsven. Assuirecht en, or. w. to tempt. --er, m. tempter. Aansukkelen„ on. w. komen to come drud- —ing, v. temptation. ging (jogging) along. Aturvegen, ov. w. to sweep (out). Aansullen, on. w, to slide (against). home's —, to Annversterven, on. w. Zie Aanbesterven. cornenliding along. onvertrouwen, ov. w. Aanbetrouswen. &fantail, o. number, great many, quantity. Aanverwaut, a. reletod (allied) to; congenial. —, Aantast en, or. w. to touch, to take hold of; to m. & •. relation; kinsmen, kinswoman. attack, to seize upon' to hurt, to blast, to blem- Aanvetten, ov. w, to grease. ish, to stain, to tarns .h; to exhaust, to weaken Aanylecht on, or. w. to braid (to twist) to. —kg, —kg, v. taking hold of; attack. v. braiding (twisting) to.
113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to
ABS.—ACC. Abstrus e (eb-stroes'), a. —ely, ad. diepzinnig, duister. —mess, —ity, a. dulaterheid, onverstaanbaarheid. Absume (eb-sjoem'), v. a. langzaam verteren. Absurd (eb-surd'), a. ongerijmd. —ity, —ness, s. ongerijmdheid. Abundan ce (e-bun'dena), a. overvloed. —t, a. —tly. ad. overvloedig. Abus a (e-bjoez'). a. misbruik; mlaleiding; beleediging. —e (-bjoezi, v. a. misbruiken; bedriegen; beleedigen. —er (-bjoea'ur), a. miabruiker, enz. —ive, a —ive/y, ad. miabruikend; verkeerd; bedriegelijk ; beleedigend. , a. lasterzucht. Abut (e-but'), v. n. (on. upon) aangrenzen, belenden. —meat, a. bruggehoofd; belanding. —tat. 140, a. aanpaling; grena. Abysmal (e-biemell„ a. grondelooa. Abyss fe-ble"), a. atgrond; hel; oak Abysm. Acacia (e-kee'sji-e), a. acacia; german —, gleedoorn. Acadeim lal (ek-e-di'mi-e1),—ic (-dem'ik), —ical (-dem'ikl), a. akademiach, --aan, —ic, a. student; bezoeker eener hoogeachool; academicas. —ician (mie'ejen), —itt (e-ked'i-mist), a. akademist; lid van een geleerd genootschap. —y (e-ked'i-mih), a. akademiel school noon wijsbegeerte; geleerden-vereeniging; speelhuis. Acajou (ek'ed-zjoe), a, mahoniehout; mahonieboom. —nut, a. cachou. Acanaccous (ek-e-nee'ejue), a. doornig. Acantha (e-ken'thel, a. doom, stekel. Acanthus (e-ken'thua), a. berenklauw; lofwerk van een kapiteel. Acatalap sy (e-ket-e-lep'sih), a. onbegrtjpelijkheld. —tic, a. onbegrijpelijk. Accede (ek-sied'), v. n. (to), toetreden tot; toestemmen in. Accelerate (ek-eel'ur-eet), v. a. beepoedigen, (ee'sjun), a. bespoediging. —ive veranellen. (-er tiv), —ory (-e-tur-ih), a. verenellend.; Accen at lek-sen.cr ► , v. a. aanateken, in vim zetten. —debility (-di-bil'it-tih), s. ontvlambaarheld. —dible, a. ontvlambaar. —aeon (sen'sjun), a. sansteking. Accent (ek'sent), a. accent. klemtoon; uitepraak; etembuiging. —a, a. klanken, tonen. Accent (ek-sent' ►, —uate (-joe-eet), v. a. accentueeren; den klemtoon geven; uitspreken: —or, a. aerate discant. —uation 1-joe-ee'sjun),-a. accentuatie, apraakkunatige uitspraak. Accept (ek sept'), v. a. aannemen; (of) genoegen nemen met. —ability 1-te-bil'it-tih), —ablenees (ibl-ness), a. aannemelijkheld. —able, a. (to) aannemelijk; aangenaam. —ance (-tens), a. cantleming. goedkeuring. —ation 1-tee'ejun), —ion (sep'sjun). a. ontvangst; goedkeuring; aangenomen beteekents van een woord. —er, —or, a. aannemer; goedkeurder. Access (ek-sea'), a. toegang; aanwaa; ziektevlaag. —ible, a. toegankelijk, genaakbaar. —ion, a. hornet. nadering; aanwaa. —orily, ad. daarenbovan. —oriness, a. medeplichtigheid. —ory, a. bijkomend. bijgevoegd: medeplichtig. —ory. a. medeplichtige: aanhangsel , toegift. Accident (Wei-dent), a. toeval; ongeiuk.
410 Betwixt blear, by. contestable, Caputable. —baarheid, v. contestableness. —en, ov. w. to context, to dispute, to litigate. --er, m. disputer, antagonist. v. contestation, disputation. Ben, by. tired —,'Irk of. Mengel, tn. iron hoop. — ring, bow. crampiron; stirrup; spring, clasp. dat ken niet door den —, that cannot be excused, —Mach, springpurse. —en, 03. W. to bowl. Bank, tn. beech. —ebqom, beech-tree. —enbocels, beech-grove. —enhout„ beech-wood. Bank elenr, m. buckler, shield. —en, on. w. to mail; to lick, to drub. —tamer, mallet, sledgehammer. —er, in. beater. --kg, v. mailing; licking, drubbing. Beni, m. hangmen, executioner; torwrentor, tyrant. —sknecht, assietsnt-executioner. —ewerk, hangman's work. —acktig, be. cruel, bayberous. —en, on. w. to drudge, to toil. -Fa, v. hangman's wife; tormentrees, tyrannese, "Reuling, v. pudding, sausage; bungler,s1mpieton. Benisehnp, o. hangman'. office. Henn, v. fish-trunk; garret. —haat, interloper, spoil-trade, unlicensed : broker. —haven, on. w, to interlope, to follow a trade without being licensed. Beurder, In. lifter; receiver. —en, oe. w. to lift (up); to receive. —ing, v. lifting; rezetpt. illeuwei, v. purse; stipend; exchange. oP de —, on change. nose cte — gaan, to go on change. —deg, exchange-day. —draper, --header, purser, tree, seer. exchange-bell. —knecht, exc 'rangekeeper. —prtis, exchange-price. —reglentent, exchange-regulatiova. —spel, speculation, stockjobbing. —tejd, —uur„ time (hour) of exchange. —.eke., exchwege-business. Beursch, be. mellow, half-rotten. —held, v. mellowneas. Resort, v. turn. aan de— liggen, to be ovens turn, to be In torn. to — 'cane, to fall to one's share. ons bij —en, by turns. — gesang. alternate song. —man, —*chip, large, packet•boet. schip• per, barge-man. —wisseling, alternation, rotation. —clings, bee. alternately. —eisngeeh, bv. alternate. illenrzen maker, in. purse-maker. —snider, m. cut-purse, pick-pocket. Benzel nor., m. —aarster„ v. trifler, tier. —achtiff, be. & law, telling (Ay), frivolous HP, whittling. —achtigkeid, v, triflingnese, frivoloueness. —arij, v. fiddle-faddle, trifle. —en, on. we to trifle, to idle. —kraam.,toy-shop. —kennice, try-man, hawker, pedlar. —proof, —tail, noreenee, idle chat. —week, trifling work. —Sag, v. trifle, bees, ble. Bevanrbitnr, be. navigable. —held, v. navigablenem "Revell en, on, W. to be brought to bed, to be delivered; to please. v delivery. illevaidlOg, by & hw, charming (-lye, pleasing (-ly), pretty (-ily), graceful (-Iy). —held, v.cherengracetulneme. —.Wen, v. ma. champ, Kratee. Bevang on, or. w. to overwhelm, to seize, to overtake. Iievetercen, ov. w. to nevigate; to work(een
—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid.
Visor (viz'or), a. vizier; masker. ed (-tut!), a. gemaakerd. `Vista ( vis'ta), a. gezicbt., ultzicht. Viavvett (viejoe-e1)., a. gezichts . — angle, gezichtshnek.— nerve, gezieaszennw. Vital (vitytell, a. --ly ad. levees-; levend; wesenlijk.—itp(-tent-tih), a levenskracht; levers. —.a tali); pi, leveusdeelen. Vitt rile (tisri-eet), v. a, bederven; schenden; ongeldig matte:, --ation (-ee'sjun), a. bederving; sehendtng. —oaily i os'it,t1h), a. verdorverbeld, gebrfkkigheid.—owt, a. verdorven, gebrekklg. Vitreous (vit'ri a. glaz..n; glszachtig. —nese, glaRtichtigheid. Witreacen ce (vi-treesent), s. glaswording. —t, a. glaswordend. Vitrit action (vit-rl-fek'sjun), a. glamaking, verglasing. —idle abaar. —teatime (-elf-i-ke .'sow, a. Zle Vitrifaction. —y (vit'rl. VW, v. a. & v.. in glee aceanderen. Vitriol (vit'ri-ul).. s. vitriool. —ate -eel). —ice (-aJz), v. a. in vitrioolzuur veranderen. —ic (-or:k), a. vitrioolachtig; —acid, itrfoolzuur, Vituline (vit'joe-lajn), a. kalfs-, kalver-, Vitupern to (vi-tjoe'pur-eet), v. a. lakert, berispen. —lion (•ee'sjurt)., a. berieping. —live (-eels), a.lakenti,berispend. Vivael otos (vi-vetemjus), a. levendig, vroolijk; langlevend, s. levendigheid,,roolijkheld. Via- say (verve-rib), s. diergaardo; vischvijv er. Vivid (viv'td), a. —ly,, ad. levendig; hetde r. —neat, a.levendigheld. Vivific (vaj-virik). —al, a. levendmakend; healslend. —ate (-ikeet), v. a. levend makes; bezielen. —alias (viv-if-1-kee'aittn), a. levendmaking; bezieling. k,e-tiv), R. levendmakend. VivI ller (71,1-faj or), a. levendtnaker; bezieler. fy ( - r.3), v. a. loveld waken; bezielen. —parous (vaj-vip'e eta), a. lemidejongra werpend. —tee.
Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,

Hoe krijg je crypto op KuCoin

×