This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.
tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.
tat; dose, latest &SO, vat, ed. o dee. rmly, gereed waken. —by heart, van batten leeten. — the better of, It overhand krijgen op. — you gone, scheer je weg! (abroad) verbreiden. (away) verwijderen. (down) naar benedeu krijgen; inslikken. (from) verkrijgen van. (in into) inbrengen, inkrijgen. (off') wegkrijge.n; uithelpen; lobmaken. (o.) aantrekken. (out, uitkrijgen. (seer) overhalen. (through) doorkrijgen; ten etude brengen. (together) aamenbrengen. (under) bedwingen. (up) omhoog krijgen; doen opstaan; tot stand brengen. —, v. n. geraken; wooden; komen; gaan. — drunk, dronken worden. — into fashion, in zwang komen. — well, beter worden, herstelleu. (above) to boven komen; overtreffen. (abroad) behind warden. (away) itch wegmaken. (bark) terugkomen. (before) voorkornen. (dawn) beneden komen. (in) binnenkornen. (into) geraken in. (off) wegkornen, ontkomp. (on) voortkomen. (out of) komen (geraken) nit. (over) geraken over; overgaan. (through) doorkomen. (to) bereikon. (together) eamenkome ► . (up) near boyen ko,en (pan); opstaan. (up agates) her:Mlle.. Gett er (get'ur). a. voortbrenger; verwervet, verkrijger. a. voortbreuging; verkrijging; winat, verdienste. Gewgaw Igjoe i ga0), a. onbeduidend. ijdel. s. snuisterij, poppengoed, prui. Ghost NI tgaast'foel?, a. —fully, ad. akeilg. —tiaras, 1. afgrijselijkheid; doodsbieekheid. a. spooltachtig, afgrijselijk. Gherkin (guekin), R. agurkje. Ghost (goost') a. geeat; spook. —lines., a. gees telijkheid; spookachtigheid. —ly, a. geestelijk; spookaehtig. s. reus,—ess, Giant (dzjarent). a. reusachtig. a. reuzin. —ism (-izm), s. reuzentijdperk. —like, —ly, a. reusachtig. —ship, a. reusatittigheid; reusschc.p. Glaour (dziaur), a. ongeloovige, bond, (Beheld.naam der Christenen bb de Turken), •1,t, nude kater. Gib (gib'),s. oud, afgeleefd diet. —staff, echippersboora. Gibber (gth'bur), v., u. brahbeltaal pre.ten.—isk, a. bargoensch, onverstaanbaar; s. wartaal, bargoensch. v. a. tan de galg (dzjib'bit), s. galg, hek hten Gib ► oslty (gib-boe'it-tih), a. bolrondheid, buttigheid. Gibbous , gib'bus), a, bolrond; bultig, gebocheld. --ness; a. file Gibbosity. Gib e (dzjajb'), a. hoon,schimp. —e, v. a. hoonee; v. n. schimpen. —er, a. echimper. —ingly, ad. schirnpend, smadelljk. Giblets (dzjib'lits) s. afval (van gevogelte). Giddy (gid'dth), a. Giddily, ad. duizelig; darts), lichtzienig; onbeatendig. —brained, —headed, onbezonuen. —head, —pate, losboofd. dollernan. —paced, waggelend. —, v. a. duizelig makes. lifer., ogle (drjer'iegn, s. gierarend. Gift (gift(), s. putt', gift, geschenk; begattfdb!,id. —, v. a. begiftiken, begaven. —eh, a. begiftigd, begaafd. —edneths, begaafdheid; dweperij. Gig (g 7 g), s. sjees; draaitol; harpoen; scheepsboot; stratttloopster.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

cryptogeld voor beginners


ongevormd. —sakes (-ene'kn), a. niet vemakt, stet verlaten. (-ti-fajd), a. onveraterkt. Unfortunate (un-for'tjoe-net), a. —1y, rd, ongetukkign—nets, a. ongeluk. Unfought (un-faot') a. ongevockten. Unfound (un-feanne) a. niet gevonden. a. ongegrond. Unirst med (un-freemd'), a. ongevormd; sunder Mat. —ternal (-fre-tur'nel), a. onbroederlijk. U frecd I un-fried'), a. onbevrijd. Unfreeze (nn-frter),Y. n. dooten. Unfrequent (un-fri'kwent), a —ly, ad. acidzaem. --ed (-kwent'id), a. onbezocht. Unfriend ed (un-frend'id), a. onbevriend. —linens (-11-neas), a. onvriendeltjkheld. —1y, a. onvrienUnfrozen (un-fro'zn), a. onbevroren. Unfruitful (un-froerfoell, a. —1y, ad. onvruchtbear. —nese, a. onyruchtbaerheld. Unfulfilled (un-toel'illd), a. onvervuld. Unfurl tun-furl'), v. a. uttapreiden, losTr,oien. Unfurnfels (un-far'ntej), v. a. rut., a ontbleoten, berooven. —ed (-niajt), a. el - oorsten, outbloat, onverzorgd; ongemeub ee . d. Ungaged (un-geedzjd'), a. ong ijkt. Ungatn (un-geen'), a. .nk en, lump. —fu:, a. linkschheld, onvoordeelig. —lineei lonspha!d. —ly, a. Z!e Ungain. Ungalled (un.gaold'), a. onbesehedigd, ougs. deerd. Ungar nlizts (nn-gaar'nieJ), v. a. van steraden ontdoen, oqtblooten. —rieoned (-ger'risnd), a. zonder b setting. —tered (-turd), a. fonder Sousebanden. Un7e nernd (un-geth'urd), a. stet verzameld, ingezameld. Ungener rated (un-dzjen'ur-ee-tid), a. ougeboren. —alive (-e-tty), a. onyruchtbaar. —out, a. —oulty, red. onedelmoedig; outdo], Ian. Ungenlal Ittn.dzient-ell, a. stet aangeboren; ongunstig; onvriendeltj k, streng. Urgent eel (un-dzjen-tier ► , a. —eelly„ ad. on wet levend, onbeleotd. —eelneee, s. onwellevend, onbeleefdheld. Ungentle (un-dzjen't1), a. onzacht, ruw; oube leefd. —manlike, —manly. a. onwellevend, onfat toenlijk. —neat, t. onzachthaid, ruwhetd. Ungifted, (un-eift'id ►, a. onbegaafd. Ungli dad (un-gild'id). —t, a. onverguld. UngIrd (un.gurd') [(Yr.], v. a. losgorden. Ungtrt (un-gurr), ongegord, Unglazed (un-gleezd'), a. sander glasen; onverglased. Ungloritled (un-glo'rt-fajd), a. ongeprezen, onyerheelItikt. Ungloved (un-gluvd'), a. fonder handsehoenene Unglue (un-gloe'), v. a. van de lijm:ontdoen, losmakes. —4, a. ovgelikod. Lifland (un-god'), v. a. van de goddeltjkbetd be. rooven. —lily, ad. --/y, a. goddeloos. —linen (-linens), s. goddeloosheid. Ungotten (un-gortn), a. onverkregen; ongeteeld. Unworn, able (un-gneurn-ibl), n. —ably, ad. onitandeltaar, alert is regeeren. —ablate's, a. onhandelbaarhaid, onteW,aarbeld. —ed (-gnu' urnd), a. regeertaglons; toomelooe.

Mutual (mjoa'tjoc el), a. —ly, ad. wederkeerlg; onderling. —sty s. wederkeerigheld. Muzzle (muz'zl), a. snoet, snuit, bek; muilband; trompatuk; opening, mond. —, v. a, muilbanden; v. n. ruiken. anuffelen. —r,s. slag op de bovenlip (in het boksen). Muzzy (muz'zils ► , a. beneveld, verstrootd. My (map, pr. mijn, mijne, mijnen. Mynheer (min-Kier'), s. Hollander. Myo graphy (maj-og're.fib), s. spierbeschrAlving. —logy (-ol'ud•zjih) s. leer der spieren. Myop e (maj'oop), —8 (-ups), e. bijziende. —y (-up-pih), a. bijziendheid. Myriad (rair'i-ed), a. tienduizendtal; groote menigte. Myrmidon (mur'sni- don), a. ruwe vlegel; dwerg. Myropolist (m!-rop'o-list), a, koopman in reukwaren. Myrrh (mur), a. mirre. • Myrtiform (mueti-form), a. mirtvormig. Myrtle (mur'tl), a. mirt. —tree, mirtestruik,
(at) bespotten, beechimpen. -er, a. spotter, beSeen a (siert' ) a. tooneel; seherm ; -shifter, machiniat (in een' schonveburg). -ery sehimper. -ingIg, ad. spottend. (-ur-th). a. vertooning, voorstelling; tooneeltne• Scold asizoold'e. a. helleveeg. -, v. a. bekijven; kijver; bekijate!; schikking van een tooneeletuk; tafereet;' v. n. kijven; (at) bekilven. -er, -ical (men'ik..), a. tooneelH var. -ing, a. gekijf; bekijving. -ing, a, ingly, landachaP• theatraal.ad. kijvend, knorrend. Scettogeoph Ica?. (sen-o-grerikl), a. -ically, 1 Scollop kakollup), a. Zie Scallop. ad. doorzichtkundig. -y (se-noe're-fib), a. door- Scolopendra (akol-o-pen'dre), ta. duizendpoot, keldermot; steenvaren. zleht toads. Scent (sent'), a. reek, geur; spoor. - bottle, rank- Scomber (ekorn'bur), a. makreel. tlesch. -box, reukdoos. - v. a. rotten; met Sconce (akone), s. armkandelaar; vaste plank; geur vervullen. --jut, a. eterk riekend. -less, a. hootd, top; geldboete; shoos, bolwerk. -, v. a. reukeloos. beboeten. Sceptic (eltep'tik), s. tvvijtelaer. -, -al, v.-ally, Scoop (skoep'). a. schopje; echepper, hoosvat; spate!; streek, veeg. -net, achrobnet. -wheel, ad. twijfelzuchtlg. -ism.(-ti-sism),s.twijfelzucht. seheprad. -. v. a. ulthoozen; uitheflen. -et*, a. Sceestre ;sep'tur), a. echepter, rijicestaf. -, v. a. van een' .chept, voorvien. a. den schepter uithoozer; uitholler; kromsnevel, kruisvogel. Scope (skoup), s. oogmerk, doe!; ruimte, pleats: voerend. vrtheid. Schedule (skerjoel, aed'joel), a. ceAl, Wet. Schen.) allot lekierr."e-tint). a. ontwerper. -e, Scope (skopa), a. kleine a. ontwerp, schets, -, v. a. ontwerpen. be Scopulous (skoploe-lue), a. rotaig, klippig. rumen; v. n. plannen maken. -er, a. ontwerper, Scorbutic (skur-bjoe'xik), - at, a. aan acheurbuik iijdend. plannenneaker. Scorch (eltortej), v. a. & n. schroeien, verzengen. Schism (elm), a, scheuring. Schismatic (stz-nret'ilt), s. echeurmaker. --, al, Scordlum (skor'di-um), a. mandericruid. Score (spoor'), a. keep, kerf; streep; rekening; a. scheurmakend. Scholar (skoCer), a. scholier; leerliog; gelcerde, achuld; oorzaak, grond; twintigtal; partituur. -, v. a. met capon opmerken; op rekening zetten; opKeletterde. -ship, a. ge!eerdheid; studentenieven. teekenen; op noten zetten; lout) nitdoen, uttvegen. S choi oat (sko- les'tik), a. act. ool eeleerde. -a/. a. -ally, ad. echoolsch, wean•ijs. Scorl a (sko'ri-e), a. metaalscbuim. -fy (-faj), Scholl not (ekoni.est), a, achrilver van aantee- v. a. in echuim verenderen. -one, a. ischuhnig, keniegen. -astic I-eet'ik), a. verklareod, uttleg- elak!tig. ri.uitlegging,aanteekening. Scorn (akorn') a. minach.1ng, versmading; spot. Bend. -on (-au,. School (akoel'). s. school. -boy, schooljongen. -, v. a. m!nachten, veremaden; hoonen. --er. a. -dame,-in(stress,achoolmeesteres.-day,school- minachter, versmader; spotter. -fat, a. -fatly. deg. --fellow) vehoolm'kker. srhoolmeisje. ad . minachtend.; hoonend. -house, echoolgebouw. -man, schoolgeleerde. Scorpion (ekor'pl-un), a. schorpioen; geese!. -fly. schorpioenvlieg. -grass, sehorpioenkruid, -master, ecnoolmeester. schoolgeld. - piece, versterd vet papier voor verjaarwennaten. muizenoor. -spider, -tick, echorpioenapin. s•thorn, seitorpioenstaart (plant). -'s-tail, -taught, school-, -,v .a.onderwijiem;btstraffen. -wort, schorpioenkruid. - inter a. tict.00! ondererijs; ecboolgeld; bestrafling. Scorzonera (skor-zo-nrrel, a. achoraeneer. Schooner (skoetfur), a. schoener, schooner. Sciatic (s ,, j•et'lk). - at, a. van he hoop; heap-; Scot (shot'), a. beta?ing; echatting. -and lot. echot en lot. -free, schotvri,j; ongeetraft. door neupiicht gekweld. -a (-i-he),s. haupjicht. Scotch (skater), a. keep, kerf. -collops, Science (earene., s. wetenschap; kennis. lapjes. -hoppers, p1. hinkapel. -, v. a. vastestSOetet Clic (. 41-en-tirilo, -at, a. -ally, ad. we- teesc h a ppelejk. ten can wiel); inkepen, leerven. Seoter (eke'tur), a. mane void. Scimitar isim`i-ter), a. alegzwaard, houwer. ScintIlla nt;sin'til-lent),a.vonkeiend..--te(-!set), Scotia (ako'eji el, a. verdieping, grcier, v. a. vonkelen. -t-ion (lee'sjun), a. vonkeling. Scotomy (nkot'um-mih), a. dulzeling. s Sclol lean (sarul - i.m), a. halfgeleerdheid. -iet Scoundrel (skaaun'dril), a. schurkachtig. ( - ist), a. halfgelcerde. -ous, a.halfgeleerd. schurk, Celt. Scour (alcaur'), v. a. schuren, schoonwrijven; Scion (FEW.). a.. entrijs. zuiveren (of); doorkruisen, -vliegen; v. n. eche, Seireh oeity (ekir.roalt, tih), a. kliereerharding. --one (ekterus), a.. verbard. -us (ekterne), a. ran; purgeeren- (about) rondzwerven; (away off) etch wegpakken. -er, s. achourder, reiniger; verharde klier. Sciss el ieta'4),, a. knipsel.aftmgds,31. -ile (-nil), landlooper; purgeertniddel. A. snoowboar, klcotbaar. --ion (siarura), e, spou- Scourge (ekurdr.f), P. goese/.; plaftg; kastijding. --, v. a. geeeelen; kastijden. -r, a. geeeelaar; wing, klooving. -ore ;atz'zerz), p1. schaer; a pair Raatilder. • -, eene achaar. -are (tsiz'joer). a. a,aeur, npleet. ScU,rotic (skle-retlk), a. hard. -tunicle, ho. Scouring (eke te'rieng). a het orhuren; reiniging, zuivering; afgang. -drops, vlekwater. -paper, renvlies. a. verhardend mtddel. echnurpapier. -sand, schuorzand. --tub, retvat. Scoot ('hoot), a, a. vaatzetten (een wiel). Scot.; (skob2), a, pl. acbrapcel, vifleel; meteal- Scoot (about), a. verepieder. spion. -, v. a. tiltjouwen, bespotten; met veraekting verwerpen; v. n. verspieden, verkennen. Scoff' (8tOff'1, 3. spot, heeehimping. -, v. a. &n,

384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)

MEI) —MEI. 531 Medewandelon, on. w. to walk along with, to —schuim, Turkish slay. —spin, sea-spider. —visch, accompany. fish living in lakes. —worts!, sea-holly, --etejin, Medevreek en, on. w. to cooperate, to concur, sea-hog. to contribute. —end, by. cooperative. —or, m. Meerboet, v. mooring-buoy. cooperator, contributor. —kg, v. cooperation, Meerder, be. more, superior. —jarig, of age; — concurrence. warden, to come to age; —verklaring, emancipaMedeivet en, o. privity, consciousness ; condor tion. —jarigheid, majority, full age. —e, m. & v. aijn witkout his knowledge, unknown to better, superior. —en, ov. & on. w. to augment, htm. —mishap, v. privity, joint knowledge. to increase. —held, v. plurality; superiority. —leg, —er, en. one that is privy to a thing, knower, v. increasing. colluder. Meerendeel, o greater part, most part. —4, MedewIllten, on. w. to be willing to go along bw. for the greater (moat) part. with; to prove kind, to favor. Meerle, v. blackbird. Medezenden, ov. w. to bend along with, to *tree peal, m. mooring pile, bollard. —tower, enclose. mooring-rope, headfaet. MedezIngen, ov. & on. w. to sin; with, to join Meee, v. titmouse. voices, to join in a song. Meesmoll en, on. w. to smile, to sneer; to Mediation, by. median, middling. o. middlepout. —er, m. —ater. v. smaller, sneerer. sized paper. —ader, blank vein. —letter, pica. Meast, by. & bw. most ; greates.. —bisdende, —papier, median-paper; (groot) medium, (Mein) highest bidder. —al, bw. moot often, moot times, demy. almost always, mostly, generally. —eedeele, bw. Medlekin, v. medicine, physic. —drank, potion. for the greeter part. —entjids, bw. Pie .fteetat—kW, medicine-chest. —muter, physician. nt. Medletnerren, on. w. to take medicines, to Meeoter, m. master; owner; teacher. ribs -- tin • physic. den, to find one match. etch — make!► van, to MedIseb, be. medicinal, medical. make one 'a self mister of. — worden, to mater, Mee, v. Sic Made. —aloof, garancine-manufac- to get the mastery over, —hand, rooster-hand, tory. —, by. & vs. Pie Made. skilful hand. —kneclit, foreman, bead-journeyman, Meedoogvn d, be, compassionate. —dheid, v. —stuk, meater-piece. —worts!, master-wort —achtig, by. & bw. mnsterly, imperioua (-Iy), magiscompassionateness. —loos, by. pitiless, incom passionate, terial (-Iy). —achtigheid, v. ma:iterlinees; imperiMeegannd, by. compassionate, indulgent. —held, ouenesi, commanding tone. —en,ov, w. to masv. compassionateness. ter, to subdue; to treat; on. w. to cure (to dress) inaekrap, v. madder. wonuds, to play the surgeon. —en, v. mietrees. Meet, o. meal, float. —bale, meal-trough. —bloem, —/(ht, by. & bw. masterly. —1(ikheid, masterHoe., —Zoos, by. masterle s. —schap, v. floor; wild vine. —boom, meal-tree. —buil, bolter. o. master—gevend, farinaceous. --kaik, powder-lime. ship, mastery; freedom. meal-ehest. meal-cake. —kooper, flour- Meet, v. mark, line. ran — arm, from the chandler, meal man. — pap, thick milk, mealbeginning, anew. —bear, by. measurable —hoar • porridge. --eglje, spoon-meat. —slot, meal-dust. held, v. measurableness. m. bill of tun—suiker, powder-sugar. —fon, meal-tub, -cask. nage. —yea, o. metage, m surveyor's —tray, kneading-trough. — worm, mite. --sok, chain. —kunde, —.kunst, v. geometry. —kundig, —kunstig, by. & bw. geometrical (-iy). —kundige, meal-bag. — reef, meal-eive. —achtig, by. mealy, m. & v. geometrician. v. —saver, o. plumbfarinsceoue. line. —loud, o. plummet. —loon, o. money paid Meeloceper, m. Pie Meevaller. for measuring. —roede, v. —stow, m. measuringitf nen en, ov. w. to mean, to think, to believe. to opine ; to intend, to porpose; het good met rod, surveyor's staff. —ster, v. measurer, —tafellje, iemand —, to wish a. o. well. — Ing, v. meaning; o. surveying-board. Meettew, v, mew, gull. opinion; intention, mind. Meepeatee, m. complier, man that has never an Meevalle•, m. —ije, o. tiod-send, windfall. opinion of his own. Macewnrig, kv. & bw. compassionate, tenderMeepich, be. weak, sickly, won. --hed, v. weak- hearted. —heid, v. compaseionateness, compasoion, tender-heartedners. nese, sickiteens , wannees, Meer, be. & bw. more; better (then) niet —, no Mel, m. Bae• May-branch, green bough. —avond, May-eve. — toes, May-flower. —boom. May-pole. more, no longer. te the more rio. den te no much the more. hoe —, the more. hoe longer —baler, May-butte• —4ag, May-day —doom, hoe —.more and more. mat — is, nay, more-over. hawthorn. —drank, May drink. —hoot, wood cut in the month of May. —kers, May-cherry. —hover, —gemeld,—genomnd, above-mentioned. said, aforesaid. — malen, bw. more than once, often, May -hug.— *wand, m onth of May. —merges, Maymorn;ng. —jerk, alay-braneh, — ON. May-time. frequently. —stachtig, heterogeneous, —slacktigheid, heterogeneity. —road, plural. —voudig, Meld, v. girl. !ass; (maid-) servant. —ettkanisr, plural. maid-servants' room. Meer. o. lake. —ual, conger. —kat, baboon, Meter, na. mayor, sheriff; farmer. —0, vimanor; marmoset. —koet, coot, moorhen. —kol, jay, farming- tract, jack-dnw. —krab, sea-srab. —Inas, merman, Melneed, M. perjury. —ig, by perjured, fortriton. -.min, mermaid. —racks, horse-radish. sworn, perfidious; bw. with perjury, perfidiously
(tungd), a. met cane..., tong. -less, a. zonder tong, sprakeloos. Tonic (ton'lk), --at, a. spannend, versterkend, toongevend; van is tonen. s. veraterkend middel; grondtoon. Tonnage (tun'nidzj)., tonnemaat, -last; -geld. Tonsil (f011'811).c keelklier, -amandel. Tons Ile (ton'sil), a. echeerbaar. -or, s. scheerder. -are (-sjoer), s. sobering; toneuur. Tontine (ton-tier'), a. tontine, aangroeiende ltifeente. Tony (to'nih), s,1 urnmel, stoffel. Too (toe), ad. ook, insgelijks; to, site. Tool (4051). s. gereedachap, werktulg. Toc (lost'), a. getoet; geraas. -, v. Et. & n. toe• ten, blaze,. .-er, a. to, ter, blazer. Tooth (loath'), a. land; weak. -and nail, met band en tend. -rche, tandpijn. -brush, landborate. -drawer, k(ezentrekker. -letted, getaud. -pick, -pi,ker, tandenstoker. -powder, tandpoeder. -Rocket, randkaa. -wort, randworrel. -, v. a. van tanden voorzien; utttanden; loan Invatten. -ed, a, getan.1; schecp. -less, A. tandeloos. -some, a. timakelijk. -tomenaas, s. smakelAjkheid. Top (top') a. top; tipjo; bruin; spite; nok; kap; opporvlakte; bovenste, voornaamete; toppunt; oppervlakte; bovenste, voornaamate; toppunt; drijftol; morn. hamming-, bromtol. -armor, marskieed. -block, fttengewindreeps Wok. -boots, pl. koplaarzen. inarsraod. -cap, stengeezelehisofd. -chains, p1. mareputtinga. -cloth, -ful, boordevot. -gallant, vcornaamst, zonder mededinger; -naast„ branasteng; -royal-mast, bovenbramsteug; -sail, bramsel. -hamper, bovenlast. -heavy, topzvraar. -hoop, maraband. -knot, lintstrik lop Pen ks peel). -lantern,-light, marslantaren. -lining, atootlap op een marsmelt. -man, bovenmen (hlj hot zagen); maregast. -mast, steng. -netting, vinkeuetten in de mare. -plates, pl. beslag der maroon. -proud, veer trotsch. -rail, maroleuning. -rim, marsrand. -rope,stengewindreep.-aatt,marszeil,-bowaprit, hJselabitile; -lard, marszeitsro. -soil, bovenste vend. •-aquare, soldatengat. -stay, knikstag. -tackle, gi,jn van den stengewindreep. -timbers, pl. verkeerde °plangent, hangers, spsustutten. Too (top'), v. a. topper, aftoppen, knotten; snotten; overdekken ; van eeue kap voorzte,n; beklirarnen; overtreffen; v. n. Vets verheffen, uitmutat.; beseeches; (upon) overtreffen. Topaz. (to'pez), a. lapses. Tope (loop') v. n. pimpelen, z'iipon. -r, a, pimnelaar, dl ► nkebroer. Toph (to:), a. tufsteen. --aceoue (to-fee'sjus), a. tufsteenaehtlg. -et (ta't1t), a. hal. Towle (top'ilc), s. arderwer. p; genteenplaats; wendig middel. -, -al, a. -ally, ad. plaatee. ltjk, uitwendig. Top lea:, (top'less), a. zondar. top, -most, a, bovenet, hnogst. Topograph er (to-pog're-fur), s plaatsbesehrijver. -ic, -ical, a. -ically, n i. (top-o-grerik-), plaatsbeechrljventi. -y, a. plaatabeselobving. Topping (top'pieng), a. -ly, ad. ultrauntend, overtreffend; her; vO0ruaani.
bring about. —er, m. cheat, deceiver. —lag, T. cheat, decept ion.—je, o. rag; ern coo, het bloeden, a poor shift; er geese onswinden, not to mince the matter. Doel, o. aim, mark, butt, goal. ten — dean can, to be exposed to. —*Elide, purpose. end. —matig, —paesesd, answering the purpose, suitable. —treffend, efficient. —wit, aim ; purpose, view. —en, on. w. (op) to aim at ; to allude to. —en, in. shooting-place. —loos, by. (nerving) to no purpose, unsuitable. —loosheid, v. unsuitableness. Doom eta, ov. w. to doom, to condemn. —enswaardi9, —waardig, by. condemnable, blamable. —cc, m, --ster, v. condemner, judge. —ing, v. condemnation. Doen, ov. & on. w. to do, to make, to perform, to execute, to achieve, to transact; to commit; to put, to place, to set; to pour; to cause in be done, to order, to get; (in) to deal (to trade) in. te — green, to employ for. te — ova, to be feasible (practicable). — alsof, to pretend to, to feign, to make a show of. — tveten, to let know, to send word to, to inform of. het is ass u te you are wanted. te — hebben, to have to do; (met) to meddle with; to be concerned for, to pity. reel to hebten, to be crowded with bueinees; to have a thriving trade. Teat is dear te —? what Is the matter ? dat duet niets ter sake, that is (does) nothing to the ptirpoee.—,o. doing, acting, business. in goeden — sitters, bo be in easy circumstances. van — bobbin, to have ocoesion for. —er,m. doer. —LOA, he. feasible, practicable, pos. ethic. —1(ikheid , v. feasibility, practicableness, possibility. Do:mulct, a1. & v, idler, sluggard, do-nothing. Doezei ear, in. stump. —en, or. w. to stump . Dof, by. faint, smothered; dull, heavy. — m, tuck; knock, buffet; puff. —fen, or. w. to knock, to buffet. —far, m. knocker, buffeter; mile pigeon; rake. —fip„ be. dullish, drowsy, heavy. —figheid, —held, v. faintness, dullnees, heaviness. Dort, v. rower's bench; thwart. Dog, in. mastiff. Doge, in. doge. Flogger, m. cod-fish. —boot, dogger (-boat). Dok, o. dock. droog —, dry dock. drijvend --,.11.olting (wet) dock. —ken, ov. w. to dock, to lay up in a dock; to pay. Dokter, m. doctor, physl elan. —en, on. w. to take physic; to doctor, to play the physician. Doi, m. thowl. —board, gunwale. Doi, by. & bw. mad (-1y), crazy (-1y), furious (-1y), enraged. —driftig, passionate (-Iy), furious (-Iy), rash (1y), headlong. —driftigbeid, passion. Maness, fury, rashnesse—huis, madhouse, bedlam. —hop, mad-cap, hot-brained fellow. —keppig, med- (hot-) brained. —koppigheid, madness, rage. —lekervel. hemlock. —lemon, madman. Doll en, on,. w. to wander, to err, to go eatery; to be mistaken. —end, hr. wandering, erring, errant. —ing, v. erring; error. m. dolphin; dauphin. Doltaeld, v. madness, frenzy, fury. DOM, m. dagger, poniard. —tied', —stoat, stab. Doll on. on. w. to sport, to frolic., to rave, to rant. —igheid, v. madness,.

N T. • IN T. ini.schen, a. tu.chen,chrik Interpola to (in - tur'po - lect., v. a. iniasschinr, regele. —ation onderschuiven. —tion (-lee'mjun), a. sing. onderschuiving. —tor, s. iniasscher, vervalscher. Interlink (•111310), v. a. aaneenschakelen. InterlocatIon (-Io-kee'sjun), s. tusschenplaat- Interpos eel (-potzel)„ s. tusschenkomst, doling. —e (-pooz'), v. a. tusachenstellen; aansing. komen; in de cede Interlocut ion (-10-kjoe'sjun), s. samenspraak; bleden; v. n. turechenbelde vallen. —er, s. bemiddelaar. —it (-poeit), s. tusschenvonnis. —or (-lok'joe-tur), a. medespre• stapelplaats tusschen twee koopvteden. —ition ker. —ory (-lok'joe-tar-rihl, a. bij wijze van sa. (-zisrun), a. tusschenkomst, bemiddeling. menspraak; voorafgaand. Interlope (-loop'), v. n. onderkruipen; smokke- Interpret (in-tur'prit)., v. a. taitleggeti, serial. tot ke n. —a ble, a. vor uitleggingi tl(vertolkng) vnlen; beunhazeu. —r, s. onderkruiper, smakke- ueggingi ver ; bea r. —ation (-tee laar; beunhaas. king. —alive (-teetiv),a.. uitleggend, vertolkend. Interlucent (-ijoe'aent), a. tusschenprhijnend. s. uitlegger, toik. --er, Interlude (in'tur-ljoed), s tusschenspel. (-punk'sjun), s. plaatsing van Interlunar (-1joe'ner), —y, a. tusschen nieuwe Interpunction echei- of zinteelrens. en voile mann. Intermarr lage (-mer'ridzj), s. wederzijdsch Inter regnum (-reg'num), —reign (-reen'), s. tusschenregeering. intwelijk. —y, v. n. over en webr huwen, Intermeddle (-rned'd1), v. n. zich mengeu, zich Interrogat e (in-ter'rug-geet), v. a. ondervragen, vraag; ondervrabemoeien (in, with). —r, s. bemoeial. verhooren. —ion (-gee'sjun), s. Intermedi acy (-mi'di-e-sih), s. tusschenkomst. ging; vraagteeken. —or, s. ondervrager. ive(rog's-tiv), e. vragend vonrnaam—al, —ary, —ate, a. tusschenkomend, . -liggend; Interrogat woord. —ire, a. —iveiy, ad. —ory, a. vragend, tusschen-. —ate (-eet), v. n. tussehenbeide komen. vragenderwijze. —ory, s. ondervraging, verhoor. —ately (-et.), ad. door tusschenkomst. --urn, s. Interrupt (-rupt'), a. afgebroken. — v. a. afbretusechenruimte; mid lei. ken, stores; to de rode vane), —edly (-id-iih), Interment (in-tuement), a. begrafenis. ad. met tusschenpoozen. —ion (-rup'ejun)., a. atIntermention (-men'sjun), v. a. tevens (gelijkbraking; storing; ophouding; tueschenpoos. tUdig) vermelden. Intermigration (-mi-gree'sjun), s. wederzijdsche Interscapular (-skep'joe-ler), a. tusschen tie schouders gel etre!, verhuizing. a. onbegrensd, luterteind (-mud'), v. a. of., doorsnijden. Intertnina ble Interscribe (-skrajb'). v. a. tusschsnin schrtjven. oneindig. --te (-het), a. onbeperkt, grenzenloos. Internee ant (-aiikent), a. doorsnijdend.—t(-sekt'), Intermingle (-ming'g1), v. a. tusschenmengen; v. a. daorsnijden; v. n. elkander snkjden. —tion v. n. zich vermengen. (•sek'sjun), s. doorsnijdingi sniping; snijpunt. Intermiss ion (-misrun), a. tusschenpoos; ver- Intervert (-sW), v. a. invoegen, inlasschen. poozing: staking. —ire (-miseeiv), a. tustschen—ion (-sur'sjun), s. iniassching. poozend. tusschen-, doorIntermit (-DIM, v. a, staken, schorsen; v. n. op- Interspers a (-spurs"), v. a. (-jun), a. tusschea—ion strooien, ondermengen. a. tusschenpcohouden, zich verpoozen. —tent, strothing, ondermenging. zend, efwisselend. —tingly, ad. bij tusschen- Interstellar (-steller), a. tueschen de Merrell poozen. (batten het zonnestelsel) gelegen. Intermix (-miks'), v. a. ondereen meugen; v. n. (in'tnr-stis, in-tuestis), s. tusschenetch cermengen, —ture (-tioez), a. mengsel, men- Intersti cc ruimte. —tial(-stisrei), A. met tusschenruimten. gelmoes. Intertexture (-teket'joer), s. doorvlechten; saIntermundane (-mun'deen), a. zich tusschen menweefsel; verscheidenheid. werelden bevindend. Intermural(-mjoe'rel),a.tuaschen murex' iiggend. Intertropical. (-trop'ikl), a. tusschen de keerkringcn gelegen. Internal (in-toenail, a. —ly, ad. inwendig, in- Inter' twine (-twajn'), —twist (-twist'), v. a. neritjk. dooreenvlechten. International (-nesfun-c1), a. tusschen de volInterval (in'tur-vel), a. tusschenruimte; tunken onderling. schenpoozing. Internecine (in-ter-ni'sojr.), a. doodelijk. v, n. tusschenbeide komen; Internode (in'tur•nood), a. ruimte tusschen twee Internee e voorvallen. —tent (-vrni-ent), a. tusschenkomend. knoopen of geledingen. (-ven'sjun), 8. tusschenkomst, bemiddeling. Internuncio (-nun'shi-o), s. auderhandelaar; Intervert (-vurt'), v. a. omkeeren, ornstooten, pauselijk gezant, internuutius. afwenden. Inierosse al (-osj'el), —one (-osrus), a. tusschen Interview s. samenkomst, mondgesprek. beenderen gelegen. Interpellation (-pel-lee'sj au), s. afbreking; drin- Intervolve (-volvi, v. a. ineen w;kkelen. Interweave (-wiev') [irr.] , v. a. dooreen weven. genie bede; dagvaarding; iziterpellatie. Interworking (-1,vurit'leng), a. samenwerking. Interplead (-plied') v. a. tusschenbepleiteu; tusschen elkander doen heplelten. —er, s. tun- Interwreatbed (-riethd'), a. tot een' brans • achenpleiter; rechterlijke beslissing door middel gevlochten. Intent able (in-tes'tibl), a. onbevoegd tot bet van can tusschenpleit. Interpledge (-pledzfl, v. a. wederkeerig ver- makes van een testament. --(fey (-te-sib), s. overlijden zanier testament. —ate (-tet), panden.


Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
HER —REM. 250 Rehears ri (ri-hurs'el), a. °pegging, repetitie. veralapping; ontspenning. —alive (-e•tiv), a. & a. verslappend. ontepannend (middel). —e, v. a. opzegeen, repeeteren. Relay (re-lee'), a. wis4elpaarden. Height (ri'gl), a. gieur, sponning. Reign (roes), a. reteering; rijk; gezag. —, v. n. Release (re.lies'), a. loslating; ontheffiug, ontslag; kwitantie; overdracht. —, v. a. loelaten; regeeren, heersehen (over). bevrij• foggin Reimburs able (ri-im-burs'ibl), a, terug te outheffec; opgeven, --sent, a. g; betalen. v. a. terugbetalen, vergoeden, ding. r. s. loslater; bevrijder. a. terugbetaling, vergoeding, Relega te (rel'e-geet), v. a. verbannen. — lion dekken. (-gea'ajun), s. verbanning. dekking —er, a. terugbetaler. Brien pression (rt-im-presfun). a, herdruk. Relent (re-lent'), v. a week (vochtig) worden. —less, a. onvermurwbaar, onmeedoogend. —print ( print'), v. a. herdrukken. Rein (reen"), a. teugel. to give the —e, den vrijen Relevan cy (rel'e-ven-sih), a. toapatutelijkheid; teugel laten. —, v. a beteugelen —deer, readier. gewicht. —t, a. toepaseeltjk; gewichtig. Reinforce (ri-in.foors'), v. a. ZIG to Been. Reif able (re-laribl), a. te vertrouwen. —ability (-e-bil'it-tih), —ableness, a. vertrouwbaarheid. force. Reintratlate (ri-in- greegeji-eet), v. a. weder ante, a. y ertrouwen. Relic (r.1, 110„ a. overblUfsel; reliek. —8, pl. stofin gunst brengen. felijk overschot. a. wedttwe. Reins (reenz). pl. nieren; lendenen. nti.sLoutheffing; onder• Reinsert (ri-ln-aurej, v. a. weder i -nlasschen, Relief (re-lief'). s. verlie stand; ontzet; atioesing; verhe 1"..--Aieetd,w_er it; invoegen of pleats.. Reinspire (ri-in-spajr"), v. a. wader bale- verbevenheid• Roller (re•laj'ur), a. vertrouwer. leice ints. stall (ri-in-stoall'1, v. a. weder aanstellen; Henley able (re•liev'ibl), a. vane verlichting (hulp, onderstand) vatbaar. —e, v. a. verliehten, he•aellen (in een ambt), —cent, e. wederaan ontheifen; onderateunen, bidataan; ontzetten, stalling, herstelling. Reinstate (ri-in-steet'), v. a, weder in bezit aftemen, doen uitkomen. —er, a. verlichter; a. relief. heifer; ondersteuner; Omer. atollen. lielnsur once (ri-in•ejoeeens), a. herverzeke- Relight (xi lajt'), v. a. weder aaneteken; weder verlichten. ring. —e, v. a. herverzekeren. Reintegrate (ri-in'te-greet), v. a. herstellen; Rene on (re-lid'zjun), a. godadlenat. —ontern, a. godsdienstzin. —onist, s. femelaar, dweper. in den vroegeren toestand brengen. —ous, a. —Quail/.ad. ongodsdienstig;nauwgeret, iu-vest'), v. a. weder bekleeden. Reinvest Reiter. to (ri-it'ur-eet), v. A. dikwkjleherhalen. atipt. —ousness, a. godadienstigheid. Relinquish (re-liug'kwisj), v. a. verlaten; op. —tion (-ee'sjun), a• herhaiing. Reject (re- dzjekt') v. a. verwerpen; verstooten. geven. —er, a. verlater, opgever. —cent, a. —able., a. verwerpelijk. —ion (-dzjek'sjun), a. verlating, opgeving. Reliquary (rel'i-kwe-rih), a. religolenkas. verwerpieg. proefje; ffiej01. e (re-dzjoje). v. a• verheugen; v. n. Relish (rale)), s. meek; Fokkere beet, zich verhaugen (at. in). —er, a. verheugen. —ing, genoegen; neiging (for. of). —, v, g. smakelijk a. vreugdebedrijf. —ingly, ad. met vreugde. waken; smack (genoegen) vinden in; v, n. goed behagen, be(with; srnaken near; (of) Rejoin (ri-dzojn'), v. a. weder vereenigen; smokes; weder ontmoeten. (re-dzjoin'), v. n. weder vallen, —able, a. r- emakelijk. eutwoorden. —der (re-dejoju'dur;, a. wederant- Reinvent (re-Ijoe'sent), a. bllnkend, doorechijwoord. —t, v. a. weder samenvoegen; in het new'. Reluctant ce (re•Ink'tens), a. tegentin. —t, a. lid zetten; voegen (met kalk). Rejudge (ri dzjudze,, v. a. op nieuw beoor- afkeerig, weeratrevend. —tly, ad. met tegenziu, achoorvoeteud. onderzuekrn. deelen, 11,einven ate (re-dzjoe've-neet), v. a. verjon- Relume (re•ljoem"), v. a. wader aansteken; — verlichten. gen. —escence (-nes'aens), a. verjonging. Rely (re-laj'). v. n. (on. uponj rich verlaten, Rekindle (ri-kin'd1), v. a. weder aaneteken. il1e2and (ri-lend'i, v- a. v,.eder aan land bresgen vertrouwen op. Remain (re-meen'), v. a. Wien; overblijven. v. n. weder Widen. —der (-dur), a. overoehet. —8 (-rneenz'), pl. Relapse (re•leps'), a. teru,vallIng; instortIng; overblijfselen; stoffelijk overechot. terugkeer. —, v. n. weder instorten; weder ver Rensuke (ri-meek'; [M.], v. a. op nieuw mavallen (into, tot), kea. Rent e Ire•leet'), v. a. vezhalen; v. n. (to) be- trekking hehben; verwant zijn. —ed. a. verwant, Remand (re-maand'), v. a. terugzendeu; termroepen. verruaagschapt. —er, s. verhaler. —ion (-lee'ajun), v. a. s. verhaal; betrekking; verwantachap; bloedeer- Remark (re-maark'), a. asnmerking. want; by —, van booren zeggen; —ship, a. ver- aanmerken; opmerken. —able, a. —ably, ad. wantschap. —ive, a. --suety, ad. (rel'a-tie.), be-, merkwaardig; opnoerkelijk. —ablenese, a. merka. aanmerker; opmerker. trekkelijk. — ire (rel'e tiv-)., a, bloedverwant.1 waardigheid. —er, i Remarry (ri-meerlh), v. n. hertrouwen. —ivenese (rel'e a. betrekkelijkheid. herstelbsar. —ill, Relsu (re-leks'), v. a. veralappcn; los makers; Reined labia a. verhelpend, heilzaam. —gess (rem'e-di.), a. venacbten; ontspannen; v. n. slap worden; onherstelbaar. —y (rem'e-dih), a. genees-, hulp(rel-eks-ee'sjun;, s. zich ontspannen. —ation

Heeft XRP gebruiken Blockchain


N1 EA- —NES. lee Member (.1,eal'bur), a, lid, ded; medelid. baatzu..ht. —y, a. Neil, gehtturd ; inhalig ; a. knurling. a. lidmaatschap . Membranaceous (mem -bre-nee'sjus), a. vliezig, Mercer (mur'sur), a. kramer; handelaar in zijdeu en wollen stoffen. —y, s. kramerij; zkjden en vliesachtig. wollen etoffen. Menrbran e (mcm'breen). s. thes. —eous (-bree'Merchandise (muetsjen•dajz),.s.koopmanschep; ni-us), —out (-bre-nus), a. vliezig, vliesachtig. koopwaar. —, v. n. handel druven. Memento (me- men'to), s. herinnering, weak; Merchant (rauetsjent), a. koopman.'—man, !coopgedeukteeken. Memoir (me•moje, mem'wer). s. gedenkschrift; vaardijschip. —able, a. verkoopbaar, gewild. pl. gedenkwaardigheden. —line, R. near koopmansstiji. -a, vertoog; verslag. Memor able (mem'ur-ribl), a. —ably, ad. gedenk- Merci ful (mur'si- foel), a. —fully, ad. barmhartig. —fulness, s. barmhartigheid. —less, a. —lastly, waardig. — antlum (iren'dum), s. vertoog; aanad. onbarnehartig. —lesaness, s. onbermhartigheid. teekening.—book,aanteekenboekje.—ative (-e-tie), a. herinnerend; hertnnerings-, —sal (me-mo'ri-el), Mercurial (mer-eloe'ri-el), a. van (met) kwi' - • zilver; levendig, vlug; aanwtzend. s. levendig a. herinnerend; a. gedenkstuk, -teeken, • schrift; (me mo'ri-el-ht), —ialist mensch; kwikmiddel. —ize (-aja), v. a. met kwik. verslag; verweeschrift. daortrekken, e. echrijver van een gedenkschrift, verzoekschrift of verslag. —ialize a. a. een Itlercury (mur'kjoe-rih), s. Mercurius, bode; kw ik, -.jiver; levendigheid. verzoekschrift (verslag) aenbieden. —ize (-ajz), v. a. opteekenen, in 't geheugen prenten. —y, s. Mercy (mur'sih), a. barmhartigheid, genade; wilgeheugen; herinnering; aandeneen. lekeur. —seat, troon der genade. Mend (murd), e. vail, drek. Men (men), pl, meuschen; mannen. v. a. dreigen, Mere (mier'), a. meer; greets. —, a. —ly, ad. boater, Menace (men'es), s. bedreiging. enkel, bloat, slechts. bedreigen. —r. a. dreiger. Menacle (men'ikl), a. uithouder. ". tig ; ebtedir7e l'elliejk(.m2rnees-st,rtsi 1;Ot a ' crAgi.dh; 'ber,c1 Menage (me-naazj , , —rie. —ry (.na'zje-rih), a. diergaarde, menagerie. gelijkheid. lelenagogue (men'e-gog), s. stondenbevorderend Merganser ( - mer-gen'-zur), a. dulkeend. Merge (murdzj), v. a. indompelen; v. n. verzinken. middel. Men aid (men'ed), —ild, a. bontgevlakt (van rtieridl an (me-rid'i-en), a. van de middaghoogte; midday-; hoogst; s. midday; -him, merldiaan; toprot wil 1). , v. a. verbeteren; verstellen, lappunt. —one/ (-un-e1), a. van de mtddagltjn, zuideMend (inend ► lijk. —ionality (-un-el'It-tit), s. zuidelijke stand, pen. — one's pace, anen tred versnellen. — , middaghoogte. v. n. beter warden. —able, a. verbeterlijk; verstelbaar. —er, s. verbeteraar; versteller, lapper. Merino (me-ri'no), s. merino-schaap; merinos. Mendaci oua (men-dee'sjus). a. leugcnachtig. Merit (mer'it), s. verdiensto. —, v. a. verdienen. —or;ous, a. —oriously, ad. (-i-to'ri-us.), verdien• —ty (-des'it-till), a. leugenachtighei d.. stelijk. —oriouanese (-i-to'ri-us-), a. verdiensteMe ndlc an cy (men'di-ken-sth), s.bede/arij. —ant, a. bedelend, doodarm; a. bedelaar; bedelmonnik. lijkheid. —ate (-beet), v. a. bedelen. —ity (-dis'it-tih), a. Merl tnot (mer'l-tut), s. schommel, Edinger. Merl c (murl'), a. morel. —in, s.steenvalk. —on bedelarij. (-un),.. tinne, plat. Menial (,:ii"ni-el), a. gering, dienstbaar, knechs. dienstbode. Mermaid (muemeed(, s. meermin. —'s-trumpet, telijk. /Meninges (me.niu'dzjiez), p1. hersenvliezen. zeeslak. Merman (murimen),.. meerman. Menlecaeaa (ma.nis'kao), s. holbolle lens. Merri ly (mer'ri - lih), a. aruolijk. — meat, — aces, Mcniver (nlen'i-var), a. zeker siberisch bout. (me-nol'id-zjih), a. maandweizer. s. vreagde, vroolijkheid. Menology M ensal (men'eel), a. de tate' betreffend. —es Merry (reeerih), a. vroolijk, kortewijlig. (ornate zich vroolijk maken. —andrew, heuswerst. (.siez), p1. maandstonden. —n.aking, s. vroolijke partij. —thought, vortvorMenatru al (men'siroe-e1), —out, a. ma indemig borstbeen (van een' vogel). kleine lijkseh; snaand-, —suit, a. de atonden hebbend. mug. a. oplossend middel. nen.ura hie (mens'joe-ribl),a. meetbaar. — bility ratersion (mur'sjun), a. indompeling. (-re-bil'it-tih), e. n.eetbaarheid. —/, a. van (ale) Meseeins (mi-sierne), v. i. nag duskt. eene meat. —te ( - reel), v. a. metro. —tion !-ree , Mesenter lc (mez'en-ter-ik), a. vau het darmvlies. —y, a. darmvlies. O..), F. meting. Mental (men'tel), a. — 1?1. ad. aerstalidelki h. ; inner - Mesh (meaj'), s. meas. —,v. a. vangen, veretrikken. 13,jk, stilzwijgend. —y, a. bettormig. Mention (men'sjun), s. melding. —, v. a. mel- Meslio (meznin), a. & s. Zie Matins, den, vermelden, ge•ag maken van. Mesne (mien), a. tusschenkomend, midden. Mephit in —ical, a. atinkend, ye, Mess (mess'), a. gerecht; poetic; tafel; sehotel; bak; pestend. —is (Mlle), —Um (-neeri tizm), s. mengelmoea; voile boel. —boy, bakajongen.—mate, bakagaat. —, v. n. rah erten. aao den bak e ten. kende uitdempieg. M era el ous (me-ree'ejus),a.helder,klaar;krachtig. Message (mea'aidzj), F. boodschap. Mercantile (mur'ken-til), a. handela-. Messenger (mes'sin.dzjur), a. bode ;kabellaring. ercenvr iness (mur'se-ne•ri nee.), a. v Messiah (moo-s sj'e), s. Measles.


Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.

Wat is cryptogeld en Blockchain


Hut liuleJe, 0. small house, cottage; shell, case; scale (van eene weefitchaal); privy. —acolytes, night-man. —stick, shell-anail. II Wavy/saris, bw. homeward. Minivan, ov. w. to hood, to put a cop on. Heaver en, on. w. to shiver, to be chilly ; to shudder; to ' hesitate. —ig, by. shivering, chilly; hesitating. —igheid, v. chilliness; hesitation. —ing, v. shivering ; shudder ; reluctance. 111117 en, ov. & on. w. to lodge; to live. —ing, v. lodging ; habitation. dwelling. Ilukken, on. w. Zie liul, v. cep. Hulde, v. homage, respect ; fealty. —gift, a Heileman 'a present to his lord. Huldlg en, ov. w. to do homage (to swear allegiance) to to install, to instate; to embrace. —ing, v. homage; investiture ; —toed, oath of allegiance. Hulk, v. hulk, hop. II ull en. or. w. to cover (with a cap), to wrap up; to veil, to disguise; to adorn. —lag, v. covering; veiling, d!sguising; adorning. Hull., v. help, aid, assistance, succor, relief. to — *omen, to assist, to succor. —beloevend, wanting assistance, indigent. —benden, —troepen, suet. arias. —intact, aesietence. —kantdor, auxiliary office. —kerk, chapel of ease. —middel. remedy. onderwiger, assistant s. eacher. —prediker, vicar, (assistant) curate. —raardio, willing (ready) to help, officious. —raardigheid, readiness to help, officioloness. —wrrkwoord, auxiliary verb. iluipeloom, be. helpless. —held, v. helplessness. linlael, o. head-dress, head-gear. .et, m. hol;y. —boom, holly-tree. ilulater, v. tire-woman. Sluice. v. god, cod. Hum, tow. Zie liens. Shin, sow. Tto) them, their. Ilunelbed, o. Celtic monument. Hunker en, on. w. to hanker (after), to long !for). —ing, v. hankering, longing. Hunnent. tea bw. at their house. —halve, bw. on their behalf, for their woke. —wege,tbw. as for them. ran —wege, in their names. on — soil, for their sake. llupisel tsar, —aarster, v. hopper, skipper. en, on, w. to hop, to skip, to frisk. —lag, v. hopping, skipping. Ilupoch, by. & bw. pretty (-11y), smart (4y);
Unea ily (un-ie'zt1-1110, ad. —y, a. ongemakke- Unfailing (un•feeneng), a. onfellbaar, zeker. :ijki ongerugt; gedwongen. —incas ( zi-nees), a. Unfair (un-feet'), a. —ly, ad. ieetijk; onhenach; ongemakkeltjtcheld; betwaar; ongeruatbaid. onbIllijk; onopreeht. —nese, a. onbIlltjkheid; onUnent able (un-let'Ibil, a. oneetbaar. —en (-iet'n), oprechtheid. a. ongegeten. Unfaithful (un- feeth'foel), a. --:y, ad. onstrouw; Unedtf led (un-ed't-fajd), a. ongeaticht. ongeloovig. —nest, a. engetronwheld; ..attlowlig (-faj-ieng), a. onattebtelijk. held. Uneducated tun-edloe•kee-tid), a. zonder op- Unfat lowed (nu-1%1'1°0d', a. enbaplorgd. voeding; onervaren. —sifted (-faol'at-fajd), a. onvervalacht. —tering Unelected (un-ef•fekt'id), a. onuitgevoerd. (-faoPtur-ieng), a, Wet wankelend, weifelend; Unel acted (un-e•lekeld), a. onverkoren. —igible atotterend. (-ei'i-dzjibl), a. onveIkies bear. Uurainitiar (tm-Se-miller), a. niet gemeenzaam; Unem barrassed (on ens-ber'rest), a. °libel' m- onbekend. (-fens-il-jer'it-tth) a. °ligamentmerd; stet verlegen; Met gEwikkeld in. zaamheid; onbekendheid. —p/oyed (-plojd'), a. ongebruikt; werkalooe. Uniashion able (un-fearun-ibll, a. —ably, ad. Unen cumber i(on-en-kum'bur), v. a. ontlaaten. onfataoenlijk; niet volgent de mode. —ableness, a. —datold (-daud'), a. niet begaafd (with). —gaged onfateoenlijkbetd; afwijking van de made. —ed (-geedajd"), a. nits vet bonden, vrij, niet bezig. (-feerund), a. ongefateoeneerd. —gagiag (-gee'dzjleng), a. Islet uitlokkend. — , toyed Unfasten (un-faaa'n), v. a. loamaken. (.clajojd'), a. ongenoten. —urged (-1aardzjd"). a. Unfathoin able (un-feth'um-ibl), a —ably, ad. onsergroot, —lightened (-lajt'ind), a. maser- or.peilbaar; ondoorgrondelkik. —ad (-feth'umd), —slaved (-steevd'), a. onafhankelijk, vrij. a ongepetld; ondoorgrond. —terAaining (-tur-teen'teng), a. niet onderhou- Unfatigued (un-fe-tfegd'), a. onvermoetd. houdend, very elend. — tAralled (-thraold'). a. Unfavor able (un-fee'vur-ibt), a. —ably,ad. onniet ono, 't juk gebraoht. —lambed (.toenvd'), a. gunattg ( for do). —ablenees, a. ongunotigheid. —ed onbegraven. —vied (-en'otd), a. onbantd. (-surd), a. onbegunatigd. U largo able (utt telovibl), a. ongelijk; ongeltik- Unfea red (on nerd'), a. ongemead. —Bible vormig. —al, a, —ally, ad. (-kwel.), ongelijk; aibt), a. ondoenlijk. —thered (-fetienrd), a. onpartijdig; (to) ouberekend voor. —ailed (-kwetd), gevederd. a. ongeevenaard. —alneas (-kwel-), a. on gelijkheid. United 1nn-fece ►, a. ongevoed, ongevocderd. Unequivccni (un-e-kwiv'o.kell, a. —1y, ad. on- Unfeeling (un-ttelleng), a. —ly, ad. ongevoelig. dub belzinnig, duideltk. —mess, a. ongevoellgiteid. Unerring (an-er'rleng), a. —1y, ad. onfeilbaar, Unfeigned (un.feend'). a. —ly (-feen'id.), ed. onether. geveined. —nese (-feen'id-), a. ongevelnadhetd. Uneasentlal (un-ea-sen'ajel), a. Diet wezenitjk. Unfellowed (un-fti'lood), a. ongepaard, niet Uneatablished (un-ea-tebniolt), a. ongeveattgd; bij elkander paaneud. stet vaetgesteld. Unfelt (un-felt'), a. ongxvoeld. Uneven (an-ie'vn), a. —ly, ad. uneven, oneffen, Unfenced (un-fenstl, a. onombeind, onbesebut. ongetijk. —nest a. oneffenheid, ongelijkheid. Unfermented (un-fur-ment'id), a. ongegtat. ' Unexam load (un-egz-em'ind), a. niet onder- Unfetter (un.fet'tur), v. a. (van boeien) bevrilden. anent. —pled (• ern' old), a. onvoorbeeldig. Unti Hal (un-fille1), a. onkinderlijk. Unexceptioneg ble(nn-eke-sep'sjan.ibl),a.-61y, Unfilled (an-fild'), a. ongesuld; onbezet. tip. onverwerpeltk„ onberlopelijk. Unfinished (un-fin'tgjt). a. onvoltoold. Unex cited (un-eki-aajzd'), a. vrij van ae- Unfit (un-fit'), a. —/y. ad. ongeachikt; ongepaat, CiOns. —eauted 1-ektee-kjoe.tid), a. onuitgevoerd. I for. —, v. a. ongesehlkt makes. —nese, a, on• —ercised (-eki.'ar-sajad), a. ongeoefend. —cried gtn.ehiktheid (for). —ting,a. onbetame (-egz-urt'id), a. ongebruikt; werkeloos. —haksted Unfit (un-flks'), v. a. loemaken; vioeibaer ma( - eAz-baabt'id), a. onuttgeput. —Went (-egz -tat% ken —ed (-11Letn, a. los; onbeatendig; onbepaatd; eat', a. niet boataand. —panded (.pend'(d), a. bealultelooe. —ednera (-1,1-), a. 'Wield; onbenlet nitgespreld. atendigheid; bealuttelooeheid. UnCALpeci.d (un.ekg.pekt,',A), a. —1y, ad. onver- Unfledged (un-fIedzjd'), a. nog niet vinge, kaal; wacht. —seas, a. onset. waehthetd. jong, onervaren. onafgerioht (van jachtUnex pensive (on-eka-peng'iv), a. niet verkwls• Unfleshed (a n-fleajn, tend; onkoatbaar. —persenced (-prri•enet), a. on- honden. ervaren. —pert, a. —pertly, ad. (-purt%), onbe- Unfolled (un-fojld'), a. niet tileurge•teld; ohbedrev'en. —pired (-pajrd'), a. niet versehenen. dwongen; onverzwakt. —pfainatfeepteenabikconverklaarblar.—plained Unfold (un-foold'), v. a. ontvouwen, ontploolen, (-pleend'), a. onverklaard. --plored (-ploord , ), a. ninspreiden; blootleggen, onthulten, verklaren. ondoorzcoht. —posed (.poozd'), a niet Moot- Unload (un-foel' ► , v. a. van dwaashaid genezen. geateld. —pressed (-preet'), a. onuttgedrukt. Unfor bidden (un-for-bid'dn6 a. ntet verbeden. —pressings (-pregalv). a. zauder uttdrukkIng. —eed (-foorat"). a. —cedly (-foora'ld-), ad. tinge—fended (.tend'id), a. 'Ant ultgeatrekt. —a nguished I dwongen. —cible (-fooreibl), a. krae.bteloos. (-ttnegaviejt), a. onuttgehtumcht. —tirpated( Aim , Unforeseen (un.foor-tden'(, a. onvaorsten. ee-tie), a. onuitgegroeid. Unfor felted (an-M.:lit-id). a °overboard. U nfnd ad (un-fee'did), a. onverwelkt. a.1 —giving (-gts'ieng), a. cnverzoenlijk• —Patten onverwelkelijk. ; (-got'tn), a. niet tergeten. —med (-formal'), a.

On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]
Bar br (baat'ne-bih), m. Barnabas. Bartholomew ( baar•thol'o.injoe), m. Barthotome., Bartel. Has el (ba'zil), g. Bazel. nn. Bacillus. Bat (bet), f. voor Bartholomew; Bart. Batavia (be-tee'vi-e), g. Batavia: —n, a. Bataafsch, Bataviach; i. Batavier. Bavaria (be-vee'ri- e), g. Beleren. —ft, a. Beiersch; i. Beiersman, Beiersche. Beatrice (iXe-iris), w. Beatrice. Beattie ( biet'ti), Beattie. Beck (hek'), —y, f, voor Rebecca. Balgi an (bel'dzji- en), a, Belgisch; I. BelgiOr.—ani, gtiee Belgrade (bel greed'),g. Belgrado. ge B6lal Bele (bell), I. voor Ar2beila hatella; Bella. Ben (ben), f. voor Benjamin. Benarea (be-na'riez), g. Benarea. Benedict (ben'e-dikt), m. Benedietus. Bengal (ben-gaol'), g. Bengal., —re (-ge-lie'), a. Bengaleeech. —ease (-ga-lien'), i. Bengalees; tie —, is Bangaieezen. Ilen§atuin (ben'dzje-mtn), in. Benjamin, Bennet (ben'nit)., f, voor Besedict. Berkshire (burk'sjier), g. Berkshire. Berlin (burgin), g. Berlijn. Barnard (bur'naard), in. Bernard, Barend. Bertha (bur'the), w Bertha. Berwick (bur'wik, ber'ik), g. Berwick. Bess (bees), Bat (bet), f. voor Elisabeth; Bet, lietje. Bethlehem (beth'ie-hem), g. llethlehere. Belay (bet'sih), —ty, f. voor Eiisateth; Betsy,Betje. Biddy (bid'dih), f. voor Bridget. Bilbao (bil-ba'o), Bilbqa (bil-ho'e), g. Bilbao. B112 (bill'), —5, 1. noon William; Wirt, Biscay (biekee), g. Biscaja. (bath-in'i-e). g. Bithynie. Blthy Blanch Iblaantsj).. w. Blanca. Blaze (bleez). m. Blasi.. Bo (bob"), —by, t voor Robert. Becotia g. Bohemia (bo-hi'mi-e), g. Bohm& —n, a, Boheemsch; I. Bohemer.

ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
1;44 RAG.—RAS. Ragged (reegid), a. schabberig; in lompen ge- Random (ren'dum), a. toeval, goed geluk. at kleed; row. —school, school voor havelooze kinin 't wilde. —shot, sehot in 't wilde. deren. a. achabberigheid. Randy (ren'dih), a. ongebonden, wulpach. Raging (ree'dzjieng), a. het wooden, razen. — Range (reendz)', a. rid, Masse, rang; omvang; a, —ly, ad. woedend, razend. guirnte; dracht van geechut; omzwerving; Ragoo, Ragout (ra•goe'), a. ragotit. boom; zeef; sport; keukenhaard. —, v. a. in orde Ra ales (reg'stur), v. n. pocgen; stollen rangschikken; opatapelen; overspringen; Rail (reel'), a. richel, dwarsbalk; elagboom; lenV. n. in i orde geeteld zgn; omzwerven. —r, a. ning, latwerk; hek; spoorstaer; wachtelkoning; landlooper; epeorhond; boschwachter. regeling. road, —way, epoorweg. —shifter, draat- Rank (rengk'), a. —ly, ad. welig; geil, tochtig; echgfwachter. —, v. a. omrasteren; ep eene rg stork, grot; overdreven; ranzig, vansig. —, a. rg; plaatsen; v. n. schimpen, smalen, lasteren, gelid, rang; greed. —, v. s. rangschikken; op (against, at,) --er a. spotter. —ing, a. traliewerk, sane sir (ign) plaateen; v. n. geraegsch'At (ge• 'mining; spotterng. —mg, a. —ingly, ad. apottend. plaatst) zgn, (with) denzeliden rang hebben als. Raillery (rei'lur-ih), a. boert, scherta. Rankle (reng'kl), v. n. ontstoken zgn, etteren, Raiment (ree'mint), s. kleeding. invreten. Rain (reen'), a. regen. regenvogel. —bow, Rankness (rengk'ness), a. weligheid, geilheid; regenboog. —bow fish, regenboogvisch; livereiranzigheid. knecht. —deer, zie Reindeer. —fowl, groene Benny (ren'n1h), a. spitsmnia. specht. —gauge, regenmeter. regentijd. Ransack (renisek), v. a. plunderen; dooranuf—water, regenwater. felon. v. n. reonen. —inert, v. a. regenachtlgheid. —y, a. reganachtig. Ransom (ren'snm), a. loageld, ranteoen, Raise (reez'), v. a. oplichten, opheffen, opzett'en, a. vrijkoopen. —er, a. vrijkooper. a. solioprichten; verhoogen; verheffen; doeurgzen; doen der losgeld. ontataan, verwekken; opweltken; aanvuren; het- Rant (rent'), a. hnogdravendheid, grootspraak. fen, licbten, werven; opbreken. —r, e. opheffer; —, v. n. hoogdravend spreken, noeven. —er, a. opriehter; heifer. grootapreker. Raisin (ree'zn), a. rozijn. Rentipole (re:en-pool), a. 'wild, uitgelaten; RaJah (ree'dzje), a. Radjah (indisch vorst). —, a. losbol, wildzang. a. ranonkel. Rake (reek'), a. hark; lichtmie; kielwater. —, v. Ranunculus (re-nung'kjoe a. harken; bijeenschrapen, Inrekenen, opal:elen Rap (rep), a. slag, tit; valsche moot. —, v. a. & (up); opwroeten (up), v. n. harken; echrapen; een n. alaan, kloppen; wegrukken; ontvoeren; opgelos leven leicten; (into) wroeten nauwkeurig togen doen zgn (with); (out) uitstooten. onderzoeken. —hell, lichtmis. —deny, loabandig. Rapaci one (re-pee'sjus), a. —may, ad. roof—shame, schaamtelooze. —r, a. hacker; schraper; —ty (••peent-tib), a. roofzucbt; —sness, ou wroeter; straatveger; pooh. g uizigheid. Rak hag (ree'kieng), a. schraperig; a. het harken, Rape (reap'), s. roof; bait; schaking; onteering; schrapen. —ish, a. liederlijk, ongebonden. reap, knol; mop. —cake, raapkoek. —oil, raapolie. Rally (rellih), a. bereeniging; aeherte. —, v. a. —seed, rammed. hereenigen, weder verramelen; bespotten; v. n. Rapid (rep'id), a. —ly, ad. anal. —, a. sniffle rich weder verzamelert; schertsen. Eamon. —ity (re- pid'it-tih), —ness, a. enelheid. Ram (rem'), a. ram; storrhram. —rod, laadatok. Rapier (ree'iri-ur), e. rapier. —fish, zwaardvisch. —, v. a. vullen, instampen. Rapine (rep to), a. plundering, roof. Ramage (rem'idrj), a. takken; gekweel. —velvet, Rappee (rep-pie') a. now), (snuff). gebloemd fluweel. Rapper (rep'pur), a. kiopper. Rambl e (rem . b1), s. omzwerving;nitatapje. —e, Rapt (rept), a. verrukt, opgetogen. v. n. rondzwerven, —er, a. zwerver. —ing, a. Raptor a (repe)oer), a.. verrukking. —ed, a. —ingly, ad. zwervend; verward. verrukt, medegesleept (at. with). —oars, a. verRamif !cation (rem-if-i-kee'sjun), a. vertakrukkend. king. —y (rem'ilaj), v. a. in takken verdeelen; Rare (seer'), a. zeldzaam; dun, Wu; half rauw; v. n. zich vertakken. uitmuntend. —ripe, vroegrfjp; a. vroege vnieht. RAIIIM er (rem'mur), e. heiblok; laadatok. —ish, Raree (ree'r1), —show, a. rarekiek, a. garstig; Beret' action (rer-e-fek'ejun), s. verdunning. Ram one (re-moos'); —ours (ree'mue), a. takkig, iable (reee-faj-ibl), a. verdunbaar. —y (rer'egetakt. faj), v. a. & n. (zich) verdunnen. Ramp (Temp') a. eprong. —, v. n. klimmen, Rare ly (reer'lih), ad. zelden, zeer wel. —seas, springen, stoeien. (lacy, e. overhand; overvloed. a. Zie Rarity. —ant, a. heerschend, stggen d; overvloedig; dartel. Rarity (ree'rit- tih), a. zeidzaamheid; (ook: rer'itRampart (rem'paari), a. wal. ilk), dunheid, Ramson (rem'zn), a. wild knoflook. Rascal (raae'kel), a. sehelm, schurk. —ity (res. Rancescent (ren-ses'aent), a. ranzig wordend. kel'it-tih), 0. schurkerg. —lion (res-kellun), s, Rancid (ren'sid), a. ranzig. —ity (-sid'it-tib), gemeene kerel. —ly, a. schurkachtig, gemeen. —neat, a. ranzi held. Rase (reez), v. a. Zie to Raze. Rancor (reng' ur), s. wrok, boosaardigheid. Rash (rear), a. —ly, ad. overgid, onbezonnen. —, —sus, a. —ously, ad. wrevelig, boosaard1g. s. uitslag. —ness, a. overgling,onbezonnenheid. Rand (rend), a. rand, zoom. —er, a. reepje spek.
zuivering, !outering;verfijning; bnarklooverir gea. onthaai. —ia (-Ii- et, p1. zinnebeelden der koninklijke macht. —ity (-gel'it-tih), a. boningmaaktheid. —r, s. zuiveraer; r3fflnadeur; verfij'chap. ner; baarkloover. —ry (-ur•ih), a. rsffinaderij. Regard (re-gaard'), a. bilk; oplettendheid, twitRefit (ri-fle), v. a. herstellen; laptalven, ting; betrekking; aanzien; opsicht. in — of, nit Reflect (rellekt'), v. a. weérkaateen; v. n. weeraanmerking van. mita — to, ten opzichte van —, kaetsen; (on, upon) terugvailen; terugdenkan aan; v. a. beachouwen; in aanmerking nemen; aehten; nadenken over, overwegen; to aanmerking neRangaan, betreffen. fkl, a. —fully, ad. opletrnen; zich ongunsttg uitlaten over. —eat, a. tend, zorgvuldig (of). —less, a. —teesty, ad. onwetrkaataend. —ion (-1Iek'sjun), a. weerkaatsing; oplettend, onachtzaam (of). —lames., a. achteweêrschiln; overdenktng; berirping. —lye, a. loosheid. weerkaataend; nadenkend. —or, a. straalbreker Regency (ri'dtjen•eih), a. regentscbap. overweger. Regenera cy (re-dzien'ur-e-siih), —tette,. (•et)-, Reflex (riTelts), a. omgebngen. a. toeatand van wedergeboorte. —te (-et), a. wedergaboren. —te (-eel), v. a. wedergeboren doen Refle x ibis (re tleks'ibl), a. weerkaatabaar. warden. ( ee'sjun), a, wedergeboorte. —ibility (-bil'it-tih), s. weerkaatsbaarheld. Regent (ri'dzjent), a. regeerend. a. regeerder. —ire, a. Zie Reflective. regent. —est, a. rsgentes. —ship, a. regeering, weder bloelen. Refloarieh (ri furls)), regentschap. u. terugvloeiend. Reflow lri Refluent (r.noe-ent), a. terugvloe'end. Regertnination (rt-dzjur-ml-nee'ejuu), a. wederontkieming. Reflinic (ri'lluks), a. ebbe. Reform (re-form'), e. hervo•ming. —, v. a. her- Real Bide (red'sji-sajd), a. koningamoord; koningantoorder. —men (-men), a. leefregel; bevormen; (ri-form`) weder vormen. —, v. n. beter worden. —ation (ref ur-mee'sjun), a,hervormingt heerschte naamval; wijze, stelae'. —meat, a. regement. —mental (-men'tel), a. regements-, verbetering. —atory (-e-tor-rih), a. hervormend. mental. (-men'telz), pl. uniform. her. —jet, a. hervormde; hervormer. —er, a, vormer Refract (re-frekt'), v. a. breken. —ion (-trek'. Region (ri'dajun), a. atreek, steer. Pjun), e. straalbreking. —ive, a. straalbrekend. Regis ter fred'zjis-tur), a. register; bijlbrief; registrateur; —store, regiateroven. —ter, v. a. re—evinces (-ur-lh), a. weerapannigheid. —orily, wetrapannig. gtstrreren, aanteekenen; aanmonsteren; —ship, ad. —ory, a. a. ambt van registrateur of griffier. —trar (-trer), Refragable (ref're-gibl), a. wederlegbaar. a. registrateur, griffier. —tration (-tree-sjun), a. Refrain (re-Preen'), a. refrein. —, v. a. weerhou(het) registreeren, —try, s. regiatratie; -kantoor; den (frees); v. n. Ifrom) zieh onthouden van. Ina chit ving, Re ream e (ri-freem"),v- a. weder in elkan der zetten. Refrangi ble (re-fren'dsjibi), a. breekbaar. Reglet (reglit), a. zetlijn„ —Nifty (-dzji-bil'it-tih), a. breekbaarheid (der R•egorge (re-gordzj'), v. a. uitbraken; wader inslikken. /lchtstralen). Refresh (re-fresh), v. a. ververschen, verfria- Regraft-(ri-graafe), v. a. op nieuw enten. schen; verkwikken. —er, s. verfriescher; yen- Regreet (ri-graant'), v. , op nieuw vergunnen. kwikkend middel. —meat, a. ververrching, ver- Regrate (re-greet'), v. a. opkoopen; atbikken. —r, a. opkooper; uitdrager. frissching; verkwikking. Refrigerant ;ra-frid'zjur-ent), a. & a. verkoe- Regreet (re-griet'). v. a. weder groeten; teruglend (middel). —te (-eet), v. a. verkoelen. —tion groeten. (•ee'sjun ► , a. verkoeling. —tire (-8-tiv), —tory Regress (ri'gress), —ion (re greRj'un), a. terugbeer. —ire (re-gres'siv), a. teru keerend. (-e'tur•rih), a. verkoelend. Regret (re-gret'), a. spit, lee women, verdrlet, Roll (rift), a. beroofd. berouw, (for), —, v. a, betreuren, sat hebben Refuge (re/Iced*, a. schuilplaats ; toevIneht. van. —fat, a. bedroefd. —fully, ad. met leedwe—, v. a. beschermen. —e (-joe-dzjiel, s. viuchzen, ongilarne. teling; uitgewekene. Regal ar (regloe-ler), a, —arty, ad. regeimatlg. Refulgen ee (re-furdzjens), —cy, a. geregeld- regulier. —ar, a. ordebroeder. —arity achittering. —t, a. —t/y, ad. glanerijk, achit(-ler'it-tih), a. regelmatigheid; geregeldheld. terend. —ars (-fern), pl. geregelde troepen. —ate (-feet). Refund (re-fund'), v. a. teruggieten; betalen; v. a. regelen, schikken,ln orde brengen. —action dehken; teruggeven. (-lee'sjun), a. regeling, schikking; 'reglement. Rer1111. able (re-fjoceibl), a. to weigeren. —al, —ator (-lee-tur), a. regolaar, inrichter; ,linger; a. weigering. —e (refloez), a. uitgeschoten; a. regulateur. uitscbot, afval. —e, v. a. & n. weigeren, afRegurgita to (reuediji-teet), v. a. weder alaan. —et, s. weigeraar. inalokken; v. n. teruploeien; overwerpen, Belot able (re- fjoelibl), a. wederiegbaar. ation loopen. —tion (-tee'sjun), a. wederuitwerping. (ref-joe tee',)un), a. wederiegging. —atory (-te• -inelokking; overvloeling. tor rib), a. wederleggend. —e, v. a. wederleggen. v. a. heratellen, 1Rehabilita te —er, e. wederlegger. weder bevoegd waken. —tion (-tee'sjun), a. herRegain, (re•geen'), v. a. herwinnen. stelling. Regal (ri-gel), a. —ly, ad. koninklijk. Regal e (re-geek)., a. koninkiljk voorrecht; ont- Rehear (IA bier') [irr.], v. a. wader hooren. —ing, s. nader onderzoek, herziening, haal. —e, v. a, onthalen; v. n. ,mullen. —ement,
A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,

Hoe werkt Facebook geld verdienen op Weegschaal


Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase.

G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
Iufold (In-foold'), v. a. inwikkelen. Infollate (in-fo'll-eet), v. a. bebladeren. Inform (in-form'), v. a. onderrirhten; verwittigen, beriehten (of); v. n. heriehtgeven;(afretinst) aangeven. —al, a. —ally, ad. onregelmatig. —ality (-fur-niel'it-tih), a. onregelmatigheid. —ant, aberiehtgever, zegsman. —ation (-fur-mee'sjun), a. berichtgever, zegsman. —ation (-fur , mee'ajnn), 8. berieht; ondereicht; aanklacht. —alive, a. bezielend. —er, s. aanbrenger, verhlikker. —idable (4.-dibl), a. niet, te vreezen, ongeducht. —ity, a. wanstaltigheid. —ous, a. wanstaltig. Infrrict (in-frekt'), v. a. breken,overtreden. —ion (-frek' sjun), a. schending, oveareding. —or, a. schender, overtreder. Intrapaibie (in-fren'dziibl), a. onschendbaar. Infrequen ce (in-fri'kwens), —cy, s. zeldzaamheld. —t, a. zeldzaam. infrigida to (in-friclzri-deet), v. a. koud maken. —lion (dee'sjrua), a. verkoeling. Infringe (in-frindzr), v. a. achendon, overtreden. —meet, e. sehennts, overt*.edin4 s. sehender, ov.Tertre der.
AFL. Arierigen, ov. w. to drive down,-- away; to chase off; to overdrive, to override, to founder, to jade. Apakkeiren, or, w. to founder, to jade; to rate. Afkaatten, ov. w. to east to parry; to ward) off; to avert, to prevent. Afkabbelen, ov w. to fret (to wear) away. Afkakelen,ov.w. to chatter, to jabber, to gossip. Afkalken, on. w. to lose lime. Afkommen, ov. w. to comb off. Afkanten, ov. w. to take off the corners. Afkapp en, or. w. to cut (to chop) off; to suppress. —fag, v. chopping off, elision, suppression. —ingsteehen, o. apostrophe. Afkeer, m. aversion (to), — hebben van, to dislike. krt)gen van, to take an aversion no. —der, m. averter. ov. w. to turn off, — aside; to avert, to prevent. —ig, by. & bw. averse (-1y). —igheid, v. averseness, aversion. —ing, v. turning (warding; off; averting. Afketar der, m. blamer, censurer. —en,or.w. to disapprove, to condemn, to censure, to cry down, —ing, v. disapprobation, condemnation, censure. Afk.marenswaard14, by. blamable, censurable. AfkUken, ov. w. to spy, to oboe... to learn by !coking at; to temporize, to watch on opportunity, to ferret, to te•rutinize. Af Madden, ov. w. to botch, to patch up. Afklar en, ov. w. to clarify, to clear off, to decent. --illy, v. clarification, decantation. Afklenteren, on. w. to climb off, — down. Afklenamen, ov w. to pinch off. Afkieppen, ov. w. to make known (to publieh, to proclaim) by rIngtng a bell. Afkllmnaen, on. w. to climb off, — down, to descend. Afkloppen, ov. w. to beat off; to drub, to thrash. Alkiniven. ov. w. to pick, to pick off. Atkreeibbelen., ov. w, to nibble off, to browse. Afknagen, ov. w. to gnaw off, Afknappen, ov. w on. w. to snap off; to break (to fly) off with a snap Alknauwen, ov. w. to gnaw off. Afknellen, ov. w. to pinch off„ Afkne•el scar, na extorter, extortioner. —en, or. & on. w. to extort. —ing . extortion. Afkasibbel a ss, ov. At on. w. to cheapen, to abate, to beat down the price, to get by haggiine. —ing, v. haggling, leggling. Afknfjpen, ov. w. to pinch off. Afkulp pen, ov. w. to clip (to cull off. —per, m. clipper. — ping, v. clipping. —eel, n. clippings. Afknoelen, ov. w. to botch (to hammer, to bungle) up. Afknotten, ov. w. to lop (off), to prune; to truncate; to clean (etas). Afkoel en, or. & on. w. to cool, to refresh. —rat, cooler, cooling-vat, —er, m. cooler. --ing, v. cooling. Afkok en. or. w. to boil (off), to decoct, to elixate. —ing., v. decoction, elination. Atkosn sling, m. & v. descendant. —elingschap, v, descendants, offspring, posterity. —en, on. w. to come down, to descend; to come (fro :A); to get rid off; to come off; to derive, to spring. Alkonsef, v. descent, birth, origin, Wt. /action;
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.
W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.

Wat zijn de belangrijkste cryptogeld beurzen


Mutual (mjoa'tjoc el), a. —ly, ad. wederkeerlg; onderling. —sty s. wederkeerigheld. Muzzle (muz'zl), a. snoet, snuit, bek; muilband; trompatuk; opening, mond. —, v. a, muilbanden; v. n. ruiken. anuffelen. —r,s. slag op de bovenlip (in het boksen). Muzzy (muz'zils ► , a. beneveld, verstrootd. My (map, pr. mijn, mijne, mijnen. Mynheer (min-Kier'), s. Hollander. Myo graphy (maj-og're.fib), s. spierbeschrAlving. —logy (-ol'ud•zjih) s. leer der spieren. Myop e (maj'oop), —8 (-ups), e. bijziende. —y (-up-pih), a. bijziendheid. Myriad (rair'i-ed), a. tienduizendtal; groote menigte. Myrmidon (mur'sni- don), a. ruwe vlegel; dwerg. Myropolist (m!-rop'o-list), a, koopman in reukwaren. Myrrh (mur), a. mirre. • Myrtiform (mueti-form), a. mirtvormig. Myrtle (mur'tl), a. mirt. —tree, mirtestruik,

ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-


ongevormd. —sakes (-ene'kn), a. niet vemakt, stet verlaten. (-ti-fajd), a. onveraterkt. Unfortunate (un-for'tjoe-net), a. —1y, rd, ongetukkign—nets, a. ongeluk. Unfought (un-faot') a. ongevockten. Unfound (un-feanne) a. niet gevonden. a. ongegrond. Unirst med (un-freemd'), a. ongevormd; sunder Mat. —ternal (-fre-tur'nel), a. onbroederlijk. U frecd I un-fried'), a. onbevrijd. Unfreeze (nn-frter),Y. n. dooten. Unfrequent (un-fri'kwent), a —ly, ad. acidzaem. --ed (-kwent'id), a. onbezocht. Unfriend ed (un-frend'id), a. onbevriend. —linens (-11-neas), a. onvriendeltjkheld. —1y, a. onvrienUnfrozen (un-fro'zn), a. onbevroren. Unfruitful (un-froerfoell, a. —1y, ad. onvruchtbear. —nese, a. onyruchtbaerheld. Unfulfilled (un-toel'illd), a. onvervuld. Unfurl tun-furl'), v. a. uttapreiden, losTr,oien. Unfurnfels (un-far'ntej), v. a. rut., a ontbleoten, berooven. —ed (-niajt), a. el - oorsten, outbloat, onverzorgd; ongemeub ee . d. Ungaged (un-geedzjd'), a. ong ijkt. Ungatn (un-geen'), a. .nk en, lump. —fu:, a. linkschheld, onvoordeelig. —lineei lonspha!d. —ly, a. Z!e Ungain. Ungalled (un.gaold'), a. onbesehedigd, ougs. deerd. Ungar nlizts (nn-gaar'nieJ), v. a. van steraden ontdoen, oqtblooten. —rieoned (-ger'risnd), a. zonder b setting. —tered (-turd), a. fonder Sousebanden. Un7e nernd (un-geth'urd), a. stet verzameld, ingezameld. Ungener rated (un-dzjen'ur-ee-tid), a. ougeboren. —alive (-e-tty), a. onyruchtbaar. —out, a. —oulty, red. onedelmoedig; outdo], Ian. Ungenlal Ittn.dzient-ell, a. stet aangeboren; ongunstig; onvriendeltj k, streng. Urgent eel (un-dzjen-tier ► , a. —eelly„ ad. on wet levend, onbeleotd. —eelneee, s. onwellevend, onbeleefdheld. Ungentle (un-dzjen't1), a. onzacht, ruw; oube leefd. —manlike, —manly. a. onwellevend, onfat toenlijk. —neat, t. onzachthaid, ruwhetd. Ungifted, (un-eift'id ►, a. onbegaafd. Ungli dad (un-gild'id). —t, a. onverguld. UngIrd (un.gurd') [(Yr.], v. a. losgorden. Ungtrt (un-gurr), ongegord, Unglazed (un-gleezd'), a. sander glasen; onverglased. Ungloritled (un-glo'rt-fajd), a. ongeprezen, onyerheelItikt. Ungloved (un-gluvd'), a. fonder handsehoenene Unglue (un-gloe'), v. a. van de lijm:ontdoen, losmakes. —4, a. ovgelikod. Lifland (un-god'), v. a. van de goddeltjkbetd be. rooven. —lily, ad. --/y, a. goddeloos. —linen (-linens), s. goddeloosheid. Ungotten (un-gortn), a. onverkregen; ongeteeld. Unworn, able (un-gneurn-ibl), n. —ably, ad. onitandeltaar, alert is regeeren. —ablate's, a. onhandelbaarhaid, onteW,aarbeld. —ed (-gnu' urnd), a. regeertaglons; toomelooe.

NO WAY. How do some many people trust Coinbase with their money When their website’s software is full of faulty programs that they won’t or can’t fix. IE, I tried to add a new debit card to my account. I gave them my cards info and was told to check my account for two small charges made by coinbase and enter the amounts in a designated page. Both amounts were over $3.00, but the verification page only allowed me to submit amounts under $2.00. I was never able to add another card to my account. For me, no big deal,… Read more »
—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.
uitfluiten, uitjouwen; v. n., sIssen; biazen; jous. pets, gefluit. (at) uitjouwen. Hist (hist). int. at! Histor lan (his-to'ri-en), s. geschiedschrijver. —ie, —ical, a. —ically., ad. (-tor'ik-1, geschiedkundig. —iegrapher (-og're- fur), s. geschiedschrij ver. —iography (- og' re- flh), s. (het) geechiedschrkj ven. —y (hietur-rih), e. geschiedenie; geschiedverhaal. Histrionic (hie-tri-on'ik). —al. a. —nay. ad ; tooneelmatig, theatraal. Hit (hit). a. slag, stoot; tref. toeval; inval. flit (hit) [hit], v. a. n. ?dean, stooten; treffen, raken; raden. (off) uitvinden; ontlokken. (out) pauwkeurig opgeven; tot stand brengen. (upon) aantreffen; komen op, zich to binnen brengen. Hitch (hitsr), a. steak; kink; beletsel. —knot, maraslag. —, v. a. vastbinden, -hak n; v. n. haken; voortnchuiven; wiggelen, mom pelen;aanslaa (met de beenen). togs ther, aan elkander hangen. Httthe (hajth), a. kleine haven; kaai. Hither (hith'url, a. dezerzijdsch. —, ad. herwaarts, hlerheen. —most. a. naaete. —to, ad, tot duo verre. —ward, ad. berwaarte. Hi ve (hajv'), n. bUenkorf; -zwerm; zwerm. —dross, bijenbrood. —, v. a. in een' bijenkorf does; v. n. sarnenwonen; samenscholen. —r, a. ijeaker, btjenhouder. Ho, Host (ho), int. ho ! hola I halt I Iloar•(hoor), a. wit, grijs. —frost, rljp. —haunt, andoorn (plant). —hula, s. grijeheid, witgrauw. —y, a. ergs; berijpt. Hoard (hoord'). s. voerraad, opgegaarde ,chat. —, v. a. opgaren. opsparen (up); v. n. opleggen, potten. —er, a, opgaarder,.potter. Hoarse (haute), a. —iv, ad. heesch, schor. —ness, a. heemchheid, achorheld. Hoax (hooks'), e. fopperij; sprookje. —, v. a, foppen, beet semen. —er, s. topper, bedotter. Hob (bob'), s. warmplaat; naaf; kinkel; spook. —goblin, spook, kabouter. —like, a. boersch,lomp. —nail, hoefnagel; lompe vlegel. Hobble (hob'b1), s. etrompelende gang; verletrenheid. —, v. a. in verlegenheid brengen; v. n hompelen, strompelen. --r, s. hinkepink. —de-hey, s. aankomend jougeling, vlasbaard. Hobby (hob'bih). a. boomvalk; klepper, hitje; stoffel, stokpaardje. —horse, stokpaardje. Hobit (hob'it), a. houwitser. Hobnob (hob'nob), ad. al of niet. —, v. a. kilnken (met de eaten). Hock (hok'), a. knieboog; rijnwijn'(ic,chheimer). —herb, kaasjeskruid. —, v. a. de kniepees afsnkjden. verfarnmen. Hockle (hok'kl), v. a. (stoppels) maaien. Lie to Hock on to Plough. Hod (hod'), s. kaikbak. --man, opperman. Hodge-podge (hodzrpodzj), s. mengelmoes; hutspot. flodiernal (ho-di-ur'nel), a. hedendaagech. Hoe (ho), s. houweel, hak, echoffel. —, v. a. ophakken, schoffelen. Hog (bog'), a. zwijn, bare; spaansche bezem, scheepsschrobber. —badger, zwijndae. —bristle, varkensborstel. —clam, zandslang. —tote, varkenskot. fish, zeevarken, bruinviach. —grubber,
Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...
PON —POlt. 227 ad. prachtig, pralend; hoogdravend. --ouenese, (-lee'ajun), a. bevoiking. —ou s, s, oue tad. bevolkt, volkrijk. —ousness, :.u berolithel a. Zie Pomposity. Pond (pond'), a. vijver. —weed, zwemkruid, man- Porcelain (porsleen),s.porselein.—elay,—earth, poraeleinarde. —shell, porseleinechelp. gehrortel. Ponder, (pon'dur), V.A. overwerenoverpeinzen; Porch (poortaj), a. overdekte ingang, voorhof, v. n. peinzen, nadeoken (on). —able, a, weegbaar. portaal. —once, s, gewicht, zwaarte. —er, a. overv,eger, Porcine (por'sajn), a. zwijnachtig; —ousness,s. zwaarte. Porcupine (por kjoe-pajn), s. stekelvarken. peinzer. —salty —owl, a. —ously, ad. zwaar, gewichtig. 1Por e (poor'), s. zweetgaatje, purls. v. a. (on. upon) itch verdtepen in. (over) turen op. —iness Ponent (po'nent), a. westelijk. Pcniatd (pon'jurd), s. dolk. v, a. doorateken 1-i-neas), a. poreusheicl. Pork (poork'), a. varkenivleeseh; varken.-6ateher , (met eon' hulk). spekslager. —chop, varkensrib. —er, s. zwijn. —et, Punk (pungk). a. nachtapook, kabouter. Pontage (pon ttdzj), a. bruggegeld. —ling, o. big, jong varken. Pontee (pun-tie'), a. ileAbhouder (14) glas- Por ous (po'rus), a. poreus. —osity(-ros'it-tih), —ousneu, s. poreusheid. blazers). Pontiff (pon'tif), e. hoogepriester; pans. Porphyry (por'fl-rib), a. porlier. Pontitic !pun-tIfn), —al, a. hoogeprieeterlijk; Porp oboe (por'puu), —us, a. bruinvisch. feestelkjk. —ale (-el.), pl. prlesterlijk ambtsge- Parraceous , par-ree'sjus), a. lookgroen. wand. —ate (-kot), s. hoogepriesterschap; pause- Porret (poen°, s. ajalotte. lijke waardigheid. Porridge (por'rldni), a. soep; pap. —belly. papPontifice (pont'i flog, a. brugwerk. bulk. —dish, soepkom. —pot, soepketel. Pontoon (pun torn'), a. schipbrug; pont. Porringer (por'rin-dzjur), s, diep bord, soepPotty (po'nih), a. hit. bord, nehaaltja; laatbekken. Food (pooh), s. poed, pud (russisch gewicht). Port (poort'), b. haven; poort; ingang, opening; Poodle (poedi), a. poedel. geachutpoort; bakboord; tonnemaat; houding, pooh (poe), fat. pooh! b.111 oho! I voorkomen; portwijr, to clear the —, ultloopen. Pool (poet'), s, poet; inzet. ---ccunters, speel- —admiral. havenadrairaal. —bar, poortlegger. --charges , havengelden—eha8e,jaagoort—clear markjes. --snipe, poelsnip, . p . Poop (poop'), s. achtersteven, hut, kampanje. ing, bet uitloopen. —hinge, poorthengsel. —hole, gesekutpoort. -- last. potdeksel, dolboord. —lid, -.awning, zonnetent. —ladder, kampanjeladder. poortluik. --light, kajuitraana. —man. inwoner —lantern, heklantaren. --royal, bovqnkajuit. Poor (poer'), a. — ly, ad. arm; sehraal, dor; eener havenstad. —mote,havengerecht. —padlock, maser; rileudig, armzalig. (de) Armen. valiesslot. —reeve,sehouteener hevenstad. --rope, —box, armbus. —house, armhuis. —john, atok- poortschinkel.--sait,ballastkleed.—ea/e,spoedige vlseh. —law, armenwet. —man's-pepper,. peper- verkoop der lading (b het binnenloopen). wortel. —rate, armengeld. —spirited, moedeloom. poortdrenipel. —tackle, poorttalle. ---timber, iathartig. --4piritedness, a. laCharttgheid. —ish, poorthout. —town, havenrstad. —vein, poortader. a. armelijk, armzalig. —ly, a, ongesteld, lijdend. windpijp. —wine, portwijn. a. armnedigheid; sehraalheid; magerheid; Port (poort'), v. a. dragea; near bakboord wenden. —able, a. draagbaar. —ability (-e-birit-tih), Pop (pop), a. klap, slag, pof. —gun, a. klakke- —ableness, a. draagbaarkeid, —age, s. (het) drabus. —, v. a. and bewegen. (away) haastig rer- gen; draagloon. s. portaal; poort; ingang. bergen. (into) instoppen. (off)afschieten; afeche- —once, handing, voorkomen. pen. (out) later ontglippen. (out of) ult den zak Portcullis (poort-kuPlis), a. vaideur. kloppen. —, v. n. kioppen, potter; nick echielijk Porten d (pur•tend'), v. a. voorspellen. —t, s. vertoonea. (in) binnenstusven. (into) instoppen. kw aad v-aorteeken, voorbode. a.- onheil(off) nick nit he voeten waken. (on, upon) aantref- spallend. ten. (out) near buiten snetlen. Porter (poor'tur), a. pnrtier; krttier; porter ibier). Pope (poop'), a. pane. —fly b korenworm. —,Joan, —age, s. draag-, kruiloon. z'-ker kaartapel. eye,(net) vet in een' schape- Porifollo (poort•foli-o), a. porteteuille. bout. --'s-head, raagbol. --dom. a. paundom. —ry, Portico (poor'ti-ko), a. nuilengang, portieh. a. paungezindheid. Portion (noor'sjun), s. tkandeel; erfdeel, kindsPopinjay (pop'in-dnjee), s. mogul; boom- gedeelte; huwelijksgoed, uitzet. —, v. a. ultdeespeeht; fat, saletjonker. len; (with) ten huwelijk medrgeven. —er, s. nitPopish (po'pinj), s. —ly. ad. pauegesind, paapsch. denier. —ist, s. deelheb ber (eau zekere ink° oaten). Poplar (pop'ler), a. populier. —galls, populler- Port Illness (poort'll-news), s. deftigheid. —ly, knoppen. —tree, popullerboom. a. deftig; voraarlijvig. Poplin (poplin), a. stof van wol en zijde. Portmanteau (poort-men'to), a. valley, mantelPoppy (pop'plh), a. slag bob. zak, Popo' ace tpoplos les), a. gepeupel, grauw. Por2ofse (poort'is), a. Zie Portlast. —ar. a. —arty, ad. volke-; voor het yolk; hij Portrait (pooetreet), a. portret. —painter, porhet volk gezien. —arity a. votkagunst; tretsehilder. —urn (-joer). a. (het) portretschilgesehlktheid voor het volk. —arize (-ler-ajz), v. deren; portret, afbeelding. a. algemeen bemind maken. —ate (-beet), v. R. Portray (poor-tree'), v. a. portretteeren;afbeelbevolken; v. n. nick vermenigvuldigen. —ation den, afschilderen.

Aldus moeten de directeuren-generaal en de diensthoofden de redelijke zekerheid verschaffen dat de middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (efficiëntie, doeltreffendheid en zuinigheid) en dat het systeem van interne controle de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgt. eur-lex.europa.eu

149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-

cryptogeld quora


Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


(WV RUA, 59 Rove (roov',, v. a. doorzwerven; v. n. rondzwal- Rufous (roe'llth), a , .• "d 3 cli t i ,, • ken. —r, rs. zwerve,; seesehultiter. (rug'), S. duffel; ruwe 4eken; kleedje. How (ran), e. rumoer s , tandie. —, v. u. Veren. Rug I A. —gedly, ad. (-01.), TuIg; hobbc11 ,7; ruw; wret”r, How (ro'), a. rlj —, v . a, & u. roelen. —barge, knorriti. —Deanne, s. ruigte; ruweeirt; bareehhetd. — boat, roeischuit. —lock. roeiklamp. t Hug lice (toe'd4jlen), a, 1),,, endvrvidl, raw. - ose poort. —er, a. rooter. (-goo*'), —ous (.gua),: a. timpslig. —osity Rowel (rauw11), s, raderne; helon (heartinuer). -it-tiht, a. rimPel , g'heldv• seta' setup zetten. rRuin (roe'in), a. vsl, verve), instorting, Roweu e, stoppelveld; nagroa. gang; verderf; puintloop. —, v. a vei'woesten; te Royal (1'0' 0 1), ad. koninklUlt. gronde rienten; in 't verderf *torten; v. n. vers. koningagezindheid, —ist, e . koningagezinde. vallen; instorten; to gronde xattn. —rm.', R. - cue ( -APO, a. koninklijk waken. —ty, —ously, ad. bouwvallig; verdeetelijk. —ousnese, koningsehap. bouwvalligheid; verderfolijkheid. Rub a. wrijving; steak; oneffenheld; zwa- lute (roe)'), a, liniaal; duitnntok; regel, orde, rirheid, hinderpaal. stone, wetste,n. —, v. a. voorsehrift; model; riehtsnoer; reseering. —, v. a. wri,jven; achuren, polljaren; kw enen, hinderen. het,linieeren; regolea; regeereu (over), —r, (down) roskammen; afurekiv,n. (off) afwrijveri. ocher; bestuurder; linleal. (out) uitwissehen. (up) gbvd wr,jven; opwekken. (rum), a. zonderilog. ouderwetoch. - v. n. wripen; ren eon' we bonen. —bee, s. rum; dorpspredikant. wriiver; wrkjflan; viji; alijpstetn; robber; India Rombi a, (Turri' ►l.1), B. gerommal, geotommel; goat-eiflatlek. N. puin; afval, vaunts; —e, V. n. zitplaate (achter een prullen. len. —ing, a. Zia Illosube.ie. Itubeerent (rue-bes'sent), a. roodwordend. fiumllit. ttt (roe'ml-nent), a. herkauwend; IFitobl eon (rue' R. roahont. —rood (-kun)), herkauweod dicer• —te ( - nrst#, v. a. & a. roodachtic blezend. --ed (-WA), a, robijnrood. kanwen; overpeinz,n (on. upon , . — tion —.fie (-birth), a. roodmakend. — fy (-fa)), herkanwing; overpeinzang. —tor (-ueeA. ajuu), rood waken.
Hut liuleJe, 0. small house, cottage; shell, case; scale (van eene weefitchaal); privy. —acolytes, night-man. —stick, shell-anail. II Wavy/saris, bw. homeward. Minivan, ov. w. to hood, to put a cop on. Heaver en, on. w. to shiver, to be chilly ; to shudder; to ' hesitate. —ig, by. shivering, chilly; hesitating. —igheid, v. chilliness; hesitation. —ing, v. shivering ; shudder ; reluctance. 111117 en, ov. & on. w. to lodge; to live. —ing, v. lodging ; habitation. dwelling. Ilukken, on. w. Zie liul, v. cep. Hulde, v. homage, respect ; fealty. —gift, a Heileman 'a present to his lord. Huldlg en, ov. w. to do homage (to swear allegiance) to to install, to instate; to embrace. —ing, v. homage; investiture ; —toed, oath of allegiance. Hulk, v. hulk, hop. II ull en. or. w. to cover (with a cap), to wrap up; to veil, to disguise; to adorn. —lag, v. covering; veiling, d!sguising; adorning. Hull., v. help, aid, assistance, succor, relief. to — *omen, to assist, to succor. —beloevend, wanting assistance, indigent. —benden, —troepen, suet. arias. —intact, aesietence. —kantdor, auxiliary office. —kerk, chapel of ease. —middel. remedy. onderwiger, assistant s. eacher. —prediker, vicar, (assistant) curate. —raardio, willing (ready) to help, officious. —raardigheid, readiness to help, officioloness. —wrrkwoord, auxiliary verb. iluipeloom, be. helpless. —held, v. helplessness. linlael, o. head-dress, head-gear. .et, m. hol;y. —boom, holly-tree. ilulater, v. tire-woman. Sluice. v. god, cod. Hum, tow. Zie liens. Shin, sow. Tto) them, their. Ilunelbed, o. Celtic monument. Hunker en, on. w. to hanker (after), to long !for). —ing, v. hankering, longing. Hunnent. tea bw. at their house. —halve, bw. on their behalf, for their woke. —wege,tbw. as for them. ran —wege, in their names. on — soil, for their sake. llupisel tsar, —aarster, v. hopper, skipper. en, on, w. to hop, to skip, to frisk. —lag, v. hopping, skipping. Ilupoch, by. & bw. pretty (-11y), smart (4y);
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
ASS.—ATT. tegenwoordig zijn. —anee, e. bijstand, hulp. Astrut (e-strut' ► , a. zwellend; deftig. —ant, a. behulpzaam; a. helper: cmstander: on- Astute lea-tjoetl. a. loon, slow. Asunder (e-suu'dur), ad. vaneen; in tweeen. dermeester. Assize ies-sajzi. s. vaatstelling van gewicht, prij- Asylum le-sarlum), a. schuilplaats; verpleeggesticht. lunatic —_, krankzinnigengesticht. zen, ens. —, v. a. zetten, bepalen, —r (-saiz'ur), a. zetter. —8 1-sajerz), s. rechtszitting. court of At (et), prp. te. op, b ij, near, on, over. met. —the most, hoogstens. to be — it, er aan zijn. —a, hof van assist's. Associn hie (es-so'sji-ibll. a, gezellig. —te (-et), Atheis m (ee'thi-izin ► , a. godloochening. —t, a. ongodist. —tic, —tical 1-is'tik1-(, a. godverzakeod. s. metgezel, makker; deelgenoot; a. verbonden. —te (-eat), v. a. ve,gezellen, begeleiden; v. n. zich Athirst (e-thurst'), ad. dorstig. verbinden. —lion t-ee'sjuni, s. vereeniging; corn- Athiet e (eth'liet), a. woratelaar. —ic (eth-let'ik), a. zeer sterk. pagnieschap § —tional (ee'sjun-el), a. eene ver- eeniging betreffend. Athwart (e-thwaort'), ad. overdwars. Assonan s. gelijkluidendheid. Atilt (e•tilti ad. met gevelde lens; op den kant• Atlas (et'les), a. atlas, satijn. —t. a. gelijkluidend. Assort (es•sort'), v. a. aorteeren. —meet, s. tor- Atmospher e (et'mos•fier), a. dampkring. —ic, tearing. —ical (et-mos-fer'ik-,, a. van den dampkring. Assuage (es•sweedzy), v. a. lenigen, bedaren; Atom let'unl); s. ondeelbaar stofje. —ic. —ical v. n. korting toestaan. —meat, s. leniging; ver- (e-tom'ik-),, a, atomisch. —ism, a. atonienleer. mindering. —r, a. leniger, enz. Atone (e-toon'), v. a. verzoenen; v. n. (for) boeAssuasive (es-swee'siv), a. lenigend. ten. —meat. a. boete; verzoening. Assum e (ea-sjoern'), v. a. aannemen; zich aan- Atop (e-top'), ad. van boven: in top. matigen; v. n, aanmatigend zijn. —er, a. a.- Atrabil arious (et-re-bi-lee'ri-us), —ions (bit' meager; verwaand mensch. —ing, a. verwaand; juts), a. zwartgallig. aanmatigend. Atrament a1 (et-re-men'tel), —ous, a. inktachAssump sit (es-sum'aitl, a. mondelinge verbin- tig; zwart. tenis. —lion, I. aanneming, onderetelling; he- Atrocious (e-tro'sjus). a. —ly, ad. afgrijselijk. —ness. Atrocity ie-tros'it-itila), s.afgrijselijkheid. melvaart (van Mona). —live, a. aangenomen. Assur sauce (es-sjoer'ens), a. verzekering; ye, Atrophy (eVro•lih), a. .kwijning. troussen; fierheid, driestheid; assurantle. —ance- At tach (et-tett.1"), v. a. vasthechten: in beslag-, office, assurantie-kantoor. —e, v. a, verzekeren; in in hechtenis nemen; gehecht maken. —meat, s. stellen. —edly ad. voorzeker. —edness, herring; verknochtheid. v. a. aanvallen. s. zekerheid. —er, a. verzekeraar; assuradeur. Attack (et-tek'), a. aanval. s. ster- Attain (et-teen'), v. a. verkrijgen; v. n. bereiken Aster ies'tur), s. aterrebloem —isk retie (.). —ism (-1U11), 8. geeternte. (to). —able, a. bereikbaar. —der, a. overtuiging; Astern (e-sturn'), ad. aan het achterschip. schandvlek. —meat, s. verkitging; bezit; belest'rne), a. aamborstigheid. —tic,—tical gaafdheid. —t, v. a. schandvlekken; amaden; (est-met'ik-I, a. aamborstig. van schuld over tuigen. —ture (-tjoer), a. achattdAstonish es-ton'isj), v. a. verwonderen, ver- vlek, beschuldiging. bazen. —ed, a. verwonderd over. (at). —ing, a. Attenaper (et•tein'pur), —ate, v. a. matigen; —ingly, ad. verwonderlijk. —meat, s. verwonde- inrichten. Attempt (et-temt'(, a. poging; onderneming. —, ring, vexbazing. Astound (es•taaund'I, v. a. verbazen, ontzetten. v. a. & n. trachien, beproeven; ondernemen. Astraddle (e-stred'd1), ad. schrtlings. —able, a. onderneembaar. —er, a. ondernemer. Attend (et-tend"), v. a. bedienen, vergezellen; Astragal (es'tre-gel., a. zuilkrans. Astral (ea'trel), a. de aterren betreffend: vol bi)wonen; afwachten; v. n. opmerken, acht gesterren, yen op (to). — to one's devotion, zijnen godsAstray (e-stree'), ad. verdwaald, van den weg dienat waarnemen. --ance (-ens), s. bediening; af. to go — , verdwalen, to lead —, op een dwaal- gevolg; opmerkzaamheid. —ant (-ent), a. bediespoor brengen. nend; vergezellend; a. oppasser; bijwoner. —ants Astrict (e-strikt'), v. a. samentrekken. —ion (es- (-ents), s. gevolg, stoet. trin'sjunl, s. samentrekking. —ive, a. semen- Attest (et-tent'), a. oplettend. —ion, (-ten'sjun), t rekkend. a. oplettendheid. —ive (-tiv), a. —ively, ad. opAstride (e-strajd'), ad. schrijlings. lettend. —iveness, a. oplettendheid. Asir/lige lea-trindzr), v. a. samentrekken. —racy Attenua ut (et-ten'joe-ent), a. verdunnend. —te, (-trin'dzien-sih), a. aamentrekkend vermogen. a. a. verdunnen. —tion (- ee'sjun), s. verdunning. —at (-trin'dzjent), a. sainentrekkend; a. samen- Atter (et'tur), a. ettcr. —ate, v. a. & n. aanslibtrekkend middel. ben. —ation (-ee'sjun), a. aanelibbing. Astrolabe (efetTO-leeb), s, astrolabium. Attest (et-teat'), v. a. getuigen. —ation (-tee'sjun), a. betuiging; getulgschrift. Astrolog er (es-trol'ud-zjur), s, sterrewichelaar. --ical (es-tro-lod'zjikl), a. astrologisch. —y Attic (et'tik), a. vliering; a. attisch. —ions (et'ti(-ud-zjih), a. sterrewichelarij. aim), a. sierlijke uttdrukking. Astronom er lea-tron'o-mur), a. sterreltundige. Attiguous (et-tirjoe•us), a. belendend. —ical (es-tro-nom'ikl), a. sterrekundig. —tze r Attluge (et-tindzp, v. a. aanroeren. —y, a. (-7118iZI, v. n. de sterrekunde beoefenen. Attire (et-tajr'), s. kleeding, opschik. —, v. a. kleeden, uitdossen. sterrekunde.
Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase. 

Is BTC anoniem

×