Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.

Kun je ZRX kopen op Coinbase


PRE. 232 (-tjoe-us-), a. Terwaand, vermetel. eteden, indienen, presenteeren; aangeven; (with) waandheid, verrnetelheid. begiftigen, schenken. —able, a. voorgeateld of aangeboden kunnende worden. —encase (prez-en- Presuppos al (pri.sup.po'zel), —itian (-ziej'un), tee'ni-us), a. snelwerkend. —ation (prez-in-tee'. s. vooronderatelling. —e (- pooz% v. a. vooron• ajun), a. voorstelling; aanbieding; vertoon; voor- derstellen. eracht ter benoeming.—alive (-e-tiv), a. vooratei- Pretence (pre-tens'), a. voorgeven, voorwendsel, aanapraak (to). boar. —ee (prez•in-tiel, a. ter benoeming voor- gedragene. —er, a. voorsteller; aanbieder; in- Pretend (pre-tend'), v. a. voorwenden. voorge(-zen'sjel), a. aanwezig. —iment ven, beweren; veinzen, v. n. beweren, voorgediener. (pri-sen'ti-ment),s. voorgevoel.— /y (preeent-iih), ven; zich aenmatigen; (to) aanapraak waken op. ad. aanstonds; ongenblikkelijk. —meat, s. voor- —est, a. voorgewend, gewaand. —er, a. voorwent,telling; sanbieding; aanklacht. der; pretendent. —ing, a. —ingly, ad. verwaand, Presery able (pre-zurv'ib1 ► , a. bewaarbaar. laatdunkend. —ation (prez-ur-vee'sjun), a. bewaring, behoud. Preten slop (pre-teu'ejun), s. aarspraak; aanmatiging; voorwendsel. —tious (-ejus), a. eonafire ( ette), --(dory (-e-tur rib), a. bewarend, matigend. behoedend; a. behoedmiddel. —e (aura'), a. in- gemaakte fruit; v. a. bewaren, behoeden (from, Preteriruperfect (pri-tur-im-purlekt), a. & a. onvoltnaakt verledeh loon); kontljten, inmaken. —er, a. bewaarder; behoeder; inmaker. —era (-urz), pl. coneervatie- Preterit a (prilur-it, prat'-) a, & a. verleden (ttjd). —ion (-loran), a. voorbljgang. bril. Preside (pre• zajd'), v. n. vooreitten (over). Preter lapsed (pri-tur-lepat'), a. verieden, verPreald ency (prezn-den-sih), s, voorzitterachap, I vlogen. —legal (- Wgel), wederreehtelidk. —mission weg-, uitlaten; oversiaan; verzulmen. —eat, a. voorzttter, president. —entship, a. voor- sitterachan, —er (pre zajd'ur), s. vooraitter. —ial, Preternaturel (pri-turtnetioe-rell, a. —ly, ad. tegennatnuribk- —nen, a. tegennatuuritikketd. —iary (pre-sid'i-), a. garnizoens-; een garnizoen Preter perfect (pri-tur-purlekt), a. 86 a. vethebbend. kee'ajun), a. maekt verieden (tijd).—p/uperfeet(-ploe-puefekt), Premises!' 'cation voorefgaande kennisgeving, —y (-sig'ni-faj), v. a. a. & a. merr dan volmaskt verieden (tijd). E Pretext (pre-teksi ,,, pri'-), s, voorwendsel. vooraf aanzeggen. Press (press') a. pee., klebrkaat; (het) pressen; Preter (prPter), s. pretor. —ial,—tan (pre•to'ri-), gedrang; drub; drang. in the —, ter parse. tot a. pretortaansch; reehterlijk--ship, a. pretorcarry a — of sail, elle zeilen bilzeten. to correct ',chap. the—, drakproeven corrigeeren —bed, sleapbank. Prett y (pritlih), a. —ily, ad. lief, aerdig, net, —copy, afdruk (van een brief, ens.), moot; tamelijk. —inns, a. iletheid, aardigheid. presgang. —man, drukker; werver. —money, —y, ad. tamelijk. handgeld.—potnt, tulle.—atick, persboom,—stone, Prevail (pre-veal'), v. n. he overhand hebhen persfondament. —work, drukwerk; druk, (against. over); heerachen, in twang Ain; geldig zian. Ion. upon, with) overreden. —one a self of, Press (presa'1, v. a. persen; uitpersen; drukken; zich ten nutte maken.—ing, a. heeraehend; krachdringen; pressen. (on) op het strand jagen. [upon) n. drukken; (zich) tig, veel vermogend. —meat, a. overhand, inopdringen; inscherpen. zich voortapoe- atreven near, ( on) vioed. driugen. (for) den. (a'., upon) zich moedwillig blootatelian aan; Prevalen ce (prev'e-lene, —ey, s. overhand, eervolgen; inbreuk maken op. —er, a. perser; overwichti herraching, algemeenbeid.— t, a. —tie. presser. —ing, a. —ingly, ad. dringend.—ing iron, ad. overwegend; krachttg; heerachend; geldig. persijzer. —ion (prearun), a. parsing, drang. Prevarica to (pre-yer't- keet), v. n. slinks to —are (preervr), s. drukking; persing; druk; flood;verb gaan, draaierijen bezigen; nitvittehten zoeonderdrukking; drang; indruk. I ken; tegen trouwen plieht hen delen, —tion (-bee'. Prent iprest'), a. opbrengst; leaning; —money, ejun), a. draaierij; pliehtverzaking, ambtsonhandgeld. —ation- (-tee' , Jun-) money, jaarlijksehe trouw. —tor, a. draaier, trouwelooze; plichtveropbrengst aan he bisechoppen, —er, s. bliksem- zaker. straal. Prevenient (pre•vi'ni-ent), a. voorgaand;ontvPrornd. k everani Preselg en (preslidzj in), pl. begooeheling; goochelarij. —iation ( i-ee'sjun). a. goochelarij; Prevent pre-vent'), v. a. voorkomen, verhindea. geochelaar; ten (from); vooraf ouderrichten, —able, a. to voorrnisleiding. —iator mislei der, —ions (-tidzyi•us), r. begoocheleud. tomen; verhinderbaar. bedriegeiijk. Preventer (pre-vent'ur), a. voorkomer; verhinPresum able (pre-zjoem'ibi, a. —ably, ad. ver deraar; borgtouw, perdoen. —baekstay, loose per moedel‘jk. —e, v. n. vermoeden, Vance; bet does. —bolt, puttinghout. —brace, borg op de waken, zich verstouten, de vrijheid nemen; (of, braneen.—cross-tree,stopzaling.—leech-line,uneer• on, upon) vertrouwen op;' etch inbeeiden; zich gording.—lift, loose toppenant. —plate, kapplaat. laten vooretean op. —er, a. vermoeder; verwaande. waar!oos tuig. —rope, berg, ophouder. —ing, a. taatdunkend, verwaand. --sheets, —shrouds, pl. borg op het want. Preaunapt ion (pre-zum'sjun), a. vermoeden, ay h,liolposzteesntgaegw .— inedtrrearp,.borgatrop. —tip-rope, onderstelling; verwaandheid. —ive, a. —ively, ad. borg, , vermoedelijk; aanmatigend, verwaand; vermetel- prevent ion pre-ven'sjun), a. voorkoming; yen-uous, a. —uously, ad, (-tjoe-us-), ingebeeld, verhindering; waarschuwing. —ional, a. voorko-
v, erasure; to get over, to bring to bear. Doordring banes, by. penetrable, pervious, permeable. --6earkeido. penetrability, perviousness. rebuke. permeability. --ea, ov. w. to pervade, to per- Doorheen, bw. through. er —, through it. meate; to pierce ; to penetrate (into). on. w. to Doorbeet, be, thoroughly heats'', very hot. press through, to penetrate into. —end, by. pen- Doorbelpen, ov. w. to help through, to back; to run through, to diesipate. etrat: ng, penetrative, piercing, keen, acute, shrill, sharp. —endheid, v. penetrativeness, penetration, Dsattrhotivuots, or. w. Zoe Doorbakken. acuteness ; keenness; shrillness. —er, at. pene- Doorhuppelen, on.w. to Alp (to jump) through. Doorbuteeten, or. w. to jumble (together). , trator. —ing, v. penetration. Dooringen, ov. w. to drive (to chase) through; Doordrongen, by, (roe) impressed with. to dissipate; on. w. to hoot ott; to drive (to vide) oordroog, ov. thoroughly dry. very fast through. Doordrutpco, on. w. to drip through; to steal Doorkaketen, on. w. to continue prating, to away. tattle on. Doopodrukken, ov. w. to welts through. — out; Doorkeppen, or. w. Zie Door hakken. on. w. to blot; to continue to gall (ern petard), Doorkorven, or. W. to carve to pierce, to mines. prey sing, — printing. Doorkenvelen, on. w. to continue chatting. Doorduwen, ov. w. to push through. Dooreen, bw. one with another; pell-mell, con- Doorktjken, ov. w. to examine narrowly; on. w. to look (to peep) through. fusedly; upon the wole, on An average. Dooreenhaspeten, ov. w. to mingle confused- Doorklauteren, ov. w. to climb all over; on. w. to climb through. ly, to entangle, to huddle together. Iflooreenkluteen, or. w. to beat up together. Doorkielnzen, or. 'w. to strain, to filtrate. Dooreenloopoo, on. w. to run together ; to Doorkileaven, ov. w. to split through; to cleave. Doorkillinneen, or. & on. w. .Zie Doorklaurun pell-mell. — confusedly. t ergo. Dooreeninengen, ov. w. to mix together. Dooremnwerpen, ov. w. to Jumble (to huddle) Doorkluteen, ov. w. to beat up together. Doorknobbeien Doorknagext , Doortogether. finauwen, cv. w. to' gnaw through; to consume, Dooraten, oy. w. to eat through; on. w. to conto corrode. tinue eating; to make haste in eating. 2loorgaan, ov. w. to wear out with walking; to Door kneden, ov. w. to kneed thoroughly, — well. —leered, by. elaborate, highly finished; wellwalk (one 'a feet) sore; to peruse, to examine; versed, skilled (in). kneedlarid,v . great skill. on. NV, to go (to walk, to pass) through, to cross; to walk on, to mend one 'a pace; to steal away; Doorknoppen., Ov. w. to cut through. to elope; to take fright, to run away ; to wear Doorkokon, or. & on. w. to boll thoroughly. korner), on. w. to come (to get) through; Door off; to break, to burst; to pa. (veer, for); to take. to become general, to succeed, to be carried (60 to recover, to come (to get) off. —tenet, v. stemming,; to drag (van een onkel.). —d, by. con- passage, issue, event. tinual; common, 1111.1. —de bete, thorough bass. Doorkowl, by. quite chilled, very cold. Doorkrnbbelen, Doorkrabben, °v. w. to —s, bw. commonly, uenaliy. scratch open; to sers.tch out. Doorgaug, m. pavaoge, thoroughfare; transit. DoorkriUgen, ov. w. to get through. Doorgeleord, be. thoroughly learned. Doorkruiden, on. w. to season all over, to Doorgesiokaus, be. concerted, contylvtd. Doorgevon, or. & on. w. to give (to reach ; epics thoroughly. Poorkvelpen, ov. w. to creep through, -- ell through ; to continue giving, — dealing. over; to pry into; to wear out with creeping; Doorettet en, ov. on. w. to pour through; to on. w. to creep through. Percolate, to strain; to continue pouring, — (tastDoorkrasleen, ov. ay. to cross, to ramble over. ing. —inp, v. percolation ,. straining. Dootrictennon, on. w. to be able to get through; Doortelsece.„ oto w. to cOutimue termerting. to be tolerable. dot kan er niet door, that will 1PoorAlUden, on. w. to elide (to slip; through. not do indeed; I cannot put up with it. Doorgossa, ice. extremely good-natured. Doorgooless e ;ov. w. to throw (to fling) through, Detorlaten, or. w. to let pass; to transmits Doorlecrd, by. erudite. — out of; to break by throwing. Doorgrnv en,"ov. w. to dig* through, to open; Iloorietden, ov. w. to lend (to conduct) through. Doorisklbon, on. w. to drop (to leak) through. on. w. to continue digging. —ing, v open;ng. Doorgrfeven, ov.w. to grieve (to sting, to wound) nuorloven, or. w. to lice over, to pass. Doorlex en, or. w. to read over, to peruse; on. to the quirk. w. to read on, to continue reading. —en. by. read, Doorgroefen, on. w. to grow through; to conwell-read. —ing, v. perusal. tlnue growing, to grow on. Dourgrond en, ov. w. to penetrate (into), to Dooritrbten, ov. w. to light throogh; on, w. to lightening. fathom out. —er, en. eearcher. —leg, v. penetrat- chine through; to continue Doorliggen, ov. w. to gall (to make sore) with ing, penetration, fathoming. t. w. to be bed•sore. lying. sick Doorhakken„ ov. w. to hew (to cut) through, D *melts op, m.oassage, gate-way; lowness. to cleave; on. w. to continue hewing. or w. to run (to pass) through, to traverse; to Doorhat eat, ov. w. to pull -to draw) through, peruse. to run (to glance) over, to run sore, to to moieten, to site; to starch; to erase, to cross, wear off with walking; on. w. to run through; to to strike out; to rebuke, to lecture; to recover;
Korokommer, a. encumber. Kosninn, a. lit o.'comma. —punt, seem-colon. Konansnnd ant, m. commander; governor. —acres, ov. & on. w. to command. —ear, m. commander, COMmodore. Komnier, m. trouble, sorrow, grief; hare-dung. —rijp, hardly ripe. —/iele, by. & bw. sorrowful (-lye, distresefol (-1y), cumberso,ne, scanty (-ly), pitiful (-ly). —loan, by. careless, anconcerne —xis, Y. trouble, sorrow, grief.
w. to scrub, to *e b. —lap, rubber. —was, waxing. —stir, v. char-woman. Boost, m. peasant, farmer., countryman; clown, boor, short ; knave (in 't kaartipel); belch. —en fates, to belch, to rife wind upwards. —enbedriff, farming. —enboon, great bean. —enbrueloft, country-wedding. —endans, country-dance, jig. —endeer. , —dockter,, country-girl peasant-girl. —esdracht, peasant's dr.... —.Omit, pipe, reed. —enkerbirg, village-inn. —enhofetede, farm. —esbond, farm-dog. —matis, farmer's house. —enhut. —enatalp, cottage. —enjongen, —enksaaP. oottntry-lad, swain, rustic. —akar, —waken, farmer's cart. —eckermis, country-fair, country-wake. —enkinkel, churl, hob-nail. —enkleeding, countrydress. —enknecet, farmer's DIM —enkno/, jade, hack. —eskool, bore-vole, green.kall. —enkoit, country-fare. —enkriiitje, bit of chalk; met het — rekenen, to chalk down, to cast up with Roman cipher!, —reeves, country-life. —enlied, rural song. —esmeid, farmer's maid. —ettoorloO, peasant-war. —mtiproak, —extort?, country-dialeet, brogue. —enstand, peasantry. —envolk, country -people. —envrosw, country-woman —*week, peasant's work. —.mooning, farm house. --engem', farmer's son, country•lad. —achtig, bv. peasant.. like, clownish. —achtioheid , v. boorishness. —derli, v. farm ; farming. —en, on. w. to farm; to belch, to rift wind upwards. —in, v. countrywoman. —reek, b.. & bw. peasant-like, rustic), rustiosl (47), clownieh I-1y1, boorish (-ly). —soh. Acid, v. rusticity; elownishness, boorishness. Boort, v. jest, pleasantry. —es, on. w. to jest, to Joke, to banter. —end, by. & bw. jostibt-IY), jolting (..1y), for a tin) Joke. —er, m. ester, joker. —orb, v. jesting, oke. by. by. jocose ( -1Y4 Jocuar (-1y), facetious (-1y), Immorons (-Iy).
Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Is Steemit gebouwd op ethereum


(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,
Torts ouo (rorrjoe-ttn), a. gekrnnkeld, gedraald. -osity -ousness, s.gedraatdheld, kronketing, krocamIng. Torture (torrjoer), 5. ',bulging. tottering. -, v. a. ptjnigen, folteren. -r, s. pijniger. Torvous (tor'vz, 4), a. bench, norseh. Tory (Willi), 5. Tory, koningsgezinde. Tose (too.), v. a. karnmen, kaarden. Toss (toss'), 5. warp, stout, ichndding. -pot, zuiplap. v. a. werpen, smijten., slingeren; solleu; verontresten; overleggen; (about) heel en weer alingeren; (off) leegdrinken; (up) in de boogte werpen; v. n. sich been en weer bewegen (op) opgooien. -el ( - ii), s. Zie Tassel. -er, a. werpen, slingeraar. -Sag, a. gealinger; schudding; gesol.

Wat bedoel je met Bitcoin

×