231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
TRA. etederwitzen, oefenen, drillen, africhten (up); (on) Transfix (trens•iiks% v. a. doorsteken, doorvoorttrekken. —able, a. op to voeden, at te rich- boren. Transform ',trans-form'), v. a. vervornen (into); ten. —er, s. africhter, drilmeester. v. n. van gedaante veranderen. —ation (- furTraipse (treeps), v. n. rondo' enteren. neeetsjun), a. vervorming, gednanteverwisseling. Trait (tree, treat), s. trek. Traitor (tree'tur), s. verrader. —out, a. —oualy, —er, s.vervormer. Transfus a (trentefjoezi, v. a. overgieten. —ible, Rd. verraderitjk, trouweloos. a. over te gieten. —ion (-fjoe'zjun), a. overgieting. Traitress (treelt•est), a. vetraderes. Transgress (trent gresal, v. a. overschrijden; Traject(tred'zjekt), a. overvnort, veer. dzjekt'), v. a. werpen, doorwerpen. overtreden, echenden; v. n. zich vergrupen. TraJect — ion (-dzjek'ejun), s. doorwerptng; doorleting, —ion (-grear i on), a. overtreding; misting. —ire, R overtredend, strafbaar. —or, s. overtreder. overvoering; uitstrooming; verschieting, omzet- Transient (tren'sjent)„ a. —ly, ad. voorbtjgaand, ring. —ory, s. loopbaRn. kortetoudig, vergenkelijk. —neat, a. kortstondigTralineate (tre-Itn'i-eet), v. n. afwijken. held, vergankelijitheicl. doorechijnend. a. Trollstenilt (tre-ijoe'eent), Tram (tram'), a. hoeren-, kotenwetren. —, —rail, Transit (tren'sit), s. doorgang; doorvoer. —duty. gleuf,s poor( voor wielen).—road,—way,spoorbe sn, doorvoerrecht. —ion (- sizrun), a. overgeng. Trammel (trenemil), a. echakelnet; heugel, (-mizynn.), a. overgange, —ive, a. overgeand. schoorsteenhaRk; spRnriem. —, v. a. vangen, —ority, ad. —ery, a. (-ur-ih-), zie Transient. opvangen (up); belemmeren, tegenhouden, ver- —oriness (-ur-i-ness), a. Zie Tranalentneem. Transits te (trent-leet'l, v. a. verptaateen; overbeaten, (up). Trrnnontem (tre-mon'teen), R. Ran gene Ode der brengen, overdragen (to); veranderen; vertalen (-lee'sitm), a. verplaatsing; (into); verklaren. a. vreenedeling, bar- bergea gelegen ; vreemd overbrenging; vertaling. —tor, a. vertaler. boar. Tramp (tramp'), a. voetre:s; rondzwerving; land- Transiocation (teens-lo-kee'sjun), s, v erplaattemper. —, v. a. trapper', betted.; (dour) ver- sing. treden; v. n. te voet retzen,ronezwerven. — out/ Tclnasin cent (trene-ljoe'eent), —cid (-aid), a. doorschijnend. eeheerje weg! —er, a. zwerver, iendlooper. Trample (trem'pl), v. a. met voeten treden, ver- Transmarlue (trens-me-rieni, a. overneetch. trappen; v. n. stampvoeten; (on,upon) met voeten Transtulgra ant (trens'mi-great), a. wt-, egtrekkend; overgaand; a. landverhuizer.—te(- greet), treden. —r, s. trapper; vertrspper. Trance (traftn4) , a. 7errukking. —, v. a. verrukken. v. n. verhuizen, uittrekken; overgaan. —lion (-gree'sjun), a. verhui zing, uittocht; zlelererhut—d (treanst). a. verrukt. zing. —tor (-gree-tur, a. Zie Trattsmigrant. Te arsine. (tren'nil ), eti ft, houten pin. Tranquil (treng'kw11), a. --ly, ad. sill, ruetig. Traumatism Mile (teens-miesibl)., a. over te norden (waken, ley siren). —ion (-misf dn), s. ov. rzen-lity (.kwil'llt tih), —near, a stilts, gerustheid. ding, overlevering. -fite ( - Injs), v. a mitten, gerultstellen, Trnitonet (teens-ekt'), v. a. benendelen, verhan- Transmit (trens-reitl, v. a. overzenden, overmatalon, verrichten; v. n. onderhondelen. —ion ken, overleveren (to). —tat (-tel), s. Zia Treas. (- ek'sjun), a. wide rhandeling; 13,11 ,, ndeling; ver- intearon. —ter, s. overzender. —tibia, a. Z le drag; hendelszaak. —or, a. onderhandelnar; nit- Tranumissible. Transient able (teens-mjoelibl), a. verwitsel.. voerder, bewerker. Trans alpine (trens.el , pin), a. Ran gene zijde boor, te veranderen. —ation (-tee'sjine), a. verr, I ering. —e (-mjoet'), v. a. verwisselen, versade". Alpen gelegen. —atlantic (-et-len'tik), a. over- deren (into). —er, s. veranderaar. zeesch, Transcend (teen-send"), v. a. overtreffen, te boren Transom (tren'aum), a. bovendrempel; dwaYsgattn. —ence, --racy, a. voortrelfelijkheid, over hour; worp, bekbalk. stern—, wing—, hekbalk. tretr•n. —eat, a. —ently, ad. voortreffelijk, over- —knees, hub, worpknieen. trettend. —ental ( - den'tel), a, allesovertreffend, Transparen cy (teens-pee'ren-elh), a. doorechijnendheld. —t, a. —tly, ad. doorechtinend. nitmunten d; hovenzinneli) it. s. doorschijne.edheld. Transcola te (trene'ko-leet), v. a. doorzijgen. Tracts vacuous (trens-pik i joe-us), R. doorachtj. —lion (-lee'sjun), a. doorstiging. Trenoser 'be (tren-ekrejb'), v. a, overschrijven. nend. —pierce (-piers'), v. a. doorboren. —ibex, e. overrehrijver. —ipt (tren'skript), s. Transpir able (teens-pafribl),a. ultwasembaar. —anon (-pi-ree'sjun), a. uitwaseming• —e, v. a. afschrift. —iptioa (-ekrin'I‘Jun), a, overechruving. Transfer (arena-kur'), v. n. b eel' en weer loopen, uitwasemen; v. n. nitwesemen; ruchtbaar worzwerven. — oion ( - Njun), a. (het) been en weer den; vcorvallen. Transplace (trens-pltes'), v. a. vet plaatsen loopen; afdwalinr, atviijking. Transplant (trens-plent'), v. a.verplanten.—ation Transept (tren'sept), a kruisvl eugel. ( - ee'sjun), a. verplanting. —er, s. verplanter. Transfer (trenefiar), a. overdrocht. Transfer (trees-fur'), v. a. overdragen, over- Transport (trens'poort), s. overvoet, verzending; brengen (to. upon). — able, a. over te dragen. —se traneportschlp; balling; vlaag; verrukking, geestvervoering. (-ce'), a. ceesionarts. —rer, s. overdragen. Transtigur ation (tree -rig-joe.reeojun), e. go- Transport (teens-poort'), v. a. vervoeren, overbrengen (to); verbannen; verrukken (with). —able, daanteveraneering; verheerlij king, —e (-11ejoer), ge4aante veranderen; verhserlijken. a. verveerbaar. —ation (-pur•tee'e)un), a. ver. v. a. Mt 810
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×