'its.- DIS. DISPaShio. (diri-Pekraa), a. koelzinnigheid, —ate, e. —ately, ad. koelzinnig. DIspath (die-peter?, enz. Lie Despatch. Dispel (dis-pel'), v. a. verdriken. Dispens able (dis-pen'sibl), a. verachoonbaar; kwijt te schelden. —ary, s. armemapotheek. —ation (-see'sjun), a. uitdeeling. vrijetelltng; onthefting. —alive, a. —atively, ad. vrijstellend; vergunning. —ator (die'pen-see tur), a. ontheffer; uitdeeler. —story, s. receptenboek. —e v. a. uitdeeltn; (with) ontheffen, ontslaan; nalaten; ontberen. —er, a. ontheffer; uitdee)er. Dispeople (tie-pie'pll, v. a. ontvolken. —r verwoester. Dicpers e (die-pure'), v. a. verstroolen; verdripen; v. n. zich verstroolen (verspreiden). —edly, ad. verstrooid. —edness, a. verepreidheid. —er, a. verstrooler. —ion I- ',jun), a. veratrooiing. —ive, a. verstrooiend, verepreidend. Dispirit (dis.pir'it), v. a. moedeloos waken. —edneaa, s. moedelooeheid. Displace (die-plees'), v. a. verplaatsen. —meat, 5. verplaatsing. —cry (-plee'serk-sih), a. mishagen; onbeleefdheid. Displant (dts-plent'), v. a . verplanten; verdrij ven. —ation (-plen-tee'sjun), a. verplanting; verdrijving. Display (dis.pleel, v. a. vertooning. —, v. a. vertoonen; open leggen, ontrolien; ten toon apreiden. —er, a. vertooner. Displeas e (clis-pliee), v. a. mishagen. —ed, s. ontevreden over (at); ongedi.end met (with). —lag, a. onaangenaam. —ingnees„ a. onaangenaamheid. —ure (-pleejoer, -p,lez'jur), a. misnoegen; verdriet; mishagen. Displo de (die-ploud'), v. a. doen ontploffen; v. n. uitbarsten, ontploffen. —lion (-plo-zjun), a. ontploffing; kcal. Displunac Idis-ploemn, v. a. ontvederen. Disport, (dis-poort'i, a. epel; tijdverdrijf. —, v. a. vermaken; v. n. zich verluctigen. Dlspos able (dis-pooetb1), a. beschikbaar. —al, 5. inrichting; bet,chikking. — e (-pooz'), v. a. schikken; genegen waken (to); geschikt waken (for); V. n. (of) betchikkeu over, van de hand zetten. —er, s. heschikker. —icon (-zisrun), s. beschikking; regaling; geneigdheid; aanleg. Dispossess (dis-poz-zese), v. a. nit het bezit atooten (of). —ion (-zesyttn), s. berooving. Disprais e preez'), a. misprijztng. —e, v. a. misprljzen, loken. —er, e. misprijzer. —ing, a. —inyly, ad. afkeurend. Dispread (die-pled'), v. a. veraprelden; v. n. zich uitbreiden. Drisprize (dis-prajz'), v. a. beneden de waarde schatten. Disprolit (dis-prof'it), a. verliea, nadeel,schade. Disproof idis-proef'), a. wederlegging. Disproportion (dis-pro-por'sjun), a. onevenredigheid. —, v. a. onevenredig verbinden. —able, —al, —ate, a. (—ably, —ally, —ately ad.) onevenredig. Disprov able (did-proevlb!), a. weerlegbaar. —e, v. a. wederleggen. —er, a. wederlegger. Dispat able (dis'pjoe-tibl), a. betwistbaar. —ant, e. twletredenaar. —atlas (-tee'ajun), a. redetwist,

hongerig. graag (no). —shooter, srherpschutter. —witted, schraider, seberpzin nig. —, v. a. Behars. kro,a'asar; pluis, duffel; zcerahr,, pen; v. n. hedriegen, afzetten, —en (ajaarp'n), Shag g melon; out v, a. slOpPn; scherp (puntig, eche!, levendlg) v. A. apiltkelan; rut kro,shond. sieren. yin/ (-gid), —try (gih), a. rnig, hrcezig., maken: v. v. scherp worden. —er, a. lie Sherker. —nets, acherpheid; puntigbeid; kronigheid. s. —giness bitsheid; strongheld; felheid; scherpzinnigheid; Sh.arr., cat (tjet - griell'i, s. pegiljnleer. . sluwbe.d; schelheid; granule. Starke (sje,k'), a Echudding, schol ,.; triller. beroering Shark e (sleek') rahaok (tloF.k). shaken aleekn)],, Shatter (siet'turl, v. F. verbrijzeien; n. breken. —brained, schudden, ,hoklren; trillen; (doen)i brengen, neratrooien; v.a.& er, schunder..hener;hwaker. —ing,1 —paled, verstroold; onhezonnen. —a (-turn), pl. war wrak,h,,, ,, 117. ar. cb da er m 1 :tun,k),Ireat1 (9e 1, n...7 . ,8 fi —y, gehdraten (van hoot). sh brii:?!. s chwiding; t disa0,1 ,,com, —bar, diaselboora.
Imperfect 'fame or Past Participle, Punt, I. & p. Puf , 1. to Quit, i. & p. p. Ran, Rang, i. Read, 1. & p. p. Rent„1. & p. p. Rld, 1. & p. p. Risen, p. p. Riven, p. p. Rode., 1. & p. Rose, 1. Rot, p. p. Rotten., p. p. Rove, i. Run, 1. & p. p. Rung, I. & p. Said, 1. & p. p. Sat,t. & p. p. Sate. i. & p. p. Saw, 1. Sewn, p. r. Seen, p. p. Sent,i. St p. p. Set, 1, & p, p. Shaken, p. p. Shapen„ p. p. n, p. p. p. p. Sim Shewo, u. p. Shod, I. & P.P. Shone, i. & p. p. Shook, i. Shore. I. Shorn, p. p. Shot, 1. p. p. Should, i. Shown, p. Shred, i. p. p. Shrift, F . r . Shriven., p. p. Shrove,t. Shrunk, 1. & P• P. p. p. Shut, i. & p. p. ti+latea, p. p. Slept, 1. & P. p.
REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-
pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,
NE. cardialgy. —pieieter, stomachic plaster. —peeler, Mang, m & v. kinsman„ kinswoman, relation. stomachic powder. —tap, chyle. —rersteskend, —, v. stomach; ventricle, gizzard, maw, crop. cordial. —water, surfeit-water. —satin, stomachic vitae diaorderei stomach. —bitter, —elixir, wine. —senate, gastric nerve. —sickle, disorder —rtiddel, stomachic. —break, gastrocele.—dares, of the stomach. oesophagus, gullet. —koest, sough that originates MAW, v. virgin, maid, maiden, girl, lass; maidin the stomach. —koekje, etomachie lozengeservant. de heilige —, the blessed Virgin. de — -kramp, spasm in the stoinach,, cardialgy.—kwaat, etontschis disease. —Ain, pain in the stomach, vas Orleans, the maid of Orleans. —enbtoest, eir•
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.
D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.
(in. of). —er, a. grootspreker. —ful, a. ad. pochend.. R. beseheiden. Boat (hoot), s. boot, schuit. —able, a. hevaarboar. —hook, bootahaak. —ing. a. spelevaren; bootvaart. —man, schuitevoerder. —rope, sloepsleper. —'s-grappling, sloepdreg. —'s-gripe, s!oepkrabbers, —'s-house, bootbula. —skid. bootklamp. —sling, hanepoot. —staff, boothaak. —swain, (boosn). bootaman. Bob (bob), a. ooraleraad; klap; refrein; siekelig gezegde; korte pruik; pier; shilling. —, v, a. kort maken; bedotten; v. n. been en weer alingeren. —cherry, kinderapel met eerie kers. —stay, wateratag. —tail, kortstaort; het grauw. —wig, korte pruik. Bobbin (bob'bin). s. klos; koord. Dorking (bokleng), s. ruwe wollen stof. Bode (bood), v. a. voorspellen; v. n. ten soarteeken zijn. —sent. s. voorspelling. Bodice (bod'is), a. rijglijfje. Bodil ass (bod'i-less ► . a. tandem liehaam. —y, a. & ad. lichamelijk, Boding (boodleng), a. voorteeken. Bodkin (bod'kin), a. priem; rijgpen; haarspeld; krulijzer. Body (bod'ib), a. liehaam; romp; persoon; vereeniging; troep; kracht. any —, iemand; wie ook. every —, iedereen. —clothes, paardedek. —guards, lijfwacht. —, v. a. vormen. Bog (bog), s. moeras, poet. —house. aekreet. —land, moerattiand. —rush, moeraabies. —trotter, moerasbewoner. — v. a. in het slijk wentelen. —gy (bog'gih), a. moerassig. Boggle (bog'g1). v. n. aarzelen; haperen. —r, I. wetfelaar. Holten (bo-hie'), a. theeboei. Boll (boll'), a, bull. zweer. —, v. a. & n, koken, zieden. —er, a. kookketel. —cry (-ur-ih), a. zoutziederij. Boisterous (bojs'tur-us), a. —ly, ad. onstuimig. —ness, s. onatuimigheid. Bold (boold), a. —1y, ad. stout, koen, vr(jpoatig; oubeschaamd. to make —, de vrij held nemen. —faced. onbeschaamd. —facedness, onbeschaamdheld.. —shore, stelle oever. —en, v. a. stout maken. —nets, a. stoutheid; onbeachaamdheld, Bole (b001). a. boomatam; pijpekop; boluaaarde. Boils ibo'lis), a. vliegende draak; vuurbol. Boll ibooll, a. zaadhuieje, maat van zessehepele.
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

bw. some, any. —ermate„ bw. aonlewhat, in some measure, in some degree. —snot's, —erte(fee, bw. (in) any way. —Acid, v. singleness, singularity; loneliness, solitude, solitariness; unanimity, harmony. bar. Lie Eunig. —seine, bw. somewhat, rather, in some degree. Eenjarig, be. of one year, one year old. Eeiskennig, be. eby. —Acid, v. shyness. Eeniettereepig, Ibv. monoaillableal. —woord, monosyllable. Eenl.nbbig, be. monocotyledonous. Eenioop end„ be. unmarried, single. E.ntranal, by. once. Eennilddelpuntlg, be. concentric. Eenrisoedig, be. & bw. unanimous (-ly). Eenoog, m. & v. one-eyed person. —ig, be. oneeyed, monocular. Eenarlg, be. & by. unanimous (-ly); uniform (-ly). —held, v. unanimity; uniformity. Cans, lr.v. one°, one day, once upon a time; of one accord. niet —, not even. het — (tearden), to agree. Eeneehedirwlg, be. heteroscian. —en m. me. heter °ult. Eeinschallg, be. univalve. Eensdeele„ bw. partly. EenegezInd, be. unanimous, of one mind.:—hsitl, v. unanimity, concord, harmony, Eensklape, bw. suddenly, on a sudden, all at once. Eeneloldend, bv. of the same tenor, similar; ale GeliJkluldend. voor — afechrift, a true copy. —heid, v. conformity. Eeneteinntlg, be. & by. unanimous (-1y), barmoutons (-ly), of one consent. —heid, v. unanimity, concord, harmony. Eentnt, o. unit. Etntonlg. bv. & bw. monotonous (-1y), tedious (-1y) —held, v. monotony, tediousness. Eenvervig, be. of one color, plain, Eenvoranig, be. uniform. —held, v. uniformity. Eenvond, in. singular number; sie Eenvou% diglecid. --ip, be. & bw. singular; uneomposed; sim els (-ply), plain (- I y), candid (-ly), ingenuous ( - )y), credulous (-ly); snare (-13r). —igheid, v. simplicity, plainness; candor, ingenuousness, credulousness. Earswerf, Pm. once. Eenznem, be, solitary, lonely, retired. — bw. solitarily, in solitude. —held, v. solitariness, solitude, retirement. Eanaelwrg, be. identical; manotonoua. —Arid, v. identicalness, sameness; monotony. EenzUdig, be. & by. partial (-ly). —held, v. partiality. Ear., bw. sooner. hoe — hoe liever, the sooner the better. —, nw. before, ere. Ear, v. honor; glory. bed van —, field of honor. pant ran —, point of honor. op ni(ra wooed . van —, upon my honor. ismand he /textile — beseirsen, to perform the last duties to a. o. in cUe — en deugd, in all decency. in —e holden, to have reward res. ter —e van, in honor of. eerie — atelier: in, to be proud of, to pride one 'a self on. —ambt, trust (post) of honor, —bewile, —kw( zing, respect, bono", homage. —gevoel, sense Of

419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,

Hoe werkt Bitcoin winst maken


Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×