Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.

Heeft RBI verboden cryptogeld


139 & n. Peon; Vervolgt n. (after) najagen; nasporen. v• a. ,chillen, voor top en take' drijven. (down) ontmoedigen. (for, jagen op. (out) 0113130pa-len• in den romp schieten; op strand zetten; ren, uitvorsehen. (up and down) van elle z,,jden v. n. drijvee, dobberen. —y, a, met achillen, zoeken. —er, a. jager, iachthond, -paard. —lag, hu 1 zig. into a. jacht, jachtvermeak. —ing-horn, jachthoren. liuvu (hum), a. gegona, gebrom, genettrie. —ing-match, jachtrartij. —ing-moon, waesende hat —, v. a. neurien; bedotten; v. n, neurien; mean. —ing-nag, jaehtpaard. in -seat. jaehtgonzen, brommen. lisminn (pe'men), a. —ly, ad. menschelijk.—e, a. hub,. -slot. —rem, a.jagerin. —sman,jager. —manship, jagerschap. — ely, ad. (joe-mean'), menschlievend, rninzaam, s. menschenkenner; letterkundige, Hurdle (hur'di), s. teenen horde; schanskort heusch. —ist, v. a. met horden bezetten. —ides ( ► en'it-tiz), pl. de fraaie wetenschappen. s. mensehheid; menschelijk- liurds (hurdz), pl. Zie Herds. it held; minzaambeid, heuechheid. —ire (-ajz,, v. Ilordyegu'rely (huedih-guedih), s. lier. Hurl (hurl'), s. worp; oploop; rumaer. —, v. a. a. beschaven. —kind (-kajndl, a. menschdom. n. dwarrelen. Humble (um'b1), a. Humbly, ad. nederig; onder- werpen, slingeren; uitstooten; danig; gering. —bee, hommel. —bee-eater, bijen- —tat, strijdkolf. —wind, dwarlwind. —er,s.werwolf. —mouthed, deemoedig in 't spreken, gedwee. per, slingeraar. —jug, a. zeker balseel. —y-burly (-bur-lih), s. verwarring, gewoel, rutitoer. —plant, kruidje-roer-mij-niet. —, v. a. vernede- ren, krenken; verootmoedigen. —ness, a. nederig- Hurrah (hoe-ra') int. hone Hurricane (hur'rlekeen); s. orkaan. heid. —r, a. vernederaae. Humbug (hum'bng), a. bluffed], bedrog; wind, Harr led (hur'rid), a. overijld. —ier (-riur), s. v. a. bedriegen, aandrijver, jachter. —y, a. groote haact, overlarie; bluffer, windmaker. bedotten. ijling; drukte; opschudding. --y, v. a. jachten; Humdrum (hum'drum), a. alaperig, onnoozel, bespoedigen; haastig verrichten; (away. off; ant-, lijzig, —, a. do ► mor, druiloor. wegvoeren; (on) aandrijven; overWen; (out) verllunsect Ijoe-mikt'), —ate, v. a. bevochtlgen. jagen. —y, v. n. ham maken, Wen; (away ng. wegijlen. , —ation (ee'sjun), bevochtlgi Numeral (joe'me-rel), a, tot den schnuder be- Hurst (hurst), s. botichje. Hurt (hurt') [hurt], v. a. letsel doen, bezeeren , hooread. a. letsel; bezeering; kwetsen; benadeelen. Humid (joe'mid), a. vochtig. —ity (-mid'it-t1h), kwetsuur; nadeel; schade. —ful, a. —fully, ad. —ness, s. vochtigheid. schadelijk, nadeelig. —fulness, s. schadelijkheid. liumill ate (joe-miri-eet), a- a. verned"ren; verootmoedigen. —ation (-ee'ejun), a. vernedering, —less, a. onschadelijk; ongedeerd. —lessness, a. verootmoediging. —ty, a. nederigheid, ootmoed. onschadelijkheid, ongeschondenheid. Ilum suer (hum'mur), a. gonzer; nervier. —ming, Hurtle (hur't1)„ v. a. voortduwen, hevig stooten, rondalingeren; v. n. botsen; kletteren, schera. gegons; geneurie. —mtng-ale, krachtig bier. card- mutselen. —berry, blauwben. -ming-bird, kolibrie. —mock (-muk), hoogte, heuveltje. —mums (-mumz), pl. warms Husband (hutthend), e. echtgenoot, huisvader; baden. mannetje (van dieren); landbouwer. v. a. Humor (joe'mur), a. vocht, sap; gemoedsatem- zuinig beheeren; bebouwen. —man,landbouwer. ming; goads luim; luimtge inval; gril. out of —less, a. zonder man. —ly, a. & ad. huishondein eene kwade lutm. —. v. a. zichschikken near, lijk. —ry, s. landbouw; huishoudkunde; huiste wills zijn, aan luimen toegeven. —al, a. van houdelijkheid, zuinigheid. geestig menseh. Hush (Misr), int. atil I sue I —, a. stil,. bedaard de vochten. —ist, e. luimig. —sun, a. —curtly, ad. grillig, luimig, geestig. —, v. a. still en, tot zwijgen brengen; (up) lumen , v. n. sill zijn. —money, steekpen—ousnesa, a. grilligheid, luimigheid. —some, a. amoren. n into -.tamely. ad . gemelijk; luimig. Hump (hump'), s. —back, bochel, bult. —backed, littak (husk') a. schil. dop, bast. —, v. a. schilgebocheld. len. —ed, a. met titbit, huls of bast; gepeld. Hunch (buntaj'), a. bochel, bolt; stoat, duw. geechild. —iness, a. bamtigheid; heeschheid. —y, —back, bochel. — backed, gebocheld, —, v. a. a. schillig; droog, hem), (htaz'zih), a. Huss ar (hua-zaar'), a, huzaan horten, stooten; krom buigen. sloerle, Peeks; huiehomiltjke Huntired (hun'drid), a. honderd. —, a. honderd- vrouwmensch tal; district. —court, kantongerecht. —fold, hon- vrouw. derdvoudig. —weight. centenaar. —er,a. kanton- Hustings (hustlengz). pl. otadsgerecht In Londen); verkiezingsplaate. reehter. —th, a. honderdete. (hus's1), v. a. hutselen. hung-beef (hung'biet), a. gerookt vleesch. Hunger (hung'gur), a. honger; aterk verlangen. Iluvwlfis (huezif), a. huisvrouw; alechte hula-bit, —bitten, a. door den !longer gekweld. houdster, konkel; naaidoos.v. a. zuinig —starved, uttgehongerd. —starve, a. a. doen ver- beheeren. —ly. a. & ad. huishou'delijk. —ry, a. hongeren, —, v. n. hanger.; hunkeren, (after. huishoudelijkheidi beatier eener huishouding. for). —ed, a. —ly, a. & ad, hongerig. lint (hut), s. but, barak,.foods. —, v. a. In eene illungr y (hunlegrih), a. —ily, ad. hongerig, hon- barak of loods bergen. Hutch (hutsj), a, meelkist, baktrog; rattenval; gerend; schraal, —y evil, Londshonger. konijnenhok. —, v. a. bewaren. Hnnks (hungks), a. hongerlijder, vrek. Hunt (hunt' ► , s. jaeht;) koppel hamlet,. —, v. a. Iluzza (hoe-zee'), int. hoezee 1 —, a. vreugdege-

Fabrile (feb'ril), a, van timmcrman, metselaar Facillt ate (fe-sil'i-teet), v. a. gemakkelijk maken. —ation (-tee'sjun),verliehting,,, bevordering. of amid. —y, s. gemakkelijkheid, vaardigheid,; heusehheid ; labial tat (feb'joe-list), a. fabeldiehter. —osity insehikkelijkheid. (-los'it-tih), —ousress, s. fabelaehtigheid. —ous. Facing (fee'sieng), s. voorzijde; belegsel; ornboord a. --(may, ad. fabelachtig. sel; sieraad. Façade (fe-seed'), 8. voorgevel. Face (fees'), 8. gelaat, aangezieht: voorkomen, Facinorous (fe-sin'o-rus). a. aehurkachtig, snood. —ness, a. snoodheid. nitzieht; toeetand; voorzijde; stoutmoedtgbeid. inderdaad, werunder vier sages. to laugh in one's —, Fact (fekt), s. dead, felt. in keltjk. matter of —, wezenlijke zaak. temand in zijn geziela nitlachen. brazen —, onherehaanid re en seh. sour zuur gezieht. to make Faction, (fek'sjun), s. part;j; partijschap, arr. deeldheid. —ist, s. onruststoker, partijman. —s, geziebten trekken. —ague, aangeziehtspijn. —cloth, lijkdoek. —less, a. zonder geleat; onbe- Factious (fek'aju8), a. —1y, ad. partijznehtig; arnststokend.—ness,a partijzucht; oproerigheid. schemed. —painter, portretsebilder. Face (fees), v. a. in het gelaat zien; gekeerd zijn Factitious, (fek-lisfus), a. nagemaakt. 'mar; ceder de oegen sten; omboorden„ omslaan; Factor, (fek'tur), a. agent; factor. —age, a. coiny, a, faemiesie-loon. —ship, s. faetorsehop. versieren, bekieeden. (down) overbluffen, cubetorie; fabriek. seheamd siteende houden. (out) onbesehaamd
REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Zijn Bitcoins legaal in Australie


to tall erty, t0 grow poor. aan den drank (to take) to drinking. G trammel, o. rattling. G erased, be. edged, bordered; (van munten) mill —e dukaten, ring-ducats. G crate', o. rattling. Gerlach', o, (court of) justice, tribunal; jurisdiction, course, dish, service. jongste —, lost judgment, dooms-day. racy het dayen, to summon, to enter an action ageinst. houden, to administerjustice, to hear causes. —abode. appar itor, summoner. —.day, court-day. —sdienaar, tipstaff, summoner; constable. —ado!, court at justice. —sko;ten, law-charges, law-expenses —splaats, place of execution. —Lava, justiceroom. —sniffing, session, assizes. —, be, & bw . just (-1y), equVable (-blye —eligc, be. & bw. judicial ;-ly), legal (Iy); tervolyen, to punue at law. —ig, be. & ow. just (.1y), lawful (-ly), righteous Hyl. —igd, bv. authorised, qualified, entitled.. —iyheid, v. justice, equity; righteousness eredder, o. co.earing, arranging, G tweed, be. & bw. ready (-11y). —make), to prepare. —e'ljk, bw. readily. —held, v. readiness; brengen, to prepare, to make ready. t1,1 stresedeeleap, o. utensil., tools, implements, inetrtunent•; rigging, tackle. Gereforsneerd, be. reformed. Geregeld, be' regulated, regular, orderly, fixed, set. —heid, v. regularity, order. beret, Gzrelde, o, utensils, tools, implements; things, stuff. Gerels, o. travelling. (ierekcn, o, reckoning, calculations. Gerekt, br. tedious. —heid, v• tediousnets. Si a rel, o, !tieing, ranting, chat. Gereotel,o. rattle, rattling, prattle. Genf kamsr, v. escriety, vestry. —sehaat v. join r's plane. G trite", In. notch. coons-groove, Geribd, by. ribbed, nerved. (ierlclit,o. Zie G erect& G aerlsaf, o. accommodation. convenience, comfort. —JO, be. accommodating, convenient. cornmodioue, comfortable, serviceable. —elijkieid, v. a,commodetion, convenience, commediouenees. Gerleven„ or. w. to accommodate, to oblige. Garti, o. riding. erkitn,e). rhyming. Gerikkik, o. croaking (of frogs). Gering, by.low, mean, vile; smell, trilling. — ariaten, —echatten, to undervalue, to el,ght. —*chatting. ftoregerd. —heid, v. lo wneee, meanness; smallness, triflingnees. Getlogd, he. ringed. Gerinkel, o, jingle. citing. Gerit, o. bustle, stir. GerItsti,o. rustling. Gerothel, o. rattling, epawling. Geroep, o. calling, call, shouts, clamor. Zie Optist Geroer, o. stirring. Gerraezemoes, o. bustle, stir. Geroffel, o. bungling, botching. Gsrol,o.rolling.
Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,
76 Dirk (dark) a. dolk. —, a. donker. —, v. a. doorboren (met een' dolk). Dirt (dart'), s. vuil, modder, slijk. —, v. a. bevuilen, bealijken. —iness, s. vuilheid, moraigheld. —ily, ad. —y, a. vuil, morsig; laag. —y, v. a. bevuilen; verlagen. Diruption (di-rup'sjun), a. vaneenbers!ing. s. onbekwaamheid; Dis ability onvermwen. — able (diz-ee'bi), v. a. onbekwaam (ongeschikt) maken; ontramponeeren. Disabgise (dis-e-bjoez'), v. a. uit den drown (nit eene dwaling) helpen. Disaccommoda to (dis-ek-kom'mod-eet), v. a. in ongelegenheid brengen. —tion, (dee'sjun), a. ongereedheid. Disaccustom (dis-ek-kus'tum), v. a. afwennen. Disacknowledge (dis-ek-nol'iidzj), v. a. niet erkeunen. Disacquaintance (dis-ek-kween'tens), a. onbeken b eid. Disadorn (dis-e-dorn'), v. a. ontsieren. 'Disadvantage (dis-ed-vaan'tidzj), a. nadeel. —, v. a. benadeelen. —ous, a. —ously, ad. (ven-tee'd2,jua-), nadeelig. —nuances, (ven-tee'djus-ness), s. nadeeligheid. Disaffect (dis-ef-fekt"), v. a. afkeerig maken. —ed, a. —edly, ad. ongenegen; mianoegd. —ton (-fek'sjun), a. ongenegenheid; mianoe;dheld. Disaffirtnance (dis-ef-furm'ens), s. ontkenning. "Disagree (dis-e•grie'), v. n. verarhillen, oneens zijn. —able, a. —ably, ad. niet strookend; onaangenaam. —ableness, R. onaaugenaamheid. —meat, a. verschif; oneenieheid. Disallow (cits-el-lau'), v. a. & n. weigeren; afkeuren. —able, a. onaannemelijk; onvergunbaar. —ance, s. verbod. Disaniniate (diz-en'i-meet), v. a. ontzielen ontmoedigen. Msann I (dis-en-nul'l v. a. vernietigen. (Disappear (dia-ep-pier'). v. n. verdwijnen. —ance, a. verriwijuing. P.Sisappoint (dis-ep-pojnt') v. a. to leur (of), meat, s. teleurstelling. Oisappreciate (die ap-pri - sji-eet), v. a. minachten, Bering nhqtten. p pro bat ion (dis-ep-pro-bee'sjun), s. afkeuDiS ring. —nry ( en'pro-bee-tur-rile), a. aticeurend. Disapprov ai (dis-ep-proev'el), a. afkeuring. --e, v. R. afkeuren (of). Disarm idiz.aarm'), v. a. ontwaperten. Disarrange (dis-er-reendzy), v. a. verwarren. —ment, s. verwarring. Disarray (dis-er-rue'), a. wanorde. —, v. a. ontkleeden; in wanorde brengen. Disas ter (diz-aas'tur), a. ramp, ongeluk. —trous, R. —trously, ad. rampspoedig. Dtsavougli (dis-e.vautsj'), v. a. herroepen. Disavow (dis-e-vauw"), v. a. loochenen; niet erkennen. —al, a. loochening. Disband (diz-bend')„ v. a. afdanken, ontbin.den; v. n. uiteen gaan. Disbark (diz-baark'), v. a. ontschepen• afschillen. Diebe lief (dis-be-lief"), a. ongeloof. —liere (-lieu'), v. a. your onwaar henden. —Never, (-lieuttr), a.
Coinbase has two core products: a Global Digital Asset Exchange (GDAX) for trading a variety of digital assets on its professional asset trading platform, and a user-facing retail broker of Bitcoin, Bitcoin Cash, Ether, Ethereum Classic, and Litecoin for fiat currency.[24] It also offers an API for developers and merchants to build applications and accept payments in both digital currencies. As of 2018, the company offered buy/sell trading functionality in 32 countries,[42] while the cryptocurrency wallet was available in 190 countries worldwide.[43] On March 26, 2018, Coinbase announced their intention to add support for ERC-20 tokens.[44]
grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.

Kan gestolen Bitcoins worden getraceerd


a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol

cryptogeld toepassingen


II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&

Is crypto gokken illegaal


Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Kunnen we verkopen Bitcoin op Zebpay


Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,
Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.
GnE;,xy (eel' eke lit), a. Melkweg.; schitte•ende ver. G ailltWOH (getramun), a, gam; triktrak; bedrog; reniging. ( zwetterij. —, v. a. tot ham maken; vastzetteu ; Gailtbanum (gel'be-num), s. zekere barssoort. bedriegen. —ing, S. woeling (van den boegspriet). (geel), a. koelte, windylftag. fresh —,stijie —ing-stole, woelingsgat. koelte. fainting —, ongestadige wind, Gamut (gem'ut), s. toonladder. Gale. (gee'li-e) a. helm; geslacht van zeeligels. Gander (gen'dur), a. gent. —goose, knaapjeskrulta Galess (geenes), a. galja, Gang (geng'), a. bende; ploeg. —board, gangbool d; Galleated (gee'li-eet-id), a. met een' helm gedeki. loopplank. —days, omgangsdagen. —way, gang(infests" (ge-li'ne), s. loodzwavel. board; valreep. —week, omgangoweek. Galiot (geljut), a. galjoot. Ganglion (gen'gli-an), a. peeeknoop. Gall (gaoll'a a. gal; galnoota wrok, kwaadaardia- Gnawer" e (geug'grien), a, kood your. —e, v, a. held; rauwe plek. —bladder, galblaas. —nut, gal invreten; v. a. hood state krijgen. —ous (-gre-nus), noot. —, v, a, afsehaven (de huid); kweilen; Nan. a, ingevreten, rottend. sehrijnen;schuren, achaveelen; zich ergeren. Gant ;et (gentlit), —lope (-loop), a. (het) spitsGallant (gel'ient), a. —ly, ad. braaf, dapperesder- rob loopen, lijk. —, s. dapper man; bezaanavlag. --,,e88, a. GlikillZa (gen'ze), a. wilds Bans (verdieht). braafbeid; dapperheid, —ry, s. braafheid;dagper- Gaol (dzjeel'), a, gevangenita —, v. a. kerkeren. held; zwierigheid; galanterie. —bird, gevangene. —er, a. eipier. bisaliont (gel-laant'a a. —1y,"ad. hoffelijk, plant. Gap (gets'), a. gaping, leenrte; opening; brew; • —, a, . minnaar, vrouwertgek. —, v. n. galani zijn. sehaard. —toothed, met openingen tusaehen de Galleon (gel'li - un), a. galjoeu. tandem Gallery igelle - rthI, a. galerij. —ladder, stereo- Gape (geep'), v. n. geeuwen; gapen. (at) aangaladder. —;.am, baklijst der galerlij. stern—, wester- I pen. (for) hunkeren naar. —r, s. gaper. gang. 1 Garb (gaarb), a. gewaad, kleedine,a uiterlijk; garf. Galliey (gel'lih), s. gale); kombuis; zetplankje, Garbage (gaar'bidzj), a. ingewanden (van een —aline, galeiboef. I beest), afval. Gallifee (ga'sll'ik), a. galachtig. ; Garbel (gaar'bil), a. bodemp!ank. ((ionic (genik), a. gallisch. --an (-ken), R. gal-, Garble (gaar'b1)., v. a. uitziften; vermlatten. —r, likaanseh. —is a (-1i-sizm) , s. fransehe spreek-; a. sifter, uitzoeker. —a, a. otitschot (van het wilze. I gezifte). Gaill gaskins (gel li-ges'kinz), a. wijde brook. Garboserd (gaar'boord), a. kielplank. —matte (-reee'sji-e), a. wartaal. —ntaufry I.MPO' Garbo!! (gaar'bejla a. opsehudding. Cribs), s. hutspot; mengelmoes. —naccous (-nee' Garden (gaar'dn;, a. tutu. —creases, tuinkera. sjua), a. fezantaelitig. —pot, apothekers-potje.. —frame, ream van een' broeibak. —house, . tuinGalion (gel'lun), a. gallon (voehomnat). ; huieje. —mould, tuinaarde. —plot, perk. —tal/age, Galtloont (gel-losn'), a. galon. n tuinbolow. —staff, —ware, tuingroenten. —, v. a. Gallop (gellup). s. galop. —, v. n. galoppeeren. tot thin aanleggen; v.n. tuinieren. —er,s. tuin-er, a. renner; OUR. ; man. —ing , s. tuinbouw, hovenierskunst. Gmlleiway (writ:I-wee), klepper. ' Gargarlstn (gaar'ge-rizna), a. gorgeldrank. Gallows (gel'itte), fs. galg; bretele. —, --bird, Gargle (gaaegl), a. gorgeldrank. —, v. a. gor-clapper, galgebroli. —free, awn d.e galg ontko- gelen. men. —tree, gaighout. , Gargol (gaar'got;), a. gortigheid (der varkene)• Golly (gao'iliha, R. galachtig. —worm, duizena- Garish (geer'isj), a. kie Galrish. poot. i Garland (gaar'lend), a, bloemenkrans. —, v. R. Galocbe (ge-looej'), s. overschoen. I bt kransen. , Garlic (ganelik)„ a, knofionk. —eater, g•rneene Galore (ge-)oar'), a. overyloed. Galva ale (gel-ven'ik), a. galyaniseh. I vent. Glii.Vall. ism (gel'yen-izrn), a, galvanism.. —are' Garment (gaaernent), a. kleedingstuk. (ajz), v. a. galveniqeeren. Garner (gaar'nur), a, korensehuur. —, v. a. in Gambadoes (gam-bee'dooz), s. rij-slopkousen.i de scLnur (op zolder) bergen. Gamble (gem'bl), a. a. ern geld spelen, (away)I Garnet (gaar'nit), a. granaat; taket. yerepelen. —r, e. dabbelaar. Garni,lts (gaar'niaja, 8. garneerael; boeien; wel,LItemboge (gem - boedzj'), a. goottegom, komst. —, v. R. garneeren; boeien; waassettuwen. —er, a. versterder. —went, a. versiersel; wearGambol (garn'bul), z. bokkesprong. --.., v n, huppelen, spring en. schuwirm. Gambrel (gem'brila a. achterpoot van een paavd; Garniture (goiar'ni tjoer), a. verelerael. spanhout. —, v. a. she pooten !Auden; nit- Garret (aer'rit), a. vliering; zolderkameetje. —eer (-ier'), a. vlieringbewoner. spanueu. Game (geem'), a. spot; veldvermaak; wild; jaeht; Garrison (ger'rosn), R. garuizoen. —, v. a. met boert; spat. —cock, keainhaan. —keeper, wild- bezetting voorzien. octal, koddebeier. —pouch, weitaach- —, v. n. Garrot (ger'rut), v, a. knevelen as berooven. am ge ld a p e ie, --sense, a. --comely, ad. dartel, Garrul lily (gee-roe'lit-tih), a. praataelitigheid. spee(ech. —someness, a. dartelheid, speelsaheid. —out; (ger'roe-lus), a. anapaehti•. Garter (gaar'tur), s. kouleband. —, v. a. met —ster (•slur), a. speleie grappenmaker. een' kouseband binden. d'hming (geenfieng), a. (het) spelen. --house, speelbnis. --table, apeeltafea Garth (gaarth), a. kamp, perk; viseltareer; gordel. Gale
LUK, 171 Lukewarm Iljoek'waorm), a. — ly, ad. lauw, lijk zoet; ovetheerlijk. —ness, s. overzoetheid; overheerlijkheid. lank; onverschillig. —nes., a. lauwheid; onver- Lush (lnsj), a. sappig; donker (van kleur). schilligherd. a. 1 uiaard. —, v. en Lull (1u11'), a. (hot) sussende, stillende; alechtje, Lusk ausiC), —ish, a. traag. luieren. korte stilts, f—, v„ a. sawn, stillen, in alaap wiegen; v, n. pan Hagen (van den wind) —aby (-le- Lessor foul (ljoe so'ri- us), —y (Ijoe'sur-rih), a. spelend, dartel. baj), s. wiegelied, elaapdeuntle, Larnilla agtuuus (lum-bedzri-nos), a. van de len- Lust (lust'), a. lust, begeerlijkheid. —wort, zondepijn. — ago (-bee'go), a. lendepijn. —al (-bel), nedauw. —, v. n. (vleeschelijken) lust hebben; (after) vurig begeeren. —ful, a. —fully, ad. wel— ar (-bar), a. van de lendenen. Lumber (lum'bur), a. comma!, prullen; § tim- luatig, wulpsch. —fulness, a. wellustigheld, merhout. —room, prullentranter. —, a. a. ordeloos wulpsebheid. —sly, ad. —y, a. wakker; slug; op elkander werpen; met prullen vullen; T. n. zich krachtig, kloek. —bless (-i-ness), a, wakkerheid; vIugheid; kloekheid, kraeht. —less, a. lustelooa; log bewegen, zit+ voortaleepen. Lisir.br 1e (lum'In .1:), a. worm. —al (-brikl), a. krachteloo'. Lust, at (lus'trel), a. zuiverend; —water, wijwa• wormaehtig; van de lendenen. 11,unitra ary (ljoemi. ne- rth), a. lichtbol• Licht; ter. —ate ( treat), v. a. zuiaeren. —ation (-tree'. ajun), a. reiniging, zulvering. —e (-tur), s. glans; aeril , hter. —ous, a. — truly, ad. lichtend, schij- mad; verlicht, fielder. —ousness, a. glans; belder- luiater; armkandelaar. —ing (-trieng), a. geglanade tat. —ova, a. glanzig, schitterend. —urn Lump (lump'), a. klomp, klout; hoop. by the(Arum), 5. tijdkring van vijf Jaren. bij den roes, voetstoot, the —, door elkKader. Lusty iluetih), a. Zie under Lust. —fish, zeehaas. lompensuiker. a. a. cutl.nIlat (ljoeVe-nist), a. luitapeler. in den roes nemen, door el kander rekenen. —ish, Luta clout; (ljoe-tee'ri-ua), a. in het slijk levend; slijkachtig. —tion, a. dichtsmering (met leeml. a. —ishl y, art. plomp, log; loom. —isknele, a. plompheid, logheid; lompheil. — y, a. klompig. Lute (Ijoet'). a. luit; taai hm. —case, luitkae. —string, Initsnaar; zie LustrIng. a. met 1.usi nay (ij-oa'ne :ilk), a. maanzlekte, krankzinnigheid. --ar ( - tier), — ary (-ne-rib), o• de moan leem bestrijken. —r, a. luitspeler. (-nee'ri-en), a. moan- Luttaeraaa (ljoe'thur-en), a. luthersch. —, a. Mrbetreffend; maw', a. het Luthersehe geloof. bewoner. ---aced eneet-id), a. halvemaanvormig. theraan. —atie, a. maanziek, krankzinnig; a. maanzieke, Lutherta (ljoe'thurn), a. dakvenster. krankzinnige. —ation (•nee'sjun), a. maansom- taut lug (ljoetleng), a. Wei, kleetdeeg. —ulent (-joe-lent), a. slijkig, raodderig; drabblg. loop. Lancia Iloutsfl, —eon (-un), s. tweede ontbijt. , Euxa te (luks'eet), v. a. verstulken. —tion (-as , ajtin), a. veratniking. v. u. het tweede ontbijt g,ebruiken. —ianey, s. wealLune, Ili oen), ft. naive mas n; vlatig van krankzin- Luxor lance (lugz-joe'ri ens),ad. weelderig. —fate derigheid. —iant, a. —lastly, nigbeid. —t (-it', s. maantje; Yachter. (-eet), v. n. welig groelen. —ious, a. —iously, ad. Lung (lung ► , a. long. —sick, aan longziekte lijweelderig; wulpach, wellustig; brasseud. —loutdend. —wort, longkruid. nem, a. weelderigheld; wulpschheid, wellustg11,xa age (lundzj), o, uitval. Zie Lunge. Lung Pores (It oeni-form), a. maanvormig. —solar held. —y (luk'sjee-rih), a. weelderigheld; weelde, overvloed; braseerij. (-soler), a. nit den zoos- en moans analoop semeniLycanthropy (n-ken'thrs-p1), a. wolfayoede. geateld. —Vice (-stis), s. verste noordelijke en Lyceum (laj-si'urn), a. lyceum, hoogeschoot zuidelijke punt her moan. ILydlan (lId'i-en), a. Iydisch; zacht, weemoedig. Lunt (lout), s. loot, 11,uno ar (Ijoe'noe-ler), —ate (-10), R. halvemaan- Lye (laj), a. long. a. hot Eying (larieng), R. liegend; llggend. vorm , g. liegen; het liggen. --in, a. kraambed; bevalling. Euwereal (ljoe-pur'kel), a. Pansfeeat. —ly, ad. op eene leugenachtige wipe. Lupine (ljoo'pin), a. wolfabuom. Lurch tlurtsf), a. (het) afvallen (ea. eon schip); Lynx aim), a. bloedhond. kaput (ie 't spell; verlaten toeatand. to leave an Lytuph (limf"), a. bloedwater, kleurlooa vocht. atie (-fet'ik), a. van het bloedwater; a. bloodthe — ,)n den ateek laten. to lie upon the —, op den w atery at. leer liggen. to take a — , can' opzehieter waken. —, v. a. kapot maker, (in 't spel); te lour *Wien; iLynceous (lin'ei-us), a. lijnx-achtig; scherp van gezicht. stolen, kepen; inz-velgen; v. n. afvallen; laeren; zwendelen; kapot epelen. — er, a. loerder; diet; Lynch (lints)'), a. a. zonder vorm van proses ter dood brengen. —law, lynch-wet; yolksveelvraat. Lure (Ijoer), a. lokalts. —, v. a. lokken, verlokken juatitie. Lynx (links'), a. lynx, loach. —eyed, acherp van (to); (on, verlokken. gezicht, scherpziend. Los-id (ljoe'rid), a, akelig, somber, doodsch. a. Lurk (lurk"), v. n. op den loer liggen. — er,a. boar- Eyre a (laje), a. lier. —ie —ical —ist, lierdicht fyrisch. —ie loerplaats. —ing-rocks, der. —ing-place, lierernan; dich ter. blinde klippen. (lusy.), a, —by, ad. llonigzoet, walgeI neselo
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).
LIC. 521 nese; giddiness, dizziness), —vaardig, by. & bw. by. & bw. charitable (-fly). —rijkheid, *barites light (-ly), rash (-Iy), inconsiderate (-Iy); wan- bleness. —teat, language of love. —eavontuur, ton (-Iy); profane (4). i—vaardigheid, light- amorous intrigue, love•affsir.`—sverklarieg, decnese, rashness, inconsideration; wantonness. Duration of love. —loos, by. & bw. uneharitable profaneness. —rind wild fellow. —similes, bv. & (-b1 ). —loosheid, v. unolitiritableness. bw. light-minded (- y), Sale (-1y). frivolotts(-1y), Lte eltik, bw, lovely, charming (-IA. thoughtless (-ly). —sinnigheid, lightnese, tickle- sweet (-1y). —held, v. loneliness, charmingness. nee., frivolousness, thoughtlessness. —ekooi, Lune, ce sweetheart, dear. love. prostitute, harlot. —eltie, bw. lightly, easily; Lletet, by. dearest, most beloved, favorite; poetslightly, nimbly; poselley. siest. bw. rather, best. — Met, rather not. Lichten, or. & on. Y... to light, to give light; Writ debt AI ket ? which do you like beat ? to grow light, to shine, to lighten; to lift, to 1..telfste, Tn. & v.dear, love, beloved; sweetheart. roles, to bears; to 'sty; to lighten, to take off, Lieg an, or. & on. w. toile. hseten—, to give the to ease; to weigh (het anker); to cause a copy lie to. —sr, mr,iler. to be delivered. de hand to make 013e). af- Mee•, v. lyre, hurdy-gurdy. —dieht, lyric poem. fitinvit. de band — met, to net little severity in I —dicker, lyric poet. —ipeler, ale Lierenseas. to do carelessly, to bungle (to hammer) up.' —sang, ode. —.man, lyre-man. iemand den root to supplant a. o.; to put Lterlanwv, by. lukewarm. —en, ov. w to make a. n. 's noes cut of joint. —d, by. luminous., lukewarm. shining, bright. Line, v. groin. —break, inguinel hernia, bubonoILlehter, m. lighter. —geld, —loon, lighterage, eels. —Devoe', bubo, —klier, inguinai ,gland. —man, lighter-man. —eediss, lighter. —ontsteking, inflammation to the groin. Licht held, v. —igkeid, v. lightness; clearneee; Lip v feting, m. & v. darling, favorite. —s-,i n endues., facility; giddiness; wantonness, levity. Iamb favorite. —ing, v. lightening; levying. raising; levy, 11.11e,ven, ow. w. to love. Lid, o. lid, Joint, alticulstion, limb; member, Liewer, bw. rather. — hebben,to like better. fellow; arti s te; degree, gensration. —roe, 1.1esserd, tn. darling. grass. — slant. so. & v. nitrober; o. limb. —moat- Etevertede (•ast), bw. by little and little,grasehap, membership. —rotting, bamboo. —water, dually. synovia. —wooed, article. leteseertie,o, little &aline% Lied, o. song, ballad, hymn. by. insipid. —, o. deinty, uusubstential Linden., rn. inv. people, wen, folks. dish; stuff, kick-ehsw, fiddle-faddie —fen,ov.nr. Lieder en, o. mv. songs, hymns. —bock, song - to flatter, to fawn, to tondo. —ferii, v. fhttery, book„ hymns-book. —aichter, lyrical poet, com- fawning. pover of songs. —tale:, singing-society. Llg ggese, on. w. to lie; to be situated, — seated; iLtederii,ik, be. & bw. negligent (-1y), careless to be; de wind is gaan —, the wind has abated; (-Iyi, disorderly, loose ( iy), elattIsh (-1/), lewd to kuis —, to board, to lodge; school —, tii be at (-1y). dissolute (-Iy), debauched. —held, v. doe school; voor tens stud —, to be encemped before orderly conduct, looseeese, sluttishness, die- a town; moor anker —, to ride at anchor; op solutenees, debauchery. sterven —, to be at the point of death; leen CledJe, o. little song, tune, ditty. —szanger, —, to leave untouched; — can., to depend upon, —*songster., ballad-singer. to be owing to. —dagen.. runsting-days,lay-days. Lief, be. dear, beloved; precious; lovely, hand- —geld, lying-mousy. —pleats, lying-place. —fend, some, pretty. o. se eetheart, dear, love. del Irv. lying, situated; real. —ging, v. situation; is my —, I am glad. in — of leed, in weal or bedding. woe, once Neve Hes, our blessed Lord. oats litre v. lee. aan ilea. eau — trallen. to fall aYrosito , the blessed Virgin, our Lady. moor — lea. in de — Aix. to be at a pinch, to be in a scrape. nemee, to make up with. —dadig, Or. & bw. charitable (- big), beneficent (-1y).—dadigheld, v. LUslefUk. by, & bw. passive (-le); tolerable (-bly), charitableness, charity; gestickt van —, asylum, 'sufferable (-bly), endurable. —heid, v. passiveness; aims-house. —hebben, to love. —hebbend, loving, tolerablenese,eufferableness. affectionate, —hebber, —he5ster, lover, amateur, LtJde-n, ow. & on. w. to sutler, to endure, to fancier. —detber(i, love, fancy; favorite occupa- undergo; to tolerate, to bevy, to last, to dote. tion, curiosity. —koozen, to corset, to fondle, ik mag bet wel —, I have no *objection to it. ik to stroke,—kooser, caresser. —hoozer(i, caressing, lean hem niet I ennnot bear him, I don't fondling. —hosing, caressing, blandishing., car- like him. —, o. suffering, sufferings, distrese; ems. —Warn, to blandish. —oogen, to ogle. pant.. —sbeker„ —sketk, cup of suffering. —tulip, affable, courteous. —taligheid, v. an- geschiedenis, htetory of the passion of Christ. billty, courteousness. —tallig, lovely, amiable, —steket, passion-text —.week, passion-week. gracious. —talligheia, v. loveliness, amiableness, —d, by. plosive; suffering (age, of with), *Mcgraciousness. ted (sae, by. with). ILIefsie, v. love; charity. —band, tie of love LUdee, M. —es, v. sufferer; patient. brand, — glued, —vuur, flame of love. —dienst, ILUdzanna, by. & bw. pat ent ( ly). —held, v. piece of friendship, friendly service. —drank, patience. philter, v cahrarroi --mrciodk love-potion. o .k ;0,74 bteol lir,;oiwuoifrobn; love-feast; voe.tiagf
Litecoin was released via an open-source client on GitHub on October 7, 2011 by Charlie Lee, a Google employee and former Engineering Director at Coinbase.[2][3] The Litecoin network went live on October 13, 2011. It was a fork of the Bitcoin Core client, differing primarily by having a decreased block generation time (2.5 minutes), increased maximum number of coins, different hashing algorithm (scrypt, instead of SHA-256), and a slightly modified GUI.
Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper. 

gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Ik kocht cryptogeld wat nu


Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.

cryptogeld beginners guide


loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Hoe vaak wordt Bitcoin waardeverandering


farnily-pride.—tteitt.family-discord.—wapea,coat Flisur, v. figure; form, sha e, cut ; pace ; engraving; trope. by. & bw, figurative (-1y), of arms of a family. Fart ze8r, in. pharisee. —sesta, by. pharisaic tropical (-1y). —lijkheld, v. being figurative. FU, tsw. fie! (-al), pharisean. F/jmeiaar, m. ens, Zie Fetnelaer, ens. Fat, pherisean. Fatsnen, o. fashion, workmanship, make, cut, Ftin, be. & bw. fine (-4), refined (-4), nice (•Iy); pure (-1y), genuine (- lyi; thin (-1y), delicate Or, shape; good breeding, limners. grim, — /louden. to smart (-)y1, behave decently; to keep up respectebly. —eerder, exquisite ( - Ii ► ; clone (-1y); sharp subtle (-ly), sly (-11y), artful (-1y); demure (-1y), m„—derster, T. fashioner, mobsiier, -- e eree, py, w. bigoted, devont Op. —beard, —man, hypocrite. to fashion, to model, to form. to mould, to false devotee. —scheerier, shearer. —echilder, shape. by. & bw. fashionable ( bly), repainter, limner. —ward, m. canning file, sly dog; spectable (-bly), genteel (-1y), decant (-1y), behy pocrite.—heid,—igkeid,—fe, v, fineness, refinedcoming (-1y). —Iiikkeid,v. respectability, genteelness, Meaty, purity, genuineness; thinness, delbe,ominguesn, decency ness, good breeding; icacy; exquisiteness; sharpness, smartness; sub—choice, bw. for decency's sake, to rave aptilty, slyness, artfulness; demureness, bigotry. pearances. Faaanit, m. pheasant. —enkaan, cock-pheasant. Flit, v. whitlow. hen-pheasant. —enhok,gheaseni.ry . —en , Flkfak ken, on. w. to fiddle faddle. to trifle. —her, m. —tier, v. trifler. —keril, v. fiddle-(addle. waehter, keeper of pheasants. Elks, bw. cleverly, well, soundly, readily. Foe, v. fatty. Flketcb, by. clever, sound. ready, healthy. clef Feel., v. shrew, vixen, jade. —, indisposed, out of sorts. —held, v. cleverness, Feast, o. feast, festival. —avond, eve (vigil):of a readiness, health. holy-day. —dap, holy-day, saint's-day. —dos, —se:flood, festival habit, holy-day-dress. —lied,—zang, Flionteel, v. philomela. festive song. —moat, festive entertainment, ban- Elloxel, v. fins-silk, grogram. quet. —Wenger, feaster, guest. —vieren. to tele Ell timer ass, ov. w. to filtrate, to filter, to strain. —doek, filtering-cloth, etrainer. kan, decanter; brats a feted. —eierieg, celebratian of a feast. —vreugde, festivity. —elijk, be. Ni bw. festive cutfee-piggin. —machine, flitering-mfichine.—sfeen, filtering-stone, strainer. (-4), splendid (-10, sumptuous (-1y). —clUkheid, v. festivity. —sling, m. &v. person invited, guest. Flnonet ta, (in cam), —korner. court of exchequer; —steleel, system of finances; —wren, finances. Fell. v. tault, mistake, error. —boar, v. fallible. —en, v. inv. minister van minister of the —baarkeid, v. fallibility. —en, on. w. to fall, to fivancee; (in Engeland) chancellor of the exmiss, to mistake, to make a dip —loos, bv. chequer; in Anierika) secretary of the treasury. faultless, blameless. —er, m. financier. Felt, o. fact, matter of foci, deed, achievement. Fine.. der, tn. refiner. —en, ov. w. to refine. Feltel, v. bib, pinafore. Feffelkjk, be. violent, hostile. —. bw. violently, Flool, v. phial. hostilely; really, in fact. —heid, v. violence, Firma, v. firm. hostility. Firniatisssit. o. firmament. Fat, by. & bw. sharp (-1y), violent (-1y), severe Eleknal, no fiscal. (-1y), fierce (-1y), cruel (-1y). —laid, v. tharpnees, Fletei. v. fistnia. —acting, by. fintulous. violence, severity, fierceness. Fialiberea, on. w. to blow softly. Feloiek, v. felucca. Fladderen. on. w. to flutter. to hover. Fennel car, m. —.rater, hypocrits, false bigot. Flakkeren. on. w. Zie Fillkkeren. —arij, v. hypocrisy, bigotry. —en, on. W. to Flambosaw, v. torch, link, flambeau —draper, trifle; to play the hypocrite. 1 ink-roan, torch-bearer. Fenrgriek, o. fenugreek. o. flannel. —len, by. flannel, of flannel. Fenlko, m. phentx. Flank, v. flank, side. in de — relies, to take the Fel., v. aan de — sips, to be given (addicted) to flank of. —acres, ov. w. to flank. —ening, v. drinking. —pen, on. w. to tipple, to tope. —per, flanking. —cur, tn. flanker. in. —ate., v. tipples, toper. Flannels., or. w. to huddle, to botch, to bungle. Flap, m. flap, blow, clap ; lid, tankard. —pea, Ferns, by. resolute, firm, constant. Fernanor, 0. ship wrighre chisel, chipping-chisel. ov. w. Zie UillInppen; on. w. to flap. Festoen, o. festoon. tankard, pewter, mug.—uit, rea. & v. blab, blabber. Farclk :an, on. w. to whisper, to chat. —er, Flarden, ro. my. totters, rags, —seer, v. whisperer, chatterer. Flitter, in, blunder, fault, error. Flelt, m. rogue, rasa al, scoundrel, knave. —enstuk, Ftausv, by. weak (-1y), feeble (-bly), faint (-1y): knavish trick, piece of knavery. —achtig, by. .2 cool (-ly), pole ( ly) insipid ( - 1y), tasteless (-1y); by. roguish 1-lyi, knavish (sly). —aektigheid, v. superficial (-1y). — enfien, to faint away. —Aertip, faint-hearted (•1y), dejected (-1y). timorous Hy). roguishness, knavishness. v. knavery, vilany. —hartigheid,v. faint-heartedness, dejection, timorFlee, bv. & bw. proud (-1y),"hauality (-14), stateoneness. —4eid, v. weakness, faintness; insipidly; bold (-1y). —held, —te, v. pride, haughtiness, ity. —te, v. swoon, fainting fit; faintness. —(jet, dignity; boldness. bw. coolly, slightly. Figuient, m. —e, v. figurant, mate ; super- Flelb, Fielhbe, v. Zie Fin). numerary. Fleeni en, on. w. to iaelX. to fawn. —host, 15
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.
Infinitive. to Blow to Bear (harem). , (dwen). to Bull to Bind to Breed to Break to Bring to Build to Burn to Burst to Come to Cast to Catch to Chide to Choose to Clothe to Cleave to Climb to Cleave to Cling to Come to Cant Can to Creep to Crow to Cut to Deal to Do to Dip to Do to Drink to Draw to Dream to Draw to Drive to Drink to Dig to Ding to Dare (duxven ). to Dwell to Eat to Fall to Feed to Fall to Feel to Flee to Fly to Fling to Forbid If
349 Workman (wuricirnen), s. werkman. —like, —1 1/, a. knap, bekwaam; goed bewerkt. —ship, s. werk; bewerking; bekwagmheid. World (wurhi'), e. wereld; aarde; menachen; 'ts werelds loop; loopbaan; menigte, groot aantal. the great —, de hoogere etanden. not for all the —, voor Mete ter wereld. —lines* (-Ii-neat), a. wereldegezindheid. —ling, a. wereidling. —1y, a. & ad. wereldiijkrwereldech; werelds; —minded, wereldsgezind. Worm (worm'), a. worm; kraeser; moor (van eene sohroef); wroeging. —bark, wormbaet. wormetekig; vermolmd. —grass, wormkrt,id. —kote,wormgaatje. —screw, kraiser. —seed, worm%sad. —spring, epiraalveer. —wood, aisem. v. a. van den worm enijden; aftrekken (de lading van eon kanon); ondermijnen; bekleeden, hen; (out) uitgraven; uitstooien; v. A. knit pen; a. trensing; —thread, wurmen; knew. trensgaren. —like, a. wormachtig. —y, a. wormig; kruipend. Worr tar (wur'ri-ur), s. pleger, kwelgeest. —y, e. verwarring; onrnat, gejaagdheid. v. a. plagen, kwelleu; rukken, scheuren. Worse (wurs), a. & ad. slechter, erger. — and —, hoe langer hoe slechter (erger). Worsh ip e. vereerini, aanbidfing; eerbewijsing; waardigheid, eer; Eerwaarde; Edelachtbare. —, v. a. & n. vereeren, aanbidden. All, a. eerwaardig; achtbaar. —fully, ad. eerbiedig. —per, a. vereerder, aanbidder. Worst (wurat'), a. & ad. slechts, ergot, —, o. (het) ergate. at (the) —, in het ergate geva I. —, v. a. overweldigen; verergeren. to be —ed, het onderspit delven. Worsted (woerst'14, worst'-), a. sajet. a. sajetten, wollen. —needle, etopnaald. Wort (wurt),s. kruld; kool; ortgegiet bier.: Worth (wurth'), a. waarde: prijs; verdienste;waardij. —, a. waard, waardig. — re: ding, lezens. wear dig. — seeing, bezienswaardig. —less, a. zooder waarde; nietewaardig. lessness, a. onwaarde ; onwaardigheld. North liy (wurth'il-lih), ad. —y, a. waardlg (of); eerdienstelijk; edel; voortreffelijk. —iness ( i-ness), s. wagrdigheid; verdiemstelijkheid. —y, s. verdienstelijk (uitstekend) man; held Wot (wot), v. n. weten. God God west het. Would (woed'), v. n. ZIP Wlil; wilds; zoude; weneehte. — to God, gave God. —be, a. gewaand, slab noemend. Wound (woend'), a. woad. —fever, wondkoorte. —wort, wondkruid. —, v. a. wooden, kwetsen. —er,s. verwonder. —less, a. ongekwetet. Woundy (waann'dih), a. seer, uitermate. Wove- (woov')paper, a. velijn-pspier. Wraith (reeth), a. verschtjning, sohim. Wrangle (reng'g1), a. twist, krakeel. —, v. n. twieten, krakeelen (for. on). —r, u. twister, krakeeler; student, die zal promoveeren. —some, a. twietziek. Wrap (rep'), v. a. wikkelen; bevatten; (in) in een' omelag doen; (up) inwikkelen, inpakken, oprollen; in verrukking brengen. —rascal, overJas. —per, a. omelag; pakdoek; omalagdoek; mantel; dekblad (van sigaren). —ping, a. het
Damage (dena'idd), a. schade, nadeel; sehadevergoeding; § prija, bedrag. —, v. a. beachadigen; v. n. schade lijden. —able, besehadigbaar. —feasant, besehadIgtng. —r, a. heschadigee. Demascene (dem'zu), a. darnastpruirn. Damask (dem'esk), a. damaat; rood. —blade, damaseener kling. —plum, damastpruim. —rose, damastroos. —een (-kien), v. a. ale damast weven; schakeeren, bloemen inwerken, —in, a. damascene!. zw Hard. Dame deeml, s.dame, vrouwe; huisvrouw;schoolmeeateres. —'s-riolet, nachtviooltje. Damn ;dem), v. a. verdoemen, vloeken; veroordeelen; afkeuren; uitjouwen. —, int. verdoemdl Damn able (denenibl), a. —ably, ad. verdeemeWk. —ableness, a. verdoemelijkheid; anoodheid. (-nee'sjun), a. verdoements. —atory (-netur-rih), a. verdoemend. —ed (-nid, dernd), a. verwenscht. (-rank), a. schadeltjk. —ify (-ni-faj), v. a. beschadigen. —ingness, a. doemwaardigheid. Dampdemi?), a, vochtig; nee rel achtig. s.vochtigheid; navel; neeralachtigheid. —8, a. nehadelijke dampen. —, v. a. voehtig maken; moedeloos maken. —en, v. a. vochtig maker!. —er, a. klep; damper. —ish, a. dampig, vochtig. —ishness, s. dompigheid, vochtigheid. —y a. vochtie; neerslachtig. Damsel (dem'zil), s.juffer; kamenier;jonge deern. Damson (dem'zn). a. damastpruiro. Dance (deans'', a. dana. —, v. a. dansen; doen dansen. to — attendance, staan blauwbekken. —, v. n. dansen. —r, a. denser, danseres. Dancing (daan'aieng), a. gedans. —master, dansmeester. —room, danazaal. —school, dansschool. Dandelion(den-de-larun),a.lecuwentand(bloem); mol-salade. Dandiprat (den'di-pret), e. dreumee. Dandle (den-di), v. a. wiegelen; liefkoozen; uitstellen. —r, a. kindergek. Dandruff (den'druf), s. hoofdzeer; oak Dander. Dandy (den'dih), a. fat, modegek. —ish, a. fattig, pronkerig. s. manteren van cell' fat. a

TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


Duleteen, 'm. tuff. tuft, tophus, Duld "'Wk. be & bw. clear (-1y), plain (-ly), evident (-1y). distinct (-ly). —eli.itcheid, v. clearness, plaitinesii, evidence. —en. ov. w. to show, to explain; ten kwade to take amiss, — 111. --ing, v. explication, interpretationDull, v. dace, pigeon. —hale, pigeon-house. —fatten, sic Dufateen, —je, o. innocent girl. callers, to stave to pieces; Dulg, v. 'sieve• in to miscarry. in —en gooien, to stave; to overturn, to spoil, to mar. —flout, stave-wood. Dulkel ear, m• tumbler; diver, plucger, plungeoa. —en, on. w. to tumble: to dive, to plunge. —ing, v. tumbling; diving, plunging. Da1k all, on. w. to stoop, to yield; to dive, to lunge. —er, en. diver; plunyton; flood-gate; ( kind of) nail with a email head; —iclok, divingell. Duane, en. thumb; inch; hinge. onder den —, secretly, privately. order den — howlers, to keep a. eti. short, nit s n — zu:gen, to forge, to trump up. —handschoen, mitten. --(per, hinge; thumb-screw. —kleppers. castanets. — kruici, cash, ready money. —schroef, thumb-screw. —atak, carpenter's measure, rule. —glen, or. w. to thumb; to get, to pocket. —cling, in. thuleb; thumb-stall. —pje„ o. op zOn kiMilen, to have at one 's fingereends. Duke, v. down, sand-hill. o. (the) downs. —aardappel, potage gro wing in the downs.—helm. sedge, broom. —Agnt, side of the downs. —/conijn, down-rabbit, rabbit bred in the sand-bills. —maniac, game-keeper of the down. —rove, rose growing on sand-hills, Scotch ruse. —strand, sea-shore covered with sand•hils. —teed, sand of the ,low-so. —achtig, be. resembling !;owns. Desist, o. meal-dust; husks of buck-wheat.
the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,
take into consideration. ..-etreep, ditch. —tsbeeld, idea, chimera, —loos, bv. & bw. thoughtless (-1y), inconsiderate (Ay). —/oosheid, v. thoughtlessness. Gedrichtente, v. memory, remembrance; keepsake. ta ► ger —, of bloused memory. ter — vae, in memory (commerroration) of. —viering, feast in remembrance of. Gerlach( Iss, lay, mindful (of). G e damp, o. steaming, fuming, smoking. (Sedans, 0. dancing. Gedarnste, o. bowels, guts, entrails. G td art el, o. dallying, dalliance, toying, sporting• Getlauwef, o. loitering. GenInver, o. shaking, quaking. Gedeelte„ o. past, portion, share. & by- partial (-1y), partly, in past. Gedegen, by. pure massy. Gedenk en, ov. & on. w. to remember, to recollect, to be mindful of, to bear in mind; to intend. memoran chum, record. —boar, register, memorandum- book, annals. —dap, anniversary. —naald, —null, column, obelisk. —penning, medal. —tchrift, memoir, memorial. —spreuk, apophthegm. —stub, remembrance. —teeken, monument. —waardip, memorable. --waardigheid, memorablenees. G ✓ dicht, o. poem. Gedlebtsel, o. imagination. Gedienstsg, by. & bw. officious (-1y), obliging (-1y). obsequious (-1y). —e geest, servant. —acid, v. officiousness, obligingness, obsequiousness. Gedterte,o animals, besets, vermin. GedUen, on. w. to thrive, to prosper, to succeed. onreektvaardig good gedijt niet, ill gotten, ill spent. Getting., o. lawsuit, action, cause. —betorger, Attorney. —schrideer, clerk. Gedo bb el, o. dice pleying, gambling. adoen, Gedoentc, o. ado, bustle, hubbub. in een poet zilten, to be at one 'a ease. (ae,csainncuaei, o. hum, buzz, mumbling; slumbering. 414 edonder, o. thunder, thundering. eindones en, ov. w. to suffer, to permit, to allow, to tolerate. —.roam, by. Zie Verdraag.11 am. G e d re a f, o. trotting, running. ei edraal ; o. turning; shuttling. o. hesitatton, indecision. ciedrog, o. behavior, conenet, deportment, demeanor. —ti e, line of conduct. —en (rich), t. w. to behove, to conduct (to carry) one 'a self; to refer can. to). —in g , v. Zie G ed rag. (I rclrssnsg, o. crowd, throng, pressure, QS edrentei, o. lounging, loitering. fliedreun, shaking, dunking, vibretion. Gedvibbel, o. tripping. Geeirneht, es. monster. —e/ijk, by. & bw. moot:tin us (-1y), —eliikticid, v. monstrosity. edrongetu,bv.conelee,compaci,close;thIck-set. Gedroppell, o. dropping, dipping, trickling. Gedrnils, o. noise; rattle; rush, raging, roaring, bowling. Geducht, by. & bw. formidable (-bly), terrible (-bli), tremendous (-1y).
( a. hweegbaqrheid, pl. meuhelen, Mole (lajoel'), a. rnui:ezel, -dler; bastaard; roerende gcederen. —e (more), s. beweging; net. machine. —driver, muilezeldrtiver. —fern milt-e (mute), v. a. bewegen; treffen; vervoeren; voor- kruid. —twist., gesponnen garen. —teer stollen, ter sprake brengen; v. n. zieh beweger; a. muilezeldrbver. vertrekken; verhuizen. —eleea, a. onbewegeltjk. Mullehrity (mjoe-li-eb'rit-tih), a. vrouwelijk-ement, a. beweging. —er, a. beweger; aanzetter; held, haw bsarheid; verwij fdheid. voorsteller. —ing, a. —iugly, ad. treffend, aandoen- Mullah (mioe'lisj), a. muilezelachtig; koppig. roerend. —ing, a. drijfveer; aandrang. --ing- Mu!! (mull'), a. hoornen snuifdoue; mul, molm, ness, a. ronrendheid, aaudoenlijkheid. v. a. heeten en kruiden verzachten. Mow (mau'),..stapel,schelf,seheef gezicht.'—,v.a. Millie., Mullein (mui'lin), a. wolkruid. can lichee!' gezicht trekker'. —burn, v. n. bracien. Mull er (mul'lur), a. wrijfsteen. —et (-lit), a. Mow (mo), v. a. manien; v. n hasten. —er, s. zeeberbeel, baardviseh. metier. —lap het maaien. Mulligruba (mulli-grub,`, pl. darmpijn, nnijMown (moon), part. gemaaid. dingen; kwade luim. Mo xn (moks'e), s. indisch mar, moxa. M Mu!! ion (mull.), a. veusterktuis. —ock (-lab), Much (mutej), a. veel. —, ad. zeer. as — ngai,,, nog a. collate, puin. eena zooveel. by —, op verre na. in as — as, voor Mulaze (mule), a. wljnmede. zoo verre. in eo — that, soozeer dat. to make - of. Multangular (mult-en'gjoe-ler), a. veelhoekig. veel werk maken van. ;. t is — the same, het is bij na —ness, a. vealhoekigheld. hetzelfde. Multi capsular (mul-ti-ksp'ajoe-ler), a. vealMucld (nijoe'eid), a. mut, duf, echimmelig. —near. vakkig. —.mous (-kee'vue), a. met vele holten. dufheid; besehimmeldh.eid. —color (-tik'ul-ur), a. veelkleurig. ltlucilag a (mjoe'si-lidzj), a. sltimerig yacht. Multifarious (mul-ti-fee'ri-us), a. —ty, ad. me• —Ennui (-led'zji-nual, a. slijmerig., sitimacbtig. nigvuldig, verscheiden. —nese, r. menigvoldig-i210148.88 (-leclezji-nos-), a. eltimerigheid, elijrn- held. veracheidenheid. achtigheld. Multi fill (mul'ti-tist), .fidous (Air -1-dus), a. in Muck (molt') , a. veemest, drek. strontvlieg. vele takken gesplitet. —flavors (flo'rus , , a. ceei-heap, , —M11, meatboop, -vaalt. —sweat, sterk bloentig zweet. —worm, dret.ke,ver; vrek. —. v. a. mes- Multiform (mufti-form), a. ceelvormig. ten, bemeaten. —er, v. a. potten, sehrapen. —erer, (-form'it-tih), a- veelvormisrheid. (-ur.or), a. sebraper. —iness, e. vuilheid, mar- Multilateral (mul-ti-let'ur-el ► a. veelzijdne, eigheid. a, van, moraig. veelkantig. Mucous (mjoe'kus), a. slijmerig. —nese, a. alij- Ni(ultiloqu unto Imul-til'o-kwens), a. praatmerigheid, zucht. —ous (-kw.), a. praatziek. Mucro (mjoe'kro), a. punt, spits. —nated (-meet-id), 1VIultiviosnial (mul-tt-no'rni-e1), a. veelnqrnig. a. punti-g, spits toeloopend. Multipar °us (mul-tip'e-rus), a. veelbarend. Mute, lent (mjoe'kjoe-lent), a. slijmerig, teal. tile (-er-tajt)„ a. veeldeelig. —s (-kW, a. alijm, alijmerig yacht. Multiped (mufti-ped), a. duizendpoot. Mud (mud'), a. madder. — boots, baggerlaarzen. Multipl e (mul'tipl), a. veelvoudig; a. veelvoud. —fish, moddervisch. —lark, varken. —wall, lee- —iable (-ti-plaj-ibl),a.vermenigvuldigbaar.—icand men muur; bljenspeeht. —walling, bepleioeriny, (-tip-li-kend' ► , a. vermenigvuldigtal, —irate (-tipmet teem. —, v. A. in madder bedelven; bemod- li-ker, -tipli..ket), a. menigvuldig. —icatioa (-dur-ur), a baggerprsam. —died deren. (.tip.ii-kee'ejun), a. vermenigvuldiging. —icative (-did), a. bemodderd, —dity, ad, modderig, mot.- (-tap li-kee'tiv), a. vermenigvuldigend. —icator sig. —diners (-diners), s. modderigheld. (-tip li-kee'tur), a. vehmenig,uldiger. (.ti• verwarring; voile boat. Muddle imud'd1), plis'it-tih), a. menigvuldigheid. --ter (-tt-plaj-ur), v. a. drabbtg (troebel, bedwelmd waken; v, re a. vermenigvuldiger. —y (-ti-plaj), v. a & n, verin den madder wroeten, niorrelen. menigvuldir.n. Mudibly (mud'dia), a. modderig, drabbig, troebel. Multi potent (mul-tip'o-tent), a.ve,eivermogend. --brained, —headed, zwakhoofdig, stomp. —, v. a. —presence (-ti-prez'ena), a. tegeriwoordie,heid op modderig (troebel) maker. vele plaatsen to gelijk. —si/ignous ( -ti-ei I 'i-kwus)„ Mine (mjoe), v. a. 'Lie to Mew. a. veellobbig. —sonous (•tis'o-nos;, R. veeltorag. Motif (muf'), s. mot. —in (-tin), a. boekje. —syllable ( ti-BIPlibl)„ a. veellettergrepig wooed, Muffle (muf'11), e. kapdeksel; snort. --, v. a. MuitItud a (mufti-tjoed), a. ruenigte, lumoffelen, inhullen, wegmoffeleu (up); v. n. -inOtt8 (-tjoe'di-nos), a. men•gvuldig. prevelen, mompelen. —r, e. slater. rifultivalv a (mufti-velv), a. veelschalig Wier. Mug (mug'), a. drinkkroea; bakkea. —Image. bier- —star (-vel'vjoe-ter), a. veeischalig. hula. -wort, bljvciet. —gish —pp (-glti), Mutt lviotas (mot-tivn-us), a. met Vele wegen. a. vochtig, betrokkec. --ocular ( tolejoe-ler), a. veeloogig. Mulatto (;njoe-let'to), e. mulat. Multure (mult'joer), (het; rnaleu; maalloon.. Mulberry (multher-rili), a. moerbezie. —bliphi, Muni (mum'), a. tarwebier, mom. —, int. still moer1;eztemelde. —tree, moerbezieboum. Ems I — chance, dobbelapel; etomtnetje. Mulch (multsj'), a. half verrot stroo. Mumbl e (mum'b1), v. a. & n. mompelen, preMulct (mulktl, a. geldboete. —, v, a. beboeten. velru. —newa t nieuwskrarier. —er, a. mompelaar, —nary (..joe-e-rilt), a. betmeteud; - punishment, prevelaar. —wily, ad, mompelend. geldbome• Mumm (maim') v. le zich maskeren; atommetjc
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
The programme is named after the Dutch philosopher, theologian, Renaissance Humanist, monk, and devout Roman Catholic, Desiderius Erasmus of Rotterdam, called "the crowning glory of the Christian humanists".[1] Erasmus, along with his good friend Thomas More, became one of the main figures of European intellectual life during the Renaissance. Known for his satire, Erasmus urged internal reform of the Catholic Church. He encouraged a recovery of the Catholic Patristic tradition against what he considered to be contemporary abuses of the Sacraments and certain excessive devotional practices. He famously clashed with Protestant revolutionary Martin Luther on the subject of free will. ERASMUS is a backronym meaning EuRopean community Action Scheme for the Mobility of University Students.[1]
VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
lijkheid. —e, v. a. beapotteitjk oaken. —out, a. —9'444, ad. (ri-dlit'joe-lus.), belachelijk. —ousnese a. belaehelükheid. Riding (raj'dieag), a. het rijden; kit, rijtoertje; district.—cap, rijpet. —clerk, reisbediende. —coat, reisjas. —habit, rljkleed. —hood, reiskap. —rod, karwats. —school, rtschool. Rldotte (ri-dot'to), s. danspartij. Rite (ra), a. —ly, ad. heerschend, algemeen; overvloedig. —nese, a. (het) heertehen, algemeenheld; overvloedigheid. Riff (r1r), a. nil', zandbank. —raff (-ref), a. echot; gespuis. Rine (rarile), a. geWeer, buka —barrel,getrokken loop. —man, scherpschutter. —, v. a. p1underen, rooven. —r, a. plunderaar. Rift (rift), a. spleet, acheur. —, v. a. splijten, klooven bersten; oprispen. Rig (rig'), a. rug, top; grap, poets; slat, lichtekool. to run a — upon, voor den gek houden. v. a. kleeden, opachikken; optakelen; v. n. uitgelaten zijn. —udoon (-e-doen'), a. rigadon (dans). —ger (-gun), a. kl e e der ; optnt ger, takel a ar. —ging (-gieng), a. tuigaadje, takelwerk, want. —gish (-gisj), a. dartel, wulpsch. Riggle (rig'g1), v. a. n. Zie to Wriggle. Right (raft'), a. & ad. —ly, ad recht; behoorlijk, juist, geeehikt; echt, wear; billtk; oar. —handed, rechta. — on, rechtuit. a. recht; held, rechterhand, -.Ode. by —, van rechtawege. to be in the —, geltjk hebben. to set to —a, terecht wtjzen; in orde brengen; bevredigen" to do - beseheld doen. v. a. reakt zetten, opbalen; weder oprichten; recht doen; rechtvaardigen; —one's self, Mob recht verschaffen. —, v. n. zich opriehten. Righteous (raftsjus), a. —ly, ad. rechtvaardlg, reehtschapen. —ness, a. rechtvaardigheid, rechtschapeuheid. Right ful (rajt'foel), a. —fully, ad. reehtraattg, wettig. —fulness, a. rechtmstigheld;opreehtheid; —nese, s. juistheid; oprecktheid, rechtechapenhei d. Rigi (ridzj'id), a. —ly. ad. atijf, onbuigzaam; atroef; atreng. hard. —ity(ri-dzjid'it-tih), —ness. a. stijfheid; atroefheid; strengheid. Riglet (rient), a. latje; reglat. Zie Re let. Rigmarole (rig'me-roof), a. zinledig gebabbel. Riga: (rig'ul), a. kring; kroon, Rigor (rig'ur), strengbeid. —ous, a. —may, ad, atreng; 'mach; stipt. —oneness, a. strengheid; Rile (raj!'), v. a. boosmaten, tergen. Rill (rill'), —et (-it), a. beekje. —, v. n. vlieten, murmelen. —y, a. vol beekjes. Rim (rim), a. rand; lijst. Rim, (rajne. ), a. rijm,rijp; scheur, spleet; sport. —e, v, D. rijpen. —ose (ri-moos'), —oda, a. vol spleten. —y, a. berijpt. Rimpie (rinepl), e. rimpe! —, v. a. rimpelen. Rind (rajnd'), s. bast, addl. —, v. a. afachillen. —ed, —y, a. bastig, met eene schil. Rindle (rin'd1), a. goot. Ring (ring'), a. ring; kring, gelui; klank; rand, —bolt, ringbout. —bone, ringbeen, overbeen. —dove, ringelduif. —ducat, gerande ducaat. —finger, ringvinger. flower, ringelbloem. —lead,
Despite the intricate technology associated with and necessary for cryptocurrency investing, speculation and possession, Coinbase has created an apparatus that makes this process remarkably easy and familiar, almost like buying and selling stocks. This screenshot from the Coinbase site shows real-time cryptocurrency prices and doesn't look too different from your ordinary online stock tracker.
grad verlangen, afpersing. —ing, a. —ingly, ad. liersens krenken: V. n. bersten; zwetsen. gretig, begeerig, onverzadeltjk. —ingness, s. gres. )(raker; knapper; breekwerktuig; zwermer; , tigheid, onverzadelijkheld. ()ocher;) beschuit, komrniesbrood; dweper. Craw (krao'), s.krop(van vogels). —ftsh,rivierkreeft. Crack le (krek'kl), a. n. knappen, knetteren. a. geknap, geknetter. § —hugs., 8. 11011t8SCh. Crawl (kraol), s. vischkaar, bun. —, v. n. krui—net, s. krakelIng. pen; (with) wemelen van. to — into one's favor, Cradle (kree'dl), a. wieg; kindschheid; span,' zich in iemands gunst dringen. —er, a. kuiper; stapel; —clothes, luiergoed. v. a. in Ongedierte. de wieg leggen; wiegen; v. n. in de wieg liggen; Crayon (kree'un), s. teekenkrijt; pastelteekening. , v, a. schetsert. maafen. Craft (kraaft'), S. handwork, kunst, hedrevenheid; Cra. e (kreee), v. a, breken; het verstand krenken (with, door). —edness, s. zwakheid; kunstgreep, bedroll', loosheid; klein vaartuig. ad. loos, behendig. a. listigheid. , hersenkrenking, waanzin. —y, a. gebrekkelijk; —y, a. 100,4., slow. —man, handwerksman. waanzinnig. Creak (kriek'), v. n. kraken, piepen. —ing, a. —.taster. meester, bans. gekraak; geknars. Crag (kreg'), s. rots, klip; nek. —,peel (.011), a. rotsig; hobbelig, oneffen. —gedness, Cream (kriem'), s. room; kern, bloom. — of tartar, wijnsteen. —cheese, roomkaas. —faced, —giness, s. oneffenheid, hobbeligheid. bleek. —tart, roomtaart. —y, roomachtig. —, Crake (kreek'), a. anoeverij; wachtelkoning. v. a, afroomen; v. n. roomen. a. ST1OCVer, v. a. kreuCram (krem), v. a. volstoppen, inproppen, op. Crease (kries), s. kreuk, vouw. ken, vouwen. vullen; vettnesten. —, v. n. schrokken, gulzig zijn Crea te (kri eet'), v. a. scheppen; veroorzaken; Crambo (krem'bo), s. rijmspel. Cramp (kremp'), a. moeielijk. s, kramp: be- aanstellen. —tion ( ee'sjun)... schepping, voortbrenging; heelal; aanstelling. —tire, a. schep. leminering; kram. —fish, krampvisch, rrilrog. —iron, kram. —, v. a. krammen; inklemmen. pend. —tor. 8. sebepper. Creature (krie'tjoer, -tur), a. schepsel. 4 -8, 8. heperken, belemmeren; kramp veroorzaken. paarden, ossen, enz. Crampoons (krem poenz'), s. stormsporen, Credence (kri'dens), a. geloof, vertrouwen. Cranage (kree'nidzj), a. kranngeld. letters of —, geloofsbrieven. Crane (kreen'), s. kraan; hovel; krannvogel. zwiehtint. —neck, zwanenhals (aan eene koers).1 Credenda (kri-den'de), a. geloofsartikelen. kraanbek (pleat en tandmeesterstang). Credent (kri'dent), a. lichtgeloovig; geloofwaardig. —ial (-denisjel), a. vertrouwen gevend; Craniology (kree-ni-ol'ud.zjih). a. schedelleer. geloofsbrief. Cranium (kree'ni•um), a. schedel. Crank (break . ), a. iizeren kruk, elleboog; woord- Cred ible (kred'ibl), 8. —ibly, ad. geloofelijk, spel. —, a. rank; gezond, krachtvol, opgeruimd. geloofwaardig. —ibility —ibleness, — boat. lichte aloep. — ship, rank schip. —am, s. s, geloofwaardigheid. orgeruimdheid; rankheid. —y, a. opgeruimd, Credit (kred'it), s. geloof, geloofwaardigheid; vertrouwen, achting, aanzien; crediet; getuigekrachtvol. —, v. n. kronkelen, bochtig zijn. nia. —, v. a. geloof (vertrouwen) achenken; bor. v, a. Crankle (kren'kl), a. kronkeling, boeht. gen; creditteeren. —able, a. —ably, ad. vertroubochtig waken, kronkelen; v. n. zich slingereu, wen verdienend, achtenswaardig. —ableness, a. zich kronkelen. Crania led (kren'nid), a. vol spleten. —y, s. apleet, aanzien; achtenswaardigheid. —or, a. schuld. eischer. seheur. Credulity (kre-djoe'lit-tab), a. liehtgeloovigheid. C rants (krents), 0. lijkkransen. Credulous (kredloelus), a. —1y, ad. lichtgeloo. Crape (kreep), a. ltrip , floes, rig. —ness, 8. lichtgeloovigheid• Crapaael (krep'nil) u. dreg, hank. Craw.) care (krerfjoe - lens), s roes, overlading. Creed (kried), s.geloofsformulier; geloof;meening. Creek (kriek'), 8. kreek, inham, bocht; dam, kaai; —ous, a. hedwelrnd; ongesteld, overladen. landtong; v, a. grof linnen. 4 riviertje. —y, a. vol kreken; bochtig. Crash (kreaj), s. gekraak; 4 Creep (kriep') [crept], v. n. kruipen, sluipen. verbrijzelen: v. n. kraken. —er, a. kruiper; kruipend cher; boomkruipertje; Crasis (kree . sis), a. gestel; ineensmelting van kruipplant; scheepshaak; overschoen; vuurhok. twee klinkletters. —hole, sluiphol; uitvlucht. —ingly, ad. kruipend. Crass (kres'), a. dik, prof. —itude (-si-tjoed), s. Cremona (kre-mo'ne), s. soort van viool. lompheid, grofheid. Crenate (kri'net), —d (kri'neet-id), a. getand, Crastluation (kres-ti-nee'sjun), a. uitstel. gekarteld. Crate!. (kre.tsj), s. ruif, krib. Creole (kri'ool), s. Creool; Creoolsche. Crate (kreet), s, teenen wand. Crepane (kri'peen), a. voetzeer (1)0 paarden). Crater (kree'tur), s. krater. Crauneh (kraantsj), v. a. vermorselen, kraken. Crepita te (krep't-teet), v. n. knetteren. —tion (-tee'sjun), a. knettering. Cravat (kre vet'), a. das, halsdoek. Crepuscul ar (kre-pus'kjoe-ler), — pus, a. sehe. Crave (kree,), v. a. afameeken, afvorderen. merend. —e(-kjoal), s, sehemering;sehemeravond. v, n. (for) dringend vragen. Craven (kree'un), a. bloethartig. a. verslagen Cres cent (kree'sent). —cave aanwas. send, toenemend. —cent, s. Wnssende mann; (de) haan; leased, turkacbe halve mean. a. drin- Crow er (kreev'ar), s, lastige vrager.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Waar kan ik kopen goedkope Bitcoins


Aanteeken tsar, frt. register, annotator. —bock, o. memorandum-book. --4,oekje, o. pocket- book, note-book. —en, ov. w to mark; to note (down); to enter, to register; to betroth. —ing, v. marking; noting down; entering, registration; note, annotation; bateothment. 'tants' en, ov. 7ie Aankwoeken. AftntUg en, or. w. to impute to, to lay to any one'e charge. —er, rn.imputer.—ing,v.imputation. Aantlikken, on w. to knock, to rep (at). AsntImaneren, ov. wale Aanboaaven. Aantocht, ra. approach. in — sijn, to approach. Aantokkelen, or. w. to tickle, to incite, Aantoon en, ay. w. to chow, to point out, to indicate, to denote, to demonstrate, to exhibit. —ende vatic, indicative mood. —er, m. shower, Indicator, demonstrator. —ing, v. showing, indication, demonstration. tanttedeo, or. w. to tread down; on. w. to approach; to fail in; to mend one's pace. Aantretion, or. w. to meet with, to find, to fall ( to light) upon, to fall in with. Aanstonds, bw. presently, immediately, direcf,y, Anntrekk elUk, hr. attractive, charming, captiv ating; sensible, easily affected, — concerned, forthwith, anon. Aanstookster, v. Zie Aanstoker. tender-bearted, touchy. —elijkheid, v. attractiveAanstoosnen, on. w. *omen —, to approach nests, charm; eensibil ty, touchiness. — en, ov. Tv. to draw near, tight, to give a pull at, to stretch, (steaming). Aanstoot, m. offence, scandal. — gjden, to be to strain; to attract; to put on; to myrrh (agninst. molested, to suffer injury. steen des —a, stumt. w. to take to heart, to be grieved on); rich bv. & bw. offeneive ( )ykkinaliat; to meddle with, to take a concern (an interest) bling•block. shoe-horn, —ing, in. —end, by. attractive. —er, daloue (-1y). —elijkheid, v. offenslaeitese, scandalousness. —en, ov. w. to push —, to knock —, v. attraction. —ingskrneht, v. power of attraction. to strike (against, on), to ram in; on. w. to stam- Aantronwen, or. w. ZleAtstshtswidn. mer. —ing, v. pushing, shock, collision. Aanvaard en, or. w. to accept, to teke posses. Aanstorman, on. w. (tomes —), to storm against; son of; to begin, to enter Ryon, to set out upon. v. to rush in —, to burst (upon ► . —cr. m. —.ter, v. accepter, undertaker, Aantston wen, or. w. to stow, to trim the hold. Viking possession of; beginning, entering upon. Aanstcralcn, ov. w. to shine (to beam) on. &ens. I, m. attack, charge, onset; tit. —len, ov. w. to attack, to assail, to aggress; on. w. to fell Aanstrand on, on. w. to *trend, to drive ashore. against); to begin; (op) sae ov. w. —lend, by. —ing, v. stranding. offensive. —ter, so. aggressor, assailant. Aanstreelan, or. W. to court one's friendship. Amnion's. he. & bw. amiable (-bly), lovely, Aanstrepen,ov.w. to mark. Ainstreven, an. w. to come hither. charming (•13?), graceful (-1y), —head, v. amiableAnnstrUk en, ov. w. to color, to paint, to coughness, loveliness, gracefulness, charm. oast, to white-wash; komen —, to corne strutting Analysing:, na. beginning, origin, prime. een — along. —er, in. painter, white- washer. —lug, v. Renton, to begin. —en, ov. w. to begin, to enter painting, w hite-washing. upon, to undertake, to do —er, ro. —ater, v. beAanstrIkk en, ov. w. to festen, to knit to, —ing, ginner; novice. —e-,, (i Corn.) fleet, initial. v. fastening, knitting to. primary (-fly), origAtm vankelijk, & Aanstrompellen, on. w. komen —, to come inal (-4), first; at first. stumbling along. Aanvar an, or. w. to run aboard (foul) of; on. w. Aanstroonsen, ov. w. to float down; on. w. to run —. to sail (against); Amen —, to sail hither, (komen —), to now near; to flock hither. to 'approach. —ing, v. running aboard, shock. Aanstuilven, a v. w. (homes —), to rush in upon; Aanvatt en, ov, to seize, to catch; to not to rush hither. about, to manage. —ing , v. taking, catching hold Aanstuwsn, or. w, to drive (to push) on; zie ook of; undertaking. Aanstonsven. Assuirecht en, or. w. to tempt. --er, m. tempter. Aansukkelen„ on. w. komen to come drud- —ing, v. temptation. ging (jogging) along. Aturvegen, ov. w. to sweep (out). Aansullen, on. w, to slide (against). home's —, to Annversterven, on. w. Zie Aanbesterven. cornenliding along. onvertrouwen, ov. w. Aanbetrouswen. &fantail, o. number, great many, quantity. Aanverwaut, a. reletod (allied) to; congenial. —, Aantast en, or. w. to touch, to take hold of; to m. & •. relation; kinsmen, kinswoman. attack, to seize upon' to hurt, to blast, to blem- Aanvetten, ov. w, to grease. ish, to stain, to tarns .h; to exhaust, to weaken Aanylecht on, or. w. to braid (to twist) to. —kg, —kg, v. taking hold of; attack. v. braiding (twisting) to.
Litecoin, however, uses the scrypt algorithm – originally named as s-crypt, but pronounced as ‘script’. This algorithm incorporates the SHA-256 algorithm, but its calculations are much more serialised than those of SHA-256 in bitcoin. Scrypt favours large amounts of high-speed RAM, rather than raw processing power alone. As a result, scrypt is known as a ‘memory hard problem‘.
149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-

cryptogeld quora


Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da- 

Is Zebpay portemonnee veilig


Linn (lajn'), a. lijn, linie, regel; tali; vles. ship of the —, linieachip. — of conduct, levensgedrag. —keeper, baanwachter. v. a. in eene lijn pleats.; voeren, van binnen bekleeden, versterken; bespringen. — a sail, eea zeil banden. Li ne gay (1 in'i- idzj), a. geslacht, afkornst. —/ (-el) a. nit lijnen bestaand; to rechtelijnefstaremend. — verwant; geerfd. —lly (-el-lih), ad. lijnrecht. —went (-e-anent), a. trek, gelaatatrek. —r (-er), a. uit lijnen bestaaud; lijnvormig; gelijmd. —te (-et), e. gestreept. —tion (-ee'sjunk a. lijning. Llaaen (lin'in), a. linnen. —. a. linnet, llnnengoed. —cloth, lijnwaad. —draper, linnenliooper. —weaver, linneuwever..
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.

Is Bitcoin wettig betaalmiddel in Japan

×