GON.—CON. 5l dig'nit-tih), s. verdienate, —/y, ad. near verdict. (-sjun e-rih), a. de biecbt betreffend. —or, a. ate. —netts, R. evenredigheid, gepastheid. • belijder; biechtvader. Condiment (kon'di.ment), a. toehereiding, krui- Confidant (kon-fl-dent'), a. vertrouweling. ding; sans. Confide (lum-fajd'), v. a. toevertrouwen (to); v. Condlselple (wn- dis-aajp1'), R. medeleerling. n. vertrouwen (in). Conellte (kun-daft'), v. a. inleggen, inmaken. Contiden ce (kon'il•dena), s. vertrouwen; zelfCondition (kun-dis'sjun), a. voorwaarde; toe- vertrouwen; stoutheid. —t. a. overtuigd, verstand; stand.. —, v. a. overeenkoman, hedingen; trouwend, stout. —tie/ (-den'sjell„ a. v. n. bepalingen makes. —al, a. —ally, ad. ad. vertrouwelijk, vertrouwd. —tly, ad. vrij8. voorwaar- voorwaardeltjk. —ality moedig, vrijpostig; met zekerbeid. —tress, s. delijkheid. --(cry —ate, a. bepaald, overeengeko- vertrouwen, zekerheid, stoutheid. men, bedongen. —ed, a. hedongen gesteld, well configur atton iltun-fir-joe-ree'sjun), a. ge—ed, in siechten stoat. —ed, in goeden stout daante, vorm; betrekkelijke stand der sterren. Conditory (kon'dit-tur rih), s. bewaarplaats. —eikun-fiejoer), v.a. tot zekere gedaante vormen. Condo! atory (kun-dole tar-rib), a. van rouw- Conlin able tkan-farnibli, a. binnen grenzen te brief van rouwbeklag. —e epistle, beklag; — (kun- brengen. —e (kun-faj (01, a. aangrenzend. —e (kon' door), v. a. beklagen; v. n. deelneming betui- fajn), s. ere.; grenepaal. —e (kun•fajte), v. A. gen (with — on, upon). —entent, R. be- begrenzen; beperken (to); gevangen zetten (in); rouwbeklag; deelneming. . —er, a. die con- v. n. aangrenzen, belenden, (on. with;, —ed, a. doleert. —ing, a. ronwbeklag. bepaald, gebonden; bevailen. —eras a. untieCondonation (kon-do-nee'sjun), s. vergiffenis. grensd —ement, s. beperking; opsluiting; bevelCondor (koti'dttr), a. laintliergier. ling. —er, a. beperker; grensbewoner, nabuur. Condue c (kun•djoes'), v. a. strekken; leiden; —ity (kun-fin'it-tth), s. nabijheid. bijdragen, hevorderlijk zijn, t/e). —cutest, R. Confirm (kun-form'). v. a. bevestigen; bekeachstrekking. —ent, a. dienstig, bevorderend. —ible, tigen; inzegenen. —able, a. bevestigbaar. —ation —ire, a. bevorderlijk (to). —ibleness, —iveness, (kon-tir-mee'sjun), 8. bevestiging. -atter (-e-tiv), a. dienstigheid. —atory (-e-tur-rih), a. bevestigend. —edness, R. Conduct (kon'dnkt), a. gedrag; beheer, leiding; bevestigdheid. —ing, a. —ingly ad. beveatigend, bekracbtigend. v rkti 'gle, levid. a. beaturen; geleiden; Conflsc able (kun-ils'kibll, a. verbenrd te Co gen'ediAti ter. r (t —, du aanvoeren. — one's self, zich gedragen. —ion verklaren. —te (-bet), a. verbeurdverklaard. —te (-duk'sjun), s. geleiding; bestnreag„ --irieee ( tis' (-keet), v, a. verbeurd verklaren. —tion (konsjus), a. gehuurd. —ire, a. leidend; beheerend, tie kee'sjun), s. verbeurdverklaring. —tor (kon • beaturend. —or, a. rtanvoerder; bestuurder; ge- fis-kee-tur), a. verbeurdverk1Rring. —tory (-ke[eider. —rest, R. geleidster; beheerderes. tur-rih), a. verbeurdverklarend. Conduit (kun'dit), a. waterleiding; buffs. —pipe, Confiturer(kon'filjoer), a. snikergabak. waterpijp. Contlx (kun-fika"), v. a. bevestigen. —are (•joer). Condupitca te (kun dine' pit- ket), a. verdubbeld s. (bet) vastmaken. dubbel geslagen. —te, v, R. verduhheien dubbel Conlin grant (kun flee'grent), a. brandend. sloan. —lion (-djoe-pli-kee'sjun), verdtibbeling —gration (kon-fle-gree'sjun), a. algemeene brandCondyie (kon'dil), s. Cewricht, beenknoop. —tion (-sjuni, a. samensmelting, ondeWngieCone (koon'), s. beget; pkjnappel. —shaped, ke• ttng; harmonic. gelvormig. Conflict (kon'flikt), a. botRing, twist, strijd. Coney. zie Cony. Conflict (kun•flikt'). v. n. strijden, kampen. —ire, Confabolat e (kun-feb'joe.leet), v, n, kenvelen, a. tot strijd leidend. beaten. —ion (-lea'aiu.),( s. gekeuvel. —ory, a. confluen ce (kon'floe-ens), s. aamenvloeiing, samenvloed, toeloop. —t, a. samenvioefend. sea gekout betreffend. Confect (kon'fekt), s. snikergebak. Conflux (kon'fiuks), a. Lie Confluence. conform (kun form'), v. a. gelijkvorrnig maken, Confect (kun-fekt), v. R. kontijten. regelen, inrichten; v. n. (to) nigh zedragen near. Contagion (knn-fek'sJun), s. insuikering; sui- !cowed. —ary, a. suikergebak; banketbakkers. —able, —ate, (-met), a. gelikkvormig. —ably, sit. winkel. —er, a. bankethakker. overeenkomstig, volgens, (to), —ation Ikon-forContedern cy (kun-fed'ur.e sib), a. bonito- meesjuni, a. geltjkvormigmaking; vorming; nootachap, verbond. —te (-ur-et), a. verbonden. inrichting; gelijkvormigheid. —jet, s, lidmaat —te (-nr-eet), v. a. vereenigen; v. n. een bond• der engelache kerk. —ity, a. gelijkvormigheid, gennotsehap aangaan. —tion (-ee'sjun), s. bond- overeenkomstigheid. Confound (kun-faaund'), v. a. ondereen mengen; gennotschsp. Confer (kun rue), v. a. verieenen, opdragen, verwarren, vernielen; verbazen; beachamen. —ed, (on. upon); bijdragen (to). —, v. n. onderhande- a. verward, beschaamd; verbaasd; vermened. len, berRadalagen (zvith). —race (kon'fur.ens), a. verfoeielkjk, verwenecht. —edly, Rd. ontznprelilk; onderhoad, beraadalaging; satneekomat. —rer, 8. —edness, s. vereiagenheid, verwaroing. a. onderhandelaar; verleene.r. onrust zanier, vernieler. Confess (kun fea'), v. a. & n. bekennen, bteeh- Confraternity (kon-fre-tuenit-tib), a. broederschRp. ten. —ed (kun•fese), a. —ed/y, ad. openitik, onbetwistbaar. —inn (-slats), R. bekentenis, be- ConfrIcatIon (kon-fri-kee'sjun), s. wrUving. liktents. —tonal i-Rjrin- el), e. bieehtstoel. —ionary Confront (kun-front'), v. a. tegenoverstellen,
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd


II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&

Is crypto gokken illegaal


tone, sound of the harp. —en, ov. w. to riddle, to sift. —enaar, m. Zie 111111,pti , v. harpy, vixen, shrew., scold. Ilse lssio, o. tow. Illerpoen, m. harpoon. —en, °v. gyp'. to harpoon. —ier, to. harpooner. Ilwrpni a;, o. stuff to pay a thip'e bottom, resin. —eon ov. w. to pay, to great. lilikarreveAr der, m. wrangler. --ran, on. w. to weaegle ; to squabble. —reril, v. wrangle, wrangling, jarring. Hare, v. & a. resin. —boom, pine-tree. —achtig, by. eeeinous. Inered, m. loin of beef, .sirloin. o. heart; breast, boeolc; mind, spirit, c ourage, mettle; affection, core: dead, midst. het — hebben, to dare. can het — (ler —e) 9,..an, to give concern, to have at heart. ter —e ',cozen, to take to heart. van — e, sincerely. von ganecher —e, with all one 'a heart. —ader, great artery, aorta; nerve. —brekend, heart-breaking. —grondig, be. heart-felt, sincere; be. !coin the bottom of the heart, sincerely. —learner, ventricle. —klopping, palpitation, heart-beating. — kolk, —putjr, pit of the heart. —kruid, nrther-wort. —humid disease of the heart. —lap. darling. —coerced, affecting, pathetic. —sterkend, —eterking, cardiac/O., cordial. —yang, fainting-fit, qualm,syncope. --ye ...hefted. heart-stirring. --verseheuren,d, heartrending. —vinger, middle. finger. —sakje, heart'spurse, perizardium. —seer, ;;clef, sorrow, heartache. —.senate, heart-ntri ► g. —ebloed, heart'ablood. —edief, darling. —eleed, heart-break, sorrow. —elect. heart's desire; near to heart's —evlies, pericardium. —ep(in, coutent. heart-ache. grief. —etaal, WOM8 from the hart. — evrienci, bosoms-friend. —ewer, grief, Borrow. —eweneeh, heart's dee:re. —eyeheim, secret of the heart. lone-secret. --stotht, nasaiori. —stoehtelijk, & bw. paaoloncte (-Iy). --stochtelijkheid, pessionate... —manger, hanger, dagger. —avriendin. eiveet•heart. etbk, by. aL bw. hearty (-ily), cordial (-ly), —elijitheid, v. heartinrea, cordiality. —eloos, be. & heartleea (-ly). —el000livid, v. heartieseeesa. Herten, o. me. heart, -- seven, sevea of heerts. —arts, ace of hearts. —boar, knave of hearts. —beer, Ides of heavta. —vrouw, quota of hearts. linpttsg, be. stout, robust, hearty; saeory, reiish-laid, v. heartiness; savorinees. o. heart, middle; dear. --snag, day for rabbit- hunting. Hasped, na. reel, windie; wir dim; turn-atile; eound-post; entangler, dolt. --oar, en. —.refer, tr, reeler, eoinaer, benglar, dolt. -en, 0, & on. c. to reel, to wind; to eheille, to bunale; to wrangle (over, on). --comae, roe!. —werk, bungling, bungle. —ling., v. reeling; wrangling. Illeasetattes en, on. w. to wrangle, to jangle, (on). eri,;', v. wrangling„ jangling. bv. & ow. hateful (-1y), odioue (-1y). —held, ;:aterulness, odionenems. lint eta, sac. w. to hate. —er, en hater. lints, v. good, property, fortune. varende (tilbare) —, reoveelea, pereonat property. levende rattle. --love, be. & bw. indigent; ragged (-Iy),

on. wa to dream; to be absent (in mind). —er, m. —ster, v. dreamer, visionary; dotard. —erig, by • & bw. dreaming (-1y), sleepy (41 y), drowsy (.ily), dull (-y). —erij, v. reverie, vision, fancy. Droop en, ov. w. to baste. —ing, v basting. Drop, on. drop, eaves; disorder in the breast of a o. Spanish licorice. —stun, suckling woman. m. & o. Zie Druipste on. on. W. Droppel, m. drop. —pia, strangury. — 8 soijze, to drop, to trip. to trickle. —Inge, bw, by drops. Droackenrd, m. bailie. —schap, o. bailiff's office, bailiwick. Droetten, on. w. goals —.to run away, to make off. Drtist in. bailiff. — (teat, —.chap, o. Zie Prospoordsehe p. —endienst,ssessigeDruide,m. druid. Druif. v. grape; head (knob) of a lighterman 'a pole; easeabel. —geneel, grape.sweliing. ambrosia. —on. vintager's knife. —vlies, oyes. —earwig- grape-like, uveoun. m & v. Zie Drultoor. Drull, ne. —en, on. w. to loiter; to slumber; to Temp.—oar, mope. mopue. ooren, on, w. to mope. —oorig, mnpish, sullen. —oorigheid, moplehuess, sullenness. —er, m. —ster., v. loiterer; drowsy head, mope. rnopus. Drosip, a,. mrop, eaves. — en, on. w. to drop, to drip, to trickle; to run; to be cast (op een exams.). —had, shower - bath. —nat, wet all over, throughwet. —netts, sniveling nose, sniveler.—oog„running eye, blear-eye. —oogig a bleare eyed.— staart.person (dog) that steals away. —.tearles s to sneak away. —atoartend, sneakingly. —steen, stalactite. —er, —srd, m. gonorrhoea. —use, v. dropping. Denison. on, w. Zie Aandrutsen. Druir eblead, o. vine-leaf. — aeons, vine-tree. —epit, atone of grapes. —eadit, shin of grapes. —Meet, grape stalk—enbloed, —mot, —onto, juice of peps., wine. —enhorf,—enmand, dorm. —enlezer, vintager. —entesing,—enoogst, vintage. —snmoer, dreg* of grapes. —enpers, wine-press. —enperser, wine-presser. —enrank, branch of a vine. —intro., bunch of grapes. Druk, by. very busy, full of (crowded with) business, much occupied; bustling. m. pressurn; dietreete oppression, affliction; print, printing, impression; edition. —ken, ov. w. to press, to squeeze, to pinch; to oppress, to afflict; to print; iemand in sijne amen —, to clasp a. o. In one re arm. op cone lettergreep —, to lay a !stress upon a syllable. kV liegt aloof het gedrukt I., he lies impudently. —bal, printer's ball. —doeh, pressing-cloth; compress. —fell, —foot, error of the press, typographical error, erratum; printing-fault. —inlet, printing-ink. —hasten, cost of printing. —kunst, art of printing, typography. —letter, type. —loon, printing-charges. —paper, printing-paper. —pers, printing - press; press. —perevrifhesd, liberty of the press. —proof, proof, proof-sheet. —echrift. printed paper, — book. types. —week, press work. —load, by. & bw. exceedingly heavy, excessive (-1y), grievous (-Iy), oppressive . (-1y I.—ken, m. primmer; printer, pressman; —sjangen, printer's devil; —epee, case. —ahneeht, journeyman printer; tympani

Iiiierkilez eta, ov. w. to reelect. —ing, v. re- Illorplitats en, Or. W. to replace. —ing, v. reelection. placing. inereknedan, or. w, to knead (to mould) over Illerpimalt en, ov. w. to replant, —ing, v. reagain. plantation. ilerkonepee, ov. w. to button (to tie) again) Herpineg en, 07. w. to plough (to till) again. to recommence, to renew. —ing, v. ploughing over again. Illearekr,k en, or. w. to boil over again; to con- illerOloollen, ov. w. t- plait 110 fold) again. side, again. —ing, v. second heiling, illerpeet en, or. w. —tag, v. Zie Herr,tauten. Ilerkieenees, on. w. to proeeed, to finite; to de- Herearoeven, 07. w. to taste again. mend, to derive. —, o, custoee, rive. Illierrekamtn, ov. w. to reckon (to calculate) over Ildereetrinot, v. deecent,extra-tion, birth; origiu, again. derivation. —ig, by. dcaleended, barn, sprung IfferrUz en, on. w. to rise again, to revive. tit (nom), native (of), originary. den dood --, to rise from the dead. —entie,—ing. literatreop, in. repurrhnve. —en, or. w. to re- T. Yie ...der Verrajnen, purchaee, to buy back again. ilicrepep elUk, by. revocable, repealable. —eNlerkonecen, ov. W. to copper again. ltikheid. v. yeeocableaess, —en, or. no, to recall, llerkrtJg an, or. Ir. to get back (again), to re. to revoke, to retract, to recant, to repeal. —in, cover. —ing, v. recovery. v. recoil, revocation, retraction, recantation, Ileelipsd ette, or. w. to load (to lade) again. —ing, repeal. v. loading (lading) again. nersehatt en, ov. w. to revalue. —er, m. reSEerlieee.n, or. w. to learn (to teach) again, valuator. —ing, V. reealuation. etalelatd i,,,t,P, by. reducible. —baarheid, V. ra- lilieriiebep en, on. w. to reship, to transship. ductbleeese. —en, ov. w. to redace. —ing, v. —ing, v. reshipment, trensshipeneet. reduction. iiliereicisepp en, or. w. to metamorphose, to Henley eon, on, w. to revive; to return to life, treusform ; to regenerate. —er, an. metamorto get a new life ; to renew one's age. —ing, v phocer, transformer; regenerator. —ing, v. metarevIval. morphosis, transfornnttion ; regeneration, lieeriez rot, 07. w. to read over again. --ing, Iliersehkin en,on.w. to chine again; to reappear, v. readiog again, second reading. —ing, v. shining again; reappearance. Illerwttlken, ov. w. to remake, to repair. illersehikk en, or. w. to arrange to regulate) Herts., en, or. w. to grind. again. —fog, v. anew. —ing, v. new arrangement. grinding again. llierEehousw en, ov. w. to inspect (to review) allernsuoiaen, or. iv. to don again. again. —ing, v. new inspection. IlltereneliUma, ro, Pa o. ermine, —en, by. (of) en. IllersehrOven, ov. w. to write over again. mine. Hersen en, v. my. brain, brains, —klier. pineal llilerneengen, we. w. to mix again, gland. —ontsteking, inflammation of the biotin, Illertnerkeera, coo w. to mark (over) again. brain-fever. —pan, skull. —boor trepan. —schim, llcc'enct en. oc. w . to measure (over) again, fancy, chileere. —schimmig, chimerical. ' —Irked-ing„ v. reeasering (over) egnie, eeconei mea, ding, cenrueeion of the brain. —riles, cerebral tiTe men t. membratite, meninge. —rorucht, Productionof the illie;rentant en, en. w. to recoin. —tag, v. re- brain,freit oftheunderetanding.—evoede.freney, e.oicege. delirium. —loos, by. brainless, addle headed. —a, lfiternardetto or. w. to new again. v. me. iv:nand de — insla.2n, to knock out a. o. '8 tlerni,11; Op, 0, W. to take back again, to retake; braille. te relay. -icy., a. recapture, retakiug. lilieralUpen, oe w. to whet (to grind, to polish) ellereda..atiee. an. Moravian brother. over again. GI.Vatitelllif P.,Itr, by. renewable. —en, ov. w. liferaraleden, ov. w. to forge again; to change. to renew. —lug, V. reuenal, le novetion. to reform. 'Werra oornon, ov. vv. to rename, to name again. Illieranyelit en, or. w. to remelt. —leg, 'v. re•
NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,

Doet Coinbase verslag aan IRS Reddit


LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
Furnace (for'nes), s. fornuie; smeltoven. Furnish (fnenisj), v. a. versehaffen; voorzlen (with!; stoffeeren. —ed lodgings, gemeubeleerde kamers. —er, a. verseheffer; leverancier. Furniture (fur'n1 tjoer), a. meubelen; gereed achap; tutgnge; sieraad. Furrier (fueri-ur), s. bontwerker. —y, a. pelswerk, pelterijhandel. Furrow (fuero), a. voor, groef. —faced, met .eon rimpelig gelaat. —weed, kweekgras, hondagraw. —, v. a. in voren beploegen; groeven. Furry (fuerilx), a. van (met) boot. ad. verder. Further (for'thmr), a. v. a. beverder, buitendien. —most, a. verst. vorderen. --ante, a. bevordering. —er, a. havocdenier. ad. vent. at the —, Furthest (furThest), a. ten langste. Furtive (fuetiv), a, —ly, ad. gestolen, steelsw ijze. Furuncle (fje 3'runkl), e. bloedvin. Fury (fjoe'rill), a. woode, razernij; forte. Furze (fan), a. brem, prteuakruid.
1;44 RAG.—RAS. Ragged (reegid), a. schabberig; in lompen ge- Random (ren'dum), a. toeval, goed geluk. at kleed; row. —school, school voor havelooze kinin 't wilde. —shot, sehot in 't wilde. deren. a. achabberigheid. Randy (ren'dih), a. ongebonden, wulpach. Raging (ree'dzjieng), a. het wooden, razen. — Range (reendz)', a. rid, Masse, rang; omvang; a, —ly, ad. woedend, razend. guirnte; dracht van geechut; omzwerving; Ragoo, Ragout (ra•goe'), a. ragotit. boom; zeef; sport; keukenhaard. —, v. a. in orde Ra ales (reg'stur), v. n. pocgen; stollen rangschikken; opatapelen; overspringen; Rail (reel'), a. richel, dwarsbalk; elagboom; lenV. n. in i orde geeteld zgn; omzwerven. —r, a. ning, latwerk; hek; spoorstaer; wachtelkoning; landlooper; epeorhond; boschwachter. regeling. road, —way, epoorweg. —shifter, draat- Rank (rengk'), a. —ly, ad. welig; geil, tochtig; echgfwachter. —, v. a. omrasteren; ep eene rg stork, grot; overdreven; ranzig, vansig. —, a. rg; plaatsen; v. n. schimpen, smalen, lasteren, gelid, rang; greed. —, v. s. rangschikken; op (against, at,) --er a. spotter. —ing, a. traliewerk, sane sir (ign) plaateen; v. n. geraegsch'At (ge• 'mining; spotterng. —mg, a. —ingly, ad. apottend. plaatst) zgn, (with) denzeliden rang hebben als. Raillery (rei'lur-ih), a. boert, scherta. Rankle (reng'kl), v. n. ontstoken zgn, etteren, Raiment (ree'mint), s. kleeding. invreten. Rain (reen'), a. regen. regenvogel. —bow, Rankness (rengk'ness), a. weligheid, geilheid; regenboog. —bow fish, regenboogvisch; livereiranzigheid. knecht. —deer, zie Reindeer. —fowl, groene Benny (ren'n1h), a. spitsmnia. specht. —gauge, regenmeter. regentijd. Ransack (renisek), v. a. plunderen; dooranuf—water, regenwater. felon. v. n. reonen. —inert, v. a. regenachtlgheid. —y, a. reganachtig. Ransom (ren'snm), a. loageld, ranteoen, Raise (reez'), v. a. oplichten, opheffen, opzett'en, a. vrijkoopen. —er, a. vrijkooper. a. solioprichten; verhoogen; verheffen; doeurgzen; doen der losgeld. ontataan, verwekken; opweltken; aanvuren; het- Rant (rent'), a. hnogdravendheid, grootspraak. fen, licbten, werven; opbreken. —r, e. opheffer; —, v. n. hoogdravend spreken, noeven. —er, a. opriehter; heifer. grootapreker. Raisin (ree'zn), a. rozijn. Rentipole (re:en-pool), a. 'wild, uitgelaten; RaJah (ree'dzje), a. Radjah (indisch vorst). —, a. losbol, wildzang. a. ranonkel. Rake (reek'), a. hark; lichtmie; kielwater. —, v. Ranunculus (re-nung'kjoe a. harken; bijeenschrapen, Inrekenen, opal:elen Rap (rep), a. slag, tit; valsche moot. —, v. a. & (up); opwroeten (up), v. n. harken; echrapen; een n. alaan, kloppen; wegrukken; ontvoeren; opgelos leven leicten; (into) wroeten nauwkeurig togen doen zgn (with); (out) uitstooten. onderzoeken. —hell, lichtmis. —deny, loabandig. Rapaci one (re-pee'sjus), a. —may, ad. roof—shame, schaamtelooze. —r, a. hacker; schraper; —ty (••peent-tib), a. roofzucbt; —sness, ou wroeter; straatveger; pooh. g uizigheid. Rak hag (ree'kieng), a. schraperig; a. het harken, Rape (reap'), s. roof; bait; schaking; onteering; schrapen. —ish, a. liederlijk, ongebonden. reap, knol; mop. —cake, raapkoek. —oil, raapolie. Rally (rellih), a. bereeniging; aeherte. —, v. a. —seed, rammed. hereenigen, weder verramelen; bespotten; v. n. Rapid (rep'id), a. —ly, ad. anal. —, a. sniffle rich weder verzamelert; schertsen. Eamon. —ity (re- pid'it-tih), —ness, a. enelheid. Ram (rem'), a. ram; storrhram. —rod, laadatok. Rapier (ree'iri-ur), e. rapier. —fish, zwaardvisch. —, v. a. vullen, instampen. Rapine (rep to), a. plundering, roof. Ramage (rem'idrj), a. takken; gekweel. —velvet, Rappee (rep-pie') a. now), (snuff). gebloemd fluweel. Rapper (rep'pur), a. kiopper. Rambl e (rem . b1), s. omzwerving;nitatapje. —e, Rapt (rept), a. verrukt, opgetogen. v. n. rondzwerven, —er, a. zwerver. —ing, a. Raptor a (repe)oer), a.. verrukking. —ed, a. —ingly, ad. zwervend; verward. verrukt, medegesleept (at. with). —oars, a. verRamif !cation (rem-if-i-kee'sjun), a. vertakrukkend. king. —y (rem'ilaj), v. a. in takken verdeelen; Rare (seer'), a. zeldzaam; dun, Wu; half rauw; v. n. zich vertakken. uitmuntend. —ripe, vroegrfjp; a. vroege vnieht. RAIIIM er (rem'mur), e. heiblok; laadatok. —ish, Raree (ree'r1), —show, a. rarekiek, a. garstig; Beret' action (rer-e-fek'ejun), s. verdunning. Ram one (re-moos'); —ours (ree'mue), a. takkig, iable (reee-faj-ibl), a. verdunbaar. —y (rer'egetakt. faj), v. a. & n. (zich) verdunnen. Ramp (Temp') a. eprong. —, v. n. klimmen, Rare ly (reer'lih), ad. zelden, zeer wel. —seas, springen, stoeien. (lacy, e. overhand; overvloed. a. Zie Rarity. —ant, a. heerschend, stggen d; overvloedig; dartel. Rarity (ree'rit- tih), a. zeidzaamheid; (ook: rer'itRampart (rem'paari), a. wal. ilk), dunheid, Ramson (rem'zn), a. wild knoflook. Rascal (raae'kel), a. sehelm, schurk. —ity (res. Rancescent (ren-ses'aent), a. ranzig wordend. kel'it-tih), 0. schurkerg. —lion (res-kellun), s, Rancid (ren'sid), a. ranzig. —ity (-sid'it-tib), gemeene kerel. —ly, a. schurkachtig, gemeen. —neat, a. ranzi held. Rase (reez), v. a. Zie to Raze. Rancor (reng' ur), s. wrok, boosaardigheid. Rash (rear), a. —ly, ad. overgid, onbezonnen. —, —sus, a. —ously, ad. wrevelig, boosaard1g. s. uitslag. —ness, a. overgling,onbezonnenheid. Rand (rend), a. rand, zoom. —er, a. reepje spek.
Uterine oho d (un-eruookt'), a. ongerookt. Unenonol h (un-emoeth), a. niet glad, ruw. Unsuel able (un-so'sji-tb1), a. —ably, ad. ongezellIg. —ableness, a. ongezelltgheid. —al (-so'njel), a. ongezellig. Unsoi id (un-scild'), a. onbevlekt, onbezoedeld. Unsold (un-eould'), a. onverkotht.—er(-sordur), v. a. van het Aoldeersel ontdoen. Unsoldter bike (nn-sool'dzjur lajk). —ly, a. wakrijgehattig, een' krijgsman onwaardig. Unsole (On-noui'), v. a. van de cool outdoen. Unsolleit ed (un-so-lis'ett-id), a. ongevraagd. —one. a. onbekommerd, onbezorgd. Unsofld (un-soVld), a. niet heck t, onvaat. Unsolved (un-solvd'), a. onopgeloat. Uesoplaistien test (un-so-tis'ti-kee.tid), a. onvervalscht. Unsortsd (an-scrt'id), a. ongetorteerd; ongepast. Unsought (un-eaot'), a. ongezocht. Unassu/d (nn-soole), a ziettoca; redelooe. Unsound (tin-eaaund'), a. --ly, ad. ongezond; niet gear, bedorven; gebarsien; onzniver; talon grondig, valsch, verkeerd, beiriegelijk; lijk, onoprecht; niat vow, onzeker. —ed, a. ongepeild. —need, s. ongeznndlteld; hedorvenbeld; ouzuiverhetd; ongegrondbeid; onopreehtheid; zwakheid, onvtotheid. U neon redSun-saurd"), a.ongezuurd;onverbttterd. Uneow ed (un-sood'), —n ( sown'), a. ongezaaid Una paving (un-apee'rieng), a. niet spaarzaam,niet ksrtg; onbarmhartig. Unapsak (uu-splek') [irr.], v. a. herroepan. —able, a. —ably. ad . onuitsprekelljk. —ablenese, a. onultsprekelijkhe-id. Unspecified (un-epen'si-fajd), R. niet niteengezet, niet etzonderli:!k opgegevea. Unspent tun-spew.'), a. onverbrulkt, onverteerd, °nett geput. Unzphere iun-efier'), v. a. nit ztjne sneer rubken; ontraadeelen. Unspir d (un-spaid'), a. niet uttgevorscht, °non+, Unspilt (un-spilt'), a. nlet geatort. Unspiritual (un-spir'it-joe• el), a. niet geestelijk. Unspoiled (un-apojld'), a. onbedorven. Unspoken (un-apo'kn), a. ongesproken. — of, onvernaeld. Unspotted (1111-ff at'tid), a. ongevlekt; onbPvlekt

Wat zal Bitcoin de moeite waard zijn in 2020


Tomohawk (tom'e-haok), a, indlaansohe strijdTomb (teem'), a graf; graftombe. —stone, Kra'teen. —, v. s. begraven. Tombne (tom'bek), a. tombek, apinabek. Tombless (teemness), a. solider grafetede, onbegraven. Tome (toom), e. boekdeel, dee'. Tomplon (tom'pl•un),s. w in dpre p. Teen (ton), a. ton; lie Tun. —(ton), a. toon, heorachende meek of mode. Tone (toon'), s, loon, blank; stemgeluid,spanning; veerkraaht. —, v. a. gemaakt voordragen; loon (nadruk) geven aan. —d (toond), a. van Loon; well— we iluidend. ng), e. gesphaakje. —s (tongz), pl, tang; Tong (lo e pair of —, Gene tang. Tongue (tung'), a. tong; teal, spraak. —doughty, anoevend. —pad, lengtong. —Eeraper tongsehra' tong Terper. —shaped, tongvormig. —tie, v. a. de lawmen, doen mijgen. lispend; awakeloos. —, v. a. bektjven; van eene tong voorzlen; v. n. praten, snapped; aanalaan (blaffen). —4
Doortredson, or. w. to break (to wear out) by treading; to tread thoroughly; on. w. to tread through. Doortrakken, or. w. to draw (to pull) through., to pull asunder; to soak, to imbibe; on. w. to march (to pass) through; to blot, to sink, to pierce. Doortrippellon, on. w. to trip through, to pass trippieg. Doortrokken, by. imbibed, impregnated, satu-
428 Break bear, by. fragile, brittle. —bacirkeid, 11. fragility, brittleness. —beitel., —User, iron-crow, crow-bar. —spel, trouble-feast. mar-joy. —tuts, breaking-tools. Breetinv en, so. w, to calk; to bring about. —kisser, calking-hammer. —veer, —men, calkingiron, ealkin. —.tort, calking-Pox, —er, m. calker; —sknecht, calker's hel pin Ate. Breidel, m. bridle, curb; check, restraint. —ex, ov. W. to bridle, to curb, to check, to restrain. —loot, bv. Zie Tengelloos. Brat en, ov. w. to knit. —garen. knitting-yarn. —geld —loon, knittage, money paid for knitting. knitt , ng-sheath. —katoen, knitting-rotton. —kind. child that learns knittiag. —Aloe, knitting-bobbin. —koker, knitting-needle-ease. —kous, stocking being knitted. —metres, —rrouw, woman that teaches knitting. —rreisje, knittinggirl. —naead. knittiog-needle. —school, knittingschool. —stock, knitting-stitch. —werk, knitting-tool, knitting-wool, -worsted. —oak, knittingbag. —er, ster, v. knitter. Brain, o. brain. —onlateking, brain-fever. —flies, meninge. —loos, bv. brAinlees. Reek *beim, 112. & v. bengler, nobler. —ers.oe. w. to break; to reti t; to violate; on. w . to break, to snap; to glow dial ;ran de owe); het Os —, to break the ice. to pave the way; reel woordon den halt —, to talk e great deal to no purpose; sick Aet hoofd — met, to break one's head stout. —er, m. breaker. —ing, v. breaking; refraction. Brew. v. pickle, brine; broom, geniota, farce. gentsta. Bre ws, v. gorse fly, gad fly. ilrenig en, ov. w. to bring, to carry, to convey, to conduct; tide laten —, to take a carriage; het ter —, to have great success, to cork one 's way up; tot iets, to induce (to engage), to something. —or, in. —ster, V. lo Inger, carrier; hearer. Bras, v. build". sehieten, to breach, to batter in breach. in de — sprinpen roar, to intervene for, to defend. Bretelc, v. me. gallowses, straps, suspenders, 13treuk, v. break, breskin,r, fracture, rupture; traction; hernia. —band, tr,:sis; —.akar, Untomaker. —tneester, hernia-carer. Drover, o. patent, brevet, warrant. ['reviler, o. breviary; brevier. Brief, ;n. letter, epistle; flake (aan de kr.ars). 1hr —, by letter. — speldon, pin card, raper of pins. rondgaande eircu,ar. —draper, letter-carrier. —loon, — pert, postage. —sehrijeer. writer of a letter, correspondent. — afiji, epi.tolaty ely.e. —wisseliwg, correspondence. —le, o. note, letter; ticket, billet. Brier, v. breeze. Briesch en, on w. to Leigh; to roar. —ing, 0. neighing; rearing. Brieven. m. mv . open. —, letters patent. —bestiller, letter-carrier, postman. —bock, letterbook; letter-copy-book. —hue, letter-box. —dohker, —drekker. letter-presser, letter-clasp. —geld, postage. —maul, mail. —osolag, wrapper, envelop. —post, mail; postman. —tank, letter-case; rocket-book, portfolio. —.rah, letter bag.
71 trekken. (from) afwijken, laten varon. (with atstand doen. —meat, a. gewest. departement; werkkring. —ure (-Joer), a. vertrek, area; overlijden; afatand; afwijking. Depasture (de-paast'joer), v. n. afweiden. Depauperate (de-pao'pur-eet), v. a. verarmen. Depend (de-pond';, v. n. afhangen (on); vertrottwen (on, upon). —ant, a. afhangeling. —core, —ency, a. betrekking; afhankelijkheid; vertronwen; ondergeschikten. —eat, a. neerhangend; afhankelijk. Deperditlon (dep-ur-die'sjun), a. verlies. Depict (de-pikt'), —ure (-joer), v. a. afmalen. Depll ate (dep'i-lest), v. a. ontharen. —ation (-lee'sjun), s, ontharing; uitvallen der heron. —atory (de-pire•tur-rik, a. het uitvallen der harem ibevorderend; a. middel om het hoar te doen uitvallen. —one, a. haarlooa. Deplantation (dep-len-tee'sjun), s. verplan• Deplor able
ad. (se-ten'ik-I, satansch, duivelachtig. Sand ed leend'idl. a. zand , ,,,bar; zandkleurig; ge. sandeihout. Satchel iset'sjii), e. zak ,e; boekentasch. (-urn), spiick.ld; — less, a. onverz9.— iness (-i-nese) a. zandignaid. — ish, R. ran-tacit- Sate (seet'), v. a. verzadigen. d ( - i - vur), a. glasseliaim. — wick ( - wlisj), lig. Satellite (set'il-lajt), a. trawant; wachter. zandig; dunbelale boterhain met vleesch. —y, a. s. Sati ate (see'sjt-et), a. verzadlgd, zat of with. los, rot; zandkleurig. - tare — ate ( - eet), v. a. verzadigen. — ety (se Sane (-oen), a. gezond van zinnen. s. verzadigdheid, zatheid. Sangiulf erons iseng-gwirur-us), a. bloedvoeetlasbloem. — ribrend; bleed•. — ication ( - i - kee'sjun), a. bloedma- Saitln nieoin), s. satijn. —flower, bon, zijden lint. — spar, satijnspaath. — wood, making. tijnhout. — et ( - et';, s. halfsatijn. Saragnin ary (senegwin-e-rih), a. bloeddorstig. spot-,hea. bloed rood; bloedrijk; levendig, Soatlr a (set'vr; ook: see'cajr), a. satire, — e kelsehrirt. —ic, —lent, a. —icaily, ad. tae-tir'ik-). •rooltjk; houpvol; vurfg. — eneas, s. bIoedkleur, satiriek, bekelend, btjtend. —let, a. satirenschrijbloedri)kheid; levendigheid; vertrouwen. — eons ver, hekeldictiter.—ixe (-ajz), v. a, bekeIen, door— ity ( - gwin% (-gwin'i-us), R, bloedritk; listen it - t,h), a. Zie SangtainenesN. Satisfaet Ion (net-Is-fek'sjun), B. voldoening; Saciele isen'tkn, s. wondltsuld. genoegen. — ire, —ory. a- —orily ( - tur - ii-lih), ad. Sari es (see'ni-iez), a. dun. etter. —ous, a. etvoidoend. —oriness Our-i-ness!, a. bevrediging, tertg; etterend. toereikendheid. Sanit airy (sea% te-rih), a. gezontibelds, —y, a. Satia• ler (set'is.faj-ur), s. bevrediger; die volgezondbeid. duet. — y ( - NJ), v. a. Zit at, voldoen, genoegen gme.; Sap (asp';, s. sap; spint; mijngang; ondermijning. verzsdigen, (with); bevtedigen; betalen; overtni— , v. a. ondermijnen; v. n. beimelijk te werk gen (of). gaan. Sapid (sep1 , 1), a. smakelijk. —ity (se-pid'it-tib), SatiV. (see'llv), a. in err' tutu gezaaid. Satrap (see'trep); s. satraap. —y (seere-pih), B. s. smakelijkheid. landvoogdij. .Sapien ice (sPe'pi-ens), a• wiir• Sap less (sep'ieas), a. sappeloos, droop. — ling,s. Saturn bie (stiejoe-ribl), a. verzadiAbaar. a. verzadigend. —te 1-reet), v. a. verzadlgen. jonic boomple. —tion 1-req'sjun), a. ver.digieg. sap...acetic. , Bep-o-nee'sjus), a. zeepachtig. Sapor ;ree'por), a. rmaak, gear. (sep-ur- Saturday, (set'ur-dee), a. zaturdag. Saturn Iset'urn), a. Saturnua; loud; zwart. — ale ririk), a. sknaakgevend. —out (sep'ur-us), a. scna-
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

Kunt u verkoopt cryptogeld op Robinhood


Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.
on. wa to dream; to be absent (in mind). —er, m. —ster, v. dreamer, visionary; dotard. —erig, by • & bw. dreaming (-1y), sleepy (41 y), drowsy (.ily), dull (-y). —erij, v. reverie, vision, fancy. Droop en, ov. w. to baste. —ing, v basting. Drop, on. drop, eaves; disorder in the breast of a o. Spanish licorice. —stun, suckling woman. m. & o. Zie Druipste on. on. W. Droppel, m. drop. —pia, strangury. — 8 soijze, to drop, to trip. to trickle. —Inge, bw, by drops. Droackenrd, m. bailie. —schap, o. bailiff's office, bailiwick. Droetten, on. w. goals —.to run away, to make off. Drtist in. bailiff. — (teat, —.chap, o. Zie Prospoordsehe p. —endienst,ssessigeDruide,m. druid. Druif. v. grape; head (knob) of a lighterman 'a pole; easeabel. —geneel, grape.sweliing. ambrosia. —on. vintager's knife. —vlies, oyes. —earwig- grape-like, uveoun. m & v. Zie Drultoor. Drull, ne. —en, on. w. to loiter; to slumber; to Temp.—oar, mope. mopue. ooren, on, w. to mope. —oorig, mnpish, sullen. —oorigheid, moplehuess, sullenness. —er, m. —ster., v. loiterer; drowsy head, mope. rnopus. Drosip, a,. mrop, eaves. — en, on. w. to drop, to drip, to trickle; to run; to be cast (op een exams.). —had, shower - bath. —nat, wet all over, throughwet. —netts, sniveling nose, sniveler.—oog„running eye, blear-eye. —oogig a bleare eyed.— staart.person (dog) that steals away. —.tearles s to sneak away. —atoartend, sneakingly. —steen, stalactite. —er, —srd, m. gonorrhoea. —use, v. dropping. Denison. on, w. Zie Aandrutsen. Druir eblead, o. vine-leaf. — aeons, vine-tree. —epit, atone of grapes. —eadit, shin of grapes. —Meet, grape stalk—enbloed, —mot, —onto, juice of peps., wine. —enhorf,—enmand, dorm. —enlezer, vintager. —entesing,—enoogst, vintage. —snmoer, dreg* of grapes. —enpers, wine-press. —enperser, wine-presser. —enrank, branch of a vine. —intro., bunch of grapes. Druk, by. very busy, full of (crowded with) business, much occupied; bustling. m. pressurn; dietreete oppression, affliction; print, printing, impression; edition. —ken, ov. w. to press, to squeeze, to pinch; to oppress, to afflict; to print; iemand in sijne amen —, to clasp a. o. In one re arm. op cone lettergreep —, to lay a !stress upon a syllable. kV liegt aloof het gedrukt I., he lies impudently. —bal, printer's ball. —doeh, pressing-cloth; compress. —fell, —foot, error of the press, typographical error, erratum; printing-fault. —inlet, printing-ink. —hasten, cost of printing. —kunst, art of printing, typography. —letter, type. —loon, printing-charges. —paper, printing-paper. —pers, printing - press; press. —perevrifhesd, liberty of the press. —proof, proof, proof-sheet. —echrift. printed paper, — book. types. —week, press work. —load, by. & bw. exceedingly heavy, excessive (-1y), grievous (-Iy), oppressive . (-1y I.—ken, m. primmer; printer, pressman; —sjangen, printer's devil; —epee, case. —ahneeht, journeyman printer; tympani
Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.
Pair (peer'), s. pear. a — of stairs, eene trap. —royal, drie gelijken in 't kaartspel). a coach and —, een ri3tuig met twee paarden. —, v. a. & n. paren. —ing-time, paartijd. Palace (pel'es), 8. palet, —court, voorplein van ta.t paleis; gerechtshof van het paleis. —yard, bienenhof van het paleis. Pitadln ipere-din), s. naladijn, ridder. Pa I a le_ ti n pel-en-kien' ), 8.pal ankijn,draagstoel. Palat able (pe0e.tib)), a. smekelijk.—ableness, a. smakelijkheid. —al, a. van het verhemelte; a. verhemeiteletter. —e (-et), a. verhemelte; smaak; , pe-lee'sjel), a. verhemelte-; van een palely; erachtig• Paistin ate (pe-let'i-net), a. paltsgraafschap. —e ( eel'e-tin, a. paltsgrafelijk; a. paltsgraaf. Palaver kpe-lit'vuri, a. gewawel. —, v. a. kaketen. wawelen. Pale a. peal; otaheining; rechtsgebted, seeoot. —., v. a. omhetnen. —, a. —ly, ad. bleek. —eyed, zwak van gezicht, —faced, bleek van gel., --hearted, moedeloos. —ness, a. bleekheid. Palen grapby a. add schrift; beams van sad schrift. —logy ( - 01'ild-ajth), oudbeidkunde. Valeous (pee'li-ue), a. kaffig, huizig. Palestra worstelperk. Palette (pel'et), s, verfbord, palet. Pslfrey (paol'frih, pel'frib), 8. Barnes-, paradepaard. —ed (-hid), a. op een' klrpper gezeten. Pa litication kee'sjua). a. Pa illogy a. Iterhaling. Palimpsest (pel'imp-nest), a. palimpseat. Pio alad roan e (pel'in-droomi, a. eensluidende 1 et terkeer. Yftllug (pee'ling;, a. rasterwerk. Palinode (pel'ln-ood), 8. herroeping. Palleade (pel'i-seed), s. schans-, tstorrnpaal. —, v. a. met peal week verschansen. Pallvta (pee'll,j), a. bleekachtie. Pall paoll'), a. verschaald, ffauw. a. binschope, staatsiemantel; lijkkleed; pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. —cleat, palklamp. v. a. met eon mantel bedekken; moon verdchalen; bederven; oververzadigen; neersiachtig makers; v. n. verschalen; slap worded; (on. upon) doen walgen. Palladium a. pallas-beeldje, plechtanker; palladium. Pallet pel'iit), a. verfbordje, palet; draaiachijf; verguldmesje; laatbekken; brits. —ing, a. bodem der brood- en kruitkamer. Pallla te (perli-eet), v. a. bewimpelen; verzachten. —tion (-ee'sjun), a. bewimpeling, verzaetttine. —five (-e-tiv), a. & a. bewimpelend, veraaceteed (midden. Pallid (pellid), a. bleek. —nets, s. bleekheid. Pal [mall (pel-mel'), a. kolfi kolfspel; maliebaan. Pallor (pePlur), a. bleekheid. Palm (paam"), s. palm; palmboorr; handpalm; handplaat; ankerarm. —berry. dadel. —oil, palm°lie., —sunday, palmzondag. —tree, palmboom. —wine, paimwijn. - , v. a. betasten, hanteeren; 8treelen; in de hand verbergen, misleiden; (upon) is de hand stoppen; toedichten. Palm ate (pertnet), —aced (-meet-id), a. handvormig; met zwemvliezen. —atory (-me-tur-rih),
.1 —J US. 161 goochelaar. —cry, P. goechelarii. —tag, a. (hot, Jeirlettlet Icsits (dzjoe-ris-tiik'sjun), e. rechtsge• goochelen; bedriegerij. —ingly, ad. bedriegelijk. "hied. —ional, a. gerechteltjk. —ire, a. rechterltk. Jugula r (dzjoe'gjoe-ler), a. van de keel. s. keel- Juriapruden ce (dzjoe-ris-proe'dens), a. recta. ader. —tc (-lest), v. a. worgen. —floe (-leesjun), a. geleerdheid. —t, a. reehtsgeleerd. —tial (-den' ajel), worgiug. a. van (betreffende) de rechtsgeleerdheid. Juice (dzjoes'), s. sap. —cleat, a. sappeloos. —iness Jur let (dzjoe'rist), s. rechtsgeleerde. —or (-ur), (-1-ness), a. sappigheid. --y, a. sappig. s. gezworene. Jujube (dzjoe'dzjoeb), s, jujube, roode borstbes. Jury (dzjoe'rih), a. jury, rechtbank van gezwoJuke (dajoek), v. a. roesten (van vogets); toeknik- renen. —box, bank der gezworenen. —leg, houken. teu been. —man, gezworene. —mast, rit,o d. Ju lap (dzjoe'lep), —leg, s. koeldrank. mast. Julian (dzjoe'li- en.), a. jeliaanech. — account,ju- Just (dzjust), a. rechtvaardig, oprecht, billijk, Paansche tijdrekening. eerlijk, uauwkeurig. —, ad. joist, even. — by, July (dzjoe-lajn, s. Juli, booimaand. dicht bit. but, — pas. — note, aanstonds, no. —, Jilinart (dzjoe'maart), s. buipaard, -ezel. s. Zie Joust. Jumble (dzjunfb1), a. reengelutoes. —, v. a. door Justice (dzjutetis), a. gerechtigheid, rechtvaarelkander rrnijten; v. n. geschud worden. —meat, digheid, bitlijkheid; rechtspleging; rechter. chief s. Zie Jumble. —r. s. verwarder. —, opperrechter. — of the peace, vredereclater. Jump (drjume), a. sprong; kens; IR"fie. —, v. a. in —, van rechtewege. —meat, a. rechtspieging. op 't spel zetten, wages; overbeen spring.. —r, a. rechtsbedeeler. —ship, a. rechterschap. —, stapnen, overstaan; v. n. epringen, huppeleu; Justlela bits (dzjum-tisfi-ibl), a. veneer vane hotsen; ;at) gretig aangrij pen. —r, a. springer. rechterlijke kennIsneming. —ry (-e-rih), a. rechtaJuncate (dzjun'ket), s. kaaskoek; lekkernij. bedeeler. Juncous (dzjung'kus), a. vol biezen. Justif lable (dzjueti fsj-ibl), a. to rechtvaardiJuntt Ion (dzjungk'sjun), s. vereeniging. —ore gen. —iableneas, s. rechtvaardigbaarheid. —iubly, (-tjoer), 8. need, voeg, gewricht; vereeniging; ad. op cone wijze, die to rechtveardigen is. —icatijdagewricht, station. lion (41.-kee'sjun) a. rechtvaardiging. —icatire , June (clajben), a. Junt, zamermaand. —icatory (-tiri-ke-), a. rochtvaardigend, bewijJungle (tzjung'g1), s, dicht botch. mad. —icator (41-kee-tur), —jer (-faj-ur), s. recbt Junior (dzjoen'jur), a. ouder. —, a. oudere. vaardiger, verdediger. —y (-raj), v. a. rechtvtterJuniper (dzjoe'ni.eur), a. jeneverboom. —berry, digen, verdedigen; rechtvaardig makes. jerteverbes. --tree, jeneverboorn. Justle (dzjua's1), s. echok, bottling. —, v. a. Junk (djungk'), s. jonk; slapping. —axe, mastbijl. stooten, duwen; v. n. schokken, botsen; strij-bottle , g ► azen ttesch. den (for). Junket (d,jungk'it), a. gebok; lekkernij, snoe- Just iy (dzjuseliW, ad. met goed recht; rechtvaa•perij. —, v. n. smullen, snoepert. —ing, a. smt-,1- ,, dig; nauw4e urig. —nest, a. rechtvaardigheid, partij. ! billijkheid; juistheld, nauwkeurigheid. Junto (dzjun'to), .. vergadering; partij; eedge ;Jut (dzjuti, s. uitstek. —window, uitspringend span. ream. —, v. n. ultspringen, overhangen. —ty, a. Jurist (dij.e're.t), a. gczworene, schepen. --ory, a. I uitstek; havendam, -Itoofd; v. n. Zie.to Jut. onder cede. ,Juveibll e (dzjoe've-nil), a. jeugdig, —ity (•nil'Juridical (dzjoe-rid'ikl), a. —1y, ad. gerechtellik. ! it-tih), a. jeugdigheid. Jurlaconsult (dzjoe-ria-kon'sult), a. rechtsge; Juxtaposition (dzjuks-teepo-zisj'un), s, naast• leerde. • elkander-plaateing.
ststndard. —nteester, assizer. —merk, stamp. --en, or. w. to size, to assize, to stamp. —er, m. assizer. —ing, v. assizing, stamping. La, v. haste, speed. in alter —, hastily, in a hurry, full speed. IJ1, he. thin, flimsy, loosely woven; raving. —hoofd, thoughtless (giddy-headed) person.—hoofdig, hr. thoughtless, raving, delirious. —hoof(Vgheid, thoughtlessness delirium. I.Il•rt i on.w. to hasten, to hurry,to wander,to rave. bw . hastily. IJp, m. elm, elm-tree. —choose, elm-tree. —en/meek, elm-grove. —enloof, elm-leaves. —elaar, m. Zie IJp. IJ9, o. ice. beslagen ten — bonen, to be armed at all pointa. — barn, path on the ice, slide. —beer, white bear, polar bear. —berg, ice-berg, glacier. —breker, ice-bieaker. —dam, ice-dam. —gang, drift of ice. —beget, Icicle. —keider, ice-house. loud, as cold as ice. —schol, —sehots, flake of ice. —sleds, lica-sledge. —spoor, ice-spur. --vogel, king-fisher, halcyon. —see, icy sea, Frozen Sea. Ocean. 1Jselkik, by. & bw. horrible (-bly), dreadful (.ly), ehoeking (-ly), direful (-ly); extremely. —laid, v. horror, dreadfulness; enormity. IJa,ste, en. zeal, Ailigence; ardor. —seat, jealousy. —sucht,g, by. & bw. jealous (-ly). —oar, m. zealot, stickler. —en, on. w. to be zealoue; to stickle (for, egainst). —ig, by. & bw. zealous (-1y), diligent (-1y), assiduous (-ly), eager (-ly); jealous (-Iy). —igheid, • . zealousness, diligence; fervor. —loos, be. without zeal, indifferent, indolent. —loos/old, v. want of zeal, indifference, indolence. lJzsgtelni, m. grumbler, cross fellow, bully. —mig, be. grumbling, boisterous. ro. glazed frost. —en, Grip. w. het sjxet, the rain falls frozen. IJeteae, on. w. to break the ice; to shudder (van, at), to shiver with hooror. cut iron. gestagen o. iron. gegoten wrought iron. --aside, ferruginous earth. —baan, rail-road. —drood, iron-wire, —seta, iron-ore. Pieter, iron-founder. —gieterij, ironfoundery. —grouter, iron-gray. —handel, irontrade. —hard, as hard i.e iron. —hoot, iron-wood. —hut, forge. —Moor, iron-gray color. —kleurig, iron-colored, -gray. --took, water. —kooper,—kramer, iron-monger. — kraarn, iron-monger's stall; iron-ware. —kruid, vervain. —magasion, ironwarehouse. —main, iron-mine. — proef iron-test, fire•ordeal; touch. —pletterij, iron-mill. —roost, rust of iron, —sehnim, dross of iron. —slag, scales (dross) of iron. —stnederij„ forge. —*metterij, iron-foundery. —snot, —vlek, iron-mould. Iron-stain —amid, blackonnith. —steel, iron, as strong as iron. —varken, hedge-hog, urchin. —vOlsel, filings of iron. —eitriool s ferruginous vitriol, —reeler, bully, hector. —scarce, ironwares. —week, iron.work.—winkeLileon-monger's shop. —achtig, by. ferruginous. —en, by. iron. —s, a. me. Ovalle, fetters 1.141g, by. bw. dreadful (-ly), appalling. v. breaking the ice; shudder, shivering. —wekkend,zie IJaig.
to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Blissquernsdee (met-kur-eed'), s. utatikerade; verMarried (mer'rid), a. gehuwd, ecittelija. mommilag. Marroon (rner-then'), a. kastanjebrurn. a. menu, hoop; mil- —book, minMarrow imer'ro), s. merg; (het) beste, kern. Manna (mites"), a. boek. —priest, mispriester. groote erwt. -bone, mergpijp. —fat, Massacre (mes'se-kur), s. alachting, bloedhad. zonder merg. —y, a. mergrijk; pittig. v. a. vermoordeo, ombrengen. Marry (meerilt), v. a. uithuwen; v. n. buwen, Maaseber (mes'se-tur), e. kanwspier. zebrr! trouwen. —, int. vvaarlijk 1 Marsh (marsh, a. moeras, noel. —bilberry, woe- Massicot (mes'sl-kot), a. loodgeel. Mans' mess (mes'si-nes), —ittenese, s. rnassiefheid. —crowrood Nijfrietorkruid. rasbee. —cinquefoil, foot, watereppe. —elder, waterviier. —fever, moo- —lye, —y, mas3ief, gedegen, dlcht; stevig, raskoorts. —gentian, longbloem. — ground, moe- zwaar, plomp. (veer rassigegrond. —groundsel, aschkruid. —horsetail, Minot imaast'), a. mast; meat-, bosehvoeder varkeno). head—, groote mast. —beans, zeilbalk. moeratisig land.—mallow, poelkannekruid. den meet. —head, top van maluwroose —marigold, waterhoefblad. —mint, —coat, broeking orn nornmer —hound, masthead. —imp, waterden mast. tuinmunt. —moss, stermos. —pennyworth, navelkruid. —pine, pnelden. —rocket, poel-, van den mast. —ed, a. bemint. jongsheer; opperkoortsklaver. —samphire, gluts— zoutks aid. —tare, Master (maaetur), a. meeater;—of the horse, 'ital. heer. poelwikke. —titmouse, poel-, ',traces. —trefoil, achipper; (mis'tur), de equipage-rnee,,ter, havenmeeater. —attendant, waterklaver. —worm, waterworn', -poliep. —builder, bonwrehipperaboek. —book, Marshal (maar'ejell, a. maarsehalk; opzierter; meeater. kon—gunner; sehippertrhut; —cabin, v. a. 'Toler', rangschikken; leaden. meeater. provoost. naeesterhand. —key, looper. -ler, a. beachlkker, rangschikrzer. —skip, a. stabelmajoor. —hand, —lode, hoofdader (in eeae mijn). —piece, meesmaarschalksahap. terstuk. —pit, looierskuip. —shipbuilder, se'leepsMarshy (maarierth , , a. moerattnig. Marsupial ( mer-sjoe'pl -el), a. buideldragend , bouwmeester. —sin, erfzonde. —sinew, hoofdpees. —string,hoofdanaar.—stroke,nAesterwark.—teeth, a. baideldier. kiezen. —touch. (de) imitate hand. —work, meesMart (maart), a. re.'arkt; vertier; l:ory terwerk. —wort, meesterwortel. ittartmgou (maar'te-gen), o. wilde lelie. Master (maas'tur), v. a. vermeesteren, bedwinMartello (mer-telgo), a. alarers;osen. gen; goad uitvoeren; v. n. uitmunten. rful, a. Mortsn. Marten (maar'in), a. Martial (maaesis1), a. krijohaftig, krijga . —fully, ad. gebiedend, gewelddadig; nteesterlijk. —caurt,krijgsraad.— law, krijearecht. — particles, —less, a. zonder meeater; onhandelbaar. —like, kjzerdeelen. a. meesterachtig, —linen, 0. meesterlkjkheid. — ty, meesteroehap. Martin (maar'tinl, a. /eerier; 11111111,WalUW. a. & ad. meesterlijk. —ship, a. —mc, (-mere, a. St. Maarten. —y. a. heersehappij; rneerderheid; bekwaarnheid. Martinet (maar-ti-net'), a. huiszwaluw; streug Blita:145 (mes'tik), a. mastikboom; -gore. —ate (-ti-kze'ejun), —ation (-ti-beet), v. a. kauwen. bevelvoerder; detnpeording. a. out to Martingale (maar'tin-geel), a. springriem; spaan- a. kauwiag. —atory kauwen, kauw-; s. kauwinithid. ache cutter. —stay, nevelateg. Mart let (maartnit), s. Pie Martin. --nets (-nits), Mastiff (eaaaetif), a. bulliond, bandhond. Mastless (maaseleas), a. zonder marten; zonder pl. nokgordingen, geitouwen. g. a. mar- eikels. Martyr (matuitir), a. martelaar. telen. —dam (••durn), a. rnartelttarsehap, mantel- Masalin (meelin), s. Zie hood. —ology (-ol'ud ajih), a. geachiedenis (hock) Mastoid (meetojd), a. tepetvoemte. Mesattsitsgy (men-tol'ud-zjih), a. natuurlijke hisher martelaren. ver- torte der zoogdieren. Marvel (maaevil), a. wonder. —, v. n. mestvoeder. wonderen (at). —lour, a. —lously, ad. (-las.), Plenty (rnattletili), a. lijk earl wonderbaar- Mat (is -1.V), a. mat. —bed, matraa. —weed, matwonderbaar. —loosneos •v. a. met marten bedekken; vlechten. , bies. lkjkheid. s. matador. Mary (mee'rih), --bud, a. 'die Marigold. --mss Matadore (met-e-door'), Match (metT), a. zwavelstok, lent, wedstrijd; (-mes), a. Maria-boodschap. huwelijk, partij, -weesergade,atel. —box, lueifersMantle (mes'kl), a. cult. —lock, moistzwavelstokkenmeisje. dooa;e. —girl, MikaCtIMIC (meekjoe-liu), a. inanne:ijlt. -fleas, slo. —maker, vervaardiger van lucifero of awes. mannelkikheid. Ighsh (mssr), a. menelmoett; paardendrank; apoe- velstokken; koppelaar. —paper, haneuregister. line. —, v. a. mengen; brouwen. —ing-tub, snout- —tub, kardoeskoker. —, v. a. evenaren; opgekuip. —y. a. gemeugd. wassen ztjrs tepee; ten huwelijk geven; v. n. WHO( (maiskl, s. masker, mom; maskerade; trouwen; overeenkomen. —able, a. vereenigba ,tr, dekmantel, voorwendsel. —, v. a. & n. (zieh) geachikt. —less, a. weergaloos. —lessttess, a. weermaskaren, vermomeaen. —er, a. gemaskerde. galoosheid. Mate (meet'), a. achaakmat. —, a. maat, mak—tap, s. maskerade. MeNlitn (meth"), a. gemengd, half om halt. ker, helper, gade; mannetje, wijfje; etuurman. a. ongepaard; —b; cad, s. masteluin. —, v. a. sehaakmat mitten. —less, Mason (mee'sn), a. metselaar; vrijmetselaar. —ic minder moat of helper. (me-son'ik), a. van he vrijmetselarij, vrkjmetse- Mat ?Oaf (me-ti'ri-el), a. —1y, ad. atoffellik; gewiehtig, wezenlijk. —ism, a. materialismus. —ist, loans . — ry, H. metselwerk ; v rij aretee I arkj.

Wat circuleert supply cryptogeld


T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.

Is Blockchain een cryptogeld


scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer

Is Bitcoin verhogend


vocd,terkind. —dam, voed• zoogbroeder. titer, mln. —daughter, pleegdochter. —earth, kweekaarde. —father, voedstervader. --land, land tot onderhou.d. —ling, a. voedsterling. —mother, —nurse, voedstermoeder. zoogmuster. —son, pleegzoon. Fattier (foth'ur), s. gewicht van 2400 pond. —, v. a. een lek atoppen. Foul (faun, a. —1y, ad. vuil, morsig; ennuiver; leelijk, slecht; snood; grof; verward; onklear. to make — water, op den grond stooten. to run — of, aanzeilen. —paper, klatipapier. —play, bedriegelijke bandelwijze. —spoken, E. kwaadspreicend. — wind, tegenwind. —ness, a. vuilheid. Foul (faul), v. a. bevuilen, bemorsen, v. n. onMaar worden. Foainsart (fou'mert), s. bunsing. Found (faaund), v. a. gronden, stichten; gieten. —ation (-dee'sjun), s. grond; grondslag ; grandvesting, atiehthig. Founder (faaund'ur), a. gieter; stichter; bevangenheld (bij paarden). —, v. a. kreupel rijdsn; v. n. zinken; mislukken. —ass, a. grondelooe, gevaarlijk. —y, a. gletert. Foundling (fa aund'lieng), a. vondeling.—hospital, vondelingshuis. Foundress (faaund'ress), a. stichtster. Four taln (faaunt'in), s. fontein. bron; oaraprong. —head, hoofdbron, oorsprong. Four tfoor') s. vier. on all —a, op handen en voeten. —cornered, vierhoekig. —fold, viervoudig. —footed, viervoetig. —ling, a. vierling. —score, tachtig. -square, vierkant. —teen, a. veertien. —tecnth, a. veertiende. —th, a. vierde. —thly, ad. ten vierde. —wheeled, vierwielig. Fowl (faauP), a. vogel, govogelte. —, v. a. vogels schieter, —er, a. vogelaar. Fowling (faauPieng), a. vogeljacht. —piece, vogelroer. —shot, ganzenbagel. Vox (foils"), a. v.; eluwert. —es, a. foksjes. —case, vossevel. --chase, —hunt, —hunting, voesenjaeht —evil, vosaenkwaal. —glove, vingerhoedskruld. —hunter, vossenjager. —tail, vossestaart (plant). —trap, vossenval. —ink, —y, a. vosachtig; siw(v, ltstig. Foy (Poj), a, trouw; afscheidsfeest. Fract tfrekt), v. a. breken, schenden. Fraction (frek'sjun), a. bteking, breuk; gebroken getal. — al, —ary, a. eene breuk betreffend. Fractious (frek'sjus). a. —1y, ad. gemelijk, kribbig. —ness, s. kribbigheid. Fracture (frekt'joer), a. break; beenbrezIk. —, v. a. breken. Fragil e (fred'zjil), a. broos, —ity (fre'dzjil'ittih), s. broosheid. Fragiatent (freg'ment), a. atuk, brok, overbliljfact. a. uit brokstukken bestaand. Fragor (free'gor), a. gekraak. Fragran ce (free'gretas), —cy, s.geuriheid. —t, a. —tly, ad. welriekend. Frail (free!'), a, biezen korfje. —, a. broos; swak, onstandvastig. —races, —ty, a. broocheid; zwakheld. Fralse (freez), e. apekkoek ; spaansche miter, rij stormpalen.

Is Bitcoin juridische UK


Gaande, be. going; stirring, busy; angry. — holden, to keep a-going; to keep in pixy, — at bay, — in suspense. — ',taken, to eel a•going; to stir up, to raise, to excite, to put into a passion. — rakes, to akin, to drive from her anchors. therein emnething brewing (hatch. door is iete ing). seat in er —? what le the matter ? de — en komende man, goers and comers, chance-culttorrere. GaanderU, v. gallery. Goan dewrg, bw. consecutlytly. Gaapster, v Zie Gaper. Guar, by. done; dressed; clever, expert. te onderdone. —keuken, eatingoverdone. niet !lime, ordinary. —kok, eating house-keeper. Gssard, v. yard, garden. —enier, rn. gardener. Ganrder, in. collector, gatherer. Gahrheild, v. being done; being dressed. Gammas, bw. willingly, midi pleasure, readily. — doen, — mitten, to be fond of, to like very much. Gees, o. gauze. Gad., m. & v. mate; consort spouse. --/Ok, be. Zia GaiUk. —loon, by. without a spouse or mate; matchless, unmatched. altogether. —en, ov. w. to Gader, bw. te gather, to collect. —geld, collected money. —wester, collector, gatherer. —ing, a. collection, gathering.
The other 2% of customer funds, held online, are covered in the event of a breach of Coinbase's online storage. Also, Coinbase holds all customer fiat currency in custodial bank accounts, on behalf of customers. So, if you have fiat currency in Coinbase, in a USD wallet, it is covered by FDIC insurance up to $250,000 (just like a "regular" bank). This protects customer assets (so long as they have been converted to fiat currency) even in the event of Coinbase becoming insolvent.
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.

cryptogeld beginners guide


529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.

tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


MR.—JAC. Ir ii•el,;1 c i id 'zjen), s. ongothAlenstigheicl. Irrevoca tile (ir-rev'o-kibl), A. —bly, ad. onher-one „ a. —ously, r.d. (-zjus-), ongodsdienstig. roepelijk. —Wily (-ke-bil'it-tih), —blenass, 8. on(ir-ri'mi-ibl), s. geen terugkeer go-, herroapelijkheid. doogoid. :Irriga te (ieri - geet), v. a. besproeien, bevochIrrciasedla Ails (ir-re-mi'di-ibl), a. —bly, ad. tigen. —lion (•gee'sjun), E. besproaling. onherstelbaar. —bleness, s. o.nherstelbaarheid. Irriguous (ir-rig'joe-us), a. bevochtigd, nat. Irrentissi ble (ir - re-mia'sibli, a. —bly, ad. on Irrision (ir-rizfun), a. uitlaching. Irrita ble (iPri-tibl), a. prikkelbaar, lichtgeraakt. vergeellIjk. —bleness, s • onvergeellijkheid. Irremovable (ir-re-moevlb1), a. onverplaats- —bility ( te-bil'it-tih), s. prikkelbaarhtlid, lichtboar; onwrikbaar. geraaktheid. —nt (-tent), a. vernietigend; s. prikirremituerable Air-re•nsjoe'nur-ibl), a. oube-, kelend middel —te (-teet), v. a. prikkelen; verlocnbaar; onvergeldelijk. bitteren. —Lion (-tee'sjun), s. prikkeling; verbitIrrepara Isle (ir-rep'e-ribl), a, —bly. ad cuher-, tering. —live, —tory (-te-), a. prikkelend; verstel bear. —bility —blene&s, ;. on-1 bitterend. herstelbaarheid. Irrupt ion (ir-rup'sjun), a. inbraak; inval. —ire, ad. o,her- (. . tiv), a. indringend, instortend. Irrepeala his (ir-re-Diel'ibl), a. —bleness. s. Guile, Isinglass (arzieng-glaas). a. vischltjm. —stone roepelijk, —bility roepelijkheid. I mica, moskovisch glas. Irrepenismee (ir-re-pent'ens), 8. onboetvaar- Island (ajlend), a. eiland. —er, s. eilander. digheid. Isle (ajP), s. eiland. —t (-lit), e. eilandje. Irk eplevinble (ir-re•piev'i-ibl), s. niet los to Isolat a (iz'o-leet), v. a. afzonderen. — ed, a. alkoopen. l gezondord. (-lee'sjun), s. afzondering. Irt.eprehenoi 1,3e (ir-rep-ri-be , sibl), a. —/,/y, Issue (Woe), s. uitgang, uitweg; atioop, uitslag, al. ouberispelijk. —bleness, s. onberispejjk- uitkomat; uitstorting; fistel; uitgifte;'opbrengst; bcid. kroost, oir; geschilpunt; gevolgtrekking. at —. IrrepressUble (ir-re-pres'sibl). a. niet te o , n'er- in geschil. —, v. a. uitzenden; uitvaardi'gen; nitd ruk ken. ! geven; v. n. uitkomen, -springen, -atroomen, Irx,proacba lila (ir-re-prootsj'i' , 1), a. —bly, ad. -vallen; afstammeu; voortspruiten; eindigen. I —less, a. kinderloos. o iherispelijk. —bleness, s. onberispelijk. Or; eprovnble (ir•re - proevlb1), a. Zie Sr re Isthmus (fai'mus), a. landeugte. It (it), pr. het; htj; hem; 01; haar; er. roucliable. Ire eplltlous Air-rep-tisrus), a. ingeslopen. Italic (it-tel'ik). a. cursief. —s, pl, cursieve (ir-re-zist'ibl)„ a. —bly, ad. onweer- I letters, ler , sisti s. onweerstaan- Itch Main, s. jeuking; schu.rft; hevige begeerte. sta inhaar. ba, rheid —, v. n. jeuken. --ing, s. jeuken; veliangen. —y, Irrtriolu Isle (ir-rez'o-ljo,b1), a. onoplosbaar.I a. jeukerig, echurftig. bleness, 8. ouoplosbaarheid. —t.e. a. —tely, ad. Item (aj'tim), ad. inegelijks, evenzoo. s. ar(-Ijoet-), beslutteloes. —tenet's ( ljoet-), tikel, post; wenk. v, a. opteekenen. (-1joe'sjun), s. bealuiteloosheid. Hera nt (it'ur-ent), a. herhalend. —te(-eet). v.a• Irrespective (ir•re-spek'tiv), a. —ly, ad. onbe, herhalen. (-ee'sjun), s. herhaliag. —tire trekkelijk, onafhankelijk. (-e-tiv), a. herhalend. Irresponsi bin (ir - re,, pon'sibl), a. onverant - Itinera rat (aj - tin'ur - ent), a. rondtrekkend; s. woordelijk. —bility s. onverant-1 reiziger. —ry, a. reizend; rats-; a. relswijier, woordelijkheid. reiekaart. —te (-eet), v. n. reizen, rondtrekken. Irretentive (ir-re-ten'ti:), s. zwak (van het ge- Its (its), pr. zijn, haar. I Itself (it-self'), pr. zich, self. heugen). Irretrieva ble Air-re•triev'ibl), a. —bly, ad. on-' Ivied (arvi•id), a. suet klimop bedekt. herstelbaar. —bleness, s. anherotelbaarheid. ivory (arvur•ih), s. ivoor, elpenbeen. —. a. ivoIrreverets ce (ir-rev'ut , ens), s. oneerbiedigheid. net . —black, ivoorzwart. a. —tly, ad. oneerbiedig. Ivy (aj'vih).s. klimop.. ground—, aardveil. tree—, Irreversi ble (ir-re-vurs'ibl), a. —bly, ad. niet' boomveil. —berry, klimbes. —mantled, metklimop te veranderen, onherroepelijk. —bleAess, a. onher- 1 begroeid. —owl, grUze uil. —resin, kltraopharst. feepelijkheid. Izzard (iz'zurd), P. (de better) Z.

Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
Sollars (bol'lurz), a. groote boeien. —timbers, apoatels. Bolster (boarstur). a. peluw; kompres. v. a. van kussenn voorzien; met eeu kompres beteggen; ondereteunen (up). Bolt (boolt), a. boat; grendel; pill; kluiater, —head, distilleerkolf, —rope. lijk (van een cell). Bolt (boolt). v- a. grendelen; kluisteren; ziften; nittlappen; v. n. plotseling to voorschijn springen. —er, a. builmolen. —ing-house, builkarner. —ing- hutch, butlkiat. Bolus (bo'lus). s. groote pit. ri Bonn (bom), a. eerie groote slang. Bomb (bum), a. bomkogel. —ketch, —vessel, bombardeergalloot. —proof, bomvri). —shell. bomkogel.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.
445 —masa, —revel, regimen, diet. —wear, —waren, eatables, victuals, provisions. —stet., v. Zie Eter. Easily, v. century, age. —feed, jubilee. —jaar, secular year, jubilee. —wet, secular game. —rang, secular song. Etnawlg, by. & bw. eternal (-ly); perpetual (-1Y). —depend', everlasting. perpetual. —held, v. eternity; van — tot —, for ever and ever. Effeetan. o. mv . stocks, public fund.. —leers, stock •exchange. stock-market. —haute, stookjobbing.—itandaaar,stock-jobber. —houder,stockbolder. —srakelaar, stock-broker. Ellen, by. even, level, fiat, smooth; plain, concolor; grave, demure; cleared, settled. — stieje, revise grave-airs. —en, ov. w. to make even, to level, to smooth; to clear, to settle. —heid, v. evenness, smoothness; plainness; gravity,demure-ing, v. levelling; setting. Eg, v. harrow. —balk, harrow-beam. —amid, edgetool-maker. —tend, tooth of a harrow. Egel, m. hedge-beg. Egelaatler, m, eglantine, sweet-brier. —bloom, —root, eglantine, eog.rose. Egg a, v. harrow; edge. —en, ov. w. to harmw. —er, nt. harrower. Eggerlg, be. acid, sour. sharp; blunt. —held, v. acidity, sourness; bluntness. Egglg, be. set on edge. Egging, v. harrowing. Ego Isms, o. egotism, —sat, m. egotist. —istieek, be. egotistical. El, taw. ah I indeed ! prithee! pray! El, o. egg. tech! —, boiled egg, rats-egg. run --, addled egg. —even, o. rev. eggs; spawn (ran clack), —road, ter. & o, oval. --rot, choke•fte.l. —eornsig, oval, egg-shaped. —wit, white of an egg, glair. —witten, ov. w. to glair. —witetof, albumen. Elér loop, m. —sous, egg-sauce. —dop,—eekaal, egg-shell. —dople, egg-cup. —leanest, oviduct. —kook, fritter, omelet. —koker, egg-boiler, eggcotter. —trooper, egg-man. —brans, —atok, ovary. —leggend, oviparous. —lepatje, egg-spoon. —1)jat, cadger. —mind, egg- basket. —neje net to boil eggs in. praise, horse-plans. —rek, egg•rack. —stok, ovary. —ntruif, custard. —vrosw, egg-woman. Eiger', be. own, proper, (the) very same; peculiar; accustomed, natural, innate; familiar. rich maken, to make one's self conversant with. Elgenaar, m owner. proprietor. Etigesinarilgi, be. & bar_ peculiar (-1y), proper (•Iy), natural (-Iy). —e apreektotise, —heid,v. peculiarity, particulvity; idiotism. Elgenaree,y. owner, proprietress. Eisen bunt, v. selfishness, self-interest. —batig, by. self-interested. Elgenbehaagnlk, by. self-conceited. Elgenbelang, o. self interest, personal interest. —oockend, selfish. —cooker, selfish person. Elgendons, m. property, possession. —areoht, right of possession; letterkindig —, copy-right. —stelbk, by. peculiar, proper. —melülcheid, v. peculiarity, property. ElivendunkolUk, by. & bw. arbitrary (-sly). hairs, v. arbitrariness.

Pituit nry (pi - tioe'i - te nit), a. slijmleidend; — gland, slijmklier; — membrane, tdijmviie —e (pitejoe-ajt), s. slijm. —ous, a. olijmlg, alijmerig. Pity (pit'ih), a. medelijden. it is a —, het is jam.mer. for — 's sake, in 'a homely imam. —, v. a. medelijden hebbeu met; v. n; medeliidend Pivot (piv'ut,), a. spit, tap. Pix. (pike), s.lcastje, muntkiotje; hostie,altaarkas. Zie PyYt. Plzzlar (piet1), , Pezerik. Placa ble, {plee'llibl), a. verzoetilijk. —bility ( - be 1ai1'it tie). — bleness, a. verzoenlijkheid. Placard iple - kaard'), a. piakaat; verordening. — , v. a. door een plakaat bckend maker; aanplak-


D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.

Fancy (fen'mib), a. verbeeldiug; verbeeldings, Farcic In ltes'sik1). a. bundel, tuiltje. —taar (-sik'joe-ler), a. hundelvormig. kracht; inval; neigmg; smaak; grit. to take a (to), last krijgen in. —articles, —goods, rac•e- Fuss-in ate (tes'ai-neet), v. a. betooveren, boeien. artikelen; galanterisin. —ball gemaskerd bal. —ation (-nee'ajun), a. betoovcring. --e (-aims'), —framed, ingebeeld. —monger, grilziek mensch. a. takkenbos. —sick, ingeheeld ziek. —, v. a. zich verbeelden; Fash (fesj), v. a. & a. kwellen, vertoornen. !Louden van, liefuebben; v. n. zich verbeeiden; Fashion (fesrun), a, fatsoen, vorm„ maaksel; mode, smaak, manier, draeht. people.of —, menmeenen, hasten vow.. achen van stand. —monger, modegek, —pieces, Fitne (feen), s. tempel; weerha ►n. s.trompetgeschal.—on (-on) s. rantsoenhou.ten. —, v. a. vormen; geachikt maFautir snowier. —onade (-un-seed'), E. pocher(,,snoeverij. kesa. —able, a. —ably, act. fatsoenlijk, smaakvol. a. fatsoeneerder. —ist, s. modegek. (fengd), Fang Ifeng'), a. klauw, slagtand. a. met tanden (halsen, enz.) voorzien. —less, a. Fast (feast"), s. (het) vast.; vastentijd. to break one's —, ontblten. —day, vastendag. — v. n. vas• zonder tanden Utak., eon.). —er, s. vaster. —ing, a. (het) vasten; —dog, Fungl ► (feng'gl), s. dwaze :paging. — d, a. op- ten. vastendag. —ing, a. nuchter. ziehtig, ljdot getooid; uitgedacht.'netv-fanglert, Fast,(faast'), a. !mei; vast, hecht; 'tan 4 'costly. —and niestwbakken. loose, veranderlijk; bedriegelij, to play — and Faugot (feng'(ut), a. haat. loose, veranderlijk zijn; to kwad.cr tranw handeFanion (fen'jun), a. !mantle. len. —, ad. vast; one, vlug; dikw)jls. — by, il roan (fen'nil), —so (-sus), s. arrnsjerp (eens -- beside, dieht bij. —handed, gierig. —en (faas'n), mispriestere). v. a. vastmaken, hnchten; v. n. zich bechten. Fantasied (fen'te•sid), a. grillig. Fantastic (fen-tes'tik), —al, a. —ally, ad. her- —ener (faas'nur), a. vasthechter. —ening (faaa'nsenschimmig i wand:1.10k, grillig. --atares, s. ieng), a. vastbinding; band. —ness, a. vastheid,
113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.
Their (cheer), pr. hun, haar. —a, theta.* pr. de (het) hunne, de (het) hare. Theis no (thi'lzm), a. godisterij, tbeisnaue. .-t (-ist), a. godiet, theist. —tic, —tical (-iat'lk.), godiatisch, thelstiech. Them (them), pr. hen, bun, haar. Theme (thlem), a. onderwerp, them ; grond. woord. Themselves (them-selve), pr. rich; z13 zeiven; itch zeiven; het (hun, hear) zeiven. Theu (then), ad. dan; daarop; toen. conj. dan, derholve, daerom. Thence (the.), ad. vandaar, —forth (-foorth"), —forward (for'wurd), ad. van dten tljd af. Theocra cy (thi ok're-eih), s. goderegeering. —tic, —tieal (-o-kret'ik.), a. theoeratiech. Theodolite (thi-od'ul-lajt), a. hoogtemeter. Theogony (thi-og'un.nih), a. afetamming dor heidensehe godheden. Theolog Ian (thi.o.lo , dzji-en), —iet (-ol'ud.rj13t), —ue (thl'o-log), a. godgeleerde. —ie, —iecti, a. —ically, ad. (-led'zjik-), godgeleerd. —y zjih), a, godgeleerdheid. Theorem (thi'o-rem), a. stelling. —atical (-et-ik-), --ie (.rem'ik), a. in atellingen tervat. Theoretic (thi-o-retnic), —al, a. —ally, ad. Met). retiech. Theor lel (thi'o-riot), a. heselegelaar, theoretic.. —ice (rajz), v. it. theorien maken. —y, a. bespiegeling, theorie. Theosophy (chi.os'o-fih), a. goddeltjke wijsheid. Therapeutic (then e-pjoe'tik), a. geneeskundig. —a, a. genecskunde. There (Cheer). ad. dear, er; aldaar. —about, —ebonite , ad. dear omtretit —after (-aaf'tur), ad. daarna;daarnstar. —at (-et'), ad. dear; daaraan; daarover. --by (-bar), ad. daardoor; daarbtj. —fore, ad. daarom, derhaive. —from (.from' ► , ad. daarvan, daaruit. —in (-in'), —tato (-in-toe'), ad. daarin. —of (-ov'), ad. daarvan. —on (-on'). -.upon (.up-on'), ad. daarop. —out (-ant'), ad. daarttit. —to (-toe'), —unto (-on-toe'), ad. deartoe. —under (-un'dur), ad. daaronder. —with (-with' ► , ad. daarmede. —withal (-oat'), ad. dearmode; daarenboven. Therleo (tht'ri.ok, s. tegengif. —al (the-rej'ilti), a, ale tegenglf werkend, Thermal (thur•nael') a. warm. Thermonve ter (tbur-tnom'i-tur), a. warmtemeter, wearglas. —tric, —trivet (-mo-metrrik.), a. van hat wetrgtaa. These (thin), pr. p1. van This, Thesis (thi'ets), a. stalling. Thespian (thes'pl-en), a. dremati,ch, van het treurapel. ognedderrakgr; a its. ei)",urad T Itlu i vveg(rhgh glieiw h6 o oaintew; a pier, r, pees; epierkracht. —ed, a. gewoon, gewend. They (thee), pr. pl. van he, she, it. — say, men seat, Thick (thir), a. (het) dikke; gedrang; dicht ge. boomte. a. & ad. —4., ad. dik; dlcht, vol, gedrongen; troebel; grof; menigvuidig; getneenream; and, to speak —, brouwen. — and threlfold, dabbel an dware. — of hearing, hardhoorend. —bodied. zwaarlijvig. —coated, dik an huid. —head, dikkop; domkop. —head, --headed, dik van
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
CRO.—CUB. ren. to — one's self, het teeken des Kruises ma. 'mien (into, tot). —, v, n. verkritimelen (away), ken. —, v. n. dwars over liggen, overdwars lig- vergaan tot (into. up to). gen; oversteken (over); strijdig zijn met (with), Crump (krump'), a. krom. —footed, a. kromvoe—' prp. dwars over, dwars door. —ing, s, dwars- tig. —shouldered, a. gebocheld. pad; overloop; tegenstand. —ly, ad. kruiswijze, Crumpet (krum'pit), s. kadetje. dwars; gemeltjk. —ness, s, overdwarsheid; ver- Crumple (krum'pl), a. rimpel, kreuk. —, v. a. keerdheid; stuurschheid, sorschheid. kreukelen, verfrommelen; v. n. ineenkrimpen, Crotch (krotsf), s. husk; gaffe!. —es, s. ruim- rimpelen. banden; mikken (voor draaibassen); schepters. Crumpling (krum'plieng,), s. wilde appel. Crotchet (krotsj'it), s. teksthaakje, parenthesis; § Crunch (kruntsj), v. a, met de tandeu verbrijschraag; schoor; kwartnoot; auk, gril, list; vin- zelen. gerling (vats eene sloep). § —y, a. wispelori Crupper (krup'pur), s. staartriem. grilziek. Crural (kroe'rel), a. het been betreffend. —vein, Crotells (krot-ilz), a. hazendrek. schenkelader, dijbeenader. Crouch (krautaj), v. n. laag hukken; kruipen (to, Crusade (kroe-seed), a. kruistocht. —r, s. kruisyour); (under) geduldig verdragen. vaarder. Croup (kroep), s. kruis (van een paard); romp Cruse (kroes), s. kroes, beker, fleschje. (van een' vogel); keelziekte. Cruset (kroe'sit), s. smeltkroes. Cronpade (kroe-peed), s. luchtsprong (van een Crush (krusj). s. kneuzing, botsing; verplettea aril). ring. —, v. a. kneuzen, verpietteren; onderdrukCrout (kraut), a. zuurkool. ken. to — a cup, een glas ledigen to. to — one's Crow ( kroo'),R.kraai;gekraai;breekijzer.§ —bar, v. n. verdtkt spirit, ietnand ontmoedigen. breekijzer. —flower, wilde ramenas. —foot, voet- worden; klinken (met drinkglazen). angel; ranonkel. —keeper, vogelverschrikker. Crust (krust'), s. korst. kissing—, weeke korst. kraaienveder. —toe, hyacinth. —'s-bill, upper—, bovenkorst. —, v. a. omkoraten; v. n. trektang. —'s-feet, rimpels onder de oogen. tot korst worden. —aceous (-tee'sjus), a. geCrow (kroo) [crew * (kroe). crowedj, v. n. kraoien; schubd), geschaald. —ation (-tee'sjun), a. omkorsnot., en. sting. —ily (-it-lih), a. snibbig, bits. —inesa, s. Crowd (kraud'), s. gedrang, menigte. —, V. R. koratigheid; gemelijkheid. —y, a. korstig; gevolproppen, opvullen. to — sails, alle zeilen hij- melijk. zetten. —, v. n. wemelen, driugen. (on) volgen Crutch (krutsj), a. kruk. v. a. met krukken op. (in) i ndringen. —er, s, speeiman, vioolkrasser. ondersteunen. Crown (kragutC), s. kroon; kruin. v. a, kro- Cry (kra)), a. schreeuw, kreet, uitroep; ge'ween, nen; bekronen; dam halen. —glass, kroonglas. geklaag; gekraai; geblaf; roep, faam. v. a. —imperial, — thist/e,keizerskroon(bloem). —land, uitroepen; otnroepen. (down) hekelen; verbieden; —demesne, kroonland. —post, hoofdzuil. —scab, onderdrukken. (up) opvijzelen; hooger bieden. schurft aan de hoeven van ten paard. —wheel, to — quittance, met gelijke munt betalen; verkroonrad. —work, kroonwerk. —er, a. bekroner; gelden. —, V. n. schreeuwen, roepen, krijten; voleinder. klagen; kraaien. (for) schreien van; roepen om. Cruel at (kroe'sji-el), a. kruiswijze. —ate, v. a. (out) lutd klagen. (unto) aanroepen. (out against) kwellen, pIjnigen. morren over. Crucible (kroe'sibl), s. smeltkroes. Cryal (kraj'el), a. reiger. Cruel fe•ous (kroe-sirur-us), —ger°. (-aid' Cryer (kraj'ur), a. giervalk. zjur-us ► , a. kruisdragend. Crypt (kript'), a. krocht, groeve,grafkelder.—ie, Crueir ler (kroe'si-faj-ur), a. kruisiger. —ix —ical, a. geheim. —ography (krip-tog're-fih), s. (Elks), s. kruisbeeld. —ixion (-fiks'jun), s, krui- geheime schrijfkunst. —ology (krip-tol'-ud-zjih), siging. —ores a. kruisvormig. —y (-faj), v. a. s. geheime taal. kruisigen. Crystal! (kris tel), a. kristallen; doorschijnend. Crud e (kroed'), a. —ely,ad.rauw,onrijp; wrang; s. kristal. —line (-lajn), a. kristallen; dooronverduwd; onbekookt. —eness, s. rauwheid, on- schijnend. —line humor, kristallijnen vocht (van rijpheid; onverduwdheid; onbekooktheid.—ity,s. het oog). --lization (-11.-zee'sjun), s. kristallisarauwheid, onrijpheid; onverduwbaarheid. tie. —line (-lajz), v. a. & n. kristalliseeren. Crudle (kroe'd1), v. a. doen stremmen; v. n. Cub (kula'), s. jong, welp; lafbek, koestal, stollen.' licked —, onervaren jong mensch. —, v. a. jonCrudy (kroe'dih), a. dik, gestremd, gen werpen. Cruel (kroe'il), a. —ly, ad. wreed. —ness, —ty, Cubat Ion (kjoe-bee'sjun), a, nederligging. —ory s. wreedheid, onmenschelijkheid. (kjoe'be•tur-rih), a. nederliggend. —ure (kjoe'beCruentous (kroe-en'tus), a. bloedIg. tjoer), s. berekening van kubieken inhoud. Cruet (kroe'it), s. olie- (azijn-)fleschje. Cube (kjoeb), a. teerling; kubiekgetal. — root, Cruise (kroez'), a. kruistocht. —, v. n. kruisen kubiekwortel. (ter zee). —r, s kruiser. Cubic (kjoe'bik), —al, a. —ally, ad. kubiek. — § Cruller (krul'Iur), s. flensje (gebak). number, kubiekgetal. — root, kubiekwortel. —alCrum (krum'), s. kruim; kruimel. v. a. & n, fleas, s. kubiekvormigheid. kruimelen, brokkelen. —my, a. kruimig,, brok- Cubiform (kjoe'bi-torm), a. teerlingvormig. kelig. Cubit (kjoe' bit), s. voorarm; oude ellemaat. —al, Crumble (krum'bl), v. R. kruimelen, verbrok- a. eene el hug.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond- 

Hoe kan ik gebruik maken van Bitcoin in Maleisie


satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •

Evenwleht, o. equipoise, balance, equilibrium. —ig, be. equiponderant, equilibrious. Evenvetjdtg, he. parallel; —e ljjn, parallel. —held, v. parallelism. Evenneer, be. as much, so much. Eveortnnig, be. synonymous.—weerd,synovyme. held, v. synonymy. Evenzo., bw. likewise, in the same manner. Ever, nr, boar, wild boar. —spek, brawn. —*Yodel, canine thistle. —zwitn sit Ever. Exam en, o. examination. —inator, na, examiner; probator. —ineeren, or. w. to examine, to try. Excellientie, v. excellency. Exrentriek, o. switch. Ex ramp! nor, o. specimen, model, copy. Exerc saran, ov. & 011. W. to drill, to exercise, —e.rplaats, parade. —itie, v. exercise. Expedi tour, m, dispatcher, forwarder, transmitter. —tee, v. dispatching, transmission; —kantoor, forwarding-office; —handel, agency-. transmiseion-busin.ess; —hostel*, charges of transmission. Ecel, m. ass, donkey; easel; blockhead. —drUver, —man, ass-e diver. —plank, board on an easel. —abrug, ass's- bridge, cri b. —shoofd, moo r's-haad. cap. —shop, ass's-head; dunce, ass, blockhead. —elippen, bugloss., ox-tongue. —sour, dog's-ear; *net —en, ear-merked (van broken). —eve', skin of an ass. —sveulen, foal of an ass, ass's-foal. —ecktig,bv. & bw. like an asieetupid ly).—achtigheld, v. stupidity. --en, on. w. to drudge, to slave. E.elln. v.she-ass. —nernelk, ass-milk.
Tutors are often keen for students of subjects such as Politics or International Relations to participate in Erasmus. It is seen as a great opportunity to study abroad while not having the expense of studying outside the European Union, since the grants available to Erasmus students are not available to those opting to leave the continent to study.
388 AlliehteP, on. w. to take (to lift, to pull, to throw) off. AflUvict, bv. dead, deceased, —warden, to die. maken, to kill. —heid, v. death. Atlikkets,ov. w, in lick off. Miner tier, rn. spy. —es, oy. w. Zie AlkUken nor, On. W. to decoy from, to call down, to draw from, to get by fair words, to pump out of. —er, m entirer, Altus lr. m. runni. , g (flowing) down; eb, ebbing; tiecuovion; OA, gutter; (Ascent, slooeoleclivity. end.. Inoue, termination, conclusion. —en, on. W_ to 'Wear out., — off; to run off; to overrun, to ravage, to waste; on w. to descend,, to run down, — WI; to flow down, to ebb; to gutter; to be launched; to run out, to go down; to turn out, to have an lease, to come to; to end, to expire, to terminate. --er, on. ravager. Altos bans.. by. redeemable. --ten, ov. w to relieve; to clear, to extinguish, to redeem —Per, no. reliever; redeemer, discharger. —sing, n. relief, relieving; redemption, di,charge. Aflolletereast,ov. w. to overhear. Allinriatten, on, w. to mow (down oft), to cat down. --er, m. mower. —ing ; v mowing. Alarankerr, on, at, to finish, to complete; to Bettl s, to arrange; to despatch zich — van, t. w. to get °tit's self excused. to rid one's self of. A finnten, ov, w. to finish grinding; to depict, to delineate. Afrnan en, ov, w. to warn of, to dissuade train. —etona dissuader. • dis ,inaslon. Afrixtteclietare,, on. a'. to march off, to decamp. Afmnrseh, in. march.ng off, retreat,decaropment, Aftnttrtet on: w to torment, to torture, to tr•lnre worry; to rack Afinatt en, o, w to weary, to tire out to epend. —ing, v, fat igto s weariness. Afrnelkoee, ov. w. to milk; to plume (to fleece) o. 0.; on, w to finish milking. Antreolireno ov, w. to override, to jade A fonergelen, on. W. to extenuate, to enervate, Aftner, ken, on, w. to mark. ev. w. to measure, to commensurate A Inlet to proportion, to calculate; anderen near zich zelcen --, to judge of others by one's self, —ing. citintlarion. Aftnetsulen, ay. w. to fittialtr. AfraUtien. on. w. to sell by inch of can 'le; to outdo a. o. (to get a thing) by eaying the word in a •u blic Bale A firtikfiscta, ov. a. to hit out, to guess right, to i 11.1
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×