(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere
eoolai or ,,cute,; doat. -.necked, dik van hale; haissterrig. -planted, dicht geplant. -scull, botterik. -trailed, -witted, dont, stomp. -set, dicht beplant; gedrangen. lomperd. -sprung, dicht opgeschoten, -staff, aware plank, zwalp. 'wager, !drawer,. -ea (thik'n), v. a. & n. &It ryt..ken ( warden), verdikken. - et (-It), a. kreupelbosch. -iah, a. dikaAtig. -ness, a. dikte; dicht'arid; stomphqd. (thief';, a. diet -catcher., -taker, Mavenleider„ Thiev a (thiev'), v. n. etelen. -cry (-ur-ih), a. dievert), diefetal. -ish, a. -ishly, ad. diefaehtlX. -istness, s. dhlachtigheid. Thigh (thiii'l, a, dij. -bone, dijbeen. lamoan. -horse, -er, n. larnoenpaard.

to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay
Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
kerkban. -.tory (-ne-tur-rib , , a. donderend; verFry (fraj'), a. school jouge vis..sehen; zwerm, echri kkelij k. troop; baksel; zeef. —, v. a. & n. braden. —ingFulmin a (foel'min), v. a. werpen; v. n. dondepan, braadpan. ren. —ie (-min'ik), a. knellene. Flange (fjoe'idzi). a. haardgeld. v. a. bedriegen. (off) Fulness (foerness), a. Nolte; solkomehheidTub (tab), a. dikkert. Fulsome (foel'aum, fureum), a. —ly, ad. waluitstollen. Zie to Fob. -ness, s. walgelijkheid. Fueate (fjoe'ket), —d (-keet-id), a. geblsnket; Ful rid (ful'vid), —cons, a. donkergeel. vermomd. Fumado (fjoe-mee'do), s. gerookte vise.h. Fiscus (fjoe'kus), a. blanketsel; vermonaming. Fumago (fjoe'snidzj), s. schoorsteengeld. v. a. drunken maker'; v. n. itch Fuddle (fud'd!), Futnbl a (fum'bi), v. a. onhaedig belottidelen, bedrinken. —r, s. dronkaard. fommelen; (up) samenfommeten. —, v. n. friemeFudge (fudzj), s. bluf; onwaarheid. —, v. n. len, tasten (for, noar); sensation; onhandigomfat! onzin! bluffen. Fuel (fjoe'il), s. brandstof. —, v. a. van brand- gsan (with). —er, s. fommelaar, onhandig menech. —ingly, ad. lomp. etof voorzieu, cordon. —ler, a. etoker. Tunnel ous (fjoe-gee'sjus),a. vluchtig. —nuances, Fume (fjoetn'), a. rook, damp) toorn. —, v. a. rooken; berooken; v. n. rooken; toornig zijn, —ty (-ges'it,tih), s. vluchtigheid. razen; (away) verdampen —t (-it), 8. wildreuk; Fugitive (fjoe'dzjit-tiv), a. vluchtig, onbestendig. wilddrek. a. vluchtigheld. a. vluchteling. Funild (fjoe'mid), a rookerig. —ity it-tih), Fugue (fjoog). s. fuge. a. rookerigheid. (fesibll, a, stutbaar. Tolerate (furkret), a. met op den grond han- Futniga to (fjoe'mi.geet), v. a. berooken. —lion (-gee'sjun), s. berooking. gende takken. Fumingly (fioe'mieng-!ih), a. wooden& Fulcrum (ful'krum), a. stet; eteunnunt. IP unit (foci-fir), v. a. vervullen. —ler, a. volbren- FUnAltiti (fjoe'misj), a. rookerig; driftig. Funslt er (fjoe'mi-tur), —nry, a. aardrook. ger. —ntent, a. vervulling. Fuse ous (fjoe'mus), —y, a. dampig, rookerig; Fulirauglit (foel'fraot), sa. ruim voorzicn. ( hoPPig• Fagg envy Fun (fun), a. boert, jok,grap.for (in) —,uit kortsa. glans. —ent, —id, a. blinkend. wijl. to make a — of, voor don gek houden. Tselgur (furgor), a. glans, schittering. Fulgura to (fol'gjoe-reet), v. n. schitteren, stra- Funambulist (fjoe-nem Woe-list), a. koorddanaer. len echieten. —tion (-ree'ajun), a. schittering; Function (funk'sjun), a. beroep,embtsverrichting. —ary, a. ambtenaar. blikseming. Fund (fund), a. fonds; kapitaal. public —s,staatsFoligleions (fjoe-lid'zji-nus), a. roetachtig. sehulden. sinking —, delgingsfonds. —, v. a. in Fullinart, sic Foumart. fondsen beleggen. (fell'), a. vol.; verzadigd; geheel; volkomen. —, a. voile meat; toppunt; geheel. —. ad, ten voile; Fundament (fun'de-ment), a. grondstag; achtervolkomen; zeer. —scorned, met eikels gemest. ate. --al, a. —ally, ad. (-ment'el-), oorapronke-blood, volbloed. —blown, in vollen bloesem; ink; grand-. gezwollen (door den wind). —bodied, lijvig (van Fuser sl (tjoe'nur-el), a. eene begrafenis betref• fend; a. begrafenss; lijkplechtigheid. —cal wijn). —bottomed, ruim. —butt, ad. regelreeht, ri-el), a. tot eene begrafenis be.hoorend; akelig, climb tegen; a. § botsing. —cry, in vollen ren. treurig. —dress, gala•kleeding. —dressed, in groat koatuum. —drive, in vollen ren. —eyed, met groote, nit- Fungic (fun'd.zjik), a. van paddenstoelen. — acid, pssitende oogen. —faced, met eon vol gelaat. kampernoolje-zunr. —fed, doorvoed, vetgemest. —fraught, ruin voor- Fong oslty (fun-gos'it-tih), a. sponsaehtigheid; zien. —grown, volwassen. —hearted, vol mood week uitwas. -0U8 (fun'gus), a. eponsactitig; nitgroeieud. -us (fun'gus), s. paddenstoel; uitwas; (hoop). —hot, gloelend heet. —manned, geheel wild vlee..(ch. bemand. —moon, voile maan. —mouthed, vol (zwaar) van stern. —orbed, met geheel verlichte Funlc le (fjoe'nikl, a. anoer; vezel. —slat (-nib' joe-ler), a. vezelig. Bes(ir. —power, volmacht. —speed, met den mees- ten apoed; in vollen galop; vol werk (van eon Funk (funk). s. stank; groote verlegenheid. —, v. a met stank vervullen; v. n. stinken; bang zijn. stoomwerktuig). —spread, bree. uitgespreid. — summed, volsedig, § —swing, overwicht; yolk°. Funnel (fun'fli1), s. trechter, Piiin hap op eene mane bebeeraching. — winged, met aterke vleu- echoorateenpijp. Fuun lay (fan'ai(-111), ad. —y, a. grappig, kluch• gels; ijverig. tir. —y, veerpont. (toell"), v. a. vollen. —age, a. volderalaon. te. pelterij, bont; beslag —er, a. lakenvolder. —er's-earth, vol-garde. Fur (file), a. bouten. (op de tong). —cap, pelsmuts. —cloak, mantel —cr's thistle, kaardedistel. —ing-mill, volmolen. met bont. —, v. a, met bout bekleeden; doen Fully (foellih). ad. ten voile. (ful'mi-nent.), a. donderend. —te bealaan; dubbelen (een schiP). Fulminn rat (-fleet), v. a. doen ontploffen; uitwerpen; ver- Furael ous (fjoe-ree'sjus), a. diefachtig. —ly oordeelen; uitbulderen; v. n. ,londervn; ontplof- 1 (-realt-tih), a. diefachtigheid. fen; den banblikaem sltngeren; razes, bulderen.; Furbelow (for'be-lo), s. falbala, strode. — ling - powder, donderpoeder. --lion (-nee'sjun),' 11 , ssrbtsslis (fuebiej), v. a. polijsten, bruineeren. e. brisineevder, zw serdveger. er.fineter; costploftlne'; ,4, cendig)ng van st,
Jesus (dzji'sus). m Jens. Jewry (dzjoe'r1h), (r. (hut) Joodsche land. Jezabel (dzjez'e-bel), w. Jrzabsl. Jin ((Win"), - ny, f. voor Jane. Joan (dzjoon), v.. Johanna. Job (dzjoob)., m. Job. Joceiln (Jzjoslin),m. Justus, Joost. Joe idujo). f. voor Joseph. John Onion'), m. Jobannec, Jan. —ny, f. tour John; Jamie. —son (-en), m. Johnson. —.ton (• sin), m. Johnston. Jan all (dzka'ne), —as, m. Jona. Jones. Joraathau (dzjon",then), m. J onathan. Jordan (dzIor'drn), g. Jordaan. Joseph (dzjo'zif), m. Joust. Joshua (dzjotroa-e), in. Josua. Jove (dzjoos), my. Jupiter, Juititin. Jud a (dzjoe'del, —ah, m. Juda. ( lz ;.), r. Jodendom. —as, on. Judas. —ea (- di'e), 5. Judea. —ith (-nth). w. Judith. Jug (dzj ugh f. toot Joan; Jans. Jail a (dzjoe'll e), v. Julia. —an, no Julianus. ook —era (-ee'ne), w. Juliana. —era (• g. Gulik. —et (-et), w, Julia, Juliet. m.

adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.
ligheid; gebeurlijklteid. —t, a. toevallig; gebeur. Contrast (kun.traast)., V. R. tegenover elkauder stellen; v. n. afsteken bij (with). lijk, --t. s. toeval; aandeel. —tly; ad. bij ge- Contravallation (kon-tre-vel-lee'sjun), s. teval. genverschansing. Connell. al (kun-tin'joe el), a. —ally, ad. aan- houdend, gehtedig- —Ones., s. aanhnudendheid. Contravene (kon.tre.vien'), v. R. weeratreven; belemmeren; o‘ertreden. —r, s. overtreder. —dace, s. onafgebroken opvolging; aanhoudend- heid; voortduur; verblijf; uitstel. —ate (-et), a. Contravention (kon-tre-ven'sjun), s. weer8tresing; overtreding. onafgebroken. —ate (•eet), v. a. nauw verbin- Contr.:version (kon.tre-vur-sjun), a. onikeeriag, den. --ation (-ee'ajun). a. voortzetting. —alive verkeering. (•e-tiv)., a. voortzettend, voortdurend. —ator, a. voortzetter. —e (kun-tin'joe), v. a. von rtzetten ; ('ontrectatioti Ikon- trek. tee'sjun), a. betasting. verschuiven; v. n. voortgaan, solltarden. —ed Contribut ary(kun-trib'joe-te•rib),a belastingschuldig; bijdragend. —e (knn.trib'joet), v. a. & (-joed), a —edly, ad voortdurend, onafgebroken. —ity (kun-tin joe'it-tih), a. samenhang. —ous, a. ' bijdragen, m dewerken (to); helpeu. —ion (kintri-bjoe'sjuu), a. bijdrage; belasting; braudscltat. samenhangend. Ong. —ire. —ory, a. bijdragend, medewerkend. Contort (kun-tort'), v. a. vleeht•n; verdraaien; —or, a. bijdrager; bevorderaar. wringer, —ion (-tor'sjun), 8. verdraai;ng, wrin- Contrista to (kun-tris'teet),v. a. bedroeven. —lion ging. Ikon-trig-tee'sjun), a. bedroeving. Contour (kon-toer'), a. omtrea. Contrabandj(kon'tre-bend), a. verboden. —, a. Contrit e (kon'trajt), a. —ely, ad. verbrijzeld, gebroken van hart; boetvaardtg. —encss s. boetsluikhandel; smokkelwaar. — of war, oorlogs- vaardigheid. —ion (kun-trie'sjun), s. verbrijzeliug; contraband. —ist, R. sluikhandelaar. berouw. Contract (kon'trekt)., a. verdrag; contract; over- Contriv able (kun-trajv'ibl), a. bedenkbaar; eenkomat. doenlijk.—ance,s.uitvindiug;aanalag.—e (.trajv'), Contract (kun-trekt'), v, a. samentrekken; be- korten; overeenkomen; verloven; aanwennen; v. a. uitdenken, beramen; ten uitvoer breitgen; zich op den hale bale. (a disease); aangaan, v. n. een plan beramen. —er, a. uitdenker, antmaken (debts). —, v. n. inkrimpen: een verdrag werper. aluiten. —ed, a. samengetrokken, bekort. —edly, Control (kun-troor), a. tegenregister; toezicht; v. a. order toeztcbtbouden; bedwang; gezag. ad. door saMentreltkiug. —edneu, s. bekortheid; beteugelen; vergelijken. —table, a. aan toezicht bekrompenheid; samentrekking. (i-bil' onderworpen. —ler, s. opziener; toezichthouder; it-Oh). a. samentrekbaarheid. —ible, R. eamen- trekbaar. —i/e (-ii),a. samentrekkend. —ion (-trek' —lership, controleurschap. —went, a. beperking; dwong; opzicht. sjun), s. samentrekking; bekorting. —or, H. Ran- newer; contractant Controversial (kou-tro-vuesjel), a. betwixt worContradance (kon'tre-darns), a. contredans. deed. Contradict (km, tre.dikt,), v. a. tegenspreken. Controver sy(kon'tro-vur-sill),8. twist, geschill tedetwist; geloofsstrijd. —t, v. a. betwisten. —er, a. tegenspreker. —ion (-dik'sjun), a. tegen- spraak; tegenstrijdigheid. —ions (-dik'sjus), a. —table (-vureibl). a. betwiatbaar. —tilt, s. redetegenstrijdig, strijdig; dwarsdrijvend. —iou8ness, twister, twistschrijver. s. tegenstrijdigheid; merit tot tegenspraak. —ive, Contumacious ikon-tjoe-mee'ojua). a. —ly, ad. a. tegenstrijdend, wedersprekend. —orily (-ur-il- weerspannig. —nest, s. weerspannigheid. lth), ad. —ory, a. tegenatrijdig; aandruischend. Contumacy (kon'tjoe-me.sth), s. weerspannigheld; niet-verachijning; scratch. - ary, s. tegenerraak; tegenstellirig. Contradistinct (kon-tre-die-tinkt'), a. tegen- Contumelious (kon-toe-rorli•us), a. —ly, ad. snaadelijk, hoonend; sehnndelijk. —nets, 8. begetoeld, onderscheiden. —ion (-tink'sjun), s. on- leediging; mchandelijkheid. derecheiding door tegenstelling. —ire, a. tegen- Cosvimiselly (kon'tjoe-mi-lib), a. smaad, Noon, gesteld. Contradistinguish (kon tre-dia-ting'gwitej), v. verwijt. a. door tegeuatelling onderscheiden. CODE U N e (kure tjoez'), v. a. kneuzen. —ion (-zjun), Contralndi cant (kon-tre-in'di-kent), s. tegen- a. kneuzing. atrijdig ziekteversehijnsel. —rate, v. a. een af- Conundrunt (ko-nuu'drum), s. raadsel; pots; strikvraag: wtjkend verschijnsel aanwijzen. Contranture (kon'tre-mjoer), a. buitenwal. Conusance of Connusance (kon'joe-zens), s. Contranatural (kon-tre-neejoe-rel), a. tegen- kenniegeving, kennismaking. Cons ales cense (kon-ve-les'aen8), a. heterschap, natuurlijk. Contraposition (kon-tre.po-ziesjun), a. tegen- herstel. —cent, a. betercnd, herstellend. —cent, overgesteldheid; tegenstelling. s. zielte, die herstelt. Contrar les (kon'tre-riez), e. tegenstrijdigheden. Cons-en able (kun-vien'ibl), a. overeenkomend, strookend; voegzaam. —e, v. a. samenroepen; —iety (• raj'e-tih), s. tegenstrijdigheid; oubestaan- (.ril 1:11), ad. strijdig. v. n. bijeenkomen; § passes, gelegen homes. —inert, a. b:tarheid. —ily strijdigheid; tegenstand. —iwise ( ti-wajz), ad. —ieace (-Jens), —iency, s. gemak; geschiktheid. integendeel; omgekeerd; tegenovergesteld. —y, —ient (-jent), a. —iently, ad. geschikt, gemakkelijk; passend, voegzaam; gelegen. a. tegenovergesteld; strudig. —y, s. tegendeel. Convent (kon'vent), a. klooster. — idle (kun - ven' on the — y, integendeel. Contrast Owa'(roaar), a. tcgentoeilinkr, ii!,11. R. heimelijke (godsdienetige) bijec ► konntt.,
—idokje, hare-bell. -400rts, spring-fever. —lied, vernal-song, —Need, spring-time air, vernal air. —emend, spring-month, March. —incrusts, morning in spring, —nachterexing, vernal equinox. —tijel , spring-time. —weer, spring weather. —son, vernal sun. Leaman, on. w. to free; to harpoon; on. w. to *Qua, to spoon. Lip, m. kick. Lepel, in. spoon, ladle; charger; (can een haat) ear. --bled, bowl (of a spoon;; spodn-wort, scurvygrass. —host, —.Aft, spoon-meat. —steel, handle (of a spoon). —stok, handle (of a charger). —link, small piece of artillery. —vet, spoonful. —sucAt, want of food. —ear, m. spoon-bill. —en, on. ar. to eat with a spoon Lap pen, ov. w. to rip, to lap; to bib; to kick (the ball). —lam, pet-lamb. —per, m. sipper, lapper. Lepperen, ov. & on. w. to sip, to lap, to bib. Leprome, by. leprous.—, m. leper.—heid,v. leprosy. ',ern:manhole, o. hospital for lepers. ',crater, v. eipper,.leprer. Lee, v. lesson; precept ; lecture. {emend de — lesen, to lecture (to rebuke) a. o. —heck, lesson book. —geefster, —veer, private teacher. Leach lank, us. —tray, cooler, quenching-tub. —drank, cooling (refreshing) drink. —water, quenching weter. Lesseb en, sue. w. to quen,b, to slake, —er, m. quencher. —ing, v. quenching, slaking. Leesieurteer, na. desk. Letsef, o. hindrance, impediment, obstacle; butt, injury, damage. Letters, oc. w. to hinder, to keep from; to ail; on, w. (op) to mind. to attend to. Letter, v, letter, character; ttjpe. naar de —, literally. —hoes, lettered man. —bake, latter-blokken, hard study. —bode, literary messenger. ecroitich. —diet, plagiary, pirate. —diefstal.—dieverii, plagiarism. —dash, nain.pier. —druk, impression, letterpress. —gieter, letterfounder. —oieterti.lettor-foundary. —greep, syllable. —held, man of letters, eminent Monitor. —heist, speckled wood. —has, letter cane. —heir, —kearclicht, —vergetting, anagram. —kennie, learnlag, erudition. —kloek, lettered. —kunde, literature. —kundio, literary, lettered. —kundioe, man of letters, literary man. —kunst, grammar. —boaters/Jar, gramtnarten. —nterk, character. —minnaar, lover of literature. —nieutee, literary news. —oefening, study, literary occupation. —schrift, writing (in letters). —.Oder, —steker, type-cutter. —soort, sort of types. —teeken, sr• cert. —wipe, knowing the letters; — in, having the knock of. —setten, composition. —setter, compositor. —sifter, caviller, critic. —sifterv, —sifting. cavilling, criticism. —en, v. . inv.letters, literature; awe — your letter, yoar favor. de fraaie —,, polite literature; in de — atadeeren, to study literature —en, ov, a. to letter, to mark. —10k, be. bw. literal (-1y). —tje, o. little lettar; eels — sekrtiven, to write a fevelines, to drop a line. Cougop, v. lie. —bank, comnany of liars. —facet, —tap, —sok, arrant liar. - Frofeet, false prophet.
Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.
Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve
LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.
satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •

s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.

BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience


Misfortune (mis-for'tjoen), a. ongeluk. Niggly e (rnis-giv") [ire.], v. a. met twijfel (arg11.118.11, bezorgdheid) vervullen. —tag, 8. twijfel, bezorgdheid; roorg8voel. Misgotten (mia-got'tn), a. onrechtvaardig vie' kregen. Misgovern (mis - guv'urn), v. a. slecht besturen. —ed (-urnd), a. ruw, nnbeschaafd. —ment, a. wanbestuur; waugedrag. Misgraft (mis-graaft'1, v. a. verkeerd eaten. Mlsgrouud (rnis-graaund'), v. a. verkeerd (ten onrechte) gronden. Misguld e (mis-gajd') v. a. verkeerd leiden. —acre, s. verkeerde leiding; richting. Mishap (mishap'), s. ongeval, ongeluk. Mishear (mis-hier'), v. n. gebrekkig hooren. Itiiiohmash (misrmesj), s. mengelmoes. Misi ► prove (mis-im-proev'), v. a. misbruiken. — meat, a. verkeerd gebruik. MIsinfer (mis-in-fur`), v. a. ten onrechte afleiden. Misinform (mis-in -form'), v. a. verkeerd ten. —ation (-fur-lnee'sjun), a. °ululate inlichting; valsch beric-bt. Mistnstruct (mis-in-strukt'), v. a. verkeerd onderrichten. —ion (-struk'sjun), a. verkeerd onderricht. Misintelligence (mis-in-tel'ii-dzjens), a. mi.verstand; valsch bericht. Misinterpret Imie-in-tur'prit), v. a. verkeerd saltleggen. — ation (•ee'sjun), s. verkeerde tick legging. MIK; oin (mix -clzj oin'),v. a. verkeerd aaneen voegen. Misjudge (mts-tizjudzji, v. a. verkeerd -oeoordeelen. v. n. onjuist oordcelen. Miskin (miekin), s. kieine zakpijp. Miskindie (mis-kajn'd1), v. a. opruien. Mislay (min-lee') Lirr.], v. a. verleggen. Mislead (ants-lied') [yr.], v. a. Intaleiden; verleiden. —er, a. misleider; verleider. Mislike (mis-lajk'), a. afkeuring; efkeer. v. a. & n. atkeerig zijn van; mishagen. Misltve (mia-livi, v. n. slecht Leven. Misluck (mis-luk 1 ), s. ongeluk. Mismanage (mis-men'idzj), v. a. siecht besturen. —meat, 8. slecht bestuur. (mis-maark'), v. a. verkeerd merken. Mismatch (mis-meesj'), v. a, verkeerd pares. Ilillaymeasu (mia-mezroer, -ur), v. a. onjuist Met.. itliS1► .111MIC
In the case of Bitcoin, miners run computer programs to verify the data that creates a complete transaction history of all Bitcoin. A technology known as the blockchain, which is used to create irreversible and traceable transactions, makes the process of verification possible. Once a miner has verified the data (which comes in a block, hence, blockchain), they are rewarded with some amount of digital currency, the same currency for which they were verifying the transaction history. So mining Bitcoin, for example, would earn you Bitcoin.

beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay
435 tined; ale Doophek. —kind, god child. —kked, christening-drest,baptismair obe.—essal,obristeninpfeast. —seam, christian name. —plechtighind, ceremony of christening. —ease, egg-sauce. —wader, god-tattier, —vont, font. baptistery. —water, baptismal water. --eosin& Mennonite. en. & v. child (person) to be ' baptized, child held up to baptism. —es, ov. w. to dip, to plunge; to mix, to adulterate; to baptize, to christen; to duck (bii teelleden); to DEW, to surname. —er, m. dipper, plunger; baptIzer; Baptist. —ing, v. dipping, plunging; baptizing, christening. —eel, 0. baptism. Door, bw. & vs. through; by; thoroughly; qUite — en —, thorougly, quite. — elkander, one with another, on an average. — midden, in two, asunder. het panache jeer —, all the year round, throughout the year. Doorbakkesa, wv. w. to bake thoroughly; on. w. to continue baking. —, by. well-baked, welldone. Doorlsaretea, on. w. to burst (to:crack) asunder. Dcsorbouken, ov. w. to beat asunder. DoorbUten, ov. w. to bite through; to earrode. Illawrbentioren, ov. w. to peruse, to run over curaorily . Doorbiazen, us. w. to blow through, — asunder, on. w. to blow on. Dourbor en, ov. w. to bore through, to pierce, to perforate; to stab; to sink (een sal" ,ing, v. piercing, perforation. Doorbouwen, on. w. to continue building. Doorbraak, v. breach, rupture. Doorbratien, ov. w. to roast thoroughly; on. w. to continue roasting. —, by. well-roasted, well done. Doorbrandan, ov. &on. w. to burn, —through, — thoroughly; to continue burning. Doorbreken, ov. w. to break, — to pieces, — through; on, w. to break, to burst (forth, through); to pierce the clouds; to become prevailing, Doorbreng en, ov. w. to get (to lead) through; to pass, to spend; to squander, to waste, to die, ni p ate. —er, m. —*ter, v. 'squanderer, spendthrift. Doorbulgen, or. w. to -break by bending; on. w. to bend, to give way. Doordacht, by. dully considered, well-weighed. Doordaneees, or. w. to wear out by dancing. Doordeukvn, ov. w. to perpend, to consider maturely, to run over in one 'a mind; On. w. to reflect., to ponder. Doordian, vw. as, since, whereas. Doordoen, ov. w. to get through; to blot (to strike) out, to cancel: on. w. to continue, to go on. Dourdraafater, v. Zie Doordraver. Doordraal en. ov. w. to run riot, to live in debauchery. —er, m. wild spark, rioter. kioordrngen, 05. w. to carry (to bear) through. Doordraw en, on. w. to trot on firmly ; to pass trotting; to hurry on. DoordrUlfeter, v. Zie DoordrUvar. Doordrijv en. ov. w. to drive (to push) through; to enforce, to push, to carry through, to effectuate; het —, to carry one 's point; on. w. to float through. —er, m. forcer, obstinate person.
s. wan- Farther (faarlisur), a. ttr ail. veruer. Fartriest (faar'thest), a. & ad. verrt. Her; wain. (faar'khieng), a. penning, oortje, een Fanatic (fe-net'ik), --al, a. —ally, ad. dwees- Varna geen dolt waard. s. dweller, gee.stdrijver. j vierde penny. not worth a ziek, gecstdrijveni. greetFftrthingale (faar'thin-Keel), s. hoepelrok. —vine., —ism (-i-sizm), s. dweepzuclit. Fasces (fes'slez), a. bijbelbundel. drljverii. venster (la:en eene dem). —ner
Labrador (leb-re-door'). g. Labrador. de LakediIinecredivee (lek'e-41aj cz), g. the cleche eilanden. Laced minion (lee-e-di'tnutt). g. Lacedaetcon. —emenian (-de-mo'nLen)., a. Lacedemoniech ; i. Laeedeinaniir. Litcontit 11e. tro'ni-e), g. Ladrones (1e-droonz'), g. the —, de Dieveneilanden. iLiterten (lee-ur'tiez), m. LaMes. w. Lain .11,nrnb (taco'), tn. Lamb. —ert (-bart),m.Lambertu,, Lambert. Cauca Whirr (lEnekesj-ten), g. Lancashire. at, kea-tun), g. Lane,etrr. 1Langueduc(1eng-ge•doki, 0. La.nguedoe. ',raucous' (le-ok'e,tin), my. Laocoon. L npl ander. Lapland (101)112M). K. Cares (iee'ciez), try. Laren. LatInsor (let'i-tour). m. Latimer. Luzar a (laor'e), w. Laura. —ence,na, Laurentius, Laurens. /Lazarus (lez'e-rue), m.. Lazarus. 1Leasc- (lter),m. Lear. Cebanon (1ab'e-nun). g. Lihanon. ',envy/1'rd (11tewurd) /stands, g. Etlanden on :ler den wind. g. Livorno. Leghorn (lee-, Leicester (lee'tur), g. Leicester. Leigh (11), g. Leigh. 11...fotraster (lin'atur), g. Leinater. Leipsic (lajp'elk), g. Leipzig. Leith tlietb), g. Leith. Leonard (len'uri), m.Leonara. Lesllie (lee'll), an. Leelle. Let (let), f. voor Lethire; Latin. Ceiba (11"thij, my. Lethe. g. Lett ice (letitle), vv. Letitia —onto Lettland, Lettenland. —y, f. coon Letttee;Ietle.
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
bw. some, any. —ermate„ bw. aonlewhat, in some measure, in some degree. —snot's, —erte(fee, bw. (in) any way. —Acid, v. singleness, singularity; loneliness, solitude, solitariness; unanimity, harmony. bar. Lie Eunig. —seine, bw. somewhat, rather, in some degree. Eenjarig, be. of one year, one year old. Eeiskennig, be. eby. —Acid, v. shyness. Eeniettereepig, Ibv. monoaillableal. —woord, monosyllable. Eenl.nbbig, be. monocotyledonous. Eenioop end„ be. unmarried, single. E.ntranal, by. once. Eennilddelpuntlg, be. concentric. Eenrisoedig, be. & bw. unanimous (-ly). Eenoog, m. & v. one-eyed person. —ig, be. oneeyed, monocular. Eenarlg, be. & by. unanimous (-ly); uniform (-ly). —held, v. unanimity; uniformity. Cans, lr.v. one°, one day, once upon a time; of one accord. niet —, not even. het — (tearden), to agree. Eeneehedirwlg, be. heteroscian. —en m. me. heter °ult. Eeinschallg, be. univalve. Eensdeele„ bw. partly. EenegezInd, be. unanimous, of one mind.:—hsitl, v. unanimity, concord, harmony, Eensklape, bw. suddenly, on a sudden, all at once. Eeneloldend, bv. of the same tenor, similar; ale GeliJkluldend. voor — afechrift, a true copy. —heid, v. conformity. Eeneteinntlg, be. & by. unanimous (-1y), barmoutons (-ly), of one consent. —heid, v. unanimity, concord, harmony. Eentnt, o. unit. Etntonlg. bv. & bw. monotonous (-1y), tedious (-1y) —held, v. monotony, tediousness. Eenvervig, be. of one color, plain, Eenvoranig, be. uniform. —held, v. uniformity. Eenvond, in. singular number; sie Eenvou% diglecid. --ip, be. & bw. singular; uneomposed; sim els (-ply), plain (- I y), candid (-ly), ingenuous ( - )y), credulous (-ly); snare (-13r). —igheid, v. simplicity, plainness; candor, ingenuousness, credulousness. Earswerf, Pm. once. Eenznem, be, solitary, lonely, retired. — bw. solitarily, in solitude. —held, v. solitariness, solitude, retirement. Eanaelwrg, be. identical; manotonoua. —Arid, v. identicalness, sameness; monotony. EenzUdig, be. & by. partial (-ly). —held, v. partiality. Ear., bw. sooner. hoe — hoe liever, the sooner the better. —, nw. before, ere. Ear, v. honor; glory. bed van —, field of honor. pant ran —, point of honor. op ni(ra wooed . van —, upon my honor. ismand he /textile — beseirsen, to perform the last duties to a. o. in cUe — en deugd, in all decency. in —e holden, to have reward res. ter —e van, in honor of. eerie — atelier: in, to be proud of, to pride one 'a self on. —ambt, trust (post) of honor, —bewile, —kw( zing, respect, bono", homage. —gevoel, sense Of
Dibble (dib'bi). a. spade; pootstok. —, '_v. a. epijavertering. poten (met eeu pootijzer). Digg er (dig'gur), a. graver, delver. 4 —jags, a. Hibstone !dib'stoon), a. werpsteentje. Dice (data'), s. dobbelsteenen. —, v. n. dobbe- opgravingen; goudveiden; verblijf. len. —box, dobbelbeker. —player, dobbelaar. Dight (dajt), v. a. ultdossen; tooien. Digit (did%jit), a. drie vierden van een' doim; -2', a. do)itelaar. een twaalfde van de middellIjn van son of Dickens (diVenz), int. drommels! maan); getalmerk, cijfer. —al, a. de vingera beDicker (dik'ur), a. tiental (by. huiden). —, v. a. treffend. —eted, a. gevingerd. § ruilen, verruilen.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

Hoe krijg je de handel Bitcoin voor contant geld


DEW.-1)10. Itew ((ijoe'), e. dauw, —, v. a. bedauwea. —berry. Dicky (dik'kth), a. half hetudje; lakeiplaats (achbraambezie. —drop, dauwdroppel. —lap, halo- ter het rtjtuig); czel. kwab, kossern; hanglip. —snail, naakte alak. Dictat e (dikleet),a. bevel, voorschrift; inspraak. —e, v. a. v66rzeggen, dicteeren; gebteden. —ion —worm, dauwpier. --y, a. bedauwd. (-tee'sjun), a. (het) v66rzeggen, voorscbrijven• Dexter ity (deks-ter'it-tth), s. behendigheid; be- opgaaf. —or (-teetur), a. gebieder, dictator. —oriat drevenheid. (-te-to'ri-e1), —ory (-te-tur-rih), a. gezaghehbend. Dexterous (deks'tur-us), a. —ly, ad. handig; be- —orahip, —are (-teet'joer), s. dictatorachap. ti•even; knap. —nese, a. handigheid; bedrevenheid. Diction (dik'ajun), a. attil, voordracht. —ary, e. Dextral (deks'trel), a. reehter, woordenboek. Hey (doe), a. .fley. Didactic (di-dertik), —al, a. —ally, ad. onder. Diabetes (daj-e-bi'tiez), s. urine-vloed. wijzend, leerend. Diabolic (daj-e-boilk), —al, a. —ally, ad, dui- veloch; duivelaehtig. —ainess, a. duivelachtigkeid. Didapper (did'ep-pur), a. duiker (watervogel). Didder (dididur), v. n. huiveren van koude. Diaconal ,daj-ek'un-nell, a. diakonaat. Diddle (did'd1), v. n. waggelen; beuzelen. Diacousties(daj-e-kauOtiks), s. geluidkunde. Diacritic (daj,-krit'ik), —al, a.,door een teeken Diduction (daj-duk'sjun), a vaneenacheuring. ondersebeidea. Die (daj), e. dobbelateen; muntstempel. —, v. n. Moden ► (dare•dem), a. kroon, diadeem. —ed sterven; bezw(jmen; vergaan; yerschalen. Diet (darit)., a. eptis; leefregel; rijkadag. —,, v. a. (-demd), a. gekroond. Diaeresis (daj-er'i-is), a. deelteeken, trams. 1 voeden, een' leefregel voorechrbven aan; v. a. op Diagnostic idsj-eg•nos'tik), a. ziektekenmerhond. (beet leven. —drink, drankje. —ary, a. tot het ditet behoorend; a. leefregel. —er, a. dieet—, s. ziektekenteeken. voorschrtj ver. —etic, —etical, a. (-tet'ik-), het dihet Viagonall (daj-eg'un-nel), a. overhoeksch. —, 8. ffe nddip. fur). ete rer( Dbiff hoeklijn; diagonaal. ow a. vera. n. verschill en. —e, Hiagrns a (daj'e-grem), a. meetkunstige liguur. achil, onderaaheld; v. a. doen verschillen,—ent, Dial idaj'ell, o. zonnewijzer. —plate, wijzerplaat. a, —ent1,11, ad, verachill end, onderscheiden.—ential —wheel, zonnewiSzerrad. —log, s. zonnewijzer- 1-en'sjell, a. —method, differentiftal-rekening. kunde. —ist, a. zonnewijzermaker. Dialect (Iltj'e-lekt), a. tongval; stijl. —ie, —ie.', Difficult (drit-kult), a. —ly, ad. moetelijk, bezwaarlijk. 4 —ed, a. in verlegenheid gebracht. —y, e. —ically, ad. (-lek'tik-1, redekun stig, logisch. a. moeielijkheid; swarigheid. —ice ( lek'tiks), a. redekunst. Dialog ist (daj-erud-zjtst), a. bouder look: sebrij- minden ce (dirfl-dens),.. mistrouwen; schroom. ver) van eamentpraken.—istic,—istical, a. —iota- —t, a. —tly, ad. mistrouwend; schroomvallig. cally, ad. (-zjist'ik-), a. in den vorm van semen- Difiluen ce (difiloe-ens), —cy, a. uiteenvioeiing. spraken. —ice (-zjajz), v. n. eene samenspraak —t, a. utteenvloetend. Difform (dirforml. a. ongelijkvormig; onregelhouden. matig- —i-ty (-form'it-tih), a. ongelijkvormigheid, Dialogue (daye-log), a. samenspraak. onregelmatigheid. Inmate ter (daj-ern'i-tur), s. middellijn. —tricot, DMus e (dif-fjoes'), a. —ely, ad. verspreid, wijdad. (dad-e-met'rik-), a. middellijnig, —trically, a. lijnrecht. loopig. —ive, a. —ively, ad. (-fjoesiv.), verbreiDiamond (daj'e-mund), a. diamant; ruiten (in deed; uitgeatrekt; verspreid; uitvoerig. —ivenese, a. uttgeatrektheid; wijdloopigheid. 't kaartspel); mart in 't blazoen). —cutter, dia- Diffue e (dif-fjoez'), v. a. uitgieten, nitatorten; mantslijper. —letter, kleine drukletter. verspreiden. —edly, ad. verapreid; wijdloopig. Diapason idaj-e-pee'zn), s. octaaf. —edness, a. verspreidheid; wijdloopigheid. —er, Diaper (dsre-pur), B. gebloernd linnen; servet- a. verapreider, verbretder. —able, a. verspreid. goed, —, v. a. met bloernen bewerken. bear. —ion (-zjun), a. verapreiding; uitvoerigheid. Inapt)... is (daj-e•fen'ik), —sue (-ere- nus), a. Dig (dig) [dug], a. a. graven; omapitten. (dews) doorschijnend. ondermijnen. (out) uitgraven. (up) opdelven. Diaphoretic (daj-e-fo-reVik), a. ,zweetvenvek- (through) doorgraven. —, v. n. graven, delven. kend. Digest (dardzjest), a. (de) pandecten; wetboek. (dare-frem), a. middelrif. Iliac Digest (di-dsjesti, v. a. verduwen, verteren; Marisa (dsre-rist), o. dagboekhoadei. in orde schikken; doen etteren; v. n. etteren. IDiairrhttea (daj-er-rl'e), a. buikloop. Diary (dare rih), o. dagboek. Ofastolle (daj-ea'to-lik a. uitzetting; verlenging. IliatrIbe (dare-tr9jb), s. uitweiding; bijtende broordeeltng,
Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...

Wat is een Blockchain databank


a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
Sebacions (se-bee'sjust, a, talk-. Secant (ei(kent), a. snijdend. —, a. ani,j11jM. Secede (se-Bird"), v. n. sich terugtrekken, — afechfecien from). — r, a. afeeseheidene. Severn (se-torn';, v. a. atscheiden. — meat, • s. afacheiding; afecheidend naiddel. Seceeelon lee-eeerun), a, afecheiding; scheuring; verwijdering. Seca. de (se-deed'), v. a. afzonderen; uitelutten. — Ilion (-k loe'zjun), s. afzondering; Second (seleund), a. tweede; ander; geringer, u bet audere jaar, — hand, haltevery — year, urn aleten; Mt de tweede band. — rnorning,1Whte rouw. —rate. van den tweeden rang. —sight,
vessel, ship. den - insktas, to frustrate, to foil. op effen riist, to be without debts. -41.4. -sick, bottom-piece. -trekker, turiel. -en, ov. w. to bottotit. v. bottootry; -brief, letter of bottocnry. -toot, bv. bottomless. Roden, my. domestics, servants. -brood, -loos, wages, hire; messenger's fee. -kaiser, servant's hall; beadle's room. Bodoschap, o. office (functions) of a messenger, - of k beadle. Bodin, Y. (female) messenger. Hoe, tow. whew! Ajj yeti - nods ba, he didn't say a word. -man, bug-bear. Heeded, m. estate, property, possession; inheritance; hoasehold-gcods, lumber. -besorgsr, aschild. Bloo, Moo d, by. & bw. bashful (-1y), timid signee, admtnIetrator. -besorgster, sdministra(-1y1 timorous (-1y), coy (-1y) --chard, m. cow- l•ix. -beschrOving, inventory.-houder,-koadster, be (she) that remains possessor of the estate after ard. -Aortic, by. & bw. faint-hearted (-ly). -hartigkeid, v. faint-heartedness. -heid, v. his wife 's (her husband' s) death. -hubs, house of public sales. -banter. desolate -boner, office bashfulness, timorousness, coyness. Moot, by. naked, bare; mere. *set -e voeten, of the COMIllitiii0111.113 for bankruptcies. -Wet. bare foot, bare-footed. ender den -ea Hemel, in inventory. -redder, -selseider, executor, adminthe open air. -leggen, to lay open, to propose. istrator. -redding, -seheiding, liquidation, division of an estate. -state-, to be exposed (to). -skill., to expose (to). -sidling, exposure. -shvgfds, bare-headed. Beef, m, knave, rogue, villain, convict. -aelstig, -sch, br. & bw. knavish (-Iy), roguish ( 4 1y). bare-foot. -, w. merely, barely, -aehtigiseid, v. knaviehneas, knavery, villiaey. only. -en, ov. w. to clear; to tires., to strip of the wool, to pluck off the wool from. -tool, Bteeg, m. bow, prow. over den - mien, to keep the coarse; to go on the old rate, to continue in fell-wool, carrion-wool. -er, m. skin-dresser. one's old path. het over ten anderen wendyn,to -held, v. nakedness, baseness. Bios, an. blush. tack about; to turn over a new leaf, to sing anBlots w el, m. brake. -en, ov.w.to brake,to dress. other tune. bet over all. -en menden, to try every Bion ass, on. w. to blush; doss -, to put to thing, to leave no cone unturned. iesstsnddwars the blush. -end, by. blushing; blushy, rosy. vow. den - bosses, to cross to thwart) a. o. op den -ing, v. blushing. -, all at once. -tinker. bow-anchor, streamBlur, nt, brag. - oilcan, to make display, to anchor. -bandes, breast-hooks. -bruises, to go boast, to brag. -fen, on. w to boast, to brag near the wind, to tack about. -lam, shoulderehotten, splayed. -legger, vessel in turn. -Wit, inset, of. of). for, in. braggart. -ferij, v. braggardlem. bow-line. -slag, tacking about. -.4Priei, bowMunch mereedschap, o. utensils for quenchsprit. -eprietstag, bob•stay. -stnk, bow-piece; ing a fire. -midde/, means to quench. -toestel, gun on the forecastle. -en, on. w. to steer the engine (apparatus) for quenching. -vat, vessel course. -seerlOn, v. halter, -scores, ov. w. to tow, to take in tow. to quench. litoeschen. ov. w. to quench, to extinguish; Noel, v. buoy, shackle, fetter. -bora, side-plank. to slack (Lek), to gratify. -er, in. quencher. -plank, gunwale-board. -reep, buoy-rope. -en -ing, v. quenching. ov. w. to fetter, to chefs; to captivate, 4o fasBlots, be. hard up, out of cash. -, v. bruise, cinate; to plank. Aooggeboeid &sip, deep -waisted contusion. -snorts, purples, spotted fever. -en, ship. -end, by. capti•ating, fascinating, -er„ ov. w. to bruise. m. yacht, pleasure-boat. -set, o. upper plankHobbit!, an. bubble; bump, pimple. -en, on. w. ing. to bubble. -tg, by. with buboles, - bumps. Boek. o. book; quire. is - stellen, to set ,to write) down, to record. to staan roar, to pass -kg, v. bubbling. Boitstjn, v. bobbin, spool. -en, ov. vr. to wind for, tibia - opendoen, to divulge one 's own se on a bobbin, to spool. crets. *tine -en besweren, to take an oath upon hunch, hunch back. -aar, hump, The truth of one 's accounts. -band, binding. Bochel, m. -beoordeelaar,oritie.-teoordieling,-beschouning, m. --amulet, v. hump-back; plodder. -en, ev. w. to plot. critic. -beelatl, clasps. -blades, book-bindBocht, o. trash, stuff, scum, refuse. -, v. brut, ing; bookbinder's trade. -binder, bookbinder; turning, winding, coil; bay, gulf. voor -slcnecht, journeyman-bookbinder; -aeltiet.. bookbinder's paste; -sploep, plough; knife. -bisder(ii in de - springen, to take (to embrace) a. o. 's bookbinding; bookbinder' shop. -sdeelooltime. cause. -ig,, by. crooked, sinuous. -igheid, v. -drukken, printing. -drubber, printer; --ejongen, crookedness, sinuosity. printer's devil; -.0knecht, journeyman-printer. Hod, o offer. bidding. Bode, on & v. messenger, beadle, apparitor; -drukkerii, printing-office. -drisakunst, art of agent's man, roaster. printing, typography. -gesekenk present of a book. -Handel, book-trade. -handelaar, in. bottom; ground, soil, territory,
E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid.
Motto (saot'to), a. motto zinspreuk. Mortar (moeter), a. mortier,vijzel, mortel. Mortgage (mor'gidzj) - a, kusting, verbena, by- Mould (troold'), a. slot; aseale; schimmel; vorm, mei. —candle, gegoten kaara. —warp, mot. —, potheek. —, v. a. verpanden. —e (-ge-dzjie'), P. v. a. vormen, mallen; v. n. bescbimmelen. —able, hypotheelc-honder. —r, s, verpanden, hypotheeka. vormbaar. —er, a. vormer. —er, v. a. vernemer. Mortis' crone mur-tif'ur-us), a. docdelijk, Ter- brokkelen; v. n. vermolmen. —iness (-i-ness), a. beschirnmeldheid. —ing, a. hollijst; —plane, derfelijk. —ication (mor-tif-i-kee'sjun), a. dooding; greet-, kraalschaaf. —y, a. beschimmeid. kastijd7ing; grievende vernedering; hartzeer ; Moult/let (mool'i-net), a. kruisrad, draadkruis; koudvuar. draaiboom. Moral led (morli-faj-id), a. vernederd, gekweld. Moult (moolt"(. a. ruling. —, v. ruien; verharen. —ier, a. die zijne hartstochten doodt. —y (-faj), v. a. dooden, kastijden; vernederen; krenken; —er, a. ruiende vogel; verharend dier. v. n. murw worden; het koud vane krijgen; Mounch (aaaauntaj), v. a. opachranaen. Mound (maaund), a. wal, dam, verschansing zich kaatijden. v. a. verschansen. Mortise (moritis), P. gat, tapgat. v. a. een Mount (maaunt), a. berg; aardhoogte. —, v. a. gat (tapgat) Timken in; invcegen. bestljgen, heklimmen; versieren, monteeren. Niort main (mort'nueen), a. doode hand, once, — guard, op wacht trekken. she —8 twenty guns, vleemdbear goed. —pry (-pee), a. achteratallige bet achip voert twintig stukten. —, v. u. stij• betaling. gen, klimmen. —able, a. beklimbaar. Mortress (mor'tress), a. ragout, hoendersoep; Mountain (maaun'tin), a. berg. —antelope, blippoespas. Mortuary (mor'tjoe-e-rih), a. lijk-, begrafenis-, grit. —ash, sorbenboom. —arena, bergaujelier. —balm, bergmunt. —bleu, bergblauw. —cat , —, a. begraafplaata; legaat tot een vroom duel. loath, lynx. —cock, berghaan. —cork, (soort van) Mosaic (mo-zee'lk). a. mozaIk, ingelegd werk. ateeovlaa. —crystal, bergkristal. —damson, (snort —, —al, a. ingelegd; mozaIsch. van) bitterhouthoom. —egg, ber g ei. —green, bergMoslem (rnoe'lim), a. muzelmansch. s. Muroen. —heath, steenbreker. —laser-wort, bergzelrnan. omijn. —linnet, gemeene vlaavink. —man, bergMosque (monk), a. naoskee. man. —paper, zie —cork. —pass, bergpas. —pine, Mosquito linus-ki'co), a. mushiet. bergden. —rose, alpenroos.—soap, bergzeep.—wine, Moss (MOSS', a. mos; rnneras. —campion, madebereost. —eer (-ier'), a. bergbewoner; atruikMalaga-wijn. —clad, —grown, tiefje, rearia-roosje. roover. —owl, a. bergaehtig. —ousness, a. bergach—rose, mosroos. —rush, moerasbies. —trooper, struikroover. —, v. a. met mos bedekken. —rims tigheid. (-si-news), a. bemoatheid. —y, a. bemost, moasig. Mountebank (maaun'te-benk), a. kwakzalver. —, v. a. bedotten, bedriegen. Moat (moos0, a. incest. —, ad. meest, men —, s. meest, hoogst. at the —, ten hoogate. for the Mount eel (maaant'id), a. opgeateicen;uitgerust, gewapend; gemonteerd. —er, a. bestijger; bank— part, meesteneleels. —ly, ad. meestat, meetheader. —ing, a. opstijging; uitrusting; het montendeels. teeren. (mos'tilr), a. Zie Mauistlek. Mourn (mcorn'), v. a. betreuran; v. n. treuren; Mote ;moot), a. stofje, ziertje; splinter, •ouwen, (at. for. orer).—er,a. treurder; rouwdraMotet (mo-tet"), a. motet. Moth (moth'), s. mot. —eaten, door de mot ver- ger. —ful, a. —fully, ad. treurig, droevip,—jaitness, teerd. mottenkruid. —wort, St. Jan's a. treurigheid. Mourning (moorn'ieng), a. rouw; rouwgewaad. kruid, irfjvoet. —y, a. vol motten. Mother (muth'ur), a. moeder; moat-, drab. — of first (deep) —, aware rouw. second (half)—, Hate pearl, parelmeer. — of thyme, wilds thym. —. A. rouw. —crape,rouwftoers. —suit, rouwkleeding. (inaua'),eamnis.—bat,vledermuis.—buttock, mot—church, Mouse moeder-, moederlijk; natuurlijk. staartatuk. —color, grijs. —dung, muizenkeutela. derkerk. —clove, motrnagcl. —country, moederland. —fits, mosderkwaal. —in-law, schoon-, —ear, muizenoor. —hawk,muievalk. --hole, muizengat. —hint, muizenjacht; -anger. —tail, mutstiefmoeder. —lobster, groete zeekreeft. —spot, woedervlek. —tongue, meedertaal. —wit, gezond , zenetaart. —trap, muizenval. Mouse (maux'). v. a. verseheuren; sjorren; v. n. verstand. moederkruid. muizen; slim zijn. — r, P. meizenvanger, muiskat. Mother (muth'ur), v. a. ala kind aantemen ; v. n. bezinken; stremmen. —hood, a. murder- Mouth (mouth'), a, mond, mail, bek; monding; Ingang. by word of —, monaeling.from bast/to—, sehap. —less, A. rnoederloos. —like, a. moedervan de hand in de tan d. de=an in the —, neerslachaehtig. —ly, a, & ad. moederlijk. —y, a. drabbig, tig. to make — s, een scheef geziebt trekken. —extroebel. penses, host-, tafelgeld. —friend, sabijnvriend, Mothy (moth'ih), a. vol motten. -vriendin. —ful, a. mondvol. —glue, mondlijm. Motion (mo'sjun), a. beweging; voorstel, matte. —honor, geveinsd eerbetonn. —made, a. met den —, v. a. & n. voorstellen. —er, s. voorsteller mond. —picae, mondotuk; woordvoerder. —less, a. onbewrgelijk. Mouth (n2auth'), v. a. met den mond vatten; haubewegend. —e, a. hew ea. A. Moth' a Inao'tiv), 1 wen; uitbulken; uitacheltlen; v. n. schreauwen, reden. —ity (-tiv"it-tih), s. beweegkracht. laid mpreken. —ed,a.veqz can' mond voorzien. —er, Moti.ay (mot'lib), a. boat, gesehakeerd. s. eehreeuwer. Motor (nto'tur), a, beweger; drgfrad. —y, a. beMot' able (moerlb1), A. beweegbaar. —ableness, wegend, aandrijvand,
CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.

Grecian (grie'ejen), a. Griekecht 1, Griek. Greece (grAer),g. Griekenland. Greek (crick), a grieksch; i. Grtek. Green land (griennend), g. Greenland. —Lander, t. Greenlander. --oak (-uk), g. Greenock. —Leitch (-it,)), g. Greenwich. Gregor Ian (gre-go'ri en), A. Gregorlaansch. —y (grrg'ar-lh), m Gregoor, Jordan. Grenada (gre.na'del, g. Grenada. Grey (gree), m. Grey. Grtir (Vitr). —Oh (-ith), M. Ruffin's. Grisone (gri"zuns,-noon'), g. the —, Grauwbunderiand; 1. de Grauwbunders. Grosvenor (gra'vn-ur), g. Grosvenor. Guatemala (gwa-te-rnele), g. Guatemala. Guelders Igei'darz), g. Gelderland; Gelder, Guelph (go el f), m. & h. Guelf. Guernsey (gurn'elh), h. Guernsey. Guiana (gi-a'ne), g. Gcyena. Guido (gwi'de), in. Guido. g. Guildhall. Gnaltdb all Guinea ((gin'le), g. Guinea. Gulliver gurli-vur),m. Gulliver. Gustavus (gun - tes'aus), m. Gaetavut. Guy (gen, f. roar Guido; Gay, Velt.
be. & bw. easy (-11y) ; comfortable (-bly), coinmodious (-Iy). —keiejkheid, v. easiness, facility ; comfortableriese, commodioutiness, —shelve, by. for easiness' sake. tetanal, o. foolery, apart, fun. Geanalin , v. consort, lady, spouse. lioneangel, o. mangling. G oroarsterd, hv.. mannerly, well-bred. —held, v. mannerliness, good breeding. Gentling o. tarrying, lingering. Go mantel. o. tormenting, torturing. Gemarkond, be, masked, covered. — bal, masquerade. Gentestigd„ bv. & he, moderate (-Iy), temperate ( ly). —held, v. moderation, temperance. Genenuesv, o. mewing. Gember, v ginger. emaress, by. & bey. common:(-1y), ordinary (-Hy), usual (-ly); vulgar (Ay). low (-ly), mean (-1y). hebben met, to have -- soidaat, private sotdier. in common with. —, o. vulgar, mob, populace, —making, publishing. —plaate, common-place. —elachtig, common, —matt tribune. Genseettelbost, o. republic, commonwealth. —pesinde, republican. G onesonitile, bw. commonly, usually. Gentrensetbap, v. c :immunity, relation, connection ; intercourse, communication ; society. .--pelkik, by. common, joint; bw. in common, jointly. Goenotente, v. commonalty, community; commune, parieh, church; congregation. Ws der —n, horse of Commons. —besteur,, municipality. —grond, commune, parish ground. —keit, common-hall. cherges of a commune. —lid., member of a community. —road, common-council. —recht, right of common, privilege of the pariah, —school, parish-school. —welds, common. —wet, law regulating the management of the affairs of a commune. Gentrenzaane. be. & bw. familiar (-ly), intimate (-1y). —held, v. familiarity, intimacy. Gemmed, be. mentioned, said. Goneeifik, by. & bw. cross (-1y), peevish (-ly), morose (-1y). —held, v. croseress, peevishness, moroseness. le omorkt, v. w. whereas, since, seeing that, in consideration of, (acme*, O. acre, Gentetsel, o. building. Geneiddold, by. average. — genomen, upon an average. GexnUenter, o. revery, doting, dotage. tionsijteerd, bv. mitred. Genets, o. want, absence (ran. of). Gowned, o. mind, conscience. en —e, in conscience. — saandoening, —sbetoeging, emotion, —saard, —egoteldheid, disposition, temper, turn of mind.,—eruct, tranquillity of mind. —satemming, dispotsition,frame of mind. —el(jk, by. & bw. conscientious (-ly). —elOkheid, v. conecientioustess. Genuseederan„ o. mv. minds, hearts, opinions. Gerneeedlie, be, meek, snit; supple. G ennont (to), be, — gams, to go to meet. — tomes, to inset ; to indulge; to assist. — Toms, to object, xien, to expect.
(hee'tritl), s, heat (oi. to). iiritter (lieVtur), n. hoedenmaker. Flentrberie (hao"burk), s. boretharnas, ad. trotsch, hoognaught y (haoitih), a. hartig, aanmatigend; hoog, verheven. —iness, s. trots, aantnatiging. v. a. & n. hales, )haul (haol), 0. heal, trek. trekker, siepen. —aft, voorhouden, aanhalen. —against the wind, weer aanloeven. —close to bij den wind opsteken. —home, aanthe wind, halen. —taught, stijf hales. (in) aanbrassen. (out) (un) geien; langs den kant zeilen. it nu' itiaorn), s. helm, stern. ihaantsfl, s. heap, eehoft; nehterste. Pitiuut (haant'), a. bezoehte pleats; sehuilhoek. hot. —, v. n. dikwijle bezoeken; verontrusten, kwellen; v. n. rondwaren; spoken. —er, U. druk bezoeker. (ho'boj), s. hobo. alave (hey") [had], v. a. hebben; houden; moeten; wennehen; doen. have a care, pas op, seem u in aeltt. have at you, het geldt u. — at heart, ter harte semen. Halve. (hee'vn), s. haven; vrijplaate. —er, s. havenmeester. (hev'ur)., s. bezitter; haver. —sack, ransel, knanzak. Having thevlenel, a, have, bezitting; gedrag. Havoc], (hev'ulr), s. verwoesting. —, v. a. verwoesten. lituw (loss'), s. erfje; hey; hagedoornbes; dal; heuveltje; nitwas onder het oog; gehakkel. kernbijter. —thorn, hagedoorn. —, v. n. hakkelen, stamelen, hanyek (hash') a. havik; gerochel. —eyed, met volkenoogen. —nosed, met een'hmviksneue. —owl, valkuil. —weed, havikakruid. —, v. a. rondventen; v. rt. met valken jagen; rochelen. —ed, hockig, krombekkig. —er, s. rondventer, marskramer; vaikenier. —ing, s. valkenjacht. 11114W.01 . (haOS'tkr)‘ a. kluis, boegseerlijn. (Any (boo'), a. hoof. —cock, hooiopper. —harvest, —time, hooioogst, —tijd. —loft, hooizolder. —maker, master. —making, hooibouw.. —monde, aardveil. —mow, —rick,—stack,hooiberg. —stalk, hooispier. 7.'errz.nerl (hez'ard), a. toeval, wisselvalligheid; kitno; gevear; dobbelspel. —, v. a. wages; v. n. zieh blootstellen, — wagon. —able, a. gewaagd. --er, s. waaghals, speler. —out, a. —ously, ad. gevitarlijk. tenet, (beer " , s navel, mist. Sinzei (hee'z1), s. hazelaer. --earth, bruise aarde. , Taszelhoen . —mould, thin-, pootaarde. —nut, — hazeleoot. —tree, hazelaar. —wort, hazelwortel. --f)i, so. iiehtbruin. (hee'zili), a. nevelig, mietig. lie ()(P), pr. hi); maneetjes-. —cat, hater. —cousin, neer. --goat, bok. —neighbor, buurman. —servant, )(Hecht. Zilend (hod'), s. hoofd; kop ; top, kruin; knop ; liopstuk ; hoofdeneind piiipunt; lemmer (van ,ere bi:11!; galjoen; hoofdpunt; bran, oorsprong; Inerschuitn ; yens( and. over — and ears, tot over Ito ooren. to Give —., ten teugel vieren. to make —, • hootd birder, to take —, eteigeren. — or tail,
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

382 Annvilegen, or. yr. to fly at, to rush upon; on. w. to fly (against). !contest , to fly (to ruehi hither. Annvioelen,on.sv to flow hither; (tegen) to wash. Annvoeg en, ov. w. to join, to annex; coder —, to subjoin. —end° 100, subjunctive mood. —lug, v. jointng, annexation. —sel, o. addition, appendix, supplement. etnnvner, m. arrival, enpoly,importation. —der, m. —ster, v. importer; commander, chief, leader, gui , e. --en, ov. w. to hr:ng hither, to import; to command, to head, to lead (on); to allege, to quote. —ing, v. importation; command, lead; allegation. Aanvrn sg, v. demand, order, application. Annveng vet, or. w. to order; to collcit, to request, to ask for. —er, n. requester. .trerevrlez en , on. w. to freeze to. Annvul ten, or. w. to fill up, to replenish; to eupply, to complete. ---iing, v. fi(lIng (op); completion. —eel, o. complement, supplement. A an -eur en, CY. w. to stimulate, to incite, to in • flame, to excite. —ing ,v. rettenutation a inciternent, excitation. Annwn mien, ov. w. to blow hither; to blow at, — upon; to blow (against!.; on. w. to come unawares; to set intuitively. Annevekker en, ov. w. to animate, to enliven, to cheer up; on. w. to increase„ to grow brisker. —ing, v. animation; increase.; Anne-vas, in. growth, iliCYPANO, accretion. —sett, on.w.to grow (to); to increase, to Augment; to rise. Anowellen, or. w., to weldto. Annwend en, or. w. to employ, to use, to bestow, to apply (to); cites —, to use all one's endeavors. —ing, v. application. Annwen nen, ov. V7. to accustom (to inure) to, —swig, v. accustoming. —eel, o. habit. Annwentelen, ov. w. to roll (against`,; to roll hither. Annwerken,ov.w.to join cl oseonew.towork hard, Annwerpen, ov. w. to throw (against); to throw hither; to slip on. Annwery en, 07. IV. to engage; to levy, to en list, to recruit. —er, tn. recruiter. —ing, v. re. erasing, enlistment. Ann wee en, ov, w. to weave to. Annwex en, o. being, existence, presence. —end, by. exietent; in office; present. —ig, be. meant. —igheid, v. presence. AnnwUseter, v. Zie Annwtjeer. Anyawken en, ov. w. to indicate, to point Oct; to assign; to demonstrate. —end, hr. demonstrative. —er, m. indicator; essignerOnformrr, index. —ing, v. indication, pointing out; aesignatioa; information. Annex I n den, ov. w. to wind hither. — close. Annwin nen, or. w. to gain, to win; on. w. to improve. —et, v. gain, profit; improvement. Annwtp pen, on. w. to totter (against). honsen to approach skipping. Annwitten,ov. w. to white-wash. Annwriav en, or. w. to rub (st. itgainst); to impute to —ing, v. rubbing again,t; imputation. A tanzanden, or. to cans. Annzeg gen, oe. w. to announce, to signify, to notify, to glee notice of; Wen —,to sent. word men toe het hens niet —, he does not look like it.
BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,
Fuse atIon (fus-keeNjun), a. verdonkering. -011,8 (fus')us), a. donker, dof. Fuse (fjoez), v. a. & n. smelten. Fusee (fjoe-ate'), a. kettingspil; Omer (van Rene bom); vuurroer. Fos' bility (fjoe-zi-bil'it-tih), a. emeltbaarlicid. (fjoe'zibl), a. smeltbaar. Fusil (fjoe'zil), a. emeltbear; vloeiend. —ier, a. (-tier'), fueelier. snaphaan. Fusion (fjoe'zjun), a. smelting; gesmoltenheid. Fuss (fuss), a. opechudding, rumoer. Faust (fast), a. schacht (eener null); dun reuk. —, v. n. duf rieken (smaken). Fustian (fust'jen), a. bombazljnen; hoogdravend. --, a. bumbailjn; bombast. Fustic (fuetik), a. geelhoue. Fustiga to (fuett.geet), v. a. afrossen. —tion (-gee'sjun), a. afrossing. Vast mesa (fus'tt-ness), a. duf held; be - chimnteldheid. —y, a. duf riekend; beschimmeld. Foul{ e (fjoe'til), a. beuzelaeht1g. —ity a. beuzelachtigiteid. Futtock (fut'tuk) t s. buikstuk, rib, titter, opbanger. — of the ',dere, oplanger van een battenspoor. —hook, puttinghaak. —line, verticale doorsnede. —plate, mareputting. —shrouds, puttingtouwen. —staff, sprijbout. —timbers, oplangers. Future (fjoeijoer), a. toekomend; a. toekomst. —ition (-risrun), a, toekometige staat. —ity (-tjoe' rit-tih), a. toekomatieheid. Fuzz (fun'), 8. vezeltjes, pluisjes. —, a. n. ultrafelen, veneer* stuiven. —ball, wo1faveest (pleat). 'Puzzle (Neal), v„ a. dronken maker. (Lie to Fuddle)., la. ruw, gepinkt. Fuzzy fnz'aiii). n Fy (faj), i t. foal!
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-
Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.
VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


305 epaatzeamheiti, huishoudelijkbeid. —i/y, ad. —y, Thumb (them'), a. dam. —bend, duleasband. a. voorspoedig; euinig, spaarzeam.—iness(-1-nees), —breldth, dulmsbreedte. —cleat, lieklamp.—latch, blink met ere' drukker. —lock, veerelot. .• suitifichuid. —tees, a. verkwistend. Thrill (thrill), a. drilboor; toehtgat; doordrin- lactate droppel wijn op den nagel; to drink —, gentle loon; trifler. —, v. a. boren, doernoren; op bet del metje af drinken. —.piece, peep. doordringen; v, n. indringen ; rillen, trillen ; —screw, staarteehroef. —stall, dulmeling. tut ten. a. beduimelen, onhandig behandelen; doorbladeren. Thaler }trap') [throve, thriven (tkrIv'n)], v. a. bares, wehig groeien, toenemen; gedkien., rijk Thump (thump'), a. stomp. —, v. a. & n. atomworden, vaorepoed kebben. a. voorspoedig pan, etooten; vallen. —en; a. atomper. groot, pinup. man. —ing, a. voorspoedig. Throat (throat'), a. keel, stmt; ingang; klauw, Thunder (thun'dur), a. donder. —bold, blikeem kale. —band, keelriem. —block, gordineblok flits; banblikeern. —clap, donderslag. —cloud, —broil, groote gel. —buckle, gesp van den keel. onweettiwolk. —shower, denderbui. —stone, donclew. —flap, strotklepje. —halliard, gaffelval. dersteen. —storm, zwaar onweder. —struck, ale —pipe, luebtpij p. —root, watersteenbrelre, -mean- van den donder getrotfen, verplet. —, v. a. do !mild, —seizing, hartbindsel. —wort, halakruid. n. donderen. —er, a. donderaar. a. dondeThrob (throb' ► a. klopping. —, v. n. kloppen. rend; a. bet donderen. Thud hie (thjoe'ribl), a. vrierookvat. —few). —bitty, a. kloaping, hartklopping. Throdden (throd'dn), v. rt. gedijen, waysen, (-rll'ur-us), a. avieeeo!e voorthrengend. —fication (-rif-i-kee'sjun), 8. bewierooking. toenemen. Throe (duo), a. barerninood; doodsanget, dnode- Thursday (thero'dee), a. donderdog. Than (thus), ad. due, Aldus, zoo. v. a. & n. bevig (doen) !lidera. atrijd. Throne (throne), s, troon. —, v. a. op den troon Thwack (chwek), s. slag. —, v. a. clean. Thwart (thwnort'), a. —lie, ad. dwars; hinderplaatsen. s. daft (roethank). —, v. a. doorlijk, Isetig. Throng (throng), a. drab, bedrijvig, —, s. ge- ad. kruieen; dwarshoomen; v. n. strijdig v. a. & n. dringen, (elk,nder) verdrin- drang. Ken; veratoppen. dwars. —skips, ad. dwarsseheeps. —ways, ad. overThrust)! a (throe'i) a. Water; getouw. —ing, a. dwars. —big, a. —inryly, ad. hinderlajk, dwaredrij keelgezwel (btj bet rundviv ► . vend. —tress, a. dwaiebeld. MOO, Thy (thaj), pr. uw, tee e, uwen. Throttle (thrutit1). a. luchtpijp. Thy hue- (thaj'in), a. —wood, cypressenhont. klep. —. v. a. & n. worgen, eteoren, etikken. Theead • (taim'), a. tbijm. —y, a. vol tijrn. Tbrourah (throe" ► , ad. door a door, geheel. a. prp .ioor. —ly, ad. Zia T.norestahly. —out Thyre a (tbues'), a. tuiltje, kroontje. bacchutestaf. (-nut), ad. steeds, overal; prp geheel door. Th ynelf (th+self')„ pr. u zelven, u zelve. Throw (thro"), a. worp, elag; inepanning; wee. Throw (thro') [threw (throe). thrown (throon)], Tiara (ta)-ee're), a. driedubbele !croon. v. a. werpen, emijten; ate,ont- s neder-,tilt-,wee- Tibia (tib'i•e), a. acheenbeen; butt. —1 (-el), a. van hetatcheenbeen; butt-. werpen; twijnen; draaien. —one's self on (upon), zleh verlaten op. (about) in 't road we'll., (away) Tice (tale), le a. —meat, a. Zie to Entice. wegwerpen; vet.• wieten; to erornle richten. (bark) Tick (tilt'), a. burg, eredlet; ti.jk; getik; tee k, terugwerpen, -driiven. (by) verwerpen; ter zijde sehapeluis. —, v. a. do n. tikken, borgen. —en leggen. (down) nederwerpeu; Gra verhaleu; ver- (tik'n ► , --ing, s. beddetijk (stop). woeeten. (in) inbrengen; inlasachen. (off) afwer- Ticket (WOW, a, brietje, lootje, kaartje. — of pen; verwerpen; ultdrtjven, veretooten. (out) nit- leave, verlotpas. —collector, brietesephaler. werpen; nitstooten; verbannen; to verstsan ge- —porter, briefjesrondbrenger. —, v. a. vm2 can yea. (up) opwerpeu; wegwerpen; gpgeven. kaartje voorzien, merken. v. n. werpen; dobbelen. (about) op rniddelen den- Tickl a (tik'kl), v. a. kittelen; v. n. kitteling zinnenstreeler. —er, a. die werper. —ster gevoelen; ken, intddelen beproeven. (-stun), a. twijner. kittelt. •—ing, a. lateling. —ish, a. kittelaebtig; Thrum (thrum'), a. dreun, dreamett, grof garen. netelig; wankelend. —istiness, kittelachtigheld; —cap, wolien mute. --hat, ruige hued. —, v. a. neteligheid; oneekerbeid. & n. knoopen, vleelten, met iranje ornzoomen; 'tad MO, a. zacht, lekker. —bit, lekker beetje. mtg., op deeunen. Tidal (verde!), a. van het getij. apekken; aleeht Thrush (thrusr), n. 'Oster; apruw. Tfele3De (tideil ► , v. a. lietkooeen, troetelen. Tide (tajd'), a. tij, gett); vied; stream; did; or Thrust (thrust), a. stoat, ateek; Rantd. Thrust (thrust') [thrust], v. a. Moot., doyen, loop. —duty, havenge/d. —gate, vioeddeur, slate. steken; doorboren; istoppen. — one's self into, —gauge, peilsehaal. —harbor, binner haven. —'sztch dringen (mengen) in. (away) wegetooten. nian,—waster, tolneambte. —, v. a. met den etroono medevoeren; v. rt. met den stroem medegaan; tb (down) near initiation stooten. (in) inateken; en vloed hebben, vaseen; voorvallen, stooten. Indriiven. (off) wegstooten. (on) aan-, troortdrijvenevooltdutien.(out)uttdrtjven.(through) Tldi ly (tardtl•lih), ad. Zie 'tidy. —seas (•didoorstoken. (upon) wija makes. —, v. n. stooten; neon), a netheld. zioh werpen (at); indringen (ix); (into) zieh. men- Tidings (tardiengt), s. pl. nieuwe., beriekten. gee in; (on) voortdringen. —er, a. *tooter; aan• Tidy (taj'dih), a. net ; gelegen, meet; veering. waiter. a. echortje, kwijliapje; overtret.

LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×