VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Aft (aaft), ad. achter. After (aaf'tur), ad. daarna• nadat. here—, later, naderhand. —all, met dat al; ten slotte. § —night, bij avond; in de avonduren.—wards,naderhand. —, prp. na, achter; near, volgene. —, a. nakomend, later. —ages, —times, toekom,t. clap, naklucht. —cost, nakosten. —crop, nRoogst. —game, noodmiddel. —life, latere Ieeftijd. —math, etgroen. —noon, namiddag. —pains, naweeen. —taste, nasmaak. —wit, te last inzien; mosterd ate den maalttjd, —wit is every body's wit, ale het kali' verdronken is, dempt men den .put. Again (e-gee'), ad, weder, op nieuw, w as much —, nog eens zoo veal. — and —, herhaalde malen. —at, prp. tegen; jegens; over —, tegenover; —the grain, tegen den dread. Agape (e-greepl, ad. aangapend. to stand —, met open mond mean luisteren. Agaric (eg'e-rik), s, bladderzwam. Agate (eg'et), a. agaat. § Agave (e-gee'vi), s. amerikaansehe boom-aloe. Agaze (e-geee), v. a. verbazen. Age (eedzj), e. leeftijd, ouderdom; eeuw, of —, meerderjarig. to come to —, mondig worden, old —, oude dag. under —, minderjarig, golden —, gouden eeuw. middle —s, middeleeuwen. —d, a. oud; bejaard. Agen cy (ee'dzjen-sih), s. werking; agentschap. —da (ee-dzjen'de), aanteekenboek. —t, a. we, bend; s. agent; werkend middel. Agglomerat a (eg-glom'ur-eet), v. a. ophoopen; opwinden. (-ee'sjun), s. ophooping. Aggiutinat a (eg-gloe'ti-neat) v. a. samenkijmen; vereenigen. —ion (-nee'sjun), s. aaneenlijming; vereeniging. Aggrandize (eg'gren-dajz), v. a. vergrooten. —vent, n. vergrooting. Aggravat a (eg'gre-veet), v. a. verergeren; verbitteren. —ing, a. verbitterend. — ion (-veettjun), a. verzwaring; verbittering. Aggregat a (eg'gri-get), e. verzameling. —, a. opeengehoopt. (-geet). v. a. samenhoopen, seczamelen; inlijven. —ion (-gee'sjun),.e. verzameling; hoop; aanneming. (-gee-ttv), a. pezamenlijk. Aggress (eg-gros'), v. a. aanvallen. —ion (-ejun), a. annual. —ire, a. aanvallend. —or, s. aanvaller. Aggriev artce (eg-grIev'ens), a. grief; verdriet. —e, v. a. bedroeven; kwellen. Aggroup (eg-groep'), v. a. groepeeren. Aghast (e-gaast') a. ontzet. Ook Agast. Agli a ledzyt1), a. slug, handig. —eness, —ity (e-dzjiVit-t,h), a. vlugheid. Agio (re'dzji-o), s. opgeld, agIo. Agist (ed-zjist"), v. a. weiden. Agita R le (edzr-i-tibl), a. beweegbaar, behandelhaar. —te (-feet), a. a. sehokken, verontrusten; in opechudding brengen; behandelen (een vraagstuk). —tion (-tee'sjen), s. opechudding; gemoedsbeweging; bebandeling. —tor, (-tee-tar), e. beroerder, onrustittaier. Aglet (Wilt), s. nestelbesiag; kolfje aan de stofdraden. Agnail (eg'neel), s. dwangnagel. Agnate (es'neet). a. van vadera zijde verwant
s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.
PRE. 232 (-tjoe-us-), a. Terwaand, vermetel. eteden, indienen, presenteeren; aangeven; (with) waandheid, verrnetelheid. begiftigen, schenken. —able, a. voorgeateld of aangeboden kunnende worden. —encase (prez-en- Presuppos al (pri.sup.po'zel), —itian (-ziej'un), tee'ni-us), a. snelwerkend. —ation (prez-in-tee'. s. vooronderatelling. —e (- pooz% v. a. vooron• ajun), a. voorstelling; aanbieding; vertoon; voor- derstellen. eracht ter benoeming.—alive (-e-tiv), a. vooratei- Pretence (pre-tens'), a. voorgeven, voorwendsel, aanapraak (to). boar. —ee (prez•in-tiel, a. ter benoeming voor- gedragene. —er, a. voorsteller; aanbieder; in- Pretend (pre-tend'), v. a. voorwenden. voorge(-zen'sjel), a. aanwezig. —iment ven, beweren; veinzen, v. n. beweren, voorgediener. (pri-sen'ti-ment),s. voorgevoel.— /y (preeent-iih), ven; zich aenmatigen; (to) aanapraak waken op. ad. aanstonds; ongenblikkelijk. —meat, s. voor- —est, a. voorgewend, gewaand. —er, a. voorwent,telling; sanbieding; aanklacht. der; pretendent. —ing, a. —ingly, ad. verwaand, Presery able (pre-zurv'ib1 ► , a. bewaarbaar. laatdunkend. —ation (prez-ur-vee'sjun), a. bewaring, behoud. Preten slop (pre-teu'ejun), s. aarspraak; aanmatiging; voorwendsel. —tious (-ejus), a. eonafire ( ette), --(dory (-e-tur rib), a. bewarend, matigend. behoedend; a. behoedmiddel. —e (aura'), a. in- gemaakte fruit; v. a. bewaren, behoeden (from, Preteriruperfect (pri-tur-im-purlekt), a. & a. onvoltnaakt verledeh loon); kontljten, inmaken. —er, a. bewaarder; behoeder; inmaker. —era (-urz), pl. coneervatie- Preterit a (prilur-it, prat'-) a, & a. verleden (ttjd). —ion (-loran), a. voorbljgang. bril. Preside (pre• zajd'), v. n. vooreitten (over). Preter lapsed (pri-tur-lepat'), a. verieden, verPreald ency (prezn-den-sih), s, voorzitterachap, I vlogen. —legal (- Wgel), wederreehtelidk. —mission weg-, uitlaten; oversiaan; verzulmen. —eat, a. voorzttter, president. —entship, a. voor- sitterachan, —er (pre zajd'ur), s. vooraitter. —ial, Preternaturel (pri-turtnetioe-rell, a. —ly, ad. tegennatnuribk- —nen, a. tegennatuuritikketd. —iary (pre-sid'i-), a. garnizoens-; een garnizoen Preter perfect (pri-tur-purlekt), a. 86 a. vethebbend. kee'ajun), a. maekt verieden (tijd).—p/uperfeet(-ploe-puefekt), Premises!' 'cation voorefgaande kennisgeving, —y (-sig'ni-faj), v. a. a. & a. merr dan volmaskt verieden (tijd). E Pretext (pre-teksi ,,, pri'-), s, voorwendsel. vooraf aanzeggen. Press (press') a. pee., klebrkaat; (het) pressen; Preter (prPter), s. pretor. —ial,—tan (pre•to'ri-), gedrang; drub; drang. in the —, ter parse. tot a. pretortaansch; reehterlijk--ship, a. pretorcarry a — of sail, elle zeilen bilzeten. to correct ',chap. the—, drakproeven corrigeeren —bed, sleapbank. Prett y (pritlih), a. —ily, ad. lief, aerdig, net, —copy, afdruk (van een brief, ens.), moot; tamelijk. —inns, a. iletheid, aardigheid. presgang. —man, drukker; werver. —money, —y, ad. tamelijk. handgeld.—potnt, tulle.—atick, persboom,—stone, Prevail (pre-veal'), v. n. he overhand hebhen persfondament. —work, drukwerk; druk, (against. over); heerachen, in twang Ain; geldig zian. Ion. upon, with) overreden. —one a self of, Press (presa'1, v. a. persen; uitpersen; drukken; zich ten nutte maken.—ing, a. heeraehend; krachdringen; pressen. (on) op het strand jagen. [upon) n. drukken; (zich) tig, veel vermogend. —meat, a. overhand, inopdringen; inscherpen. zich voortapoe- atreven near, ( on) vioed. driugen. (for) den. (a'., upon) zich moedwillig blootatelian aan; Prevalen ce (prev'e-lene, —ey, s. overhand, eervolgen; inbreuk maken op. —er, a. perser; overwichti herraching, algemeenbeid.— t, a. —tie. presser. —ing, a. —ingly, ad. dringend.—ing iron, ad. overwegend; krachttg; heerachend; geldig. persijzer. —ion (prearun), a. parsing, drang. Prevarica to (pre-yer't- keet), v. n. slinks to —are (preervr), s. drukking; persing; druk; flood;verb gaan, draaierijen bezigen; nitvittehten zoeonderdrukking; drang; indruk. I ken; tegen trouwen plieht hen delen, —tion (-bee'. Prent iprest'), a. opbrengst; leaning; —money, ejun), a. draaierij; pliehtverzaking, ambtsonhandgeld. —ation- (-tee' , Jun-) money, jaarlijksehe trouw. —tor, a. draaier, trouwelooze; plichtveropbrengst aan he bisechoppen, —er, s. bliksem- zaker. straal. Prevenient (pre•vi'ni-ent), a. voorgaand;ontvPrornd. k everani Preselg en (preslidzj in), pl. begooeheling; goochelarij. —iation ( i-ee'sjun). a. goochelarij; Prevent pre-vent'), v. a. voorkomen, verhindea. geochelaar; ten (from); vooraf ouderrichten, —able, a. to voorrnisleiding. —iator mislei der, —ions (-tidzyi•us), r. begoocheleud. tomen; verhinderbaar. bedriegeiijk. Preventer (pre-vent'ur), a. voorkomer; verhinPresum able (pre-zjoem'ibi, a. —ably, ad. ver deraar; borgtouw, perdoen. —baekstay, loose per moedel‘jk. —e, v. n. vermoeden, Vance; bet does. —bolt, puttinghout. —brace, borg op de waken, zich verstouten, de vrijheid nemen; (of, braneen.—cross-tree,stopzaling.—leech-line,uneer• on, upon) vertrouwen op;' etch inbeeiden; zich gording.—lift, loose toppenant. —plate, kapplaat. laten vooretean op. —er, a. vermoeder; verwaande. waar!oos tuig. —rope, berg, ophouder. —ing, a. taatdunkend, verwaand. --sheets, —shrouds, pl. borg op het want. Preaunapt ion (pre-zum'sjun), a. vermoeden, ay h,liolposzteesntgaegw .— inedtrrearp,.borgatrop. —tip-rope, onderstelling; verwaandheid. —ive, a. —ively, ad. borg, , vermoedelijk; aanmatigend, verwaand; vermetel- prevent ion pre-ven'sjun), a. voorkoming; yen-uous, a. —uously, ad, (-tjoe-us-), ingebeeld, verhindering; waarschuwing. —ional, a. voorko-
a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol
MR.—JAC. Ir ii•el,;1 c i id 'zjen), s. ongothAlenstigheicl. Irrevoca tile (ir-rev'o-kibl), A. —bly, ad. onher-one „ a. —ously, r.d. (-zjus-), ongodsdienstig. roepelijk. —Wily (-ke-bil'it-tih), —blenass, 8. on(ir-ri'mi-ibl), s. geen terugkeer go-, herroapelijkheid. doogoid. :Irriga te (ieri - geet), v. a. besproeien, bevochIrrciasedla Ails (ir-re-mi'di-ibl), a. —bly, ad. tigen. —lion (•gee'sjun), E. besproaling. onherstelbaar. —bleness, s. o.nherstelbaarheid. Irriguous (ir-rig'joe-us), a. bevochtigd, nat. Irrentissi ble (ir - re-mia'sibli, a. —bly, ad. on Irrision (ir-rizfun), a. uitlaching. Irrita ble (iPri-tibl), a. prikkelbaar, lichtgeraakt. vergeellIjk. —bleness, s • onvergeellijkheid. Irremovable (ir-re-moevlb1), a. onverplaats- —bility ( te-bil'it-tih), s. prikkelbaarhtlid, lichtboar; onwrikbaar. geraaktheid. —nt (-tent), a. vernietigend; s. prikirremituerable Air-re•nsjoe'nur-ibl), a. oube-, kelend middel —te (-teet), v. a. prikkelen; verlocnbaar; onvergeldelijk. bitteren. —Lion (-tee'sjun), s. prikkeling; verbitIrrepara Isle (ir-rep'e-ribl), a, —bly. ad cuher-, tering. —live, —tory (-te-), a. prikkelend; verstel bear. —bility —blene&s, ;. on-1 bitterend. herstelbaarheid. Irrupt ion (ir-rup'sjun), a. inbraak; inval. —ire, ad. o,her- (. . tiv), a. indringend, instortend. Irrepeala his (ir-re-Diel'ibl), a. —bleness. s. Guile, Isinglass (arzieng-glaas). a. vischltjm. —stone roepelijk, —bility roepelijkheid. I mica, moskovisch glas. Irrepenismee (ir-re-pent'ens), 8. onboetvaar- Island (ajlend), a. eiland. —er, s. eilander. digheid. Isle (ajP), s. eiland. —t (-lit), e. eilandje. Irk eplevinble (ir-re•piev'i-ibl), s. niet los to Isolat a (iz'o-leet), v. a. afzonderen. — ed, a. alkoopen. l gezondord. (-lee'sjun), s. afzondering. Irt.eprehenoi 1,3e (ir-rep-ri-be , sibl), a. —/,/y, Issue (Woe), s. uitgang, uitweg; atioop, uitslag, al. ouberispelijk. —bleness, s. onberispejjk- uitkomat; uitstorting; fistel; uitgifte;'opbrengst; bcid. kroost, oir; geschilpunt; gevolgtrekking. at —. IrrepressUble (ir-re-pres'sibl). a. niet te o , n'er- in geschil. —, v. a. uitzenden; uitvaardi'gen; nitd ruk ken. ! geven; v. n. uitkomen, -springen, -atroomen, Irx,proacba lila (ir-re-prootsj'i' , 1), a. —bly, ad. -vallen; afstammeu; voortspruiten; eindigen. I —less, a. kinderloos. o iherispelijk. —bleness, s. onberispelijk. Or; eprovnble (ir•re - proevlb1), a. Zie Sr re Isthmus (fai'mus), a. landeugte. It (it), pr. het; htj; hem; 01; haar; er. roucliable. Ire eplltlous Air-rep-tisrus), a. ingeslopen. Italic (it-tel'ik). a. cursief. —s, pl, cursieve (ir-re-zist'ibl)„ a. —bly, ad. onweer- I letters, ler , sisti s. onweerstaan- Itch Main, s. jeuking; schu.rft; hevige begeerte. sta inhaar. ba, rheid —, v. n. jeuken. --ing, s. jeuken; veliangen. —y, Irrtriolu Isle (ir-rez'o-ljo,b1), a. onoplosbaar.I a. jeukerig, echurftig. bleness, 8. ouoplosbaarheid. —t.e. a. —tely, ad. Item (aj'tim), ad. inegelijks, evenzoo. s. ar(-Ijoet-), beslutteloes. —tenet's ( ljoet-), tikel, post; wenk. v, a. opteekenen. (-1joe'sjun), s. bealuiteloosheid. Hera nt (it'ur-ent), a. herhalend. —te(-eet). v.a• Irrespective (ir•re-spek'tiv), a. —ly, ad. onbe, herhalen. (-ee'sjun), s. herhaliag. —tire trekkelijk, onafhankelijk. (-e-tiv), a. herhalend. Irresponsi bin (ir - re,, pon'sibl), a. onverant - Itinera rat (aj - tin'ur - ent), a. rondtrekkend; s. woordelijk. —bility s. onverant-1 reiziger. —ry, a. reizend; rats-; a. relswijier, woordelijkheid. reiekaart. —te (-eet), v. n. reizen, rondtrekken. Irretentive (ir-re-ten'ti:), s. zwak (van het ge- Its (its), pr. zijn, haar. I Itself (it-self'), pr. zich, self. heugen). Irretrieva ble Air-re•triev'ibl), a. —bly, ad. on-' Ivied (arvi•id), a. suet klimop bedekt. herstelbaar. —bleness, s. anherotelbaarheid. ivory (arvur•ih), s. ivoor, elpenbeen. —. a. ivoIrreverets ce (ir-rev'ut , ens), s. oneerbiedigheid. net . —black, ivoorzwart. a. —tly, ad. oneerbiedig. Ivy (aj'vih).s. klimop.. ground—, aardveil. tree—, Irreversi ble (ir-re-vurs'ibl), a. —bly, ad. niet' boomveil. —berry, klimbes. —mantled, metklimop te veranderen, onherroepelijk. —bleAess, a. onher- 1 begroeid. —owl, grUze uil. —resin, kltraopharst. feepelijkheid. Izzard (iz'zurd), P. (de better) Z.

416 lumen voorate von, m. inner-apron. ItInnenwasard, m. drainedlake, inner-polder. Blinnetawnart a, ad. towards the inside, inwardly. Binnenvarester, o. lake. riser, canal. Binnensweg., to. by- w ay, by-path. lniminenweirk,o lunerwoft, clear. —8, bw.in the clear. Binnenzak,m. tob. BinnenzUde, v. inside. ISInnenzUst ask. a. side-lining. altnnemes.oi, v. inner-sole. Blest, v joint, cross beam. Hirkwoetel,m. fennel-giant. o. bishoprick. Bliasehop, tr., bishop. —sambt, episcopacy. —shoed, bishop's hat. —satatiter, mitre. —smuts, bishop's cap. —seta!, crosier. —010, by. spas. copal. Bit, o. bit, bridle. lista, bv. & bw. harsh (•ly), tart (-1y), spiteful (-ly). —held, v. harshnete, tartness, spitefulness. —asr, bv.Zie BUtnekatica. Miter, by. & ha bitter (-ly ); sad (-1y), grievous (-1y); hard, severe (-137), intense (-1y); harsh (-ly) acrimonious (-ly). o. hitter; bitters (drank), --(horde, rnagnes*a. —appel, bitter-apple, coinquint. —einden,, junk. —flesrh, gin-bottle. —bout, bitter-wood, quassia. —kalk, trisk-net,ia, stone —kers,garden-cresses —kluver, buck-bean, mare-h-trefoil. —epoath, rhomb-spar. —,teen, nephrite, jade. —wortel, bitter-wort, fell-wort. —.goat. bitter-sweet, night-shade. —rant, bittersalt, Epsom-salt. —aehtig. ov bitterish.—nehtagheid, v• bitteriehneas. —held, v. bitterness; grievsoonest; asperity, acrimony. m. bison. Blan(lje, o. little leaf; —sheet; salver, tray, waiter. het —is ontgekeerd, the tables are turned. btliernand in tangoed — staan, to be in one's books. in een kwaad — staan, to be in bad repute. Mayans, v. blame, blemish, stain. Blank-, v. blister, wheal, Wain; blaze, white spot. —tvekkend, by. blistering. Mune, v. bladder; pimple; bubble; flaw. —WY, bellows; eon —, a psir of bellows. —balgtrekker, warmer. —band, —streng. bladder-string. —brevk, systocele. —hares, bugle-horn. —kaak, swaggerer, bully. —kahen, to swagger, to brag. —aakerij, rodomontade, braggery. winter-cherry. —Pijp, blow-pipe; shooting-trunk. —speeltoig, wind-inatrurnent. Bind, o. leaf; sheet; plate; board; flap; blade; tray, waiter; newspaper. van het — syselen, to play at first sight. —goad. leaf-gold. —0,ente. leafy vegetable. —Alter, sheet-iron. —koper, sheetco pper —lois, plant-louse„ vine-fretter --tia.tinfail.—torraig,leaf-ahaped. random-readings to fill up a page). —wiper. index. table of contrasts. .— s(itle, page. —mister, leaf silver. agaric. Binder en, on. w. to turn over the leaves; in sea bock —, to pestles a book. —dos, foliage. —risk, leafy, full of leaves. —apaath, leaf-spar. —toss, be, leafles. )allege en, on. w. to bark, to yelp. —er, m. barker;
derivation. —ig, bv. native (of); sprung, descended, issued, derived, (from). Afkondlg en, or. w. to proclaim; to publish, to bid, (huweligsegeboden). —er, m. proclaimer, proclamatton. Afkoaaksel, o. decoction. Afkoop, nr. redemption; composition. —baar, redeemable. —en, ov. w. to boy from; to buy off, — out; to redeem, to ransom. --er, m. buyer; redeemer, ransomer. Afkoratan, ov. w. to take the crest off, to ship off. Alkorf en, or. w. to shorten, to make shorter; to abbreviate, to abridge; to abate, to deduct. —ing, Y. shortening; abbreviation, abridging; abatement, deduction, discount. Aft&rab hems, ay. w. to scrape (to scratch) of!. —Per, m. scraper, scratcher. —bgng, v. scraping, scratching. —eel, o. s-.1rapings. AfkrUgen, or. w. to get down, off, to take (to get) out; to get abated; to get done. Afkrulanelen.ov. & on. w. to crumble (off). Afkruipen, on w. to creep (to crawl) down. Afkunnen, or. w. to be able to do; to get off. Afkuseen, or w, to kiss, to reconcile (to make up) with a kiss; to kiss away. m. indulgence, remission., voile —, plenary indulgence. —brief. letter of indulgence. —hundel, selling of indulgences. —kraisser, vender (seller) of indulgence's. --penning, a hrove-money &find en, ov. w. to unload, to discharge; to Wad, to ship. —er, m. unloader, dtacharger; loader, freighter. —ing,v.unloading, diseharging,londing, shipping. Aflangen, ov. w. to retch down; to deliver. Attaten, ov. w to let down; on. w. to leave 0', to cease; (van) to desist from. Atha*es en, ov. w. to borrow (from). —er, m. borrower. v. borrowing. Aflneren, ov. w. to learn from; to •unlearn; to make (a. o ) forget. Aftegg en, ov. w. to lay (to put) down; to cast away; to throw off; to resign; to lay out (een link); to lay, to set; to do, to make, to perform, to walk ( to ride) over; to depart this life; bei(idenis —, to profess, to make a profession; een brooch —, to pay a visit; erne gelufte —, to make a vow; getuigenis —, to bear witness, to give testimony; rekensehap — to account I forl• —er, m. layer out; layer; old thing. Afield boar, by. inferable, deducible, derivable. —en, or. w. to lead aside, — down, off, to reanise; to tarn the course of to mislead; in divert; to infer, to deduce, to derive. —ende 'eaten, deferents. —er, m. conductor. —ing, v. leading aside, — down, — off; revulsion; diversion, inference, deduetion: derivation. — ingsbuis, —ingspijp, conduit-p!pe --ingegreppel, drain. itillelletas, on. w. to trickle down. Aflekiten, on, w. to drop (to drip) down. Afilever star, m. one that delivers. —en, or. w. to deliver, to send off, —ing, v. delivery; pert, number. Aflez fin, or, w. to gather, to collect; to pluck off; to call over; to proclaim. - er, m. gattserer; proclaimer, reciter. --ing, v. gathering, calling over; proelematien, recital.
to give notice of; to advertise. —er,rn. —star, v. Berrie, v. barrow, hand-barrow. Here., m. burst, crack, chap, fissure. —en, on. informer, informant. w to burst, to crack, to chap, to chink, to split; Berleken, ov. w. to smell at. lachen, to split one's sides with laughBerijd boar, by. manageable; practicable. —en, rich to ov. w. to manage, to ride; to pass, to make use ter; darn —, to burst. of. —er, m rider, horseman; riding-master. Berucht, ha. famous, noted, notorious. —held, v. famousness, notoriousness. —ster, v. rider. Harikari en, or. w. to rhyme, to versify, to pat Berulken, ov. w. to emelt at. into verse. --er, m. rhymer, versifier. —ing, v. Bernet en, on w. to be committed to the care (of), to be deposited (with); to leave (off); (op) versifying; rhymed version. to rent, (to depend, to rely, to be incumbent) Berle, m. & o. beryl. upon; (in) to acquieece in (to), to submit to. Benin, v. she-beer. —ing, v. care ; acquiescence, submiselon. Beritagen. on. ev, to ring. iinrisee efljk, by. & bw. blamable (.bly), cen- Bps, v. berry; crone, granny. —seboom, curranttree- Voor de verdere samenstellingen aid Antisurable, —elijkheid, v. blamable... —en, ov. bes. to blame, to eeneure, to reprove, to rebuke, —er, rn. blamer, ceesurer, censor, reprover. Beschnsaftt by. & bw. polite 1-ly), civilized, civilly, well-bred. —Acid, v. politeness. —ing, v. censure, reproof, rebuke. Berk, m. birch, —eboom, birch-tree. —emeier, Heseltantud, by. ashamed (of), abashed (at), large drinking-glass. —enfold, birch-wood. —en- shame-faced, —heid, v. bashfulness, abashment, shamefacedness. wim, birch-wine. Boseiradig en, or. W. to damage, to hurt, to Berkoen, m. supporter, prop. Impair. —er, m. —ster, v. Zie Berendeeler. Beritinachebleauw, o. fruseian blue. —ing, v. damaging; damage, average, Berm, m. berme. nor seem d, be. lemons, renonned, celebrated. BeSchiCitel2W en, ov. w. to shade, to overehtdow, to inurnbrate. —ing, v. shading, —dheid, v. tame, renown, celebrity. —en (rich), t. w. (op) to boast to torte) of, to pride one's Beacham en, ov. w. to shame, to abash, to self in (on), to glory in. —er, to boaster, brag. confound; to put to the blush, to outdo, —er, tn. confounder. —leg, v. confounding. —ing. v. boestine, vain-glory. o. vocation; nomination; appeal; trade, BelehanSen, ov. W. to intrench, to fortify. busineas, calling, profession. van —, by proton- Beschav en, or. w. to plane; to revise, to cor%ion. eon — darn op, to appeal to, —Eberjvheid, rect; to pollah, to civilize. —er, m. polisher, —ing, v. revision, correction, polishing; business, function. —shatve, ad. by virtue of civilisation. one 'a prolesaton. —splicht, professional duty. —bal,r, be. appointeble. —en, ov. W. to call; to Beneheld, o. intelligence, advice; record, docudoes, to pledge a. o. — within to —, ment; reply. itnnanal convoke; to appoint, to nominate; rerden, to send word. kteaad geven, to answer call; zich t. w. (op) to appeal (to Teter) to. rudely. —en, ov. w. to appoint; to allot (to). —er, m. appealer, appcalant; conyoker; appoin—ing, a. appointment. ter, nominator. —ing, v. calling; convocation; Bescheldess, by. & bw. discreet (-ly), modest vocation. (-Iy). —held, v. discretion, modesty. Berner el, by. & bw. apoplectic; pitiful (-ly), miserable (-bly). —der, m. disturber, perturbator. Beschenk en, ov. w. to fuddle; to present with, to bestow upon, —er, in. donor, present—dheid, v. apoplexy; pitifulness. —.en, or. w. to er, —ing, v. donation. touch; to trouble. to disturb„ to stir, to alarm. —ing„ v. disturbing; trouble, disturbance, com- BeeeberPn, ov. w. to shave, to shear; to idiot, to grant (to). motion. —te, v. apoplexy, palsy; trouble, stir, Beseheren sling, m. & v. client, protected, tumult, dieturbance. —en, ov. w. to screen, to shelter; to shield, to Berneat en, on. w. so rust, to gaiher rust, to protect. —eagel, guardian (tutelar) angni, —Pent, grow rusty. —ing, v. growing rusty. fierokken tsar, an —aarster, v. cause, author, tutelar genius. —god, teteler god. —godin, tutelar goddess. —beer, patron, protector. —heilige, —en. on. W. to canoe, to create, to brew, to rn, & 7. patron, patroness, tutelar saint. --vroure, hatch. —tag, v. remain. patroness, protectress. —er, m. Zia BeschernsHeron&ter, v. Zie Pereoover. flee, —log, v. protection. —ate?, v. Zie BeHeronid, be. poor, indigent, needy, wretched; schertovrouvv• empty; desperate, at a nonplus. —Mid, v. inBesehiet en, ov• w. to fire at (upon), to candigence, wretebeeness; deseerateness. nco ode; to try (ern geweer); to hit; to astute ; Ilierook era, ov. w. to smoke, to seloke-dry, to to wainscot, to overlay ; on. w. to go on, to fumigate. —ing, v. smoking, fumigation. advance ; to grow dim, — drowsy. —ing, v. Herotaw en, ov. Yr. to bereave —, to deprive tiring, cannonade; wain , coting. to kill. to rob (of), to plunder; ran het feces —er, m. depeiver, robber, depredator. —ing, v. Besehtinen, or. w. to shine upon. Besehlk, o. Zie Beatchixking. —at m. & v. privation, robbing, depredation. busy-body. —tsar, bv. disposable. —baeraeid, lieronw, a. repentance, regret, penitence. — being disposable. —ken, ov. w. to procure; to hebben, to repent (of;. —iebbend, repentant, repentmanage, to arrange; on. w. (over) to dispose of. ing. —en, ov. w. to repent, to regret, to grieve m. —rter, v, procurer; manager, arranger; I repent of it, (to repine) at fief, b , rfrumt mi.?.
Abeeedar ian lee-bi- si-dee'ri-en), a. a-b-c-onderwljzer; a-b-c-scholier. —y (-si'de-rih); a. a-b- book; a. tot het alphabet behoorend. Abed (e-bed'), ad. te bed. Abele le-biel'I, s. abeel, witte populien Abel tree (ee'bl-trie), a. Zie Abele. Aberdeen (eb-ur-dien'), —fah, labberdaan. Aberrn nee (eb-er'rens), —tion t-ree'ajun), a. afwijking, afdwaling Aberuncate (eb-i-run'keet), v. a. ontwortelen; uttroeien. Abet (e-bet'), v. R. aanhttsen, opstokea; bijstaan. —meat, a. opstoking; hull, —tor, a. aNnhitser; medeplichtige; valsche beschuldigerAbeyance (e-bee'ens), a. toekomstig bezit.in—, onbeheerd. Abhor (eb-horl, v. a. verafschuwen, gruwen van. —rence (-rena), a. verfoeiing, afsehuw (from. of). —rent, a. gruwend; (from. to) mtrijdig met. Abid e (e-bajd') [abode (e-hood')], v. a. verwachten; dulden, bijstaan. —, v. n, vertoeven, wonen (at. in. with); (by) volharden bij. —er, a. 1nwoner. —ing, a. verblijf, duur. —ing-place, a. verblijfplasts. Abigail (eb"-i-Reel), a. kamenier. Ability (e-btrit-tih), s. bekwaamheid. —ies (-tiez), 5. begaafdheden. Abintestate teb-in-tea'ret), a. zonder testament. —, a. erfeenaam volgens de wet. Abject (eb'dzjekt), a. — ly, ad. verachtelijk, gemeen, snood. —, a. verworpeling. Abject (eb-dzjekt'), v. a. verwerpen, verfoeien. —edness, a. verworpenheld. —ion (-dzjek'sjun), (eb'dzjekt-nese), a. anoodheid; verootmoedicing. Abiludleat e (eb-dzjoe'dl-keet), v, a. bij vonnis aan een ander toewijzen. —ion ( kee'sjun), gerechtelbke ontzegging. Alklugate (eb'dzjoe-geet), v. a. bevrijden van het juk. Abjur ation (eb-dzjoe-ree'sjun), a. afzwering. —e (-dzjoer'), v. a. afzweren. Ablactat e (eb-lerteet), v. a. spenen; op-enters. —ion (-tee'sjun), a. spening; op-eating. Abinquention (eb-lee-kwi-ee'sjun), s. blootlegging der wortela. Abintl on (eb-lee'sjuo); s. wegneming. —re lebne-tiv), a. ablativus; a. wegnemend. Ablaze le-bleez"), a. vurig, in vlam. Able tee'b11, a. bekwaam; vermogend. to be —, in staat zijn, vermogen. —bodied (-bod'did), aterk; atevig gebouwd. —ness, 5. bekwaamheid; vermogen. Ably (ee'blih) ad. handig.
er. —hor s canon, prebendary. cathedral-chant —heersehap, canon ship; prebend. —he, chapterhouse. —kapittel, cathedral chapter. —kerb, cathedral. —proost, provost ofa cathedral. —stieht, diocese. —toren, steeple of a cathedral. Dome's', o. domain, demesne. —der kroon s crownpublic property. land. publiek (non held, v. stupidity, bluntness, dullness. Donsiois, m. Zie Prodikent. Donainikenso, dominican, black-frier. Domino, m. & o. domino. — spelen, to play at dominoes. —spat, —Steen, domino. Domnsekraeht, v. jack. Dommel, in. doze. —en, or. w. to mingle, to mix; on. w. to Member, to doze; to bum, to mumble. —ing, v. dozing; buzzing. Zie Domm erik, m. Zie Domoor. Domheld. Dompel mar, in. piungeon; plunger. —en, or. w. to dip, to duck, to immerse,:to plunge. —doop, baptism by immersion. —kg, v. Immersion, plunging. Domp en. or. w. to extinguish, to put out; to lower, to dip (van geechat). —borers, sie 'Dom per. —news, stumpy nose. —er,m.extioguisher.—ridder, protagonist of ignorance. —ig, by. damp, close. —igheid, v. dampness, closeness. Donder,m. thunder. —baard,hewse-lesk. —beitel, —kloot,—steen,thuuder-bult.—trui,thuuder. storm. —bass, blunderbuss. —god, thunderer, Jupiter. thunder-clap, —goad, aurem talmlnane. peal of thunder. —walk, theinder•elond. —silver, argenturn fulminans. —car, at. thundsrar. Donderting, rn. Thursday. witte —, MaundyThursday. Donderen, on. & onp. w. to thunder. —d, by. thundering, fulesinatory, slashing. Donker, by. & bw. dark (-1y), obscure (-Iy1, tacomY 1.11y); stern ( ly), frowning (.1y); deep, o. dark, night. tussehen lick) es—, in the dusk of the evenIng,between hawk and buzzard.—bieste, dark- (deep-) blue. —bruin, dark-brown. —peel, deep-yellow.—;roes, dark-green. —rood.dark-red, —uehtig, by. darkish. —held, v. darkness, obscurity. Done, o. down. —aehtig, by. downy. Do lamella, by. downy. Dood, in. 'death. ern kind deg —e, a dead man. met den — *careens, to be at the point of death. op den — sitters, to be imprisoned for some capital crime. ter — veroordeelen, to sentence to death. ter — breves, to put to death. het semi* —, it is death to me. —, by. dead, deceased. — kepi taai,dead stock.—aanhotecliging,—aenseggien, —uericht„ obituary, notice, announcement of a death. —act. carrion. —af, quite exhausted. —akte, certificate of death. —arm, utterly poor. —bear, bier. —bed, death , bed. --bidder, sae &sen. —bieek, deadly pale. —bloeden,to bleed to death; to sink into oblivion. —bock, obituary; oblivion. —bratuien., to cauterise, —brief, obiteal letter, — notice. —bus, urn. —end, list of persons
By the time the Erasmus Programme was adopted in June 1987, the European Commission had been supporting pilot student exchanges for 6 years. It proposed the original Erasmus Programme in early 1986, but reaction from the then Member States varied: those with substantial exchange programmes of their own (essentially France, Germany and the United Kingdom) were broadly hostile; the remaining countries were broadly in favour. Exchanges between the Member States and the European Commission deteriorated, and the latter withdrew the proposal in early 1987 to protest against the inadequacy of the triennial budget proposed by some Member States.[1]

Fail ( ► ull), a. vat; hailing; afneming; widergang; timing; uitstorting; toonval; eb; waterva1; herfst. Fall (faoll) {fell. fallen (faal'n)], v. a. doen vallen; vellen; jongen werpen; v. n. vallen; afne, men; gebeuren; beginnen. — asleep, in elattp vallen. — astern, overstag wenden. — a note, eon' toon zakken. (away) afvallen, lzwijnen. (back) terugvallen; terugtreden. (down) nedervallen; afvareo. (from) afvallen. (in) invallen, inzakken; inatemmen. (in with) overeenstemmen met; ontmoeten; slangs geraken met. -- in hand with, ondernemen, wagen. — in love with., verlieven op. (into) justemmen met; toetredett tot; valien in; geraken in. — short (of), niet berei ken; gebrek hebben aan: teleurstellen in. (o) afvallen; Nervallen. (on) aanvatten; aanvalleu. (out) nitvallen; pleats grijpen; oneens warden. (over) overloopen. (to) toevallen; zich begeven aan, beginnen; — one's share, te heart vallen. (under) behooren tot; geraken ceder; een voorweep worden van. (upon) komen op, bedettken; aantasten. Fallacious (fel-lee'sjus). a. —ly, ad. ► edriegelijk. —ness, R. bedriegelijkheid. Fallacy (felne-sib.), a. nualetding; drogrede. Faint bility (fel-li-billt.•), a. fellbaarhel.d. —tile, a. —bly, ad. (fel'libt.), feilbaar. Failing (faoll'ieng), a. (het) vallen;holte. —ateey,s. afval. —off, a. giering, afhouding; Oval. —out,s. ruzie, uitvai. —, a. vallend. —sickness, vallende —star, vallende ster. —stone, donderkeil. Fallow (felgo), a. veal; break. —, a. braakland. —, v. a. voor de earste meal beploegen (break • land). —finch, a. kwikstaarrje. False (Paola"). a. —ly, ad. Taloa. —dealer, bedriege• — faced, geveinsd. —fire, blikvuur. —hearted, valach, verraderlijk. —heart edness, a. valschheid. —hood, a. onwaarheid, lettgen. —ness, a, valschheid. Falai,' fable (faol'ai-faj•ibl), a. vervalschbaar. —ieation (-11-kee'sjun), a. vervalaching. —ier (-faj-ur), a. vervalseher. —y (-fa)), v. a. verval, schen, schenti,n; logenstraffen; v. n. lieges. Falter, (faol'tur), v. n. stotteren; wankelen; weifelen; ha eren. —ing, a. gebrekltigbeid, hapering, —sag y, ad. stamelend; haperend. Fame (teem'), a. faam, gerucht; vermaardheid. —d, a. beroemd, vermaard. —less, a. onlytkend, zonder mum Familiar (fe-mirjer), a. —ly, ad. huiselijk ;retneenzaam; minzaam; ongedwougen; vertrous. huisvriend; huisgeeat. it-tittl, a. gemeenzaamiteld, vertrouiVe)ijkheid, (.ajz), v. a. gemeenzaam maken. Family (fern'11-1111), a. huisgezin; famille; geelacht. —tree, gesitehtsboona. —vault, familiegraf. Famine (fem'in), a. hongersnood. Famish (feneisj), a. a. uithongeren; v. n. ye, bongeren. —meet, e. hemgeranood: verhongering. Fe mostly (fe-rnos'it-tih), a. vernnaardheid. Famous (fee'mus), a. — ly, ad. vermaard. —nom, a. V Flikellie rd°11,j. a. vermaardheid. Fold (hold'), a. ochuthok, schaapakooi. —age, a. Fan (fen'), s, %artier; Wilasilalg; ',lenge% wan. perkrecht. —fee, sehut,:eld. — stoof knielbank, v, a. verkoehm, waitien; wAnnen. —light,

AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform
Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.

Welke cryptogeld is het beste om nu te investeren


ABUI,ny indigo , aril. Antis, m. anise. —likeur, anise-eeect•rpiri^. —ells, of lrO sed-oil. tuad, An.oleft+er, v. pink. carnation. A -nicer, o, anchor; sober; brace, holdfast. ten — kora., het — werpen, to anchor, to cast anchor. ale/ sehip drift roar —, act — aleept, the anchor drives (comes home). het hanyt, the anchor's a- trio. —arm, arm of an anchor. — boei, buoy, — paid, anchorage. —vraad, anchoring-ground. — hook, cat. cat - hook, nut. — halo, trent of an author., flout; — atok, anchoroeam, -stock, h ook. — kruis., crown of an anchor. —photo, anchorage, anchorins4-place. —schacht, —steel, shank of. anchor. —bchoen, anchor-shoe. —tatie, capstan. —Loam, cable. ---roering, lining of the how. — en, On. to anchor, to cam, anchor, v, ren'thovy. Ant ichrist„ m. antichrist. 111,,sttleope, v antelope. "int woord, o. answer, reply; response. —en, ov. & on. w. to answer, reply., (to). s iren itinkfttsitt, o.-bait/oz.-v:1404,o ape's face, ugly Ala. —kop, IA. ape's bead, blockhead. —kuttr, v. ap;ah trick. —liefde, v. foolish fondneoa. —spel, o sir Ateerli. AperU, v. ap!sh tricks, buffoonery. Apin, v. she-ape, she- monkey. ApoAtel, in. apostle; bollard. —scitap, o. apostleship. Apostolloch, ho. & bw. apostolical (-1y). Apotheek, v. apothecary's shop. AptitLekter, ro. apothecary. —abediends, apothecary's assittant. —stock, dispensatory, pharmacoeceia. —agewicht, troy-weight. —skunst, pharmacy. —spo,`, gallipot. —minket, apothecary's shop. Aoptel., o. appeal; call. . , taut, m. appellant. —leeren, on. w. to appeal (to). Appel, tn. apple; bail, pupil; pommel. --eloctent, epple-bloEsom; pole-red. --boom, apple tree. —drank, —wijn, eider. —flauwte. fainting-itt, swoon. —groom, dapple gray. —koek, apple-cake. — man. apple-monger, costermonger. —sawed, a pple- bAsket. —markt apple market. —*toes, — pent, apple - sauce, apple marmalade. —pit, apple - kernel. —rood, round like an apple. apple-paring.—schimmei,dapple-grayhorse.--sino, orange. — taart, ai.ple - pie,apple - tart. — teef, — teijf, BilliugsgMe-wench, scold. —vrouw, apple-woman. pomatuat, —oar, m. appletree. April, m. sprit. tie eerate Arak, v. arrack, rack. Arbwid, rn. labor, work; pains; childbirth; fermentation. —sloon, wagers, pay, hire. —man. ate Ari",,Ider. --en, on. w. to work, to labor.
(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.

Is Bitcoin ooit naar terug te krijgen


brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Is er een toekomst van cryptogeld


B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,

Wat is de toekomst cryptogeld


Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.

Welke cryptogeld is het beste om nu te investeren


YOR.—PAL Imperfect Tense or Past Participle. Forgot, i. & p. p. Forgotten, p. p. Forsook, i. Forsaken. p. p. Fought. i. & p. p. Found, 1. & a. p. Fraught, I. & p. p. Froze, i. Frozen, p. p. Gave, I. Galt, I. & p. p. Gilt, 1. & p. p. Girt, & p. p. Given, p. p. Gone,p. p. Got, & p. p. Gotten, p. p. Grew, i. Ground, i. & p. p. Grown. p. p. Had. i. Hes 7d, f. & p. p. Hold. i & p. p. Heipt, & p. p. He Hid,1.& p. p. Hidden, p. p. BUJ. &p.p. Hove, 1. Hovers, P. P. Hung, 1. & p. p. Hurt, 1. & p. p. Xept, i.& p. p. Knelt, i. & p. p. Knew, I. Knit, 1. & p. p. Known, p. p. Laden, p• p. & p. p. Lain, p. p. Lay, 1. Leant, i. & p. p. Leapt, i. & p. p. Learnt, & p. p. Led, 1. & p. p. Left, i. & p. p. Lent, i. & p. p. Lent, 1. & p. P. Copt, 1. & P. P. Let, 1. & p. p. Lift, I. & p. p. Lit, i. & p. p. Leaden. p. P. Lost, i. his p. p, Made,1. & p. p. Meant, I. & p, p. Met. I. & p. p. Might,i. Makes, p. p. Mown, P. P. Must, I. Ought, I. Patd,i. & p. p.
boos. —inetslike (-bisliese-lajk), a. niet gasehikt voor zaken, etrijdig net den kooproansgeest. Unbutton (nn-but'tn), v. a. loskoopen. Uneage (an-keed3r), v. a. nit de kooi laten. Uncial clued (un-kel'eind), a. onverkalkt.—culeted (-kjoe-lee-tid). a onberekend. Uncalled (un-kaold'i, a. ongeroepen. — for, on • no odig, noodeloos. Unean tolled (un-ken'aild), a. niet opgeheven, niet verntetigd. —did, a. onoprecht. —anical (-kenon'iki), a. ntet kenontek. Unwired (un-keer0) a. — for, enbehartigd, veronachtzaamd. Unease Inn-keeal, v. a. uit den koker (de keg, de scheede) nerneu; afstroopen.. Uncaught (un-kaoti a. ongevanirfn. Uncaused (un-kaozd'). a. onveroerzaakt. Unceasing inn-siezleng), a. —ly, ad. onophou• elndelooa, Uncelebrated (un-sel'e-hree-tid), a. ongevierd, ongepresen. Uncansuretil(un-sen'sjoerd), a. onberispt. Unceremonious (uu-eer-e•mo'nk-us), a. —1y, ad. :cinderplichtplegingen, ongedwongen. Uncertain (an-sar't1u), a —/y, ad. onzeker. —ty, a. onzekerheid. Unchain (un•tsjeert'), v. a. van ketenen ontdoen. 'Unchang cable (un-tsjeendkribl). a. —eably, ad. onveranderlijk.—eableness„s. onverandertijkheid. —ed (-tsjeendzidl, a. onvcranderd. —lag, a. onveranderltik. Uncharged (un-tejaardajd'), a. onbeladen; abet aangevallen. Uncharita Lie (an tsjer'ittble). a. —bly, ad. liefdelons. --6/euess, s. liefdeloosheid. Uneharm (un- tejaarm"), v. a. onttooveren. Unchast a (un-tajeeat'). a. —ely, ad. onkuisch. —iced (-tejes-tajzd'), a. ongestraft. —icy (-Wes , tit-ih), a. onkuisehheil. Unchecated (un-tsjekt . ), a. onbelemmerd, onbetenge'd; niet gecol.ationeerd. Unekeerful (un-tsjterloel), a. neerslachtig, bedrnkt. -1.14, a neersiechtigbeid. Unehrist sued (un-kriend), a. ongedoopt. —ian, a. —iaray. ad. (-kristlen-), onchristelijk. Unehron toted (un-kron'i kid), a. on vermeld.. Unchtireh (un-tajurts,r), v. a. uit de kerk (ge, meente) atooten. Uncial (un'ajel), a. & a. — let:er, groote letter. Uneireurn Oiled lun-aur'ku ► i-evjzdj, a. onbe • sneden. —ciao* (aizYun), a. onbesnedenhapi. —scribed (skrajbd), a. onbepsald. —spect, a. —spectly, ad. (-spekt.), onbedachtzaam, onvoorzichttg. Uncivil (un-eivs11), a. —ly, ad. onbeleefd. —iced (-ejsd), a. onbeachaard. Unclad lan-kledl. a. onsekleed. Unclaimed (un-kleema' 1. a. ongedtacht. Unclarilled lun , e lerl.fajd), a. ongeklaard. Unclasp lun-klaaap'), v. a. locheken. Unclassical on kles'eikl),a.niet klasalsk. Uncle (unrk1), a. oom. Unclean (un-klten'). a. —ly, ad. amain, anti. —knots (-11- nese), -AM, a. onreinbeid; onkuischheld. —sed (-klensd.), a. ougentiverd. Unclew (un • kljoe'), v. a. los-, arwinden.
526 race, lazy person, sluggard, idler. —bakken,—baisex, to be lazy, to idle. —lab, sluggard, bedPreeser. —lakken, to idle, to lie a-bed till broad day. —ledi.c, very lazy. —lekkerland, Cocagne. —images, scrubbing-brush (with a long stick); transom, sweep, leefang lLuiti, bv, & bw. loud (.1y). m. soar — nun, according to the tenor of. —keels, aloud, with a loud voice. by. & bw. noisy (-11y), noisiness, clamor, ' ciamorous (-ly). —rachtigheid, ciamoroutnees. Luigi en, or. & oa. w to ring, to sound, to run, to purport. —er, m. ringer. —sag, v. Tinging, sounding. Euler), ov. & on. w. ens. Zte Leiden, ens. Luier, v. swaddling-cloth. —peed, child•bedlinen. —korf, —mend, child-bed-basket, childbed-linen. lLuieren, on. W. to idle, to loiter. v, penthouse. —schrift, intcription on a penthouse. Luihead, v. laziness, idleness ; sloth. Luilt, o. shutter; hatch; trap-door. —gat, scuttle. —ring, hutch ring. Lulken, ov. w. to abut, to close. Luint, v. humor, cue: whim, freak. in eene goede — skin, to he in spirits, to be of good cheer. is eene kwade zijn. to ace out of humor (aorta), to be in the mumps. —ig, by. & bw. humorous (Ay); sehrijeer, humorist. —igheid, v. humorOilenella, humor. Luipaard, m. leopard. ',nip an, (on. w. to leer, to sneak. —erd, in. sneaker, hypocrite. Lulls, v. louse. —keg, tatterdemalion, mean fellow, reseal. —kruid, lice-bane. —sickle, lousy disease Culater„ m. splendor, lustre, glows. —risk, by. & ha. splendid Op, Mastro. (-Iy), sumptuous (-1y), magnificent (Ay). ILstister ear, us. listener, eaves-dropper. —en, ov, w. to whisper; on. w. to listen, to hearken; (near) to listen to, to obey; near het veer to answer the helm. —seherg, —vast, Wee hearing. —rink, eaves-dropper. —rinken, to eavesdrop. Lute, v. lcte. op de — speten, to play on thelute. lute.caae. —maker, lete-maker. —sneer, lute-etring. —.pet, playing on the lute. —speeltiter, —.peter, lute-ptayee, lutist. Yauitenent, Tn. lieutenant. — ter see, lieutenant of the marines. —adrniraal, lieutenant-admiral.
of &saint. —endag,seints'day,holy-dey.—endienst, —memo, —entijd. heroic age, —enyeeSt, iterate —envereering, worship of saints. —enkrans, sure- spirit. —engeelacht, race of heroes. —enmoed, ale; halo. —en, ov, w, to sanctify, to hallow; to heroism. —eoschaar, —enstoet, host (train( jot saint, to canonize; to conetcrate, to keep holy. heroes. —exteelt, offspring of heroes. —enzang, —heid, v. holineeit, sanctity; sacredness. —ing, teroic song. v. cemetificeteon, hallowing; canonization; con- liintleEtr, by. & bw. clear (-1y), bright (-1y); clean secrat,,on. (-19); serene (-ly), lucid; soundly. —denkend,clearliellioiRe, bv. & bee. fatal (ily); nefarious (-Iy), headed, —ziend, clear-sighted. —siendheid, clearflegitione (1y), wicked (.1y). --heid,,p. nefarious. eightednees. —Acid, v. clearness, brightness; nest, flagitieuenees, wickelatoe. cleanness; serenity; lucidity. illeillenneie, by, ealotary, benefielal, seiluiiferous. Illehtlinittg, by. heroic; bw. heroically. —held, —held, v. salutarinloe, benefieialnese, salufifer- v. heroism. outtneee. IlleirdSta, v. heroine. Illeiitreitik, by. bw. secret (1y), private (-Iy), !lei en, ov. w. to conceal, to receive (stolen elaielestrne by etaalth. — held, v. secrecy, geode). er, m. coneett lar,recoleer. privacy. —eeinak, water-closet, privy. v. half; moiety. de prostate —, the better Illeirneele, 0, cricket. half. de — kleiner, leers by half. Heinsweto, o, horne-sickness, noetalgia. het — Iictlolt , v. conceeling,c0mq, alment• hebten, to lir ho!ne-istca. lielleettaterd, v. halberd. —ier, m. hanerdier. — en ere, for and near. Unlit en, on. w. to incline, to hang (to lean) Hefei sit.. ov, w. to enclose, to hedge (to fence) In, over, to slope. —lag, v. inclination; declivity, —8/0oi„ditc;i. —jug, v. encloser., hedge, fence. slope; dock-vast; 111.1r. o. army, host. —baan, high road. —bill , Ham m, v. broom, heath. —Areid, little celandine. battle-axe. —kracht, forces, troopv. --leper, —plant, bloom. —struilt. broom. o i e B6ei r. d, flee.' der .....,haren, the Holm, re. helmet, caeque; caul; still, alembic. Lord of beets. —Re/ow, review., muster, —tocht, tort een ye:Jaren, born with a silver spoon in --vaart, crotch of an army. — roerder, —caret, one's mouth. —bos —veder, plume of a helmet. leader of s n army, --yet, opening in the beever. crest. —spite, tew. hone! Lolls! point of a helmet. —attiltf e, stators. --top, o. grate, baluster, roil, bar, fence, enelos- —stok, whivtaff, tiller. —teeken, crest. —vizier, lore; stern-fraree. de —ken ziin verhungen, the beaver, visor. —et, o. helmet. tables are turned. —balk, wing-transom, —boot, Help ov. Nv„ to help, to aid, to gimlet., to fly-bout. wheelageatoll.—knieen, transom- succor; to avail, to be of use, to boot; to be knee.. bringer-up; last child, —slut, goad (egetnet, for); — aan, to procure for, to stern-timber. --uotrk,etern-fratue;railing.greteng, help to: teat sal het —? what will it avail? trellie-- work. —kenteringer,hare-brained fellow. sit den brand (noodl —, to get out of a scrape. m. hat ch71, !te; !tickle; dislike, aversion. over belt, strap. —er, ro. —zed., porter's shoulderden — hoden, to censure, to criticise, to taunt. —ate, v. helper, assistant. —dieht, sAttte.—diehter, uoi Att. —schrift, satire, Hplsels, by„ heilifh , Infernal; diabolic; mad. lempoor, — fool, srtirical larrgustge , eryte. —e maehten, powers of hell, —e steels, lapis -- land. prickle of hatchel. ',mid, shrew. infernells, lunar caustic. — werkluig, infernal —record, eatirteal word. —zueht, centiorioueneee. machine, torpedo. —oar, in, —.water, v. hatcheier, heckler; ceo- neon, vow. him. surer, ems — achtig, by. & bee eel:to:rue (-1y), liens, tow, hero ! hum! censorioue - - ach,igheid, v. captiousness, ce, o, shirt; thin, smock. — rok, under-waisteorioreene, —en, or. .1. to hatchel, to hackle; cent, Clu.rrneey-shirt. —.board, —skraag, collar to censure, to eiltieite. v. hatchelling, (neck) of a thin. —iknoopoihirt-button. —.moues, hackling; criticieine„ shirt-sleeae. —ealip, skirt of a shirt. —enlinnen, hicks, 7itch; vixen. --endans, dance (vigil) cif shirting. evitches. - enmeester, wizard, —en,proces, trial of 117quel, heaven, :heavens; sky, firmament; witches. —enrcerk, witchery. , en. w. to climate, clime; tester, baidechin; top, roof (ran Prectise sorcery, to use rs iteloceeft; ik ken niet eene Noels). goede good Heavens! den — zti ,1 am net a wizard, dank, Heeven be praised. —beachrOving, Uri110. 0, he. & bee. deer (1y); shrill ( y), sonorous graphy. —bewoner, inhabitant of Heaven, ceI-1y); blazing. —donker, Clare-obscure; wIlight, ieettal. — bode, angel, divine messenger. —bol, Hell, v. hell; condemned hole tin era schip). —hood, —globe,—kloot,eelestial globe. --boot', arch (vault) hell hound, Oerberue. —lebeok, —181,604, impious of heaven, firmament. —dauw, rain. —feweif, wretch, reprobate. --leeije, pains of hell, —le- celestial venit, cape (canopy) of heaven. —gorveeg, etre-devil, vixen. —terorst, prince of hell, del, —etreek, citmate,zere. —beer, Lordot Heaven. Satan. —lewacht, zie —heir, celestial host, host of heaven. —kof, llelnas, tow. alas. paradise. —hoop., ns high as heaven; to the hero. —eneroz, heroic arm, valor, —en- nrx. skies. —kaart, aatronomical map, celestial chart. bisect, noble blood, bleod het'oee. —endaad, —lichaans, celestial body. —licht, celestial light; —enfeit, —eastuk, heroic action, exploit. —ex- luminary. —loop, motion of the stars. —poort, deugd, heroism. --endtebt, eel, poem, epopee. gate of Heaven. —rijk, kingdom of Heaven, .--endichter, epic pact. ---endooa, heroic death, Paradise. —Coal, heavenly language. —ter:lend,
Pick (Mk . ), 5. bikijzer, puntige hamer; tanden-stoker; (het) uitgekipte. -axe, houweel. -fork, hooivork. -lock, looper; die sloten openeteekt -pocket, -purse, benrzensnijder. -thank, Inklooter, plutmetrijker, -tooth, tandenstoker. -, v. a. prikken, pikken; bikken, plukken; uitkippen; sorteeren; sehoonmaken, zuiveren, afklui. yen; opensteken; plunderer, op den kop tikken; versamelen; uitpluisen. -acquaintance, kennis maken. - a quarrel,twist zoeken.- thanks,pluin, strijken. (out) ultpikken; - a livelihood, een bestaan vinden. (up) oppikkan; opcklen; - straws, vergeefeelle moeite doen. -, v. n. peuzelen, kieskanwen,• langzaam en nauwkeurig werkee. Pickapack (pik . e•pek), ad. op den rug. Picked :(pirid), a. puntig, 'pits; gemeakt, ingebeeld. -ness, e. puntigheid. Plckeer (pik•ler . ), v. n. schermuteelen; zeeschuimen. Picker (pik'ur), e. pikker; uttzwker; plul.ker; houweel;tandenCoker.-ofquarrels,twlatzo , ker. -el (41), e. enoekje. -weed, snoeikruid. -oon (•oeu . ), a. Lie Picture...me -y, a. kleine diet. Picket (pik . it), N. steak, paal; ;piker (veldwacht en !Tel). -, v. a. met palen vastzetten. kenen, Picking (pik . ieng), 8. het plukken, uitzoeken, nelezen, opzamelen. -.a (•iengz), pl. snippers, vuilnis, afval. Pickle (pik'kl), 5. pekel; zuur, ingemaykt goed; benarde toestand. -mixed -a. vat.: a, allerIei. -herring, pekelharing; hansworst. -, v. a. peke. len, inmaken. Picnic (pik . nik), s. botje bij-botjes-raaaltijd. Piero lite (pirro-lajt), s. bittersteen.- -met (-met), 5. gaistof, bitterzoet. Pict oriel (pik-to . ri•e1), a. sehilders- . van de sehilderkunst; gelllustreerd; afgebeeld. -oral (pikt .joe-rel), a. afgebeeld; s. afbeeldsel. Picture (pikt'joer), s. Behilderti; Ribe,Idsel; tatereel. -book, prentenboek. -drawer, sehilder. -drawing, het schilderen. -galery, -room, sehIlderilfaal. -, v. a. schilderen; afschiideren. - like, a. ale eene schilderjj. Picturesque (pikt-joe-reek"), a. sehilderachtlg. Piddle (pid'd1), v. n. kieskouwen; beuzelen. -r, s. kteskauwer; beuzelaar. Pie (par), s. pastel; eketer; misboek. - bald (-baold), a. bout. Piece (pies'), e. stuk; geldstuk; geschrift; sehilderstuk; geweer, hanon; dead, a -, per atuk. - by -, stuk voor stuk. - of wit, geestige inval. of a -, van dezelfde snort. -goods, stukgoederen. -work, werk per sank. -, v. a. lap en, verstellen; samenvoegen; (out) verlengen, rekk en; (up) oplappen, -, v. n. zicn aaneen hechten; sl uiten, passim. -less, a. nit 66n stuk, geheel, - meal, a. & ad. stukswijze, aan stukken. -r, s. lapper. Pied (pajd'), a. boat, geschakeerd. -ness, s. bontheid. Pieled (pield), a. geschild; kealhoofdig. Plepowder (parpau-dar), a. - court, gerechtehot op jaarmarkteu, marktgerecht. Pier (pier'), s. brugpIller; eteenen beer; haven.
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.

following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


GRAL—GB.1. funeral song. —maker, grave - digg,or, —naiad, obe- Greln, o. grain; camlet; small pepper. —en, bv. eamlet. —tje, o. keen —, not a whit. lick. —schrift, epitaph. --spetosk, cave, vault. —stede,tomb. —steen, tomb-stone. —teeken. mark Grating, m. horse-line. of a grave, monument. —locate, tomb, funeral Grenadter,m. grenadier. Grentlei, tn. bolt. —boom, bar. —slot, stock-lock. monument. --seek, grave-alone. G ralfettejk, he. of a count, of an earl. , bw. —en, ov. w, to bolt. Grencitt, hv. fir. —loom, fir-tree. —host, firlike a count. —held, v. earldom. wood. lintels, be. & bw. angry (-11y), wrathful (-1y), frontier; confine, boundary, 'wrathy. —sihap, v. anger, wrath. —stony, 'ay.& Grens, v. border,—beek, frontier-brook. —teeld, bw. Zie Grans. —storigheid, v. angrinesa, wrath- limit, bound. term. —belooner, borderer, eonfi ner. —boom, fronfulireee. Grimmest, m. pomegranate; garnet. --, v• pome- tier-tree. —doer, village on the frontiers.—Pad, —jagev, douaneer. frontier-god, Terminus. granate; gren ade, grenado. --aopet, —boom, 'wine. boundary-line, line of demareation.—paa/,boundgraa ate. —stern, garnet. ary post; limit, bound. —rivier, boundary river. Granite, o. granite. —btok, block of granite. iron—scheiding, frontiers; demarcetion. —rote, granitiek rock. —aehtig, be. granitic bound-atone, mere. G rap, v. farce, prank, fun, drollery, frolic. roar tier-town. —steen, de —, for fun'e sake. --pen makes, to droll, to stone. —teeken, boundary-mark. —vesting, froutier-fortress. frolic, to jest. —pencliaakste,, —penmaker, buf- loon, droll, droller, funny person. —pig. be. & Grednaen, on. W. to border, to confine, Clan, ludl. upon); to resemble, to be like.—/ooe,bv.boundless; bw. funny, droll (-ingly), faeetioue infinite. —looshoid, v. boundlessness; infinitude. tin de zaak was, van croon ( - 1y). het grapp 4 pole beat joke of all was. --pigbeid, v. facetiousness, G reppei, v. furrow, treneh, ditch, gutter. ludicrousness. Greelg, be. & bw. eager (-1y), greedy (-ily). Gras, o. gram, hij hoot en bij —, now and then, v. eagernees, greediness. v. grief. rarely. —anjelrer, sweet-John, sweet William. Grief, Greitele, m.ely,dog, Cunning blade. —tloem, gr ► saflower.—boter,gra,a-butter. nen, groovy Mils; in -- goon, to feast, to banquet. Griend, v. willow-plot. —land, marshy land covered with willows. —etend, grarninivorons. —green, grace-green. —ha)ns, grass-blade. —hoeing, coast-herring.—hop- Griep, v. influenza. per.grase-hopper. —korneoneadow c paeture.—land, G sleepless), o, oat-meal, pollard. coarse Geier, v. *.horn-back. —linnen, grasig land; pasture-ground. cotton. —look, chives. —maaier, grase-cutter, Grist ant', v. district, manor. —man, chief of a mower. --zaaand, A pril. —march, linnet. —opper, district, lord of a manor. grass - cock. —perk, grand-plot, lawn. —rijk, G riev e, v. grief. —en, ov. w. to grieve, to afflict, to break (to rend) one's heart. —earl, hr. 3a bw. grassy. —Reheat, g r axg. blade. —veld, grass-field. gvievous( - 1y), afflicting. --dakte, grassy plain, savanna. — worm, cater - pillar, —wartel, dog's-grass. —zoad, gra3s , s,ed. Grtexell en, on. w. to shudder (van, at). —O., — node, sod (of turtl e sawn. — ach fig, be. grassy, o. bit, small quantity. Grif, by, readily, fluently, glibly. gramfneous —Jr, o. blade of grass; satior'e cap. Grine!, v. slate - pencil; burin, graver; graft. —en, Q. rest5e, e. pardon; grace; CI raceov w. to engrave; to graft. Crest ig, be. bony. —held. v. boniness. -office.—ior, nt. recorder. Grill I., v. rolls, record-office. (i arattle, bw gratis;, gratuitoeely. G valley:, in, snarl, rebuke. — , o. rabble, scum, —iersehap. o. —ievspoat, to. office of a recorder. populace. — , by, grey, gray. -- papier, brown G ri Moen, Grillroom, m. griffin. paper. —e luck!, cloudy .sky. —brander, gray Gel amid, v. readinems, fluentuess. be. Graft, v. slate-pencil; ditch, moat. , Fran,lsean) friar, cordelier. —achtig, —ig, grayish. —achtigheid, v. grayishness. Go-Un, grumbler, crowd fellow. —en, on. w. to cry, to grumble, to fret. —ig, be. grumbling, to growl. (at). —er, m. e —en, on, w. to rotor1, v. fretfulness, peevishfretful, peevish. —star,c.on,r‘,er. —7.eid,v. grayness. —lje, a. don- nets. lcuy, maziat GrizLle. be. gravelly, af- G rkj ass, v. mask; grin. —aardon. grumbler. t. rav esA, o. gravel. be. gravelly; dear, exGrijnxen, on. w. to grin, to grumble. fected, with gravel. —ig, Gajp, an. griffin. —vogel, griffin; miser, usurer, pensive, COaVy. —righeid, v. expensiverterer. G rave,er der. m. engraver. —en, on. w. to en- extortioner. —achtig, be. covetous, thievish. —en, eagerly, to gripe, grate. —ijren, —naald, —steal, —stift,engraving- ov. & on. w. to seize, to catchplaats —, to take tool. —kunst,art of engraving. --week, engraving. tpola.clutch, to lay hold of; —set, o- engraving, to get gray toorden, hoary. — gray; digger. GrUtr, be. Grew en, ov. w. to dig, to delve. —er,m. hairs. —, o. gray, — color.—aard, m. gray-haired —ear, tn. engeaver..—ing, v. digging. man, gray beard; old man. —achtig, be. grayish, Gravies, v. countess. old age. Graz was, on. w. to graze. —ig, be. grassy, grizzly. —held, v. grayness,gray, — gray-haired, — GrUxen, on. w. to grow green. hoary. Grab, v. furl ow, trench; channel. prarok,trick. Gretp, ni. grasp, gripe, catch; knack. —, v. hilt, Grit, v. whim, freak. caprice: fancy, —werk, whims, trifles. —tick, whimsical. —len, handle; handful, grasp; pitch-fork.
384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)

Hoe ga je kopen rimpel op Coinbase


La (lao), int, kijk ! ale 1 Labe faction (leb-e-fek'ajun), a. verz vrakking, —y (-faj), v. a, verzwakkeu. s. opschrift,naambriefje;etiquette; Label codicil, rand van het veld. —, v. a. van ten naambriefje (etiquette) voorzien. Labeni (lee'bint), a. glijdend. Lab, al (lee'bi-el), a. van de lippen, lip ; n. lipletter. —ate (-et), —ated (-eet•id), a, geiipt; mtg. —odentat I o•den'tel), a. met behulp van In lippen en tanden uitgemproken. Labor (lee'bur), s. werk, arbeid; moeite; barensnood. v. a. bewerken, vervaardigen; afrossen; v. n. werken, arbeiden; zich moeite geven (at. for); lUden (under); woretelen (with ); in arbeid zijn. —atory (leb'ur-re.tur-rill), a. werkplaats, laboratortum. (-}),,,d). , t.ijf; gedwoiven; door-
BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.
196 FOilar . 11 .• itia't-greeol, —cc (grie). 5. flits loud.' —post, wegwe'tzer; geesteltike. —stall, viugerling. of enlverdrandwerk. —, v. a. betasten, fommelen; atrossen; v. n. tie lin5s (fafliengz), s. vajlsel. vingers zetten. —ed, a. gevingerd. —ing, s. yingerzstting; betasting. Fill (tills), s. bekontst; verzadiging. —, v. a. vul- len. vervullen; verzadigen. to — water, water. Fingleftingle (fien'gl-fengl).•s. beuzeling. inne.nen. (out) opvullen; sciaenken. (up) ainvul- Finical (fin'ikl), a. —1y, ad. xnodeziek, fatterig; gemaakt. —fleas, s. gemanktheid. lea; beelaan, innemen. —., v. a. vol worden; achenken. --er, 8. V1111 , 1, StOpWOOrd; trekpeard. leinDs (farnie), s. einde. (lin'isj), s. voltooiing, laatste (streak) s. haarbandje; kroonlijet; gouden Fillet randje; exhijf, lendeatuk. —, v. a. opbindvn (met hand. —, v. a. afmaken, ten einde brengen; v. n. eindtgen., ophouden. —er, s. voleinder. sea lint); met acne kroanlijat venieren, FiZlibeg , fil'ii-beg), s. rokje der Ilooglandera. voltooier. —ing, a. laatsto; —stroke, genadeslag, — jag, s. Fillip (111.'lip), s, knip (met de vingers). —, v. n. knippen lop den neus). Finite (faj'najt), a. —ly, ad. eindig, benerkt. Filly (fil'lih), s merrievettlen. —less, a. oupindig. —nes., s. eindigheid, be(film'), a. vlies. —, v. a, met cen vlies be- perktheid. dekko], —y, a. vliezig. Fluitor, (fin')-tur), s. geziehteinder. It (fil'ter), a. tlitreer, doorzijger, ze'. Finnikin (fin'ni-kin), t. tuimelaar. v. a. doorzligen, kleinzen. Fipple (fip'pl). a. stop (eener fiat). Filth (filth';, a. null. -mess, a. vuitheid. —ily, Fir (far),. a. denneboom, pijnboom. ad. —y, VIlil. Fire (faAr'), s. vuur; brand; glood; drift, hartstocht; 'per. to take —, vim (vuur) vatten. to Filtra to (fit'treet), v. a. doorzijgen, filtreeren. set on — , to set— to, in brand steken. —arms, your—lion (-tree'ejen), a. doorzijging. wapenen. —arrow, vuurpijl. —ball, vuurkogel, Fizoble (firn'bi), a. — hemp, gelline. granaat. —barrel, vuurton (op sea' brander). (fim'bri-et), a. gezoomd, net franjes. Fimbriate — board, schoorsteenscherm. —bear, vuurbaken. — (eel), v. R. zoomen. Fin ,fin'), a. yin. —fooled, —toed, a. zwemeoetig. —boom, brandhaak. —bole, gemeentehout, vrij brand. —brand, brandend bout; stokebrand. —scale, yore., —less, a. zonder vinnen. —like, —orush„ haardbezem. —bucket,brandemmer.—dog, a. vinvormig. —acd (-nid), —ay, a. gevind. haardijzer. —cater, vuurvreter. —engine, brandFinable (fajn'ibl), a. bekoetbear. spuit. —escape, reddingstnestel (hij brand). —fan, Finial (farad), a. laatat; beslissend (to); doode- fork , pook. Wk. --rause, grondoorzaak. —ly, ad. ten slotte, vuuracherm. —fly , lichtworm. —hearth,kombuis.—hook,branethaak. —insurance, eindelijk. brandverzekering. —irons, haardgereedschap. Finance a (fi-nens'), s. inkomen. —es (-sir), s. —lock, vuurroer, snaphaan. —man, spuitgast; geldmiddelen.—ia/ (-sjel), a geldelijk,—ier(fin-en- stoker; driftkop. —new, fonkelnieuw. —office, sier'), s. financier. Elnan, s. twecde smidse (in ijzer- brandwaarborgmaatschappij. —ordeal, vuurproef. violent). —pan, vtlurpan• kruitpan. --place, stookplaats. Finch (lints)), s. yin), —creeper, koelmees. brandspuitprop. —prigger, dial (hij brand). Find ilajnd') [found (faa-end)], v. a. vinden; aan- —proof, vuurvast. —room, kamer met stooktreffen; bevinden; veroehaIkea; vecklaren; goad- plaats. —screen, vuurseherm. —set, haardstel. keuren. —one's self, rich bevinden, varen. —fault — ship, brander. —shovel, haards.chop. —side. a. haardstee; hoekje van den hoard; a. huiselijk. (with), bedillen, %igen op. — in one's heart (to), —tongs, haardtang. —ward, —warden, brandtrek hebben. (out) ontdekken; ontraadselen; op- ineeater. --wood, brandhout.--work,—works,vuurloosen. --cc, s. vinder, uitvinde.r.,ontdekker. — ing, e. solid; mania. —logs , a. schoanmakerege-week. — worker, vuurwerkmaker. —worshipper,
Mallo4e, v. metilot. -calf, mehlot-selva. Malach c by, k bw. tender (-Iv, soft (•1y), mellow, mild or taste; sweat (-1y). fluent (-1y). -held, v. tenderkess, mea owcese; sweetness. ltilailatave, Mal no, v. mallow. Matinee U, v. maim' ey. Malin, v. nipple, pap, teat, dug. Mama, v. marinas, mammy, ream. Mecestoring, v. pump- hoae, eenpper-hose. Man, m e man; husband, male. - roar -, one by one. op den - af, stratubtfc:, ward. z.(yn vsnden, to meet with one's match. de gemee, man, tie lower orders, - • Cleo. ann den - brengen, to be trifled with. dl.pooe of. -gat, man hole. -haftig, population; solliv. & bw. manly, manful (-41, courageous ( - y; Wiltaissetrap, v. homage; male diers ; crew. -pen, v W.V. men. brave ( - 1y), valiant ( - 1y) - haftigheid, - ,noedig• of a /lea, manliness, manfulness, conr.ge„ beaveq Mantel, m. cloak, mantle, gown ; town. lemon(' den - witvegen, to take a. o. np valor. -slag, man-slaughter. -viik, men - roW, roundly, to rattle a. O. -jos s cloak. -board, berepaphrodite; virago. -ziek,love Kick., amorous. -ptjpje, lent cape of a cloak. -kraag, gallon. mtn - bate. - nennuti, hospital (a,ylunn pipe. -rerhuurder, letter of mourning-elosks. for men. -nenklooeter, monastery for monks. - zak, portmanteau. - en. or. w. to cloak, to - nee/cour, chorus of men. - nennioed, manly courcover. -int', v. ciuick-set bridge. age. -nenctand. manhood. - nentaal, language of a reap. -sbe.;14, image of a man ; mar nikin. ltiesnutract urea, v. nor. linen-draper '15 wares,
Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.
Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —, 

Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


er. —hor s canon, prebendary. cathedral-chant —heersehap, canon ship; prebend. —he, chapterhouse. —kapittel, cathedral chapter. —kerb, cathedral. —proost, provost ofa cathedral. —stieht, diocese. —toren, steeple of a cathedral. Dome's', o. domain, demesne. —der kroon s crownpublic property. land. publiek (non held, v. stupidity, bluntness, dullness. Donsiois, m. Zie Prodikent. Donainikenso, dominican, black-frier. Domino, m. & o. domino. — spelen, to play at dominoes. —spat, —Steen, domino. Domnsekraeht, v. jack. Dommel, in. doze. —en, or. w. to mingle, to mix; on. w. to Member, to doze; to bum, to mumble. —ing, v. dozing; buzzing. Zie Domm erik, m. Zie Domoor. Domheld. Dompel mar, in. piungeon; plunger. —en, or. w. to dip, to duck, to immerse,:to plunge. —doop, baptism by immersion. —kg, v. Immersion, plunging. Domp en. or. w. to extinguish, to put out; to lower, to dip (van geechat). —borers, sie 'Dom per. —news, stumpy nose. —er,m.extioguisher.—ridder, protagonist of ignorance. —ig, by. damp, close. —igheid, v. dampness, closeness. Donder,m. thunder. —baard,hewse-lesk. —beitel, —kloot,—steen,thuuder-bult.—trui,thuuder. storm. —bass, blunderbuss. —god, thunderer, Jupiter. thunder-clap, —goad, aurem talmlnane. peal of thunder. —walk, theinder•elond. —silver, argenturn fulminans. —car, at. thundsrar. Donderting, rn. Thursday. witte —, MaundyThursday. Donderen, on. & onp. w. to thunder. —d, by. thundering, fulesinatory, slashing. Donker, by. & bw. dark (-1y), obscure (-Iy1, tacomY 1.11y); stern ( ly), frowning (.1y); deep, o. dark, night. tussehen lick) es—, in the dusk of the evenIng,between hawk and buzzard.—bieste, dark- (deep-) blue. —bruin, dark-brown. —peel, deep-yellow.—;roes, dark-green. —rood.dark-red, —uehtig, by. darkish. —held, v. darkness, obscurity. Done, o. down. —aehtig, by. downy. Do lamella, by. downy. Dood, in. 'death. ern kind deg —e, a dead man. met den — *careens, to be at the point of death. op den — sitters, to be imprisoned for some capital crime. ter — veroordeelen, to sentence to death. ter — breves, to put to death. het semi* —, it is death to me. —, by. dead, deceased. — kepi taai,dead stock.—aanhotecliging,—aenseggien, —uericht„ obituary, notice, announcement of a death. —act. carrion. —af, quite exhausted. —akte, certificate of death. —arm, utterly poor. —bear, bier. —bed, death , bed. --bidder, sae &sen. —bieek, deadly pale. —bloeden,to bleed to death; to sink into oblivion. —bock, obituary; oblivion. —bratuien., to cauterise, —brief, obiteal letter, — notice. —bus, urn. —end, list of persons
11leasier (haoa'jur), a. aleeptouw. a. halt; geHalt (haolt'), a. wank, kreupel. v. n, hinken, mank gaan; stil houden; hink. welfelen. —ing, a. —ingly, ad. hinkend; aarzelend. Halter (haolt'ur), a. manke, kreupele; balster; strop. —sick, rijp voor de galg. —strap, haleterriem. —, v. a. met een touw !Auden; een' halster (een strop) omdoen. (haav') v. a. halveeren, in tweetu deelen. —a, e. pl. helften; half-vondst, half-part. to go —s with one, met 'emend halfdoen. 11am them'), s. ham; knieboog. —adryad (e-draj ed), a. boschnimf. —ate (-et), a. verward, ineengehaakt. —ated (-ee-tid), a. gehaakt, met baleen. llama (heem), s. haam (voor paarden). Hamlet (hemlit), s. gehucht. Hammer (hem'mur), a. hamer. clinch—, klinkhauler. set—, moker. —cloth, bokkieed (aan eene koeta). —hard, —hardened, met den hamer ge , hard. —head, kop van den hamer; hamervisch. —man, hameraar. —wort, hamerkrnid. —, v. a. & n. haineren, smeden; werken. —er, s. haineraar. litotramock (hem'muk), a. hangmat. —line, scheerWit. —rack, kooilat. Ilamons (hee'mua), a. haakvormig. Hamper (hem'pur), a. sluitmand; boot. top—, bovenlast. —, v. a. verwarren, veratrikken; in eene 'nand doen. Hamstring (henestrieng), a. kniepees. — [irr.], v. a. de kniepees doorenbden. ilanaper (hen'e-pur), a. schatkist. Hances (hen'aiz), a. p1. einden van elliptische bogen; gtllingen der regeltngen op de lichens van het roer. Hand (bend'), a. hand; schrijfhand; handbreedte; wijzor; kant, zijde; voordeel, overhand; wedstrijd. p1. menr.en (helpers, werklieden, enz ). -
76 Dirk (dark) a. dolk. —, a. donker. —, v. a. doorboren (met een' dolk). Dirt (dart'), s. vuil, modder, slijk. —, v. a. bevuilen, bealijken. —iness, s. vuilheid, moraigheld. —ily, ad. —y, a. vuil, morsig; laag. —y, v. a. bevuilen; verlagen. Diruption (di-rup'sjun), a. vaneenbers!ing. s. onbekwaamheid; Dis ability onvermwen. — able (diz-ee'bi), v. a. onbekwaam (ongeschikt) maken; ontramponeeren. Disabgise (dis-e-bjoez'), v. a. uit den drown (nit eene dwaling) helpen. Disaccommoda to (dis-ek-kom'mod-eet), v. a. in ongelegenheid brengen. —tion, (dee'sjun), a. ongereedheid. Disaccustom (dis-ek-kus'tum), v. a. afwennen. Disacknowledge (dis-ek-nol'iidzj), v. a. niet erkeunen. Disacquaintance (dis-ek-kween'tens), a. onbeken b eid. Disadorn (dis-e-dorn'), v. a. ontsieren. 'Disadvantage (dis-ed-vaan'tidzj), a. nadeel. —, v. a. benadeelen. —ous, a. —ously, ad. (ven-tee'd2,jua-), nadeelig. —nuances, (ven-tee'djus-ness), s. nadeeligheid. Disaffect (dis-ef-fekt"), v. a. afkeerig maken. —ed, a. —edly, ad. ongenegen; mianoegd. —ton (-fek'sjun), a. ongenegenheid; mianoe;dheld. Disaffirtnance (dis-ef-furm'ens), s. ontkenning. "Disagree (dis-e•grie'), v. n. verarhillen, oneens zijn. —able, a. —ably, ad. niet strookend; onaangenaam. —ableness, R. onaaugenaamheid. —meat, a. verschif; oneenieheid. Disallow (cits-el-lau'), v. a. & n. weigeren; afkeuren. —able, a. onaannemelijk; onvergunbaar. —ance, s. verbod. Disaniniate (diz-en'i-meet), v. a. ontzielen ontmoedigen. Msann I (dis-en-nul'l v. a. vernietigen. (Disappear (dia-ep-pier'). v. n. verdwijnen. —ance, a. verriwijuing. P.Sisappoint (dis-ep-pojnt') v. a. to leur (of), meat, s. teleurstelling. Oisappreciate (die ap-pri - sji-eet), v. a. minachten, Bering nhqtten. p pro bat ion (dis-ep-pro-bee'sjun), s. afkeuDiS ring. —nry ( en'pro-bee-tur-rile), a. aticeurend. Disapprov ai (dis-ep-proev'el), a. afkeuring. --e, v. R. afkeuren (of). Disarm idiz.aarm'), v. a. ontwaperten. Disarrange (dis-er-reendzy), v. a. verwarren. —ment, s. verwarring. Disarray (dis-er-rue'), a. wanorde. —, v. a. ontkleeden; in wanorde brengen. Disas ter (diz-aas'tur), a. ramp, ongeluk. —trous, R. —trously, ad. rampspoedig. Dtsavougli (dis-e.vautsj'), v. a. herroepen. Disavow (dis-e-vauw"), v. a. loochenen; niet erkennen. —al, a. loochening. Disband (diz-bend')„ v. a. afdanken, ontbin.den; v. n. uiteen gaan. Disbark (diz-baark'), v. a. ontschepen• afschillen. Diebe lief (dis-be-lief"), a. ongeloof. —liere (-lieu'), v. a. your onwaar henden. —Never, (-lieuttr), a.
Lip (lip'), s. lip; tail; rand. to make a —, de lip laten haugen. —glue, monelijm. —labor, —wisdom, praatjes. lippenpomade. —, v. a. kussen. —ped (lipt), a. gelipt. Lipothym oats (11-poth'i-scut), a. bezwkjmend. —y, s. bezwijming, flauwte. Lippitude (lip'pi-tjoed), a. leepoogigheid. "Aqua ble (lik'wibl), a. arneltbaar. —limy (-webil'it-tih), —bleneas, ameltbaarheld. Liquefaction Ilik we-fek'sjun), a. smelting. Liquef labia (lik-weefaj-lb1), a. sn,ltbaar. (-faj), v. a. & n. smelten. Ciquescen cy (laj-kwea'seu•sih), a. uneltbaarheld. —t, a. ameltend. a. Liquid (lik'wid), a. vloeiend, vloeibaar. vloeistof; vloeiende letter. —ate (-net), v. a. vereffenen. —cation (-ee'sjun), a. vereffeuing. —ity 1-wid'it-tih), —nest, s. vloeibaarheid. Liquor (Brut.), s. vocht;geestrijk vocht,likeur. v. a. bevochtigen; inin —, beschonken. smeren. —ice (-is), a. Zie Licorice. Liriconfancy (lit-i-kun-fen'aih), a. lelie der dales, rneibloempje.
MIL. -MIN. —post, mijIpeal. —stone, mijlsiren. --age s. mijigeld. ftli13'011 s. duizendblad. It'Mary (rnll'je-rih), a. gierstaardig, g,ekorreld. — fever, gierst-, purperkcorts. Milt not (mil'i-tent), a. strijdend. —ary (•te-rits), a. kri,jes-, militair; a, krljgswezen, enIdatenstand. —ate ( feet), v. n. oorlog voerien, strijden. —ia (me-lisj'e), a. militie, atavistic krijgsmacht. Milk a. melt. —fever, zogkoorta. —food, rielkspije. —hedge, melkatruik. —house, melkhula. lafnartig. —maid, melkster. —man, inelkboer. —pail, melkemmer. —pan, melkpan. —porridge, melkpap. —pottage, melkhrij. —rice, rijetebrij. —score, melkrekening. —sickness, maltziekte; runderkramp. —sop, weekeling. —tare, melkkruid. —thistle. —tooth, melktend. —trefoil, melkklaver. —vetch, knolkruid. --weed, wolfsmelk. —white, nieikwit. —seaman, mell,rouw. Milk (milk'), v. a. melken. —en (milk'n), a. van melt. —er, a. smeller; melkster. —inese i-i-nese), reelkachtigheid. —y, a, melkachtig; zacht,week. --y-way, meikweg. (mill' ► , a. molen; molenwerk; fabriek; drijfwart; dulzendste deel van een' —board, stijf bordpapier. —brook, molenbeek. —clack, —clapper, molenklapper. —cog, tend van eon molenrad. —dam, molehschut. —dust, stuifmeel. —hand, molenaarsknecht. —handle, ataartatuk van een' windmolen. —hopper, molentrechter. —horse, molenpaard. —leath, molenpracht.—moth,kakkerlak. —mountains, vb.., purgeerkruid. —pond, molenvijver. —puff, echeerwoi. —race, molenwater. —stone, moseasteen. —tooth, bilk-. maaltand. —wheel, moleurad. —wrijht, molenmaker. --, v. a. malen, wrijven, stampen; vollen;stempelen;slaan. Millenar tan (mil-le-nee'ri-en), a. duizendjarig; a. die aan het duizendjarige rijk geloolt. —y (mil' le-ne-rih), a. uit duizend bestaand; a. tijdvak van duizend jeer. Millenni sat (mil-len'ni-el), a. duizendjarig. —um, a. duizendjarig rijk. MiLleped (mille - ped), a. duizendpoot. Miller a. rnolenaar. —'s-thumb, post (visch). (mil-les'i-rnel), a. duizendete. Millet (m11'110,, gierst. Military (mirli•e-rih), a. mij1-. a. mijlsteen. Milliner (milli-nul), a, modemaakster. —y, s. mode-artilielen; mode-vat. (mirjun), a. millioen. —ary, a. uit Genet! bestaand. —lb, a. millioenste. (mile), s. milt; horn. —wart, miltkruid. --, v. a. bevruchten (visehkuit). --er, a. 110M1,:ert. Minte ‘majm'), a. gebaar, mime; poetsenmaker.— , v. us. mimen granpige gebaren malen. —tic (mi-met'ik), a. nabootseud. Mimic (mim'ik), s. gebarenspelrr, nabootser. —, v. a. met gebaren uabootsen, nadoen. —, —al, a. —ally, ad. nabooteend, mimiach. —ry (-rih), a. koddige nabeetsiug. Minaci DIMS (mi-nee'sj us), a. dreigend. —ty (-nes'. it-tih), s. zucht tot dreigen.
De verzekerde wil het beveiligingsbeleid toepassen dat voor de groep besloten werd met behoud van de specifieke behoeften en de autonomie van het beheer in elk filiaal op basis van het bijzondere profiel van de debiteurenportefeuille (franchise, verzekerd bedrag) van elkeen en het financiële vermogen om deel te nemen aan het programma (premie). tc-re.com

Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.


ALL.—AND. different ; common-place, trite. —held, e. commonness, indifference; triteness, Aileen, by. alone, by one 's aelf, single, teat. tended. —, bw, only, singly, nothing but. —handel, monopoly. —heersetiapp(i, rponarchy. —hemtcher, moneren., autocrat, —heereching, monarchy, an'ocrncy. —sprelak, soliloquy. --zaligmakend, only-raving. —sang, monody. Alle *neer, b.s. Zits Altageder. — gaartje, o. mishmash, hodge-podge, medley. Allernars, vow. every body. —evriend, friend of every body. Allenge, bw• try degrees, gradually. Al lent waive, ow. every where. Allerbeet, by. A bw. beet of all, very beet, very well, capital (-1y,, excellent (-1y). Allerclirletelljket, be. most thrletien. Allereerst, by. & bw. first or all. elleehnvitcle, by. Zic Alter lei, & o. All-saints'(-day), All-hallo•tide, All-hallow". Allerbooget, hr. most high, supreme. —e, en. (the) Most High. Allerkinde, revidnig, zr. Innotente-day. Allerlel, by. ell Porte (manner) of, various. Alierl Wet, by. & be. most charming (-1y), roost beloved, dearest; by preference. Allermeasst, by, A bw. most, most part, moat of all. Allervinnst, ho. next, next door, very nearest.. bw. hard by. Allerwenen, bw. every where. AdlerAO en, tn. A o. —dog All-aeuis , day. o. all. every thing. any hIng. AI feeolne. bw. in sorry respect, in all respects. o Lie Gehniie. ,111ipincht, v. omnipotence. —19, by almighty, omnipotent. —ige, m. (the) Almighty. —igheid, v. almightiness. ,Thaannak, m. almanac, calendar. Altuiregend. hv. Zie Almachtlg. %log, v. //foal —plant, yloe.-pl.int. bw, every where. —tegenwaordig. omnipresent. —tegenwoordigheid, omnipresence. Aloud . , bv. an cient. e. antiquity. Altalinhet, o. alphabet, index. —itch, by. & bw. alphabetical (-1 y). Atreede, Alreedm, bw. already. Virally, v. mandrake Aim, vw. an , like; when; if; as if. — ware het, an te st were. — wanneer, when. at which time. Almdan, bw. then, at that time. Alsem, m, worm-wood; bitternete. —bier, purl. purl royal. —acAtig, be. absinthian. Alemicde, bw. as also, too, besides. Alenog, bw. as yet. bw. now. at this time. Alsof, vw. as it. Atmtoren, bw. then, at that time. Alt, v. cornter-tenor; alto. —stuk, altar piece. Alltanr, o. altar. —Oa —dier.aar, altarist, acolyte. —dienst, office, mass, —dock, altar cloth, corporal. —gewaad, climb* Alltegnder, AltemaaN,bv.altegether. Atte:inset, bw. sometimes, mayhap. All bane, bw, at least.
Coinbase is a terrible and unprofessional company. They’ve ignored my requests for escalation after providing no feed back on the issues I am having. These issues are costing this customer not only monetarily, but due to the lack of transparency with new policies in which coinbase will hold your funds hostage for 10 days while advising that it can be transferred “instantly” is not only false, but malicious contempt.
bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility

Wk. onuitvoerbaar; onbandelbaar. —bility, (-ke• drang ; aandrift ; Mot. —ire, a. aandrijvend. s. ondoenlijkheid, onult- —ively, ad. door drang. voerbaarheid; weerspannigheid. Impunity (im-pjoenit-tih), s. etraffelonsheid. rftliprects te (im' pre- keet), v. a. verwensehen, Impair e (im-pjoer'),a. —ely. ad . onrein; onkuisch. vervloeken. (-kee'sjun), s. verwensching, —eness, —ity, s. onreinheid; onkuischheid. vervloekiug. —tory, a. verwenschend. Impurple (1m-pur'pl), v. a. purperkleurig maken. Inapregin (im-prien , „ v. a. Zie to Impregnate. Imput able (im-pjoelibl), a. te wijien, toe te ltnprcgoa tale (im-preenibl), a. —bly, ad. on- achrijven. —ation, (-tee'sjun), s. toerekening, toene,mbear; onwrikbaar. —te (-neet), a. beswan- sehrijving; aantljging. —nave, a. —atively. ad . gerd. verzadigd. —te (-neat), v. a. bezwangeren; (-te-tiv-), toesehrtivend, toerekenend. —e, v. a. doortrekken; verzadigen. —tins (-nee'sjun), a. be- toeschrijven ; wtjten ; te lasts leggen, (to). —er, zwangering; verzadiging. a. toeschrijver; aantijger. Imprescribtliale (im-pre-skript'ibl), a. enver- Imputrescibi• (im-pjoe-tres'sibl), a. onverrotbaar; onbederfeltk. aarbaar. Impress (im'press), a. indruksel; merk; Mu- In (in), pop. te; op; naar; onder. —, ad. bins pi euk; pressing. nen, thuis. —that, dewijl. —the hundred, tan hon. Impress (irn-press';, v. a. indrukkea; inpren- lord. — my opinion, imbue bedunkens. nine times ten, (on); doordringen (with); merken; pressen, — ten, negen keeren van de tien. a. onvermogen, onbe—ibility (-ti-bil'it-tih), 8. vatbaarheid voor in- Inability drukken. —able, a. vatbaar year indrukken, —ion kwaamheid. (-eresp.,), S . indrukking; working; indruk; af- Inabstinence (ire-eb'sti-nens), s. onmatigheid. urs:k; drab, oplage. —ive, a. —ively, ad. indruk- Inaccessi Yule (in-ek-ses'sibl), a. —bly, ad. onmakend, treffend, —iveness, s. (het) indruk ma- toegankelijk, ongenaakbasr. —tileness, kende. treffende. —went, s. pressing. —are (-presj' (-si-biPit-tih), s. ontoegankelijkheid. tier), s. indruirsel, merk. Iuuccurta cy (in-ek'kjoe•re-sih), a. onnauwke.uInaprest (im'prest), ts. haudgeld, voorschot. righeid. —te, a. —tely, ad. (-ret-1, onnauwtseurig. fti,prevalenee (in.-prev'e-lens)„ a. onvermogen Intact ion (in-ek'sjun), —ivity (-tiv'it-tih), a. 'fiverijn over wicht to bandhaven. 0111z keloosheid. —ire, a. —ively, ad. werYeloos. imprint (im'print), s. opgaaf van drukplaata, Inadequa te(in - ed i e - kwet),a. — tely,ad.ongeevenredigd, onvoldoend (to). —op (-km-a-31h), —teness, drukker, jaartal, enz. (van sera bock). — (-print'), a. ongeevenredigdheid, onvoldoendheid. v. a. drukken; inprenten (on, upon). impritiack (im-priz'zrt), v. a. ge,angen zetten. Intill11111.1 bility tin-ed - mia - si - bil'it - tiN, a. ongevangenueming-; gevangensehap. aannemelijkheia. —ble (-mis'xibl), a. onaanne- went, I mprob aisle (irn-prob'ib1), a. —ably, ad. on- melijk. wart iseltijnlij lc. —ability (-e- bil'it-tib), s. ormaar- lundverten ce (in-ed-vnetens), —cy, s. onachtscbijnlijkhetd. --ity„ s. oneerlijkheid. zaamheid. —t, a. —tly, ad. onachtzaam.
447 offend, to give offence to; to irk; sick t. w. to take offence (eau, over, at). be. & .) bw. offensive (-1y), irksome (-1y), scandalous (-1y). —1Ukheid, v. offensiveness, irksomeness, scandaloneness. — nit, v. offence, scandal. Erken nen, ov. w. to acknowledge, to own, to avow, t9, confess, to admit. —sing, v. aelmowledgemet.t. be . thankful, grateful. —teIiikkettl, v. thankfulness, gratefulness, gratitude. —testis, v. conception, perception, return for a favor; tie ErhentelUkheld. LI flanges:, or. w. to 'minim, to get, to obtain. Ernst, m, earnest; seal. in alien —, in sober earnest. — zaak, serious matter. —haitig, be. & bw. grave (-1y), sedate (-1y), serious (-1y). —haltigheid, y. gravity, eedateness, seriousness. —ig,bv. & bw. earnest (-1y), serious (Ay), grave (-1y). —igheid, v. earneetneee, seriousness. Erte, o. ore. —rigs, abounding with ore. Ervar en, ov. w. to experience; to learn. —en, be. experienced. expert, skilful, skilled, wellversed. —enheid, v. experience, expertness, skill. —ing, v. eeperience, practice; information. Etrve, v. appurtenances. —foes, be. heirless. —ft, inv. heirs. —n, ov & on. Tr to inherit. Erwt, v. pea. —embed, pease-plot. —endop, pea'scod. pea's-shell. - eioneel, pease-meal. —enrija, prop for peace. —ensoep, pease-porridge, peasesoup. —enstroo, p ease- haum. Escedron, o. squadron. Each, m. ash, ash-tree. Eska/der, o. squadron. Esp, m. asp —.bled, aspen leaf. —e5oorn, asp tree. —.about, aspen wood. —enheuten, aspen. —Woof, aspen leaves. Eseche boons, in. ash-tree. —shout, ash-wood, —sihouten, ashen. —nloof, ash-leaves. Easeleur, m. assayer. Eatrik, m, square brick. Elen, o. eating; food; dinner, supper. —, ay. & on w. to eat; to dine, to sup. —Oaks, seed- box, trough. —.kat, pantry, buttery, safe. —laird, dinner time, supper-time. Ever, m eater. Et raven, o. after-growth, after-math. Ether, m. ether. —tech, by. etherlal. Et usual, o. natural day. Eta ass, or. w. to etch. —(izer —naaid, etchingtool. —kunst, etching. —pfaat, ' etch-engraving. —er, m. etcher. —tag, v. etching. Et teltike, tw. some, several. Etter, m. matter, pus. —bcrst, empyema. —buil, imposthume, abscese.—dracht,suppuration.—gnat, fistula. —gezwel, aposteme, abeam. —prop, core (in au abscess). uurnient phlegm, matter. —word, suppurating wound. —zak, cyst, abecese. —achtig, be. inattery, purulent. —en, on. w to suppurate. —ig, by. purulent. —ing, v. suppura• tion. Eunjer, m imp, evil spirit. Envoi, o. evil, disertee, Unit. —, by. evil, bad. —, bw. ill. —disiden(opneesen), to take amiss. —dead, crime, wicked deed. —mocd, rashness, pride, in. sol -ace. —ssoedig, rash, proud, insolent. Evangel le, o. Gospel; het — prediken, to evau• golize; —dienaur, minister of the Gospel; --leer,
rig. —, s. buikloop, (-cc'. sjun), s. losmaking, verslapping; los-, alapheid. —attre (-e-tiv), a. ez a. buikontlastend (middel). —ativenesa (-e-tiv-), a. loamakende eigensehap, —ity, —neon, s. losheid, elapheld. Lay (lee), s. leek; graa-, wetland; laag, schieht; gezang. Lay (lee) [laid (leed)], v. a. leggen, zetten, pi/Lateen; op-, neerleggen; temperen; doen hedaren; verwedden; verlossen (eene kraamvrouw). to, aanspraak maken op, elschen. — the cloth, de tafel dekken. — to heart, ter harte nemen. — hold on. aangrijpen. — level, slechten. — a plot, eene samenzwering smeden. — taxes, belastin gen heffen. — a wager, wedden. — waste, verwoesten. (against) beschuldigen van. (aside) ter zijde leggen; laten varen. (before) voorleggen. (by) ter zijde wogieggen; bewaren; afdanken. (down) nederleggen; in bewarilig geven; betalen; vastetellen. (forth) ten toon atellen. (in) op-, inleggen; inalaan. (off) weg , afleggen. (on) opleggen; schulven op. (out) uit-, aanleggen; inrichten; te koste leggen (on, aan); afleggen (eon lijk); toonen. (over) bedekken, beleggen. (to)toeechrijyen, wijten; inapanncn. (under), onderwerpen aan. (up) opzamelen, aparen; onttakelen; onbebouwd laten; he.t bed doen harden. —, v. n. eieren leggen. peinzen; atreven, trachten. (about) om zich been glean; zich dapper weren. (at) ela R11 inter; te lijf twillen. (for, in for) het voerzi.• hebben op; belagen. (on) er op Caen. (out for) trachten near. (upon) aandringen bij; dringend verzoeken. Lay (lee'), a. wereldlljk, leeks-. —brother, leekebroeder.—days,ligdagen. —figure, ledepop.—land, braakland. —man, leek. —stall, mesthoop. Layer (lee'er), a. melaatsche. —house, lazaret, pesthuis. —wort, lazarue kruld. Lazaret (lez'e-ret(, —to (-ret'to), a. inzaret, pesthuis. La. y (lee'zlh), a. ily, ad. lui, traag. —iness (-zi-ness), a. luiheid, trangheid. Lea (lie), a. weide; graavlakte. Leach (lieter), a. loogasch. —tub, loogkuip. —, v. a. ultloogen. Lead (led'), s. load; dieplood. —color, loodkleur. —mine, loodmijn. —ore, looderta. —pencil, potland. —shot, bagel, schroot.—work,loodgieteru.—, v. a. met load dekken. —en (led'n), a. looden. —a (ledz), pl. looden dab. —y, a. loodachtig. Lead (lied ), a. telling; voorhand; uitstoot. to take the —, aanvoeren. Load (lied') [led], v. a. & n. lelden; aanvoeren, heerschen; bewegen; verleiden. —er, a. )eider, aanvoerder; voorganger. Leading (liedleng), s. Jelling, bestuu, —, a. leidend; aerate, voorste; voornaamate. —article hoofdartlkel. —card, eerst opgespeelde kaart. —hand, voorhand. —horse, eadelpaard. —man, voorganger, nenvoerder. ringa , leiband. Loaf (lien, a. blad; vltugel. —brass, bladkoper; klatergoud. —bud, bladknop. —gold, bladgoud. —silver, bladzilver. —stalk.,bladsteel. —, v. n. bladeren krijgen. —age, a. gebladerte, loaf. —ed (lief(), a. gebladerd. —less, a. bladerlooe. —let fli t), a. blaedje. —p, a. bla‘Prrijk.
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.

385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.
389 AFL Afsekenken, ov. w. to pour off, to decant; to Afrepelen, ov. w. to ripple, to pill. weaken. Are*eh ten, ov. w. to train, to fit, to teach: to dress; to break (ten paard); to man (ten milk). Afsehep an, on, w. to chip (off), to despatch; afgericht r(in op, to bare a knack at, to be to put (to shift) oft. —er, m. deepatcher. —ing, qualified for. —er, m. —vier, v. trainer, —ing, v. v. shipping, despatching. Atecheppen, ov. w. to scum (to stoop) off; to training, dressing. skim. Afristdon, or. w. to override, to founder, to jade, Alleheren, on. w. to shave (to shear) off. on w. to rids (to drive) down, — away, — off. Afsehets en, ov. w. to sketch (out), to delineov. w. to unlace to unstring. ate, to describe. —er, m. sketcher, delineator, Arrifigsn, ov. w. Zie Afechourers. describer. —ing, v. sketch, delineation, descrip/Uric, in. riding away, startingtion. Afroelen,on.w.to row away. — off, (from). Angell:ear en, on. w. to tear off; to tear —, to Afroep en, or w to call down, — away from; Fever (from); rich —, to separate (from). —leg, v. to oro,)aim, to publish; to call over. —er, tearing off; separation; schism. v. proclamation. proclaimPr. Atoehlet en, on. w. to shoot —, to fire (off). to Arroenten, on. w. to runt away. — of discharge, to let off; to separate by a partitionAfrofrelen, ov w. to plane rouahly, to Title; to wall; on w. to slip, to slide. —cc, .0. shooter, bungle (to hammer) up. discharger. —ing, v. firing, discharge; partition, Arroll en, ov. w. to rot). down; to unroll, to unfold; on. w. to roll (to tickle) down. —ing, separation. Afeehljn en, on. w. to shine. —set, o. resplenv. roiling down; unrolling. dency, Image. Afrond en. ov. w. to round off, to make round; Afechildwr en, on. w. to depaint, to depict; to to thithil. —ing, v. rounding (off;; finish. Arroons en. ov. w. to cream, to skim, to fleet off. represent, to describe. —ing, v. delineation, description, picture. —ing, v. creaming, skimmin a, fleeting. Afrosa en, ov. w to curry; to override; to hang, Aisehlifer en, on. w. to scale (to peel) off, to exto drub, to rib-roast, to thrash. —er, m. rib- foliate. —ing, v. exfoliation. Alochillen, ov. w. to peel, to pare, to shell, to roaster. blanch. Afrott en, on, w. to rot away, — off. —ing, v. Afschoppen, ov. w. to kick down, — off. rotting. Afgehrap pen, on. w. to scrape off; to mark Arrulten,on. w. to get by trucking. with a dash. —eel, e'. scrapings. Afrulik en, on. W. to snatch away, to pluck off. Arachrlft, o. copy, duplicate. ee* — nettle*, to —sr, m. snatcher. —lag, v. pulling off. draw k copy. Arseharfsel,o.shavings. Arnehndunv en, ov. w. to portray l•y the shade, Allsehrkif loon, o. copy-money. —ster, v. Zie ArselbrIjwer. to shadow out, to adumbrate, to typify. , m. painter of silhouets. —ing, v. shadowing, adum ArsehrUe en, ov. w. to copy, to transcribe; to write off; to countermand, to blunt (eens pen); oration, soiagraphy; silhouet. to finish writing. —er, to. copier, copyist. Afsehnff en, ov. w. to abolish, to abrogate, to v. copying; writing off; counter-order. ' repeal; to dismiss, to part with. —er, m. abolisher; abolitionist; temperance man. —ing, v. abo- Afsehr1111, m. horror, abhorrence. ten — hebben Tan, to abhor. —ken, ov. w. to scare away; to lition, abrogation; dismission. —ingsgenootechap, intimidate, to discourage, to deter. —Tend, by. temperance.society. warning. —king, v. intimidation, deterring. Arochamp en, on. w. to slip off, to touch lightly, Afeehrlknve"Akt nd, by. terrifying, dreadful. to glance (to graze) upon. —er, m. —ing, v. sl)pAlsehrobben,ov. w. to scrub (to scour) off. ping off, glancing (grazing) upon. Areohnnsen, on. w. to intrench, to fence Afeehroelen, on. w. to scorch (to sing.) off. Afeehroeven,ov. w. to unscrew,to strew off. about. Afechaven, ov. w. to plane (to scrape, to shave, Araehudden, ov. w.to shake off. Arseihnier en,ov. w. to brush off, — away. to rub) off, to chafe, to fret. Araelsuifeter, v. Zie Afachulver. Afoehoerder,m. shearer. Afecheld, o. leave, departure; discharge, dismiss- Met/huhu en, ov. W. to scum, to skim. —lathy. strumming, skimming. al. — genes, to dismiss, to send awoy. semen van, to take leave of, to bid adieu (farewell) to. Afeehuiv ass, on. w. to shove (to, pualt) off; to come down; van tick —, to rid ones self of, to —sberoek, farewell-visit. --scironk, parting-cup. shift ore. to get one's self excused. —tsr, m. —*feat, —spartii, parting-treat. —rgedicht, valeis een atecht —, he is very alone-fisted. dictory poem. —egezang, parting-song. —sgroet, parting-kiss. —souse, f arew ell- Aleeir.. en, ov. w. to scour (to wear) off. farewell. Arschut sari, o, partition, fence, so; een. --ten, ov . dinner. —spreek, valedictory sercr,on. w. to partition (off). to fence, to screen; to stop by valedictory speech. —boor, —.1(j1e, by. separable. a dike. —ting, v. partitioning, enclosure. —en, on. w. to separate, to sever from, t9 disjoin, to put asunder; to secrete; rich — van, to Afsehuw, in. abhorrence, horror. — hebben van. to abhor, to hold in abhorrence. —elipk, by. & leave, to part company with, to part from. — bw. horrible (-bly), abominable (-bly) odious t-ly); separation, m. separator. —ing, T. 'with. —sr, black (van ease daad). v. horribleness, secretion. —cel,o. partition. ahominableness.—en, o. Zie Afsehaw. Afsekellen, ov. w. to ring for.
444 legitimate (-ly). —e /ingot, an. & v. me. Zie telleden. —eloos, be illegitimate; unmarried, single; — kind, bastard ; leven, celibacy, single life, —en, ov. W. to legitimate. Eichler, vw. however, yet, nevertheless. Eclat held, v. genulneneos, pureness; legitimacy; authenticity; —ing, v. legitimation. Edel, be. & bw. noble (-bly), generous. (-1Yi; precious; excellent (-ly). exquisite (-1y). —aardig, be. & bw. generous (-1y), noble-mInded. —aardigheid. generosity. —achtbaar, honorable. —achtbaarkeid, honorableness. —geboren, of s noble family, noble, most honorable. —yesteente, ;melons taone, jewel. —knaap, page —man, nobleman, noble. —nwedig, be. & bw. generous (-1y), liberal (-ly). —moedigheid, generosity,liberality. —rnogend, noble and mighty. —vrouts, noblewoman. —en, m. me. de —, the nobility. —heid, v. nobleness; excellency, honor; Uwe —, your honor, you. Edits.. tn. vinegar. Edoeb, vw. Zie Mooch. doen (ojieggen), to take an Eed, m• oath. een oath. een afneaaen, to swear, to administer an oath to. onder —e, upon oath. —afiegeing, taking an oath, swearing. —afrieming, swearing. —breekIt er, —breker, perjurer. —break, perjury. —genoct. —verwant, confederate; conspirator. —getiootschap, —verwantschap , confederacy. —gesPas conspiracy. Eege, Eegade, in. & v. consort, spouse, better half. Eek, m. Zie Edik; oak. —, v. bark (of th, oak); tan. —hakker, bark-cutter. — handel, bark-trade. —Koren, squirrel. —schwa*, bark-shed. Eel, m. ale. Eelt. o. crillosity, callus. —oeeer, callous ulcer. —achtig, —ig, he. callous. —achtigheid,•v. callosity. Eon, I. a au. —, tw. one. het levant op — sit, it comes to the same thing. — your —, one by one. —, v. one, unit, ace. twee —en, deuce ace. Eend. v. —vcgel, duck. —ebout, leg (wine) of a duck, dusk. —enei,dvck egg. —engroen, —enkroos, duck-weed. —enjacht, duck-shooting. —enkooi, decoy far dunks, duck-yard. —eamossel, barnacle. —wisest, duck's neat. —enroer, duck-gun, fo wlingpiece. Eeisdracht, v. concord, harmony, union. —ig, be. 8r. by. unanimous ( ly), in harmony. —igheid, v. unanimity, concord. Eenetansale (te), bw. wholly, completely. to• tally, utterly. Earner handy, --lel, be. of the alma sort, the same, indifferent. Eeagreplic, be. Lie Eeniettergeopig. EenhandIg, be. ore-handed. Eenheo,rech monarc,,,--inet,v.monareby. Eenheld, v. uni ,.y, unit; unanimity; harmony. Eenhoentg, be. solinedons. Eenhooffdlg, be. monocephaiouv; monarchical. —e Teetering. monarchy. Eenlasiren, Steno m. unicorn. EenIg„ be. only; sore, single; solitary, lonely. —, tw. none, any. te —en doge, some day or other. - bw only, solely, merely. —erhande, —cries,
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
nought, coward, dastard. During, v. lasting, duration. Dark, na. sink, well. Darven, on. w. to dare. Das, bw. thus, in that way. —, aw. so, therefore. —danig, by. such; bw. thus, in such a manner. Dar, in. nap; slumber. vit den — helpen, to undeceive. een —je doers, to take a nap. —ten, on. w. to take a nap; to dote, to mope. —ter, in. doter, mope, reopus. Dour, m. duration, continuance, op den —, st the long run. Dour, by. dear, costly, expensive; solemn (ran een bw. dear, at a high price. —koop, be. eed). dear. —te, v. dearness, high price, dearth. Drsurznam, be. durable, lasting; strong; that wears well. —heid, v. durablenete, durability, lastingness. Dew, m. push, jog. —en, ov. w, to push, to jog. to press; to slip (into a. o. 's hand. Dweal,v. towel; shroud. — begrip, erroneous idea. —geest, wandering spirit; follower of erroneous opinions. —grend, Wee ground* —leer, false doctrine. —licht, ignis tattoos, jack-with-a•lantern, Will-o'-the-wisp. —pad, —spoor, —weg, wrong (erroneous) Neu; on een brengen, to lead astray, to lead into error, —eter, planet. —twin, labyrinth, maze. —§annig, erroneous, erring. —sinnigheld, erroneousness. Dwane, be. foolish (-ly), silly (-ily). m. fool. —hoofd, fool. —held, v. folly, foolishness. DwnI en, on. w. to err, to stray. to wander; to be mistaken. —er, m. wanderer. —kg, v. w and r ring; error, mintak.i. D Wang., m. constraint, compulsion, coercion. —arbe,d, compulsory labor; the galleys, penal servitude. —bevel, -warrant, writ. —bale, jacket.

Is Bitcoin de eerste cryptogeld


Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Zal 0x worden toegevoegd aan Coinbase


75 Dimpl es. kuiltje In de wangenl. —e, v. a. kuiltles doen krijgen; v. n. kuiltjes krilgen. —ed, —y, a. met kuiltjes. Din (din), a. geraas; gekletter. —, v. a. verdoo• ven, doen daveren. Dinarcby (din'er-kih), a. tweehoufdige regeerieig. Dine (dajn), v. a. een middagmaal geven aan; v. n. het naddugmaal gebruiken. § Ding (ding'), a. zeer, uitermato. —hot, smoorheet. Ding (ding'), v. a. tegen elkander slaan, kletson; met geweld indrukken; v. n. men, tieren. —dung, a. klokgebom. Dinginess (din'dzji-ness), s. donkerheid; morsigheid. Dingle (ding'g1), a. dal, vallel. —dangle, a. slingerend; wapperend; I. klokgelui. Dingy (din'dzjih), a. duister, morsig. Dining (dajn'iengl„ a. (het) middagmalen. eatzatil. —set, tafelservies. Dinner (din'nur), s. middagmaal. —party, middagmaal (met gasten;. —time, etenetAjd. Dint (dint), a. slag, deuk; kracht, geweld. by — of, door veel....; met. Dinunscration (daj-rijoe-mur-ee'sjun), 11. opsomming. Dioces en (daj-os'i-sen, daj-o'si-sen), a. 'an een bisdom; s. bisschop. —e (dayo-sea), s. hisdone; diocese; kerepel. Dioptric (daj-op'trik), —al, a. de straalbrekina betreffend; tot het vbrzien dienend. —a, a. leer der atraalbreking.• Dip ;dip') a. indooping; inzakking. — of the needle, afwkiking (helling) der kompasnaald. — of the horieon, kimduiking. —chick, waterhoen. —a, a. getrokken kaarsen. Dip (dip, v. A. indompelen, nat Trinket]; indoopen; (from. out of; scheppen; verpanden. —, v. n. onderduilken; (into) zich inlaten met, viuchtig doorzien; hellen (van; de kompasnaald). Dipetalous (daj-pet'e-lust, a. tweebladerig. Dipthong (dip'thong), a. tweeklank. Diploma (di-plo'me), a. diploma; handvest. a. kennis van staatszaken; diplomatic; de gezamenlijke diplomaten. —te (dip'lo met), —fist, a. staatsman, diplomaat. —tic (dip -lo-inet'ik), a. diplomatiek. —tics (dip-lo-met'iks), a. kennis van nude oorkonden. Dipp er (dIp'pur), s. duiker; lepel. —ing, s. indooping; inzakking. —ing-needle, aangestreken kompaenaald. Diradiation (dej-ree-di-eo'sjun), s. straalverspreiding. Dire (dale), ful, a. —fully, ad. ijselijk, akelig. —fulness, — ness, a. ijselabeld, akeligheid. Direct (di-rekt'), a. recht; rechtstreeks. v. a. regelen; volschrijven; (to) richten, verwijzen, adresseeren. —ion (-rek'sjun), s. riehting; beacon voorschrift; adres. —ive, a. besturend; aanwijzend. —ly, ad. aansinnds; rechtstreek, —ness, a. rechtheid; oprechtheid. —or,a. bestuurder; bteehtvader; richtsnoer. —oriel (to'ri-el), a. beAtarand. —ory, a. besturend; a. bewind; riehtsnoer; adre book. —revs, —rix, a. bestuurster. Direption (di-rep'sjun), e. plundering. Dirge (drirdzj), a. 10kzang.
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Ik kocht cryptogeld wat nu

×