to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica

Wat is het verschil tussen Coinbase en Coinbase pro


zuivering, !outering;verfijning; bnarklooverir gea. onthaai. —ia (-Ii- et, p1. zinnebeelden der koninklijke macht. —ity (-gel'it-tih), a. boningmaaktheid. —r, s. zuiveraer; r3fflnadeur; verfij'chap. ner; baarkloover. —ry (-ur•ih), a. rsffinaderij. Regard (re-gaard'), a. bilk; oplettendheid, twitRefit (ri-fle), v. a. herstellen; laptalven, ting; betrekking; aanzien; opsicht. in — of, nit Reflect (rellekt'), v. a. weérkaateen; v. n. weeraanmerking van. mita — to, ten opzichte van —, kaetsen; (on, upon) terugvailen; terugdenkan aan; v. a. beachouwen; in aanmerking nemen; aehten; nadenken over, overwegen; to aanmerking neRangaan, betreffen. fkl, a. —fully, ad. opletrnen; zich ongunsttg uitlaten over. —eat, a. tend, zorgvuldig (of). —less, a. —teesty, ad. onwetrkaataend. —ion (-1Iek'sjun), a. weerkaatsing; oplettend, onachtzaam (of). —lames., a. achteweêrschiln; overdenktng; berirping. —lye, a. loosheid. weerkaataend; nadenkend. —or, a. straalbreker Regency (ri'dtjen•eih), a. regentscbap. overweger. Regenera cy (re-dzien'ur-e-siih), —tette,. (•et)-, Reflex (riTelts), a. omgebngen. a. toeatand van wedergeboorte. —te (-et), a. wedergaboren. —te (-eel), v. a. wedergeboren doen Refle x ibis (re tleks'ibl), a. weerkaatabaar. warden. ( ee'sjun), a, wedergeboorte. —ibility (-bil'it-tih), s. weerkaatsbaarheld. Regent (ri'dzjent), a. regeerend. a. regeerder. —ire, a. Zie Reflective. regent. —est, a. rsgentes. —ship, a. regeering, weder bloelen. Refloarieh (ri furls)), regentschap. u. terugvloeiend. Reflow lri Refluent (r.noe-ent), a. terugvloe'end. Regertnination (rt-dzjur-ml-nee'ejuu), a. wederontkieming. Reflinic (ri'lluks), a. ebbe. Reform (re-form'), e. hervo•ming. —, v. a. her- Real Bide (red'sji-sajd), a. koningamoord; koningantoorder. —men (-men), a. leefregel; bevormen; (ri-form`) weder vormen. —, v. n. beter worden. —ation (ref ur-mee'sjun), a,hervormingt heerschte naamval; wijze, stelae'. —meat, a. regement. —mental (-men'tel), a. regements-, verbetering. —atory (-e-tor-rih), a. hervormend. mental. (-men'telz), pl. uniform. her. —jet, a. hervormde; hervormer. —er, a, vormer Refract (re-frekt'), v. a. breken. —ion (-trek'. Region (ri'dajun), a. atreek, steer. Pjun), e. straalbreking. —ive, a. straalbrekend. Regis ter fred'zjis-tur), a. register; bijlbrief; registrateur; —store, regiateroven. —ter, v. a. re—evinces (-ur-lh), a. weerapannigheid. —orily, wetrapannig. gtstrreren, aanteekenen; aanmonsteren; —ship, ad. —ory, a. a. ambt van registrateur of griffier. —trar (-trer), Refragable (ref're-gibl), a. wederlegbaar. a. registrateur, griffier. —tration (-tree-sjun), a. Refrain (re-Preen'), a. refrein. —, v. a. weerhou(het) registreeren, —try, s. regiatratie; -kantoor; den (frees); v. n. Ifrom) zieh onthouden van. Ina chit ving, Re ream e (ri-freem"),v- a. weder in elkan der zetten. Refrangi ble (re-fren'dsjibi), a. breekbaar. Reglet (reglit), a. zetlijn„ —Nifty (-dzji-bil'it-tih), a. breekbaarheid (der R•egorge (re-gordzj'), v. a. uitbraken; wader inslikken. /lchtstralen). Refresh (re-fresh), v. a. ververschen, verfria- Regraft-(ri-graafe), v. a. op nieuw enten. schen; verkwikken. —er, s. verfriescher; yen- Regreet (ri-graant'), v. , op nieuw vergunnen. kwikkend middel. —meat, a. ververrching, ver- Regrate (re-greet'), v. a. opkoopen; atbikken. —r, a. opkooper; uitdrager. frissching; verkwikking. Refrigerant ;ra-frid'zjur-ent), a. & a. verkoe- Regreet (re-griet'). v. a. weder groeten; teruglend (middel). —te (-eet), v. a. verkoelen. —tion groeten. (•ee'sjun ► , a. verkoeling. —tire (-8-tiv), —tory Regress (ri'gress), —ion (re greRj'un), a. terugbeer. —ire (re-gres'siv), a. teru keerend. (-e'tur•rih), a. verkoelend. Regret (re-gret'), a. spit, lee women, verdrlet, Roll (rift), a. beroofd. berouw, (for), —, v. a, betreuren, sat hebben Refuge (re/Iced*, a. schuilplaats ; toevIneht. van. —fat, a. bedroefd. —fully, ad. met leedwe—, v. a. beschermen. —e (-joe-dzjiel, s. viuchzen, ongilarne. teling; uitgewekene. Regal ar (regloe-ler), a, —arty, ad. regeimatlg. Refulgen ee (re-furdzjens), —cy, a. geregeld- regulier. —ar, a. ordebroeder. —arity achittering. —t, a. —t/y, ad. glanerijk, achit(-ler'it-tih), a. regelmatigheid; geregeldheld. terend. —ars (-fern), pl. geregelde troepen. —ate (-feet). Refund (re-fund'), v. a. teruggieten; betalen; v. a. regelen, schikken,ln orde brengen. —action dehken; teruggeven. (-lee'sjun), a. regeling, schikking; 'reglement. Rer1111. able (re-fjoceibl), a. to weigeren. —al, —ator (-lee-tur), a. regolaar, inrichter; ,linger; a. weigering. —e (refloez), a. uitgeschoten; a. regulateur. uitscbot, afval. —e, v. a. & n. weigeren, afRegurgita to (reuediji-teet), v. a. weder alaan. —et, s. weigeraar. inalokken; v. n. teruploeien; overwerpen, Belot able (re- fjoelibl), a. wederiegbaar. ation loopen. —tion (-tee'sjun), a. wederuitwerping. (ref-joe tee',)un), a. wederiegging. —atory (-te• -inelokking; overvloeling. tor rib), a. wederleggend. —e, v. a. wederleggen. v. a. heratellen, 1Rehabilita te —er, e. wederlegger. weder bevoegd waken. —tion (-tee'sjun), a. herRegain, (re•geen'), v. a. herwinnen. stelling. Regal (ri-gel), a. —ly, ad. koninklijk. Regal e (re-geek)., a. koninkiljk voorrecht; ont- Rehear (IA bier') [irr.], v. a. wader hooren. —ing, s. nader onderzoek, herziening, haal. —e, v. a, onthalen; v. n. ,mullen. —ement,

243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.
W Zit (weet'), s. leer, hinderiaag. to lay — for, —tag, a. — ingiv, ad. zwervend, ronddolend; on;ItaPn Jeggen, strikken apannen. v. a. & 12, zsker, onbeatendig. waeltten, verwachten; vergezellen; volgen. (at) Wane (ween), a. (het) afnemen; vernal. —, v. n. bedl , nen• (for) wachten op. (on. upon) bedienen., afnemen, vervallen. tan dlenste etaen; zijne opwachting rneken bij; Wan mass (won'neie), a. bleekheld, ftetahald. begeleiden; volgen, —er, s. fan (bediende); Op. —nick, a. een weinig bleek, net., ► ammitr; preeenteerblad. a. het wachten. Want (wont), e. behoefte, gebrek, gents; mob. to egeleiden, bedienen; in —, dtenetdoend; —boy, be in — of, noodtg hebben. for — of, bij gebrek loop'Ingen; --gentleman, kamerdtenser; —maid, van. —, v. a. nnodig hebben, behoeven, gebrele —woman, oppasster; kamermeisje; kanienter. —s, hebben *RIO: ontbreken; wenechen, veriangen pi. stadsmurikanten, kerszangers. (van); v. n. gebrek hebben (for, in, lien), rnissen, (weev),.. verstootene. v. a. verlaten;buf- ontbreken; in gebreke blijven; to kort komen ten de beecherming der wetetellen.Zie toWnves. (in), moetim; veriangen1 'ilk, van). —ed, a. noodig, Wreke (week'), 8. (het) waken; nachtwake; kerk- gevrasgd; you are —. !Len vraagt near n. —ing, wijdingsfeeet; kietwater, zog. —robin, arons- a. & part. ontbrekend; behoevend; u1tgezonderd; wortel. v weklren; v. n. waken ., ontwa- s. gebrek, behoefte. —less, a. gegood, welgesteld ken --;uf, a. —fully, ad. weakzaam; wakend. Wanton, (won'tun), a. —/y,ad•wellustig,wuipsch, —fulness, s. waakettamheid; stapeloosheid. weelderig; uitgelaten, dartel, balddadig; vroolijk, (wee'ku), v. a. waken; v. n. ontwaken. echaikachtig; low. —, 8. lichtmle; liehtekooil —er, n. wekker; opwekker. beuzelaar. —, v. n. dartelen, uitgelaten rijn• sitoeien, mallen. —nest, a. wulpechheid, weelWeaver (wee'kur), 8. wekker; welter. derigheid; uitgelatenheid, dartelheid; eehalksch%Val (weal), s. striem, !greet); berghout. held. Walk (want'), n, wandeling; wandelpteats, loon; gang, tred; ruimte. to take a —, eene wandel', ► g Wamentake (wep'n-teek), a. distrikt, kanton; ho nde p rdtael. (teen. —, v. ar. bewendeten, doorloopen; doen etappen; Wet., — the rounds, de rondo doer, (wop'pnd), a. neerelachtig, bedroefd; —, v. n. wandelen, ;roan; etappen; spoken. (about) verwelkt, afgeleefd. rondloopen. (in) bienentreden. (off) rieh wegina- War (v, aor'), s. oaring, keijg; wapenen; legermacht; vijandetUkheid. to be at —, in oorlog On. ken (on) voortwandelon. (out) uttgaan. —er, e. to make (on, upon), den oorlog aandoen. wandelaer, voetgenger; voider; boachwachter. —beat, —beaten, —worn, door oorlogen uttgeout. ---ing het wandel en; —cane., —staff, —stick. wandelstok; --fire, dwaa I ileht; —place, wandei- —cry, oerlogskreet. —horse —steed, strijdros. —effiee, minieterie van oorlog. —proof, tegen een' pleats. %Vail (wao!P ► , rt. moor, wand; wal, veetingwerk. to S•L , A1 beetand; s. beproefde dapperheid. —rocket, give (to take) the—, de hnorer and late n (nemen). congreeische vutriti,j1. —scot, oorlogabelesting. —time, oorlogettid. v. a. beoorlogen; v. n. —creeper, muurepecht. —eye, eroene etAar, glee • oorlog voeren, etrOden (against. upon. with). oog. —eyed,Oaloogic —fern, muur veren. —flower, muurbtoene. —fruit, spalterooft. —gun. --piece, Wart)! to (waor'b1), a. lowing; gekweel; ealtgehaekbus. —hook , muurhaak. --knot, 8childknoop. -e, a. a. & n. kwellen, zingers, kwinke—louse, wandlute. —moss, eikenmoh. —nail, epeleeren; (doen) trillen, —er, e. kweeler; ranger; liernagel. —pepper, muurpeper huistook. —rue, eangvogel. —ing, s. gekweel, moor-,, et eenrnit. --3ided,atijf, met rethte zijden. Ward (waned'), o. wscht, bewaking, hdeeherming; —tree, leiboom. —wert, wilds viler. —, v. A. met afwering; voogdkj; pleegkind; siterkte, vesting; Pe't' moor oenr, en; verstarken; (up) diahtmetsebesetting; gekeneaal; etadswbk, kanton; hech• 1 - a. —ing, s. beuuring; metsetwerk, tents; week lin een slot); eleutelbaard. —mote, NiVallet (waorlit), 8. rei,eak, knepzak; avijkvergadering, eltting van het kantongeeecht. —penni„waakloon. —robs, kleerkas. -room, groote kwebbe. kajnit. --., v. a. bewaken; (from) bewaren, be• (wol'iup), s. horde slag; klomp. v. sebermen voor; (off) ofweren, atwenden; v. n. a. afrossen; v. n- Medea), koken. woken, op eijue hoede zijn; rich dckken. —en, Wallow (w WIG), o. waggeing, draaiende gang; (weord'n), a. oprlener, bestuurder, hooldnnan; wenteling. —, v. a. & n. (etch) rotten, wentelon. rector; voogd; opsiener der out zeehavens; ponds—er s. ear viw entelalr; rondsel. a. voxpeer. —ens ,iip (waord'n-), a. opeienerschap; reeseheald, smakelooe. ithneu, a. verechaaldheid ; torachap; voogdijschap. —er, s. wachter, be smekeloosheitt. aarder; herautestaf. s. voogdij; minderWn Inuit (witornut), a. okkernoot; notehootn. iarigheid• —husk, --peel. noteboleter. —tree, nntebnorn, Ware (went'), s, wear. koopwaar, Dutch —, Vot con (waerrus), —Iron (-ttun),s. walrus. dalftsch aar dewerk, plateelwerk. small —e, emitsWit!tr (wawte), se Walk -, v, n. waleen. terijen; Mein liner- en etaalwerk. —house, pak• Welly (weetih), R. vol. ateeteen, etrepen. huts, magazijn; —book, pakhuisboek; —charges, 1%nm:bite (worn'hi)., v n. mietelijk rijn, draaien. pakhulaonkosten, —hour; —clerk, pekhuimbedien 'Wan (won), a, bleek, fletr. de; keeper, —man, mactazijn., pakhuiemeester; Waled ( wood), a. staf f, roede; teoverstef. grotsier; —vent, pakhuishuur. —house, v. a. op Wander (won'etur). v. n. ewerven, ronddolen; slaan. —housing. a. (het) opelaan, opslag. reeskallen; (fro)n) afdwalen, afwijken van. —er , e. ronddoler, ewerveling; landlooper; ardwitier. Warl (wrer'), ar,. Zit Aware. —, a. n. Zie to itewatre. —lees, a. onvoorzicktig, —ing, es onerwerving; afetweling; verhijetering.

s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.

Dik, be. thick ; big; fat; swollen, bloated; curdled, clotted; clone. — van Auld (vet, schil), thickskinned, thick-coated; insensible. dikke eisd, butt-end. bw. thickly; clots. — gekleedgaan, to dress warmly. err — in zitten, to be monied. - o. thick part; dregs, sediment. grounds (vms kojle); calf (van hot boos). door — en dun, through thick and thin. —bast, -- bulk,-wrens, —oak, ,wag.


Kier, PI. jar. de deur siaat op (non) tem —, the meeeter, schoolruester„ pedagogue. —erkest, children's food. —erlfjkje, dead body of a child. door is n-jar. —erluren, swaddling-elothes. —ereneid, nurse, grirder. —kauteen, to piddle. —kauwer, maid. —ermeisje,nursevy-maid. —erateord, pfd tIee. —Ain, toot-ache. ti ide.—ermoorder,—erntoordster,infauti tide.—erKite hank-, ire. eligible. --baarheid, v. eligibleroute, child 'a cap, biggin. —erpart(i, children 's nests. —votive, —vereeniging, college of electors. party. —erpokjee, —erpokken, —crsiekte, small—gereektigd, Qs...Oiled io vot3. —gerechtigde, —beer, elector. —yacht, right of electing. —stelae, pox. —erpop, doll. —ereckoen, child 5 .1 shoe; de —en uittrekken, to let off one 's boyisch tricks, elective system. —ver gado kg, elective meeting. to sow 0116'3 wild oat., to be past the spoon. —wet, elective law. ho. & boo delicate (-ly); nice, difficult, —ersehool, infant-school. —erepeeigoed. toys.-er'ape', ape', child 'a play; joke. —ereprooke, nurseryparticular. —deid, V. delicacy; nicety. len w.. v. gill. tale, tole of a tub. —er-steel, child 's chair. —ertool, children 'a language. —ertoon, tone fit for Kievat, sn. pewet, lap-wing. —sei, pewet 's egg; children —ert,raag, childish question. —ereriend, fritiliary. K'raz 1 , e. gravel, flint-stone, silex. friend of children. —erwagen, child's cart. —erKiezeen, ov. w. to choose; to select; to elect. zee werk, child's work; trifles, nonsense. —erteerkje, book for children. —sheen, van — aan, from one's —, to put to ilea. infancy, — childhood. —egedeelte, childs 'a, porKiezeretereklkoer, xn. tooth•drawer. Kiezere, or chooser, elector. tion. —skins% grandchild. Kit, o: tan (that has been used). Kindloirotehtiet, bv. & hvr. childish (-Iy). —aclatigKW, v. contention, strife. buiten —, undeniably, held, v. childiehneem. —en, o. me. children; — kriigen, to get children, to be in the familyinthsputebly. quarre,leomenees. be. quarrelsome. --aehtigkei d v. quarrelaonieness. way. —en, on. w. to bring forth children. by, infantile, filial, childlike; hw. filially, like —ster, v. wrangler, brawler. a child. —/Okeid, v, simplicity, innocence. —loot, m look, peep. to —, for show. —en, or. & be. childless. —loosheid., v. chiidleremess. on. look, to see, to behold; op near to look ashamed, to be balked. —dap,show-eay. Kindjte. o. infant, babe, baby,little one. —gat, peep-hole. —gins, spying-glees, eye-glass. Kirseisch, be. childish; doting. —held, v. childhood: ,second childhood, dotage. —toren., watch-tower. —sit, look-out, peep-hole. er, m. looker-on, spectator; eye; spy-Ones, Kisedsheiti. v. childhood, infancy. Kink..., v. quinine. telescope. KW, e.g.. v. wrangling, squabbling. —en, on. w. Kink, v. twist, twirl, kink. er in eene — in den kabel„ there io a lion in the way, there is someto quarrel, to wrangle, to squabble, to brawl. thing wrong. —how, chin cough, hoopiug-cough. —er, rn. wrangler, sqeabbler, heawler. —erij, —bourn, —horen, cornot. KlUivisge. m. clown, bumpkin. —aehtig,bv. clown• Kik, m. eetind. — ken., ov. & on. w. to mutter; kj loh. lubberly. durft niet to — en, he dates not open his mouth. KInken, on. w. in peg. --bet, tn. Zie KikvoreeclO, in frog. — gerwel,ranula.—ebii, frog Kinlectio2a, v. jaw-hens; ebeek; chops. —.lag, slap in the face. —sham, hog's chops. —ken, a. hind leg of a, frog. —enrehot, spawn (fry) of frogs. Zie Kieletteibrsk. Kti , v. channel. Kill, v. chili. —., Ire. chilly. —heid, v. chilliness. Kieeseetje, o. little chin; firkin. —len, on. w. to be chilled, to tingle, to smart Kip. v. hen, fowl; notch; hoop, roll; biggin; snare. with cold; to shiver, to keep the sails Alive, to 1k het je, there I have you. —peteret, hen 'e fly loose to the wind. —lip, be. chilly. —ligheid, cheat. —pekuur, whim, freak. —petrel, ktligen v. chtllinees, —ling, v. tingling. van, to shudder at. —penhok, hen-coop, hen-house. Kin), v. chiral, (eon ern tub), border, brim; bent —pen, ay. w. to hatch; to catch, to ensnare, to otthe horizon. of the prow; horizon. —dui/rine nick out. —gangen. floor liend•planks. —target, thiar-heads' Kipp-elite gvutten.v. mv . —kost.v. groats, grit. Kireplig, be. short-sighted, purblind. —heid, v. thick stuff. —2neloos, bv. witkoat a horizon, short-sightedness, purbiliadness. Kin, -e. chin. Aetfinp, curb. We in, v. (jesait'a-} bark. —ba,t. Peruvian bark. Kieewei, o. hatched brood. —drank, bark-potion, china potion. --poeier, Kirerete, on. wn to coo; to moan. wenn ov. w. to provoke,to incite. pulverized china. Kind, o. child; Infant. —erbal, children's ball. Kist:, v. chest, box, trunk; coffin. —entnaker, trunkmaker; coffin-maker. — en, Oe. W. to lock (to put) —ertr,en, child-hearing. —erbed, child 'a bed; up in a cheat; to lay in the coffin, to coffin. child-bed. —erbel, coral. —erteut, floggr.—erbier„ —ing, v. coffining; coffer-dam. gossiping. —erbijbel, bible for children. —die!. kidnapper. —erdiererij, kidnapping. —erdokter, KU, v. tankard, jug; brothel, bawdy-house. ---fehroer, pot-companione rake. baptism of infants. children 'a phyeiciaa. —ertloop. —ercek, one that is fond of children, dotard upon Kite, v. ketch. children. —erporang, —erlied. children 's song. Ii“sou,ov.& on. w. to strike firs; tie Konen. —ergoed, child •bed-lluen; toys. —e.jaren, child- Kittoltisr, ne. tickler; clitoris. —aehtig, bv. tickhood. —erjurk, child 's gown. —err:outer, n areery. lisb. —en, ov. w. to tickle; to flatter. —oorig, —erkiap —erprotat, chadish talk. —erkoning, ethumorsome, touchy, ticklish. —oorighetd,taucht-
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×